Secunda Secundae. Quaestio 51. Over de potentiële of bijkomstige onderdelen van de verstandigheid .
Prooemium
Deinde considerandum est de virtutibus adiunctis prudentiae, quae sunt quasi partes
potentiales ipsius. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum eubulia sit virtus.
Secundo, utrum sit specialis virtus a prudentia distincta. Tertio, utrum synesis sit
specialis virtus. Quarto, utrum gnome sit specialis virtus. (IIa-IIae q. 51 pr.)
Vervolgens dient het onderzoek te gaan over de deugden, die aan de verstandigheid
verbonden zijn als haar potentiële of bijkomstige onderdelen. Hieromtrent zijn vier
vragen te stellen: 1. Is de welberadenheid een deugd? 2. Is zij een afzonderlijke
deugd, onderscheiden van de verstandigheid? 3. Is de « synesis » een afzonderlijke
deugd? 4. Is de « gnomè » een afzonderlijke deugd?
Articulus 1. Is de welberadenheid een deugd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod eubulia non sit virtus. Quia secundum Augustinum,
in libro de Lib. Arb., virtutibus nullus male utitur. Sed eubulia, quae est bene consiliativa,
aliqui male utuntur, vel quia astuta consilia excogitant ad malos fines consequendos;
aut quia etiam ad bonos fines consequendos aliqua peccata ordinant, puta qui furatur
ut eleemosynam det. Ergo eubulia non est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat de welberadenheid geen deugd is. Augustinus zegt dat « niemand de
deugd verkeerd gebruikt ». Maar de welberadenheid — de deugd die ons goed doet beraadslagen
— gebruiken sommigen verkeerd, ofwel door sluwe beraadslagingen uit te denken om slechte
doeleinden na te streven, ofwel door zonden te ordenen tot het bereiken van een goed
doel, b.v. wanneer iemand steelt om een aalmoes te kunnen geven. Dus is de welberadenheid
geen deugd.
Praeterea, virtus perfectio quaedam est, ut dicitur in VII Phys. Sed eubulia circa
consilium consistit, quod importat dubitationem et inquisitionem, quae imperfectionis
sunt. Ergo eubulia non est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 1 arg. 2)
2 — « Deugd betekent een zekere volmaaktheid », zoals gezegd wordt in de Physica. Maar
de welberadenheid is gericht op de beraadslaging, die twijfel inhoudt en het zoeken
naar een oplossing. Dus iets onvolmaakts. Dus is de welberadenheid geen deugd.
Praeterea, virtutes sunt connexae ad invicem, ut supra habitum est. Sed eubulia non
est connexa aliis virtutibus multi enim peccatores sunt bene consiliativi, et multi
iusti sunt in consiliis tardi. Ergo eubulia non est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 1 arg. 3)
3 — De deugden zijn onderling aan elkaar verwant, zoals vroeger is uiteengezet (I. II.
65° Kw.). Maar de welberadenheid heeft geen verwantschap met de andere deugden, want
vele zondaren zijn zeer welberaden, terwijl vele rechtvaardigen onberaden zijn. Dus
is de welberadenheid geen deugd.
Sed contra est quod eubulia est rectitudo consilii, ut philosophus dicit, in VI Ethic.
Sed recta ratio perficit rationem virtutis. Ergo eubulia est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter dat « welberadenheid betekent: juistheid in de beraadslaging
», zoals de wijsgeer zegt. Een goed oordelend verstand nu vervolmaakt het wezen van
de deugd. Dus is de welberadenheid een deugd.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, de ratione virtutis humanae est quod
faciat actum hominis bonum. Inter ceteros autem actus hominis proprium est ei consiliari,
quia hoc importat quandam rationis inquisitionem circa agenda, in quibus consistit
vita humana; nam vita speculativa est supra hominem, ut dicitur in X Ethic. Eubulia
autem importat bonitatem consilii, dicitur enim ab eu, quod est bonum, et boule, quod
est consilium, quasi bona consiliatio, vel potius bene consiliativa. Unde manifestum
est quod eubulia est virtus humana. (IIa-IIae q. 51 a. 1 co.)
