Deinde considerandum est de simonia. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo, quid sit
simonia. Secundo, utrum liceat pro sacramentis pecuniam accipere. Tertio, utrum liceat
accipere pecuniam pro spiritualibus actibus. Quarto, utrum liceat vendere ea quae
sunt spiritualibus annexa. Quinto, utrum solum munus a manu faciat simoniacum, an
etiam munus a lingua et ab obsequio. Sexto, de poena simoniaci. (IIa-IIae q. 100 pr.)
Vervolgens moeten wij de simonie behandelen, waarover wij ons zes vragen stellen:
1. Wat is simonie? 2. Is het zonde geld aan te nemen voor de Sacramenten? 3. Mag men
geld aannemen voor geestelijke handelingen? 4. Mag men wat met het geestelijke in
verband staat verkopen? 3. Komt alleen bij een geldgeschenk simonie voor, of ook door
iets, wat men door woorden of dienstwilligheid geeft? 6. Over de straf van hem, die
simonie heeft gepleegd.
Articulus 1. Is simonie het in ernst willen kopen en verkopen van geestelijke dingen en wat daarmee
in verband staat?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod simonia non sit studiosa voluntas emendi et
vendendi aliquid spirituale vel spirituali annexum. Simonia enim est haeresis quaedam,
dicitur enim I, qu. I, tolerabilior est Macedonii, et eorum qui circa ipsum sunt sancti
spiritus impugnatorum, impia haeresis quam simoniacorum. Illi enim creaturam, et servum
Dei patris et filii, spiritum sanctum delirando fatentur, isti vero eundem spiritum
sanctum efficiunt servum suum. Omnis enim dominus quod habet, si vult, vendit, sive
servum, sive quid aliud eorum quae possidet. Sed infidelitas non consistit in voluntate,
sed magis in intellectu, sicut et fides, ut ex supra dictis patet. Ergo simonia non
debet per voluntatem definiri. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat simonie niet is het ernstig willen koop en en verkopen van geestelijke
zaken en wat daarmee verband houdt. Want de simonie is een ketterij, omdat het recht
immers zegt: « Beter nog te verdragen is de ketterij van Macedonius en die met hem
de H. Geest bestrijden, dan die van de bedrijvers van simonie. Want de eersten zeggen
in hun dwaasheid, dat de H. Geest een schepsel is en dienaar van de Vader en de Zoon;
maar de anderen maken diezelfde H. Geest hun dienaar. Want iedere heer verkoopt als
hij wil wat hij bezit; hetzij een dienaar, hetzij een ander stuk bezitting. » Nu ligt
de ongelovigheid niet in de wil, maar veeleer evenals het geloof in het verstand,
zoals uit het gezegde (10e Kw. 2e Art.) blijkt. Dus moet men de simonie niet omschrijven
door de wil erin op te nemen.
Praeterea, studiose peccare est ex malitia peccare, quod est peccare in spiritum sanctum.
Si ergo simonia est studiosa voluntas peccandi, sequitur quod semper sit peccatum
in spiritum sanctum. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 2)
2 — Met zekere bedoeling zondigen is uit slechtheid zondigen; en dat is een zonde tegen
de H. Geest. Als dus simonie de ernstige wil om te zondigen is, volgt daaruit, dat
het altijd een zonde tegen de H. Geest is.
Praeterea, nihil magis est spirituale quam regnum caelorum. Sed licet emere regnum
caelorum, dicit enim Gregorius, in quadam homilia, regnum caelorum tantum valet quantum
habes. Ergo non est simonia velle emere aliquid spirituale. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 3)
3 — Niets is meer geestelijk dan het hemelrijk. Nu mag men het hemelrijk kopen, want Gregorius
zegt: « Het hemelrijk kost zoveel als gij bezit. » Dus is simonie niet: iets geestelijks
willen kopen.
Praeterea, nomen simoniae a Simone mago acceptum est, de quo legitur Act. VIII, quod
obtulit apostolis pecuniam ad spiritualem potestatem emendam, ut, scilicet, quibuscumque
manus imponeret, reciperent spiritum sanctum. Non autem legitur quod aliquid voluit
vendere. Ergo simonia non est voluntas vendendi aliquid spirituale. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 4)
4 — De naam simonie is aangenomen om Simon de Tovenaar, van wie wij in de Handelingen
der Apostelen (8, 18) lezen, dat « hij de Apostelen geld aanbood » om geestelijke
macht te kopen, « opdat nl. allen waaraan hij de handen zou opleggen, de H. Geest
zouden ontvangen. » Nu lezen wij echter niet, dat hij iets wilde verkopen. Dus is
simonie niet iets geestelijks willen verkopen.
Praeterea, multae aliae sunt voluntariae commutationes praeter emptionem et venditionem,
sicut permutatio, transactio. Ergo videtur quod insufficienter definiatur simonia. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 5)
5 — Behalve kopen en verkopen zijn er veel andere vrijwillige manieren om handel te drijven,
zoals ruilen en verrekenen. Dus schijnt de omschrijving van de simonie onvolledig.
Praeterea, omne quod est spirituali annexum est spirituale. Superflue igitur additur,
vel spirituali annexum. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 6)
6 — Alles, wat met het geestelijke in verband staat, is geestelijk. Het is dus overbodig
erbij te voegen: of wat met het geestelijke in verband staat.
Praeterea, Papa, secundum quosdam, non potest committere simoniam. Potest autem emere
vel vendere aliquid spirituale. Ergo simonia non est voluntas emendi vel vendendi
aliquid spirituale vel spirituali annexum. (IIa-IIae q. 100 a. 1 arg. 7)
7 — Volgens sommigen kan de Paus geen simonie bedrijven. Toch kan hij wel iets geestelijks
kopen of verkopen. Dus is simonie niet de wil om iets geestelijks of wat ermee in
verband staat te kopen of te verkopen.
Sed contra est quod Gregorius dicit, in registro, altare et decimas et spiritum sanctum
emere vel vendere simoniacam haeresim esse nullus fidelium ignorat. (IIa-IIae q. 100 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat Gregorius zegt: « Dat het kopen en verkopen van een
altaar of tienden of de gaven van de H. Geest de ketterij der simonie is, is geen
gelovige onbekend. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, actus aliquis est malus ex genere
ex eo quod cadit super materiam indebitam. Emptionis autem et venditionis est materia
indebita res spiritualis, triplici ratione. Primo quidem, quia res spiritualis non
potest aliquo terreno pretio compensari, sicut de sapientia dicitur Prov. III, pretiosior
est cunctis opibus, et omnia quae desiderantur huic non valent comparari. Et ideo
Petrus, in ipsa sui radice Simonis pravitatem condemnans, dixit, pecunia tua tecum
sit in perditionem, quoniam donum Dei existimasti pecunia possidere. Secundo, quia
illud potest esse debita venditionis materia cuius venditor est dominus, ut patet
in auctoritate supra inducta. Praelatus autem Ecclesiae non est dominus spiritualium
rerum, sed dispensator, secundum illud I ad Cor. IV. Sic nos existimet homo ut ministros
Christi, et dispensatores ministeriorum Dei. Tertio, quia venditio repugnat spiritualium
origini, quae ex gratuita Dei voluntate proveniunt. Unde et dominus dicit, Matth.
X, gratis accepistis, gratis date. Et ideo aliquis, vendendo vel emendo rem spiritualem,
irreverentiam exhibet Deo et rebus divinis. Propter quod, peccat peccato irreligiositatis. (IIa-IIae q. 100 a. 1 co.)
Uit het boven gezegde (I-II. 18e Kw. 2e Art.) blijkt, dat een daad uiteraard slecht
is. omdat haar voorwerp iets verbodens is. Nu is een geestelijke zaak iets, wat geen
voorwerp van koop of verkoop mag zijn; en dat om drie redenen. Ten eerste, omdat
geen aardse prijs tegen een geestelijke zaak kan opwegen, zoals in het Boek der Spreuken
(3, 13) van de wijsheid wordt gezegd: « Zij is kostbaarder dan alle rijkdom; en niets
van alles, wat men verlangt, kan ermee vergeleken worden. » En daarom veroordeelde
Petrus de grond van Simons slechtheid, toen hij zei: « Uw geld zij met U ten verderve;
omdat gij dacht Gods gaven door geld te kunnen bezitten. » (Handel. 8, 20) Ten tweede,
omdat datgene rechtens verkocht kan worden, waarvan de verkoper de bezitter is, zoals
uit de boven aangehaalde tekst blijkt. Nu is een prelaat der Kerk geen bezitter, maar
de uitdeler van de geestelijke goederen naar het woord uit de Eerste Brief aan de
Korinthiërs (4, 1) : « Laat men ons dus zo beschouwen, als dienaars van Christus en
uitdelers van Gods geheimen. » Ten derde, omdat het verkopen strijdt met de oorsprong
van de geestelijke dingen, die nl. komen van Gods wil zonder verdiensten. En daarom
zegt de Heer bij Mattheus (10, 8) : « Om niet hebt gij ontvangen; geeft om niet. »
En zo toont een mens door iets geestelijks te kopen of te verkopen, oneerbiedigheid
tegenover God en goddelijke dingen. En daarom bedrijft hij een zonde van ongodsdienstigheid.
Ad primum ergo dicendum quod sicut religio consistit in quadam fidei protestatione,
quam tamen interdum aliquis non habet in corde; ita etiam vitia opposita religioni
habent quandam protestationem infidelitatis, licet quandoque non sit infidelitas in
mente. Secundum hoc ergo, simonia haeresis dicitur secundum exteriorem protestationem,
quia in hoc quod aliquis vendit donum spiritus sancti, quodammodo se protestatur esse
dominum spiritualis doni; quod est haereticum. Sciendum tamen quod Simon magus, praeter
hoc quod ab apostolis spiritus sancti gratiam pecunia emere voluit, dixit quod mundus
non erat a Deo creatus, sed a quadam superna virtute, ut dicit Isidorus, in libro
Etymol. Et secundum hoc, inter alios haereticos simoniaci computantur, ut patet in
libro Augustini de haeresibus. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 1)
1 — Zoals godsdienstigheid in een belijden van het geloof bestaat, dat een mens soms toch
in zijn hart niet heeft, zo sluiten de gebreken, die tegenover de godsdienstigheid
staan, een belijdenis van ongeloof in, ook al is er soms geen ongeloof in de geest.
