QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 60.
Over het oordeel .

Prooemium

Deinde considerandum est de iudicio. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo, utrum iudicium sit actus iustitiae. Secundo, utrum sit licitum iudicare. Tertio, utrum per suspiciones sit iudicandum. Quarto, utrum dubia sint in meliorem partem interpretanda. Quinto, utrum iudicium semper sit secundum leges scriptas proferendum. Sexto, utrum iudicium per usurpationem pervertatur. (IIa-IIae q. 60 pr.)

Vervolgens moet worden gehandeld over het oordeel. Hieromtrent worden zes vragen gesteld: 1. Is oordelen een daad van rechtvaardigheid? 2. Is oordelen gewettigd? 3. Moet men oordelen op verdenkingen? 4. Moeten twijfelgevallen langs de beste kant worden uitgelegd? 5. Moet het oordeel altijd uitgesproken worden overeenkomstig de geschreven wetten? 6. Ontaardt het oordeel door gezagsaanmatiging?

Articulus 1.
Is oordelen een daad van rechtvaardigheid?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod iudicium non sit actus iustitiae. Dicit enim philosophus, in I Ethic., quod unusquisque bene iudicat quae cognoscit, et sic iudicium ad vim cognoscitivam pertinere videtur. Vis autem cognoscitiva per prudentiam perficitur. Ergo iudicium magis pertinet ad prudentiam quam ad iustitiam, quae est in voluntate, ut dictum est. (IIa-IIae q. 60 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat oordelen geen daad van rechtvaardigheid is. — 1. In de Ethica zegt de Wijsgeer immers: « Ieder oordeelt juist over wat hij kent »; en zo lijkt het oordeel wel tot het kenvermogen te behoren. Het kenvermogen nu wordt vervolmaakt door de verstandigheid. Derhalve valt het oordeel eerder onder de verstandigheid dan onder de rechtvaardigheid, die in de wil is, zoals werd gezegd (58° Kw. 4° Art.).

Praeterea, apostolus dicit, I ad Cor. II, spiritualis iudicat omnia. Sed homo maxime efficitur spiritualis per virtutem caritatis, quae diffunditur in cordibus nostris per spiritum sanctum, qui datus est nobis, ut dicitur Rom. V. Ergo iudicium magis pertinet ad caritatem quam ad iustitiam. (IIa-IIae q. 60 a. 1 arg. 2)

2 — In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15) zegt de Apostel: « De geestelijke mens beoordeelt alles ». Welnu, de mens wordt allereerst vergeestelijkt door de deugd van liefde, die « is uitgestort in onze harten door de H. Geest, die ons geschonken is » zoals in de Brief aan de Romeinen (5. 5) wordt gezegd. Derhalve valt het oordeel eerder onder de liefde dan wel onder de rechtvaardigheid.

Praeterea, ad unamquamque virtutem pertinet rectum iudicium circa propriam materiam, quia virtuosus in singulis est regula et mensura, secundum philosophum, in libro Ethic. Non ergo iudicium magis pertinet ad iustitiam quam ad alias virtutes morales. (IIa-IIae q. 60 a. 1 arg. 3)

3 — Binnen haar eigen gebied komt aan iedere deugd een juist oordeel toe; want « de deugdzame is in alle aangelegenheden regel en maatstaf », naar het woord van de Wijsgeer. Het oordeel valt dus niet meer onder de rechtvaardigheid dan onder de andere zedelijke deugden.

Praeterea, iudicium videtur ad solos iudices pertinere. Actus autem iustitiae invenitur in omnibus iustis. Cum igitur non soli iudices sint iusti, videtur quod iudicium non sit actus proprius iustitiae. (IIa-IIae q. 60 a. 1 arg. 4)

4 — Oordelen schijnt alleen aan de rechters toe te komen. De daad van rechtvaardigheid nu wordt bij alle rechtvaardigen gevonden. Wil dus niet alleen de rechters rechtvaardig zijn, lijkt oordelen wel niet de eigen daad van de rechtvaardigheid te zijn.

Sed contra est quod in Psalm. dicitur, quoadusque iustitia convertatur in iudicium. (IIa-IIae q. 60 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat in het Boek der Psalmen (93. 15) gezegd wordt: « Want het oordeel zal wederkeren tot gerechtigheid ».

Respondeo dicendum quod iudicium proprie nominat actum iudicis inquantum est iudex. Iudex autem dicitur quasi ius dicens. Ius autem est obiectum iustitiae, ut supra habitum est. Et ideo iudicium importat, secundum primam nominis impositionem, definitionem vel determinationem iusti sive iuris. Quod autem aliquis bene definiat aliquid in operibus virtuosis proprie procedit ex habitu virtutis, sicut castus recte determinat ea quae pertinent ad castitatem. Et ideo iudicium, quod importat rectam determinationem eius quod est iustum, proprie pertinet ad iustitiam. Propter quod philosophus dicit, in V Ethic., quod homines ad iudicem confugiunt sicut ad quandam iustitiam animatam. (IIa-IIae q. 60 a. 1 co.)

In eigenlijke zin noemt men oordeel de daad van de rechter als rechter. Het Latijnse woord « judex » (rechter) beduidt als 't ware « jus dicens » (recht sprekend). Recht nu is het voorwerp van de rechtvaardigheid, zoals boven (57° Kw. 1° Art.) gezegd is. En daarom behelst het oordeel, in de oorspronkelijke aanwending van het woord, de bepaling of vaststelling van wat rechtvaardig of recht is. Dat nu iemand iets juist bepaalt met betrekking tot een deugdzame handeling, komt eigenlijk voort uit de deugdzame hebbelijkheid; zo bepaalt de zuivere op een juiste manier de dingen, die op de zuiverheid betrekking hebben. En bijgevolg behoort het oordeel, dat het juiste bepalen van datgene wat rechtvaardig is insluit, eigenlijk tot de rechtvaardigheid. Daarom zegt de Wijsgeer: «De mensen nemen hun toevlucht tot de rechter als tot de levende rechtvaardigheid».

