QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 99.
Over de Heiligschennis .

Prooemium

Deinde considerandum est de vitiis ad irreligiositatem pertinentibus quibus rebus sacris irreverentia exhibetur. Et primo, de sacrilegio; secundo, de simonia. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, quid sit sacrilegium. Secundo, utrum sit speciale peccatum. Tertio, de speciebus sacrilegii. Quarto, de poena sacrilegii. (IIa-IIae q. 99 pr.)

Vervolgens moeten wij de tot de ongodsdienstigheid behorende gebreken behandelen, waardoor men een gemis aan eerbied voor heilige zaken toont; en wel ten eerste de heiligschennis, ten tweede de simonie. Over het eerste stellen wij ons vier vragen: 1. Wat is heiligschennis? 2. Is dit een bijzonder soort zonde? 3. Over de soorten van heiligschennis. 4. Over de straf voor heiligschennis.

Articulus 1.
Is heiligschennis het misbruiken van een heilige zaak?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod sacrilegium non sit sacrae rei violatio. Dicitur enim XVII, qu. IV, committunt sacrilegium qui de principis iudicio disputant, dubitantes an is dignus sit honore quem princeps elegerit. Sed hoc ad nullam rem sacram pertinere videtur. Ergo sacrilegium non importat sacrae rei violationem. (IIa-IIae q. 99 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat heiligschennis niet het misbruiken van een heilige zaak is. Want in de Decretaliën staat: « Zij begaan heiligschennis, die over het oordeel van de vorst redetwisten, twijfelend of hij, die door de vorst uitgekozen is, die eer waardig is. » Dit nu schijnt met geen enkele heilige zaak te maken te hebben. Dus sluit heiligschennis geen misbruik van een heilige zaak in.

Praeterea, ibidem subditur quod si quis permiserit Iudaeos officia publica exercere, velut in sacrilegum excommunicatio proferatur. Sed officia publica non videntur ad aliquod sacrum pertinere. Ergo videtur quod sacrilegium non importet violationem alicuius sacri. (IIa-IIae q. 99 a. 1 arg. 2)

2 — Op dezelfde plaats wordt gezegd, dat als iemand toelaat, dat de Joden openbare ambten bekleden, « de straf van uitbanning als tegenover een heiligschenner wordt uitgesproken. » Nu schijnen de openbare ambten niet tot de heilige zaken te behoren. Dus schijnt heiligschennis niet het misbruiken van iets heiligs in te sluiten.

Praeterea, maior est virtus Dei quam virtus hominis. Sed res sacrae a Deo sanctitatem obtinent. Non ergo possunt per hominem violari. Et ita sacrilegium non videtur esse sacrae rei violatio. (IIa-IIae q. 99 a. 1 arg. 3)

3 — Gods kracht is groter dan die van een mens. Nu krijgen heilige zaken hun heiligheid van God. Dus kunnen zij door mensen niet misbruikt worden. En zo schijnt heiligschennis niet het misbruiken van iets heiligs te zijn.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro Etymol., quod sacrilegus dicitur ab eo quod sacra legit, idest furatur. (IIa-IIae q. 99 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Isidorus zegt, dat « men van heiligschenner spreekt als van wie het heilige uitzoekt, d. w. z. steelt. »

Respondeo dicendum quod, sicut ex praedictis patet, sacrum dicitur aliquid ex eo quod ad divinum cultum ordinatur. Sicut autem ex eo quod aliquid ordinatur in finem bonum, sortitur rationem boni; ita etiam ex hoc quod aliquid deputatur ad cultum Dei, efficitur quoddam divinum, et sic ei quaedam reverentia debetur quae refertur in Deum. Et ideo omne illud quod ad irreverentiam rerum sacrarum pertinet, ad iniuriam Dei pertinet, et habet sacrilegii rationem. (IIa-IIae q. 99 a. 1 co.)

Zoals uit het vroeger gezegde blijkt (I-II. 101e kw. 4e Art.), noemt men iets heilig, omdat het het eren van God als doel heeft. Zoals iets nu goed wordt door op een goed doel te worden gericht, zo wordt iets, omdat het het eren van God als doel krijgt, iets goddelijks en moet men er eerbied voor hebben, die dan weer tot God wordt herleid. En daarom valt alles, wat onder oneerbiedigheid voor heilige zaken valt, onder onrecht tegenover God en heeft zo de aard van heiligschennis.