Hierom noemt men simonie naar wat uiterlijk wordt getoond een ketterij, omdat een
mens in het feit, dat hij een gave van de H. Geest verkoopt, in zekeren zin uit, dat
hij de bezitter is van geestelijk goed; en dat is een ketterij. Men moet echter weten,
dat Simon de Tovenaar, behalve, dat hij « van de Apostelen de genade van de H. Geest
voor geld wilde kopen, » zei, dat de wereld niet door God is geschapen, maar « door
een verheven kracht, » zoals Isidorus zegt. En hierom worden de bedrijvers van simonie
onder de ketters gerekend, zoals men in het werk van Augustinus De Haeresibus vindt.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, iustitia et omnes partes eius,
et per consequens omnia vitia opposita, sunt in voluntate sicut in subiecto. Et ideo
convenienter simonia per voluntatem definitur. Additur autem studiosa, ad designandum
electionem, quae principaliter pertinet ad virtutem et vitium. Non autem omnis qui
peccat electione peccat peccato in spiritum sanctum, sed solum qui peccatum eligit
per contemptum eorum quae homines solent retrahere a peccando, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 2)
2 — Zoals vroeger is gezegd (58e Kw. 4e Art.). ligt de rechtvaardigheid en alle onderdelen
ervan en bijgevolg ook alle daaraan tegenovergestelde ondeugden, in de wil. En dus
is het goed de wil in de omschrijving van de simonie op te nemen. — Maar er wordt
« ernstige » bijgevoegd om de vrije keuze aan te geven, die vooral bij deugden en
gebreken behoort. Maar niet iedereen, die door een vrije keus zondigt, zondigt tegen
de H. Geest, maar alleen wie de zonde kiest uit verachting voor wat de mens gewoonlijk
van de zonde afhoudt, zoals boven (14e Kw. 1e Art.) gezegd is.
Ad tertium dicendum quod regnum caelorum dicitur emi, dum quis dat quod habet propter
Deum, large sumpto nomine emptionis, secundum quod accipitur pro merito. Quod tamen
non pertingit ad perfectam rationem emptionis. Tum quia non sunt condignae passiones
huius temporis, nec aliqua nostra dona vel opera, ad futuram gloriam quae revelabitur
in nobis, ut dicitur Rom. VIII. Tum quia meritum non consistit principaliter in exteriori
dono vel actu vel passione, sed in interiori affectu. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 3)
3 — Men zegt, dat het hemelrijk wordt gekocht, als iemand wat hij heeft om wille van God
weggeeft; en men neemt dan koop in ruimen zin in de betekenis van verdienste. Maar
de volledige aard van een koop vindt men daarin niet. Zowel « omdat het lijden van
deze tijd » (evenmin als onze andere gaven en goede werken) « niet opweegt tegen de
toekomstige heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden, » zoals in de Brief aan
de Romeinen (8, 18) staat; als omdat de verdienste niet voornamelijk in de uiterlijke
gave of daad of lijden gelegen is, maar in het inwendige gevoelen.
Ad quartum dicendum quod Simon magus ad hoc emere voluit spiritualem potestatem ut
eam postea venderet, dicitur enim I, qu. III, quod Simon magus donum spiritus sancti
emere voluit ut ex venditione signorum quae per eum fierent, multiplicatam pecuniam
lucraretur. Et sic illi qui spiritualia vendunt, conformantur Simoni mago in intentione,
in actu vero, illi qui emere volunt. Illi autem qui vendunt, in actu imitantur Giezi,
discipulum Elisaei, de quo legitur IV Reg. V, quod accepit pecuniam a leproso mundato.
Unde venditores spiritualium possunt dici non solum simoniaci, sed etiam Giezitae. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 4)
4 — De reden waarom Simon de Tovenaar de geestelijke macht wilde kopen, was om haar later
te verkopen, want het recht zegt, dat « Simon de Tovenaar de gave van de H. Geest
wilde kopen om later door het verkopen van de wondertekens, die hij zou doen, zijn
geld veelvoudig terug te verdienen. » En zo komen zij, die geestelijke zaken verkopen,
in hun bedoeling met hem overeen; en zij die willen kopen in hun daad. Zij echter
die verkopen, komen in hun daad met Giëzi, de leerling van Eliseus overeen, waarvan
wij in het Vierde Boek der Koningen (5, 20) lezen, dat hij van de genezen melaatse
geld aannam. Daarom worden de verkopers van geestelijke dingen niet alleen Simonieten,
maar ook Giëzieten genoemd.
Ad quintum dicendum quod nomine emptionis et venditionis intelligitur omnis contractus
non gratuitus. Unde nec permutatio praebendarum vel ecclesiasticorum beneficiorum
fieri potest, auctoritate partium absque periculo simoniae, sicut nec transactio,
ut iura determinant. Potest tamen praelatus, ex officio suo. Permutationes huiusmodi
facere pro causa utili vel necessaria. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 5)
5 — Onder koop en verkoop verstaat men iedere verbintenis, die niet om niets wordt gemaakt.
Dus kan men prebenden en geestelijke ambten ook niet ruilen op gezag van de partijen
zelf zonder gevaar voor simonie, en volgens de bepaling van het recht mag er ook geen
verrekening mee plaats hebben. Maar een prelaat kan krachtens zijn ambt dergelijke
veranderingen maken, als een reden het nuttig of nodig maakt.
Ad sextum dicendum quod sicut anima vivit secundum seipsam, corpus vero vivit ex unione
animae; ita etiam quaedam sunt spiritualia secundum seipsa, sicut sacramenta et alia
huiusmodi; quaedam autem dicuntur spiritualia ex hoc quod talibus adhaerent. Unde
I, qu. III, dicitur, cap. si quis obiecerit, quod spiritualia sine corporalibus rebus
non proficiunt, sicut nec anima sine corpore corporaliter vivit. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 6)
6 — Zoals de ziel uit zichzelf leeft, leeft het lichaam krachtens de vereniging met de
ziel; en zo ook zijn sommige dingen uit zichzelf geestelijk, zoals de Sacramenten
en dergelijke zaken, en andere dingen worden geestelijk genoemd, omdat zij daarmee
samenhangen. Daarom zegt het recht, dat « geestelijke dingen zonder stoffelijke geen
nut hebben, zoals ook de ziel zonder het lichaam niet lichamelijk leeft. »
Ad septimum dicendum quod Papa potest incurrere vitium simoniae, sicut et quilibet
alius homo, peccatum enim tanto in aliqua persona est gravius quanto maiorem obtinet
locum. Quamvis enim res Ecclesiae sint eius ut principalis dispensatoris, non tamen
sunt eius ut domini et possessoris. Et ideo si reciperet pro aliqua re spirituali
pecuniam de redditibus alicuius Ecclesiae, non careret vitio simoniae. Et similiter
etiam posset simoniam committere recipiendo pecuniam ab aliquo laico non de bonis
Ecclesiae. (IIa-IIae q. 100 a. 1 ad 7)
7 — De Paus kan als ieder mens de ondeugd van simonie hebben; want een zonde is zwaarder,
naarmate de persoon die haar bedrijft, hoger staat. Want hoewel de zaken der Kerk
onder hem als onder de hoogste uitdeler vallen, is hij er toch niet heer en eigenaar
van. En zou hij dus voor geestelijke zaken geld uit de inkomsten van een kerk ontvangen,
dan zou hij niet vrij zijn van simonie. En op dezelfde manier zou hij simonie kunnen
bedrijven door geld van een leek, dat niet uit kerkelijke goederen voortkomt, te ontvangen.
Articulus 2. Is het altijd ongeoorloofd geld voor de Sacramenten te geven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non semper sit illicitum pro sacramentis
pecuniam dare. Baptismus enim est ianua sacramentorum, ut in III parte dicetur. Sed
licet, ut videtur, in aliquo casu dare pecuniam pro Baptismo, puta quando sacerdos
puerum morientem sine pretio baptizare non vellet. Ergo non semper est illicitum emere
vel vendere sacramenta. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet altijd ongeoorloofd is geld voor de Sacramenten te geven.
Want het doopsel is « de deur tot de Sacramenten, » zoals wij in het Derde Deel (73e
Kw. 3e Art.) zullen zeggen. Nu schijnt men in sommige gevallen geld voor het doopsel
te mogen geven; b.v. in het geval, dat een priester een stervend kind niet zonder
betaling zou willen dopen. Dus is het niet altijd ongeoorloofd de Sacramenten te kopen
of te verkopen.
Praeterea, maximum sacramentorum est Eucharistia, quae in Missa consecratur. Sed pro
Missis cantandis aliqui sacerdotes praebendam vel pecuniam accipiunt. Ergo licet multo
magis alia sacramenta emere vel vendere. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 2)
2 — Het grootste Sacrament is de Eucharistie, die in de Mis wordt geconsacreerd. Nu krijgen
sommige priesters geld of een prebende voor het zingen van Missen. Dus mag men nog
veel eerder de andere Sacramenten kopen en verkopen.
Praeterea, sacramentum poenitentiae est sacramentum necessitatis, quod praecipue in
absolutione consistit. Sed quidam absolventes ab excommunicatione pecuniam exigunt.
Ergo non semper est illicitum sacramenta emere vel vendere. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 3)
3 — Het Sacrament van de biecht is een noodzakelijk Sacrament; en de absolutie is er het
voornaamste deel van. Nu vragen sommigen geld, als zij van de excommunicatie absolveren.
Dus is het niet altijd ongeoorloofd de Sacramenten te kopen of te verkopen.
Praeterea, consuetudo facit ut non sit peccatum illud quod alias peccatum esset, sicut
Augustinus dicit quod habere plures uxores, quando mos erat, crimen non erat. Sed
apud quosdam est consuetudo quod in consecrationibus episcoporum, benedictionibus
abbatum, et ordinibus clericorum, pro chrismate vel oleo sancto et aliis huiusmodi
aliquid detur. Ergo videtur quod hoc non sit illicitum. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 4)
4 — De gewoonte doet iets, wat anders zonde zou zijn, geen zonde zijn zoals Augustinus
zegt, dat « het hebben van meerdere vrouwen, toen dat het gebruik was, geen zonde
was. » Nu bestaat bij sommigen de gewoonte om bij bisschopswijdingen, inzegeningen
van abten en wijdingen van geestelijken iets te geven voor het chrisma of de heilige
olie en dergelijken. Dus schijnt dat niet ongeoorloofd te zijn.
Praeterea, contingit quandoque quod aliquis malitiose impedit aliquem vel ab episcopatu
obtinendo, vel ab aliqua alia dignitate. Sed licet unicuique redimere suam vexationem.
Ergo licitum videtur in tali casu pecuniam dare pro episcopatu, vel aliqua alia ecclesiastica
dignitate. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 5)
5 — Het gebeurt soms, dat iemand kwaadwillig iemand belet het bisschopsambt of een andere
waardigheid te verkrijgen. Nu mag iedereen zijn moeilijkheden afkopen. In dergelijke
gevallen schijnt het dus geoorloofd geld te geven voor het bisschopsambt of een andere
kerkelijke waardigheid.
Praeterea, matrimonium est quoddam sacramentum. Sed quandoque datur pecunia pro matrimonio.
Ergo licitum est sacramenta pecunia vendere. (IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 6)
6 — Het huwelijk is een Sacrament. Nu geeft men soms geld om te trouwen. Dus mag men Sacramenten
voor geld verkopen.
Sed contra est quod dicitur I, qu. I, qui per pecuniam quemquam consecraverit, alienus
sit a sacerdotio. (IIa-IIae q. 100 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat het recht zegt: « Wie voor geld iemand heeft geconsacreerd,
zij van het priesterschap uitgesloten. »
Respondeo dicendum quod sacramenta novae legis sunt maxime spiritualia, inquantum
sunt spiritualis gratiae causa, quae pretio aestimari non potest, et eius rationi
repugnat quod non gratuito detur. Dispensantur autem sacramenta per Ecclesiae ministros,
quos oportet a populo sustentari, secundum illud apostoli, I ad Cor. IX, nescitis
quoniam qui in sacrario operantur, quae de sacrario sunt edunt, et qui altari deserviunt,
cum altario participantur? Sic igitur dicendum est quod accipere pecuniam pro spirituali
sacramentorum gratia est crimen simoniae, quod nulla consuetudine potest excusari,
quia consuetudo non praeiudicat iuri naturali vel divino. Per pecuniam autem intelligitur
omne illud cuius pretium potest pecunia aestimari, ut philosophus dicit, in IV Ethic.
