Secunda Secundae. Quaestio 62. Over de teruggave .
Prooemium
Deinde considerandum est de restitutione. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, cuius
actus sit. Secundo, utrum necesse sit ad salutem omne ablatum restitui. Tertio, utrum
oporteat multiplicatum illud restituere. Quarto, utrum oporteat restitui id quod quis
non accepit. Quinto, utrum oporteat restitui ei a quo acceptum est. Sexto, utrum oporteat
restituere eum qui accepit. Septimo, utrum aliquem alium. Octavo, utrum sit statim
restituendum. (IIa-IIae q. 62 pr.)
Hierna moeten wij de teruggave gaan beschouwen. Daaromtrent worden acht vragen gesteld.
1. Van welke deugd is zij de daad? 2. Is het nodig ter zaligheid, dat al het ontvreemde
teruggegeven wordt? 3. Moet men dit vermenigvuldigd teruggeven? 4. Moet iemand datgene
wat hij niet genomen heeft teruggeven? 5. Moet men aan hem teruggeven, van wie iets
werd weggenomen? 6. Moet hij, die weggenomen heeft, teruggeven? 7. Of iemand anders?
8. Moet de teruggave onverwijld geschieden?
Articulus 1. Is de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod restitutio non sit actus iustitiae commutativae.
Iustitia enim respicit rationem debiti. Sed sicut donatio potest esse eius quod non
debetur, ita etiam et restitutio. Ergo restitutio non est actus alicuius partis iustitiae. (IIa-IIae q. 62 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de teruggave niet een daad van de ruilrechtvaardigheid is. — 1. Rechtvaardigheid
immers heeft het verschuldigde tot voorwerp. Welnu, evenals men iets kan wegschenken
dat men niet verschuldigd is, evenzo kan men ook iets teruggeven. Derhalve is de rechtvaardigheid
niet een daad van een deel van de rechtvaardigheid.
Praeterea, illud quod iam transiit et non est, restitui non potest. Sed iustitia et
iniustitia sunt circa quasdam actiones et passiones, quae non manent, sed transeunt.
Ergo restitutio non videtur esse actus alicuius partis iustitiae. (IIa-IIae q. 62 a. 1 arg. 2)
2 — Wat verging en niet meer is, kan niet teruggegeven worden. Welnu, rechtvaardigheid
en onrechtvaardigheid hebben betrekking op handelen en ondergaan, wat niet blijvend
is maar voorbijgaat. Dus lijkt de teruggave wel niet de daad te zijn van een deel
der rechtvaardigheid.
Praeterea, restitutio est quasi quaedam recompensatio eius quod subtractum est. Sed
aliquid potest homini subtrahi non solum in commutatione, sed etiam in distributione,
puta cum aliquis distribuens minus dat alicui quam debeat habere. Ergo restitutio
non magis est actus commutativae iustitiae quam distributivae. (IIa-IIae q. 62 a. 1 arg. 3)
3 — De teruggave is als het ware een vergoeding voor datgene wat ontnomen werd. Welnu,
niet alleen in de ruilhandel, maar ook in de verdeling kan aan de mens iets ontnomen
worden, wanneer b.v. hij die verdeelt, aan iemand minder geeft dan hem verschuldigd
is. Derhalve is de teruggave niet eerder een daad van de ruilrechtvaardigheid dan
van de verdeelende rechtvaardigheid.
Sed contra, restitutio ablationi opponitur. Sed ablatio rei alienae est actus iniustitiae
circa commutationes. Ergo restitutio eius est actus iustitiae quae est in commutationibus
directiva. (IIa-IIae q. 62 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de teruggave aan de ontvreemding is tegengesteld.
Welnu, de ontvreemding van andermans goed is een daad van onrechtvaardigheid met betrekking
tot de ruilhandelingen. Derhalve is de teruggave een daad van de rechtvaardigheid
die de ruilhandelingen regelt.
Respondeo dicendum quod restituere nihil aliud esse videtur quam iterato aliquem statuere
in possessionem vel dominium rei suae. Et ita in restitutione attenditur aequalitas
iustitiae secundum recompensationem rei ad rem, quae pertinet ad iustitiam commutativam.
Et ideo restitutio est actus commutativae iustitiae, quando scilicet res unius ab
alio habetur, vel per voluntatem eius, sicut in mutuo vel deposito; vel contra voluntatem
eius, sicut in rapina vel furto. (IIa-IIae q. 62 a. 1 co.)
Teruggeven is niets anders dan iemand terugstellen in het bezit of de eigendom van
zijn goed. En zo wordt bij de teruggave de gelijkheid der rechtvaardigheid in acht
genomen overeenkomstig de vergoeding van ding tot ding, en dat valt onder de ruilrechtvaardigheid.
En bijgevolg is de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid: wanneer namelijk
iemand een andermans goed heeft, hetzij met zijn wil, zoals bij verbruikleening of
bewaargeving, hetzij tegen zijn wil in, zoals bij roof of diefstal.
Ad primum ergo dicendum quod illud quod alteri non debetur non est, proprie loquendo,
eius, etsi aliquando eius fuerit. Et ideo magis videtur esse nova donatio quam restitutio
cum quis alteri reddit quod ei non debet. Habet tamen aliquam similitudinem restitutionis,
quia res materialiter est eadem. Non tamen est eadem secundum formalem rationem quam
respicit iustitia, quod est esse suum alicuius. Unde nec proprie restitutio dicitur. (IIa-IIae q. 62 a. 1 ad 1)
1 — Iets wat men niet verschuldigd is aan een ander, is in feitelijke zin niet het zijne,
ook al was het eens van hem. En bijgevolg, wanneer iemand aan een ander geeft wat
hij hem niet verschuldigd is, lijkt dat veeleer een nieuwe schenking te zijn dan wel
een teruggave. Toch lijkt het enigszins op een teruggave, omdat de zaak, materieel
genomen, dezelfde is. Vanuit het formele oogpunt der rechtvaardigheid echter beschouwd,
namelijk het aan iemand toekomen, is zij niet dezelfde. Daarom is hier geen sprake
van teruggave in feitelijke zin.
Ad secundum dicendum quod nomen restitutionis, inquantum importat iterationem quandam,
supponit rei identitatem. Et ideo secundum primam impositionem nominis, restitutio
videtur locum habere praecipue in rebus exterioribus, quae manentes eaedem et secundum
substantiam et secundum ius dominii, ab uno possunt ad alium devenire. Sed sicut ab
huiusmodi rebus nomen commutationis translatum est ad actiones vel passiones quae
pertinent ad reverentiam vel iniuriam alicuius personae, seu nocumentum vel profectum;
ita etiam nomen restitutionis ad haec derivatur quae, licet realiter non maneant,
tamen manent in effectu, vel corporali, puta cum ex percussione laeditur corpus; vel
qui est in opinione hominum, sicut cum aliquis verbo opprobrioso remanet homo infamatus,
vel etiam minoratus in suo honore. (IIa-IIae q. 62 a. 1 ad 2)
2 — Het woord teruggave, voor zover het een herhaling insluit, veronderstelt de eenzelvigheid
van het ding. En daarom lijkt de teruggave, naar de oorspronkelijke betekenis van
het woord, voornamelijk daar plaats te grijpen, waar het gaat over uitwendige dingen,
die van de een op de ander kunnen overgaan, hoewel zij, zo naar de wezenheid als naar
het eigendomsrecht, dezelfde blijven. Evenals echter het woord ruiling van dergelijke
dingen werd overgebracht op het handelen en ondergaan — wat betrekking heeft op eerbetuiging
of beleediging van een persoon, op zijn nadeel of voordeel, — evenzo werd het woord
teruggave toegepast op datgene wat, ofschoon het niet blijft in werkelijkheid, toch
blijvend is in zijn uitwerksel; dit uitwerksel kan lichamelijk zijn, b.v. wanneer
het lichaam door slagen wordt gekwetst; ofwel in de mening der mensen, b.v. wanneer
iemand door een lasterend woord eerloos blijft, of in zijn eer benadeeld.
Ad tertium dicendum quod recompensatio quam facit distribuens ei cui dedit minus quam
debuit, fit secundum comparationem rei ad rem, ut si quanto minus habuit quam debuit,
tanto plus ei detur. Et ideo iam pertinet ad iustitiam commutativam. (IIa-IIae q. 62 a. 1 ad 3)
3 — De vergoeding, die een verdeeler geeft aan iemand aan wie hij minder gaf dan hem toekwam,
wordt bepaald door een zaakvergelijking, zodat hem des te meer gegeven wordt, als
hij minder kreeg dan hem toekwam. En daarom valt dit reeds onder de ruilrechtvaardigheid.
Articulus 2. Is het nodig ter zaligheid, het ontnomene terug te geven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit necessarium ad salutem quod fiat
restitutio eius quod ablatum est. Quod enim est impossibile non est de necessitate
salutis. Sed aliquando impossibile est restituere id quod est ablatum, puta cum aliquis
abstulit alicui membrum vel vitam. Ergo non videtur esse de necessitate salutis quod
aliquis restituat quod alteri abstulit. (IIa-IIae q. 62 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet nodig is ter zaligheid het ontnomene terug te geven. — 1.