Ad primum ergo dicendum quod, secundum philosophum, in I Ethic., bonum commune gentis est quoddam divinum. Et ideo antiquitus rectores reipublicae divini vocabantur, quasi divinae providentiae ministri, secundum illud Sap. VI, cum essetis ministri regni illius, non recte iudicastis. Et sic, per quandam nominis extensionem, illud quod pertinet ad reverentiam principis, scilicet disputare de eius iudicio, an oporteat ipsum sequi, secundum quandam similitudinem sacrilegium dicitur. (IIa-IIae q. 99 a. 1 ad 1)

1 — Volgens de Wijsgeer is wat voor geheel het volk goed is, iets goddelijks. En daarom werden oudtijds de bestuurders van de staat divini genoemd, als dienaars van de goddelijke voorzienigheid naar het woord uit het Boek der Wijsheid (6, 5) : « Al waart gij dienaars van zijn rijk, gij hebt niet goed recht gesproken. » En zo noemt men door de naam ruimer te nemen, dat wat onder eerbied voor de vorst valt, nl. redetwisten over zijn oordeel of men het moet volgen, krachtens een soort gelijkheid heiligschennis.

Ad secundum dicendum quod populus Christianus per fidem et sacramenta Christi sanctificatus est, secundum illud I ad Cor. VI, sed abluti estis, sed sanctificati estis. Et ideo I Pet. II dicitur, vos estis genus electum, regale sacerdotium, gens sancta, populus acquisitionis. Et ita id quod fit in iniuriam populi Christiani, scilicet quod infideles ei praeficiantur, pertinet ad irreverentiam sacrae rei. Unde rationabiliter sacrilegium dicitur. (IIa-IIae q. 99 a. 1 ad 2)

2 — Het christenvolk is door het geloof en Christus' Sacramenten geheiligd volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): « Maar gij zijt gereinigd, gij zijt geheiligd. » En daarom zegt de Eerste Brief van Petrus (2, 9) : « Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een aangeworven volk. » En wat dus een belediging voor het christenvolk is, dat nl. ongelovigen aan het hoofd ervan worden gesteld, valt onder oneerbiedigheid voor een heilige zaak. En dus is het redelijk het heiligschennis te noemen.

Ad tertium dicendum quod violatio hic large dicitur quaecumque irreverentia vel exhonoratio. Sicut autem honor est in honorante, non autem in eo qui honoratur, ut dicitur in I Ethic.; ita etiam irreverentia est in eo qui irreverenter se habet, quamvis etiam nihil noceat ei cui irreverentiam exhibet. Quantum ergo est in ipso, rem sacram violat, licet illa non violetur. (IIa-IIae q. 99 a. 1 ad 3)

3 — Geweld aandoen wordt hier breed genomen voor iedere oneerbiedigheid of eerroof. Zoals echter « de eer komt van wie eert, niet van wie geëerd wordt, » zoals in de Ethica staat, zo komt ook de oneerbiedigheid van wie zich zo gedraagt, ook als hij degene, tegenover wie hij oneerbiedig is, in niets schade toebrengt. Want hij doet voor zover hij kan het heilige ding geweld aan, ook al wordt dit niet beschadigd.

Articulus 2.
Is heiligschennis een bijzonder soort zonde?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod sacrilegium non sit speciale peccatum. Dicitur enim XVII, qu. IV, committunt sacrilegium qui in divinae legis sanctitatem aut nesciendo committunt, aut negligendo violant et offendunt. Sed hoc fit per omne peccatum, nam peccatum est dictum vel factum vel concupitum contra legem Dei, ut Augustinus dicit, XXII contra Faustum. Ergo sacrilegium est generale peccatum. (IIa-IIae q. 99 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat heiligschennis geen bijzonder soort zonde is. Want in de Decretaliën staat: « Zij begaan heiligschennis, die ofwel door onwetendheid iets tegen de heiligheid van de goddelijke Wet doen of haar door onachtzaamheid breiden of overtreden. » Nu doet men dat door iedere zonde, want een zonde is « een daad of woord of begeerte tegen Gods Wet, » zoals Augustinus zegt. Dus is heiligschennis een algemeen soort van zonde.