Ad primum ergo dicendum quod nomen iudicii, quod secundum primam impositionem significat rectam determinationem iustorum, ampliatum est ad significandum rectam determinationem in quibuscumque rebus, tam in speculativis quam in practicis. In omnibus tamen ad rectum iudicium duo requiruntur. Quorum unum est ipsa virtus proferens iudicium. Et sic iudicium est actus rationis, dicere enim vel definire aliquid rationis est. Aliud autem est dispositio iudicantis, ex qua habet idoneitatem ad recte iudicandum. Et sic in his quae ad iustitiam pertinent iudicium procedit ex iustitia, sicut et in his quae ad fortitudinem pertinent ex fortitudine. Sic ergo iudicium est quidam actus iustitiae sicut inclinantis ad recte iudicandum, prudentiae autem sicut iudicium proferentis. Unde et synesis, ad prudentiam pertinens, dicitur bene iudicativa, ut supra habitum est. (IIa-IIae q. 60 a. 1 ad 1)

1 — Het woord «oordeel», dat naar zijn oorspronkelijke aanwending de juiste bepaling van het recht betekent, werd later verbreed om het juiste bepalen in gelijk welke dingen, zowel bespiegelende als praktische, weer te geven. Opdat nu in alles het oordeel juist zou zijn, worden twee voorwaarden vereist. Ten eerste, de deugd, die het oordeel uitspreekt. En op die wijze is het oordeel een verstandsdaad: uitspreken immers, of bepalen, is iets van de rede. Ten tweede, de gesteltenis van hem die oordeelt, waardoor hij de geschiktheid heeft om juist te oordelen. En zo komt het oordeel in aangelegenheden, die de rechtvaardigheid betreffen, uit de rechtvaardigheid voort, zoals ook voor dingen, die de sterkte betreffen, het oordeel uit de sterkte voortkomt. Zo is oordelen dus wel een daad van de rechtvaardigheid, die het subject naar het juiste oordeel toeneigt: maar ook een daad van de verstandigheid, die het oordeel uitspreekt. Daarom ook heet de synesis, die bij de verstandigheid hoort, vermogen van juist oordeel, zoals boven (51° Kw. 3° Art.) gezegd is.

Ad secundum dicendum quod homo spiritualis ex habitu caritatis habet inclinationem ad recte iudicandum de omnibus secundum regulas divinas, ex quibus iudicium per donum sapientiae pronuntiat, sicut iustus per virtutem prudentiae pronuntiat iudicium ex regulis iuris. (IIa-IIae q. 60 a. 1 ad 2)

2 — De geestelijke mens is door de liefde geneigd tot een juist oordeel over alles, overeenkomstig de goddelijke bepalingen, volgens welke hij oordeelt met behulp van de gave der Wijsheid, evenals de rechtvaardige volgens de bepalingen van het recht, met behulp van de deugd van verstandigheid een oordeel uitspreekt.

Ad tertium dicendum quod aliae virtutes ordinant hominem in seipso, sed iustitia ordinat hominem ad alium, ut ex dictis patet. Homo autem est dominus eorum quae ad ipsum pertinent, non autem est dominus eorum quae ad alium pertinent. Et ideo in his quae sunt secundum alias virtutes non requiritur nisi iudicium virtuosi, extenso tamen nomine iudicii, ut dictum est. Sed in his quae pertinent ad iustitiam requiritur ulterius iudicium alicuius superioris, qui utrumque valeat arguere, et ponere manum suam in ambobus. Et propter hoc iudicium specialius pertinet ad iustitiam quam ad aliquam aliam virtutem. (IIa-IIae q. 60 a. 1 ad 3)

3 — De andere deugden regelen de mens met betrekking tot zichzelf, maar de rechtvaardigheid regelt de mens met betrekking tot een ander, zoals blijkt uit wat gezegd is (58° Kw. 2° Art.). Indien nu de mens meester is over datgene wat hem toebehoort, dan is hij dat niet met betrekking tot datgene wat aan een ander toebehoort. Betreffende de dingen die onder de andere deugden vallen, volstaat dus het oordeel van de deugdzame — oordeel hier te verstaan in bredere zin, zoals gezegd is (1° Antw.). Met betrekking echter tot de dingen, die tot het gebied van de rechtvaardigheid behoren, is daarbij nog het oordeel vereist van een overste, « die beide partijen kan berispen en zijn hand op beiden leggen » (Job 9. 33). En hierom hoort het oordeel op meer bijzondere wijze bij de rechtvaardigheid dan bij enige andere deugd.

Ad quartum dicendum quod iustitia in principe quidem est sicut virtus architectonica, quasi imperans et praecipiens quod iustum est, in subditis autem est tanquam virtus executiva et ministrans. Et ideo iudicium, quod importat definitionem iusti, pertinet ad iustitiam secundum quod est principaliori modo in praesidente. (IIa-IIae q. 60 a. 1 ad 4)

4 — In de vorst is de rechtvaardigheid als een leidende deugd, die als 't ware beveelt en voorschrijft wat rechtvaardig is: in de onderdanen is zij als een uitvoerende en dienende deugd. En daarom komt het oordeel, dat bepaling van het rechtvaardige insluit aan de rechtvaardigheid toe, voor zover zij op bijzondere wijze in de vorst bestaat.

Articulus 2.
Is oordelen gewettigd?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit licitum iudicare. Non enim infligitur poena nisi pro illicito. Sed iudicantibus imminet poena, quam non iudicantes effugiunt, secundum illud Matth. VII, nolite iudicare, ut non iudicemini. Ergo iudicare est illicitum. (IIa-IIae q. 60 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat oordelen niet gewettigd is. — 1. Straf wordt alleen opgelegd om een onwettige daad. Zij nu die oordelen worden bedreigd met een straf die niet-oordelenden ontgaan, naar het woord bij *Mattheus* (7. 1): «Oordeelt niet, opdat ge niet geoordeeld wordt». Oordelen is derhalve onwettig.

Praeterea, Rom. XIV dicitur, tu quis es, qui iudicas alienum servum? Suo domino stat aut cadit. Dominus autem omnium Deus est. Ergo nulli homini licet iudicare. (IIa-IIae q. 60 a. 2 arg. 2)

2 — Er staat in de Brief aan de Romeinen (14. 4): « Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over andermans dienstknecht; of hij staat of valt, is de zaak van zijn eigen meester ». Welnu, God is Meester over allen. Derhalve mag geen enkel mens oordelen.