Accipere autem aliqua ad sustentationem eorum qui sacramenta ministrant, secundum
ordinationem Ecclesiae et consuetudines approbatas, non est simonia, neque peccatum,
non enim accipitur tanquam pretium mercedis, sed tanquam stipendium necessitatis.
Unde super illud I ad Tim. V, qui bene praesunt presbyteri etc., dicit Glossa Augustini,
accipiant sustentationem necessitatis a populo, mercedem dispensationis a domino. (IIa-IIae q. 100 a. 2 co.)
De Sacramenten van de Nieuwe Wet zijn vooral geestelijk, omdat zij oorzaak zijn van
de geestelijke genade, die niet op een prijs kan worden geschat en met wier aard het
strijdt, dat zij niet om niet zou worden gegeven. Nu worden de Sacramenten uitgedeeld
door de bedienaars der Kerk, die door het volk moeten worden onderhouden naar het
woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9, 13) : « Weet gij dan
niet, dat wie het heiligdom bedienen, van het heiligdom eten, en wie het altaar bedienen,
met het altaar delen? » Men moet het dus zo zeggen, dat het aannemen van geld voor
de geestelijke genade van de Sacramenten de zonde van simonie is, die geen enkele
gewoonte verontschuldigt; omdat « de gewoonte geen natuur- of goddelijk recht te niet
doet. » Onder geld verstaat men « alles, welks prijs in geld kan worden geschat »
zoals de Wijsgeer zegt. — Maar iets aannemen voor het onderhoud van hen, die de Sacramenten
toedienen, volgens de kerkelijke bepalingen en goedgekeurde gewoonten, is noch simonie
noch zonde; want men neemt dat niet aan als prijs voor koopwaar, maar als gift, die
men nodig heeft. Daarom zegt de Glossa bij de tekst van de Eerste Brief aan Timoteüs
(5, 17) : « Goede priesters, enz. »: « Laten zij in wat zij nodig hebben door het
volk onderhouden worden, als loon voor wat God uitdeelt. »
Ad primum ergo dicendum quod in casu necessitatis potest quilibet baptizare. Et quia
nullo modo est peccandum, pro eodem est habendum si sacerdos absque pretio baptizare
non velit, ac si non esset qui baptizaret. Unde ille qui gerit curam pueri in tali
casu licite posset eum baptizare, vel a quocumque alio facere baptizari. Posset tamen
licite aquam a sacerdote emere, quae est pure elementum corporale. Si autem esset
adultus qui Baptismum desideraret, et immineret mortis periculum, nec sacerdos eum
vellet sine pretio baptizare, deberet, si posset, per alium baptizari. Quod si non
posset ad alium habere recursum, nullo modo deberet pretium pro Baptismo dare, sed
potius absque Baptismo decedere, suppletur enim ei ex Baptismo flaminis quod ex sacramento
deest. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 1)
1 — In geval van nood kan iedereen dopen. En omdat men op geen manier mag zondigen, moet
het geval, dat een priester zonder betaling niet wil dopen, als hetzelfde worden beschouwd
als dat er geen priester is om te dopen. Daarom mag hij, die voor het kind moet zorgen,
het in dat geval zelf dopen of het door ieder ander laten dopen. — Maar hij mag water
van de priester kopen, omdat dit zuiver een stoffelijk element is. Zou echter een
volwassene naar het doopsel verlangen en doodsgevaar dreigen en een priester hem zonder
betaling niet willen dopen, dan zou hij zo mogelijk door een ander moeten worden gedoopt.
Kan hij zich echter niet tot een ander wenden, dan moet hij toch geen prijs betalen
voor het doopsel, maar liever zonder doopsel sterven, omdat het doopsel van begeerte
bij hem aanvult, wat van het Sacrament ontbreekt.
Ad secundum dicendum quod sacerdos non accipit pecuniam quasi pretium consecrationis
Eucharistiae aut Missae cantandae, hoc enim esset simoniacum, sed quasi stipendium
suae sustentationis, ut dictum est. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 2)
2 — Een priester neemt geen geld aan voor het consacreren van de Eucharistie of het zingen
van de Mis, want dat zou simonitisch zijn; maar zoals gezegd is, als een gift voor
zijn onderhoud.
Ad tertium dicendum quod pecunia non exigitur ab eo qui absolvitur quasi pretium absolutionis,
hoc enim esset simoniacum, sed quasi poena culpae praecedentis, pro qua fuit excommunicatus. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 3)
3 — Wie absolveert vraagt geen geld als prijs voor de absolutie, wat simonitisch zou zijn,
maar als straf voor de schuld van vroeger, waarvoor hij geëxcommuniceerd was.
Ad quartum dicendum quod, sicut dictum est, consuetudo non praeiudicat iuri naturali
vel divino, quo simonia prohibetur. Et ideo si aliqua ex consuetudine exigantur quasi
pretium rei spiritualis, cum intentione emendi vel vendendi, est manifeste simonia,
et praecipue si ab invito exigantur. Si vero accipiantur quasi quaedam stipendia per
consuetudinem approbatam, non est simonia, si tamen desit intentio emendi vel vendendi,
sed intentio referatur ad solam consuetudinis observantiam; et praecipue quando aliquis
voluntarie solvit. In his tamen omnibus sollicite cavendum est quod habet speciem
simoniae vel cupiditatis, secundum illud apostoli, I ad Thess. ult., ab omni specie
mala abstinete vos. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 4)
4 — Zoals is gezegd, « doet geen gewoonte een natuur- of goddelijk recht te niet, » en
daardoor is de simonie verboden. En wordt dus krachtens een gewoonte iets gevraagd
als prijs voor geestelijk goed met de bedoeling te kopen of te verkopen, dan is dat
duidelijk simonie; en vooral als het van iemand tegen zijn wil wordt gevraagd. Wordt
echter krachtens een goedgekeurde gewoonte iets als bijdrage gevraagd, dan is het
dat niet, als ten minste de bedoeling er niet bij is om te kopen of te verkopen, en
die zich alleen richt op het onderhouden van de gewoonte, en vooral als iemand vrijwillig
betaalt. In al deze gevallen moet men echter nauwkeurig alles vermijden, wat op simonie
of hebzucht lijkt naar het woord van de Apostel (1 Thess. 6, 22) : « Wacht U voor
iedere schijn van kwaad. »
Ad quintum dicendum quod antequam alicui acquiratur ius in episcopatu, vel quacumque
dignitate seu praebenda, per electionem vel provisionem seu collationem, simoniacum
esset adversantium obstacula pecunia redimere, sic enim per pecuniam pararet sibi
viam ad rem spiritualem obtinendam. Sed postquam iam ius alicui acquisitum est, licet
per pecuniam iniusta impedimenta removere. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 5)
5 — Voor iemand door keuze of aanstelling of benoeming recht op een bisdom of welke waardigheid
of prebende ook verkrijgt, zou het simonie zijn door geld de hinderpalen van tegenstanders
uit de weg te ruimen; want dan zou men zich door geld de weg naar iets geestelijks
banen. Maar als iemand al recht heeft gekregen, mag men door geld onrechtvaardige
hinderpalen wegnemen.
Ad sextum dicendum quod quidam dicunt quod pro matrimonio licet pecuniam dare, quia
in eo non confertur gratia. Sed hoc non est usquequaque verum, ut in III parte huius
operis dicetur. Et ideo aliter dicendum est, quod matrimonium non solum est Ecclesiae
sacramentum, sed etiam naturae officium. Et ideo dare pecuniam pro matrimonio inquantum
est naturae officium, licitum est, inquantum vero est Ecclesiae sacramentum, est illicitum.
Et ideo secundum iura prohibetur ne pro benedictione nuptiarum aliquid exigatur. (IIa-IIae q. 100 a. 2 ad 6)
6 — Volgens sommigen mag men geld geven om te trouwen, omdat er geen genade bij wordt
gegeven; maar dat is niet geheel en al waar, zoals in het Derde Deel zal worden gezegd
(Suppl. 42e Kw. 3e Art.). En daarom moet men zeggen, dat het huwelijk niet alleen
een Sacrament van de Kerk, maar ook een natuurlijke instelling is. En zo mag men geld
geven om te trouwen, in zover dat een natuurlijke instelling is; maar het is ongeoorloofd,
in zover het een Sacrament van de Kerk is. En zo is het door het recht verboden iets
te vragen voor de inzegening van het huwelijk.
Articulus 3. Mag men geld geven en ontvangen voor geestelijke daden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod licitum sit dare et accipere pecuniam pro
spiritualibus actibus. Usus enim prophetiae est spiritualis actus. Sed pro usu prophetiae
olim aliquid dabatur, ut patet I Reg. IX, et III Reg. XIV. Ergo videtur quod liceat
dare et accipere pecuniam pro actu spirituali. (IIa-IIae q. 100 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men voor geestelijke handelingen geld mag geven en ontvangen. Want
het gebruik maken van de gave van profetie is een geestelijke daad. Nu werd daar vroeger
iets voor gegeven, zoals wij in het Eerste (9, 7, 8) en het Derde Boek der Koningen
(14, 3) lezen. Dus schijnt men voor geestelijke handelingen geld te mogen geven en
ontvangen.
Praeterea, oratio, praedicatio, laus divina sunt actus maxime spirituales. Sed ad
impetrandum orationum suffragia pecunia datur sanctis viris, secundum illud Luc. XVI,
facite vobis amicos de mammona iniquitatis. Praedicatoribus etiam spiritualia seminantibus
temporalia debentur, secundum apostolum, I ad Cor. IX. Celebrantibus etiam divinas
laudes in ecclesiastico officio, et processiones facientibus, aliquid datur, et quandoque
annui redditus ad hoc assignantur. Ergo licitum est pro spiritualibus actibus accipere
aliquid. (IIa-IIae q. 100 a. 3 arg. 2)
2 — Bidden, preken, God loven zijn in zeer hoge mate geestelijke daden. Nu geeft men geld
aan heilige mensen om de hulp van hun gebed te krijgen, volgens Lucas (16, 9) : «
Maakt U vrienden van de onrechtvaardige Mammon. » Ook hebben de predikers, die het
geestelijke zaaien, volgens de Apostel (1 Cor. 9, 11) recht op het tijdelijke. Ook
geeft men iets aan hen, die in de kerkelijke diensten Gods lof zingen of processies
houden; en soms worden hiervoor jaarlijkse inkomsten bestemd. Dus mag men iets voor
geestelijke handelingen aannemen.