Vroeger werd gezegd (47° Kw. 4° Art.) dat het wezen van de deugd bij de mens hierin
bestaat 's mensen handelingen goed te maken. Onder de overige handelingen van de mens
is het hem eigen te beraadslagen, omdat dit een zeker onderzoek van het verstand betekent
omtrent de te verrichten handelingen waaruit het menselijk leven bestaat. Want het
speculatieve leven ligt boven de mens, zoals geschreven staat in de Ethica. De welberadenheid
nu, zorgt voor de goedheid van de beraadslaging, want het woord « eubulia » betekent
« eu » d.i. goed, en « boulè » d.i. raad; dus een goede raadgeving, of beter een goede
beraadslaging. Hieruit blijkt duidelijk dat de welberadenheid een menselijke deugd
is.
Ad primum ergo dicendum quod non est bonum consilium sive aliquis malum finem sibi
in consiliando praestituat, sive etiam ad bonum finem malas vias adinveniat. Sicut
etiam in speculativis non est bona ratiocinatio sive aliquis falsum concludat, sive
etiam concludat verum ex falsis, quia non utitur convenienti medio. Et ideo utrumque
praedictorum est contra rationem eubuliae, ut philosophus dicit, in VI Ethic. (IIa-IIae q. 51 a. 1 ad 1)
1 — Men kan niet spreken van een goede beraadslaging, wanneer iemand zich daarbij een
slecht doel voor ogen stelt, of zelfs een goed doel langs verkeerde wegen tracht te
bereiken. Zo is ook in de speculatieve orde een redenering niet goed, wanneer iemand
tot een valse gevolgtrekking komt, of een ware gevolgtrekking uit valse beginselen
afleidt, daar hij dan niet het goede middel gebruikt om tot zijn gevolgtrekking te
komen. Beide bovengenoemde wijzen van beraadslaging zijn tegen het wezen der welberadenheid,
zoals de wijsgeer verklaart.
Ad secundum dicendum quod etsi virtus sit essentialiter perfectio quaedam, non tamen
oportet quod omne illud quod est materia virtutis perfectionem importet. Oportet enim
circa omnia humana perfici per virtutes, et non solum circa actus rationis, inter
quos est consilium; sed etiam circa passiones appetitus sensitivi, quae adhuc sunt
multo imperfectiores. Vel potest dici quod virtus humana est perfectio secundum modum
hominis, qui non potest per certitudinem comprehendere veritatem rerum simplici intuitu;
et praecipue in agibilibus, quae sunt contingentia. (IIa-IIae q. 51 a. 1 ad 2)
2 — Ofschoon de deugd in wezen een zekere volmaaktheid betekent, behoeft toch niet alles
waarover de deugd zich uitstrekt volmaakt te zijn. Want alle menselijke handelingen
eisen hun vervolmaking die de deugden haar kunnen geven, niet alleen de werkzaamheid
van ons menselijk verstand, waartoe de beraadslaging behoort, maar ook de hartstochten
van ons zinnelijk streefvermogen, die nog veel onvolmaakter zijn. Men kan ook zeggen
dat de menselijke deugd slechts een menselijke volmaaktheid voortbrengt. Als mens
nu kunnen wij niet met zekerheid door een onmiddellijke schouwing de waarheid der
dingen begrijpen, zeker niet bij de handelingen, die immer wisselvalligheden zijn.
Ad tertium dicendum quod in nullo peccatore, inquantum huiusmodi, invenitur eubulia.
Omne enim peccatum est contra bonam consiliationem. Requiritur enim ad bene consiliandum
non solum adinventio vel excogitatio eorum quae sunt opportuna ad finem, sed etiam
aliae circumstantiae, scilicet tempus congruum, ut nec nimis tardus nec nimis velox
sit in consiliis; et modus consiliandi, ut scilicet sit firmus in suo consilio; et
aliae huiusmodi debitae circumstantiae, quae peccator peccando non observat. Quilibet
autem virtuosus est bene consiliativus in his quae ordinantur ad finem virtutis, licet
forte in aliquibus particularibus negotiis non sit bene consiliativus, puta in mercationibus
vel in rebus bellicis vel in aliquo huiusmodi. (IIa-IIae q. 51 a. 1 ad 3)
3 — Welberadenheid vindt men nooit in de zondaar als zodanig. Want iedere zonde is het
gevolg van een verkeerde beraadslaging. Voor een goede beraadslaging wordt niet alleen
vereischt het vinden of uitdenken van de handelingen die nuttig zijn voor het doel,
maar ook van alle andere omstandigheden, nl. de geschikte tijd, en ook dat men niet
te langzaam noch te snel is in de beraadslaging, en de wijze van beraadslaging, nl.
dat men standvastig is in de beraadslaging, en dergelijke andere verplichte omstandigheden
meer, die een zondaar bij het bedrijven der zonde niet in acht neemt. Iedere deugdzame
mens is echter welberaden in de handelingen die voeren tot het doel van de deugd,
ofschoon hij in sommige andere zaken misschien niet welberaden kan zijn, b.v. in de
handel of in het oorlogvoeren, en dergelijke.
