QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 61.
Over de delen van de rechtvaardigheid .

Prooemium

Deinde considerandum est de partibus iustitiae. Et primo, de partibus subiectivis, quae sunt species iustitiae, scilicet distributiva et commutativa; secundo, de partibus quasi integralibus; tertio, de partibus quasi potentialibus, scilicet de virtutibus adiunctis. Circa primum occurrit duplex consideratio, prima, de ipsis iustitiae partibus; secunda, de vitiis oppositis. Et quia restitutio videtur esse actus commutativae iustitiae, primo considerandum est de distinctione iustitiae commutativae et distributivae, secundo, de restitutione. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum sint duae species iustitiae, iustitia distributiva et commutativa. Secundo, utrum eodem modo in eis medium accipiatur. Tertio, utrum sit earum uniformis vel multiplex materia. Quarto, utrum secundum aliquam earum specierum iustum sit idem quod contrapassum. (IIa-IIae q. 61 pr.)

Hierna moeten wij de delen van de rechtvaardigheid gaan beschouwen. Ten eerste moeten wij handelen over de subjectieve delen, de soorten van rechtvaardigheid, nl. de verdeelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid; ten tweede, over de integrerende delen; ten derde, over de potentiële delen, d. i. over de aanverwante deugden. Met betrekking tot het eerste punt doet zich een dubbele beschouwing voor: een eerste, over de delen zelf van de rechtvaardigheid; een tweede, over de tegengestelde ondeugden. En daar de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid schijnt te zijn, moet onze eerste beschouwing gaan naar het onderscheid tussen ruilrechtvaardigheid en verdeelende rechtvaardigheid; een tweede zal de teruggave tot voorwerp hebben. Omtrent die eerste beschouwing worden vier vragen gesteld: 1. Zijn er twee soorten rechtvaardigheid: de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid? 2. Wordt in beide het midden op dezelfde wijze bepaald? 3. Hebben zij hetzelfde ofwel een verschillend gebied? 4. Is naar een van beide soorten het rechtvaardige hetzelfde als het wedervergoldene?

Articulus 1.
Is het passend twee soorten van rechtvaardigheid te onderscheiden: de verdelende en de ruilrechtvaardigheid?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter ponantur duae species iustitiae, iustitia distributiva et commutativa. Non enim potest esse iustitiae species quod multitudini nocet, cum iustitia ad bonum commune ordinetur. Sed distribuere bona communia in multos nocet bono communi multitudinis, tum quia exhauriuntur opes communes; tum etiam quia mores hominum corrumpuntur; dicit enim Tullius, in libro de Offic., fit deterior qui accipit, et ad idem semper expectandum paratior. Ergo distributio non pertinet ad aliquam iustitiae speciem. (IIa-IIae q. 61 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend is twee soorten rechtvaardigheid, de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid, te onderscheiden. — 1. Wat schadelijk is voor de gemeenschap kan geen soort van rechtvaardigheid genoemd worden, daar de rechtvaardigheid op het algemeen welzijn gericht is. Welnu het verdelen van gemeenschappelijke goederen onder velen, is schadelijk voor het algemeen welzijn van de gemeenschap; ten eerste, omdat daardoor de gemeenschappelijke rijkdom wordt uitgeput, en ten tweede, omdat de zeden van de mensen verderven. Tullius immers zegt: « Hij die ontvangt wordt slechter en altijd meer bereid nog dezelfde gaven te verwachten ». Derhalve valt de goederenverdeling niet onder een van de soorten van rechtvaardigheid.

Praeterea, iustitiae actus est reddere unicuique quod suum est, ut supra habitum est. Sed in distributione non redditur alicui quod suum erat, sed de novo appropriatur sibi id quod erat commune. Ergo hoc ad iustitiam non pertinet. (IIa-IIae q. 61 a. 1 arg. 2)

2 — Aan iedereen het zijne geven is de daad van de rechtvaardigheid, zoals boven (58° Kw. 11° Art.) gezegd is. Welnu, door verdeling wordt niet aan ieder het zijne gegeven, maar er wordt hem iets nieuws toegeëigend wat gemeenschappelijk was. Dit valt dus niet onder de rechtvaardigheid.

Praeterea, iustitia non solum est in principe, sed etiam in subiectis, ut supra habitum est. Sed distribuere semper pertinet ad principem. Ergo distributiva non pertinet ad iustitiam. (IIa-IIae q. 61 a. 1 arg. 3)

3 — Zoals boven (58° Kw. 6° Art.) gezegd werd, bestaat de rechtvaardigheid niet alleen in de vorst maar tevens in de onderdanen. Welnu, verdelen komt altijd aan de vorst toe. Derhalve valt het verdelen niet onder de rechtvaardigheid.

Praeterea, distributivum iustum est bonorum communium, ut dicitur in V Ethic. sed communia pertinent ad iustitiam legalem. Ergo iustitia distributiva non est species iustitiae particularis, sed iustitiae legalis. (IIa-IIae q. 61 a. 1 arg. 4)

4 — « Het verdeelende recht slaat op gemeenschappelijke goederen », zoals gezegd wordt in de Ethica. Welnu, wat gemeenschappelijk is valt onder de wettelijke rechtvaardigheid. Derhalve is de verdeelende rechtvaardigheid geen soort van de bijzondere rechtvaardigheid, maar wel van de wettelijke.