Praeterea, scientia non est minus spiritualis quam potestas. Sed pro usu scientiae
licet pecuniam accipere, sicut advocato licet vendere iustum patrocinium, et medico
consilium sanitatis, et magistro officium doctrinae. Ergo, pari ratione, videtur quod
liceat praelato accipere aliquid pro usu spiritualis suae potestatis, puta pro correctione,
vel dispensatione, vel aliquo huiusmodi. (IIa-IIae q. 100 a. 3 arg. 3)
3 — De wetenschap is niet minder geestelijk dan de macht. Nu mag men geld aannemen voor
het gebruiken van de wetenschap, zoals een advocaat zijn rechtskundigen bijstand mag
verkopen en een geneesheer zijn raad voor de gezondheid en een magister zijn onderricht.
Dus schijnt een prelaat om dezelfde reden iets te mogen aannemen voor het gebruik
van zijn geestelijke macht, b. v. voor een vermaning of een dispensatie e. d.
Praeterea, religio est status spiritualis perfectionis. Sed in aliquibus monasteriis
aliquid ab his qui recipiuntur exigitur. Ergo licet pro spiritualibus aliquid exigere. (IIa-IIae q. 100 a. 3 arg. 4)
4 — Het kloosterleven is een staat van geestelijke volmaaktheid. Nu wordt in sommige
kloosters iets van hen, die worden aangenomen, gevraagd. Dus mag men voor het geestelijke
iets vragen.
Sed contra est quod dicitur I, qu. I, quidquid invisibilis gratiae consolatione tribuitur,
nunquam quaestibus, vel quibuslibet praemiis, venundari penitus debet. Sed omnia huiusmodi
spiritualia per invisibilem gratiam tribuuntur. Ergo non licet ea quaestibus vel praemiis
venundari. (IIa-IIae q. 100 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat de bepaling van het recht: « Wat ooit aan onzichtbare troost
van genade wordt gegeven, mag nooit en onder geen voorwaarde voor gewin of andere
prijs worden verkocht. » Nu worden al die geestelijke gaven door de onzichtbare genade
gegeven. Dus mag men hen niet voor geld of gewin verkopen.
Respondeo dicendum quod sicut sacramenta dicuntur spiritualia quia spiritualem conferunt
gratiam, ita etiam quaedam alia dicuntur spiritualia quia ex spirituali procedunt
gratia et ad eam disponunt. Quae tamen per hominum ministerium exhibentur, quos oportet
a populo sustentari, cui spiritualia administrant, secundum illud I ad Cor. IX, quis
militat suis stipendiis unquam? Quis pascit gregem, et de lacte gregis non manducat?
Et ideo vendere quod spirituale est in huiusmodi actibus, aut emere, simoniacum est,
sed accipere aut dare aliquid pro sustentatione ministrantium spiritualia, secundum
ordinationem Ecclesiae et consuetudinem approbatam, licitum est; ita tamen quod desit
intentio emptionis et venditionis; et quod ab invitis non exigatur per subtractionem
spiritualium quae sunt exhibenda, haec enim haberent quandam venditionis speciem.
Gratis tamen spiritualibus prius exhibitis, licite possunt statutae et consuetae oblationes,
et quicumque alii proventus, exigi a nolentibus et valentibus solvere, auctoritate
superioris interveniente. (IIa-IIae q. 100 a. 3 co.)
Zoals men de Sacramenten geestelijk noemt, omdat zij de geestelijke genade geven,
heten ook andere dingen geestelijk, omdat zij van de geestelijke genade komen of daarop
voorbereiden. Maar dat wordt door de bediening van mensen gegeven, die door het volk
moeten worden onderhouden, waaraan zij het geestelijke toedienen; volgens de Eerste
Brief aan de Korinthiërs (9, 7) : « Wie strijdt er ooit op eigen kosten? en als iemand
een kudde weidt, leeft hij dan niet van de melk van de kudde? » Daarom is het verkopen
en kopen van wat daarin geestelijk is, simonie; maar iets geven of ontvangen voor
het onderhoud van wie het geestelijke bedienen, volgens de verordeningen van de Kerk
en goedgekeurde gewoonten is geoorloofd; als men maar niet de bedoeling heeft om te
kopen en te verkopen en men het van onwilligen niet afvordert door hun het geestelijke,
wat gegeven moet worden, te onthouden; want dat zou gelijken op verkopen. — Maar als
de geestelijke gaven eerst zijn geschonken, mag men later de vastgestelde en gewone
gaven en andere inkomsten van wie niet willen en wel kunnen betalen opeisen door tussenkomst
van de macht van de overheid.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, super Michaeam, munera quaedam
sponte exhibebantur bonis prophetis ad sustentationem ipsorum, non quasi ad emendum
prophetiae usum, quem tamen pseudoprophetae retorquebant ad quaestum. (IIa-IIae q. 100 a. 3 ad 1)
1 — Zoals Hieronymus zegt, gaf men soms uit eigen beweging aan de goede profeten geschenken
voor hun onderhoud, niet om het gebruik van hun gave te kopen; maar de valse profeten
eisten dat om het gewin.
Ad secundum dicendum quod illi qui dant eleemosynas pauperibus ut orationum ab ipsis
suffragia impetrent, non eo tenore dant quasi intendentes orationes emere, sed per
gratuitam beneficentiam pauperum animas provocant ad hoc quod pro eis gratis et ex
caritate orent. Praedicantibus etiam temporalia debentur ad sustentationem praedicantium,
non autem ad emendum praedicationis verbum. Unde super illud I ad Tim. V, qui bene
praesunt presbyteri etc., dicit Glossa, necessitatis est accipere unde vivitur, caritatis
est praebere, non tamen venale est Evangelium, ut pro his praedicetur. Si enim sic
vendunt, magnam rem vili vendunt pretio. Similiter etiam aliqua temporalia dantur
Deum laudantibus in celebratione ecclesiastici officii, sive pro vivis sive pro mortuis,
non quasi pretium, sed quasi sustentationis stipendium. Et eo etiam tenore pro processionibus
faciendis in aliquo funere aliquae eleemosynae recipiuntur. Si autem huiusmodi pacto
interveniente fiant, aut etiam cum intentione emptionis vel venditionis, simoniacum
esset. Unde illicita esset ordinatio si in aliqua Ecclesia statueretur quod non fieret
processio in funere alicuius nisi solveret certam pecuniae quantitatem, quia per tale
statutum praecluderetur via gratis officium pietatis aliquibus impendendi. Magis autem
licita esset ordinatio si statueretur quod omnibus certam eleemosynam dantibus talis
honor exhiberetur, quia per hoc non praecluderetur via aliis exhibendi. Et praeterea
prima ordinatio habet speciem exactionis, secunda vero habet speciem gratuitae recompensationis. (IIa-IIae q. 100 a. 3 ad 2)
2 — Zij, die aan armen aalmoezen geven, om van hen de hulp van hun gebeden te krijgen,
doen dat niet met de bedoeling gebeden te kopen, maar door vrije goedgeefsheid brengen
zij de armen ertoe, om voor hen zonder beloning en uit liefde te bidden. — Predikanten
daarentegen hebben recht op het tijdelijke voor hun onderhoud, niet dat hun preek
gekocht wordt. Daarom zegt de Glossa bij de Eerste Brief aan Timoteüs (3, 17): « Goede
priesters, enz. »: « Het is nodig te ontvangen waarvan men leeft, en liefdeplicht
dat te geven; maar het Evangelie is niet te koop, dat men het hun zo zou preken. Want
als zij het zo verkopen, verkopen zij iets groots voor een schamele prijs. » Zo geeft
men ook tijdelijk goed aan hen, die God loven bij het vieren der kerkelijke plechtigheden,
hetzij voor levenden of voor doden, niet echter als prijs, maar als bijdrage voor
het onderhoud. En met dezelfde bedoeling worden ook aalmoezen ontvangen voor het
houden van processies bij een begrafenis. Zou het echter krachtens zo'n overeenkomst
gebeuren of ook met de bedoeling om te kopen en te verkopen, dan is het simonie.
Daarom zou het een ongeoorloofde bepaling zijn, waarbij in een kerk werd vastgesteld,
dat er bij iemands begrafenis geen processie werd gehouden, als niet een bepaalde
som geld werd betaald, omdat daardoor de mogelijkheid werd afgesneden om sommigen
de liefdedienst om niet te bewijzen. Meer geoorloofd zou de bepaling zijn, als werd
vastgesteld, dat aan allen, die een bepaalde aalmoes gaven, deze eer werd bewezen,
omdat zo de weg om het aan anderen te bewijzen niet werd afgesloten. Daarom heeft
de eerste bepaling de schijn van afpersing, maar de tweede lijkt een kosteloze wederdienst.
Ad tertium dicendum quod ille cui committitur spiritualis potestas, ex officio obligatur
ad usum potestatis sibi commissae in spiritualium dispensatione, et etiam pro sua
sustentatione statuta stipendia habet ex redditibus ecclesiasticis. Et ideo si aliquid
acciperet pro usu spiritualis potestatis, non intelligeretur locare operas suas, quas
ex debito suscepti officii debet impendere, sed intelligeretur vendere ipsum spiritualis
gratiae usum. Et propter hoc, non licet pro quacumque dispensatione aliquid accipere;
neque etiam pro hoc quod suas vices committant; neque etiam pro hoc quod suos subditos
corrigant, vel a corrigendo desistant. Licet tamen eis accipere procurationes quando
subditos visitant, non quasi pretium correctionis, sed quasi debitum stipendium. Ille
autem qui habet scientiam, non suscipit tamen hoc officium ex quo obligetur aliis
usum scientiae impendere. Et ideo licite potest pretium suae doctrinae vel consilii
accipere, non quasi veritatem aut scientiam vendens sed quasi operas suas locans.
Si autem ex officio ad hoc teneretur, intelligeretur ipsam veritatem vendere, unde
graviter peccaret. Sicut patet in illis qui instituuntur in aliquibus Ecclesiis ad
docendum clericos Ecclesiae et alios pauperes, pro quo ab Ecclesia beneficium recipiunt,
a quibus non licet eis aliquid recipere, nec ad hoc quod doceant, nec ad hoc quod
aliqua festa faciant vel praetermittant. (IIa-IIae q. 100 a. 3 ad 3)
3 — Hij, aan wie geestelijke macht wordt toevertrouwd, is krachtens zijn ambt verplicht
om de hem toevertrouwde macht voor het uitdelen van het geestelijke te gebruiken;
en hij heeft ook voor zijn onderhoud een vastgestelde bijdrage uit de inkomsten van
de kerk. En zou hij dus iets aannemen voor het uitoefenen van zijn geestelijke macht,
dan kan men dat niet opvatten als een verhuren van zijn arbeid, die hij krachtens
de op hem genomen verplichting van zijn ambt beschikbaar moet stellen, maar moet men
het opvatten als een verkopen van het gebruik van de geestelijke macht zelf. En daarom
mag men niet voor iedere dispensatie iets aannemen, en ook niet hiervoor, dat men
zijn beurt waarneemt en ook niet, dat men zijn ondergeschikten vermaant of ermee ophoudt.