Praeterea, nullus homo est sine peccato, secundum illud I Ioan. I, si dixerimus quia peccatum non habemus, nosipsos seducimus. Sed peccanti non licet iudicare, secundum illud Rom. II, inexcusabilis es, o homo omnis qui iudicas, in quo enim alterum iudicas, teipsum condemnas; eadem enim agis quae iudicas. Ergo nulli est licitum iudicare. (IIa-IIae q. 60 a. 2 arg. 3)

3 — Geen mens is zonder zonde, naar het woord uit de Eerste Brief van Joannes (1. 8): « Als we beweren, geen zonde te hebben, dan misleiden we onszelf ». Welnu, een zondaar mag niet oordelen, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (2. 1): « Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mens, die oordelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter, ge doet immers juist hetzelfde ». Het is dus aan niemand toegelaten te oordelen.

Sed contra est quod dicitur Deut. XVI, iudices et magistros constitues in omnibus portis tuis, ut iudicent populum iusto iudicio. (IIa-IIae q. 60 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium (16. 18) gezegd wordt: « Rechters en meesters zult u stellen in al uw poorten, dat zij het volk rechten met een oordeel van gerechtigheid ».

Respondeo dicendum quod iudicium intantum est licitum inquantum est iustitiae actus. Sicut autem ex praedictis patet, ad hoc quod iudicium sit actus iustitiae tria requiruntur, primo quidem, ut procedat ex inclinatione iustitiae; secundo, quod procedat ex auctoritate praesidentis; tertio, quod proferatur secundum rectam rationem prudentiae. Quodcumque autem horum defuerit, est iudicium vitiosum et illicitum. Uno quidem modo, quando est contra rectitudinem iustitiae, et sic dicitur iudicium perversum vel iniustum. Alio modo, quando homo iudicat in his in quibus non habet auctoritatem, et sic dicitur iudicium usurpatum. Tertio modo, quando deest certitudo rationis, puta cum aliquis de his iudicat quae sunt dubia vel occulta per aliquas leves coniecturas, et sic dicitur iudicium suspiciosum vel temerarium. (IIa-IIae q. 60 a. 2 co.)

Het oordeel is gewettigd in zover het een daad van de rechtvaardigheid is. Zoals nu uit het voorgaande (vorig Art. 1° en 3° Antw.) blijkt, zijn er drie voorwaarden vereist opdat het oordeel een daad van rechtvaardigheid zou zijn: ten eerste, dat het zou voortkomen uit een neiging van rechtvaardigheid; ten tweede, dat het zou uitgaan van het gezag van een overste; ten derde, dat het uitgesproken wordt naar het juiste inzicht van de verstandigheid. Het oordeel nu, waaraan een dezer voorwaarden ontbreekt, is gebrekkig en ongewettigd. Ten eerste, wanneer het tegen de gaafheid van de rechtvaardigheid ingaat: dan wordt het oordeel vals en onrechtvaardig genoemd. Ten tweede, wanneer de mens oordeelt over zaken waarin hij geen gezag heeft: en dan heet het een aanmatigend oordeel. Ten derde, wanneer de zekerheid van de rede ontbreekt, b.v. wanneer iemand, op grond van lichte gissingen, over twijfelachtige of verborgen zaken oordeelt: en dan heet het een op vermoeden gesteund of vermetel oordeel.

Ad primum ergo dicendum quod dominus ibi prohibet iudicium temerarium, quod est de intentione cordis vel de aliis incertis, ut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte. Vel prohibet ibi iudicium de rebus divinis, de quibus, cum sint supra nos, non debemus iudicare, sed simpliciter ea credere, ut Hilarius dicit, super Matth. Vel prohibet iudicium quod non sit ex benevolentia, sed ex animi amaritudine, ut Chrysostomus dicit. (IIa-IIae q. 60 a. 2 ad 1)

1 — De Heer verbiedt hier het vermetele oordeel, dat een verborgen bedoeling of iets onzekers tot voorwerp heeft, zoals Augustinus zegt. — Ofwel verbiedt hij hier te oordelen over goddelijke aangelegenheden, waarover wij niet moeten oordelen, maar die we eenvoudigweg moeten geloven, omdat ze boven ons verheven zijn, zoals Hilarius zegt. — Ofwel verbiedt hij het oordeel, dat niet uit goedwilligheid voortkomt, maar uit een verbitterd gemoed, zoals Chrysostomus zegt.

Ad secundum dicendum quod iudex constituitur ut minister Dei. Unde dicitur Deut. I, quod iustum est iudicate; et postea subdit, quia Dei est iudicium. (IIa-IIae q. 60 a. 2 ad 2)

2 — De rechter wordt aangesteld als Gods dienaar. Vandaar zegt het Boek Deuteronomium (1. 16): « Oordeelt wat recht is », en verder (1. 17): « want het is Gods oordeel ».

Ad tertium dicendum quod illi qui sunt in gravibus peccatis non debent iudicare eos qui sunt in eisdem peccatis vel minoribus, ut Chrysostomus dicit, super illud Matth. VII, nolite iudicare. Et praecipue est hoc intelligendum quando illa peccata sunt publica, quia ex hoc generatur scandalum in cordibus aliorum. Si autem non sunt publica, sed occulta, et necessitas iudicandi immineat propter officium, potest cum humilitate et timore vel arguere vel iudicare. Unde Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, si invenerimus nos in eodem vitio esse, congemiscamus, et ad pariter conandum invitemus. Nec tamen propter hoc homo sic seipsum condemnat ut novum condemnationis meritum sibi acquirat, sed quia, condemnans alium, ostendit se similiter condemnabilem esse, propter idem peccatum vel simile. (IIa-IIae q. 60 a. 2 ad 3)

3 — Zij die in zware zonden leven moeten hen niet beoordelen, die in dezelfde zonden leven, of in kleinere, zoals Chrysostomus opmerkt bij het woord van Mattheus (7. 1): « Oordeel niet ». Dit moet vooral worden in acht genomen wanneer die zonden openbaar zijn: want hieruit zou ergernis ontstaan in de harten van anderen. Wanneer die zonden echter niet openbaar, maar verborgen zijn, en iemand ambtshalve moet oordelen, dan mag hij nederig en schroomvol berispen of oordelen. Daarom zegt Augustinus: « Indien wij ervaren in dezelfde zonde te leven, laten wij dan samen zuchten, en elkaar aanzetten tot dezelfde pogingen ». Daarom veroordeelt een mens, die oordeelt, zichzelf niet, in die zin, dat hij een nieuwe veroordeling oploopt; maar door een ander te veroordelen toont hij zich evenzeer veroordeelbaar, om dezelfde zonde of om een andere.

