QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 85.
Over de Offers .

Prooemium

Deinde considerandum est de actibus quibus aliquae res exteriores Deo offeruntur. Circa quos occurrit duplex consideratio, primo quidem, de his quae Deo a fidelibus dantur; secundo, de votis, quibus ei aliqua promittuntur. Circa primum, considerandum est de sacrificiis, oblationibus, primitiis et decimis. Circa sacrificia quaeruntur quatuor. Primo, utrum offerre Deo sacrificium sit de lege naturae. Secundo, utrum soli Deo sit sacrificium offerendum. Tertio, utrum offerre sacrificium sit specialis actus virtutis. Quarto, utrum omnes teneantur ad sacrificium offerendum. (IIa-IIae q. 85 pr.)

Vervolgens moeten de daden besproken worden, waardoor buiten ons staande dingen aan God worden opgedragen. Hierbij zijn twee dingen te behandelen, en wel ten eerste wat door de gelovigen aan God wordt gegeven, en dan de geloften, waardoor Hem iets wordt beloofd (88e Kw.). Wat het eerste betreft, moeten wij spreken over de offers, de wijgeschenken (86e Kw.), de eerstelingenoffers (dezelfde Kw. 4e Art.), en de tienden (87e Kw.). Over de offers stellen wij ons vier vragen: 1. Valt het onder de natuurwet God een offer op te dragen? 2. Moet een offer alleen aan God worden opgedragen? 3. Is het opdragen van een offer een daad van een afzonderlijke deugd? 4. Zijn allen verplicht een offer op te dragen?

Articulus 1.
Valt het onder de natuurwet God een offer te dragen?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod offerre sacrificium Deo non sit de lege naturae. Ea enim quae sunt iuris naturalis communia sunt apud omnes. Non autem hoc contingit circa sacrificia, nam quidam leguntur obtulisse in sacrificium panem et vinum, sicut de Melchisedech dicitur, Gen. XIV; et quidam haec, quidam illa animalia. Ergo oblatio sacrificiorum non est de iure naturali. (IIa-IIae q. 85 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het opdragen van een offer niet onder de natuurwet valt. Want wat onder de natuurwet valt, hebben allen gemeen. Dat is echter bij het offer niet het geval; want van sommigen leest men, dat zij brood en wijn als offer opdroegen, zoals in het Boek der Schepping (14. 18) van Melchisedech wordt gezegd; en van anderen, dat zij verschillende dieren offerden. Dus valt het opdragen van een offer niet onder de natuurwet.

Praeterea, ea quae sunt iuris naturalis omnes iusti servaverunt. Sed non legitur de Isaac quod sacrificium obtulerit, neque etiam de Adam, de quo tamen dicitur, Sap. X, quod sapientia eduxit eum a delicto suo. Ergo oblatio sacrificii non est de iure naturali. (IIa-IIae q. 85 a. 1 arg. 2)

2 — Wat onder de natuurwet valt, hebben alle rechtvaardigen onderhouden. Maar van Isaac leest men niet, dat hij een offer opdroeg, en evenmin van Adam, waarvan toch geschreven staat in het Boek der Wijsheid (10, 2) dat « de wijsheid hem van zijn misdaad verloste. » Dus valt het opdragen van een offer niet onder de natuurwet.

Praeterea, Augustinus dicit, X de Civ. Dei, quod sacrificia in quadam significantia offeruntur. Voces autem, quae sunt praecipua inter signa, sicut idem dicit, in libro de Doct. Christ., non significant naturaliter, sed ad placitum, secundum philosophum. Ergo sacrificia non sunt de lege naturali. (IIa-IIae q. 85 a. 1 arg. 3)

3 — Augustinus zegt dat offers met een bepaalde betekenis worden opgedragen. Woorden echter, wat de voornaamste tekens zijn, zoals hij zelf zegt, « hebben niet van nature hun betekenis, maar door vrije afspraak », volgens de leer van de Wijsgeer, dus vallen offers niet onder de natuurwet.

