QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 98.
Over de Meineed .

Prooemium

Deinde considerandum est de periurio. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum falsitas requiratur ad periurium. Secundo, utrum periurium semper sit peccatum. Tertio, utrum semper sit peccatum mortale. Quarto, utrum peccet ille qui iniungit iuramentum periuro. (IIa-IIae q. 98 pr.)

Vervolgens moeten wij de meineed bespreken, waarover wij ons vier vragen stellen: 1. Is er onwaarheid nodig om een meineed te hebben? 2. Is meineed altijd een zonde? 3. Is het altijd een doodzonde? 4. Zondigt hij, die een eed oplegt, als er een meineed wordt afgelegd?

Articulus 1.
Is het voor een meineed nodig dat datgene, wat door een eed wordt bevestigd, onwaar is?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod falsitas eius quod iuramento confirmatur non requiratur ad periurium. Ut enim supra dictum est, sicut veritas debet concomitari iuramentum, ita etiam iudicium et iustitia. Sicut ergo incurritur periurium per defectum veritatis, ita etiam per defectum iudicii, puta cum aliquis indiscrete iurat; et per defectum iustitiae, puta cum aliquis iurat aliquid illicitum. (IIa-IIae q. 98 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat voor een meineed niet vereist is dat datgene, wat door de eed wordt bevestigd, onwaar is. Want zoals vroeger gezegd is (89e Kw. 3e Art.), is er naast waarheid ook nog een juist oordeel en rechtvaardigheid bij een eed vereist. Zoals men dus een meineed doet door een tekort in waarheid, is dat ook het geval bij een tekort in het oordeel, b. v. als iemand onvoorzichtig zweert, of in de rechtvaardigheid, b. v. als iemand iets ongeoorloofds bezweert.

Praeterea, illud per quod aliquid confirmatur potius esse videtur eo quod confirmatur per illud, sicut in syllogismo principia sunt potiora conclusione. Sed in iuramento confirmatur dictum hominis per assumptionem divini nominis. Ergo magis videtur esse periurium si aliquis iuret per falsos deos, quam si veritas desit dicto hominis quod iuramento confirmatur. (IIa-IIae q. 98 a. 1 arg. 2)

2 — Dat waardoor iets wordt bevestigd schijnt voornamer te zijn dan wat wordt bevestigd, zoals de beginselen bij een redenering belangrijker zijn dan de gevolgtrekking. Nu wordt wat een mens zegt bij de eed bevestigd door het gebruiken van Gods naam. Dus schijnt het nog eerder een meineed te zijn als iemand bij valse goden zweert, dan als er gebrek aan waarheid is in de woorden van een mens, die door een eed bevestigd worden.

Praeterea, Augustinus dicit, in sermone de verbis Apost. Iacobi, homines falsum iurant vel cum fallunt, vel cum falluntur. Et ponit tria exempla. Quorum primum est, fac illum iurare qui verum putat esse pro quo iurat. Secundum est, da alium, scit falsum esse, et iurat. Tertium est, fac alium, putat esse falsum, et iurat tanquam sit verum, quod forte verum est, de quo postea subdit quod periurus est. Ergo aliquis veritatem iurans potest esse periurus. Non ergo falsitas ad periurium requiritur. (IIa-IIae q. 98 a. 1 arg. 3)

3 — Augustinus zegt: « De mensen doen een meineed als zij bedriegen of bedrogen worden. » En hij geeft drie voorbeelden; ten eerste: « Laat hem zweren, die waar acht wat hij bezweert. » Ten tweede: « Neem een ander; hij weet, dat het onwaar is en zweert toch. » Ten derde: « Neem weer een ander geval: hij denkt dat het onwaar is, en bezweert als waar wat misschien ook waar is; » en van deze zegt hij later, dat hij meinedig is. Dus kan iemand de waarheid bezweren en toch een meineed doen. Dus is voor meineed geen onwaarheid vereist.

Sed contra est quod periurium definitur esse mendacium iuramento firmatum. (IIa-IIae q. 98 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat men meineed omschrijft als een « door een eed bevestigde leugen. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, morales actus ex fine speciem sortiuntur. Finis autem iuramenti est confirmatio dicti humani. Cui quidem confirmationi falsitas opponitur, per hoc enim confirmatur aliquod dictum, quod ostenditur firmiter esse verum; quod quidem non potest contingere de eo quod est falsum. Unde falsitas directe evacuat finem iuramenti. Et propter hoc a falsitate praecipue specificatur perversitas iuramenti, quae periurium dicitur. Et ideo falsitas est de ratione periurii. (IIa-IIae q. 98 a. 1 co.)

