Secunda Secundae. Quaestio 91. Over het gebruik van Gods Naam om Hem lovend aan te roepen .
Prooemium
Deinde considerandum est de assumptione divini nominis ad invocandum per orationem
vel laudem. Et de oratione quidem iam dictum est. Unde nunc de laude restat dicendum.
Circa quam quaeruntur duo. Primo, utrum Deus sit ore laudandus. Secundo, utrum in
laudibus Dei sint cantus adhibendi. (IIa-IIae q. 91 pr.)
Vervolgens moeten wij spreken over het gebruiken van Gods naam om Hem aan te roepen
door gebed of lof. En nu is er reeds over het gebed gesproken (83e Kw.) ; daarom blijft
er nu nog over het loven te behandelen. Daarover stellen wij ons twee vragen: 1. Moeten
wij God met de mond loven? 2. Moet men gezang gebruiken bij het loven van God?
Articulus 1. Moet men God met den mond loven?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit ore laudandus. Dicit enim philosophus,
in I Ethic., optimorum non est laus, sed maius aliquid et melius. Sed Deus est super
omnia optima. Ergo Deo non debetur laus, sed aliquid maius laude. Unde et Eccli. XLIII
dicitur quod Deus maior est omni laude. (IIa-IIae q. 91 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men God niet met de mond moet loven. Want de Wijsgeer zegt : « Aan
de besten geeft men geen loft maar iets groters en beters. » Nu staat God oven al
het beste. Dus moet men God geen lof, maar iets beters geven; en daarom staat in het
Boek Ecclesiasticus (43, 33), dat God « groter is dan alle lof. »
Praeterea, laus Dei ad cultum ipsius pertinet, est enim religionis actus. Sed Deus
mente colitur magis quam ore, unde dominus, Matth. XV, contra quosdam inducit illud
Isaiae, populus hic labiis me honorat, cor autem eorum longe est a me. Ergo laus Dei
magis consistit in corde quam in ore. (IIa-IIae q. 91 a. 1 arg. 2)
2 — Het loven van God valt onder het eren van Hem, want het is een daad van godsdienstigheid.
Nu eert men God meer met de geest dan met de mond; en daarom haalt de Heer bij Mattheus
(15, 7,8) tegen sommigen het woord van Isaïas (29, 13) aan: « Dit volk eert mij met
de lippen, maar hun hart is ver van Mij. » Dus geschiedt het eren van God meer met
de geest dan met de mond.
Praeterea, homines ad hoc ore laudantur ut ad meliora provocentur. Sicut enim mali
ex suis laudibus superbiunt, ita boni ex suis laudibus ad meliora provocantur, unde
dicitur Prov. XXVII, quomodo probatur in conflatorio argentum, sic probatur homo ore
laudantium. Sed Deus per verba hominum non provocatur ad meliora, tum quia immutabilis
est; tum quia summe bonus est, et non habet quo crescat. Ergo Deus non est laudandus
ore. (IIa-IIae q. 91 a. 1 arg. 3)
3 — Mensen worden hierom met de mond geëerd om hen tot nog iets beters aan te sporen.
Want zoals de slechten hovaardig zijn op de hun gebrachte lof, worden de goeden erdoor
tot iets beters aangezet; en daarom staat in het Boek der Spreuken (27, 21) : « Zoals
het zilver in de smeltkroes, wordt de mens beproefd in de mond van wie hem loven.
» Nu wordt God niet door de woorden van mensen tot iets beters aangespoord, zowel
omdat Hij onveranderlijk, als omdat Hij in de hoogste mate goed is en niet kan toenemen.
Dus moet men God niet met de mond eren.
Sed contra est quod dicitur in Psalm., labiis exultationis laudabit os meum. (IIa-IIae q. 91 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat het psalmwoord: « Met jubelende lippen zal mijn mond loven.
» (Ps. 62, 6).
Respondeo dicendum quod verbis alia ratione utimur ad Deum, et alia ratione ad hominem.