Praeterea, nullum speciale peccatum continetur sub diversis generibus peccatorum. Sed sacrilegium sub diversis generibus peccatorum continetur, puta sub homicidio, si quis sacerdotem occidat; sub luxuria, si quis virginem sacratam violet, vel quamcumque mulierem in loco sacro; sub furto, si quis rem sacram furatus fuerit. Ergo sacrilegium non est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 99 a. 2 arg. 2)

2 — Geen bijzondere soort zonde valt onder meerdere soorten. Nu valt heiligschennis onder meerdere soorten van zonde, b. v. onder moord, als iemand een priester doodt, of onkuisheid, als iemand een gewijde maagd verkracht of een andere vrouw op een heilige plaats, of onder diefstal, als iemand een heilige zaak steelt. En dus is het geen bijzonder soort zonde.

Praeterea, omne speciale peccatum invenitur distinctum ab aliis peccatis, ut de iniustitia speciali philosophus dicit, in V Ethic. Sed sacrilegium non videtur inveniri absque aliis peccatis, sed quandoque coniungitur furto, quandoque homicidio, ut dictum est. Non ergo est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 99 a. 2 arg. 3)

3 — Ieder bijzonder soort zonde komt gescheiden van andere zonden voort, zoals de Wijsgeer van de bijzondere onrechtvaardigheid zegt. Nu schijnt heiligschennis niet zonder andere zonden voor te komen, maar soms gaat zij met diefstal, soms met moord samen, zoals boven is gezegd. Dus is zij geen bijzondere soort zonde.

Sed contra est quod opponitur speciali virtuti, scilicet religioni, ad quam pertinet revereri Deum et divina. Ergo sacrilegium est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 99 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat zij tegenover een bijzondere deugd staat, nl. tegenover de godsdienstigheid, die het eer betonen aan God en het goddelijke als taak heeft. Dus is zij een bijzonder soort van zonde.

Respondeo dicendum quod ubicumque invenitur specialis ratio deformitatis, ibi necesse est quod sit speciale peccatum, quia species cuiuslibet rei praecipue attenditur secundum formalem rationem ipsius, non autem secundum materiam vel subiectum. In sacrilegio autem invenitur specialis ratio deformitatis, quia scilicet violatur res sacra per aliquam irreverentiam. Et ideo est speciale peccatum. Et opponitur religioni. Sicut enim Damascenus dicit, in IV Lib., purpura, regale indumentum facta, honoratur et glorificatur, et si quis hanc perforaverit, morte damnatur, quasi contra regem agens. Ita etiam si quis rem sacram violat, ex hoc ipso contra Dei reverentiam agit, et sic per irreligiositatem peccat. (IIa-IIae q. 99 a. 2 co.)

Waar men een bijzondere gebrekkigheid vindt, daar moet een bijzonder soort zonde zijn, omdat men de aard van ieder ding in zijn formele natuur zoekt, maar niet in de stof, waaruit het gemaakt of de drager, waarin het is. Nu is er een bijzonder soort tekort in de heiligschennis, omdat men nl. door oneerbiedigheid van een heilig ding misbruik maakt. En dus is het een bijzonder soort zonde. En zij staat tegenover de godsdienstigheid. Want zoals Damascenus zegt, « wordt het purper, als het een kleed van de koning geworden is, geëerd en verheerlijkt, en als iemand het doorsteekt, wordt hij met de dood gestraft, » alsof hij iets tegen de koning beging. Daarom handelt iemand, als hij een heilige zaak misbruikt, daardoor alleen al tegen de eerbied tegenover God en zondigt zo door ongodsdienstigheid.

Ad primum ergo dicendum quod illi dicuntur in divinae legis sanctitatem committere qui legem Dei impugnant, sicut haeretici et blasphemi. Qui ex hoc quod Deo non credunt, incurrunt infidelitatis peccatum, ex hoc vero quod divinae legis verba pervertunt, sacrilegium incurrunt. (IIa-IIae q. 99 a. 2 ad 1)

1 — Men zegt, dat zij tegen de heiligheid van Gods Wet zondigen, die haar bestrijden, zoals ketters en zij die vloeken. Omdat zij niet in God geloven, begaan zij de zonde van ongeloof; maar in zover zij de woorden van Gods Wet een verkeerde betekenis geven, bedrijven zij een heiligschennis.