Zoals vroeger gezegd is (I-II. 1e Kw. 3e Art.), krijgen zedelijke handelingen haar aard van het doel. Nu is het doel van de eed het bevestigen van wat een mens zegt. Tegenover dit bevestigen nu staat de onwaarheid; want een woord wordt bevestigd, als men laat zien, dat het zeker waar is; en dat kan met wat onwaar is niet gebeuren. En daarom belet onwaarheid de eed rechtstreeks zijn doel te bereiken. Daarom krijgt een zondige eed, die meineed heet, vooral door onwaarheid zijn bijzondere aard; en zo behoort deze tot de aard van de meineed.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, Ierem. IV, quodcumque illorum trium defuerit, periurium est. Non tamen eodem ordine. Sed primo quidem et principaliter periurium est quando deest veritas, ratione iam dicta. Secundario autem, quando deest iustitia, quicumque enim iurat illicitum, ex hoc ipso falsitatem incurrit, quia obligatus est ad hoc quod contrarium faciat. Tertio vero, quando deest iudicium, quia cum indiscrete iurat, ex hoc ipso periculo se committit falsitatem incurrendi. (IIa-IIae q. 98 a. 1 ad 1)

1 — Zoals Hieronymus zegt, « is er meineed, als een van die drie ontbreekt. » Maar niet in gelijke mate. Maar op de eerste en voornaamste plaats is er meineed, als de waarheid ontbreekt om de reeds gegeven reden. Op de tweede plaats vervolgens, als de rechtvaardigheid er niet is; want wie iets ongeoorloofds bezweert, komt daardoor tot onwaarheid, omdat hij verplicht is het tegenovergestelde te doen. Op de derde plaats, als het juiste oordeel ontbreekt; want wie onvoorzichtig zweert, loopt daardoor gevaar tot onwaarheid te komen.

Ad secundum dicendum quod principia in syllogismis sunt potiora tanquam habentia rationem activi principii, ut dicitur in II Physic. Sed in moralibus actibus principalior est finis quam principium activum. Et ideo, licet sit perversum iuramentum quando aliquis verum iurat per falsos deos, tamen ab illa perversitate iuramenti periurium nominatur quae tollit iuramenti finem, falsum iurando. (IIa-IIae q. 98 a. 1 ad 2)

2 — De beginselen zijn in de redenering voornamer, omdat zij als werkende beginselen optreden, zoals in de Physica staat. Bij zedelijke handelingen echter is het doel voornamer dan het werkende beginsel. En al is het dus een zondige eed, als iemand de waarheid bij valse goden bezweert, toch draagt de meineed zijn naam door die zonde in de eed, die belet het doel te bereiken door iets onwaars te bezweren.

Ad tertium dicendum quod actus morales procedunt a voluntate, cuius obiectum est bonum apprehensum. Et ideo si falsum apprehendatur ut verum, erit quidem, relatum ad voluntatem, materialiter falsum, formaliter autem verum. Si autem id quod est falsum accipiatur ut falsum, erit falsum et materialiter et formaliter. Si autem id quod est verum apprehendatur ut falsum, erit verum materialiter, falsum formaliter. Et ideo in quolibet istorum casuum salvatur aliquo modo ratio periurii, propter aliquem falsitatis modum. Sed quia in unoquoque potius est id quod est formale quam id quod est materiale, non ita est periurus ille qui falsum iurat quod putat esse verum, sicut ille qui verum iurat quod putat esse falsum. Dicit enim ibi Augustinus, interest quemadmodum verbum procedat ex animo, quia ream linguam non facit nisi rea mens. (IIa-IIae q. 98 a. 1 ad 3)

3 — Zedelijke handelingen komen voort uit de wil, waarvan het gekende goed het voorwerp is. Als dus iets onwaars als waar wordt gekend, zal het in betrekking tot de wil wel materieel onwaar, maar formeel waar zijn. Wordt echter het onware als onwaar gekend, dan is het zowel materieel als formeel onwaar. Maar wordt iets waars als onwaar gekend, dan is het wel materieel waar, maar formeel onwaar. En dus vinden wij in ieder van de drie gevallen iets van de aard van de meineed om een soort onwaarheid. Maar omdat in ieder ding het formele van meer belang is dan het materiële, is hij, die iets onwaars, dat hij waar acht, bezweert, niet op dezelfde manier meinedig als wie iets waars bezweert, dat hij onwaar acht. Want Augustinus zegt op dezelfde plaats: « Het komt erop aan, hoe het woord uit het hart komt, want alleen een schuldig hart geeft zondige woorden. »