Immers, het onmogelijke is niet nodig ter zaligheid. Welnu, het is soms onmogelijk
terug te geven wat ontnomen werd: b.v. wanneer iemand aan een ander een lichaamsdeel
of het leven ontnam. Derhalve lijkt het niet noodzakelijk ter zaligheid, dat iemand
teruggeeft wat hij heeft ontnomen.
Praeterea, committere aliquod peccatum non est de necessitate salutis, quia sic homo
esset perplexus. Sed quandoque illud quod aufertur non potest restitui sine peccato,
puta cum aliquis alicui famam abstulit verum dicendo. Ergo restituere ablatum non
est de necessitate salutis. (IIa-IIae q. 62 a. 2 arg. 2)
2 — Een zonde begaan is niet noodzakelijk ter zaligheid; want zo zou de mens besluiteloos
zijn. Welnu, soms kan het ontnomene niet worden teruggegeven zonder te zondigen: b.v.
wanneer iemand aan een ander zijn faam ontnam door de waarheid te zeggen. Het ontnomme
teruggeven is derhalve niet noodzakelijk ter zaligheid.
Praeterea, quod factum est non potest fieri ut factum non fuerit. Sed aliquando alicui
aufertur honor suae personae ex hoc ipso quod passus est aliquo iniuste eum vituperante.
Ergo non potest sibi restitui quod ablatum est. Et ita non est de necessitate salutis
restituere ablatum. (IIa-IIae q. 62 a. 2 arg. 3)
3 — Wat gebeurd is kan men niet meer ongedaan maken. Welnu, soms wordt aan iemand de eer
van zijn persoon ontnomen doordat hij op onrechtvaardige wijze door een ander gelakt
wordt. Aan hem kan dus niet worden teruggegeven wat hem ontnomen werd. En zo is het
niet noodzakelijk ter zaligheid, het ontnome terug te geven.
Praeterea, ille qui impedit aliquem ab aliquo bono consequendo videtur ei auferre,
quia quod modicum deest, quasi nihil deesse videtur, ut philosophus dicit, in II Physic.
Sed cum aliquis impedit aliquem ne consequatur praebendam vel aliquid huiusmodi, non
videtur quod teneatur ei ad restitutionem praebendae, quia quandoque non posset. Non
ergo restituere ablatum est de necessitate salutis. (IIa-IIae q. 62 a. 2 arg. 4)
4 — Het lijkt wel dat hij, die een ander belet een goed te verwerven, het hem ontneemt:
want, zoals de Wijsgeer zegt « wordt het weinige dat ontbreekt, als niet ontbrekend
beschouwd ». Wanneer nu iemand een ander belet een prebende of iets dergelijks te
verwerven, dan lijkt hij wel niet gehouden te zijn tot teruggave van die prebende,
omdat hij soms niet zou kunnen. Het ontnomme teruggeven is derhalve niet noodzakelijk
ter zaligheid.
Sed contra est quod Augustinus dicit, non dimittitur peccatum, nisi restituatur ablatum. (IIa-IIae q. 62 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Indien andermans bezit, waaraan
men zich heeft bezondigd, kan worden teruggegeven en niet teruggegeven wordt, dan
wordt geen boetvaardigheid gedaan maar geveinsd. Wanneer echter waarachtige boetvaardigheid
gedaan wordt, wordt de zonde niet vergeven, tenzij het ontnome teruggegeven wordt,
indien, zoals ik gezegd heb, het ontnome kan worden teruggegeven ».
Respondeo dicendum quod restitutio, sicut dictum est, est actus iustitiae commutativae,
quae in quadam aequalitate consistit. Et ideo restituere importat redditionem illius
rei quae iniuste ablata est, sic enim per iteratam eius exhibitionem aequalitas reparatur.
Si vero iuste ablatum sit, inaequalitas erit ut ei restituatur, quia iustitia in aequalitate
consistit. Cum igitur servare iustitiam sit de necessitate salutis, consequens est
quod restituere id quod iniuste ablatum est alicui, sit de necessitate salutis. (IIa-IIae q. 62 a. 2 co.)
Zoals gezegd werd (vorig Art.), is de teruggave een daad van ruilrechtvaardigheid,
welke bestaat in een zekere gelijkheid. En daarom behelst teruggave het weergeven
van het ding, dat op onrechtvaardige wijze ontnomen is: zo immers wordt door het terugbezorgen
ervan de gelijkheid hersteld. Indien het echter rechtvaardig ontnomen is, zou het
teruggeven ervan een ongelijkheid teweegbrengen: want de rechtvaardigheid bestaat
in gelijkheid. Daar nu het onderhouden van de rechtvaardigheid noodzakelijk is ter
zaligheid, volgt hieruit dat het teruggeven van wat onrechtvaardig aan iemand werd
ontnomen, noodzakelijk is ter zaligheid.
Ad primum ergo dicendum quod in quibus non potest recompensari aequivalens, sufficit
quod recompensetur quod possibile est, sicut patet de honoribus qui sunt ad Deum et
ad parentes, ut philosophus dicit, in VIII Ethic. Et ideo quando id quod est ablatum
non est restituibile per aliquid aequale, debet fieri recompensatio qualis possibilis
est. Puta, cum aliquis alicui abstulit membrum, debet ei recompensare vel in pecunia
vel in aliquo honore, considerata conditione utriusque personae, secundum arbitrium
probi viri. (IIa-IIae q. 62 a. 2 ad 1)
1 — In gevallen waarin geen gelijkwaardige vergoeding kan gegeven worden, volstaat het
te vergoeden wat mogelijk is: zoals blijkt « bij de eerbetuiging tegenover God en
de ouders », naar het gezegde van de Wijzegeer. En bijgevolg, wanneer het ontnomen
niet kan worden teruggegeven door iets gelijkwaardigs, moet de vergoeding geschieden
voor zover ze mogelijk is. Wanneer bijvoorbeeld iemand aan een ander een lidmaat zou
ontnomen hebben, moet hij hem vergoeden in geld of door enige eerbetuiging, naar het
oordeel van een rechtschapen mens, en rekening houdend met de levensvoorwaarden van
beide personen.
Ad secundum dicendum quod aliquis potest alicui famam tripliciter auferre. Uno modo,
verum dicendo et iuste, puta cum aliquis crimen alicuius prodit ordine debito servato.
Et tunc non tenetur ad restitutionem famae. Alio modo, falsum dicendo et iniuste.
Et tunc tenetur restituere famam confitendo se falsum dixisse. Tertio modo, verum
dicendo sed iniuste, puta cum aliquis prodit crimen alterius contra ordinem debitum.
Et tunc tenetur ad restitutionem famae quantum potest, sine mendacio tamen, utpote
quod dicat se male dixisse, vel quod iniuste eum diffamaverit. Vel, si non possit
famam restituere, debet ei aliter recompensare, sicut et in aliis dictum est. (IIa-IIae q. 62 a. 2 ad 2)
2 — Iemand kan andermans faam ontnemen op drie manieren. Ten eerste, door op rechtvaardige
wijze de waarheid te zeggen: b.v. wanneer iemand, met inachtneming van de vereiste
voorwaarden, andermans misdaad openbaar maakt. En dan is hij niet gehouden tot eerherstel.
Ten tweede, door op onrechtvaardige wijze onwaarheid te zeggen. En dan is men gehouden
tot eerherstel, door te bekennen onwaarheid te hebben gezegd. Ten derde, door waarheid
te spreken, maar op onrechtvaardige wijze: b.v. wanneer iemand andermans misdaad openbaar
maakt, zonder inachtneming van de vereiste voorwaarden. En dan is hij gehouden tot
eerherstel, voor zover het mogelijk is, zonder echter te liegen: b.v. door te zeggen
dat hij zich slecht uitdrukte, of dat hij hem onrechtvaardig belasterd heeft. Ofwel,
indien hij geen eerherstel kan doen, moet hij hem op een andere wijze vergoeden, zoals
elders gezegd is (1° Antw.).
Ad tertium dicendum quod actio contumeliam inferentis non potest fieri ut non fuerit.
Potest tamen fieri ut eius effectus, scilicet diminutio dignitatis personae in opinione
hominum, reparetur per exhibitionem reverentiae. (IIa-IIae q. 62 a. 2 ad 3)
3 — Een beleedigende handeling kan niet ongedaan worden gemaakt. Toch kan haar gevolg,
nl. de vermindering van de persoonswaardigheid in de mening van de mensen, hersteld
worden door eerbetuiging.
Ad quartum dicendum quod aliquis potest impedire aliquem ne habeat praebendam, multipliciter.
Uno modo, iuste, puta si, intendens honorem Dei vel utilitatem Ecclesiae, procuret
quod detur alicui personae digniori. Et tunc nullo modo tenetur ad restitutionem vel
ad aliquam recompensationem faciendam. Alio modo, iniuste, puta si intendat eius nocumentum
quem impedit, propter odium vel vindictam aut aliquid huiusmodi. Et tunc, si impedit
ne praebenda detur digno, consulens quod non detur, antequam sit firmatum quod ei
detur; tenetur quidem ad aliquam recompensationem, pensatis conditionibus personarum
et negotii, secundum arbitrium sapientis; non tamen tenetur ad aequale, quia ille
nondum fuerat adeptus et poterat multipliciter impediri. Si vero iam firmatum sit
quod alicui detur praebenda, et aliquis propter causam indebitam procuret quod revocetur,
idem est ac si iam habitam ei auferret. Et ideo tenetur ad restitutionem aequalis,
tamen secundum suam facultatem. (IIa-IIae q. 62 a. 2 ad 4)
4 — Op velerlei wijzen kan iemand een ander beletten een prebende te ontvangen. Ten eerste,
op rechtvaardige wijze: b.v. als hij bewerkt, dat ze gegeven wordt aan een waardiger
persoon, en daarbij enkel de eer van God of het nut van de kerk op het oog heeft.