Sed contra est quod in qualibet aetate, et apud quaslibet hominum nationes, semper fuit aliqua sacrificiorum oblatio. Quod autem est apud omnes, videtur naturale esse. Ergo et oblatio sacrificii est de iure naturali. (IIa-IIae q. 85 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in alle tijden en bij alle volksstammen immer een opdragen van offers heeft bestaan. Maar wat men bij allen vindt, schijnt natuurlijk te zijn. Dus valt ook het opdragen van offers onder de natuurwet.

Respondeo dicendum quod naturalis ratio dictat homini quod alicui superiori subdatur, propter defectus quos in seipso sentit, in quibus ab aliquo superiori eget adiuvari et dirigi. Et quidquid illud sit, hoc est quod apud omnes dicitur Deus. Sicut autem in rebus naturalibus naturaliter inferiora superioribus subduntur, ita etiam naturalis ratio dictat homini secundum naturalem inclinationem ut ei quod est supra hominem subiectionem et honorem exhibeat secundum suum modum. Est autem modus conveniens homini ut sensibilibus signis utatur ad aliqua exprimenda, quia ex sensibilibus cognitionem accipit. Et ideo ex naturali ratione procedit quod homo quibusdam sensibilibus rebus utatur offerens eas Deo, in signum debitae subiectionis et honoris, secundum similitudinem eorum qui dominis suis aliqua offerunt in recognitionem dominii. Hoc autem pertinet ad rationem sacrificii. Et ideo oblatio sacrificii pertinet ad ius naturale. (IIa-IIae q. 85 a. 1 co.)

De natuurlijke rede schrijft de mens voor zich aan een hoger iets te onderwerpen om de gebreken, die hij in zichzelf waarneemt en waarin hij door een hoger iets moet geholpen en geleid worden. En wat dat ook mag zijn, het wordt door allen God genoemd. Zoals echter bij de natuurdingen het lagere van nature aan het hogere onderworpen is, zo is het ook overeenkomstig de natuurlijke neiging in de mens dat de natuurlijke rede hem voorschrijft om, op de hem eigen wijze, aan wat boven hem staat onderwerping en eerbied te betonen. De bij de mens passende manier nu bestaat hierin, dat hij met onder de zintuigen vallende tekens iets uitdrukt, omdat wij uit de zintuiglijke dingen onze kennis krijgen. Daarom volgt het uit de natuurlijke rede, dat de mens onder de zintuigen vallende dingen gebruikt en ze aan God aanbiedt als teken van de verplichte onderwerping en hulde; en hierin bestaat een overeenkomst met degenen, die hun heren iets aanbieden als erkenning van hun heerschappij. En dit is nu juist het wezen van het offer. En daarom valt et opdragen van een offer onder het natuurrecht.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, aliqua in communi sunt de iure naturali quorum determinationes sunt de iure positivo, sicut quod malefactores puniantur habet lex naturalis, sed quod tali poena vel tali puniantur est ex institutione divina vel humana. Similiter etiam oblatio sacrificii in communi est de lege naturae, et ideo in hoc omnes conveniunt. Sed determinatio sacrificiorum est ex institutione humana vel divina, et ideo in hoc differunt. (IIa-IIae q. 85 a. 1 ad 1)

1 — Zoals vroeger is gezegd (I. II. 95, 2), behoren sommige dingen in het algemeen tot het natuurrecht, terwijl de nadere bepalingen ervan onder het positieve recht vallen; zo schrijft de natuurwet voor, dat misdadigers worden gestraft, maar dat zij met die of die straf gestraft worden, komt van goddelijke of menselijke instelling. Zo is het opdragen van offers in het algemeen volgens de natuurwet; en daarom komen allen daarin overeen. Maar door goddelijke of menselijke instellingen zijn de offers nader omschreven; en daarom bestaat daarin verschil.