Ad hominem enim utimur verbis ut conceptum nostri cordis, quem non potest cognoscere,
verbis nostris ei exprimamus. Et ideo laude oris ad hominem utimur ut vel ei vel aliis
innotescat quod bonam opinionem de laudato habemus, ut per hoc et ipsum qui laudatur
ad meliora provocemus; et alios, apud quos laudatur, in bonam opinionem et reverentiam
et imitationem ipsius inducamus. Sed ad Deum verbis utimur non quidem ut ei, qui est
inspector cordium, nostros conceptus manifestemus, sed ut nos ipsos et alios audientes
ad eius reverentiam inducamus. Et ideo necessaria est laus oris, non quidem propter
Deum, sed propter ipsum laudantem, cuius affectus excitatur in Deum ex laude ipsius,
secundum illud Psalm., sacrificium laudis honorificabit me, et illic iter quo ostendam
illi salutare Dei. Et inquantum homo per divinam laudem affectu ascendit in Deum,
intantum per hoc retrahitur ab his quae sunt contra Deum, secundum illud Isaiae XLVIII,
laude mea infrenabo te, ne intereas. Proficit etiam laus oris ad hoc quod aliorum
affectus provocetur in Deum. Unde dicitur in Psalm., semper laus eius in ore meo,
et postea subditur, audiant mansueti, et laetentur. Magnificate dominum mecum. (IIa-IIae q. 91 a. 1 co.)
Van woorden maken wij tegenover God om een andere reden gebruik dan tegenover de mensen.
Want wij doen dit tegenover een mens om hem ons innerlijk begrip, dat hij niet kan
kennen, bekend te maken. En daarom gebruiken wij woorden van lof tegenover een mens
om ofwel hem of anderen bekend te maken, dat wij een goede mening van de geprezene
hebben, zodat wij daardoor hem, die geprezen wordt, tot betere dingen aanzetten en
anderen, tegenover wie hij geloofd wordt, tot een goede mening over hem en eerbied
en navolging brengen. Tegenover God echter gebruiken wij geen woorden om Hem, die
onze harten doorziet, onze gedachten bekend te maken, maar om onszelf en anderen,
die het horen, tot eerbied voor Hem te brengen. En daarom is het prijzen met de mond
noodzakelijk, wel niet om God, maar voor hem zelf, die looft, omdat zijn gevoelens
door zijn prijzen tot God worden opgewekt naar het psalmwoord: « Hij zal mij eren
met een offer van lof; en daar ligt de weg, waarlangs Ik hem het heil van God zal
tonen. » (Ps. 49, 23) En in zover een mens door het loven van God met zijn gevoelens
tot God opstijgt, wordt hij daardoor van wat met God strijdt teruggetrokken naar het
woord van Isaïas (48, 9) : « Met het loven van Mij zal Ik U beteugelen, dat gij niet
ondergaat. » Het loven met de mond is ook hiervoor goed, dat de gevoelens van anderen
tot God worden opgewekt; en daarom zegt het psalmwoord: « Altijd is zijn lof in mijn
mond, » en later wordt daarbij gevoegd: « De zachtmoedigen mogen het horen en zich
verheugen. Prijst met mij de Heer. » (Ps. 33, 2-4)
Ad primum ergo dicendum quod de Deo dupliciter possumus loqui. Uno modo, quantum ad
eius essentiam. Et sic, cum sit incomprehensibilis et ineffabilis, maior est omni
laude. Debetur autem ei secundum hanc comparationem reverentia et latriae honor. Unde
in Psalterio Hieronymi dicitur, tibi silet laus, Deus, quantum ad primum; et, tibi
reddetur votum, quantum ad secundum. Alio modo, secundum effectus ipsius, qui in nostram
utilitatem ordinantur. Et secundum hoc debetur Deo laus. Unde dicitur Isaiae LXIII,
miserationum domini recordabor, laudem domini super omnibus quae reddidit nobis dominus.
Et Dionysius dicit, I cap. de Div. Nom., omnem sanctum theologorum hymnum, idest divinam
laudem, invenies ad bonos thearchiae, idest divinitatis, processus manifestative et
laudative Dei nominationes dividentem. (IIa-IIae q. 91 a. 1 ad 1)
1 — Over God kunnen wij op twee manieren spreken. Ten eerste naar Zijn wezen; en zo kan
Hij niet omvat en uitgesproken worden en is dus boven allen lof verheven. Hiermee
vergeleken heeft Hij recht op eerbied en de eerbewijzen van godsverering. Daarom staat
er in het Psalterium van Hieronymus: « Tegenover U zwijge de lof, o God, » wat het
eerste, en: « De geloften aan U worden volbracht, » wat het tweede betreft (Ps. 64,
2). — Dan naar wat Hij uitwerkt en ons nut tot doel heeft; en volgens dit heeft God
recht op lof. Daarom zegt Isaïas (63, 7) : « Ik zal de ontfermingen van de Heer gedenken;
het loven van de Heer om alles, wat Hij ons gegeven heeft. » En Dionysius zegt: «
Gij zult bevinden, dat iedere heilige hymne van de godgeleerden in de namen van God
onderscheid maakt om ze bekend te maken en te prijzen met het oog op het goede, dat
de Godheid uitwerkt. »
Ad secundum dicendum quod laus oris inutilis est laudanti si sit sine laude cordis,
quod loquitur Deo laudem dum magnalia eius operum recogitat cum affectu. Valet tamen
exterior laus oris ad excitandum interiorem affectum laudantis, et ad provocandum
alios ad Dei laudem, sicut dictum est. (IIa-IIae q. 91 a. 1 ad 2)
2 — Lof met de mond is nutteloos voor wie prijst, als er geen lof aan gepaard gaat van
het hart, dat God prijst, als het Gods grote werken met aandoening overdenkt. De uiterlijke
lof van de mond kan echter het innerlijk gevoelen van wie prijst opwekken en ook anderen
aanzetten om God te loven, zoals werd gezegd (in de Leerst.).