Articulus 2.
Is iedere meineed zonde?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non omne periurium sit peccatum. Quicumque enim non implet quod iuramento firmavit, periurus esse videtur. Sed quandoque aliquis iurat se facturum aliquid illicitum, puta adulterium vel homicidium, quod si faciat, peccat. Si ergo etiam non faciendo peccaret peccato periurii, sequeretur quod esset perplexus. (IIa-IIae q. 98 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet iedere meineed zonde is. Want ieder, die niet doet, wat hij met een eed heeft bevestigd, schijnt een meinedige te zijn. Als nu iemand zweert iets ongeoorloofds te zullen doen, b. v. echtbreuk of moord, dan zondigt hij, als hij het doet. Als hij nu ook bij het niet doen door meinedigheid zou zondigen, zou eruit volgen, dat hij in ieder geval zonde moest doen.

Praeterea, nullus peccat faciendo quod melius est. Sed quandoque aliquis periurando facit quod melius est, sicut cum aliquis iuravit se non intraturum religionem, vel quaecumque opera virtuosa non facturum. Ergo non omne periurium est peccatum. (IIa-IIae q. 98 a. 2 arg. 2)

2 — Niemand zondigt door iets beters te doen. Nu doet iemand soms iets beters door meinedig te zijn, b. v. als iemand heeft gezworen niet in het klooster te gaan of iets deugdzaams niet te doen. Dus is niet iedere meineed zonde.

Praeterea, ille qui iurat facere alterius voluntatem, nisi eam faciat, videtur incurrere periurium. Sed quandoque potest contingere quod non peccat si eius non impleat voluntatem, puta cum praecipit ei aliquid nimis durum et importabile. Ergo videtur quod non omne periurium sit peccatum. (IIa-IIae q. 98 a. 2 arg. 3)

3 — Wie zweert de wil van een ander te doen, schijnt meineed te plegen, als hij het niet doet. Nu kan het gebeuren, dat hij niet zondigt, als hij de wil van de ander niet volbrengt, b. v. als die iets te moeilijks en ondraaglijks oplegt. Dus schijnt niet iedere meineed zonde.

Praeterea, iuramentum promissorium se extendit ad futura, sicut assertorium ad praeterita et praesentia. Sed potest contingere quod tollatur obligatio iuramenti per aliquid quod in futurum emergat, sicut cum aliqua civitas iurat se aliquid servaturam, et postea superveniunt novi cives qui illud non iuraverunt; vel cum aliquis canonicus iurat statuta alicuius Ecclesiae se servaturum, et postmodum aliqua fiunt de novo. Ergo videtur quod ille qui transgreditur iuramentum non peccet. (IIa-IIae q. 98 a. 2 arg. 4)

4 — De belofte-eed gaat over de toekomst zoals de bevestigingseed over heden en verleden. Nu kan de verplichting van de eed soms worden opgeheven door iets wat in de toekomst gebeurt, b. v. als een staat zweert iets te zullen onderhouden en er later nieuwe burgers komen, die niet gezworen hebben; of als een kanunnik zweert de regels van een kerk te onderhouden en er later nieuwe worden gemaakt. Dus schijnt hij, die van zijn eed afwijkt, niet te zondigen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in sermone de verbis Apost. Iacobi, de periurio loquens, videtis quam ista detestanda sit belua, et de rebus humanis exterminanda. (IIa-IIae q. 98 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Augustinus van de meineed zegt: « Ziet, hoe men dit monster moet verfoeien en onder de mensen verdelgen. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, iurare est Deum testem invocare. Pertinet autem ad Dei irreverentiam quod aliquis eum testem invocet falsitatis, quia per hoc dat intelligere vel quod Deus veritatem non cognoscat, vel quod falsitatem testificari velit. Et ideo periurium manifeste est peccatum religioni contrarium, cuius est Deo reverentiam exhibere. (IIa-IIae q. 98 a. 2 co.)

Zoals vroeger is gezegd (89e K.w. 1e Art.) is zweren God tot getuige nemen. Nu is het oneerbiedig tegenover God hem als getuige van een onwaarheid te nemen, omdat men daardoor te verstaan geeft, dat God ofwel de waarheid niet kent of van een onwaarheid getuige wil zijn. En dus is meineed duidelijk een zonde tegen de godsdienstigheid, die God eerbied moet betonen.