Ad secundum dicendum quod nihil prohibet unam specialem rationem peccati in pluribus peccatorum generibus inveniri, secundum quod diversa peccata ad finem unius peccati ordinantur, prout etiam in virtutibus apparet quibus imperatur ab una virtute. Et hoc modo quocumque genere peccati aliquis faciat contra reverentiam debitam sacris rebus, sacrilegium formaliter committit, licet materialiter sint ibi diversa genera peccatorum. (IIa-IIae q. 99 a. 2 ad 2)

2 — Er is niets op tegen, dat men een bijzondere reden van zondigheid in meerdere soorten van zonden vindt, in zover meerdere soorten van zonde op bet doel van een zonde worden gericht; zoals men het ook bij de deugden ziet gebeuren, die door een andere deugd worden beheerst. En zo bedrijft hij, die door welke soorten van zonden ook iets tegen de aan heilige dingen verschuldigde eerbied doet, formeel heiligschennis, al zijn er ook materieel genomen meerdere soorten van zonden.

Ad tertium dicendum quod sacrilegium interdum invenitur separatum ab aliis peccatis, eo quod actus non habet aliam deformitatem nisi quia res sacra violatur, puta si aliquis iudex rapiat aliquem de loco sacro, quem in aliis locis licite capere posset. (IIa-IIae q. 99 a. 2 ad 3)

3 — Soms bedrijft men los van andere zonden heiligschennis, wanneer een daad als enig gebrek heeft, dat men een heilige zaak misbruikt, b. v. als een rechter iemand uit een heilige plaats laat weghalen, die hij rechtens op andere plaatsen zou kunnen gevangen nemen.

Articulus 3.
Onderscheidt men naar de heilige dingen meerdere soorten heiligschennis?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod species sacrilegii non distinguantur secundum res sacras. Materialis enim diversitas non diversificat speciem, si sit eadem ratio formalis. Sed in violatione quarumcumque rerum sacrarum videtur esse eadem ratio formalis peccati, et quod non sit diversitas nisi materialis. Ergo per hoc non diversificantur sacrilegii species. (IIa-IIae q. 99 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men de soorten van heiligschennis niet naar de heilige dingen onderscheidt. Want materieel verschil geeft geen soortverschil, als er dezelfde formele aard is. Nu schijnt er bij het misbruiken van alle heilige dingen formeel dezelfde reden van zondigheid te zijn, en het verschil is alleen maar materieel. Dus geeft dat geen verschillende soorten van heiligschennis.

Praeterea, non videtur esse possibile quod aliqua sint eiusdem speciei, et tamen specie differant. Sed homicidium et furtum et illicitus concubitus sunt diversae species peccatorum. Ergo non possunt convenire in una specie sacrilegii. Et ita videtur quod sacrilegii species distinguantur secundum diversas species aliorum peccatorum, et non secundum diversitatem rerum sacrarum. (IIa-IIae q. 99 a. 3 arg. 2)

2 — Het schijnt niet mogelijk, dat dingen van soort verschillen en toch van dezelfde soort zijn. Nu zijn moord en diefstal en ongeoorloofd geslachtelijk verkeer verschillende soorten van zonden. Dus kunnen zij niet in een soort heiligschennis gevonden worden. En zo schijnt men de soorten heiligschennis naar de verschillende soorten van andere zonden te moeten onderscheiden en niet naar het verschil in heilige zaken.

Praeterea, inter res sacras connumerantur etiam personae sacrae. Si ergo una species sacrilegii esset qua violatur persona sacra, sequeretur quod omne peccatum quod persona sacra committit esset sacrilegium, quia per quodlibet peccatum violatur persona peccantis. Non ergo species sacrilegii accipiuntur secundum res sacras. (IIa-IIae q. 99 a. 3 arg. 3)

3 — Onder heilige zaken worden ook de heilige personen gerekend. Als er nu een soort heiligschennis was, waarin een heilig persoon werd geschonden, dan zou daaruit volgen, dat alle zonden, die een heilig persoon bedrijft, heiligschennis zouden zijn; omdat de persoon van de zondaar door iedere zonde geschonden wordt. Dus rekent men de soorten van heiligschennis niet af naar de heilige zaken.