En in dat geval is hij geenszins gehouden tot teruggave of tot welke vergoeding ook.
— Ten tweede, op onrechtvaardige wijze: b.v. wanneer hij om reden van haat, of wraak,
of iets dergelijks, het nadeel van de betrokken persoon beoogt. En indien hij in dit
geval belet, dat de prebende aan een waardig persoon gegeven wordt, door aan te raden
ze hem niet te geven, alvorens vastgesteld werd dat ze hem zal worden gegeven, is
hij gehouden tot een zekere vergoeding, met inachtneming van de waardigheid der personen
en der zaak, naar het oordeel van een wijze; toch is hij niet gehouden tot een gelijkwaardige
vergoeding, omdat de belanghebbende de prebende nog niet had verworven, en er op velerlei
wijzen beletselen konden ontstaan. — Indien het echter reeds vastgesteld was aan wie
de prebende zou worden verleend, en iemand om een onvol- doende reden, bewerkt dat
de zaak herroepen wordt, dan ware dat hetzelfde of hij zou hem zijn bezit ontnemen.
En bijgevolg is hij gehouden tot gelijkwaardige vergoeding, echter naar zijn vermogen.
Articulus 3. Is het voldoende enkel datgene terug te geven, wat onrechtvaardig werd ontnomen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sufficiat restituere simplum quod iniuste
ablatum est. Dicitur enim Exod. XXII, si quis furatus fuerit bovem aut ovem, et occiderit
vel vendiderit, quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove.
Sed quilibet tenetur mandatum divinae legis observare. Ergo ille qui furatur tenetur
restituere quadruplum vel quintuplum. (IIa-IIae q. 62 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet volstaat enkel datgene terug te geven wat onrechtvaardig
ontnomen werd. — 1. In het Boek van de Uittocht (22. 1) wordt immers gezegd: « Indien
iemand een rund of een schaap steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen
vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap ». Welnu, iedereen is gehouden
het gebod van de goddelijke wet na te leven. Derhalve is hij die steelt gehouden tot
een vier- of vijfdubbele teruggave.
Praeterea, ea quae scripta sunt, ad nostram doctrinam scripta sunt, ut dicitur ad
Rom. XV. Sed Luc. XIX Zachaeus dicit ad dominum, si quem defraudavi, reddo quadruplum.
Ergo homo debet restituere multiplicatum id quod iniuste accepit. (IIa-IIae q. 62 a. 3 arg. 2)
2 — « Al wat vroeger geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven », zoals in
de Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. Welnu, bij Lucas (19. 8) zegt Zachaeus
tot de Heer: « Zo ik iemand te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel terug ». Derhalve
moet de mens bij de teruggave vermenigvuldigen wat hij op onrechtvaardige wijze ontnam.
Praeterea, nulli potest iuste auferri id quod dare non debet. Sed iudex iuste aufert
ab eo qui furatus est plus quam furatus est, pro emenda. Ergo homo debet illud solvere.
Et ita non sufficit reddere simplum. (IIa-IIae q. 62 a. 3 arg. 3)
3 — Aan niemand kan men rechtvaardig ontnemen wat hij niet gehouden was te geven. Welnu,
de rechter ontneemt op rechtvaardige wijze aan hem die gestolen heeft, meer dan hij
heeft gestolen, als straf. Dus is de mens verplicht dit te voldoen. En zo volstaat
het niet enkel het ontnomen terug te geven.
Sed contra est quia restitutio reducit ad aequalitatem quod inaequaliter ablatum est.
Sed aliquis reddendo quod accepit simplum, reducit ad aequalitatem. Ergo solum tenetur
tantum restituere quantum accepit. (IIa-IIae q. 62 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de ongelijkheid, die door ontvreemding ontstaat, door
teruggave tot gelijkheid wordt teruggebracht. Welnu, wanneer iemand het ontvreemde
enkelvoudig teruggeeft, herstelt hij de gelijkheid. Derhalve is hij enkel gehouden
zoveel terug te geven als hij ontvreemd heeft.
Respondeo dicendum quod cum aliquis iniuste accipit rem alienam, duo sunt ibi. Quorum
unum est inaequalitas ex parte rei, quae quandoque est sine iniustitia, ut patet in
mutuis. Aliud autem est iniustitiae culpa, quae potest esse etiam cum aequalitate
rei, puta cum aliquis intendat inferre violentiam sed non praevalet. Quantum ergo
ad primum adhibetur remedium per restitutionem, inquantum per eam aequalitas reparatur,
ad quod sufficit quod restituat tantum quantum habuit de alieno. Sed quantum ad culpam
adhibetur remedium per poenam, cuius inflictio pertinet ad iudicem. Et ideo antequam
sit condemnatus per iudicium non tenetur plus restituere quam accepit, sed postquam
condemnatus est, tenetur poenam solvere. (IIa-IIae q. 62 a. 3 co.)
Wanneer iemand op onrechtvaardige wijze zich andermans bezit toeëigent, moet men twee
dingen in acht nemen. Het eerste is de ongelijkheid van de kant der zaak, ongelijkheid,
die soms voorkomt zonder onrechtvaardigheid, zoals blijkt bij verbruikleeningen. Het
tweede is de zonde van onrechtvaardigheid, die ook kan samengaan met gelijkheid van
de kant der zaak, b.v. als iemand een ander geweld wil aandoen zonder dat het hem
echter gelukt. Wat het eerste betreft: daaraan wordt verholpen door de teruggave,
voor zover hierdoor de gelijkheid hersteld wordt: en daartoe volstaat het evenveel
terug te geven als men van een ander had. Wat echter de zonde betreft: daaraan wordt
verholpen door een straf, die door de rechter moet worden opgelegd. En bijgevolg is
men, vóór de veroordeling van het gerecht niet gehouden om meer terug te geven dan
men ontnam; ná de veroordeling echter, is men tot het ondergaan der straf gehouden.
Et per hoc patet responsio ad primum, quia lex illa determinativa est poenae per iudicem
infligendae. Et quamvis ad observantiam iudicialis praecepti nullus teneatur post
Christi adventum, ut supra habitum est; potest tamen idem vel simile statui in lege
humana, de qua erit eadem ratio. (IIa-IIae q. 62 a. 3 ad 1)
1 — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking, daar die wet de straf bepaalt,
die door de rechter moet worden opgelegd. En hoewel na de komst van Christus niemand
gehouden is tot het naleven van de rechterlijke voorschriften (uit het Oude Verbond),
zoals boven gezegd is (I. II. 104° Kw. 3° Art.), toch kan hetzelfde of iets dergelijks
vastgesteld zijn door de menselijke wet.
Ad secundum dicendum quod Zachaeus id dixit quasi supererogare volens. Unde et praemiserat,
ecce dimidium bonorum meorum do pauperibus. (IIa-IIae q. 62 a. 3 ad 2)
2 — Zachaeus spreekt daar als iemand die meer wil doen dan wordt geëischt. Daarom zei
hij ook vooraf: «Zie Heer, de helft van mijn vermogen schenk ik aan de armen».
Ad tertium dicendum quod iudex, condemnando, iuste potest accipere aliquid amplius,
loco emendae, quod tamen, antequam condemnaretur, non debebat. (IIa-IIae q. 62 a. 3 ad 3)
3 — De rechter mag, in zijn veroordeling, op rechtmatige wijze iets meer opeisen, als
straf: hoewel hiertoe vóór de veroordeling geen verplichting bestond.
Articulus 4. Moet iemand teruggeven wat hij niet ontvreemd heeft?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod aliquis debeat restituere quod non abstulit.
Ille enim qui damnum alicui infert tenetur damnum removere. Sed quandoque aliquis
damnificat aliquem ultra id quod accepit, puta cum aliquis effodit semina, damnificat
eum qui seminavit in tota messe futura; et sic videtur quod teneatur ad eius restitutionem.
Ergo aliquis tenetur ad restitutionem eius quod non abstulit. (IIa-IIae q. 62 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat iemand moet teruggeven wat hij niet ontvreemd heeft. — 1. Hij immers,
die iemand nadeel doet, is gehouden dat nadeel te herstellen. Welnu, het gebeurt soms,
dat iemand een ander meer nadeel doet dan wat hij ontvreemdt: b.v. wanneer iemand
zaad uitgraaft, benadeelt hij hem, die gezaaid heeft, in heel de komende oogst; en
zo lijkt het dat hij tot teruggave gehouden is. Derhalve kan iemand gehouden zijn
tot teruggave van iets wat hij niet heeft ontvreemd.