Articulus 2. Is de welberadenheid een afzonderlijke deugd, onderscheiden van de verstandigheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod eubulia non sit virtus distincta a prudentia.
Quia ut philosophus dicit, in VI Ethic., videtur prudentis esse bene consiliari. Sed
hoc pertinet ad eubuliam, ut dictum est. Ergo eubulia non distinguitur a prudentia. (IIa-IIae q. 51 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de welberadenheid als deugd niet onderscheiden is van de verstandigheid.
De Wijsgeer zegt dat « het een eigenschap schijnt te zijn van de verstandige, goed
te beraadslagen ». Dit behoort echter tot de welberadenheid, zoals in het vorige artikel
gezegd werd. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.
Praeterea, humani actus, ad quos ordinantur humanae virtutes, praecipue specificantur
ex fine, ut supra habitum est. Sed ad eundem finem ordinantur eubulia et prudentia,
ut dicitur VI Ethic., idest non ad quendam particularem finem, sed ad communem finem
totius vitae. Ergo eubulia non est virtus distincta a prudentia. (IIa-IIae q. 51 a. 2 arg. 2)
2 — De menselijke handelingen waarop de menselijke deugden gericht zijn, worden onderscheiden
naar hun doeleinden, zoals boven is uiteengezet (I.II. 1° Kw. 3° Art. en 18° Kw. 6°
Art.). De welberadenheid en de verstandigheid nu zijn gericht op eenzelfde doel, zoals
gezegd wordt in de Ethica, nl. niet op een bijzonder doel, maar op het algemeen einddoel
van heel het menselijk leven. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden
van de verstandigheid.
Praeterea, in scientiis speculativis ad eandem scientiam pertinet inquirere et determinare.
Ergo pari ratione in operativis hoc pertinet ad eandem virtutem. Sed inquirere pertinet
ad eubuliam, determinare autem ad prudentiam. Ergo eubulia non est alia virtus a prudentia. (IIa-IIae q. 51 a. 2 arg. 3)
3 — In de speculatieve wetenschappen behoren het onderzoeken en bepalen tot dezelfde wetenschap.
In de praktische orde geldt hetzelfde en behoren dus beide tot eenzelfde deugd. Het
onderzoeken hoort hier bij de welberadenheid, het vaststellen van de handeling bij
de verstandigheid. Derhalve is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van
de verstandigheid.
Sed contra, prudentia est praeceptiva, ut dicitur in VI Ethic. Hoc autem non convenit
eubuliae. Ergo eubulia est alia virtus a prudentia. (IIa-IIae q. 51 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter dat in de Ethica gezegd wordt dat « de verstandigheid het
bevel geeft tot de handeling ». Dit behoort echter niet tot de taak van de welberadenheid.
Dus is de welberadenheid een andere deugd dan de verstandigheid.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est supra, virtus proprie ordinatur ad actum,
quem reddit bonum. Et ideo oportet secundum differentiam actuum esse diversas virtutes,
et maxime quando non est eadem ratio bonitatis in actibus. Si enim esset eadem ratio
bonitatis in eis, tunc ad eandem virtutem pertinerent diversi actus, sicut ex eodem
dependet bonitas amoris, desiderii et gaudii, et ideo omnia ista pertinent ad eandem
virtutem caritatis. Actus autem rationis ordinati ad opus sunt diversi, nec habent
eandem rationem bonitatis, ex alia enim efficitur homo bene consiliativus, et bene
iudicativus, et bene praeceptivus; quod patet ex hoc quod ista aliquando ab invicem
separantur. Et ideo oportet aliam esse virtutem eubuliam, per quam homo est bene consiliativus;
et aliam prudentiam, per quam homo est bene praeceptivus. Et sicut consiliari ordinatur
ad praecipere tanquam ad principalius, ita etiam eubulia ordinatur ad prudentiam tanquam
ad principaliorem virtutem; sine qua nec virtus esset, sicut nec morales virtutes
sine prudentia, nec ceterae virtutes sine caritate. (IIa-IIae q. 51 a. 2 co.)