Ad primum ergo dicendum quod ille qui iurat se facturum aliquod illicitum, iurando incurrit periurium propter defectum iustitiae. Sed si non impleat quod iuravit, in hoc periurium non incurrit, quia hoc non erat tale quid quod sub iuramento cadere posset. (IIa-IIae q. 98 a. 2 ad 1)

1 — Wie zweert iets ongeoorloofds te zullen doen, begaat daarmee een meineed door gebrek aan rechtvaardigheid. Maar als hij zijn eed niet nakomt, doet hij daarmee geen meineed, want het kan geen voorwerp van een eed zijn.

Ad secundum dicendum quod ille qui iurat se non intraturum religionem, vel non daturum eleemosynam, vel aliquid huiusmodi, iurando periurium incurrit propter defectum iudicii. Et ideo quando facit id quod melius est, non est periurium, sed periurio contrarium, contrarium enim eius quod facit sub iuramento cadere non poterat. (IIa-IIae q. 98 a. 2 ad 2)

2 — Wie zweert niet in het klooster te gaan of geen aalmoezen te geven of iets dergelijks, doet een meineed door gebrek aan goed oordeel. En doet hij dus het betere, dan is het geen meineed, maar staat daar tegenover; want het staat tegenover wat hij doet, wat geen voorwerp van eed zijn kan.

Ad tertium dicendum quod cum aliquis iurat vel promittit se facturum voluntatem alterius, intelligenda est debita conditio, si scilicet id quod ei mandatur sit licitum et honestum, et portabile sive moderatum. (IIa-IIae q. 98 a. 2 ad 3)

3 — Als iemand zweert of belooft de wil van een ander te doen, moet men er de noodzakelijke voorwaarde bij denken, dat wat bevolen wordt geoorloofd en goed en te volbrengen en gematigd is.

Ad quartum dicendum quod quia iuramentum est actio personalis, ille qui de novo fit civis alicuius civitatis, non obligatur quasi iuramento ad servanda illa quae civitas se servaturam iuravit. Tenetur tamen ex quadam fidelitate, ex qua obligatur ut sicut fit socius bonorum civitatis, ita etiam fiat particeps onerum. Canonicus vero qui iurat se servaturum statuta edita in aliquo collegio, non tenetur ex iuramento ad servandum futura, nisi intenderit se obligare ad omnia statuta praeterita et futura tenetur tamen ea servare ex ipsa vi statutorum, quae habent coactivam virtutem, ut ex supradictis patet. (IIa-IIae q. 98 a. 2 ad 4)

4 — Omdat een eed een persoonlijke daad is, is een nieuwe burger van een staat niet als door een eed verplicht te doen, wat de staat door een eed op zich nam; maar hij moet dat krachtens de getrouwheid, waardoor hij verplicht is om zoals hij in de voordelen deelt zo ook de lasten mee te dragen. Maar een kanunnik, die zweert de regels van een college te onderhouden, is daardoor niet verplicht de toekomstige te onderhouden, tenzij hij bedoelde zich te binden aan alle regels van verleden en toekomst. Maar hij moet ze onderhouden uit kracht van de regels zelf, die macht hebben om te verplichten, zoals uit het vroeger gezegde (I-II. 96e Kw. 4e Art.) blijkt.

Articulus 3.
Is iedere meineed doodzonde?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non omne periurium sit peccatum mortale. Dicitur enim extra, de iureiurando, in ea quaestione quae ponitur, an a sacramenti vinculo absolvantur qui illud inviti pro vita et rebus servandis fecerunt, nihil aliud arbitramur quam quod antecessores nostri Romani pontifices arbitrati fuisse noscuntur, qui tales a iuramenti nexibus absolverunt. Ceterum ut agatur consultius, et auferatur materia deierandi, non eis ita expresse dicatur ut iuramenta non servent, sed si non ea attenderint, non ob hoc sunt tanquam pro mortali crimine puniendi. Non ergo omne periurium est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 98 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat met iedere meineed doodzonde is: want in de Extra Over de Eed staat: « Wat de vraag betreft, die gesteld is: of zij van de verplichting van het sacrament (nl. de eed) vrij zijn, die deze tegen hun wil om hun leven of bezit te behouden hebben afgelegd, hebben wij geen ander oordeel dan naar men weet onze voorgangers als Paus van Rome hadden, die hen van de verplichting krachtens de eed hebben vrijgesteld. Opdat men overigens omzichtiger te ga en er geen reden zij voor een verkeerden eed, moet hun niet uitdrukkelijk worden gezegd de eed niet te houden; maar hebben zij die niet gehouden, dan moeten zij daarvoor niet als voor een doodzonde worden gestraft. » Dus is niet iedere meineed een doodzonde.