Praeterea, ille qui detinet pecuniam creditoris ultra terminum praefixum videtur eum
damnificare in toto eo quod lucrari de pecunia posset. Quod tamen ipse non aufert.
Ergo videtur quod aliquis teneatur restituere quod non abstulit. (IIa-IIae q. 62 a. 4 arg. 2)
2 — Hij die geld van een schuldeiser langer behoudt dan de vooraf vastgestelde termijn,
schijnt hem nadeel te doen in al datgene wat hij door dat geld had kunnen winnen.
En toch ontvreemdt hij dit niet. Derhalve lijkt het dat iemand gehouden is terug te
geven wat hij niet ontvreemde.
Praeterea, iustitia humana derivatur a iustitia divina. Sed Deo debet aliquis restituere
plus quam ab eo accepit, secundum illud Matth. XXV, sciebas quod meto ubi non semino,
et congrego ubi non sparsi. Ergo iustum est ut etiam restituat homini aliquid quod
non accepit. (IIa-IIae q. 62 a. 4 arg. 3)
3 — De menselijke rechtvaardigheid vloeit voort uit de goddelijke rechtvaardigheid. Welnu,
aan God moet men meer teruggeven dan men van hem heeft ontvangen, naar het woord bij
Mattheus (25. 26): « Ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik verzamel,
waar ik niet heb uitgestrooid ». Het is dus rechtvaardig, dat de mens ook datgene
teruggeeft wat hij niet heeft ontnomen.
Sed contra est quod recompensatio ad iustitiam pertinet inquantum aequalitatem facit.
Sed si aliquis restitueret quod non accepit, hoc non esset aequale. Ergo talis restitutio
non est iustum quod fiat. (IIa-IIae q. 62 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de vergoeding onder de rechtvaardigheid valt, voor
zover deze gelijkheid bewerkstelligt. Welnu, er zou geen gelijkheid zijn, indien iemand
teruggaf wat hij niet ontnomen heeft. Derhalve is het niet rechtvaardig, dat zulke
teruggave geschiedt.
Respondeo dicendum quod quicumque damnificat aliquem videtur ei auferre id in quo
ipsum damnificat, damnum enim dicitur ex eo quod aliquis minus habet quam debet habere,
secundum philosophum, in V Ethic. Et ideo homo tenetur ad restitutionem eius in quo
aliquem damnificavit. Sed aliquis damnificatur dupliciter. Uno modo, quia aufertur
ei id quod actu habebat. Et tale damnum semper est restituendum secundum recompensationem
aequalis, puta si aliquis damnificet aliquem diruens domum eius, tenetur ad tantum
quantum valet domus. Alio modo damnificat aliquis aliquem impediendo ne adipiscatur
quod erat in via habendi. Et tale damnum non oportet recompensare ex aequo. Quia minus
est habere aliquid virtute quam habere actu. Qui autem est in via adipiscendi aliquid
habet illud solum secundum virtutem vel potentiam. Et ideo si redderetur ei ut haberet
hoc in actu, restitueretur ei quod est ablatum non simplum, sed multiplicatum, quod
non est de necessitate restitutionis, ut dictum est. Tenetur tamen aliquam recompensationem
facere, secundum conditionem personarum et negotiorum. (IIa-IIae q. 62 a. 4 co.)
Het blijkt dat al wie een ander nadeel doet, hem datgene ontneemt waarin hij hem benadeelt.
Naar het woord van de Wijsgeer spreekt men van nadeel, door het feit dat iemand minder
heeft dan hij moet hebben. En bijgevolg is de mens gehouden tot teruggave van datgene
waarin hij iemand benadeeld heeft. Iemand nu wordt op een dubbele wijze benadeeld.
Ten eerste, omdat hem dat ontnomen wordt wat hij metterdaad bezat. En zulk nadeel
moet altijd worden hersteld door een gelijkwaardige vergoeding: b.v. wanneer iemand
een ander benadeelt door zijn woning te vernietigen, is hij gehouden zoveel terug
te geven als het huis waard is. — Ten tweede benadeelt iemand een ander, door te beletten
dat hij datgene verwerft wat hij op weg was te bezitten. Zulk nadeel moet niet op
gelijkwaardige wijze worden vergoed. Want iets hebben in vermogen is minder, dan daadwerkelijk
te bezitten. Hij nu die op weg is een goed te bekomen, bezit het alleen in vermogen
of in aanleg. En indien het hem bijgevolg zou worden teruggegeven alsof hij het reeds
metterdaad bezat, dan zou het ontnomen hem niet enkelvoudig, maar veelvuldig worden
teruggegeven, iets wat niet onder de noodzakelijkheid van de teruggave valt, zoals
reeds werd gezegd (vorig Art.). Toch is hij gehouden tot een zekere teruggave, met
inachtneming van persoons- en zaakvoorwaarden.
Et per hoc patet responsio ad primum et secundum. Nam ille qui semen sparsit in agro
nondum habet messem in actu, sed solum in virtute; et similiter ille qui habet pecuniam
nondum habet lucrum in actu, sed solum virtute; et utrumque potest multipliciter impediri. (IIa-IIae q. 62 a. 4 ad 1)
1 — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste en tweede bedenking. Want hij, die op zijn
akker zaad uitstrooit, bezit nog niet metterdaad de oogst, maar alleen in vermogen;
en evenzo hij, die geld bezit, heeft nog niet metterdaad de winst, maar alleen in
mogelijkheid; en aan beiden kunnen op veelvuldige wijze beletselen worden gesteld.
Ad tertium dicendum quod Deus nihil requirit ab homine nisi bonum quod ipse in nobis
seminavit. Et ideo verbum illud vel intelligitur secundum pravam existimationem servi
pigri, qui existimavit se ab alio non accepisse. Vel intelligitur quantum ad hoc quod
Deus requirit a nobis fructus donorum, qui sunt et ab eo et a nobis, quamvis ipsa
dona a Deo sint sine nobis. (IIa-IIae q. 62 a. 4 ad 2)
2 — God eist van de mens niets anders op, dan het goede waarvan Hijzelf in ons het zaad
heeft neergelegd. En daarom moet dat woord worden verklaard met betrekking tot de
slechte dienaar, die dacht niets van een ander te hebben ontvangen. Ofwel moet men
het zo verstaan, dat God van ons de vrucht opeist van de gaven, die zowel van Hem
als van ons is: hoewel de gaven van God komen, zonder ons.
Articulus 5. Moet de teruggave altijd geschieden aan hem, aan wie men iets ontnomen heeft?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non oporteat restitutionem facere semper ei
a quo acceptum est aliquid. Nulli enim debemus nocere. Sed aliquando esset in nocumentum
hominis si redderetur quod ab eo acceptum est; vel etiam in nocumentum aliorum, puta
si aliquis redderet gladium depositum furioso. Ergo non semper est restituendum ei
a quo acceptum est. (IIa-IIae q. 62 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de teruggave niet altijd moet geschieden aan hem van wie men iets
genomen heeft. — 1. Wij mogen aan niemand schade doen. Welnu, soms zou het voor iemand
schadelijk zijn, hem terug te geven wat men van hem heeft ontvangen; of zelfs schadelijk
voor anderen, wanneer men een in bewaring ontvangen zwaard aan een waanzinnige zou
teruggeven. Derhalve moet de teruggave niet altijd geschieden aan hem, van wie men
iets heeft genomen.
Praeterea, ille qui illicite aliquid dedit non meretur illud recuperare. Sed quandoque
aliquis illicite dat quod alius etiam illicite accipit, sicut apparet in dante et
recipiente aliquid simoniace. Ergo non semper restituendum est ei a quo acceptum est. (IIa-IIae q. 62 a. 5 arg. 2)
2 — Hij die op onwettige wijze iets gaf, verdient niet het terug te ontvangen. Welnu,
het gebeurt soms, dat iemand iets op onwettige wijze weggeeft, dat ook door een ander
op onwettige wijze ontvangen wordt: zoals blijkt in het geval van simonie. Derhalve
moet men iets niet altijd teruggeven aan hem van wie men het nam.
Praeterea, nullus tenetur ad impossibile. Sed quandoque est impossibile restituere
ei a quo acceptum est, vel quia est mortuus, vel quia nimis distat, vel quia est ignotus.
Ergo non semper facienda est restitutio ei a quo acceptum est. (IIa-IIae q. 62 a. 5 arg. 3)
3 — Niemand is tot het onmogelijke gehouden. Welnu, het is soms onmogelijk iets terug
te geven aan hem, van wie men het genomen heeft: ofwel omdat hij gestorven is, ofwel
omdat hij te ver weg is, ofwel omdat hij onbekend is. Dus moet men niet altijd teruggeven
aan hem, van wie men iets genomen heeft.
Praeterea, magis debet homo recompensare ei a quo maius beneficium accepit. Sed ab
aliis personis homo plus accepit beneficii quam ab illo qui mutuavit vel deposuit,
sicut a parentibus. Ergo magis subveniendum est quandoque alicui personae alteri quam
restituendum ei a quo est acceptum. (IIa-IIae q. 62 a. 5 arg. 4)
4 — Een mens moet meer vergoeden aan hem van wie hij een grotere weldaad ontving. Welnu,
van sommige personen ontving de mens meer weldaden dan van hem, die hem iets leende
of in bewaring gaf: b.v. van zijn ouders. Derhalve moet men soms eerder een andere
persoon bijstaan dan hem, van wie men iets ontvangen heeft.