Ad tertium dicendum quod Deum non laudamus propter utilitatem suam, sed propter utilitatem
nostram, ut dictum est. (IIa-IIae q. 91 a. 1 ad 3)
3 — Wij prijzen God niet tot nut voor Hem, maar van ons, zoals werd gezegd (zie Leerst.).
Articulus 2. Moet men gezang gebruiken bij het prijzen van God?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod cantus non sint assumendi ad laudem divinam.
Dicit enim apostolus, ad Coloss. III, docentes et commonentes vosmetipsos in Psalmis
et hymnis et canticis spiritualibus. Sed nihil assumere debemus in divinum cultum
praeter ea quae nobis auctoritate Scripturae traduntur. Ergo videtur quod non debemus
uti in divinis laudibus canticis corporalibus, sed solum spiritualibus. (IIa-IIae q. 91 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men geen gezang bij het prijzen van God moet gebruiken. Want de Apostel
zegt in de Brief aan de Colossensen (3, 16) : « Elkander lerend en vermanend met psalmen
en lofzangen en geestelijke liederen. » Nu moeten wij bij het eren van God niets gebruiken
dan wat ons door het gezag van de Schrift wordt overgeleverd. Dus schijnen wij bij
het loven van God geen gezangen van het lichaam, maar van de geest te moeten gebruiken.
Praeterea, Hieronymus, super illud ad Ephes. V, cantantes et psallentes in cordibus
vestris domino, dicit, audiant haec adolescentuli quibus in Ecclesia est psallendi
officium, Deo non voce, sed corde cantandum, nec in tragoediarum modum guttur et fauces
medicamine liniendae sunt, ut in Ecclesia theatrales moduli audiantur et cantica.
Non ergo in laudes Dei sunt cantus assumendi. (IIa-IIae q. 91 a. 2 arg. 2)
2 — Hieronymus zegt bij het woord uit de Brief aan de Ephesiërs (3, 19) : « In Uwe harten
de Heer zingend en psalmodiërend »: « Laten de jongeren, aan wie in de Kerk de taak
om te zingen is opgedragen, dit horen, dat men God niet met de mond, maar met het
hart moet zingen; en dat men niet als treurspelers tong en keel met kunstmiddelen
zacht moet maken, zodat men in de kerk theatrale melodieën en gezangen hoort. » Dus
moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.
Praeterea, laudare Deum convenit parvis et magnis, secundum illud Apoc. XIX, laudem
dicite Deo nostro, omnes servi eius et qui timetis illum, pusilli et magni. Sed maiores
qui sunt in Ecclesia non decet cantare, dicit enim Gregorius, et habetur in decretis,
dist. XCII, cap. in sancta Romana Ecclesia, praesenti decreto constituo ut in sede
hac sacri altaris ministri cantare non debeant. Ergo cantus non conveniunt divinis
laudibus. (IIa-IIae q. 91 a. 2 arg. 3)
3 — God loven komt groten en kleinen toe naar het woord uit het Boek der Openbaring (19,
3) : « Prijst onze God, gij al Zijn dienaren, en gij, die Hem vreest, groten en kleinen.
» Nu past het niet, dat de overheden in de Kerk zingen, want Gregorius zegt, en het
staat in de Decretaliën: « Met dit decreet bepaal ik, dat de bedienaars van het heilig
altaar op deze zetel niet moeten zingen. » Dus passen gezangen niet bij het loven
van God.