Articulus 3.
Is een oordeel op grond van verdenking, ongewettigd?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod iudicium ex suspicione procedens non sit illicitum. Suspicio enim videtur esse opinio incerta de aliquo malo, unde et philosophus, in VI Ethic., ponit quod suspicio se habet et ad verum et ad falsum. Sed de singularibus contingentibus non potest haberi opinio nisi incerta. Cum igitur iudicium humanum sit circa humanos actus, qui sunt in singularibus et contingentibus, videtur quod nullum iudicium esset licitum, si ex suspicione iudicare non liceret. (IIa-IIae q. 60 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een oordeel, op grond van verdenking, niet ongewettigd is. — 1. Verdenking immers schijnt een onzekere mening te zijn omtrent een of ander kwaad. Daarom zegt de Wijsgeer, dat de verdenking evengoed op het ware als op het valse betrekking heeft. Welnu, met betrekking tot singuliere en wisselvallige aangelegenheden kan men slechts een onzekere mening verwerven. Daar nu het menselijk oordeel slaat op de menselijke handelingen, die singulier en wisselvallig zijn, lijkt het wel, dat geen enkel oordeel gewettigd zou zijn, indien men niet mocht oordelen op grond van verdenking.

Praeterea, per iudicium illicitum fit aliqua iniuria proximo. Sed suspicio mala in sola opinione hominis consistit, et sic non videtur ad iniuriam alterius pertinere. Ergo suspicionis iudicium non est illicitum. (IIa-IIae q. 60 a. 3 arg. 2)

2 — Door een ongewettigd oordeel wordt onrecht gepleegd tegenover de naaste. Welnu, iemand van kwaad verdenken is slechts een menselijke mening, en zo lijkt het wel, dat daardoor geen onrecht wordt gepleegd tegenover een ander. Derhalve is oordelen op grond van verdenking niet ongewettigd.

Praeterea, si sit illicitum, oportet quod ad iniustitiam reducatur, quia iudicium est actus iustitiae, ut dictum est. Sed iniustitia ex suo genere semper est peccatum mortale, ut supra habitum est. Ergo suspicionis iudicium semper esset peccatum mortale, si esset illicitum. Sed hoc est falsum, quia suspiciones vitare non possumus, ut dicit Glossa Augustini super illud I ad Cor. IV, nolite ante tempus iudicare. Ergo iudicium suspiciosum non videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 60 a. 3 arg. 3)

3 — Is dit oordeel ongewettigd, dan moet het tot de onrechtvaardigheid worden herleid: want het oordeel is een daad van rechtvaardigheid, zoals gezegd is (1° Art.). Welnu, onrechtvaardigheid is uiteraard altijd doodzonde, zoals boven gebleken is (59° Kw. 4° Art.). Indien dus het oordeel op grond van verdenking onwettig is, zou het altijd doodzonde zijn. Welnu, dit is vals: want, zoals de Glossa bij dit woord uit de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 5) « Oordeelt niet vóór de tijd » opmerkt, « kunnen wij de verdenkingen niet vermijden ». Het oordeel op grond van verdenking is derhalve niet ongewettigd.

Sed contra est quod Chrysostomus, super illud Matth. VII, nolite iudicare etc., dicit, dominus hoc mandato non prohibet Christianos ex benevolentia alios corripere, sed ne per iactantiam iustitiae suae Christiani Christianos despiciant, ex solis plerumque suspicionibus odientes ceteros et condemnantes. (IIa-IIae q. 60 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus bij hetzelfde woord van Mattheus opmerkt: « Door dit gebod verbiedt de Heer aan de christenen niet de anderen te berispen uit goedwilligheid, maar enkel dat de christenen, uit een misplaatst gevoel van ijdelheid om eigen gerechtigheid, hun medechristenen niet zouden verachten, hen hatend en veroordelend meestal op grond van loutere verdachtmaking ».

Respondeo dicendum quod, sicut Tullius dicit, suspicio importat opinionem mali quando ex levibus indiciis procedit. Et contingit ex tribus. Uno quidem modo, ex hoc quod aliquis in seipso malus est, et ex hoc ipso, quasi conscius suae malitiae, faciliter de aliis malum opinatur, secundum illud Eccle. X, in via stultus ambulans, cum ipse sit insipiens, omnes stultos aestimat. Alio modo provenit ex hoc quod aliquis male afficitur ad alterum. Cum enim aliquis contemnit vel odit aliquem, aut irascitur vel invidet ei, ex levibus signis opinatur mala de ipso, quia unusquisque faciliter credit quod appetit. Tertio modo provenit ex longa experientia, unde philosophus dicit, in II Rhet., quod senes sunt maxime suspiciosi, quia multoties experti sunt aliorum defectus. Primae autem duae suspicionis causae manifeste pertinent ad perversitatem affectus. Tertia vero causa diminuit rationem suspicionis, inquantum experientia ad certitudinem proficit, quae est contra rationem suspicionis. Et ideo suspicio vitium quoddam importat, et quanto magis procedit suspicio, tanto magis est vitiosum. Est autem triplex gradus suspicionis. Primus quidem gradus est ut homo ex levibus indiciis de bonitate alicuius dubitare incipiat. Et hoc est veniale et leve peccatum, pertinet enim ad tentationem humanam, sine qua vita ista non ducitur, ut habetur in Glossa super illud I ad Cor. IV, nolite ante tempus iudicare. Secundus gradus est cum aliquis pro certo malitiam alterius aestimat ex levibus indiciis. Et hoc, si sit de aliquo gravi, est peccatum mortale, inquantum non est sine contemptu proximi, unde Glossa ibidem subdit, etsi ergo suspiciones vitare non possumus, quia homines sumus, iudicia tamen, idest definitivas firmasque sententias, continere debemus. Tertius gradus est cum aliquis iudex ex suspicione procedit ad aliquem condemnandum. Et hoc directe ad iniustitiam pertinet. Unde est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 60 a. 3 co.)