Praeterea, vanum est restituere illud quod ad manum restituentis per restitutionem
pervenit. Sed si praelatus iniuste aliquid Ecclesiae subtraxit et ei restituat, ad
manus eius deveniet, quia ipse est rerum Ecclesiae conservator. Ergo non debet restituere
Ecclesiae a qua abstulit. Et sic non semper restituendum est ei a quo est ablatum. (IIa-IIae q. 62 a. 5 arg. 5)
5 — Het is nutteloos datgene terug te geven, wat door teruggave weer in de handen komt
van hem die teruggeeft. Welnu, wanneer een kerkelijke overheid op onrechtvaardige
wijze iets aan de kerk onttrokken heeft en dan teruggeeft, komt het teruggegeven weer
in zijn handen: want hij is de bewaarder van het kerkelijk bezit. Derhalve moet hij
aan de kerk niet teruggeven, wat hij haar ontnomen heeft. En op die wijze moet men
niet altijd teruggeven aan hem, van wie men iets ontving.
Sed contra est quod dicitur Rom. XIII, reddite omnibus debita, cui tributum, tributum;
cui vectigal, vectigal. (IIa-IIae q. 62 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Romeinen (13. 7) gezegd wordt:
« Geeft dus aan allen wat hun toekomt; belasting aan wie ge belasting, tol aan wie
ge tol verschuldigd zijn ».
Respondeo dicendum quod per restitutionem fit reductio ad aequalitatem commutativae
iustitiae, quae consistit in rerum adaequatione, sicut dictum est. Huiusmodi autem
rerum adaequatio fieri non posset nisi ei qui minus habet quam quod suum est, suppleretur
quod deest. Et ad hanc suppletionem faciendam necesse est ut ei fiat restitutio a
quo acceptum est. (IIa-IIae q. 62 a. 5 co.)
De teruggave herstelt de gelijkheid van de ruilrechtvaardigheid die bestaat in een
zekere gelijkmaking van de dingen, zoals gezegd is (2° Art.; 58° Kw. 10° Art.). Deze
gelijkmaking van dingen nu kan niet geschieden, tenzij aan hem, die minder bezit dan
hem toekomt, het tekort wordt vergoed. En tot zulk een vergoeding is het noodzakelijk,
dat de teruggave geschiedt aan hem, van wie men iets genomen heeft.
Ad primum ergo dicendum quod quando res restituenda apparet esse graviter noxia ei
cui restitutio facienda est vel alteri, non ei debet tunc restitui, quia restitutio
ordinatur ad utilitatem eius cui restituitur; omnia enim quae possidentur sub ratione
utilis cadunt. Nec tamen debet ille qui detinet rem alienam, sibi appropriare, sed
vel reservare ut congruo tempore restituat, vel etiam alibi tradere tutius conservandam. (IIa-IIae q. 62 a. 5 ad 1)
1 — Wanneer de zaak, die moet worden teruggegeven, zeer schadelijk blijkt te zijn voor
hem aan wie zij moet worden teruggegeven, of voor een ander, dan moet zij niet worden
teruggegeven: de teruggave immers heeft tot doel het nut van hem aan wie iets teruggegeven
wordt; want alle bezit wordt als nuttig aanzien. Toch moet hij, die iets van een ander
heeft, het zich niet toeëigenen: maar wel bewaren om het te rechter tijd terug te
geven, ofwel het aan een ander toevertrouwen in verzekerde bewaring.
Ad secundum dicendum quod aliquis dupliciter aliquid illicite dat uno modo, quia ipsa
datio est illicita et contra legem, sicut patet in eo qui simoniace aliquid dedit.
Talis meretur amittere quod dedit, unde non debet ei restitutio fieri de his. Et quia
etiam ille qui accepit contra legem accepit, non debet sibi retinere, sed debet in
pios usus convertere. Alio modo aliquis illicite dat quia propter rem illicitam dat,
licet ipsa datio non sit illicita, sicut cum quis dat meretrici propter fornicationem.
Unde et mulier potest sibi retinere quod ei datum est, et si superflue aliquid per
fraudem vel dolum extorsisset, tenetur eidem restituere. (IIa-IIae q. 62 a. 5 ad 2)
2 — Men kan iets op onwettige wijze geven op twee manieren. Ten eerste, omdat het geven
zelf ongeoorloofd is en tegen de wet: zoals blijkt bij iemand, die op simonistische
wijze iets geeft. Zo iemand verdient te verliezen wat hij geeft: daarom moet hem hiervoor
niets worden teruggegeven. En daar ook hij, die ontving, tegen de wet in ontving,
mag hij het ontvangene niet voor zich behouden, maar moet het gebruiken voor goede
werken. Ten tweede geeft iemand iets op onwettige wijze, omdat hij geeft voor een
onwettige zaak, hoewel het geven zelf niet onwettig is: zoals wanneer iemand aan een
lichtekooi de prijs voor ontucht betaalt. Daarom mag die vrouw voor zich houden wat
haar gegeven werd: doch wanneer zij door bedrog of list te veel aftroggelde, is zij
verplicht tot teruggave aan de betrokken persoon.
Ad tertium dicendum quod si ille cui debet fieri restitutio sit omnino ignotus, debet
homo restituere secundum quod potest, scilicet dando in eleemosynas pro salute ipsius,
sive sit mortuus sive sit vivus; praemissa tamen diligenti inquisitione de persona
eius cui est restitutio facienda. Si vero sit mortuus ille cui est restitutio facienda,
debet restitui heredi eius, qui computatur quasi una persona cum ipso. Si vero sit
multum distans, debet sibi transmitti quod ei debetur, et praecipue si sit res magni
valoris, et possit commode transmitti. Alioquin debet in aliquo loco tuto deponi ut
pro eo conservetur, et domino significari. (IIa-IIae q. 62 a. 5 ad 3)
3 — Wanneer de persoon aan wie iets moet worden teruggegeven helemaal onbekend is, dan
moet men teruggeven voor zover dat mogelijk is, nl. door het als aalmoes weg te geven
voor de zaligheid van de bezitter, hetzij hij gestorven is, hetzij hij leeft; toch
moet een nauwkeurig onderzoek omtrent de persoon aan wie moet worden teruggegeven,
voorafgaan. — Wanneer hij aan wie de teruggave moest worden gedaan gestorven is, dan
moet zij geschieden aan zijn erfgenaam, die beschouwd wordt als één persoon met hem
uit te maken. Wanneer hij veraf is, dan moet hem worden overgemaakt wat hem verschuldigd
is, vooral wanneer het gaat om een zaak van grote waarde, en zij gemakkelijk kan worden
overgemaakt. Anders moet zij op een verzekerde plaats worden gebracht om voor hem
te worden bewaard, en hiervan moet aan de eigenaar kennis worden gegeven.
Ad quartum dicendum quod aliquis de hoc quod est sibi proprium debet magis satisfacere
parentibus vel his a quibus accepit maiora beneficia. Non autem debet aliquis recompensare
benefactori de alieno, quod contingeret si quod debet uni alteri restitueret, nisi
forte in casu extremae necessitatis, in quo posset et deberet aliquis etiam auferre
aliena ut patri subveniret. (IIa-IIae q. 62 a. 5 ad 4)
4 — Van hetgeen iemand in eigendom bezit, moet hij meer vergelden aan zijn ouders of aan
hen van wie hij grote weldaden heeft ontvangen. Toch moet niemand aan een weldoener
vergoeden van andermans bezit, wat zou gebeuren als hij aan de een geeft wat hij aan
de ander verschuldigd is; tenzij misschien in geval van uiterste nood, waarin iemand
andermans bezit zou mogen en moeten ontvreemden, om zijn vader voort te helpen.
Ad quintum dicendum quod praelatus potest rem Ecclesiae surripere tripliciter. Uno
modo, si rem Ecclesiae non sibi deputatam, sed alteri, sibi usurparet, puta si episcopus
usurparet sibi rem capituli. Et tunc planum est quod debet restituere ponendo in manus
eorum ad quos de iure pertinet. Alio modo, si rem Ecclesiae suae custodiae deputatam
in alterius dominium transferat, puta consanguinei vel amici. Et tunc debet Ecclesiae
restituere, et sub sua cura habere ut ad successorem perveniat. Alio modo potest praelatus
surripere rem Ecclesiae solo animo, dum scilicet incipit habere animum possidendi
eam ut suam, et non nomine Ecclesiae. Et tunc debet restituere talem animum deponendo. (IIa-IIae q. 62 a. 5 ad 5)
5 — Een prelaat kan op driedubbele wijze het goed van de kerk ontvreemden. Ten eerste,
wanneer hij zich een kerkelijk goed, voor een ander bestemd, wederrechtelijk zou toeëigenen:
b.v. wanneer een bisschop zich het goed van het kapittel zou toeëigenen. In dit geval
is het duidelijk, dat hij het moet teruggeven door het over te leveren in de handen
van hen, aan wie het in rechte toekomt. — Ten tweede, door een kerkelijk goed, dat
aan zijn zorgen was toevertrouwd, aan een ander over te maken: b.v. aan een familielid
of aan een vriend. En in dit geval moet hij het aan de kerk teruggeven, en er zelf
voor zorgen, dat het aan zijn opvolger overgaat. — Ten derde kan een prelaat een kerkelijk
goed enkel in de geest ontvreemden, wanneer hij namelijk begint te verlangen het goed
in eigendom te bezitten, en niet in naam van de kerk. En dan moet de teruggave geschieden
door het afleggen van dat verlangen.