Praeterea, sicut Chrysostomus dicit, maius est iurare per Deum quam per Evangelium. Sed non semper mortaliter peccat ille qui per Deum iurat aliquod falsum, puta si ex ioco, vel ex lapsu linguae, aliquis tali iuramento in communi sermone utatur. Ergo nec etiam si aliquis frangat iuramentum quod solemniter per Evangelium iurat, semper erit peccatum mortale. (IIa-IIae q. 98 a. 3 arg. 2)

2 — Zoals Chrysostomus zegt, « staat het zweren bij God boven dat bij het Evangelie. » Nu doet hij, die bij God iets onwaars bezweert, niet altijd doodzonde, b. v. als bij het uit scherts doet of het hem uit de mond valt in de loop van een gewoon gesprek. Dus doet ook hij, die een plechtig op het Evangelie afgelegde eed breekt, niet altijd doodzonde.

Praeterea, secundum iura propter periurium aliquis incurrit infamiam, ut habetur VI, qu. I, cap. infames. Non autem videtur quod propter quodlibet periurium aliquis infamiam incurrat, sicut dicitur de assertorio iuramento violato per periurium. Ergo videtur quod non omne periurium sit peccatum mortale. (IIa-IIae q. 98 a. 3 arg. 3)

3 — Volgens het recht wordt een meinedige eerloos. Nu schijnt niet iedereen door een meineed eerloos te worden, zoals het geval is bij de bevestigingseed, die door een meineed geschonden is. Dus schijnt niet iedere meineed doodzonde te zijn.

Sed contra, omne peccatum quod contrariatur praecepto divino est peccatum mortale. Sed periurium contrariatur praecepto divino, dicitur enim Levit. XIX, non periurabis in nomine meo. Ergo est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 98 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat iedere zonde tegen een gebod van God doodzonde is. Nu staat de meineed tegenover een gebod van God; want in het Boek Leviticus (19, 12) staat: « Gij zult in Mijn naam geen meineed doen. » Dus is het een doodzonde.

Respondeo dicendum quod, secundum doctrinam philosophi, propter quod unumquodque, illud magis. Videmus autem quod ea quae, si de se sint peccata venialia, vel etiam bona ex genere, si in contemptum Dei fiant, sunt peccata mortalia. Unde multo magis quidquid est quod de sui ratione pertinet ad contemptum Dei, est peccatum mortale. Periurium autem de sui ratione importat contemptum Dei, ex hoc enim habet rationem culpae, ut dictum est, quia ad irreverentiam Dei pertinet. Unde manifestum est quod periurium ex suo genere est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 98 a. 3 co.)

Volgens de leer van de Wijsgeer, is « datgene waarom iets is, meer dan dit. » Nu zien wij, dat wat op zichzelf dagelijkse zonde of zelfs uiteraard goed is, doodzonde wordt, als het gebeurt uit verachting van God. Daarom is wat krachtens zijn eigen aard onder het verachten van God valt, nog veel meer doodzonde. Nu sluit meineed uiteraard verachting van God in, want zoals in het vorig artikel gezegd is, is de reden van zijn zondigheid deze, dat hij een oneerbiedigheid tegen God insluit. Dus is het duidelijk, dat meineed uiteraard doodzonde is.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, coactio non aufert iuramento promissorio vim obligandi respectu eius quod licite fieri potest. Et ideo si aliquis non impleat quod coactus iuravit, nihilominus periurium incurrit et mortaliter peccat. Potest tamen per auctoritatem summi pontificis ab obligatione iuramenti absolvi, praesertim si coactus fuerit tali metu qui cadere posset in constantem virum. Quod autem dicitur quod non sunt tales puniendi tanquam pro mortali crimine, non hoc ideo dicitur quia non peccent mortaliter, sed quia poena eis minor infligitur. (IIa-IIae q. 98 a. 3 ad 1)

1 — Zoals vroeger is gezegd (89e Kw. 7e Art. 3e Antw.), ontneemt dwang niet aan de belofte-eed de verplichting om te volbrengen wat op geoorloofde wijze kan gebeuren. Volbrengt iemand dus niet wat hij gedwongen bezworen heeft, dan pleegt hij toch meineed en doet doodzonde. Hij kan echter door de macht van de Paus van de verplichting van zijn eed worden ontslagen, vooral als hij onder zo'n vrees gedwongen is, « als een standvastig man kan aangrijpen. » Als wordt gezegd, dat deze mensen niet gestraft moeten worden als voor een doodzonde, dan betekent dat niet, dat zij geen doodzonde hebben gedaan, maar dat hun een lichtere straf wordt opgelegd.