Praeterea, unum et multa non diversificant speciem virtutis. Sed iustitia commutativa consistit in hoc quod aliquid redditur uni; iustitia vero distributiva in hoc quod aliquid datur multis. Ergo non sunt diversae species iustitiae. (IIa-IIae q. 61 a. 1 arg. 5)

5 — Het ene en het vele doen de deugd niet soortelijk verschillen. Welnu, de ruilrechtvaardigheid bestaat hierin, dat aan één iets gegeven wordt; de verdeelende rechtvaardigheid hierin, dat men aan velen iets geeft. Derhalve zijn beide geen verschillende soorten van rechtvaardigheid.

Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., ponit duas partes iustitiae, et dicit quod una est directiva in distributionibus, alia in commutationibus. (IIa-IIae q. 61 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer twee soorten rechtvaardigheid onderscheidt en zegt dat «de ene de verdeling regelt en de andere de ruilingen».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, iustitia particularis ordinatur ad aliquam privatam personam, quae comparatur ad communitatem sicut pars ad totum. Potest autem ad aliquam partem duplex ordo attendi. Unus quidem partis ad partem, cui similis est ordo unius privatae personae ad aliam. Et hunc ordinem dirigit commutativa iustitia, quae consistit in his quae mutuo fiunt inter duas personas ad invicem. Alius ordo attenditur totius ad partes, et huic ordini assimilatur ordo eius quod est commune ad singulas personas. Quem quidem ordinem dirigit iustitia distributiva, quae est distributiva communium secundum proportionalitatem. Et ideo duae sunt iustitiae species, scilicet commutativa et distributiva. (IIa-IIae q. 61 a. 1 co.)

Zoals gezegd werd (58 Kw. 7 Art.), is de bijzondere rechtvaardigheid gericht op een privépersoon, die tot de gemeenschap in verhouding staat, als een deel tot het geheel. Met betrekking tot het deel kan men een dubbele verhouding onderscheiden. Ten eerste, de verhouding van deel tot deel; de verhouding van enkeling tot enkeling staat hiermee gelijk. Deze verhouding nu wordt geregeld door de ruilrechtvaardigheid, die de wederzijdse ruilingen tussen twee personen tot voorwerp heeft. — Ten tweede, de verhouding van het geheel tot de delen. Hiermee komt de verhouding van het gemeenschappelijke tot de enkelingen overeen. Deze verhouding wordt geregeld door de verdeelrechtvaardigheid, die volgens evenredigheid de gemeenschappelijke goederen verdeelt. Derhalve zijn er twee soorten rechtvaardigheid, namelijk de verdeelrechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid.

Ad primum ergo dicendum quod sicut in largitionibus privatarum personarum commendatur moderatio, effusio vero culpatur; ita etiam in distributione communium bonorum est moderatio servanda, in quo dirigit iustitia distributiva. (IIa-IIae q. 61 a. 1 ad 1)

1 — Evenals bij de vrijgevigheid van de enkelingen gematigdheid wordt aanbevolen en verkwisting daarentegen afgekeurd, zo ook moet, bij de verdeling van gemeenschappelijke goederen, die door de verdeelende rechtvaardigheid geregeld wordt, maat worden gehouden.

Ad secundum dicendum quod sicut pars et totum quodammodo sunt idem, ita id quod est totius quodammodo est partis. Et ita cum ex bonis communibus aliquid in singulos distribuitur, quilibet aliquo modo recipit quod suum est. (IIa-IIae q. 61 a. 1 ad 2)

2 — Zoals het deel en het geheel enigszins hetzelfde zijn, zo ook is datgene wat tot het geheel behoort, enigszins van het deel. En op die wijze krijgt iedere, bij het verdelen van gemeenschappelijk goed onder de enkelingen, in zekere zin iets van het zijne.

Ad tertium dicendum quod actus distributionis quae est communium bonorum pertinet solum ad praesidentem communibus bonis, sed tamen iustitia distributiva est et in subditis, quibus distribuitur, inquantum scilicet sunt contenti iusta distributione. Quamvis etiam distributio quandoque fiat bonorum communium non quidem civitati, sed uni familiae, quorum distributio fieri potest auctoritate alicuius privatae personae. (IIa-IIae q. 61 a. 1 ad 3)

3 — De verdeling van gemeenschappelijke goederen komt alleen toe aan hem die de gemeenschappelijke goederen beheert: toch is de verdeelende rechtvaardigheid ook in de onderdanen aan wie wordt uitgedeeld, voor zover zij vrede nemen met een rechtvaardige verdeling. Toch komt het ook soms voor, dat de gemeenschappelijke goederen, die niet aan de staat maar aan een familie toebehoren, worden uitgedeeld; deze verdeling mag geschieden door het gezag van een privépersoon.

Ad quartum dicendum quod motus accipiunt speciem a termino ad quem. Et ideo ad iustitiam legalem pertinet ordinare ea quae sunt privatarum personarum in bonum commune, sed ordinare e converso bonum commune ad personas particulares per distributionem est iustitiae particularis. (IIa-IIae q. 61 a. 1 ad 4)

4 — De beweging wordt soortelijk bepaald door de term waarheen ze gericht is. Daarom komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de bezittingen van private personen naar het algemeen welzijn te richten: maar omgekeerd, het algemeen welzijn door goederenverdeeling ordenen naar de private personen, komt aan de bijzondere rechtvaardigheid toe.

Ad quintum dicendum quod iustitia distributiva et commutativa non solum distinguuntur secundum unum et multa, sed secundum diversam rationem debiti, alio enim modo debetur alicui id quod est commune, alio modo id quod est proprium. (IIa-IIae q. 61 a. 1 ad 5)

5 — De verdeelende en de ruilrechtvaardigheid zijn niet enkel door één en veel onderscheiden, maar naar een wezenlijk verschil in de verplichting: datgene immers wat gemeenschappelijk is, en dat wat eigen is, komt aan iemand toe op verschillende wijze.