Articulus 6. Is het altijd hij die ontvangen heeft, die moet teruggeven?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non teneatur semper restituere ille qui accepit.
Per restitutionem enim reparatur aequalitas iustitiae, quae consistit in hoc quod
subtrahatur ei qui plus habet et detur ei qui minus habet. Sed contingit quandoque
quod ille qui rem aliquam subtraxit alicui non habet eam, sed devenit ad manus alterius.
Ergo non tenetur ille restituere qui accepit, sed alius qui rem habet. (IIa-IIae q. 62 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat niet altijd hij die ontvangen heeft, moet teruggeven. — 1. Door de
teruggave immers wordt de gelijkheid van de rechtvaardigheid hersteld, die hierin
bestaat, dat aan hem, die te veel heeft, ontnomen wordt en gegeven aan hem die te
weinig heeft. Soms komt het echter voor, dat hij die aan een ander iets ontnam, het
niet heeft, maar het in andere handen overgaf. Dus niet hij die ontnam is tot teruggave
gehouden, maar de andere, die de zaak heeft.
Praeterea, nullus tenetur crimen suum detegere. Sed aliquando aliquis restitutionem
faciendo crimen suum detegit, ut patet in furto. Ergo non semper tenetur ille qui
abstulit restituere. (IIa-IIae q. 62 a. 6 arg. 2)
2 — Niemand is gehouden zijn misdrijf kenbaar te maken. Welnu, soms maakt iemand zijn
misdrijf bekend door terug te geven, zoals blijkt bij diefstal. Dus is niet altijd
hij die iets ontvreemde tot teruggave gehouden.
Praeterea, eiusdem rei non est multoties restitutio facienda. Sed quandoque multi
simul aliquam rem surripiunt et unus eorum eam integre restituit. Ergo non semper
ille qui accepit tenetur ad restituendum. (IIa-IIae q. 62 a. 6 arg. 3)
3 — Men is niet verplicht dezelfde zaak verscheidene malen terug te geven. Welnu, het
gebeurt dat velen tegelijk een zaak ontstelen, en dat een van hen de zaak in haar
geheel teruggeeft. Dus is niet altijd hij die ontving, tot teruggave gehouden.
Sed contra, ille qui peccavit tenetur satisfacere. Sed restitutio ad satisfactionem
pertinet. Ergo ille qui abstulit tenetur restituere. (IIa-IIae q. 62 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat hij die zondigde tot voldoening gehouden is. Welnu,
de teruggave valt onder de voldoening. Dus hij die ontnomen heeft, is tot teruggave
gehouden.
Respondeo dicendum quod circa illum qui rem alienam accepit duo sunt consideranda,
scilicet ipsa res accepta, et ipsa acceptio. Ratione autem rei tenetur eam restituere
quandiu eam apud se habet, quia quod habet ultra id quod suum est, debet ei subtrahi
et dari ei cui deest, secundum formam commutativae iustitiae. Sed ipsa acceptio rei
alienae potest tripliciter se habere. Quandoque enim est iniuriosa, scilicet contra
voluntatem existens eius qui est rei dominus, ut patet in furto et rapina. Et tunc
tenetur ad restitutionem non solum ratione rei, sed etiam ratione iniuriosae actionis,
etiam si res apud ipsum non remaneat. Sicut enim qui percutit aliquem tenetur recompensare
iniuriam passo, quamvis nihil apud ipsum maneat; ita etiam qui furatur vel rapit tenetur
ad recompensationem damni illati, etiam si nihil inde habeat; et ulterius pro iniuria
illata debet puniri. Alio modo aliquis accipit rem alterius in utilitatem suam absque
iniuria, cum voluntate scilicet eius cuius est res, sicut patet in mutuis. Et tunc
ille qui accepit tenetur ad restitutionem eius quod accepit non solum ratione rei,
sed etiam ratione acceptionis, etiam si rem amiserit, tenetur enim recompensare ei
qui gratiam fecit, quod non fiet si per hoc damnum incurrat. Tertio modo aliquis accipit
rem alterius absque iniuria non pro sua utilitate, sicut patet in depositis. Et ideo
ille qui sic accepit in nullo tenetur ratione acceptionis, quinimmo accipiendo impendit
obsequium, tenetur autem ratione rei. Et propter hoc, si ei subtrahatur res absque
sua culpa, non tenetur ad restitutionem. Secus autem esset si cum magna sua culpa
rem depositam amitteret. (IIa-IIae q. 62 a. 6 co.)
Met betrekking tot hem, die andermans goed ontvreemde, moeten twee dingen in acht
genomen worden: namelijk de verworven zaak, en het verwerven zelf. Om de zaak zelf
is hij gehouden tot teruggave ervan, zolang hij haar bij zich heeft: want datgene
wat iemand meer heeft dan hem toekomt, moet hem ontnomen worden, en gegeven aan hem
wie het ontbreekt, overeenkomstig de aard van de ruilrechtvaardigheid. Het ontnemen
zelf van andermans goed kan op drieërlei wijze gebeuren. Soms immers is het ontnemen
wederrechtelijk, dat wil zeggen tegen de wil in van de bezitter der zaak: zoals blijkt
bij diefstal en roof. En dan is men tot teruggave gehouden, niet alleen omwille van
de zaak, maar tevens omwille van de wederrechtelijke handelwijze, ook al behoudt men
de zaak niet bij zich. Zo immers is hij, die iemand slaat, gehouden tot vergoeding
aan hem, die onrecht leed, hoewel niets bij hem blijft; zo ook is iemand die steelt
of rooft, gehouden tot vergoeding van de toegebrachte schade, ook wanneer hij er niets
aan heeft; en verder moet hij voor het aangedaan onrecht worden gestraft. Ten tweede
verkrijgt iemand andermans goed voor zijn eigen nut, niet op wederrechtelijke wijze,
maar met de instemming van hem aan wie het goed behoort, zoals blijkt bij leningen.
En in dit geval is degene, die ontving, tot teruggave van het ontvangene gehouden,
niet alleen omwille van de zaak, maar ook omwille van het ontvangen, ook dan wanneer
hij de zaak zou hebben verloren: hij is immers gehouden tot vergoeding aan hem, die
de weldaad bewees, wat niet zou gebeuren als deze hierdoor schade zou lijden. Ten
derde ontvangt iemand het goed van een ander niet op wederrechtelijke wijze, en niet
voor zijn eigen nut: zoals blijkt bij het in bewaring geven. En bijgevolg is hij,
die ontving, helemaal niet tot teruggave gehouden krachtens het ontvangen, want door
het ontvangen bewijst hij veeleer een dienst: omwille van de zaak echter is hij gehouden.
En hierom is hij niet gehouden tot teruggave wanneer de zaak hem wordt ontnomen buiten
zijn eigen schuld. Anders ware het, wanneer hij de in bewaring ontvangen zaak door
eigen, grote schuld zou verliezen.
Ad primum ergo dicendum quod restitutio non ordinatur principaliter ad hoc quod ille
qui plus habet quam debet, habere desinat, sed ad hoc quod illi qui minus habet suppleatur.
Unde in his rebus quae unus potest ab alio accipere sine eius detrimento, non habet
locum restitutio, puta cum aliquis accipit lumen a candela alterius. Et ideo quamvis
ille qui abstulit non habeat id quod accepit, sed in alium sit translatum; quia tamen
alter privatur re sua, tenetur ei ad restitutionem et ille qui rem abstulit, ratione
iniuriosae actionis; et ille qui rem habet, ratione ipsius rei. (IIa-IIae q. 62 a. 6 ad 1)
1 — I. Het doel van de teruggave bestaat niet voornamelijk hierin, dat hij die meer heeft
dan hem toekomt zou ophouden dat te bezitten: maar wel dat aan hem die minder heeft,
bijgegeven wordt. Daarom heeft er geen teruggave plaats bij die dingen, die de een
kan ontvangen van de ander zonder dat deze er schade door lijdt; zo b.v. wanneer iemand
licht krijgt van een andermans kandelaar. En bijgevolg is hij die ontnam — hoewel
hij het ontnomme niet meer heeft, daar hij het aan een ander overliet — toch tot teruggave
gehouden, omdat de andere van zijn goed beroofd wordt: hij die de zaak ontnam is tot
teruggave verplicht, om wille van zijn wederrechtelijke daad; en hij die de zaak heeft,
om wille van de zaak zelf.
Ad secundum dicendum quod homo, etsi non teneatur crimen suum detegere hominibus,
tenetur tamen crimen suum detegere Deo in confessione. Et ita per sacerdotem cui confitetur
potest restitutionem facere rei alienae. (IIa-IIae q. 62 a. 6 ad 2)
2 — Hoewel de mens niet verplicht is zijn misdrijf aan de mensen bekend te maken, toch
is hij gehouden dat misdrijf aan God te openbaren in de biecht. En zo mag hij de terugave
van andermans goed volbrengen door de priester, aan wie hij zijn biecht spreekt.