Ad secundum dicendum quod Adam et Isaac, sicut et alii iusti, Deo sacrificium obtulerunt secundum sui temporis congruentiam, ut patet per Gregorium, qui dicit quod apud antiquos per sacrificiorum oblationes remittebatur pueris originale peccatum. Non tamen de omnibus iustorum sacrificiis fit mentio in Scriptura, sed solum de illis circa quae aliquid speciale accidit. Potest tamen esse ratio quare Adam non legitur sacrificium obtulisse, ne, quia in ipso notatur origo peccati, simul etiam in eo sanctificationis origo significaretur. Isaac vero significavit Christum inquantum ipse oblatus est in sacrificium. Unde non oportebat ut significaret quasi sacrificium offerens. (IIa-IIae q. 85 a. 1 ad 2)

2 — Adam en Isaac droegen zoals de andere rechtvaardigen aan God een offer op, zoals dat bij hun tijd paste; dat bewijst Gregorius als hij zegt, dat « bij de ouden aan kinderen de erfzonde werd vergeven door het opdragen van offers. » Niet alle offers van rechtvaardigen echter worden in de Schrift vermeld, maar alleen die, waarbij iets bijzonders gebeurde. De reden, waarom van Adam niet gelezen wordt, dat hij een offer opdroeg, kan deze zijn, dat men niet bij hem, bij wie de oorzaak van de zonde aangegeven wordt, ook de oorsprong van de rechtvaardiging wilde vermelden. — Isaac was een voorafbeelding van Christus in zover hij als offer opgedragen werd. Daarom paste een aanduiding van hem als offeraar niet.

Ad tertium dicendum quod significare conceptus suos est homini naturale, sed determinatio signorum est secundum humanum placitum. (IIa-IIae q. 85 a. 1 ad 3)

3 — Het is de mens natuurlijk zijn begrippen door tekens uit te drukken; maar de nadere bepaling van die tekens hangt van de menselijke voorkeur af.

Articulus 2.
Moet men alleen aan God offers opdragen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non soli summo Deo sit sacrificium offerendum. Cum enim sacrificium Deo offerri debeat, videtur quod omnibus illis sit sacrificium offerendum qui divinitatis consortes fiunt. Sed etiam sancti homines efficiuntur divinae naturae consortes, ut dicitur II Petri I, unde et de eis in Psalm. dicitur, ego dixi, dii estis. Angeli etiam filii Dei nominantur, ut patet Iob I. Ergo omnibus his debet sacrificium offerri. (IIa-IIae q. 85 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat met alleen aan de hoogste God een offer opgedragen moet worden. Omdat men immers aan God een offer moet opdragen, schijnt het, dat aan allen, die deel hebben aan de godheid, een offer opgedragen moet worden. Nu worden ook heilige mensen « deelgenoten van de goddelijke natuur, » zoals in de Tweede Brief van Petrus (1,4) wordt gezegd; en daarom staat van hen in het Boek der Psalmen (81, 6) : « Ik heb gezegd: gij zijt goden. » Ook de engelen worden in het Boek Job (1,6) «zonen van God» genoemd. Dus moet aan hen allen een offer worden opgedragen.

Praeterea, quanto aliquis maior est, tanto ei maior honor debet exhiberi. Sed Angeli et sancti sunt multo maiores quibuscumque terrenis principibus, quibus tamen eorum subditi multo maiorem honorem impendunt, se coram eis prosternentes et munera offerentes, quam sit oblatio alicuius animalis vel rei alterius in sacrificium. Ergo multo magis Angelis et sanctis potest sacrificium offerri. (IIa-IIae q. 85 a. 2 arg. 2)

2 — Naarmate iemand hoger staat, moet men hem meer eer bewijzen. Nu staan engelen en heiligen veel hoger dan welke vorsten op aarde ook; en toch bewijzen hun onderdanen aan de laatsten een veel grotere eer door zich voor hen neer te werpen geschenken aan te bieden, dan het opdragen van een dier of een ander ding als offer is. Dus kan men aan engelen en heiligen des te meer een offer opdragen.

Praeterea, templa et altaria instituuntur ad sacrificia offerenda. Sed templa et altaria instituuntur Angelis et sanctis. Ergo etiam sacrificia possunt eis offerri. (IIa-IIae q. 85 a. 2 arg. 3)

3 — Kerken en altaren worden gebouwd om offers op te dragen. Nu worden kerken en altaren aan engelen en heiligen toegewijd. Dus kunnen hun ook offers worden opgedragen.