Articulus 2.
Wordt het midden in dezelfde zin opgevat in de verdelende en in de ruilrechtvaardigheid?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod medium eodem modo accipiatur in iustitia distributiva et commutativa. Utraque enim sub iustitia particulari continetur, ut dictum est. Sed in omnibus temperantiae vel fortitudinis partibus accipitur uno modo medium. Ergo etiam eodem modo est accipiendum medium in iustitia distributiva et commutativa. (IIa-IIae q. 61 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat in de verdeelende en in de ruilrechtvaardigheid het midden in dezelfde zin wordt opgevat. — 1. Beide immers vallen onder de bijzondere rechtvaardigheid, zoals gezegd is (vorig Art.). Welnu, voor al de delen van de matigheid en de sterkte wordt het midden in dezelfde zin opgevat. Derhalve moet ook voor de verdeelende en voor de ruilrechtvaardigheid het midden in dezelfde zin worden opgevat.

Praeterea, forma virtutis moralis in medio consistit quod secundum rationem determinatur. Cum ergo unius virtutis sit una forma, videtur quod in utraque sit eodem modo medium accipiendum. (IIa-IIae q. 61 a. 2 arg. 2)

2 — De vorm van de zedelijke deugd is het door de rede bepaalde midden. Daar nu de vorm van een deugd één is, lijkt het wel, dat in beide het midden in dezelfde zin moet worden opgevat.

Praeterea, in iustitia distributiva accipitur medium attendendo diversam dignitatem personarum. Sed dignitas personarum attenditur etiam in commutativa iustitia, sicut in punitionibus, plus enim punitur qui percussit principem quam qui percussit privatam personam. Ergo eodem modo accipitur medium in utraque iustitia. (IIa-IIae q. 61 a. 2 arg. 3)

3 — In de verdeelende rechtvaardigheid wordt het midden bepaald met het oog op het waardigheidsverschil van de personen. Welnu, ook in de ruilrechtvaardigheid wordt rekening gehouden met de waardigheid van de personen: zo bijvoorbeeld met betrekking tot de straffen; hij die de vorst slaat wordt immers zwaarder gestraft dan hij die een privaat persoon slaat. Derhalve moet in beide het midden op dezelfde wijze worden bepaald.

Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod in iustitia distributiva accipitur medium secundum geometricam proportionalitatem, in commutativa autem secundum arithmeticam. (IIa-IIae q. 61 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat in de verdeelende rechtvaardigheid het midden naar meetkundige verhouding bepaald wordt, in de ruilrechtvaardigheid echter naar rekenkundige evenredigheid.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, in distributiva iustitia datur aliquid alicui privatae personae inquantum id quod est totius est debitum parti. Quod quidem tanto maius est quanto ipsa pars maiorem principalitatem habet in toto. Et ideo in distributiva iustitia tanto plus alicui de bonis communibus datur quanto illa persona maiorem principalitatem habet in communitate. Quae quidem principalitas in aristocratica communitate attenditur secundum virtutem, in oligarchica secundum divitias, in democratica secundum libertatem, et in aliis aliter. Et ideo in iustitia distributiva non accipitur medium secundum aequalitatem rei ad rem, sed secundum proportionem rerum ad personas, ut scilicet, sicut una persona excedit aliam, ita etiam res quae datur uni personae excedit rem quae datur alii. Et ideo dicit philosophus quod tale medium est secundum geometricam proportionalitatem, in qua attenditur aequale non secundum quantitatem, sed secundum proportionem. Sicut si dicamus quod sicut se habent sex ad quatuor, ita se habent tria ad duo, quia utrobique est sesquialtera proportio, in qua maius habet totum minus et mediam partem eius, non autem est aequalitas excessus secundum quantitatem, quia sex excedunt quatuor in duobus, tria vero excedunt duo in uno. Sed in commutationibus redditur aliquid alicui singulari personae propter rem eius quae accepta est, ut maxime patet in emptione et venditione, in quibus primo invenitur ratio commutationis. Et ideo oportet adaequare rem rei, ut quanto iste plus habet quam suum sit de eo quod est alterius, tantundem restituat ei cuius est. Et sic fit aequalitas secundum arithmeticam medietatem, quae attenditur secundum parem quantitatis excessum, sicut quinque est medium inter sex et quatuor, in unitate enim excedit et exceditur. Si ergo a principio uterque habebat quinque, et unus eorum accepit unum de eo quod est alterius; unus, scilicet accipiens, habebit sex, et alii relinquentur quatuor. Erit ergo iustitia si uterque reducatur ad medium, ut accipiatur unum ab eo qui habet sex, et detur ei qui habet quatuor, sic enim uterque habebit quinque, quod est medium. (IIa-IIae q. 61 a. 2 co.)

Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt in de verdeelende rechtvaardigheid aan de private persoon iets gegeven voor zover dat wat van het geheel is, aan het deel toekomt. Dit nu is aanzienlijk naar gelang het deel zelf in het geheel een voornamere plaats inneemt. En zo wordt door de verdeelende rechtvaardigheid aan een persoon een aanzienlijk deel van de gemeenschappelijke goederen gegeven, naar gelang die persoon in de gemeenschap een voornamere plaats bekleedt. In een regering nu van voornamen en edelen wordt die voorrang bepaald naar de deugd, in een regering van rijken naar hun bezit, in een volksregering naar de vrijheid, en in andere regeringen anders. Daarom wordt in de verdeelende rechtvaardigheid het midden niet bepaald naar de gelijkheid tussen zaken, maar naar de evenredigheid van de zaken tot de personen; en evenals de ene persoon de ander overtreft, evenzo moet het goed dat aan de een wordt gegeven, datgene overtreffen wat aan de ander wordt toegekend. Daarom zegt de Wijsgeer, dat dit midden bepaald wordt naar meetkundige evenredigheid, waarin niet de gelijkheid in de hoogte in acht genomen wordt, maar wel de gelijkheid in de verhouding. Zo zeggen wij ook dat, evenals zes zich tot vier verhoudt, zo ook drie tot twee, want in beide verhoudingen is de eerste term anderhalf maal zo groot als de tweede, en houdt dus de grootste term heel de kleinere in en nog de helft ervan: en toch is er geen gelijkheid tussen de grootste termen, kwantitatief genomen, want zes is twee meer dan vier, terwijl drie maar een meer is dan twee. In de ruilhandel nu wordt iets aan een enkeling gegeven om een van hem ontvangen zaak, zoals voornamelijk blijkt bij koop en verkoop, waarin op de eerste plaats het begrip ruiling verwerkelijkt wordt. Daarom moet men voor een zaak een gelijkwaardige zaak weergeven, opdat deze, die meer heeft dan hem toekomt van datgene wat aan een ander behoort, evenzooveel zou teruggeven aan hem wien het toekomt. En zo bekomt men een gelijkheid overeenkomstig het rekenkundig midden, dat bepaald wordt tussen twee hoogrootheden, die evenver van het midden afwijken, zoals vijf het midden houdt tussen zes en vier, omdat beiden er een eenheid van afwijken. Wanneer nu twee personen aanvankelijk elk vijf hadden, en een van beiden van de ander een ontving, dan zal hij, die ontvangt, zes hebben, en zal er voor de ander slechts vier overblijven. De rechtvaardigheid zal dus hersteld zijn, als voor beiden het midden weer hersteld wordt, door één te ontnemen aan hem, die zes heeft, en het te geven aan hem, die maar vier bezit: zo immers zullen beide vijf hebben, dat het midden is.

Ad primum ergo dicendum quod in aliis virtutibus moralibus accipitur medium secundum rationem, et non secundum rem. Sed in iustitia accipitur medium rei, et ideo secundum diversitatem rerum diversimode medium accipitur. (IIa-IIae q. 61 a. 2 ad 1)

1 — Voor de andere zedelijke deugden wordt het midden overeenkomstig de rede en niet overeenkomstig de zaak bepaald. Het midden van de rechtvaardigheid echter is een zaakmidden; en bijgevolg zal het midden op verschillende wijze bepaald worden, overeenkomstig het verschil der zaken.

Ad secundum dicendum quod generalis forma iustitiae est aequalitas, in qua convenit iustitia distributiva cum commutativa. In una tamen invenitur aequalitas secundum proportionalitatem geometricam, in alia secundum arithmeticam. (IIa-IIae q. 61 a. 2 ad 2)

2 — Het algemeen bepalende beginsel van de rechtvaardigheid is de gelijkheid, waarin verdeelende rechtvaardigheid en ruilrechtvaardigheid overeenkomen. In de ene echter wordt die gelijkheid naar meetkundige, in de andere naar rekenkundige evenredigheid bepaald.

Ad tertium dicendum quod in actionibus et passionibus conditio personae facit ad quantitatem rei, maior enim est iniuria si percutiatur princeps quam si percutiatur privata persona. Et ita conditio personae in distributiva iustitia attenditur secundum se, in commutativa autem secundum quod per hoc diversificatur res. (IIa-IIae q. 61 a. 2 ad 3)

3 — Met betrekking tot handelen en ondergaan draagt de waardigheid van de persoon bij tot de hoogte van de zaak: de vorst slaan is immers groter onrecht dan een privaat persoon te slaan. Zo wordt dan in de verdeelende rechtvaardigheid de waardigheid van de persoon beschouwd in zichzelf, terwijl de ruilrechtvaardigheid er rekening mee houdt voor zover daardoor de zaak verandert.

Articulus 3.
Bestrijken de twee soorten rechtvaardigheid een verschillend gebied?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod materia utriusque iustitiae non sit diversa. Diversitas enim materiae facit diversitatem virtutis, ut patet in temperantia et fortitudine. Si igitur distributivae iustitiae et commutativae sit diversa materia, videtur quod non contineantur sub una virtute, scilicet sub iustitia. (IIa-IIae q. 61 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de twee soorten rechtvaardigheid geen verschillend gebied bestrijken. — 1. Een onderscheiden gebied immers geeft een onderscheiden deugd, zoals blijkt bij de matigheid en de sterkte. Bestrijken dus de verdeelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid een onderscheiden gebied, dan lijkt het wel dat ze niet te herleiden zijn tot één deugd, namelijk tot de rechtvaardigheid.

Praeterea, distributio, quae pertinet ad distributivam iustitiam, est pecuniae vel honoris vel aliorum quaecumque dispertiri possunt inter eos qui communitate communicant; ut dicitur in V Ethic. Quorum etiam est commutatio inter personas ad invicem, quae pertinet ad commutativam iustitiam. Ergo non est diversa materia distributivae et commutativae iustitiae. (IIa-IIae q. 61 a. 3 arg. 2)

2 — De verdeling, die onder de verdeelende rechtvaardigheid valt, heeft tot voorwerp « het geld of de eer of iets anders wat verdeelbaar is onder de leden van een gemeenschap », zoals in de Ethica gezegd wordt. Ook de ruilhandel, die onder de ruilrechtvaardigheid valt, heeft die dingen tot voorwerp. Derhalve bestrijken verdeelende en ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied.