De deugd is volgens haar wezen gericht op de daad, om ze goed te maken, zoals vroeger
werd aangetoond. (47° Kw. 2° Art. en I. II. 55° Kw. 2° en 3° Art.). Daarom moet er
bij verschil van daden ook onderscheid van deugden zijn, vooral wanneer de goedheid
in de daden van verschillenden aard is. Wanneer bij verschillende daden eenzelfde
soort goedheid aanwezig is, zouden zij tot dezelfde deugd behoren, zoals b.v. de goedheid
van het welbehagen, het verlangen en de vreugde voortkomt uit eenzelfde bron, en dus
in alle drie gevallen behoort tot dezelfde deugd van liefde. De daden nu van het verstand,
die gericht zijn op de handeling, zijn van verschillenden aard en bezitten ieder een
goedheid van onderscheiden soort, want de goedheid van het beraad, van het oordeel
en van het bevel zijn verschillend, wat blijkt wanneer ze van elkaar gescheiden worden.
En daarom is de deugd van welberadenheid, waardoor men goed beraadslaagt, een andere
dan de verstandigheid waardoor men goed bevel geeft. Daar nu de beraadslaging gericht
is op het bevel als op iets voornamers, is ook de welberadenheid gericht op de verstandigheid
als voornamere deugd. Zonder de verstandigheid zou de welberadenheid geen deugd zijn,
evenals de zedelijke deugden geen deugden zouden zijn zonder de verstandigheid, noch
de overige deugden zonder de liefde.
Ad primum ergo dicendum quod ad prudentiam pertinet bene consiliari imperative, ad
eubuliam autem elicitive. (IIa-IIae q. 51 a. 2 ad 1)
1 — De verstandigheid geeft het bevel tot een goede beraadslaging; de welberadenheid kiest
haar als haar eigen daad.
Ad secundum dicendum quod ad unum finem ultimum, quod est bene vivere totum, ordinantur
diversi actus secundum quendam gradum, nam praecedit consilium, sequitur iudicium,
et ultimum est praeceptum, quod immediate se habet ad finem ultimum, alii autem duo
actus remote se habent. Qui tamen habent quosdam proximos fines, consilium quidem
inventionem eorum quae sunt agenda; iudicium autem certitudinem. Unde ex hoc non sequitur
quod eubulia et prudentia non sint diversae virtutes, sed quod eubulia ordinetur ad
prudentiam sicut virtus secundaria ad principalem. (IIa-IIae q. 51 a. 2 ad 2)
2 — Alle handelingen worden graadsgewijs geordend tot eenzelfde einddoel, nl. het gehele
leven goed te maken. Want het beraad gaat vooraf, dan volgt het oordeel en ten slotte
het bevel, dat onmiddellijk gericht is op het laatste doel, de twee andere echter
ondergeschikt en verwijderd. Toch hebben deze twee ieder hun eigen onmiddellijke doeleinden,
nl. de beraadslaging: het onderzoek naar wat gedaan moet worden; het oordeel: de zekerheid
hiervan. Hieruit volgt niet dat welberadenheid en verstandigheid geen onderscheiden
deugden zijn, wel dat de welberadenheid gericht is op de verstandigheid als een ondergeschikte
deugd op de voornamere.
Ad tertium dicendum quod etiam in speculativis alia rationalis scientia est dialectica,
quae ordinatur ad inquisitionem inventivam; et alia scientia demonstrativa, quae est
veritatis determinativa. (IIa-IIae q. 51 a. 2 ad 3)
3 — Ook in de speculatieve orde maakt men onderscheid tussen de onderzoekende wetenschap,
die de waarheid tracht te vinden, en de bewijzende wetenschap, die de waarheid vaststelt.
Articulus 3. Is de « synesis » een deugd?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod synesis non sit virtus. Virtutes enim non
insunt nobis a natura, ut dicitur in II Ethic. Sed synesis inest aliquibus a natura,
ut dicit philosophus, in VI Ethic. Ergo synesis non est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 3 arg. 1)
1 — De deugden « bezitten wij niet van nature », zoals gezegd wordt in de Ethica. Maar
sommigen bezitten van nature een gezond oordeel of synesis, zoals de Wijsgeer zegt.