Ad tertium dicendum quod quia restitutio principaliter ordinatur ad removendum damnum
eius a quo est aliquid iniuste ablatum, ideo postquam ei restitutio sufficiens facta
est per unum, alii non tenentur ei ulterius restituere, sed magis refusionem facere
ei qui restituit, qui tamen potest condonare. (IIa-IIae q. 62 a. 6 ad 3)
3 — Daar de teruggave voornamelijk tot doel heeft de schade te herstellen van hem aan
wie op onrechtvaardige wijze iets werd ontnomen, daarom zijn de anderen niet meer
verplicht terug te geven wanneer één reeds op voldoende wijze teruggaf; veeleer zijn
zij gehouden tot uitkeering aan hem die teruggaf, hoewel die mag kwijtschelden.
Articulus 7. Zijn zij die niet ontvingen, tot teruggave verplicht
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod illi qui non acceperunt non teneantur restituere.
Restitutio enim quaedam poena est accipientis. Sed nullus debet puniri nisi qui peccavit.
Ergo nullus debet restituere nisi qui accepit. (IIa-IIae q. 62 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert dat zij die niet ontvingen, niet tot teruggave verplicht zijn. — 1. De
teruggave immers is een zekere straf voor hem die ontnam. Welnu, niemand moet worden
gestraft tenzij hij zondigde. Derhalve moet niemand teruggeven, dan alleen hij die
ontnomen heeft.
Praeterea, iustitia non obligat aliquem ad hoc quod rem alterius augeat. Sed si ad
restitutionem teneretur non solum ille qui accepit, sed etiam illi qui qualitercumque
cooperantur, augeretur ex hoc res illius cui est aliquid subtractum, tum quia sibi
multoties restitutio fieret; tum etiam quia quandoque aliqui operam dant ad hoc quod
aliqua res alicui auferatur, quae tamen ei non aufertur. Ergo non tenentur alii ad
restitutionem. (IIa-IIae q. 62 a. 7 arg. 2)
2 — De rechtvaardigheid verplicht niemand tot het vermeerderen van andermans goed. Welnu,
wanneer niet alleen hij, die ontnam, tot teruggave zou verplicht zijn, maar ook zij
die, hoe dan ook, hebben meegewerkt, zou daardoor het goed van hem aan wie iets werd
ontnomen, vermeerderd worden: én omdat het ontnomme hem meerdere malen zou worden
teruggegeven, én tevens omdat sommigen soms hulp verlenen opdat aan iemand een zaak
zou worden ontnomen, hoewel zij hem niet ontnemen. Dus zijn de anderen niet tot teruggave
verplicht.
Praeterea, nullus tenetur se periculo exponere ad hoc quod rem alterius salvet. Sed
aliquando, manifestando latronem vel ei resistendo, aliquis periculo mortis se exponeret.
Non ergo tenetur aliquis ad restitutionem propter hoc quod non manifestat latronem,
vel non ei resistit. (IIa-IIae q. 62 a. 7 arg. 3)
3 — Niemand is verplicht zich in gevaar te stellen om het goed van een ander te redden.
Welnu, soms zou iemand zich aan doodsgevaar blootstellen, door een rover bekend te
maken of hem te weerstaan. Derhalve is niemand verplicht tot teruggave, omdat hij
de rover niet bekend maakt of hem niet weerstaat.
Sed contra est quod dicitur Rom. I, digni sunt morte non solum qui faciunt, sed etiam
qui consentiunt facientibus. Ergo, pari ratione, etiam consentientes debent restituere. (IIa-IIae q. 62 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter het woord uit de Brief aan de Romeinen (1. 32): « Niet
enkel zij die dergelijke dingen doen verdienen de dood, maar ook zij die instemmen
met hen die ze doen ». Om gelijke reden dus zijn zij die instemmen tot teruggave verplicht.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, ad restitutionem tenetur aliquis non solum
ratione rei alienae quam accepit, sed etiam ratione iniuriosae acceptionis. Et ideo
quicumque est causa iniustae acceptionis tenetur ad restitutionem quod quidem contingit
dupliciter, directe scilicet, et indirecte. Directe quidem, quando inducit aliquis
alium ad accipiendum. Et hoc quidem tripliciter. Primo quidem, movendo ad ipsam acceptionem,
quod quidem fit praecipiendo, consulendo, consentiendo expresse, et laudando aliquem
quasi strenuum de hoc quod aliena accipit. Alio modo, ex parte ipsius accipientis,
quia scilicet eum receptat, vel qualitercumque ei auxilium fert. Tertio modo, ex parte
rei acceptae, quia scilicet est particeps furti vel rapinae, quasi socius maleficii.
Indirecte vero, quando aliquis non impedit, cum possit et debeat impedire, vel quia
subtrahit praeceptum sive consilium impediens furtum sive rapinam; vel quia subtrahit
suum auxilium, quo posset obsistere; vel quia occultat post factum. Quae his versibus
comprehenduntur, iussio, consilium, consensus, palpo, recursus, participans, mutus,
non obstans, non manifestans. Sciendum tamen quod quinque praemissorum semper obligant
ad restitutionem. Primo, iussio, quia scilicet ille qui iubet est principaliter movens;
unde ipse principaliter tenetur ad restituendum. Secundo, consensus, in eo scilicet
sine quo rapina fieri non potest. Tertio, recursus, quando scilicet aliquis est receptator
latronum et eis patrocinium praestat. Quarto, participatio, quando scilicet aliquis
participat in crimine latrocinii et in praeda. Quinto, tenetur ille qui non obstat,
cum obstare teneatur, sicut principes, qui tenentur custodire iustitiam in terra,
si per eorum defectum latrones increscant, ad restitutionem tenentur; quia redditus
quos habent sunt quasi stipendia ad hoc instituta ut iustitiam conservent in terra.
In aliis autem casibus enumeratis non semper obligatur aliquis ad restituendum. Non
enim semper consilium vel adulatio, vel aliquid huiusmodi, est efficax causa rapinae.
Unde tunc solum tenetur consiliator aut palpo, idest adulator, ad restitutionem, quando
probabiliter aestimari potest quod ex huiusmodi causis fuerit iniusta acceptio subsecuta. (IIa-IIae q. 62 a. 7 co.)
Zoals gezegd werd (vorig Artikel), is iemand tot teruggave verplicht, niet alleen
om reden van de zaak die hij ontnaam, maar ook om wille van de wederrechtelijke ontvreemding.
En bijgevolg is ieder, die oorzaak is van een wederrechtelijke ontvreemding, tot teruggave
verplicht. Dit nu kan zich op tweeërlei wijze voordoen: rechtstreeks en onrechtstreeks.
Rechtstreeks, wanneer iemand een ander aanzet tot ontvreemding. En dit weer op drieërlei
wijze. Ten eerste, door hem tot de ontvreemding te bewegen: dit nu geschiedt door
gebod, door aanraden, door uitdrukkelijke instemming, door hem hoog te prijzen omdat
hij andermans goed ontvreemdt. Ten tweede, van de kant van de ontvreemder zelf: omdat
hij hem niet een schuilplaats aanbiedt of hem hoe dan ook helpt. Ten derde, van de
kant van de ontvreemde zaak: omdat hij deel neemt aan de diefstal of de roof, als
gezel van de misdadiger. Onrechtstreeks echter, wanneer iemand niet belet, wanneer
hij zou kunnen en moeten beletten: hetzij omdat hij een gebod of raadgeving intrekt,
die de diefstal of de roof zouden beletten; hetzij door het feit te verduiken. Dit
alles is samengevat in het volgende vers: Bevel, daad, instemming, vleierij, bescherming:
Deelname, verzwijgend, niet belettend, niet aanklagend. Nu moet men in acht nemen,
dat vijf der genoemde manieren tot teruggave verplichten. Ten eerste, het bevel: want
hij die beveelt is de voornaamste beweger; daarom is hij voornamelijk tot teruggave
verplicht. Ten tweede, de instemming: namelijk met datgene zonder hetwelk de roof
geen plaats zou kunnen hebben. Ten derde, de bescherming: wanneer namelijk iemand
de rovers opneemt en ze beschermt. Ten vierde, de deelname: wanneer namelijk iemand
deelneemt aan een roofmisdrijf en deelt van de buit. Ten vijfde is hij, die niet belet,
wanneer hij moet beletten, tot teruggave verplicht: zo zijn de vorsten, die de verplichting
hebben de rechtvaardigheid op aarde te bewaren, als door hun tekortkomingen de rovers
aangroeien, tot teruggave verplicht; want de wedde, die zij ontvangen is als 't ware
een bezoldiging, die hun werd toegekend, opdat zij zouden waken over de rechtvaardigheid
op aarde. In de andere aangevoerde gevallen is men niet altijd tot teruggave verplicht.
Raadgeving immers en vleierij of iets dergelijks, zijn niet altijd afdoende oorzaken
van roof. Daarom is de raadgever of de vleier enkel tot teruggave verplicht, wanneer
men met waarschijnlijkheid kan gissen, dat uit die oorzaken de wederrechtelijke ontvreemding
gevolgd is.