Praeterea, si sit alia materia distributivae iustitiae et alia materia commutativae propter hoc quod differunt specie, ubi non erit differentia speciei, non debebit esse materiae diversitas. Sed philosophus ponit unam speciem commutativae iustitiae, quae tamen habet multiplicem materiam. Non ergo videtur esse multiplex materia harum specierum. (IIa-IIae q. 61 a. 3 arg. 3)

3 — Indien de verdeelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid, om reden van hun soortelijk verschil een onderscheiden gebied bestrijken, zal daar waar geen soortelijk verschil bestaat, geen verschillend gebied moeten zijn. Welnu, de wijsgeer neemt slechts één soort van ruilrechtvaardigheid aan, die toch onderscheiden gebieden bestrijkt. Derhalve schijnt het gebied van beide soorten rechtvaardigheid wel niet onderscheiden te zijn.

In contrarium est quod dicitur in V Ethic., quod una species iustitiae est directiva in distributionibus, alia in commutationibus. (IIa-IIae q. 61 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in de Ethica wordt gezegd: « De ene soort rechtvaardigheid regelt de verdeling, de andere de ruilhandel ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, iustitia est circa quasdam operationes exteriores, scilicet distributionem et commutationem, quae quidem sunt usus quorundam exteriorum, vel rerum vel personarum vel etiam operum, rerum quidem, sicut cum aliquis vel aufert vel restituit alteri suam rem; personarum autem, sicut cum aliquis in ipsam personam hominis iniuriam facit, puta percutiendo vel conviciando, aut etiam cum reverentiam exhibet; operum autem, sicut cum quis iuste ab alio exigit vel alteri reddit aliquod opus. Si igitur accipiamus ut materiam utriusque iustitiae ea quorum operationes sunt usus, eadem est materia distributivae et commutativae iustitiae, nam et res distribui possunt a communi in singulos, et commutari de uno in alium; et etiam est quaedam distributio laboriosorum operum, et recompensatio. Si autem accipiamus ut materiam utriusque iustitiae actiones ipsas principales quibus utimur personis, rebus et operibus, sic invenitur utrobique alia materia. Nam distributiva iustitia est directiva distributionis, commutativa vero iustitia est directiva commutationum quae attendi possunt inter duas personas. Quarum quaedam sunt involuntariae; quaedam vero voluntariae. Involuntariae quidem, quando aliquis utitur re alterius vel persona vel opere, eo invito. Quod quidem contingit quandoque occulte per fraudem; quandoque etiam manifeste per violentiam. Utrumque autem contingit aut in rem aut in personam propriam, aut in personam coniunctam. In rem quidem, si occulte unus rem alterius accipiat, vocatur furtum; si autem manifeste, vocatur rapina. In personam autem propriam, vel quantum ad ipsam consistentiam personae; vel quantum ad dignitatem ipsius. Si autem quantum ad consistentiam personae, sic laeditur aliquis occulte per dolosam occisionem seu percussionem, et per veneni exhibitionem; manifeste autem per occisionem manifestam, aut per incarcerationem aut verberationem seu membri mutilationem. Quantum autem ad dignitatem personae, laeditur aliquis occulte quidem per falsa testimonia seu detractiones, quibus aliquis aufert famam suam, et per alia huiusmodi; manifeste autem per accusationem in iudicio, seu per convicii illationem. Quantum autem ad personam coniunctam, laeditur aliquis in uxore, ut in pluribus occulte, per adulterium; in servo autem, cum aliquis servum seducit, ut a domino discedat; et haec etiam manifeste fieri possunt. Et eadem ratio est de aliis personis coniunctis, in quas etiam possunt omnibus modis iniuriae committi sicut et in personam principalem. Sed adulterium et servi seductio sunt proprie iniuriae circa has personas, tamen, quia servus est possessio quaedam, hoc refertur ad furtum. Voluntariae autem commutationes dicuntur quando aliquis voluntarie transfert rem suam in alterum. Et si quidem simpliciter in alterum transferat rem suam absque debito, sicut in donatione, non est actus iustitiae, sed liberalitatis. Intantum autem ad iustitiam voluntaria translatio pertinet inquantum est ibi aliquid de ratione debiti. Quod quidem contingit tripliciter. Uno modo, quando aliquis transfert simpliciter rem suam in alterum pro recompensatione alterius rei, sicut accidit in venditione et emptione. Secundo modo, quando aliquis tradit rem suam alteri concedens ei usum rei cum debito recuperandi rem. Et si quidem gratis concedit usum rei, vocatur ususfructus in rebus quae aliquid fructificant; vel simpliciter mutuum seu accommodatum in rebus quae non fructificant, sicut sunt denarii, vasa et huiusmodi. Si vero nec ipse usus gratis conceditur, vocatur locatio et conductio. Tertio modo aliquis tradit rem suam ut recuperandam, non ratione usus, sed vel ratione conservationis, sicut in deposito; vel ratione obligationis, sicut cum quis rem suam pignori obligat, seu cum aliquis pro alio fideiubet. In omnibus autem huiusmodi actionibus, sive voluntariis sive involuntariis, est eadem ratio accipiendi medium secundum aequalitatem recompensationis. Et ideo omnes istae actiones ad unam speciem iustitiae pertinent, scilicet ad commutativam. (IIa-IIae q. 61 a. 3 co.)