Men mag echter bij het bezoek van zijn onderdanen iets aannemen, niet als loon voor
zijn vermaningen, maar als bijdrage, waarop men recht heeft. Hij echter, die wetenschap
bezit, neemt daarom niet het ambt op zich, waardoor hij verplicht is zijn wetenschap
voor anderen te gebruiken. En daarom mag hij een prijs voor zijn onderricht of raad
aannemen, niet als een verkoop van de waarheid of de wetenschap, maar als een huur
voor zijn arbeid. — Was hij daartoe krachtens een ambt verplicht, dan zou men het
als een verkoop van de waarheid moeten beschouwen; en daarmee zou hij zwaar zondigen.
En dat blijkt het geval bij hen, die in sommige kerken worden aangesteld om de geestelijken
van de kerk en de armen te onderrichten, waarvoor zij van de kerk een beneficie krijgen;
en zij mogen van de genoemde personen niets aannemen, noch omdat zij onderwijzen,
noch voor het vieren of overslaan van feesten.
Ad quartum dicendum quod pro ingressu monasterii non licet aliquid exigere vel accipere
quasi pretium. Licet tamen, si monasterium sit tenue, quod non sufficiat ad tot personas
nutriendas, gratis quidem ingressum monasterii exhibere, sed accipere aliquid pro
victu personae quae in monasterio fuerit recipienda, si ad hoc monasterii non sufficiant
opes. Similiter etiam licitum est si propter devotionem quam aliquis ad monasterium
ostendit largas eleemosynas faciendo, facilius in monasterio recipiatur; sicut etiam
licitum est e converso aliquem provocare ad devotionem monasterii per temporalia beneficia,
ut ex hoc inclinetur ad monasterii ingressum; licet non sit licitum ex pacto aliquid
dare vel recipere pro ingressu monasterii, ut habetur I, qu. II, cap. quam pio. (IIa-IIae q. 100 a. 3 ad 4)
4 — Men mag voor het intreden in een klooster niets vragen of aannemen als een prijs.
Maar als het klooster klein is en niet in staat om zoveel personen te onderhouden,
moet men het intreden wel om niet laten plaats hebben, maar men mag iets aannemen
voor het levensonderhoud van wie in het klooster wordt opgenomen, als de bezittingen
van het klooster daarvoor onvoldoende zijn. — Zo is het ook geoorloofd, dat als iemand
veel liefde voor het klooster heeft getoond door ruime aalmoezen te geven, hij daardoor
gemakkelijker wordt opgenomen; zoals men in het tegenovergestelde geval iemand tot
liefde voor het klooster door tijdelijke weldaden mag opwekken, opdat hij zo geneigd
zal worden in het klooster te treden; maar het is niet geoorloofd om krachtens een
overeenkomst iets te geven of te ontvangen voor het intreden in het klooster, zoals
het recht zegt.
Articulus 4. Mag men geld aannemen voor wat met het geestelijke in verband staat?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod licitum sit pecuniam accipere pro his quae
sunt spiritualibus annexa. Omnia enim temporalia videntur esse spiritualibus annexa,
quia temporalia sunt propter spiritualia quaerenda. Si ergo non licet vendere ea quae
sunt spiritualibus annexa, nihil temporale vendere licebit. Quod patet esse falsum. (IIa-IIae q. 100 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men geld mag aannemen voor wat met het geestelijke in verband staat.
Want al het tijdelijke schijnt met het geestelijke in verband te staan, daar men het
tijdelijke om het geestelijke moet zoeken. Als men dus niets mag verkopen, wat met
het geestelijke verband houdt, dan mag men geen enkele tijdelijke zaak verkopen. En
dat is duidelijk onjuist.
Praeterea, nihil videtur magis spiritualibus annexum quam vasa consecrata. Sed ea
licet vendere pro redemptione captivorum, ut Ambrosius dicit. Ergo licitum est vendere
ea quae sunt spiritualibus annexa. (IIa-IIae q. 100 a. 4 arg. 2)
2 — Niets schijnt meer met het geestelijke in verband te staan dan de heilige vaten. Nu
mag men deze verkopen om gevangenen vrij te kopen, zoals Ambrosius zegt. Dus mag men
verkopen, wat met het geestelijke in verband staat.
Praeterea, spiritualibus annexa videntur ius sepulturae, ius patronatus, et ius primogeniturae
secundum antiquos (quia primogeniti, ante legem, sacerdotis officio fungebantur),
et etiam ius accipiendi decimas. Sed Abraham emit ab Ephron speluncam duplicem in
sepulturam. Ut habetur Gen. XXIII. Iacob autem emit ab Esau ius primogeniturae, ut
habetur Gen. XXV. Ius etiam patronatus cum re vendita transit, in feudum conceditur.
Decimae etiam concessae sunt quibusdam militibus, et redimi possunt. Praelati interdum
retinent sibi ad tempus fructus praebendarum quas conferunt, cum tamen praebendae
sint spiritualibus annexae. Ergo licet emere et vendere ea quae sunt spiritualibus
annexa. (IIa-IIae q. 100 a. 4 arg. 3)
3 — Met het geestelijke schijnen in verband te staan het recht om te begraven, het patronaatsrecht
en bij de ouden het eerstgeboorterecht (omdat voor de wet de eerstgeborenen het priesterschap
bekleedden), en ook het recht om tienden te ontvangen. Nu kocht Abraham van Ephron
de dubbele spelonk als begraafplaats (Gen. 23, 8). Jacob kocht van Esau het eerstgeboorterecht
(Gen. 25, 31). Ook gaat het patronaatsrecht tegelijk met het gekochte ding over en
wordt als leen gegeven. Ook kunnen de tienden aan soldaten geschonken en afgekocht
worden. Soms behouden prelaten zich voor een tijd de inkomsten van prebenden, die
zij vergeven, voor; en toch houden deze prebenden verband met geestelijke zaken. Dus
mag men datgene, wat met het geestelijke in verband staat, kopen en verkopen.
Sed contra est quod dicit paschalis Papa, et habetur I, qu. III, cap. si quis obiecerit,
quisquis eorum vendidit alterum sine quo nec alterum provenit, neutrum invenditum
derelinquit. Nullus ergo emat Ecclesiam vel praebendam, vel aliquid ecclesiasticum. (IIa-IIae q. 100 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat de bepaling van Paus Paschalis II: « Wie iets verkoopt, wat
zonder iets anders nut heeft, verkoopt beiden. Dus mag niemand een kerk of prebende
of iets van de kerk kopen. »
Respondeo dicendum quod aliquid potest esse spiritualibus annexum dupliciter. Uno
modo, sicut ex spiritualibus dependens, sicut habere beneficia ecclesiastica dicitur
spiritualibus annexum quia non competit nisi habenti officium clericale. Unde huiusmodi
nullo modo possunt esse sine spiritualibus. Et propter hoc, ea nullo modo vendere
licet, quia, eis venditis, intelliguntur etiam spiritualia venditioni subiici. Quaedam
autem sunt annexa spiritualibus inquantum ad spiritualia ordinantur, sicut ius patronatus,
quod ordinatur ad praesentandum clericos ad ecclesiastica beneficia; et vasa sacra,
quae ordinantur ad sacramentorum usum. Unde huiusmodi non praesupponunt spiritualia,
sed magis ea ordine temporis praecedunt. Et ideo aliquo modo vendi possunt, non autem
inquantum sunt spiritualibus annexa. (IIa-IIae q. 100 a. 4 co.)
Een ding kan op twee manieren met iets geestelijks in verband staan. Ten eerste als
afhankelijk van het geestelijke, zoals men het bezit van een kerkelijk beneficie met
het geestelijke in verband staande noemt, omdat het alleen aan iemand toekomt, die
een kerkelijk ambt heeft. Daarom kunnen dergelijke dingen zonder iets geestelijks
helemaal niet bestaan. En daarom mag men deze dingen op geen enkele manier verkopen,
omdat men als zij verkocht worden gaat denken, dat ook het geestelijke verkocht kan
worden. Andere dingen echter houden met het geestelijke verband, in zover zij het
geestelijke als doel hebben, zoals het patronaatsrecht, dat het voorstellen van een
geestelijke voor kerkelijke beneficies als doel heeft, en heilige vaten, die voor
Sacramenten worden gebruikt. En daarom veronderstellen deze dingen niet iets geestelijks,
maar gaan daaraan veeleer in tijdsorde vooraf. En daarom kunnen zij op enige manier
worden verkocht, maar niet in zover er iets geestelijks aan verbonden is.
Ad primum ergo dicendum quod omnia temporalia annectuntur spiritualibus sicut fini.
Et ideo ipsa quidem temporalia vendere licet, sed ordo eorum ad spiritualia sub venditione
cadere non debet. (IIa-IIae q. 100 a. 4 ad 1)
1 — Alle tijdelijke dingen staan met het geestelijke in verband als hun doel. En daarom
mag men ze zelf wel verkopen, maar hun verhouding tot het geestelijke kan niet onder
een verkoop vallen.
Ad secundum dicendum quod etiam vasa sacra sunt spiritualibus annexa sicut fini. Et
ideo eorum consecratio vendi non potest, tamen, pro necessitate Ecclesiae et pauperum,
materia eorum vendi potest; dummodo, praemissa oratione, prius confringantur; quia
post confractionem non intelliguntur esse vasa sacra, sed purum metallum. Unde si
ex eadem materia similia vasa iterum reintegrarentur, indigerent iterum consecrari. (IIa-IIae q. 100 a. 4 ad 2)
2 — Ook heilige vaten staan met het geestelijke in verband als met hun doel. En zo kan
hun wijding niet worden verkocht, maar wel hun materiaal voor de behoeften van kerk
en armen, als zij maar eerst na voorafgaand gebed gebroken worden, want daarna beschouwt
men ze niet meer als heilige vaten, maar zuiver als metaal. Als men daarom uit hetzelfde
metaal opnieuw dergelijke vaten zou maken, zouden zij weer moeten worden geconsacreerd.
Ad tertium dicendum quod spelunca duplex quam Abraham emit in sepulturam, non habetur
quod erat terra consecrata ad sepeliendum. Et ideo licebat Abrahae terram illam emere
ad usum sepulturae, ut ibi institueret sepulcrum, sicut etiam nunc liceret emere aliquem
agrum communem ad instituendum ibi coemeterium, vel etiam Ecclesiam. Quia tamen etiam
apud gentiles loca sepulturae deputata religiosa reputabantur, si Ephron pro iure
sepulturae pretium intendit accipere, peccavit vendens, licet Abraham non peccaverit
emens, quia non intendebat emere nisi terram communem. Licet etiam nunc terram ubi
quondam fuit Ecclesia, vendere aut emere in casu necessitatis, sicut et de materia
vasorum sacrorum dictum est. Vel excusatur Abraham quia in hoc redemit suam vexationem.
Quamvis enim Ephron gratis ei sepulturam offerret, perpendit tamen Abraham quod gratis
recipere sine eius offensa non posset. Ius autem primogeniturae debebatur Iacob ex
divina electione, secundum illud Malach. I, Iacob dilexi, Esau odio habui. Et ideo
Esau peccavit primogenita vendens, Iacob autem non peccavit emendo, quia intelligitur
suam vexationem redemisse. Ius autem patronatus per se vendi non potest, nec in feudum
dari, sed transit cum villa quae venditur vel conceditur. Ius autem spirituale accipiendi
decimas non conceditur laicis, sed tantummodo res temporales quae nomine decimae dantur,
ut supra dictum est. Circa collationem vero beneficiorum, sciendum est quod si episcopus,
antequam alicui beneficium offerat, ob aliquam causam ordinaverit aliquid subtrahendum
de fructibus beneficii conferendi et in pios usus expendendum, non est illicitum.