Zoals Tullius zegt, behelst verdenking kwaad vermoeden op grond van nietige aanwijzingen. Dit nu gebeurt om drie redenen. Ten eerste, uit het feit, dat iemand slecht is in zichzelf, en hierdoor gemakkelijk kwaad vermoedt bij anderen, als 't ware bewust van eigen boosheid, naar het woord van de Prediker (10. 3): « Als hij over de weg wandelt, houdt de dwaas, daar hijzelf dwaas is, allen voor dwazen ». — Ten tweede komt verdenking hieruit voort, dat iemand een ander kwaadgezind is. Immers, wanneer iemand een ander veracht of haat toedraagt, op hem vertoornd is of hem benijdt, dan vermoedt hij kwaad van hem, op grond van lichte aanwijzingen; want iedereen gelooft gemakkelijk datgene wat hij begeert. — Ten derde kan verdenking voortkomen uit langdurige ervaring: daarom zegt de Wijsgeer: « Ouderlingen zijn erg kwaaddunkend, omdat zij heel vaak de gebreken van anderen hebben ervaren ». De eerste twee oorzaken van verdenking veronderstellen klaarblijkelijk de boosheid van het gemoed. De derde oorzaak echter vermindert de verdenking, voor zover de ervaring leidt tot zekerheid, die aan de verdenking tegengesteld is. Bijgevolg behelst de verdenking een ondeugd; en hoe zwaarder de verdenking, des te groter de ondeugd. Nu zijn er drie graden van verdenking. De eerste, wanneer een mens, op grond van nietige aanwijzingen, aan de goedheid van een ander begint te twijfelen. Dit is een dagelijkse, een lichte zonde: want « dit valt onder de menselijke bekoring, zonder dewelke dit leven niet geleid wordt », zoals de Glossa bij dit woord uit de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 5): « Oordeelt niet vóór de tijd » opmerkt. — Een tweede graad bestaat hierin, dat iemand, op grond van lichte aanwijzingen, de boosheid van een ander voor zeker aanziet. En wanneer het gaat om een belangrijke aangelegenheid, is dit doodzonde, voor zover dit het verachten van de naaste insluit: daarom voegt de Glossa eraan toe: « Hoewel wij de verdenking niet kunnen vermijden, daar wij mensen zijn, toch moeten wij ons onthouden van te oordelen, d. i. van vaste en onherroepelijke meningen te vormen ». — De derde graad bestaat hierin, dat een rechter op grond van verdenking overgaat tot het veroordelen van iemand. Dit valt rechtstreeks onder de onrechtvaardigheid, en daarom is het doodzonde.

Ad primum ergo dicendum quod in humanis actibus invenitur aliqua certitudo, non quidem sicut in demonstrativis, sed secundum quod convenit tali materiae, puta cum aliquid per idoneos testes probatur. (IIa-IIae q. 60 a. 3 ad 1)

1 — Met betrekking tot de menselijke handelingen kan men tot enige zekerheid komen, wel niet tot die, welke uit een strikte bewijsvoering volgt, maar toch tot een welke in zulke aangelegenheden past, b.v. wanneer iets bewezen wordt door geschikte getuigen.

Ad secundum dicendum quod ex hoc ipso quod aliquis malam opinionem habet de alio sine causa sufficienti, indebite contemnit ipsum. Et ideo iniuriatur ei. (IIa-IIae q. 60 a. 3 ad 2)

2 — Door het feit zelf dat iemand, zonder voldoende reden, over een ander kwaad denkt, veracht hij hem op onrechtmatige wijze en doet hem bijgevolg onrecht aan.

Ad tertium dicendum quod quia iustitia et iniustitia est circa exteriores operationes, ut dictum est, tunc iudicium suspiciosum directe ad iniustitiam pertinet quando ad actum exteriorem procedit. Et tunc est peccatum mortale, ut dictum est. Iudicium autem interius pertinet ad iustitiam secundum quod comparatur ad exterius iudicium ut actus interior ad exteriorem, sicut concupiscentia ad fornicationem, et ira ad homicidium. (IIa-IIae q. 60 a. 3 ad 3)

3 — Daar de rechtvaardigheid en de onrechtvaardigheid betrekking hebben op uiterlijke behandelingen, zoals gezegd is (58e Kw. 8e, 10e en 11e Art.; 59e Kw. 1e Art. 3e Antw.), valt het vermetele oordeel rechtstreeks dan onder de onrechtvaardigheid, wanneer het overgaat tot de uiterlijke handeling. In dat geval is het doodszonde, zoals gezegd is (Leerst.). Het innerlijk oordeel echter valt onder de rechtvaardigheid, voor zover het in verhouding staat tot het uiterlijk oordeel, als een innerlijke daad tot de uiterlijke; evenals de begeerte zich verhoudt tot de ontucht, en gramschap tot doodslag.

Articulus 4.
Moeten twijfelgevallen langs de besten kant worden uitgelegd?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod dubia non sint in meliorem partem interpretanda. Iudicium enim magis esse debet de eo quod ut in pluribus accidit. Sed in pluribus accidit quod aliqui male agant, quia stultorum infinitus est numerus, ut dicitur Eccle. I; proni enim sunt sensus hominis ad malum ab adolescentia sua, ut dicitur Gen. VIII. Ergo dubia magis debemus interpretari in malum quam in bonum. (IIa-IIae q. 60 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat twijfelgevallen niet langs de besten kant moeten worden uitgelegd. — 1. Het oordeel moet gelijkvormig zijn aan datgene wat in de meeste gevallen voorkomt. Welnu, het komt in de meeste gevallen voor dat men boos handelt: want « het getal der dwazen is oneindig », zoals we lezen bij de Prediker (1. 15); en in het Boek der Schepping (8. 21) wordt gezegd: « Want de zinnen van de mens hellen tot het kwaad, vanaf zijn jeugd ». Twijfelgevallen dus moeten eer in slechten dan in goeden zin worden uitgelegd.