Zoals boven gezegd is (58 Kw. 8 en 10 Art.), heeft de rechtvaardigheid sommige uitwendige handelingen tot voorwerp, nl. de verdeling en de ruilhandel; deze nu bestaan in het gebruiken van uiterlijke zaken, personen en ook werken; gebruik van zaken, wanneer b.v. iemand aan een ander een zaak ontneemt of teruggeeft, die hem toebehoort; gebruik van personen, wanneer b.v. iemand aan de persoon zelf van een mens onrecht doet, door hem te slaan of te smaden, of ook wanneer hij hem eerbied betuigt; gebruik van werken, wanneer iemand op rechtmatige wijze van een ander een dienst vraagt of hem een dienst bewijst. Wanneer wij dus aanvaarden dat die dingen, die bij de handelingen worden gebruikt, tot het gebied van beide soorten rechtvaardigheid behoren, dan bestrijken de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied. Want de zaken kunnen, door verdeling, van het gemeenschappelijk bezit, overgaan op private personen, en tussen de een en de ander worden ingeruild; ook bestaat er een zekere verdeling van en vergoeding voor het zwaardere werk. Nemen wij echter aan, dat alleen de voornaamste handelingen, waardoor wij gebruik maken van personen, zaken en werken, het gebied van beide soorten rechtvaardigheid uitmaken, dan komt aan beide een speciaal gebied toe. Immers, de verdeelende rechtvaardigheid regelt de verdelingen; de ruilrechtvaardigheid echter de ruilhandelingen, die tussen twee personen zich kunnen voordoen. Hieronder zijn er die zich onwillens voordoen, en andere willens. Onwillens, wanneer iemand een zaak, de persoon of het werk van een ander gebruikt tegen zijn wil in. Dit nu gebeurt soms in het verborgen door bedrog, en soms ook openlijk, door geweld. Beide gevallen nu doen zich voor met betrekking ofwel tot een zaak, ofwel tot de eigen persoon van iemand, ofwel tot de persoon van een ander, die met hem verbonden is. Ten eerste, met betrekking tot een zaak: wanneer iemand op bedekte wijze zich een andermans zaak toeëigent, heet dit diefstal; indien het echter openlijk gebeurt noemt men het roof. — Met betrekking tot de eigen persoon van iemand moet men nog twee gevallen onderscheiden; ofwel wordt die persoon aangetast in haar bestaan zelf ofwel in hare waardigheid. Iemand wordt in het bestaan zelf van zijn persoon aangetast op bedekte wijze door listige vermoording of slagen, en door toedienen van vergift; openlijk echter door doodslag in het openbaar, of door opsluiting ofwel door stokslagen of door verminking van een lidmaat. — In de waardigheid van zijn persoon wordt iemand op bedekte wijze aangetast door valse getuigenissen of kwaadsprekerij waardoor men iemand zijn faam ontneemt, en door andere dingen van die aard; openlijk echter door beschuldiging voor het gerecht of door verspreiding van laster. — Met betrekking tot een met zich verbonden persoon wordt iemand benadeeld in zijn vrouw, meestal op bedekte wijze, door overspel; in zijn slaaf, wanneer iemand dezen aanzet om zijn heer te verlaten; deze laatste gevallen kunnen zich ook openlijk voordoen. Hetzelfde geldt ook voor de personen, die nog op andere wijze verbonden zijn met iemand, want ook tegen hen kan op allerlei wijze onrecht worden gepleegd, evenals tegenover de voornaamste persoon. Overspel en verleiden van een dienaar echter is eigenlijk onrecht ten aanzien van de betrokken personen zelf: wijl echter een slaaf beschouwd wordt als het bezit van zijn heer, wordt dit tot diefstal herleid. Die ruilhandelingen echter worden willens genoemd, wanneer iemand willens iets aan een ander overlaat. En indien hij zonder meer zijn bezit aan een ander overlaat, zonder verplichting, zoals bij het wegschenken, dan is dat geen daad van rechtvaardigheid, maar van vrijgevigheid. Het vrijwillig overlaten valt slechts onder de rechtvaardigheid in zoverre daar een verplichting mee samengaat. Dit nu komt voor op drie verschillende manieren. Ten eerste, wanneer iemand zijn bezit zonder meer aan een ander overlaat, als vergelding voor een andere zaak, zoals gebeurt bij verkoop en aankoop. Ten tweede, wanneer iemand zijn zaak aan een ander geeft, en hem het gebruik ervan toestaat, met de verplichting van teruggave. En wanneer hij het gebruik van de zaak om niet afstaat heet men dat, bij dingen die vrucht opleveren, vruchtgebruik; bij dingen die geen vrucht afwerpen, zoals geld, werktuigen en dergelijke, wordt het zonder meer verbruikleening of bruikleening genoemd. Wanneer echter zelfs het gebruik niet om niet wordt toegestaan, spreekt men van huur en verhuur. Ten derde laat iemand zijn zaak over om ze terug te krijgen, niet om reden van gebruik, maar ofwel ter bewaring, zoals bij de bewaargeving; ofwel om reden van verplichting, zoals wanneer iemand zijn goed tot pand geeft, of wanneer iemand voor een ander borg blijft. Bij al dergelijke handelingen, laten zij dan willens of onwillens gebeuren, moet het midden op dezelfde wijze worden bepaald, nl. naar gelijkheid van vergoeding. En hierom vallen al deze handelingen onder dezelfde soort rechtvaardigheid, nl. onder de ruilrechtvaardigheid.