Ad primum ergo dicendum quod non solum peccat ille qui peccatum exequitur, sed etiam
qui quocumque modo peccati est causa sive consiliando, sive praecipiendo, sive quovis
alio modo. (IIa-IIae q. 62 a. 7 ad 1)
1 — Niet alleen zondigt hij, die de zonde bedrijft, maar ook hij, die op gelijk welke
wijze oorzaak van de zonde is, hetzij door raadgeving, hetzij door bevel, hetzij op
een andere wijze.
Ad secundum dicendum quod principaliter tenetur restituere ille qui est principalis
in facto, principaliter quidem praecipiens, secundario exequens, et consequenter alii
per ordinem. Uno tamen restituente illi qui passus est damnum, alius eidem restituere
non tenetur, sed illi qui sunt principales in facto, et ad quos res pervenit, tenentur
aliis restituere qui restituerunt. Quando autem aliquis praecipit iniustam acceptionem
quae non subsequitur, non est restitutio facienda, cum restitutio principaliter ordinetur
ad reintegrandam rem eius qui iniuste est damnificatus. (IIa-IIae q. 62 a. 7 ad 2)
2 — Hij die feitelijk de voornaamste oorzaak is, is voornamelijk verplicht tot teruggave:
eerst en vooral hij die beveelt, daarna de uitvoerder, en vervolgens de anderen in
rangorde. Wanneer echter één de teruggave aan hem die schade leed op zich neemt, is
geen ander nog verplicht aan dezelfde iets terug te geven: maar zij, die de voornaamste
oorzaken zijn in feite, en die de zaak in hun bezit hebben, zijn tot teruggave verplicht
aan hen die restitutie deden. Wanneer echter iemand een wederrechtelijke ontvreemding
beveelt, die dan toch niet volgt, is hij niet tot teruggave verplicht: want de teruggave
heeft voornamelijk als doel, een zaak terug te bezorgen aan hem, die op onrechtvaardige
wijze schade leed.
Ad tertium dicendum quod non semper ille qui non manifestat latronem tenetur ad restitutionem,
aut qui non obstat, vel qui non reprehendit, sed solum quando incumbit alicui ex officio,
sicut principibus terrae. Quibus ex hoc non multum imminet periculum, propter hoc
enim potestate publica potiuntur, ut sint iustitiae custodes. (IIa-IIae q. 62 a. 7 ad 3)
3 — Niet altijd is hij, die de rover niet aanklaagt, of de roof niet belet, of de rover
niet terechtwijst, tot teruggave verplicht; maar alleen wanneer hem dat van ambtswege
toekomt, zoals aan de vorsten dezer aarde. Voor hen dreigt hierin niet veel gevaar:
zij worden immers met openbare macht begiftigd, opdat zij bewakers van de rechtvaardigheid
zouden zijn.
Articulus 8. Is iemand tot onverwijlde teruggave verplicht, of kan de teruggave wettig verdaagd
worden?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod non teneatur aliquis statim restituere, sed
potius licite possit restitutionem differre. Praecepta enim affirmativa non obligant
ad semper. Sed necessitas restituendi imminet ex praecepto affirmativo. Ergo non obligatur
homo ad statim restituendum. (IIa-IIae q. 62 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert, dat iemand niet tot onverwijlde teruggave verplicht is, maar dat hij
eerder op wettige wijze de teruggave zou kunnen verdagen. — 1. Immers, gebiedende
voorschriften verplichten niet altijd en overal. Welnu, de noodzakelijkheid van de
teruggave vloeit voort uit een gebiedend voorschrift. Dus is de mens niet verplicht
tot onverwijlde teruggave.
Praeterea, nullus tenetur ad impossibile. Sed quandoque aliquis non potest statim
restituere. Ergo nullus tenetur ad statim restituendum. (IIa-IIae q. 62 a. 8 arg. 2)
2 — Niemand is tot het onmogelijke gehouden. Welnu, soms kan iemand niet onmiddellijk
teruggeven. Dus is niemand verplicht tot onverwijlde teruggave.
Praeterea, restitutio est quidam actus virtutis, scilicet iustitiae. Tempus autem
est una de circumstantiis quae requiruntur ad actus virtutum. Cum igitur aliae circumstantiae
non sint determinatae in actibus virtutum, sed determinabiles secundum rationem prudentiae;
videtur quod nec in restitutione sit tempus determinatum, ut scilicet aliquis teneatur
ad statim restituendum. (IIa-IIae q. 62 a. 8 arg. 3)
3 — De teruggave is een daad van deugd, nl. van rechtvaardigheid. De gepaste tijd nu is
een van de omstandigheden, die tot de deugddaden vereist zijn. Daar nu de andere omstandigheden
niet bepaald zijn voor de deugddaden, maar bepaalbaar overeenkomstig de verstandigheid,
daarom lijkt het wel dat ook bij de teruggave de tijd niet bepaald is, nl. dat iemand
zou verplicht zijn tot onverwijlde teruggave.
Sed contra est quod eadem ratio esse videtur in omnibus quae sunt restituenda. Sed
ille qui conducit opera mercenarii non potest differre restitutionem, ut patet per
illud quod habetur Levit. XIX non morabitur opus mercenarii tui apud te usque mane.
Ergo neque in aliis restitutionibus faciendis potest fieri dilatio, sed statim restituere
oportet. (IIa-IIae q. 62 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat voor alle gevallen van teruggave dezelfde regeling
dient getroffen te worden. Welnu, hij die de arbeid van een dagloner huurt mag de
teruggave niet verdagen: zoals blijkt uit wat gezegd wordt in het Boek Leviticus (19.
13): « Het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet vernachten tot aan de morgen
». Dus is verdaging ook bij andere teruggaven niet geoorloofd, maar men moet onmiddellijk
teruggeven.
Respondeo dicendum quod sicut accipere rem alienam est peccatum contra iustitiam,
ita etiam detinere eam, quia per hoc quod aliquis detinet rem alienam invito domino,
impedit eum ab usu rei suae, et sic ei facit iniuriam. Manifestum est autem quod nec
per modicum tempus licet in peccato morari, sed quilibet tenetur statim peccatum deserere,
secundum illud Eccli. XXI, quasi a facie colubri fuge peccatum. Et ideo quilibet tenetur
statim restituere, vel petere dilationem ab eo qui potest usum rei concedere. (IIa-IIae q. 62 a. 8 co.)
Evenals het een zonde tegen de rechtvaardigheid is, andermans goed te ontvreemden,
zo ook dat goed te behouden. Want doordat iemand andermans goed behoudt tegen de wil
van de eigenaar in, belet hij hem zijn goed te gebruiken, en zo doet hij hem onrecht.
Nu is het klaarblijkelijk, dat men zelfs niet gedurende een korte tijd in zonde mag
blijven, maar iedereen is verplicht onmiddellijk de zonde af te leggen, naar het woord
van het Boek Ecclesiasticus (21. 2): « Vlucht de zonde als het aangezicht van de slang
». En bijgevolg is iedereen verplicht onmiddellijk terug te geven, of uitstel te vragen
aan hem, die het gebruik van de zaak kan toestaan.
Ad primum ergo dicendum quod praeceptum de restitutione facienda, quamvis secundum
formam sit affirmativum, implicat tamen in se negativum praeceptum, quo prohibemur
rem alterius detinere. (IIa-IIae q. 62 a. 8 ad 1)
1 — Hoewel het voorschrift over de verplichting van teruggaaf gebiedend is naar zijn vorm,
sluit het toch een verbiedend gebod in, waardoor het ons verboden wordt het goed van
een ander te behouden.
Ad secundum dicendum quod quando aliquis non potest statim restituere, ipsa impotentia
absolvit eum ab instanti restitutione facienda, sicut etiam totaliter a restitutione
absolvitur si omnino sit impotens. Debet tamen remissionem vel dilationem petere ab
eo cui debet, aut per se aut per alium. (IIa-IIae q. 62 a. 8 ad 2)
2 — Wanneer iemand niet in staat is onmiddellijk restitutie te doen, ontslaat die onmacht
zelf hem van de onmiddellijke teruggave: evenals hij helemaal van teruggave ontslagen
is, wanneer hij helemaal onmachtig is. Toch moet hij zelf, of door een ander, kwijtschelding
of verdaging vragen aan hem aan wie hij verplichting heeft.
Ad tertium dicendum quod cuiuscumque circumstantiae omissio contrariatur virtuti,
pro determinata est habenda, et oportet illam circumstantiam observare. Et quia per
dilationem restitutionis committitur peccatum iniustae detentionis, quod iustitiae
opponitur, ideo necesse est tempus esse determinatum, ut statim restitutio fiat. (IIa-IIae q. 62 a. 8 ad 3)
3 — Daar het verwaarlozen van gelijk welke omstandigheid in strijd is met de deugd, moet
zij als bepaald beschouwd worden, en moet die omstandigheid worden in acht genomen.
En daar door het verdagen van de teruggave de zonde van onrechtvaardig behouden wordt
bedreven, wat met de deugd van rechtvaardigheid in strijd is, is het noodzakelijk
dat de tijd bepaald is, zodat de teruggave onmiddellijk moet gebeuren.