Praeterea, Augustinus dicit quod ille pie et iuste vivit qui rerum integer est aestimator, in neutram partem declinando. Sed ille qui interpretatur in melius quod dubium est declinat in alteram partem. Ergo hoc non est faciendum. (IIa-IIae q. 60 a. 4 arg. 2)

2 — Augustinus zegt dat « hij die de dingen gaaf weet te beoordelen, goed en rechtvaardig leeft », want hij helt niet over naar een van beide kanten. Welnu, hij die een twijfelgeval langs de beste kant uitlegt, helt naar een van beide kanten over. Derhalve mag men dit niet doen.

Praeterea, homo debet diligere proximum sicut seipsum. Sed circa seipsum homo debet dubia interpretari in peiorem partem, secundum illud Iob IX, verebar omnia opera mea. Ergo videtur quod ea quae sunt dubia circa proximos sint in peiorem partem interpretanda. (IIa-IIae q. 60 a. 4 arg. 3)

3 — De mens moet zijn naaste liefhebben gelijk zichzelf. Welnu, met betrekking tot zichzelf moet de mens de twijfelgevallen langs de slechtste kant uitleggen, naar het woord uit het Boek Job (9. 28): « Ik was bevreesd in al mijn werken ». Derhalve lijkt het wel, dat twijfelgevallen, met betrekking tot de naaste, langs de slechtste kant moeten worden uitgelegd.

Sed contra est quod Rom. XIV, super illud, qui non manducat manducantem non iudicet, dicit Glossa, dubia in meliorem partem sunt interpretanda. (IIa-IIae q. 60 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Glossa bij dit woord uit de Brief aan de Romeinen (14. 3) « Wie niet eet, moet geen oordeel vellen over hem die wel eet » doet opmerken dat « twijfelgevallen langs de beste kant moeten worden uitgelegd ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, ex hoc ipso quod aliquis habet malam opinionem de alio absque sufficienti causa, iniuriatur ei et contemnit ipsum. Nullus autem debet alium contemnere, vel nocumentum quodcumque inferre, absque causa cogente. Et ideo ubi non apparent manifesta indicia de malitia alicuius, debemus eum ut bonum habere, in meliorem partem interpretando quod dubium est. (IIa-IIae q. 60 a. 4 co.)

Door het feit dat iemand, zonder voldoende reden, kwaad denkt over iemand, doet hij hem onrecht en veracht hij hem, zoals gezegd werd (vorig Artikel 2° Antwoord). Niemand nu mag, zonder dwingende reden, iemand verachten of hem gelijk welk letsel toebrengen. En daar waar geen klaarblijkelijke tekenen zijn van iemands boosheid, moeten wij goed over hem denken en wat twijfelachtig is langs de beste kant uitleggen.

Ad primum ergo dicendum quod potest contingere quod ille qui in meliorem partem interpretatur, frequentius fallitur. Sed melius est quod aliquis frequenter fallatur habens bonam opinionem de aliquo malo homine, quam quod rarius fallatur habens malam opinionem de aliquo bono, quia ex hoc fit iniuria alicui, non autem ex primo. (IIa-IIae q. 60 a. 4 ad 1)

1 — Het kan voorkomen dat hij, die alles ten beste uitlegt, zich zeer dikwijls vergist. Maar het is beter dat iemand zich dikwijls vergist door een goede mening te hebben over een boos mens, dan dat hij zich minder vaak zou vergissen, omdat hij van een goed mens kwaad denkt: want in dit laatste wordt onrecht aangedaan aan iemand, niet echter in het eerste.

Ad secundum dicendum quod aliud est iudicare de rebus, et aliud de hominibus. In iudicio enim quo de rebus iudicamus non attenditur bonum vel malum ex parte ipsius rei de qua iudicamus, cui nihil nocet qualitercumque iudicemus de ipsa, sed attenditur ibi solum bonum iudicantis si vere iudicet, vel malum si falso; quia verum est bonum intellectus, falsum autem est malum ipsius, ut dicitur in VI Ethic. Et ideo unusquisque debet niti ad hoc quod de rebus iudicet secundum quod sunt. Sed in iudicio quo iudicamus de hominibus praecipue attenditur bonum et malum ex parte eius de quo iudicatur, qui in hoc ipso honorabilis habetur quod bonus iudicatur, et contemptibilis si iudicetur malus. Et ideo ad hoc potius tendere debemus in tali iudicio quod hominem iudicemus bonum, nisi manifesta ratio in contrarium appareat. Ipsi autem homini iudicanti, falsum iudicium quo bene iudicat de alio non pertinet ad malum intellectus ipsius, sicut nec ad eius perfectionem pertinet secundum se cognoscere veritatem singularium contingentium, sed magis pertinet ad bonum affectum. (IIa-IIae q. 60 a. 4 ad 2)

2 — Oordelen over zaken is niet hetzelfde als oordelen over mensen. In het oordeel, dat wij over zaken uitspreken, komt het goed of het kwaad van de zaak zelf waarover wij oordelen niet in aanmerking — het schaadt immers niet aan die zaak, hoe wij ook erover oordelen — maar wat belang heeft is hier enkel het goed van hem die oordeelt, indien zijn oordeel waar is, of het kwaad, indien zijn oordeel vals is: want « de waarheid is het goede van het verstand, het valse echter is er het kwade van » zoals gezegd wordt in de Ethica. En daarom moet iedereen er naar trachten over de zaken te oordelen zoals ze zijn. — In het oordeel echter, dat wij over mensen uitspreken, komt vooral het goede of het kwaad van hem over wie wij oordelen in aanmerking, want het is eervol voor hem, dat hij als goed beoordeeld wordt, en verachtelijk indien men slecht over hem oordeelt. En daarom moeten wij, in zulk oordeel, er eerder naar streven om de mens als goed te beoordelen, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt. Voor hem nu die oordeelt is het valse oordeel waardoor hij iemand als goed beoordeelt, geen kwaad voor zijn verstand, evenmin als het uiteraard tot zijn volmaaktheid behoort de waarheid van de singuliere wisselvalligheden te kennen. Zulk oordeel is veeleer het teken van een goed gemoed.