Sed contra est quod dicitur Exod. XXII, qui immolat diis, occidetur, praeter domino soli. (IIa-IIae q. 85 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in het Boek van de Uittocht (22, 20) wordt gezegd: « Wie aan goden offert, tenzij aan God alleen, zal worden gedood. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, oblatio sacrificii fit ad aliquid significandum. Significat autem sacrificium quod offertur exterius, interius spirituale sacrificium, quo anima seipsam offert Deo, secundum illud Psalm., sacrificium Deo spiritus contribulatus, quia, sicut supra dictum est, exteriores actus religionis ad interiores ordinantur. Anima autem se offert Deo in sacrificium sicut principio suae creationis et sicut fini suae beatificationis. Secundum autem veram fidem solus Deus est creator animarum nostrarum, ut in primo habitum est. In solo etiam eo animae nostrae beatitudo consistit, ut supra dictum est. Et ideo sicut soli Deo summo debemus sacrificium spirituale offerre, ita etiam soli ei debemus offerre exteriora sacrificia, sicut etiam, orantes atque laudantes, ad eum dirigimus significantes voces cui res ipsas in corde quas significamus, offerimus, ut Augustinus dicit, X de Civ. Dei. Hoc etiam videmus in omni republica observari, quod summum rectorem aliquo signo singulari honorant, quod cuicumque alteri deferretur, esset crimen laesae maiestatis. Et ideo in lege divina statuitur poena mortis his qui divinum honorem aliis exhibent. (IIa-IIae q. 85 a. 2 co.)

Zoals werd gezegd (vorig Art.), dient het opdragen van een offer om iets te betekenen. Nu betekent het uiterlijk opgedragen offer het innerlijke geestelijke offer, waardoor de ziel zichzelf aan God opdraagt naar het Psalmwoord: « Een offer voor God is een vermorzeld gemoed » (Ps. 50, 18) ; omdat zoals vroeger (81e Kw. 7e Art.; 84e Kw. 2e Art.) gezegd is, de uiterlijke daden van godsdienstigheid de innerlijke als doel hebben. Nu draagt de ziel zichzelf als offer op aan God als aan Hem, die het beginsel van haar schepping en het doel van haar zaligmaking is. Nu is God alleen volgens het ware geloof de Schepper van onze zielen, zoals in het eerste deel (90e Kw. 3 Art., 118 Kw. 2e Art.) uiteengezet is. Ook ligt in Hem alleen de zaligheid van onze ziel, zoals boven is gezegd (I-II. 2e Kw. 8e Art.). En zoals wij daarom alleen aan de hoogste God het geestelijke offer moeten opdragen, moeten wij ook aan Hem alleen de uiterlijke offers opdragen, zoals wij ook « bij bet bidden en loven de woorden, die tekens zijn, tot Hem richten, aan Wie wij de daarmee aangeduide dingen in ons hart aanbieden, » zoals Augustinus zegt. En wij zien ook, dat dit in iedere staat in acht wordt genomen, dat men de hoogste bestuurder met een bijzonder teken eert, terwijl het majesteitsschennis zou zijn, als dat aan een ander werd gebracht. En daarom wordt in de goddelijke wet de doodstraf vastgesteld voor diegenen, die de eerbewijzen voor God aan een ander brengen.

Ad primum ergo dicendum quod nomen divinitatis communicatur aliquibus non per aequalitatem, sed per participationem. Et ideo nec aequalis honor eis debetur. (IIa-IIae q. 85 a. 2 ad 1)

1 — Sommigen worden niet krachtens gelijkheid, maar krachtens deelhebbing goddelijk genoemd. En daarom hebben zij geen recht op goddelijke eer.