Ad secundum dicendum quod ille qui iocose periurat, non evitat divinam irreverentiam, sed quantum ad aliquid magis auget. Et ideo non excusatur a peccato mortali. Ille autem qui ex lapsu linguae falsum iurat, si quidem advertat se iurare et falsum esse quod iurat, non excusatur a peccato mortali, sicut nec a Dei contemptu. Si autem hoc non advertat, non videtur habere intentionem iurandi, et ideo a crimine periurii excusatur. Est autem gravius peccatum si quis solemniter iuret per Evangelium quam si per Deum in communi sermone iuret, tum propter scandalum; tum propter maiorem deliberationem. Quibus aequaliter hinc inde positis, gravius est si quis per Deum iurans periuret quam si periuret iurans per Evangelium. (IIa-IIae q. 98 a. 3 ad 2)

2 — Wie uit scherts een meineed doet, ontkomt daardoor niet aan oneerbiedigheid tegenover God, maar maakt dat in zeker opzicht erger en is dus niet van doodzonde vrij te pleiten. — Wie echter een meineed uit de mond valt, is, als hij bemerkt, dat hij zweert en wat hij bezweert niet waar is, niet van doodzonde en ook niet van verachting voor God vrij te pleiten. Maar let hij daar niet op, dan schijnt hij de bedoeling niet te hebben om te zweren en is dus van de misdaad van meineed vrij te pleiten. Het is echter een grotere zonde, als iemand plechtig op het Evangelie zweert, dan wanneer hij in een gewoon gesprek bij God zweert, zowel om de ergernis, als omdat het met meer overleg gebeurt. Zijn deze dingen echter in beide gevallen gelijk, dan is het erger als iemand bij God een meineed zweert dan bij het Evangelie.

Ad tertium dicendum quod non propter quodlibet peccatum mortale aliquis infamis efficitur ipso iure. Unde non sequitur, si ille qui iurat falsum iuramento assertorio non est infamis ipso iure, sed solum per sententiam definitivam latam contra eum in causa accusationis, quod propter hoc non peccet mortaliter. Ideo autem magis reputatur infamis ipso iure qui frangit iuramentum promissorium solemniter factum, quia in eius potestate remanet, postquam iuravit, ut det suo iuramento veritatem, quod non contingit in iuramento assertorio. (IIa-IIae q. 98 a. 3 ad 3)

3 — Door het recht zelf wordt men niet door iedere zonde eerloos. En daarom gaat het niet op, dat als iemand, die met een bevestigingseed een onwaarheid bezweert, nog niet door het recht zelf, maar alleen in geval van aanklacht door een beslissende uitspraak eerloos wordt, hij daarom geen doodzonde doet. Maar wie onder ede plechtig belooft iets te doen, wordt daarom door het recht zelf eerder als eerloos beschouwd, omdat het na de eed aan hemzelf lag zijn eed waar te maken; en dat is bij de bevestigingseed niet het geval.

Articulus 4.
Doet hij, die aan iemand, die een meineed zweert, de eed oplegt, zonde?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod peccet ille qui iniungit iuramentum ei qui periurat. Aut enim scit eum verum iurare, aut falsum. Si scit eum verum iurare, pro nihilo ei iuramentum iniungit si autem credit eum falsum iurare, quantum est de se, inducit eum ad peccandum. Ergo videtur quod nullo modo debeat aliquis alicui iniungere iuramentum. (IIa-IIae q. 98 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat wie de eed aan een meinedige oplegt zonde doet. Want hij weet, dat hij ofwel waarheid bezweert, ofwel onwaarheid. Weet hij, dat hij de waarheid bezweert, dan legt hij hem zonder reden de eed op. Gelooft hij, dat hij een onwaarheid bezweert, dan brengt hij hem, voor zover hij dat kan, tot zonde. Dus men schijnt een andere in het geheel geen eed te moeten opleggen.