Ad tertium dicendum quod interpretari aliquid in deteriorem vel meliorem partem contingit dupliciter. Uno modo, per quandam suppositionem. Et sic, cum debemus aliquibus malis adhibere remedium, sive nostris sive alienis, expedit ad hoc ut securius remedium apponatur, quod supponatur id quod deterius est, quia remedium quod est efficax contra maius malum, multo magis est efficax contra minus malum. Alio modo interpretamur aliquid in bonum vel malum definiendo sive determinando. Et sic in rerum iudicio debet aliquis niti ad hoc ut interpretetur unumquodque secundum quod est, in iudicio autem personarum, ut interpretetur in melius, sicut dictum est. (IIa-IIae q. 60 a. 4 ad 3)

3 — Iets langs de goeden of de slechten kant uitleggen gebeurt op twee manieren. Ten eerste, door veronderstelling. Wanneer wij b.v. voor sommige ziekten — laat ze dan de onze zijn of die van een ander — een geneesmiddel moeten aanwenden, dan is het voordelig de ziekte erger te veronderstellen dan zij is, want een geneesmiddel, dat krachtdadig inwerkt op een zwaardere ziekte, zal voor een lichtere ongesteldheid nog veel meer afdoende zijn. — Ten tweede kunnen wij door bepaling of vaststelling, iets langs de goeden of de slechten kant uitleggen. En zo moet men, in zijn oordeel over zaken, trachten naar een verklaring overeenkomstig met wat is; in de persoonsbeoordeling echter, naar de besten uitleg, zoals gezegd is (in de Leerst. en 2° Antw.).

Articulus 5.
Moet men altijd overeenkomstig de geschreven wetten oordelen?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non sit semper secundum leges scriptas iudicandum. Semper enim vitandum est iniustum iudicium. Sed quandoque leges scriptae iniustitiam continent, secundum illud Isaiae X, vae qui condunt leges iniquas, et scribentes iniustitias scripserunt. Ergo non semper est secundum leges scriptas iudicandum. (IIa-IIae q. 60 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten moet geoordeeld worden. — 1. Het onrechtvaardige oordeel moet altijd vermeden worden. Soms echter bevatten de geschreven wetten een onrechtvaardigheid, naar het woord van *Isaías* (10. 1): « Wee hun, die onrechtvaardige wetten maken, en als zij schrijven, ongerechtigheid schrijven ». Derhalve moet niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten geoordeeld worden.

Praeterea, iudicium oportet esse de singularibus eventibus. Sed nulla lex scripta potest omnes singulares eventus comprehendere, ut patet per philosophum, in V Ethic. Ergo videtur quod non semper sit secundum leges scriptas iudicandum. (IIa-IIae q. 60 a. 5 arg. 2)

2 — Het oordeel slaat op afzonderlijke gebeurtenissen. Welnu, geen enkele geschreven wet kan alle afzonderlijke gebeurtenissen omvatten, zoals blijkt bij de wijsgeer. Derhalve schijnt men niet altijd te moeten oordelen overeenkomstig de geschreven wetten.

Praeterea, lex ad hoc scribitur ut sententia legislatoris manifestetur. Sed quandoque contingit quod si ipse lator legis praesens esset, aliter iudicaret. Ergo non est semper secundum legem scriptam iudicandum. (IIa-IIae q. 60 a. 5 arg. 3)

3 — De wet wordt neergeschreven om de beslissing van de wetgever te openbaren. Nu gebeurt het soms dat de wetgever zelf, indien hij tegenwoordig was geweest, anders zou hebben geoordeeld. Dus moet men niet altijd overeenkomstig de geschreven wet oordelen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de vera Relig., in istis temporalibus legibus, quanquam de his homines iudicent cum eas instituerint, tamen cum fuerint institutae et firmatae, non licebit iudicibus de ipsis iudicare, sed secundum ipsas. (IIa-IIae q. 60 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Hoewel de mensen over tijdelijke wetten mogen oordelen wanneer zij ze invoeren, toch mogen de rechters, wanneer zij eenmaal ingevoerd zijn, die wetten niet meer beoordelen, maar enkel in overeenstemming ermee hun oordeel vellen ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, iudicium nihil est aliud nisi quaedam definitio vel determinatio eius quod iustum est. Fit autem aliquid iustum dupliciter, uno modo, ex ipsa natura rei, quod dicitur ius naturale; alio modo, ex quodam condicto inter homines, quod dicitur ius positivum, ut supra habitum est. Leges autem scribuntur ad utriusque iuris declarationem, aliter tamen et aliter. Nam legis Scriptura ius quidem naturale continet, sed non instituit, non enim habet robur ex lege, sed ex natura. Ius autem positivum Scriptura legis et continet et instituit, dans ei auctoritatis robur. Et ideo necesse est quod iudicium fiat secundum legis Scripturam, alioquin iudicium deficeret vel a iusto naturali, vel a iusto positivo. (IIa-IIae q. 60 a. 5 co.)

Zoals gezegd werd (1e Art.) is het oordeel niets anders dan een bepalen of vaststellen van wat recht is. Het recht nu wordt op twee manieren bepaald: ten eerste, uit de natuur van de zaak zelf, en dit noemt men natuurrecht; ten tweede, krachtens een of andere overeenkomst tussen de mensen, en dit noemt men positief recht, zoals boven (57e Kw. 2° Art.) gezegd is. Wetten nu worden neergeschreven ter verklaring van dat dubbele recht, hoewel niet op dezelfde manier. Immers, de geschreven wet omvat wel het natuurrecht, maar stelt het niet in: want het ontleent zijn kracht niet aan de wet, maar aan de natuur. Het positief recht echter is in de geschreven wet bevat, wordt er door ingesteld en ontleent er zijn gezag aan. Bijgevolg moet het oordeel noodzakelijk in overeenstemming zijn met de geschreven wet, want zonder dat zou het ofwel van het natuurrecht, ofwel van het positief recht afwijken.