Dus is de synesis geen deugd.
Praeterea, synesis, ut in eodem libro dicitur, est solum iudicativa. Sed iudicium
solum, sine praecepto, potest esse etiam in malis. Cum ergo virtus sit solum in bonis,
videtur quod synesis non sit virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 3 arg. 2)
2 — De Wijsgeer zegt dat de synesis « alleen gericht is op het oordeel ». Maar een slecht
mens kan een goed oordeel vellen. Daar nu de deugd alleen het bezit der goeden is,
kan de synesis geen deugd zijn.
Praeterea, nunquam est defectus in praecipiendo nisi sit aliquis defectus in iudicando,
saltem in particulari operabili, in quo omnis malus errat. Si ergo synesis ponitur
virtus ad bene iudicandum, videtur quod non sit necessaria alia virtus ad bene praecipiendum.
Et ideo prudentia erit superflua, quod est inconveniens. Non ergo synesis est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 3 arg. 3)
3 — Er is nooit een tekortkoming in het bevel wanneer er niet eerst een tekortkoming is
in het oordeel, zeker in de praktische orde waarin iedere handeling iets afzonderlijks
is en waarin iedere boze dwaalt. De synesis nu wordt voorgesteld als de deugd die
ons goed doet oordelen. Maar dan is er geen andere deugd nodig die goed doet bevelen.
In dat geval zou de verstandigheid overbodig zijn, wat moeilijk aangenomen kan worden.
Dus is de synesis geen deugd.
Sed contra, iudicium est perfectius quam consilium. Sed eubulia, quae est bene consiliativa,
est virtus. Ergo multo magis synesis, quae est bene iudicativa, est virtus. (IIa-IIae q. 51 a. 3 s. c.)
Daartegenover echter staat dat het oordeel iets volmaakters is dan de beraadslaging.
De welberadenheid nu, die ons goed doet beraadslagen, is een deugd. Des te meer dus
de synesis, die ons goed doet oordelen.
Respondeo dicendum quod synesis importat iudicium rectum non quidem circa speculabilia,
sed circa particularia operabilia, circa quae etiam est prudentia. Unde secundum synesim
dicuntur in Graeco aliqui syneti, idest sensati, vel eusyneti, idest homines boni
sensus, sicut e contrario qui carent hac virtute dicuntur asyneti, idest insensati.
Oportet autem quod secundum differentiam actuum qui non reducuntur in eandem causam
sit etiam diversitas virtutum. Manifestum est autem quod bonitas consilii et bonitas
iudicii non reducuntur in eandem causam, multi enim sunt bene consiliativi qui tamen
non sunt bene sensati, quasi recte iudicantes. Sicut etiam in speculativis aliqui
sunt bene inquirentes, propter hoc quod ratio eorum prompta est ad discurrendum per
diversa, quod videtur provenire ex dispositione imaginativae virtutis, quae de facili
potest formare diversa phantasmata, et tamen huiusmodi quandoque non sunt boni iudicii,
quod est propter defectum intellectus, qui maxime contingit ex mala dispositione communis
sensus non bene iudicantis. Et ideo oportet praeter eubuliam esse aliam virtutem quae
est bene iudicativa. Et haec dicitur synesis. (IIa-IIae q. 51 a. 3 co.)
De synesis of het gezond oordeel is niet gericht op een juist oordelvellen in de speculatieve
orde, maar op een oordelvellen omtrent de handeling die men in elk afzonderlijk geval
moet verrichten. Hierop is ook de verstandigheid gericht. Naar de synesis worden sommigen
in het Griekse « σύνετο » d.i. bezonnen of « εὐσύνετο » d.i. welbezonnen mensen, mensen
met gezond oordeel, genoemd; terwijl integendeel mensen die deze deugd missen, « ἀσύνετο
» d.i. onbezonnen genoemd worden. Het onderscheid nu in verschillende deugden wordt
gemaakt naar het onderscheid van die daden, welke men niet tot eenzelfde oorzaak terug
kan brengen. Wel is echter duidelijk dat de goedheid van de beraadslaging en de juistheid
van het oordeel niet te herleiden zijn tot dezelfde oorzaak, want vele mensen kunnen
goed beraadslagen zonder nochtans een gezond oordeel te bezitten. Eveneens kan men
in de speculatieve orde mensen aantreffen, die zeer bekwaam zijn in het onderzoek,
doordat hun geest met groot gemak de meest uiteenlopende mogelijkheden weet te bedenken.