Sed contra est quod actus et habitus distinguuntur secundum obiecta. Sed res sacra est obiectum sacrilegii. Ut dictum est. Ergo species sacrilegii distinguuntur secundum differentiam rerum sacrarum. (IIa-IIae q. 99 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat daden en hebbelijkheden naar hun voorwerp worden onderscheiden. Nu is zoals werd gezegd (1e Art.) een heilige zaak het voorwerp van de heiligschennis. Dus worden de soorten heiligschennis naar het verschil in heilige zaken onderscheiden.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, peccatum sacrilegii in hoc consistit quod aliquis irreverenter se habet ad rem sacram. Debetur autem reverentia rei sacrae ratione sanctitatis. Et ideo secundum diversam rationem sanctitatis rerum sacrarum quibus irreverentia exhibetur, necesse est quod sacrilegii species distinguantur, et tanto sacrilegium est gravius quanto res sacra in quam peccatur maiorem obtinet sanctitatem. Attribuitur autem sanctitas et personis sacris, idest divino cultui dedicatis, et locis sacris, et rebus quibusdam aliis sacris. Sanctitas autem loci ordinatur ad sanctitatem hominis, qui in loco sacro cultum exhibet Deo, dicitur enim II Machab. V, non propter locum gentem, sed propter gentem dominus locum elegit. Et ideo gravius peccatum est sacrilegium quo peccatur contra personam sacram quam quo peccatur contra locum sacrum. Sunt tamen in utraque sacrilegii specie diversi gradus, secundum differentiam personarum et locorum sacrorum. Similiter etiam et tertia species sacrilegii, quae circa alias res sacras committitur, diversos habet gradus, secundum differentiam sacrarum rerum. Inter quas summum locum obtinent ipsa sacramenta, quibus homo sanctificatur, quorum praecipuum est Eucharistiae sacramentum, quod continet ipsum Christum. Et ideo sacrilegium quod contra hoc sacramentum committitur gravissimum est inter omnia. Post sacramenta autem, secundum locum tenent vasa consecrata ad sacramentorum susceptionem; et ipsae imagines sacrae, et sanctorum reliquiae, in quibus quodammodo ipsae personae sanctorum venerantur vel dehonorantur. Deinde ea quae pertinent ad ornatum Ecclesiae et ministrorum. Deinde ea quae sunt deputata ad sustentationem ministrorum, sive sint mobilia sive immobilia. Quicumque autem contra quodcumque praedictorum peccat, crimen sacrilegii incurrit. (IIa-IIae q. 99 a. 3 co.)

Zoals werd gezegd, bestaat de zonde van heiligschennis hierin, dat iemand zich oneerbiedig gedraagt tegenover heilige zaken. Nu heeft een heilige zaak om haar heiligheid recht op eerbied. En dus moet men naar de verschillende soort van heiligheid der heilige zaken, waartegenover men oneerbiedig is, de soorten heiligschennis onderscheiden; en een heiligschennis is erger, naarmate de heilige zaak, waartegen men zondigt, heiliger is. Nu wordt heiligheid toegekend aan heilige personen die nl. aan het eren van God zijn toegewijd, en aan geheiligde plaatsen en aan enige andere heilige zaken. Ook heeft de heiligheid van een plaats de heiligheid van de personen als doel, die in de heilige plaats God eer betonen; want in het Tweede Boek van de Machabeeën staat (5, 19) : « God koos niet het volk om de plaats, maar de plaats om het volk. » En zo is de heiligschennis, waardoor men tegen een gewijden persoon zondigt, een zwaardere zonde dan die, waardoor men tegen een heilige plaats zondigt. In beide soorten heiligschennis zijn er nog verschillende graden naar het verschil in personen en heilige plaatsen. Ook heeft nog de derde soort heiligschennis, die men tegenover een heilige zaak begaat, verschillende trappen naar het verschil in heilige zaken. Bovenaan staan daaronder de Sacramenten zelf, waardoor de mens wordt geheiligd; en het voornaamste daaronder is het Sacrament van de Eucharistie, dat Christus zelf bevat. En daarom is de tegen dit Sacrament gepleegde heiligschennis de zwaarste van allen. Na de Sacramenten echter komen op de tweede plaats de geconsacreerde vaten voor het ontvangen van de Sacramenten, en de heilige beelden en relieken van heiligen, waarin in zekeren zin de personen zelf van de heiligen worden geëerd en onteerd. Dan wat tot de versiering van kerk en bedienaars behoort. Dan wat dient tot het onderhoud van de bedienaars, of het onroerend of roerend goed is. Wie nu tegen welk van de genoemde dingen ook zondigt, begaat een zonde van heiligschennis.

Ad primum ergo dicendum quod non est in omnibus praedictis eadem ratio sanctitatis. Et ideo differentia sacrarum rerum non solum est differentia materialis, sed formalis. (IIa-IIae q. 99 a. 3 ad 1)

1 — Bij alle genoemde dingen is er niet dezelfde soort van heiligheid. En daarom is het verschil tussen de heilige zaken niet alleen een materieel, maar ook een formeel verschil.