Ad secundum dicendum quod in oblatione sacrificii non pensatur pretium occisi pecoris, sed significatio, qua hoc fit in honorem summi rectoris totius universi. Unde, sicut Augustinus dicit, X de Civ. Dei, Daemones non cadaverinis nidoribus, sed divinis honoribus gaudent. (IIa-IIae q. 85 a. 2 ad 2)

2 — Bij het opdragen van een offer komt niet de prijs van het geofferde vee in aanmerking, maar de betekenis; dat dit nl. geschiedt om de hoogste Bestuurder van het heelal te eren. Vandaar dat, zoals Augustinus zegt, « de duivels niet genieten van de geur van het gedode, maar van de goddelijke eerbewijzen. »

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, VIII de Civ. Dei, non constituimus martyribus templa, sacerdotia, quoniam non ipsi, sed Deus eorum nobis est Deus. Unde sacerdos non dicit, offero tibi sacrificium, Petre, vel Paule. Sed Deo de illorum victoriis gratias agimus, et nos ad imitationem eorum adhortamur. (IIa-IIae q. 85 a. 2 ad 3)

3 — Hierop is te antwoorden met wat Augustinus zegt: « Wij stichten geen kerken en priesterschap voor de martelaars; want niet zij, maar hun God is onze God. Daarom zegt de priester niet: ik breng u het offer, Petrus of Paulus. Maar wij danken God om hun overwinningen en wij sporen ons aan om hen na te volgen. »

Articulus 3.
Is het opdragen van een offer een daad van een afzonderlijke deugd?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod oblatio sacrificii non sit specialis actus virtutis. Dicit enim Augustinus, X de Civ. Dei, verum sacrificium est omne opus quod agitur ut sancta societate inhaereamus Deo. Sed omne opus bonum non est specialis actus alicuius determinatae virtutis. Ergo oblatio sacrificii non est specialis actus determinatae virtutis. (IIa-IIae q. 85 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het opdragen van een offer geen daad van een afzonderlijke deugd is. Want Augustinus zegt: « Een waar offer is ieder werk, dat gedaan wordt om ons in heilige gemeenschap met God te verenigen. » Nu is ieder goed werk niet de bijzondere daad van een bepaalde deugd. Dus is het opdragen van een offer niet de bijzondere daad van een bepaalde deugd.

Praeterea, maceratio corporis quae fit per ieiunium, pertinet ad abstinentiam; quae autem fit per continentiam, pertinet ad castitatem; quae autem est in martyrio, pertinet ad fortitudinem. Quae omnia videntur comprehendi sub sacrificii oblatione, secundum illud Rom. XII, exhibeatis corpora vestra hostiam viventem. Dicit etiam apostolus, ad Heb. ult., beneficentiae et communionis nolite oblivisci, talibus enim hostiis promeretur Deus, beneficentia autem et communio pertinent ad caritatem, misericordiam et liberalitatem. Ergo sacrificii oblatio non est specialis actus determinatae virtutis. (IIa-IIae q. 85 a. 3 arg. 2)

2 — Lichaamskwelling door vasten behoort tot de onthouding; die door zich te onthouden (nl. van zinnelijk genot), tot de zuiverheid; die in het martelaarschap ligt, tot de sterkte. Dat alles schijnt te vallen onder het opdragen van offers naar de Brief aan de Romeinen (12. 1) : « Geeft uwe lichamen als een levend offer. » Ook zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (13, 16) : « Vergeet de weldadigheid en de onderlinge bijstand niet; want aan dergelijke offers heeft God welbehagen; » maar weldadigheid en onderlinge bijstand vallen onder de naastenliefde, barmhartigheid en vrijgevigheid. Dus is het opdragen van een offer geen bijzondere daad van een bepaalde deugd.

Praeterea, sacrificium videtur quod Deo exhibetur. Sed multa sunt quae Deo exhibentur, sicut devotio, oratio, decimae, primitiae, oblationes et holocausta. Ergo sacrificium non videtur esse aliquis specialis actus determinatae virtutis. (IIa-IIae q. 85 a. 3 arg. 3)

3 — Een offer schijnt datgene te zijn wat aan God wordt gegeven. Nu worden vele dingen aan God gegeven, zoals toewijding, gebed, tienden, eerstelingen, wijgeschenken en slachtoffers. Daarom schijnt het offer geen bijzondere daad van een bepaalde deugd te zijn.

Sed contra est quod in lege specialia praecepta de sacrificiis dantur, ut patet in principio Levitici. (IIa-IIae q. 85 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat er in de Wet bijzondere geboden over de offers worden gegeven, zoals wij vinden in het begin van het Boek Leviticus.