Deze gesteltenis schijnt voort te komen uit een zekere aanleg van hun verbeeldingskracht,
waardoor deze zich gemakkelijk uiteenlopende voorstellingen kan vormen. En toch ontbreekt
bij zulke mensen dikwijls het juiste oordeel wegens het ontbreken van een scherp inzicht,
wat gemakkelijk kan voortkomen uit een minder gunstige aanleg van het algemeen zintuig
dat in onvoldoende mate de verschillende voorstellingen beheerst. Naast de welberadenheid,
de deugd die ons goed doet beraadslagen, dient men nog een tweede aan te nemen, de
synesis, die goed doet oordelen.
Ad primum ergo dicendum quod rectum iudicium in hoc consistit quod vis cognoscitiva
apprehendat rem aliquam secundum quod in se est. Quod quidem provenit ex recta dispositione
virtutis apprehensivae, sicut in speculo, si fuerit bene dispositum, imprimuntur formae
corporum secundum quod sunt; si vero fuerit speculum male dispositum, apparent ibi
imagines distortae et prave se habentes. Quod autem virtus cognoscitiva sit bene disposita
ad recipiendum res secundum quod sunt, contingit quidem radicaliter ex natura, consummative
autem ex exercitio vel ex munere gratiae. Et hoc dupliciter. Uno modo, directe ex
parte ipsius cognoscitivae virtutis, puta quia non est imbuta pravis conceptionibus,
sed veris et rectis, et hoc pertinet ad synesim secundum quod est specialis virtus.
Alio modo, indirecte, ex bona dispositione appetitivae virtutis, ex qua sequitur quod
homo bene iudicet de appetibilibus. Et sic bonum virtutis iudicium consequitur habitus
virtutum moralium, sed circa fines, synesis autem est magis circa ea quae sunt ad
finem. (IIa-IIae q. 51 a. 3 ad 1)
1 — Een juist oordeel bestaat hierin, dat het kenvermogen de zaak zo begrijpt als ze in
werkelijkheid is. Dit is alleen mogelijk als het kenvermogen in een goede gesteltenis
verkeert. Wanneer b.v. een spiegel goed gemaakt is, zal hij de voorwerpen goed weerspiegelen.
Zijn er fouten in de spiegel, dan ziet men een slechte en misvormde weergave van de
weerspiegelde figuren. Deze goede gesteltenis nl. om de zaken zo te begrijpen als
ze in werkelijkheid zijn, bezit het kenvermogen wel van nature, maar slechts in beginsel:
het dient vervolmaakt te worden of door oefening, of door de genade. Deze vervolmaking
kan op tweevoudige wijze plaats hebben. Eerstens, kan deze een rechtstreeksche zijn,
nl. van de zijde van het kenvermogen zelf, b.v. dat het niet besmet wordt met verkeerde
opvattingen, maar zich langzamerhand goede en juiste zedelijke begrippen verwerft.
En dit behoort tot het gebied van de synesis, voor zover zij een afzonderlijke deugd
is. Die vervolmaking kan ook een onrechtstreeksche zijn, nl. van de zijde van het
begeervermogen: wanneer het begeervermogen gezond is, zal men zich een juist oordeel
vormen omtrent de voorwerpen die men begeert. En in die zin volgt een goed oordeel
over de deugdhandeling uit het bezit der zedelijke deugden, doch dit oordeel geldt
alleen de doeleinden. De synesis echter oordeelt met betrekking tot de middelen.
Ad secundum dicendum quod in malis potest quidem iudicium rectum esse in universali,
sed in particulari agibili semper eorum iudicium corrumpitur, ut supra habitum est. (IIa-IIae q. 51 a. 3 ad 2)
2 — Slechte mensen kunnen een juist oordeel vellen, maar dan alleen in het algemeen. Staan
ze voor de afzonderlijke handeling zelf, dan zal hun oordeel falen, zoals vroeger
werd aangetoond (I. 63e Kw. 1e Art. 4e Antw.).