Praeterea, in veteri lege laudabatur Deus in musicis instrumentis et humanis cantibus,
secundum illud Psalm., confitemini domino in cithara; in Psalterio decem chordarum
psallite illi; cantate ei canticum novum. Sed instrumenta musica, sicut citharas et
Psalteria, non assumit Ecclesia in divinas laudes, ne videatur iudaizare. Ergo, pari
ratione, nec cantus in divinas laudes sunt assumendi. (IIa-IIae q. 91 a. 2 arg. 4)
4 — Onder de Oude Wet werd God geprezen met muziekinstrumenten en menselijke gezangen
naar het psalmwoord: « Prijst de Heer op de citer; psalmodieert voor Hem op het tiensnarige
psalter; zingt Hem een nieuw lied. » (Ps. 32, 2,3) Nu heeft de Kerk bij het loven
van God geen muziekinstrumenten als citers en psalters in gebruik genomen om de schijn
van joodsgezindheid te vermijden. Daarom moeten om dezelfde reden geen gezangen bij
het prijzen van God worden gebruikt.
Praeterea, principalior est laus mentis quam laus oris. Sed laus mentis impeditur
per cantus, tum quia cantantium intentio abstrahitur a consideratione eorum quae cantant,
dum circa cantum student; tum etiam quia ea quae cantantur minus ab aliis intelligi
possunt quam si sine cantu proferrentur. Ergo cantus non sunt divinis laudibus adhibendi. (IIa-IIae q. 91 a. 2 arg. 5)
5 — Het loven met de geest staat boven dat met de mond. Nu wordt het loven met de geest
door het zingen belet, zowel omdat de aandacht van de zangers van het overdenken van
wat zij zingen wordt afgeleid, terwijl zij hun best doen op het zingen, als omdat
wat gezongen wordt minder door anderen wordt begrepen dan wanneer het zonder zang
werd gezegd. Dus moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.
Sed contra est quod beatus Ambrosius in Ecclesia Mediolanensi cantus instituit, ut
Augustinus refert, in IX Confess. (IIa-IIae q. 91 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de H. Ambrosius het zingen in de kerk van Milaan invoerde,
zoals Augustinus zegt.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, laus vocalis ad hoc necessaria est ut affectus
hominis provocetur in Deum. Et ideo quaecumque ad hoc utilia esse possunt, in divinas
laudes congruenter assumuntur. Manifestum est autem quod secundum diversas melodias
sonorum animi hominum diversimode disponuntur, ut patet per philosophum, in VIII Polit.,
et per Boetium, in prologo musicae. Et ideo salubriter fuit institutum ut in divinas
laudes cantus assumerentur, ut animi infirmorum magis provocarentur ad devotionem.
Unde Augustinus dicit, in X Confess., adducor cantandi consuetudinem approbare in
Ecclesia, ut per oblectamenta aurium infirmorum animus in affectum pietatis assurgat.
Et de seipso dicit, in IX Confess., flevi in hymnis et canticis tuis, suave sonantis
Ecclesiae tuae vocibus commotus acriter. (IIa-IIae q. 91 a. 2 co.)
Zoals werd gezegd (vorig Art.) is het prijzen met de mond hiervoor nodig, dat de gevoelens
van de mensen tot God worden opgewekt. Daarom kan men alles, wat hiervoor van nut
kan zijn, passend bij het loven van God gebruiken. Nu is het duidelijk, dat naar
de verschillende melodieën der gezangen de zielen van de mensen verschillend worden
aangedaan, zoals de Wijsgeer en Boëtius bewijzen. En dus was het een heilzame instelling
om bij het prijzen van God gezangen te gebruiken om de geesten van de zwakkeren meer
tot toewijding op te wekken. Daarom zegt Augustinus: « Ik wordt tot instemming met
de gewoonte in de Kerk om te zingen gebracht, opdat de geesten van de zwakken door
het strelen van het oor tot het gevoel van godsvrucht worden gebracht. » En van zichzelf
zegt hij: « Bij Uw hymnen en gezangen heb ik geweend, innig bewogen door de stemmen
van Uw zoet zingende Kerk. »
Ad primum ergo dicendum quod cantica spiritualia possunt dici non solum ea quae interius
canuntur in spiritu, sed etiam ea quae exterius ore cantantur, inquantum per huiusmodi
cantica spiritualis devotio provocatur. (IIa-IIae q. 91 a. 2 ad 1)
1 — Men kan met alleen wat innerlijk in de geest gezongen wordt een geestelijk gezang
noemen, maar ook wat uitwendig met de mond gezongen wordt, in zover de geestelijke
toewijding door deze gezangen wordt opgewekt.