Respondeo dicendum quod, sicut supra habitum est, quando actus unius virtutis ordinatur ad finem alterius virtutis, participat quodammodo speciem eius, sicut cum quis furatur ut fornicetur, ipsum furtum accipit quodammodo fornicationis deformitatem, ita quod si etiam alias non esset peccatum, ex hoc iam peccatum esset quod ad fornicationem ordinatur. Sic igitur sacrificium est quidam specialis actus laudem habens ex hoc quod in divinam reverentiam fit. Propter quod ad determinatam virtutem pertinet, scilicet ad religionem. Contingit autem etiam ea quae secundum alias virtutes fiunt, in divinam reverentiam ordinari, puta cum aliquis eleemosynam facit de rebus propriis propter Deum, vel cum aliquis proprium corpus alicui afflictioni subiicit propter divinam reverentiam. Et secundum hoc etiam actus aliarum virtutum sacrificia dici possunt. Sunt tamen quidam actus qui non habent ex alio laudem nisi quia fiunt propter reverentiam divinam. Et isti actus proprie sacrificia dicuntur, et pertinent ad virtutem religionis. (IIa-IIae q. 85 a. 3 co.)

Zoals vroeger is gezegd (I. II. 18e Kw. 6 en 7e Art.), krijgt de daad van een deugd, als zij op het doel van een andere wordt gericht, in zekeren zin de aard daarvan, zoals wanneer iemand steelt om ontucht te plegen, de diefstal in zekeren zin de verdorvenheid der ontucht krijgt, zodat deze, als hij om andere reden geen zonde was, al hierom zonde zou zijn, dat hij op ontucht was gericht. Zo is ook het offer een bijzondere daad, die hierom lofwaardig is, dat zij dient om God te eren. Daarom valt zij onder een bepaalde deugd, nl. de godsdienstigheid. Soms gebeurt het echter, dat wat krachtens andere deugden geschiedt, het eren van God als doel krijgt, zoals wanneer iemand uit eigen bezittingen aalmoezen geeft om God, of zijn eigen lichaam aan kwelling blootstelt om God te eren. En onder dit opzicht kunnen ook daden van andere deugden offers worden genoemd. Maar er zijn daden, die om geen andere reden lofwaardig zijn dan dat zij geschieden om God te eren. En die daden worden in eigenlijke zin offers genoemd en zij behoren tot de deugd van godsdienstigheid.

Ad primum ergo dicendum quod hoc ipsum quod Deo quadam spirituali societate volumus inhaerere, ad divinam reverentiam pertinet. Et ideo cuiuscumque virtutis actus rationem sacrificii accipit ex hoc quod agitur ut sancta societate Deo inhaereamus. (IIa-IIae q. 85 a. 3 ad 1)

1 — Het feit zelf, dat wij door een geestelijke gemeenschap met God verenigd willen zijn, valt onder het eren van God. En daarom krijgt de daad van iedere deugd de aard van een offer, omdat zij hierom wordt gesteld, dat wij ons in een heilige gemeenschap met God verenigen.

Ad secundum dicendum quod triplex est hominis bonum. Primum quidem est bonum animae, quod Deo offertur interiori quodam sacrificio per devotionem et orationem et alios huiusmodi interiores actus. Et hoc est principale sacrificium. Secundum est bonum corporis, quod Deo quodammodo offertur per martyrium, et abstinentiam seu continentiam. Tertium est bonum exteriorum rerum, de quo sacrificium offertur Deo, directe quidem, quando immediate res nostras Deo offerimus; mediate autem, quando eas communicamus proximis propter Deum. (IIa-IIae q. 85 a. 3 ad 2)

2 — Drie soorten dingen zijn goed voor de mens. Ten eerste het goed van de ziel, en dat wordt God aangeboden door een innerlijk offer: door toewijding en gebed en andere dergelijke innerlijke daden. En dat is het voornaamste offer. — Op de tweede plaats komt het lichamelijke goed, dat God in zekeren zin wordt aangeboden door het martelaarschap en vasten of onthouding. — Ten derde het goede van buiten ons staande dingen; en hieruit dragen wij onmiddellijk een offer op, als wij onze bezittingen onmiddellijk aan God offeren; maar middellijk, als wij ze om God aan onze naasten meedelen.