Si vero ab eo cui beneficium offert requirat aliquid sibi exhiberi de fructibus illius
beneficii, idem est ac si aliud munus ab eo exigeret, et non caret vitio simoniae. (IIa-IIae q. 100 a. 4 ad 3)
3 — Men houdt niet, dat de dubbele spelonk, die Abraham als begraafplaats kocht, gewijde
aarde was om in te begraven. En daarom mocht hij dat land kopen voor begraafplaats
om daar zijn graf te maken; zoals men nu ook nog een gewone akker mag kopen om daar
een kerkhof of zelfs een kerk te maken. Omdat echter ook bij de heidenen de voor
begraafplaats bestemde ruimten als heilig werden beschouwd, heeft Ephron, als hij
bedoelde voor het recht om te begraven geld aan te nemen, door de verkoop gezondigd,
ofschoon Abraham met te kopen niet gezondigd heeft, omdat hij alleen een gewoon stuk
land bedoelde te kopen. Ook nu nog mag men een land, waarop een kerk heeft gestaan,
in geval van nood verkopen of kopen, zoals het ook van het materiaal van de heilige
vaten is gezegd. — Ook kan men Abraham hiermee verontschuldigen, dat hij zijn moeilijkheden
afkocht. Want al bood Ehren de begraafplaats voor niets aan, toch bedacht Abraham,
dat hij dit zonder hem te beledigen niet voor niets kon aannemen. Jacob echter had
recht op het eerstgeboorterecht door Gods keus naar het woord van Malachias (1, 2,3):
« Jacob heb ik bemind, Esau gehaat. » En daarom zondigde Esau door zijn eerstgeboorterecht
te verkopen, maar Jacob zondigde door te kopen niet, omdat men het kan opvatten als
een afkopen van moeilijkheden. Het patronaatsrecht echter kan op zichzelf niet verkocht
of als leen gegeven worden, maar het gaat over met het domein, dat gekocht of vergeven
wordt. Het geestelijke recht op het ontvangen van tienden kan niet aan leken worden
gegeven, maar alleen de tijdelijke, zaken, die onder de naam van tienden worden gegeven,
zoals vroeger (87e Kw. 3e Art.) gezegd is. Wat het vergeven van beneficies echter
betreft, moet men weten, dat als een bisschop, voordat hij iemand een beneficie aanbiedt,
om de een of andere reden voorschrijft, dat er iets van de inkomsten van het te vergeven
beneficie afgenomen en voor een godvruchtig doel uitgegeven moet worden, dit niet
ongeoorloofd is. Maar als hij vordert, dat hij, aan wie hij het beneficie aanbiedt,
hemzelf iets geeft van de inkomsten ervan, dan is het hetzelfde als wanneer hij een
ander soort gift van hem vroeg, en is hij niet vrij van de zonde van simonie.
Articulus 5.
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod liceat spiritualia dare pro munere quod est
ab obsequio vel a lingua. Dicit enim Gregorius, in registro, ecclesiasticis utilitatibus
deservientes ecclesiastica dignum est remuneratione gaudere. Sed deservire ecclesiasticis
utilitatibus pertinet ad munus ab obsequio. Ergo videtur quod licitum sit pro obsequio
accepto ecclesiastica beneficia largiri. (IIa-IIae q. 100 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men geestelijke dingen mag geven voor een geschenk, dat in dienstbetoon
of voorspraak bestaat. Want Gregorius zegt: « Het is billijk, dat zij, die het nut
van de Kerk behartigen, een beloning van de Kerk genieten. » Nu valt het behartigen
van de belangen der Kerk onder de geschenken in dienstbetoon. Dus schijnt men voor
geschenken in dienstbetoon kerkelijke beneficies te mogen geven.
Praeterea, sicut carnalis videtur esse intentio si quis alicui det beneficium ecclesiasticum
pro suscepto servitio, ita etiam si quis det intuitu consanguinitatis. Sed hoc non
videtur esse simoniacum, quia non est ibi emptio et venditio. Ergo nec primum. (IIa-IIae q. 100 a. 5 arg. 2)
2 — Zoals er een lagere bedoeling bij schijnt te zijn, als men aan iemand om bewezen diensten
een kerkelijk beneficie geeft, schijnt dat ook het geval, als men het om bloedverwantschap
geeft. Nu schijnt het laatste geen simonie, omdat daar geen koop en verkoop is. Dus
ook het eerste niet.
Praeterea, illud quod solum ad preces alicuius fit, gratis fieri videtur, et ita non
videtur habere locum simonia, quae in emptione et venditione consistit. Sed munus
a lingua intelligitur si quis ad preces alicuius ecclesiasticum beneficium conferat.
Ergo hoc non est simoniacum. (IIa-IIae q. 100 a. 5 arg. 3)
3 — Wat alleen op verzoek van iemand gebeurt, schijnt om niet te gebeuren en zo schijnt
er geen simonie bij te zijn, omdat er geen koop en verkoop is. Maar men verstaat onder
een geschenk door voorspraak, als men op verzoek van iemand een beneficie verleent.
Dus is dat geen simonie.
Praeterea, hypocritae spiritualia opera faciunt ut laudem humanam consequantur, quae
videtur ad munus linguae pertinere. Nec tamen hypocritae dicuntur simoniaci. Non ergo
per munus a lingua simonia contrahitur. (IIa-IIae q. 100 a. 5 arg. 4)
4 — Schijnheiligen doen geestelijke werken om door de mensen geprezen te worden; en dat
schijnt een van de z.g. geschenken van de mond te zijn. Nu noemt men schijnheiligen
geen bedrijvers van simonie. Dus ontstaat er geen simonie, als er een z.g. geschenk
van de mond bij is.
Sed contra est quod Urbanus Papa dicit, quisquis res ecclesiasticas, non ad quod institutae
sunt, sed ad propria lucra, munere linguae vel obsequii vel pecuniae largitur vel
adipiscitur, simoniacus est. (IIa-IIae q. 100 a. 5 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat Paus Urbanus II zegt: « Iedereen, die kerkelijke zaken,
niet om het doel waarvoor zij ingesteld zijn, maar om eigen voordeel, voor een geschenk
met de mond of dienstbetoon of geld, geeft of ontvangt, bedrijft simonie. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, nomine pecuniae intelligitur cuiuscumque
pretium pecunia mensurari potest. Manifestum est autem quod obsequium hominis ad aliquam
utilitatem ordinatur quae potest pretio pecuniae aestimari, unde et pecuniaria mercede
ministri conducuntur. Et ideo idem est quod aliquis det rem spiritualem pro aliquo
obsequio temporali exhibito vel exhibendo, ac si daret pro pecunia, data vel promissa,
qua illud obsequium aestimari posset. Similiter etiam quod aliquis satisfaciat precibus
alicuius ad temporalem gratiam quaerendam, ordinatur ad aliquam utilitatem quae potest
pecuniae pretio aestimari. Et ideo sicut contrahitur simonia accipiendo pecuniam vel
quamlibet rem exteriorem, quod pertinet ad munus a manu, ita etiam contrahitur per
munus a lingua, vel ab obsequio. (IIa-IIae q. 100 a. 5 co.)
Zoals boven (2e Art.) gezegd is, verstaat men onder geld « alles, waarvan de prijs
in geld kan worden afgemeten. » Nu is het duidelijk, dat het dienstbetoon van een
mens nuttig is voor iets, welks waarde in geld kan worden bepaald; daarom ook worden
dienaars gehuurd voor loon in geld. En daarom is het geven van iets geestelijks voor
bewezen tijdelijke dienst hetzelfde als het geven ervan voor het gegeven of beloofde
geld, waarop de waarde van die dienst kan worden geschat. Ook dat iemand aan het verzoek
van een ander om een tijdelijke gunst te verkrijgen voldoet, heeft nut voor iets,
welks prijs men in geld kan schatten. En zoals men dus simonie pleegt door het aannemen
van geld of welke uiterlijke zaak ook, wat onder de geschenken uit de hand valt, gebeurt
dat daarom ook bij een geschenk van de mond of van dienstbetoon.
Ad primum ergo dicendum quod si aliquis clericus alicui praelato impendat obsequium
honestum et ad spiritualia ordinatum, puta ad Ecclesiae utilitatem vel ministrorum
eius auxilium, ex ipsa devotione obsequii redditur dignus ecclesiastico beneficio,
sicut et propter alia bona opera. Unde non intelligitur esse munus ab obsequi. Et
in hoc casu loquitur Gregorius. Si vero sit inhonestum obsequium, vel ad carnalia
ordinatum, puta quia servivit praelato ad utilitatem consanguineorum suorum vel patrimonii
sui, vel ad aliquid huiusmodi, esset munus ab obsequio, et simoniacum. (IIa-IIae q. 100 a. 5 ad 1)
1 — Als een geestelijke een prelaat het verplichte dienstbetoon bewijst, dat een geestelijk
doel heeft, b. v. tot nut van de kerk of hulp van haar bedienaars, dan wordt hij door
de toewijding van dat dienstbetoon zelf een kerkelijk beneficie waardig evenals om
andere goede werken. Daarom rekent men dat niet onder de geschenken door dienstbetoon.
En over dat geval spreekt Gregorius. — Als het echter geen goed dienstbetoon is, maar
een tijdelijk doel heeft b. v. als men een prelaat zou dienen tot nut van zijn verwanten
of erfdeel of iets dergelijks, dan zou het een geschenk van dienstbetoon zijn en simonie.
Ad secundum dicendum quod si aliquis aliquid spirituale alicui conferat gratis propter
consanguinitatem, vel quamcumque carnalem affectionem, est quidem illicita et carnalis
collatio, non tamen simoniaca, quia nihil ibi accipitur, unde hoc non pertinet ad
contractum emptionis et venditionis, in quo fundatur simonia. Si tamen aliquis det
beneficium ecclesiasticum alicui hoc pacto, vel intentione, ut exinde suis consanguineis
provideat, est manifesta simonia. (IIa-IIae q. 100 a. 5 ad 2)
2 — Als iemand aan een ander om niet iets geestelijks geeft, om reden van bloedverwantschap
of enige andere natuurlijke liefde, dan zou dat geven wel ongeoorloofd en vleselijk,
maar geen simonie zijn; omdat er niets gekregen wordt en het dus niet onder een verbintenis
van koop en verkoop valt, waarop de simonie berust. Geeft men echter iemand een kerkelijk
beneficie op deze voorwaarde of met deze bedoeling, dat hij voor zijn bloedverwanten
zorgt, dan is het duidelijk simonie.