Ad secundum dicendum quod Hieronymus non vituperat simpliciter cantum, sed reprehendit
eos qui in Ecclesia cantant more theatrico, non propter devotionem excitandam, sed
propter ostentationem vel delectationem provocandam. Unde Augustinus dicit, in X Confess.,
cum mihi accidit ut me amplius cantus quam res quae canitur moveat, poenaliter me
peccare confiteor, et tunc mallem non audire cantantem. (IIa-IIae q. 91 a. 2 ad 2)
2 — Hieronymus keurt niet zonder meer het zingen af, maar hij berispt hen, die in de kerk
op theatrale manier zingen, niet om godsvrucht op te wekken, maar om op te vallen
of genot te geven. Daarom ook zegt Augustinus: « Als het mij gebeurt, dat mij meer
het gezang dan zijn inhoud beweegt, dan beken ik te zondigen en straf te verdienen
en zou ik de zanger liever niet horen. »
Ad tertium dicendum quod nobilior modus est provocandi homines ad devotionem per doctrinam
et praedicationem quam per cantum. Et ideo diaconi et praelati, quibus competit per
praedicationem et doctrinam animos hominum provocare in Deum, non debent cantibus
insistere, ne per hoc a maioribus retrahantur. Unde ibidem Gregorius dicit, consuetudo
est valde reprehensibilis ut in diaconatus ordine constituti modulationi vocis inserviant,
quos ad praedicationis officium et eleemosynarum studium vacare congruebat. (IIa-IIae q. 91 a. 2 ad 3)
3 — Het is iets hogers de mensen door leer en prediken godsvrucht te brengen dan door
gezang. En daarom moeten diakens en prelaten, wie het toekomt door preken en onderricht
de zielen van de mensen tot God op te wekken, zich niet op het zingen toeleggen om
hierdoor niet van het hogere te worden afgehouden. Daarom zegt Gregorius op dezelfde
plaats: « De gewoonte, dat zij die de diaconaatswijding hebben ontvangen, zich op
de stemvorming toeleggen, is zeer te veroordelen, omdat het past, dat zij zich wijden
aan de taak van preken en het uitdelen van aalmoezen. »
Ad quartum dicendum quod, sicut philosophus dicit, in VIII Polit., neque fistulas
ad disciplinam est adducendum, neque aliquod aliud artificiale organum, puta citharam
et si quid tale alterum est, sed quaecumque faciunt auditores bonos. Huiusmodi enim
musica instrumenta magis animum movent ad delectationem quam per ea formetur interius
bona dispositio. In veteri autem testamento usus erat talium instrumentorum, tum quia
populus erat magis durus et carnalis, unde erat per huiusmodi instrumenta provocandus,
sicut et per promissiones terrenas. Tum etiam quia huiusmodi instrumenta corporalia
aliquid figurabant. (IIa-IIae q. 91 a. 2 ad 4)
4 — Zoals de Wijsgeer zegt, « moet men geen fluiten bij het onderricht gebruiken en geen
ander kunstinstrument, b. v. een citer en dergelijke dingen; maar wat een goede toehoorder
maakt. » Want deze muziekinstrumenten bewegen de geesten van de toehoorders meer tot
genieten dan dat daardoor innerlijk een goede gesteldheid wordt gevormd. Onder het
Oude Verbond werden dergelijke instrumenten echter gebruikt, zowel omdat het volk
verharder en meer vleselijk was en dus door dergelijke instrumenten moest worden opgewekt
zoals door aardse toezeggingen, als omdat deze lichamelijke instrumenten iets betekenden.
Ad quintum dicendum quod per cantum quo quis studiose ad delectandum utitur, abstrahitur
animus a consideratione eorum quae cantantur. Sed si aliquis cantet propter devotionem,
attentius considerat quae dicuntur, tum quia diutius moratur super eodem; tum quia,
ut Augustinus dicit, in X Confess., omnes affectus spiritus nostri pro sua diversitate
habent proprios modos in voce atque cantu, quorum occulta familiaritate excitantur.
Et eadem est ratio de audientibus, in quibus, etsi aliquando non intelligant quae
cantantur, intelligunt tamen propter quid cantantur, scilicet ad laudem Dei; et hoc
sufficit ad devotionem excitandam. (IIa-IIae q. 91 a. 2 ad 5)
5 — Door een gezang, dat uitdrukkelijk om te behagen wordt gebezigd, wordt de geest van
de inhoud van het gezang afgeleid. Maar als iemand om godsvrucht te krijgen zingt,
let hij nauwkeuriger op wat gezongen wordt, zowel omdat hij er langer mee bezig blijft,
als omdat volgens Augustinus « alle gevoelens in onze geest naar hun verscheidenheid
in stem en gezang eigen wijzen hebben en door een geheime verwantschap worden opgewekt.
» Hetzelfde gaat voor de toehoorders op; want al begrijpen zij soms met wat gezongen
wordt, zij begrijpen waarom het wordt gezongen nl. om God te eren; en dat is genoeg
om godsvrucht op te wekken.