Ad tertium dicendum quod sacrificia proprie dicuntur quando circa res Deo oblatas aliquid fit, sicut quod animalia occidebantur, quod panis frangitur et comeditur et benedicitur. Et hoc ipsum nomen sonat, nam sacrificium dicitur ex hoc quod homo facit aliquid sacrum. Oblatio autem directe dicitur cum Deo aliquid offertur, etiam si nihil circa ipsum fiat, sicut dicuntur offerri denarii vel panes in altari, circa quos nihil fit. Unde omne sacrificium est oblatio, sed non convertitur. Primitiae autem oblationes sunt, quia Deo offerebantur, ut legitur Deut. XXVI, non autem sunt sacrificia, quia nihil sacrum circa eas fiebat. Decimae autem, proprie loquendo, non sunt neque sacrificia neque oblationes, quia non immediate Deo, sed ministris divini cultus exhibentur. (IIa-IIae q. 85 a. 3 ad 3)

3 — Men spreekt in eigenlijke zin van offers, als er iets gebeurt met de dingen, die God worden aangeboden, b. v. als de dieren worden gedood en verbrand, en het brood wordt gebroken en gegeten en gezegend. En dat geeft de naam zelf aan, want men spreekt hierom van sacrificium, dat de mens iets heilig (sacer) maakt. Iets wordt onmiddellijk geschenk genoemd, als iets aan God wordt gegeven, ook al gebeurt er niets mee, zoals men spreekt van het aanbieden van tienlingen en broden op het altaar, waar niets mee gebeurt. Daarom is ieder offer een geschenk, maar men kan het niet omkeren. — Eerstelingen zijn geschenken, omdat zij aan God werden aangeboden, zoals wij in het Boek Deuteronomium (26e H.) lezen, maar het zijn geen offers, omdat er niets heiligs mee gebeurt. — Tienden echter zijn in eigenlijke zin noch offers noch geschenken, omdat zij niet onmiddellijk aan God, maar aan de bedienaars van de goddelijke eredienst worden gegeven.

Articulus 4.
Zijn allen verplicht offers op de dragen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non omnes teneantur ad sacrificia offerenda. Dicit enim apostolus, Rom. III, quaecumque lex loquitur, his qui sunt in lege loquitur. Sed lex de sacrificiis non fuit omnibus data, sed soli populo Hebraeorum. Ergo non omnes ad sacrificia tenebantur. (IIa-IIae q. 85 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet allen verplicht zijn offers op te dragen. Want de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (3, 19) : « Alles, wat de Wet zegt, werd gezegd voor die onder de Wet zijn. » Nu was de wet over de offers niet aan allen gegeven, maar alleen aan het volk van de Hebreeën. Dus zijn niet allen verplicht om offers te brengen.

Praeterea, sacrificia Deo offeruntur ad aliquid significandum. Sed non est omnium huiusmodi significationes intelligere. Ergo non omnes tenentur ad sacrificia offerenda. (IIa-IIae q. 85 a. 4 arg. 2)

2 — Offers worden aan God opgedragen om iets te beduiden. Deze betekenis kunnen allen echter niet begrijpen. Dus zijn niet allen verplicht om offers op te dragen.

Praeterea, ex hoc sacerdotes dicuntur quod Deo sacrificium offerunt. Sed non omnes sunt sacerdotes. Ergo non omnes tenentur ad sacrificia offerenda. (IIa-IIae q. 85 a. 4 arg. 3)

3 — Priesters (sacerdotes) worden hierom zo genoemd, dat zij God offers opdragen. Maar niet allen zijn priesters. Dus is niet iedereen verplicht om offers op te dragen.

Sed contra est quod sacrificium offerre est de lege naturae, ut supra habitum est. Ad ea autem quae sunt legis naturae omnes tenentur. Ergo omnes tenentur ad sacrificium Deo offerendum. (IIa-IIae q. 85 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat het opdragen van offers onder de natuurwet valt, zoals vroeger is gezegd (1e Art.). Nu zijn allen verplicht tot wat onder de natuurwet valt. Dus zijn allen verplicht God te offeren.