Ad tertium dicendum quod munus a lingua dicitur vel ipsa laus pertinens ad favorem
humanum, qui sub pretio cadit, vel etiam preces ex quibus acquiritur favor humanus,
vel contrarium evitatur. Et ideo si aliquis principaliter ad hoc intendat, simoniam
committit. Videtur autem ad hoc principaliter intendere qui preces pro indigno porrectas
exaudit. Unde ipsum factum est simoniacum. Si autem preces pro digno porrigantur,
ipsum factum non est simoniacum, quia subest debita causa ex qua illi pro quo preces
porriguntur, spirituale aliquid conferatur. Potest tamen esse simonia in intentione,
si non attendatur ad dignitatem personae, sed ad favorem humanum. Si vero aliquis
pro se rogat ut obtineat curam animarum, ex ipsa praesumptione redditur indignus,
et sic preces sunt pro indigno. Licite tamen potest aliquis, si sit indigens, pro
se beneficium ecclesiasticum petere sine cura animarum. (IIa-IIae q. 100 a. 5 ad 3)
3 — Een geschenk met de mond noemt men ofwel de lof zelf, die onder gunst bij de mensen
valt en die men op een prijs kan schatten, ofwel een verzoek, waardoor men een gunst
van mensen krijgt of het tegendeel wordt voorkomen. En als iemand dat vooral bedoelt,
pleegt hij simonie. Wie nu een voor een onwaardige gedaan verzoek verhoort, schijnt
dit vooral te bedoelen; en daarom is zo'n feit simonie. Wordt het verzoek echter voor
een waardige gedaan, dan is het feit zelf geen simonie, omdat hij, tot wie het verzoek
wordt gericht, een goede reden heeft om iets geestelijks te verlenen. Maar in de bedoeling
kan simonie bestaan, als men niet op de waardigheid van de persoon let, maar op de
gunst bij de mensen. — Vraagt iemand echter voor zichzelf om zielzorg te verkrijgen,
dan maakt die aanmatiging hem onwaardig; en zo is het een verzoek voor een onwaardige.
Maar het is geoorloofd, ook al is men onwaardig, voor zichzelf een beneficie zonder
zielzorg te wagen.
Ad quartum dicendum quod hypocrita non dat aliquid spirituale propter laudem, sed
solum demonstrat, et simulando magis furtive surripit laudem humanam quam emat. Unde
non videtur pertinere ad vitium simoniae. (IIa-IIae q. 100 a. 5 ad 4)
4 — Een schijnheilige geeft niet iets geestelijks om geprezen te worden, maar toont alleen
iets; en door de schijn aan te nemen steelt hij eerder in het geheim de lof van mensen
dan dat hij deze koopt. Daarom schijnt dit niet onder de zonde van simonie te vallen.
Articulus 6.
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non sit conveniens simoniaci poena ut privetur
eo quod per simoniam acquisivit. Simonia enim committitur ex eo quod alicuius muneris
interventu spiritualia acquiruntur. Sed quaedam sunt spiritualia quae semel adepta,
non possunt amitti, sicut omnes characteres, qui per aliquam consecrationem imprimuntur.
Ergo non est conveniens poena ut quis privetur eo quod simoniace acquisivit. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het ontnemen van het door simonie verkregene voor de pleger van simonie
geen geschikte straf is. Want men bedrijft simonie door voor een geschenk iets geestelijks
te krijgen. Nu zijn er geestelijke dingen, die als men ze eenmaal gekregen heeft,
niet meer verloren kunnen worden, zoals alle merktekens, die door een wijding worden
ingedrukt. Dus is het geen goede straf als men van wat men door simonie kreeg, beroofd
wordt.
Praeterea, contingit quandoque quod ille qui est episcopatum per simoniam adeptus,
praecipiat subdito ut ab eo recipiat ordines, et videtur quod debeat ei obedire quandiu
ab Ecclesia toleratur. Sed nullus debet aliquid recipere ab eo qui non habet potestatem
conferendi. Ergo episcopus non amittit episcopalem potestatem si eam simoniace acquisivit. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 2)
2 — Soms gebeurt het, dat wie door simonie bisschop werd, een onderdaan beveelt van hem
de wijdingen te ontvangen; en het schijnt, dat men hem moet gehoorzamen, zolang de
Kerk hem duldt. Maar niemand mag iets van hem ontvangen, die geen macht heeft om te
geven. Dus verliest een bisschop de bisschoppelijke macht niet, als hij deze door
simonie kreeg.
Praeterea, nullus debet puniri pro eo quod non est factum eo sciente et volente, quia
poena debetur peccato, quod est voluntarium, ut ex supra dictis patet. Contingit autem
quandoque quod aliquis simoniace consequitur aliquid spirituale procurantibus aliis,
eo nesciente et nolente. Ergo non debet puniri per privationem eius quod ei collatum
est. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 3)
3 — Niemand mag gestraft worden voor wat zonder zijn kennis en instemming geschiedde,
omdat men voor de zonde straf verdient en deze iets vrijwilligs is, zoals uit het
vroeger gezegde (I-II. 74e Kw. 1e Art.) blijkt. Nu gebeurt het soms, dat iemand wel
door simonie iets geestelijks krijgt, maar door het werk van anderen, terwijl hij
het niet weet en niet wil. Dus moet hij niet gestraft worden door hem te ontnemen,
wat hij kreeg.
Praeterea, nullus debet portare commodum de suo peccato. Sed si ille qui consecutus
est beneficium ecclesiasticum per simoniam, restitueret quod percepit, quandoque hoc
redundaret in utilitatem eorum qui fuerunt simoniae participes, puta quando praelatus
et totum collegium in simoniam consensit. Ergo non semper est restituendum quod per
simoniam acquiritur. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 4)
4 — Niemand meet van zijn zonde voordeel hebben. Maar als hij, die door simonie een kerkelijk
beneficie kreeg, zou teruggeven wat hij gekregen had, dan zou dat soms voor hen nuttig
zijn, die aan de simonie medeplichtig waren, b. v. als een prelaat en het gehele college
in de simonie hadden toegestemd. Dus moet men niet altijd teruggeven, wat men door
simonie kreeg.
Praeterea, quandoque aliquis per simoniam in aliquo monasterio recipitur, et votum
solemne ibi facit profitendo. Sed nullus debet absolvi ab obligatione voti propter
culpam commissam. Ergo non debet monachatum amittere quem simoniace acquisivit. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 5)
5 — Soms wordt iemand door simonie in een klooster opgenomen en heeft daar de plechtige
geloften af gelegd. Nu moet niemand om een begane schuld van de verplichting van een
gelofte worden ontslagen. Dus moet hij zijn kloosterstaat, die hij door simonie kreeg,
niet verliezen.
Praeterea, exterior poena in hoc mundo non infligitur pro interiori motu cordis, de
quo solius Dei est iudicare. Sed simonia committitur ex sola intentione vel voluntate,
unde et per voluntatem definitur, ut supra dictum est. Ergo non semper debet aliquis
privari eo quod simoniace acquisivit. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 6)
6 — Een uiterlijke straf wordt in deze wereld niet opgelegd voor iets innerlijks van het
hart, waarover alleen God oordeelt. Nu wordt simonie alleen door de bedoeling en het
te willen gepleegd; en daarom is ook de wil in de definitie opgenomen, zoals boven
(1e Art.) is gezegd. Dus moet men niet altijd beroofd worden van wat men door simonie
verkreeg.
Praeterea, multo maius est promoveri ad maiora quam in susceptis permanere. Sed quandoque
simoniaci, ex dispensatione, promoventur ad maiora. Ergo non semper debent susceptis
privari. (IIa-IIae q. 100 a. 6 arg. 7)
7 — Het staat veel hoger tot iets hogers bevorderd te worden dan te blijven in wat men
ontving. Nu worden bedrijvers van simonie soms krachtens een dispensatie tot iets
hogers bevorderd. Dus moeten zij niet altijd van wat zij ontvingen beroofd worden.
Sed contra est quod dicitur I, qu. I, cap. si quis episcopus, qui ordinatus est, nihil
ex ordinatione vel promotione quae est per negotiationem facta, proficiat, sed sit
alienus a dignitate vel sollicitudine quam pecuniis acquisivit. (IIa-IIae q. 100 a. 6 s. c.)
Maar daartegenover staat de bepaling van het recht: « Wie gewijd is, mag geen voordeel
hebben van de door handel geschiede wijding of bevordering; maar hij moet van de door
geld verkregen waardigheid of bediening verwijderd worden. »
Respondeo dicendum quod nullus potest licite retinere illud quod contra voluntatem
domini acquisivit, puta si aliquis dispensator de rebus domini sui daret alicui contra
voluntatem et ordinationem domini sui, ille qui acciperet licite retinere non posset.
Dominus autem, cuius Ecclesiarum praelati sunt dispensatores et ministri, ordinavit
ut spiritualia gratis darentur, secundum illud Matth. X, gratis accepistis, gratis
date. Et ideo qui muneris interventu spiritualia quaecumque assequuntur, ea licite
retinere non possunt. Insuper autem simoniaci, tam vendentes quam ementes spiritualia,
aut etiam mediatores, aliis poenis puniuntur, scilicet infamia et depositione, si
sint clerici; et excommunicatione, si sint laici; ut habetur I, qu. I, cap. si quis
episcopus. (IIa-IIae q. 100 a. 6 co.)
Het staat niemand vrij te behouden, wat hij tegen de wil van de heer verkregen heeft,
b. v. wanneer een bestuurder iets van de bezittingen van zijn heer tegen de wil en
beschikkingen van hem aan iemand gaf, zou hij, die het kreeg, het met mogen behouden.
Nu heeft de Heer Wiens uitdelers en dienaars de kerkelijke prelaten zijn, bepaald,
dat het geestelijke om niet zou worden gegeven volgens Mattheus (10, 8) : « Gij hebt
om niet ontvangen; geeft ook om niet. » En daarom mogen zij, die door geschenken iets
geestelijks hebben verkregen, dit niet behouden. Bovendien worden de bedrijvers van
simonie, zowel zij die kopen, als die verkopen, alsook de bemiddelaars, met andere
straffen bestraft, nl. met eerloosheid en afzetting, als zij geestelijken zijn, en
met excommunicatie, als het leken zijn, zoals het recht bepaalt.
Ad primum ergo dicendum quod ille qui simoniace accipit sacrum ordinem, recipit quidem
characterem ordinis, propter efficaciam sacramenti, non tamen recipit gratiam, neque
ordinis executionem, eo quod quasi furtive suscepit characterem, contra principalis
domini voluntatem. Et ideo est ipso iure suspensus, et quoad se, ut scilicet de executione
sui ordinis se non intromittat; et quoad alios, ut scilicet nullus ei communicet in
ordinis executione; sive sit peccatum eius publicum, sive occultum. Nec potest repetere
pecuniam quam turpiter dedit, licet alius iniuste detineat. Si vero sit simoniacus
quia contulit ordinem simoniace, vel quia dedit vel recepit beneficium simoniace,
vel fuit mediator simoniae, si est publicum, est ipso iure suspensus et quoad se et
quoad alios; si autem est occultum, est suspensus ipso iure quoad se tantum, non autem
quoad alios. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 1)
1 — Wie door simonie een heilige wijding ontvangt, krijgt wel door de kracht van het Sacrament
het merkteken van de wijding, maar hij krijgt noch de genade, noch het mogen uitoefenen
van het gewijde ambt, omdat hij het merkteken als het ware door diefstal kreeg tegen
de wil van de voornaamste Heer. En daarom is hij door de bepalingen van het recht
zelf geschorst, zowel wat hem zelf betreft, dat hij zich nl. niet mag inlaten met
het uitoefenen van zijn ambt, als wat anderen aangaat, zodat niemand nl. met hem mag
samenwerken in het uitoefenen, of zijn zonde nu openbaar of verborgen is. Ook kan
hij het schandelijk gegeven geld niet terugvragen, ook al bezit de ander het onrechtvaardig.