Et per hoc patet responsio ad obiecta. (IIa-IIae q. 61 a. 3 ad arg.)

1 — Hieruit blijkt het antwoord op de bedenkingen.

Articulus 4.
Is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod iustum sit simpliciter idem quod contrapassum. Iudicium enim divinum est simpliciter iustum. Sed haec est forma divini iudicii, ut secundum quod aliquis fecit, patiatur, secundum illud Matth. VII, in quo iudicio iudicaveritis, iudicabimini, et in qua mensura mensi fueritis, remetietur vobis. Ergo iustum est simpliciter idem quod contrapassum. (IIa-IIae q. 61 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het rechtvaardige zonder meer hetzelfde is als het wedervergoldene. — 1. Het goddelijk oordeel immers is rechtvaardig zonder meer. Welnu, een van de vormen van het goddelijk oordeel bestaat hierin, dat iemand zelf moet ondergaan wat hij een ander heeft aangedaan, naar het woord bij Mattheus (7. 2): «Naar het oordeel waarmee gij oordeelt zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal men ook meten voor u». Derhalve is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.

Praeterea, in utraque iustitiae specie datur aliquid alicui secundum quandam aequalitatem, in respectu quidem ad dignitatem personae in iustitia distributiva, quae quidem personae dignitas maxime videtur attendi secundum opera quibus aliquis communitati servivit; in respectu autem ad rem in qua quis damnificatus est, in iustitia commutativa. Secundum autem utramque aequalitatem aliquis contrapatitur secundum quod fecit. Ergo videtur quod iustum simpliciter sit idem quod contrapassum. (IIa-IIae q. 61 a. 4 arg. 2)

2 — In beide soorten van rechtvaardigheid wordt aan iemand iets gegeven naar een zekere gelijkheid: in de verdeelende rechtvaardigheid, overeenkomstig de persoonswaardigheid, die voornamelijk geschat wordt naar de diensten die iemand aan de gemeenschap heeft bewezen; in de ruilrechtvaardigheid, overeenkomstig de zaak waarin iemand benadeeld is. Naar beide soorten van gelijkheid nu wordt iemand wedervergolden wat hij een ander aandeed. Derhalve lijkt het wel dat het rechtvaardige hetzelfde is als het wedervergoldene.

Praeterea, maxime videtur quod non oporteat aliquem contrapati secundum quod fecit, propter differentiam voluntarii et involuntarii, qui enim involuntarie fecit iniuriam, minus punitur. Sed voluntarium et involuntarium, quae accipiuntur ex parte nostra, non diversificant medium iustitiae, quod est medium rei et non quoad nos. Ergo iustum simpliciter idem esse videtur quod contrapassum. (IIa-IIae q. 61 a. 4 arg. 3)

3 — De reden waarom aan iemand niet zou moeten worden wedervergolden wat hij gedaan heeft, zo vooral gelegen is in het verschil tussen willens en onwillens: immers, iemand die onwillens onrecht aandoet, wordt minder gestraft. Maar willens en onwillens betekenen iets met betrekking tot ons, en wijzigen het midden van de rechtvaardigheid niet, dat een zaakmidden is, en niet op ons slaat. Dus is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.

Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., probat non quodlibet iustum esse contrapassum. (IIa-IIae q. 61 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de wijsgeer aantoont, dat niet in alle gevallen het rechtvaardige hetzelfde is als het wedervergolden.

Respondeo dicendum quod hoc quod dicitur contrapassum importat aequalem recompensationem passionis ad actionem praecedentem. Quod quidem propriissime dicitur in passionibus iniuriosis quibus aliquis personam proximi laedit, puta, si percutit, quod repercutiatur. Et hoc quidem iustum determinatur in lege, Exod. XXI, reddet animam pro anima, oculum pro oculo, et cetera. Et quia etiam auferre rem alterius est quoddam facere, ideo secundario etiam in his dicitur contrapassum, prout scilicet aliquis qui damnum intulit, in re sua ipse etiam damnificatur. Et hoc etiam iustum continetur in lege, Exod. XXII, si quis furatus fuerit bovem aut ovem, et occiderit vel vendiderit, quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove. Tertio vero transfertur nomen contrapassi ad voluntarias commutationes, in quibus utrinque est actio et passio, sed voluntarium diminuit de ratione passionis, ut dictum est. In omnibus autem his debet fieri, secundum rationem iustitiae commutativae, recompensatio secundum aequalitatem, ut scilicet passio recompensata sit aequalis actioni. Non autem semper esset aequalis si idem specie aliquis pateretur quod fecit. Nam primo quidem, cum quis iniuriose laedat alterius personam maiorem, maior est actio quam passio eiusdem speciei quam ipse pateretur. Et ideo ille qui percutit principem non solum repercutitur, sed multo gravius punitur. Similiter etiam cum quis aliquem involuntarium in re sua damnificat, maior est actio quam esset passio si sibi sola res illa auferretur, quia ipse qui damnificavit alium, in re sua nihil damnificaretur. Et ideo punitur in hoc quod multiplicius restituat, quia etiam non solum damnificavit personam privatam, sed rempublicam, eius tutelae securitatem infringendo. Similiter etiam nec in commutationibus voluntariis semper esset aequalis passio si aliquis daret rem suam, accipiens rem alterius, quia forte res alterius est multo maior quam sua. Et ideo oportet secundum quandam proportionatam commensurationem adaequare passionem actioni in commutationibus, ad quod inventa sunt numismata. Et sic contrapassum est commutativum iustum. In distributiva autem iustitia locum non habet. Quia in distributiva iustitia non attenditur aequalitas secundum proportionem rei ad rem, vel passionis ad actionem, unde dicitur contrapassum, sed secundum proportionalitatem rerum ad personas, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 61 a. 4 co.)