Respondeo dicendum quod duplex est sacrificium, sicut dictum est. Quorum primum et principale est sacrificium interius, ad quod omnes tenentur, omnes enim tenentur Deo devotam mentem offerre. Aliud autem est sacrificium exterius. Quod in duo dividitur. Nam quoddam est quod ex hoc solum laudem habet quod Deo aliquid exterius offertur in protestationem divinae subiectionis. Et ad hoc aliter tenentur illi qui sunt sub lege nova vel veteri, aliter illi qui non sunt sub lege. Nam illi qui sunt sub lege, tenentur ad determinata sacrificia offerenda secundum legis praecepta. Illi vero qui non erant sub lege, tenebantur ad aliqua exterius facienda in honorem divinum, secundum condecentiam ad eos inter quos habitabant, non autem determinate ad haec vel ad illa. Aliud vero est exterius sacrificium quando actus exteriores aliarum virtutum in divinam reverentiam assumuntur. Quorum quidam cadunt sub praecepto, ad quos omnes tenentur, quidam vero sunt supererogationis, ad quos non omnes tenentur. (IIa-IIae q. 85 a. 4 co.)

Zoals werd gezegd (2e Art.), bestaat er een tweevoudig offer. Het eerste en voornaamste van die twee is het inwendige, waartoe allen verplicht zijn; omdat iedereen aan God een toegewijde geest moet opdragen. — Een ander offer echter is het uiterlijke; en dat wordt in twee soorten verdeeld. Want er is er een, dat alleen lofwaardig is, omdat iets aan God wordt aangeboden als een erkenning van de onderworpenheid aan God. Hiertoe zijn zij, die onder de Oude of Nieuwe Wet leven, op een andere manier verplicht dan zij, die niet onder de Wet zijn. Want zij, die onder de Wet leven, moeten bepaalde offers brengen volgens de voorschriften van de Wet. Zij echter, die niet onder de Wet leefden, waren verplicht om iets uitwendigs te doen om God te eren, naargelang het paste bij degenen, waaronder zij leefden, maar niet bepaald dit of dat. — Er is echter nog een ander uiterlijk offer, als de uiterlijke daden van andere deugden gebruikt worden om God eer te bewijzen. Sommigen hiervan vallen onder een gebod, en dan zijn allen ertoe gehouden; maar anderen gaan boven de verplichting uit, en daartoe zijn niet allen verplicht.

Ad primum ergo dicendum quod ad illa determinata sacrificia quae in lege erant praecepta, non omnes tenebantur, tenebantur tamen ad aliqua sacrificia interiora vel exteriora, ut dictum est. (IIa-IIae q. 85 a. 4 ad 1)

1 — Niet allen waren verplicht tot de bepaalde offers, die in de Wet waren voorgeschreven; maar zoals in de leerstelling is gezegd, waren zij verplicht tot enige innerlijke of uiterlijke offers.

Ad secundum dicendum quod quamvis non omnes sciant explicite virtutem sacrificiorum, sciunt tamen implicite, sicut et habent fidem implicitam, ut supra habitum est. (IIa-IIae q. 85 a. 4 ad 2)

2 — Al kennen niet allen de kracht van het offer uitdrukkelijk, zij kennen die toch opgesloten in iets anders, zoals zij ook het geloof in iets anders opgesloten kunnen hebben, zoals vroeger (2e Kw. 6e Art.) is gezegd.

Ad tertium dicendum quod sacerdotes offerunt sacrificia quae sunt specialiter ordinata ad cultum divinum, non solum pro se, sed etiam pro aliis. Quaedam vero sunt alia sacrificia quae quilibet potest pro se Deo offerre, ut ex supradictis patet. (IIa-IIae q. 85 a. 4 ad 3)

3 — De priesters dragen de offers, die speciaal bestemd zijn om God te eren, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen op. Maar er zijn andere offers, die iedereen aan God kan brengen, zoals uit het in de leerstelling gezegde blijkt.