Bedrijft iemand echter simonie door op deze manier een wijding toe te dienen of een
ambt te vergeven of te ontvangen of erbij te bemiddelen, en is dat openlijk bekend,
dan is hij krachtens de bepalingen van het recht zelf, zowel wat hem zelf als wat
anderen betreft, geschorst; is het echter verborgen, dan is hij krachtens het recht
zelf alleen wat hem zelf, niet wat anderen betreft, geschorst.
Ad secundum dicendum quod nec propter praeceptum eius, nec etiam propter excommunicationem,
debet aliquis recipere ordinem ab episcopo quem scit simoniace promotum. Et si ordinetur,
non recipit ordinis executionem, etiam si ignoret eum esse simoniacum, sed indiget
dispensatione. Quamvis quidam dicunt quod, si non potest probare eum esse simoniacum,
debet obedire recipiendo ordinem, sed non debet exequi sine dispensatione. Sed hoc
absque ratione dicitur. Quia nullus debet obedire alicui ad communicandum sibi in
facto illicito. Ille autem qui est ipso iure suspensus et quoad se et quoad alios,
illicite confert ordinem. Unde nullus debet sibi communicare recipiendo ab eo, quacumque
ex causa. Si autem ei non constat, non debet credere peccatum alterius, et ita cum
bona conscientia debet ab eo ordinem recipere. Si autem episcopus sit simoniacus aliquo
alio modo quam per promotionem suam simoniace factam, potest recipere ab eo ordinem,
si sit occultum, quia non est suspensus quoad alios, sed solum quoad seipsum, ut dictum
est. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 2)
2 — Noch om zijn bevel, noch om de ban mag men een wijding van een bisschop ontvangen,
waarvan men weet, dat hij door simonie tot dat ambt verheven is. En als hij gewijd
wordt, dan krijgt hij de uitoefening van zijn ambt niet, ook als hij met de simonie
onbekend is, maar heeft hij dispensatie nodig. — Weliswaar zeggen sommigen, dat men,
als men de simonie niet kan bewijzen, moet gehoorzamen en de wijding ontvangen, maar
die niet zonder dispensatie uitoefenen. — Dat zegt men echter zonder grond. Want niemand
mag aan iemand gehoorzamen om met hem in iets ongeoorloofds mee te werken. Hij nu,
die zowel wat hemzelf als wat anderen betreft geschorst is, mag geen wijding toedienen.
Daarom mag niemand met hem meewerken door iets van hem te ontvangen om welke reden
ook. Is het echter niet zeker, dan moet hij de zonde van een ander niet geloven; en
daarom moet hij met een goed geweten van hem de wijding ontvangen. Pleegt een bisschop
echter op een andere manier simonie dan door het door simonie krijgen van zijn verheffing,
dan kan men van hem, als het verborgen is, de wijding ontvangen, want zoals is gezegd,
is hij niet wat anderen, maar alleen wat hemzelf betreft, gesuspendeerd.
Ad tertium dicendum quod hoc quod aliquis privetur eo quod accepit, non solum est
poena peccati, sed etiam quandoque est effectus acquisitionis iniustae, puta cum aliquis
emit rem aliquam ab eo qui vendere non potest. Et ideo si aliquis scienter et propria
sponte simoniace accipiat ordinem vel ecclesiasticum beneficium, non solum privatur
eo quod accepit, ut scilicet careat executione ordinis et beneficium resignet cum
fructibus inde perceptis; sed etiam ulterius punitur, quia notatur infamia; et tenetur
ad restituendos fructus non solum perceptos, sed etiam eos qui percipi potuerunt a
possessore diligenti (quod tamen intelligendum est de fructibus qui supersunt deductis
expensis factis causa fructuum, exceptis fructibus illis qui alias expensi sunt in
utilitatem Ecclesiae). Si vero, eo nec volente nec sciente, per alios alicuius promotio
simoniace procuratur, caret quidem ordinis executione, et tenetur resignare beneficium
quod est consecutus, cum fructibus extantibus (non autem tenetur restituere fructus
consumptos, quia bona fide possedit), nisi forte inimicus eius fraudulenter pecuniam
daret pro alicuius promotione, vel nisi ipse expresse contradixerit. Tunc enim non
tenetur ad abrenuntiandum, nisi forte postmodum pacto consenserit, solvendo quod fuit
promissum. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 3)
3 — Dat iemand verliest wat hij kreeg, is niet alleen straf voor zijn zonde, maar soms
ook een gevolg van het onrechtmatig krijgen; b. v. als iemand iets koopt van wie het
niet kan verkopen. En als iemand dus wetens en willens door simonie een wijding of
een kerkelijk beneficie krijgt, dan verliest hij niet alleen wat hij kreeg, nl. dat
hij zijn wijding niet uitoefent en van het beneficie met de daaruit ontvangen inkomsten
afstand doet, maar hij wordt ook nog verder bestraft, omdat hij eerloos wordt verklaard
en niet alleen de ontvangen inkomsten moet teruggeven, maar ook de inkomsten, die
een ijverig bezitter kon ontvangen; (maar dat moet men nemen van de inkomsten, die
overblijven na aftrek van de om de inkomsten gemaakte onkosten en met uitzondering
van die inkomsten, die op een andere manier tot nut van de kerk zijn besteed.) Als
anderen echter iemands bevordering buiten zijn wil en voorkennis door simonie bewerken,
dan mag hij zijn wijding wel niet uitoefenen en moet hij van zijn beneficie met de
nog uitstaande inkomsten afstand doen (maar hij behoeft de verteerde inkomsten niet
terug te geven, omdat hij ze te goeder trouw bezat) ; behalve als zijn vijand bedrieglijk
geld gaf voor zijn bevordering of als hij zich uitdrukkelijk heeft verzet. Want dan
behoeft hij geen afstand te doen, tenzij hij later in de overeenkomst toestemde door
het beloofde te betalen.
Ad quartum dicendum quod pecunia, vel possessio, vel fructus simoniace accepti, debent
restitui Ecclesiae in cuius iniuriam data sunt, non obstante quod praelatus, vel aliquis
de collegio illius Ecclesiae, fuit in culpa, quia eorum peccatum non debet aliis nocere.
Ita tamen quod, quantum fieri potest, ipsi qui peccaverunt inde commodum non consequantur.
Si vero praelatus et totum collegium sunt in culpa, debet cum auctoritate superioris
vel pauperibus vel alteri Ecclesiae erogari. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 4)
4 — Geld en bezittingen en inkomsten, die door simonie gekregen zijn, moeten aan de kerk,
ten nadele waarvan zij vergeven zijn, worden teruggegeven, ondanks het feit, dat de
prelaat of iemand van het college van die kerk schuldig was, omdat hun zonde anderen
niet mag schaden. Het moet echter voor zover het kan zo gaan, dat zij die gezondigd
hebben daaruit geen voordeel trekken. — Hebben echter zowel de prelaat als geheel
het college schuld, dan moet het op gezag van de overheid voor de armen of voor een
andere kerk worden besteed.
Ad quintum dicendum quod si aliqui sunt in monasterio simoniace recepti, debent abrenuntiare.
Et si eis scientibus commissa est simonia post Concilium generale, sine spe restitutionis
de suo monasterio repelluntur, et ad agendam perpetuam poenitentiam sunt in arctiori
regula ponendi, vel in aliquo loco eiusdem ordinis, si arctior ordo non inveniretur.
Si vero hoc fuit ante Concilium, debent in aliis locis eiusdem ordinis collocari.
Et si hoc fieri non potest, dispensative debent in eisdem monasteriis recipi, ne in
saeculo evagentur, mutatis tamen prioribus locis et inferioribus assignatis. Si vero
ipsis ignorantibus, sive ante Concilium sive post, sint simoniace recepti, postquam
renuntiaverint, possunt de novo recipi, locis mutatis, ut dictum est. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 5)
5 — Zijn er door simonie in een klooster opgenomen, dan moeten zij daar afstand van doen.
En hebben zij wetens na het Algemeen Concilie (het 4e van Lateranen) simonie bedreven,
dan moeten zij zonder hoop op herstel uit hun klooster worden verdreven en om voor
altijd boetvaardigheid te doen onder een strengelen regel worden geplaatst of in een
ander klooster van dezelfde orde, als er geen strengere regel is. — Gebeurde het echter
vóór het Concilie, dan moeten zij naar andere kloosters van dezelfde orde worden verplaatst.
En kan dat niet, dan moeten zij met dispensatie in dezelfde kloosters worden opgenomen,
opdat zij niet in de wereld blijven rondzwerven, maar zij moeten een andere plaats
krijgen en hun moet een lagere worden aangewezen. Zijn zij echter, hetzij vóór hetzij
na het Concilie, door simonie aangenomen, dan kunnen zij na afstand gedaan te hebben
opnieuw worden aangenomen: maar zoals is gezegd met verandering van plaats.
Ad sextum dicendum quod quoad Deum sola voluntas facit simoniacum, sed quoad poenam
ecclesiasticam exteriorem, non punitur ut simoniacus, ut abrenuntiare teneatur, sed
debet de mala intentione poenitere. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 6)
6 — Bij God is het alleen al de wil die iemand tot een bedrijver van simonie maakt, maar
wat de uitwendige straf van de Kerk betreft, wordt men niet als bedrijver van simonie
bestraft, zodat men afstand moet doen, maar moet men berouw hebben over zijn slechte
bedoeling.
Ad septimum dicendum quod dispensare cum eo qui est scienter beneficiatus, solus Papa
potest. In aliis autem casibus potest etiam episcopus dispensare, ita tamen quod prius
abrenuntiet quod simoniace acquisivit. Et tunc dispensationem consequatur vel parvam,
ut habeat laicam communionem; vel magnam, ut, post poenitentiam, in alia Ecclesia
in suo ordine remaneat; vel maiorem, ut remaneat in eadem, sed in minoribus ordinibus;
vel maximam, ut in eadem Ecclesia etiam maiores ordines exequatur, non tamen praelationem
accipiat. (IIa-IIae q. 100 a. 6 ad 7)
7 — Wie met zijn medeweten door simonie een beneficie kreeg, kan alleen door de Paus worden
gedispenseerd. In andere gevallen echter kan ook de bisschop dispenseren, maar zo,
dat men eerst afstand doet van wat men door simonie verkreeg. En dan krijgt men dispensatie,
hetzij de kleine, zodat men als leek weer in de genaden van de Kerk kan delen; hetzij
de grote, dat men na de boete in een andere kerk in zijn rang blijft; hetzij de nog
grotere, dat men in dezelfde kerk mag blijven, maar in lager rang; hetzij de grootste,
dat men in dezelfde kerk zelfs een hogere rang kan krijgen, maar niet het ambt van
prelaat.