Het wedervergoldene zegt gelijkheid tussen de vergelding, die men ondergaat, en de bedreven daad. Dit wordt in de meest eigenlijke zin gezegd, waar het gaat om een onrechtvaardig lijden, dat de persoon van de naaste treft; b.v. als iemand slaat, zal hij teruggeslagen worden. En dit recht wordt bepaald in het Boek van de Uittocht (21. 23 vlg.): « Hij zal leven voor leven geven, en oog voor oog » enz. — Omdat nu ook andermans goed wegnemen een zeker handelen is, daarom wordt, in de tweede plaats, ook bij zulke gevallen van vergelding gesproken: aldus zal iemand, die schade aanrichtte, ook in zijn eigen goed schade berokkend worden. En ook dit recht is vervat in de Wet, in het woord van het Boek van de Uittocht (22. 1): « Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap ». — Ten derde, wordt de naam wedervergelding overgedragen op vrijwillige ruilingen, waarbij handelen en ondergaan betrokken is; maar het vrijwillige vermindert het karakter van ondergaan, zoals gezegd is (59° Kw. 3° Art.). In al deze gevallen echter moet de vergoeding, volgens de eigen aard van de ruilrechtvaardigheid, naar gelijkheid geschieden, zodat nl. wat men ondergaat gelijk is aan wat men heeft gedaan. Die gelijkheid zou echter niet altijd bewaard blijven, wanneer iemand soortelijk hetzelfde onderging van wat hij heeft aangedaan. Want vooreerst, wanneer iemand een hogergeplaatst persoon beleedigt, is de misdaad groter dan het lijden in dezelfde soort, dat de beleediger zou ondergaan. En daarom wordt hij, die een vorst slaat, niet slechts teruggeslagen, maar hij wordt veel zwaarder gestraft. — Evenzo, wanneer iemand een ander, tegen zijn wil in, in zijn goed benadeelt; ook in dit geval is de misdaad groter dan het lijden zou zijn, indien hem alleen maar dit ding ontnomen werd: aldus immers, zou hij die schade berokkende, in niets geschaad worden. En daarom wordt hij gestraft door de verplichting om een veelvoud van het ontnomen terug te geven: dit ook, omdat hij niet alleen een privaat persoon benadeeld heeft, maar ook het gemeenebest, door een inbreuk op de veiligheid van zijn bescherming. — Zelfs in vrijwillige ruilingen zou de vergoeding niet steeds de vereiste gelijkheid bereiken, wanneer iemand een zaak die hem toebehoort, in de plaats zou geven voor iets wat een ander toebehoort: want misschien is het ding van die andere veel groter dan het zijne. — En daarom moet bij de ruilingen de gelijkheid berekend worden naar verhouding, en daartoe zijn de munten uitgevonden. En aldus is het wedervergoldene hetzelfde als het ruilrechtvaardige. In de verdeelende rechtvaardigheid gaat dit evenwel niet op. In de verdeelende rechtvaardigheid immers, wordt niet gelet op de gelijkheid in de verhouding van ding tot ding, of van doen tot ondergaan — waarop de benaming wedervergelding steunt —; maar er wordt gelet op gelijkheid volgens de verhouding van de dingen tot de personen, zoals gezegd is (2° Art.).

Ad primum ergo dicendum quod illa forma divini iudicii attenditur secundum rationem commutativae iustitiae, prout scilicet recompensat praemia meritis et supplicia peccatis. (IIa-IIae q. 61 a. 4 ad 1)

1 — De vorm van het goddelijk oordeel beantwoordt aan het begrip van de ruilrechtvaardigheid, voor zover Hij nl. de verdiensten met beloning, « en de zonden met straf » vergeldt.

Ad secundum dicendum quod si alicui qui communitati servisset retribueretur aliquid pro servitio impenso, non esset hoc distributivae iustitiae, sed commutativae. In distributiva enim iustitia non attenditur aequalitas eius quod quis accipit ad id quod ipse impendit, sed ad id quod alius accipit, secundum modum utriusque personae. (IIa-IIae q. 61 a. 4 ad 2)

2 — Wanneer aan iemand, die de gemeenschap dient, iets gegeven werd voor bewezen diensten, zou dit niet tot de verdeelrechtvaardigheid maar tot de ruilrechtvaardigheid behoren. Immers, in de verdeelrechtvaardigheid wordt niet gelet op de gelijkheid tussen dat wat men ontvangt en wat men presteerde, maar op de evenredigheid tussen dat wat men ontvangt en dat wat een ander ontving; en dit met inachtneming van de condities der beide personen.

Ad tertium dicendum quod quando actio iniuriosa est voluntaria, excedit iniuria, et sic accipitur ut maior res. Unde oportet maiorem poenam ei recompensari non secundum differentiam quoad nos, sed secundum differentiam rei. (IIa-IIae q. 61 a. 4 ad 3)

3 — Wanneer een onrechtvaardige daad vrijwillig geschiedt, wordt het onrecht groter, en wordt het als een grotere zaak beschouwd. Dus moet het door een grotere straf vergoed worden, die berekend wordt, niet naar het verschil met betrekking tot ons, maar naar het verschil in de zaak.