Ad secundum dicendum quod nihil prohibet aliqua duo secundum aliquid esse unius speciei, et secundum aliud diversarum, sicut Socrates et Plato conveniunt in specie animalis, differunt autem in specie colorati, si unus sit albus et alius niger. Et similiter etiam possibile est aliqua duo peccata differre specie secundum materiales actus, convenire autem in specie secundum unam rationem formalem sacrilegii, puta si quis sanctimonialem violaverit verberando, vel concumbendo. (IIa-IIae q. 99 a. 3 ad 2)

2 — Er is niets op tegen, dat twee dingen in een opzicht van hetzelfde, en onder een ander van verschillend soort zijn: zoals Socrates en Plato in het dier-zijn een van soort, en in het gekleurd zijn van verschillende soort zijn, in de veronderstelling dat de een blank en de ander zwart is. En zo is het mogelijk, dat twee zonden naar de materiële daad van soort verschillen, maar tot hetzelfde soort behoren om een formele soort van heiligschennis, b. v. als iemand een kloosterzuster mishandelt door geseling of geslachtelijke gemeenschap.

Ad tertium dicendum quod omne peccatum quod sacra persona committit, materialiter quidem et quasi per accidens est sacrilegium, unde Hieronymus dicit quod nugae in ore sacerdotis sacrilegium sunt vel blasphemia. Formaliter autem et proprie illud solum peccatum sacrae personae sacrilegium est quod agitur directe contra eius sanctitatem, puta si virgo Deo dicata fornicetur; et eadem ratio est in aliis. (IIa-IIae q. 99 a. 3 ad 3)

3 — Iedere door een heilig persoon bedreven zonde is wel materieel genomen en op bijkomstige manier heiligschennis, zodat Hieronymus zegt, dat « beuzelpraat in de mond van een priester heiligschennis of gevloek is. » Maar formeel en in eigenlijke zin is alleen die zonde van een heilig persoon heiligschennis, die rechtstreeks tegen haar heiligheid ingaat, b. v. overspel van een Godgewijde maagd; en hetzelfde gaat in andere gevallen op.

Articulus 4.
Moet de straf voor heiligschennis in een geldboete bestaan?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod poena sacrilegii non debeat esse pecuniaria. Poena enim pecuniaria non solet imponi pro culpa criminali. Sed sacrilegium est culpa criminalis, unde capitali sententia punitur secundum leges civiles. Ergo sacrilegium non debet puniri poena pecuniaria. (IIa-IIae q. 99 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat heiligschennis niet met een geldboete moet worden bestraft. Want een geldboete wordt gewoonlijk niet voor een misdaad opgelegd. Nu is heiligschennis een misdaad en wordt daarom volgens de burgerlijke wetten met de dood gestraft. Dus moet heiligschennis niet met een geldboete worden gestraft.

Praeterea, idem peccatum non debet duplici poena puniri, secundum illud Nahum I, non consurget duplex tribulatio. Sed poena sacrilegii est excommunicatio, maior quidem si violentia inferatur in personam sacram, vel si aliquis incendat vel frangat Ecclesiam; minor autem in aliis sacrilegiis. Ergo non debet sacrilegium puniri poena pecuniaria. (IIa-IIae q. 99 a. 4 arg. 2)

2 — Dezelfde zonde moet niet dubbel worden bestraft volgens Nahum (1, 9): « Er zal geen dubbel ongeluk komen. » Nu staat de straf van excommunicatie op heiligschennis; en wel de grote, als men een heilig persoon geweld aandoet of een kerk verbrandt of vernielt; en de kleinere bij andere heiligschennissen. Dus moet heiligschennis niet met geldboete worden gestraft.

Praeterea, apostolus dicit, I ad Thess. II, non fuimus aliquando in occasione avaritiae. Sed hoc videtur ad occasionem avaritiae pertinere quod poena pecuniaria exigatur pro violatione rei sacrae. Ergo non videtur talis poena esse conveniens sacrilegii. (IIa-IIae q. 99 a. 4 arg. 3)

3 — De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Thessalonicensen (2, 5) : « Wij hebben geen aanleiding tot gierigheid gegeven. » Nu schijnt het een aanleiding tot gierigheid te zijn, als men een geldboete eist voor het misbruiken van een heilige zaak. Dus schijnt een dergelijke boete niet bij heiligschennis te passen.