Praeterea, iuramentum minus est accipere ab aliquo quam iuramentum iniungere alicui. Sed recipere iuramentum ab aliquo non videtur esse licitum, et praecipue si periuret, quia in hoc videtur consentire peccato. Ergo videtur quod multo minus liceat exigere iuramentum ab eo qui periurat. (IIa-IIae q. 98 a. 4 arg. 2)

2 — Het is van minder belang iemands eed aan te nemen dan hem de eed op te leggen. Nu schijnt het niet geoorloofd een eed van een ander aan te nemen en vooral, als hij een meineed doet; want dan schijnt hij hierin met de zonde in te stemmen. Dus schijnt men veel minder de eed van een meinedige te mogen vorderen.

Praeterea, dicitur Levit. V, si peccaverit anima, et audierit vocem iurantis falsum, testisque fuerit quod aut ipse vidit aut conscius est, nisi indicaverit, portabit iniquitatem suam, ex quo videtur quod aliquis sciens aliquem iurare falsum, teneatur eum accusare. Non igitur licet ab eo exigere iuramentum. (IIa-IIae q. 98 a. 4 arg. 3)

3 — In het Boek Leviticus staat (5, 1) : « Als iemand zondigt en een meineed heeft gehoord; en getuige was, omdat hij het zelf of zag of wist, en het niet bekend heeft gemaakt, hij zal zijn schuld dragen, » waaruit men ziet, dat wie weet, dat een ander een meineed doet, verplicht is hem te beschuldigen. Dus mag men geen eed van hem vorderen.

Sed contra, sicut peccat ille qui falsum iurat, ita ille qui per falsos deos iurat. Sed licet uti iuramento eius qui per falsos deos iurat, ut Augustinus dicit, ad Publicolam. Ergo licet iuramentum exigere ab eo qui falsum iurat. (IIa-IIae q. 98 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat zoals wie meineed doet zondigt, zo ook wie bij valse goden zweert. Nu mag men gebruik maken van de eed, van wie bij de valse goden zweert, zoals Augustinus schrijft. Dus mag men de eed vorderen van wie een meineed doet.

Respondeo dicendum quod circa eum qui exigit ab alio iuramentum, distinguendum videtur. Aut enim exigit iuramentum pro seipso propria sponte, aut exigit iuramentum pro alio ex necessitate officii sibi commissi. Et si quidem aliquis pro seipso exigit iuramentum tanquam persona privata, distinguendum videtur, ut Augustinus dicit, in sermone de periuriis. Si enim nescit eum iuraturum falsum, et ideo dicit, iura mihi, ut fides ei sit, non est peccatum, tamen est humana tentatio, quia scilicet procedit ex quadam infirmitate, qua homo dubitat alium esse verum dicturum. Et hoc est illud malum de quo dominus dicit, Matth. V, quod amplius est, a malo est. Si autem scit eum fecisse, scilicet contrarium eius quod iurat, et cogit eum iurare, homicida est. Ille enim de suo periurio se interimit, sed iste manum interficientis impressit. Si autem aliquis exigat iuramentum tanquam persona publica, secundum quod exigit ordo iuris, ad petitionem alterius, non videtur esse in culpa si ipse iuramentum exigat, sive sciat eum falsum iurare sive verum, quia non videtur ille exigere, sed ille ad cuius instantiam exigit. (IIa-IIae q. 98 a. 4 co.)

Men schijnt onderscheid te moeten maken in de persoon, die een eed vordert van een ander. Want hij vraagt ofwel de eed uit eigen beweging voor zichzelf, ofwel voor een ander door de noodzakelijkheid, die zijn ambt hem oplegt. En als iemand als gewoon mens voor zichzelf een eed vordert, moet men onderscheid maken, zoals Augustinus zegt: « Want als hij niet weet, dat hij een meineed zal doen en daarom zegt: Zweer mij, om vertrouwen in hem te hebben, is het geen zonde, maar een menselijke beproeving, » omdat het van een zwakheid komt, waardoor een mens twijfelt, dat een ander de waarheid zal spreken. « En dat is het verkeerde, waarvan de Heer bij Mattheus (5, 37) spreekt: En wat erbij komt, is uit de boze. Weet hij echter, dat hij het gedaan heeft, nl. het tegenovergestelde van wat hij bezweert, en dwingt hij hem te zweren, dan is hij een moordenaar. Want hij brengt zichzelf wel door zijn meineed om, maar de ander gaf kracht aan de hand van de moordenaar. » Eist iemand echter als publiek persoon een eed, zoals de loop van het recht het eist op verzoek van een ander, dan schijnt het niet schuldig te zijn, als hij een eed vordert, hetzij hij weet, dat hij de waarheid bezweert of de onwaarheid; want hij zelf schijnt de eed niet te vorderen, maar hij, op wiens verlangen hij die eist.