Ad tertium dicendum quod contingit quandoque id quod bene iudicatum est differri,
vel negligenter agi aut inordinate. Et ideo post virtutem quae est bene iudicativa
necessaria est finalis virtus principalis quae sit bene praeceptiva, scilicet prudentia. (IIa-IIae q. 51 a. 3 ad 3)
3 — Het gebeurt somtijds dat iets wat als goed om te doen beoordeeld werd, wordt uitgesteld,
of nalatig en niet goed wordt uitgevoerd. En daarom is er na de deugd, die ons een
goed oordeel doet vellen, nog een andere deugd nodig die voor het goede bevel zorgt.
Deze deugd, de hoofddeugd, omdat zij voor de goede voltooiing zorgt, is de verstandigheid.
Articulus 4. Is de « gnomè » een afzonderlijke deugd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod gnome non sit specialis virtus a synesi distincta.
Quia secundum synesim dicitur aliquis bene iudicativus. Sed nullus potest dici bene
iudicativus nisi in omnibus bene iudicet. Ergo synesis se extendit ad omnia diiudicanda.
Non est ergo aliqua alia virtus bene iudicativa quae gnome vocatur. (IIa-IIae q. 51 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de « gnomè » geen afzonderlijke deugd is, onderscheiden van de synesis.
De synesis doet iemand goed oordelen. Maar men zegt niet van iemand dat hij goed oordeelt,
wanneer hij niet in alle gevallen goed oordeelt. Dus is er naast de synesis geen andere
deugd nodig om iemand goed te doen oordelen.
Praeterea, iudicium medium est inter consilium et praeceptum. Sed una tantum virtus
est bene consiliativa, scilicet eubulia; et una tantum virtus est bene praeceptiva,
scilicet prudentia. Ergo una tantum est virtus bene iudicativa, scilicet synesis. (IIa-IIae q. 51 a. 4 arg. 2)
2 — Het oordeel staat midden tussen het beraad en het bevel. Maar om goed te overleggen
en goed te bevelen is telkens maar één deugd nodig, namelijk de welberadenheid enerzijds,
en de verstandigheid anderzijds. Dus is er ook maar één deugd nodig om goed te oordelen,
namelijk de synesis.
Praeterea, ea quae raro accidunt, in quibus oportet a communibus legibus discedere,
videntur praecipue casualia esse, quorum non est ratio, ut dicitur in II Phys. Omnes
autem virtutes intellectuales pertinent ad rationem rectam. Ergo circa praedicta non
est aliqua virtus intellectualis. (IIa-IIae q. 51 a. 4 arg. 3)
3 — Wat zelden voorkomt, en waarbij men van de gewone wetten moet afwijken, is iets toevalligs.
Het toevallige valt niet onder het bereik van het verstand, zoals gezegd wordt in
de Physica. Alle verstandelijke deugden nu behoren tot het oordeelend verstand. Dus
kan er omtrent het zeldzaam voorkomende en dus toevallige geen verstandelijke deugd
zijn.
Sed contra est quod philosophus determinat, in VI Ethic., gnomen esse specialem virtutem. (IIa-IIae q. 51 a. 4 s. c.)
Daartegenover echter staat dat de wijsgeer vaststelt dat de « gnomè » een afzonderlijke
deugd is.
Respondeo dicendum quod habitus cognoscitivi distinguuntur secundum altiora vel inferiora
principia, sicut sapientia in speculativis altiora principia considerat quam scientia,
et ideo ab ea distinguitur. Et ita etiam oportet esse in activis. Manifestum est autem
quod illa quae sunt praeter ordinem inferioris principii sive causae reducuntur quandoque
in ordinem altioris principii, sicut monstruosi partus animalium sunt praeter ordinem
virtutis activae in semine, tamen cadunt sub ordine altioris principii, scilicet caelestis
corporis, vel ulterius providentiae divinae. Unde ille qui consideraret virtutem activam
in semine non posset iudicium certum ferre de huiusmodi monstris, de quibus tamen
potest iudicari secundum considerationem divinae providentiae. Contingit autem quandoque
aliquid esse faciendum praeter communes regulas agendorum, puta cum impugnatori patriae
non est depositum reddendum, vel aliquid aliud huiusmodi. Et ideo oportet de huiusmodi
iudicare secundum aliqua altiora principia quam sint regulae communes, secundum quas
iudicat synesis. Et secundum illa altiora principia exigitur altior virtus iudicativa,
quae vocatur gnome, quae importat quandam perspicacitatem iudicii. (IIa-IIae q. 51 a. 4 co.)