Sed contra est quod dicitur XVII, qu. IV, si quis contumax vel superbus fugitivum servum de atrio Ecclesiae per vim abstraxerit, nongentos solidos componat. Et ibidem postea dicitur, quisquis inventus fuerit reus sacrilegii, triginta libras argenti examinati purissimi componat. (IIa-IIae q. 99 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat de Decretaal: « Als iemand hardnekkig of trots zijn voortvluchtigen slaaf met geweld uit het voorportaal van de kerk wegsleurt, betale hij 900 goudstukken. » En later volgt daarop: « Bevindt men, dat iemand schuldig is aan heiligschennis, dan betale hij 30 ponden gekeurd fijn zilver. »

Respondeo dicendum quod in poenis infligendis duo sunt consideranda. Primo quidem, aequalitas, ad hoc quod poena sit iusta, ut scilicet in quo quis peccat, per hoc torqueatur, ut dicitur Sap. XI. Et hoc modo conveniens poena sacrilegi, qui sacris iniuriam infert est excommunicatio, per quam a sacris arcetur. Secundo autem consideratur utilitas, nam poenae quasi medicinae quaedam infliguntur, ut his territi homines a peccando desistant. Sacrilegus autem, qui sacra non reveretur, non sufficienter videtur a peccando arceri per hoc quod ei sacra interdicuntur, de quibus non curat. Et ideo secundum leges humanas adhibetur capitis poena; secundum vero Ecclesiae sententiam, quae mortem corporalem non infligit, adhibetur pecuniaria poena, ut saltem poenis temporalibus homines a sacrilegiis revocentur. (IIa-IIae q. 99 a. 4 co.)

Bij het opleggen van straf moet men op twee dingen letten. En wel ten eerste op de evenredigheid, opdat de straf rechtvaardig zal zijn, dat een mens nl. « getroffen zal worden in datgene, waarin hij zondigt, » zoals in het Boek der Wijsheid (11, 17) staat. En zo is voor een heiligschenner, die het heilige beledigt, de excommunicatie, waardoor hij van het heilige wordt geweerd, een geschikte straf. — Op de tweede plaats moet men echter op het nut letten; want straffen worden als een geneesmiddel opgelegd, opdat de mensen erdoor afgeschrikt ophouden te zondigen. Nu schijnt een heiligschenner, die geen eerbied voor het heilige heeft, niet voldoende van het zondigen te worden afgehouden door het feit, dat het heilige, waar hij niet om geeft, hem verboden wordt. En dus wordt volgens de menselijke wetten de doodstraf toegepast, maar volgens het oordeel van de Kerk, die de dood van het lichaam niet als vonnis uitspreekt, wordt een geldboete opgelegd, opdat de mensen ten minste door tijdelijke straffen van heiligschennis worden afgehouden.

Ad primum ergo dicendum quod Ecclesia corporalem mortem non infligit, sed loco eius infligit excommunicationem. (IIa-IIae q. 99 a. 4 ad 1)

1 — De Kerk straft niet met de dood van het lichaam, maar in plaats daarvan met de excommunicatie.

Ad secundum dicendum quod necesse est duas poenas adhiberi quando per unam non sufficienter revocatur aliquis a peccando. Et ideo oportuit, supra poenam excommunicationis, adhibere aliquam temporalem poenam, ad coercendum homines qui spiritualia contemnunt. (IIa-IIae q. 99 a. 4 ad 2)

2 — Men moet een dubbele straf opleggen, als iemand door één onvoldoende van het zondigen wordt afgehouden. En zo moet men behalve de excommunicatie nog een andere tijdelijke straf opleggen om de mensen, die het geestelijke verachten, in toom te houden.

Ad tertium dicendum quod si pecunia exigeretur sine rationabili causa, hoc videretur ad occasionem avaritiae pertinere. Sed quando exigitur ad hominum correctionem, habet manifestam utilitatem. Et ideo non pertinet ad occasionem avaritiae. (IIa-IIae q. 99 a. 4 ad 3)

3 — Als men straf zou vorderen zonder redelijke grond, zou dat onder de aanleidingen tot hebzucht schijnen te vallen. Maar als het wordt gevorderd om de mensen te verbeteren, heeft het duidelijk nut. En zo geeft het geen aanleiding tot hebzucht.