Ad primum ergo dicendum quod obiectio illa procedit quando pro aliquis exigit iuramentum. Et tamen non semper scit eum iurare verum, vel falsum, sed quandoque dubitat de facto, et credit eum verum iuraturum, et tunc ad maiorem certitudinem exigit iuramentum. (IIa-IIae q. 98 a. 4 ad 1)

1 — Deze moeilijkheid gaat uit van het geval, dat iemand voor zichzelf de eed vordert. En toch weet hij niet altijd, dat hij waarheid of onwaarheid bezweert, maar soms twijfelt hij aan het feit en gelooft, dat men de waarheid zal bezweren en vraagt dan de eed voor grotere zekerheid.

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Publicolam, quamvis dictum sit ne iuremus, nunquam me in Scripturis sanctis legisse memini ne ab aliquo iurationem accipiamus. Unde ille qui iurationem recipit non peccat, nisi forte quando propria sponte ad iurandum cogit eum quem scit falsum iuraturum. (IIa-IIae q. 98 a. 4 ad 2)

2 — Zoals Augustinus schrijft, « kan ik mij, al staat er geschreven, dat wij niet moeten zweren, niet herinneren ooit in de H. Schrift gelezen te hebben, dat wij geen eed van een ander moeten aannemen. » Daarom zondigt wie een eed aanneemt niet, tenzij hij iemand uit eigen beweging tot een eed dwingt, waarvan hij weet, dat hij vals zal zweren.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, Moyses non expressit in praedicta auctoritate cui sit indicandum periurium alterius. Et ideo intelligitur quod debeat indicari talibus qui magis possunt prodesse quam obesse periuro. Similiter etiam non expressit quo ordine debeat manifestare. Et ideo videtur servandus ordo evangelicus, si sit peccatum periurii occultum, et praecipue quando non vergit in detrimentum alterius, quia in tali casu non haberet locum ordo evangelicus, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 98 a. 4 ad 3)

3 — Zoals Augustinus zegt, geeft Moses in de aangehaalde tekst niet aan, wie men de meineed van een ander moet aangeven. En dus moet men het zo opvatten, dat men het bij hen moet aangeven, « die de meinedige meer tot voordeel dan nadeel kunnen zijn. » Evenmin geeft hij de orde, waarin het bekend moet worden gemaakt, aan. En als het dus een verborgen zonde van meineed is, schijnt men de volgorde van het Evangelie te moeten volgen; en vooral als het niemand nadeel doet, omdat in zo'n geval de door het Evangelie aangegeven volgorde niet van kracht is, zoals vroeger (33e Kw. 7e Art.) gezegd is.

Ad quartum dicendum quod licet uti malo propter bonum, sicut et Deus utitur, non tamen licet aliquem ad malum inducere. Unde licet eius qui paratus est per falsos deos iurare, iuramentum recipere, non tamen licet eum inducere ad hoc quod per falsos deos iuret. Alia tamen ratio esse videtur in eo qui per verum Deum falsum iurat. Quia in tali iuramento deest bonum fidei, qua utitur aliquis in iuramento illius qui verum per falsos deos iurat, ut Augustinus dicit, ad Publicolam. Unde in iuramento eius qui falsum per verum Deum iurat, non videtur esse aliquod bonum quo uti liceat. (IIa-IIae q. 98 a. 4 ad 4)

4 — (Het tegenbewijs.) Om iets goeds mag men van het kwaad gebruik maken, zoals ook God het gebruikt, maar men mag een ander niet tot kwaad brengen. Daarom mag men de eed van wie al bereid is bij valse goden te zweren aannemen, maar men mag hem er niet toe brengen bij valse goden te zweren. — Het schijnt echter een ander geval te zijn, als iemand bij de ware God iets onwaars bezweert. Want bij zo'n eed missen wij het goede van de betrouwbaarheid, waar men gebruik van maakt bij de eed van hem, die bij valse goden de waarheid bezweert, zoals Augustinus schrijft. Daarom schijnt er in de eed van hem, die bij de ware God onwaarheid bezweert, geen goed te zijn, dat men gebruiken kan.