De verschillende kennisvaardigheden worden onderscheiden naar de hogere of lagere
beginselen waarvan ze uitgaan. In de speculatieve orde gaat de wijsheid bij haar beschouwing
uit van hogere beginselen dan de wetenschap, en is daarom van deze onderscheiden.
Zo moet het ook zijn in de praktische orde. Het is nu duidelijk dat sommige gevallen,
die buiten het bereik van een lager beginsel of oorzaak liggen, teruggebracht moeten
worden tot een hoger beginsel, zoals bijvoorbeeld de geboorte van een monsterachtig
dier niet toegeschreven kan worden aan de kracht van de bevruchting maar zijn oorzaak
vindt in een hoger beginsel, bijvoorbeeld de invloed van een hemellichaam of de nog
hogere kracht van Gods Voorzienigheid. Iemand nu, die niet verder ziet dan de kracht
van de bevruchting, zou geen zeker oordeel weten te vormen omtrent zulk monster. Ziet
men verder en betrekt men Gods Voorzienigheid in zijn beschouwing, dan kan men eerst
een juist oordeel vellen. Zo kan het ook voorkomen dat men soms iets doen moet buiten
de gewone wetten der handelingen om, bijvoorbeeld wanneer men geen belasting wil betalen
aan een overweldiger van zijn vaderland, of iets dergelijks. In zulke gevallen zal
men moeten oordelen volgens een of ander beginsel van hogere orde dan de gewone wetten,
volgens welke de synesis oordeelt. Deze hogere beginselen eisen een hogere vaardigheid
tot oordelen, en deze deugd noemt men « gnomè ». Zij geeft een zekere scherpte van
oordeel.
Ad primum ergo dicendum quod synesis est vere iudicativa de omnibus quae secundum
communes regulas fiunt. Sed praeter communes regulas sunt quaedam alia diiudicanda,
ut iam dictum est. (IIa-IIae q. 51 a. 4 ad 1)
1 — De synesis verstrekt een juist oordeel in gewone gevallen. Maar buiten die gewone
gevallen kunnen ook nog andere voorkomen, zoals in de Leerstelling gezegd is.
Ad secundum dicendum quod iudicium debet sumi ex propriis principiis rei, inquisitio
autem fit etiam per communia. Unde etiam in speculativis dialectica, quae est inquisitiva,
procedit ex communibus, demonstrativa autem, quae est iudicativa, procedit ex propriis.
Et ideo eubulia, ad quam pertinet inquisitio consilii, est una de omnibus, non autem
synesis, quae est iudicativa. Praeceptum autem respicit in omnibus unam rationem boni.
Et ideo etiam prudentia non est nisi una. (IIa-IIae q. 51 a. 4 ad 2)
2 — Een oordeel moet gevormd worden volgens het eigene van de zaak; het onderzoek echter
gaat ook uit van dingen die gemeen zijn aan verscheidene dingen. Vandaar dat ook in
de speculatieve orde, de dialectiek, die een onderzoekende wetenschap is, uitgaat
van gemeenschappelijke dingen; de bewijzende wetenschap echter, die oordelend is,
gaat uit van het eigene. Daarom is de welberadenheid, waaraan het onderzoek toevertrouwd
wordt, één en dezelfde voor alle gevallen, maar de « synesis », waaraan het oordeel
toekomt, niet. Het bevel van zijn kant, is altijd gericht op één ding, namelijk op
het goede; en daarom is ook de verstandigheid één en dezelfde.
Ad tertium dicendum quod omnia illa quae praeter communem cursum contingere possunt
considerare pertinet ad solam providentiam divinam, sed inter homines ille qui est
magis perspicax potest plura horum sua ratione diiudicare. Et ad hoc pertinet gnome,
quae importat quandam perspicacitatem iudicii. (IIa-IIae q. 51 a. 4 ad 3)
3 — De beschouwing van al datgene wat van de gewone wetten afwijkt, komt uitsluitend toe
aan de Goddelijke Voorzienigheid. Onder de mensen echter kan de meer helderziende
over veel van die dingen door zijn natuurlijke rede oordelen. En daarop slaat de «
gnomè », die een zekere scherpte van oordeel inhoudt.