Ad primum ergo dicendum quod lex scripta, sicut non dat robur iuri naturali, ita nec potest eius robur minuere vel auferre, quia nec voluntas hominis potest immutare naturam. Et ideo si Scriptura legis contineat aliquid contra ius naturale, iniusta est, nec habet vim obligandi, ibi enim ius positivum locum habet ubi quantum ad ius naturale nihil differt utrum sic vel aliter fiat, sicut supra habitum est. Et ideo nec tales Scripturae leges dicuntur, sed potius legis corruptiones, ut supra dictum est. Et ideo secundum eas non est iudicandum. (IIa-IIae q. 60 a. 5 ad 1)

1 — Evenmin als de geschreven wet aan het natuurrecht zijn kracht geeft, evenmin vermindert of ontneemt zij die kracht, want de wil van de mens kan de natuur niet veranderen. En wanneer bijgevolg de geschreven wet iets bevat wat strijdig is met het natuurrecht, is zij onrechtvaardig en heeft zij geen kracht van verplichting. Immers, daar alleen kan sprake zijn van positief recht, waar het, met betrekking tot het natuurrecht « onverschillig is of iets zo of anders gebeurt », zoals boven (57° Kw. 2° Art. 2° Antw.) gezegd is. Daarom heten zulke geschriften geen wetten, maar veeleer vervalsingen van de wet, zoals boven (I. II. 95° Kw. 2° Art.) gezegd is. Hierom mag men overeenkomstig daarmee niet oordelen.

Ad secundum dicendum quod sicut leges iniquae secundum se contrariantur iuri naturali, vel semper vel ut in pluribus; ita etiam leges quae sunt recte positae in aliquibus casibus deficiunt, in quibus si servarentur, esset contra ius naturale. Et ideo in talibus non est secundum litteram legis iudicandum, sed recurrendum ad aequitatem, quam intendit legislator. Unde iurisperitus dicit, nulla ratio iuris aut aequitatis benignitas patitur ut quae salubriter pro utilitate hominum introducuntur, ea nos duriore interpretatione contra ipsorum commodum producamus ad severitatem. Et in talibus etiam legislator aliter iudicaret, et, si considerasset, lege determinasset. (IIa-IIae q. 60 a. 5 ad 2)

2 — Zoals onrechtvaardige wetten uiteraard altijd of in de meeste gevallen strijdig zijn met het natuurrecht, evenzo kunnen rechtvaardig gestelde wetten in sommige gevallen te kort schieten, zodat, indien ze onderhouden werden, dit strijdig zou zijn met het natuurrecht. Bijgevolg moet men in zulke gevallen niet naar de letter van de wet oordelen, maar zijn toevlucht nemen tot de billijkheid, die door de wetgever bedoeld werd. Daarom zegt de Rechtsgeleerde: « Noch de natuur van het recht, noch de goedwillige rechtgeaardheid dulden, dat wij datgene, wat tot het welzijn van de mensen heilzaam werd ingevoerd, door een te harde verklaring, in hun nadeel tot strengheid zouden opdrijven ». In dergelijke aangelegenheden zou ook de wetgever anders oordelen, en indien hij eraan had gedacht zou hij het door de wet bepaald hebben. Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.

Et per hoc patet responsio ad tertium. (IIa-IIae q. 60 a. 5 ad 3)

Articulus 6.
Ontaardt het oordeel door gezagsaanmatiging?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod iudicium per usurpationem non reddatur perversum. Iustitia enim est quaedam rectitudo in agendis. Sed nihil deperit veritati a quocumque dicatur, sed a quocumque est accipienda. Ergo etiam nihil deperit iustitiae, a quocumque iustum determinetur, quod pertinet ad rationem iudicii. (IIa-IIae q. 60 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het oordeel door gezagsaanmatiging niet ontaardt. — 1. Rechtvaardigheid immers behelst een zekere rechtgeordenheid in de handelingen. Welnu, de waarheid wordt niet verminderd door hem die ze uitspreekt, wie hij ook is, maar van gelijk wie moet men ze aanvaarden. Derhalve wordt ook de rechtvaardigheid niet verminkt door hem die het recht bepaalt, wie hij ook wees: en dat behoort tot de natuur van het oordeel.

Praeterea, peccata punire ad iudicium pertinet. Sed aliqui laudabiliter leguntur peccata punisse qui tamen auctoritatem non habebant super illos quos puniebant, sicut Moyses occidendo Aegyptium, ut habetur Exod. II; et Phinees, filius Eleazari, Zambri, filium Salomi, ut legitur Num. XXV, et reputatum est ei ad iustitiam, ut dicitur in Psalm. Ergo usurpatio iudicii non pertinet ad iniustitiam. (IIa-IIae q. 60 a. 6 arg. 2)

2 — De zonde straffen valt onder het oordeel. Welnu, van sommigen lezen wij, in lovende bewoordingen, dat zij de zonden straften, hoewel zij toch geen gezag hadden over hen die zij straften: zo wordt Moses geloofd omdat hij de Egyptenaar had gedood, zoals het Boek van de Uittocht (2. 11) verhaalt; en Phineës, zoon van Eleazar, terwijl hij Zamri, zoon van Salu het leven benam, zoals wij lezen in het Boek der Getallen (25. 7); « en dit werd hem aangerekend tot gerechtigheid » gelijk het Boek der Psalmen (105. 31) zegt. Zich een oordeel aanmatigen is dus geen onrechtvaardigheid.

Praeterea, potestas spiritualis distinguitur a temporali. Sed quandoque praelati habentes spiritualem potestatem intromittunt se de his quae pertinent ad potestatem saecularem. Ergo usurpatum iudicium non est illicitum. (IIa-IIae q. 60 a. 6 arg. 3)

3 — De geestelijke macht is van de tijdelijke onderscheiden. Nu komt het soms voor dat kerkelijke oversten die geestelijke macht bezitten, zich inmengen in aangelegenheden die onder de tijdelijke macht vallen. Derhalve is het aangematigde oordeel niet onwettig.

Praeterea, sicut ad recte iudicandum requiritur auctoritas, ita etiam et iustitia iudicantis et scientia, ut ex supradictis patet. Sed non dicitur iudicium esse iniustum si aliquis iudicet non habens habitum iustitiae, vel non habens scientiam iuris. Ergo neque etiam iudicium usurpatum, quod fit per defectum auctoritatis, semper erit iniustum. (IIa-IIae q. 60 a. 6 arg. 4)

4 — Evenals gezag zijn ook rechtvaardigheid en kennis vereist om juist te oordelen, zoals blijkt uit het voorgaande (1° Art. 1° en 3° Antw.; 2° Art.). Nu wordt het oordeel niet onrechtvaardig genoemd wanneer hij die oordeelt noch de deugd van rechtvaardigheid, noch de kennis van het recht bezit. Derhalve zal ook een aanmatigend oordeel, dat gemis aan gezag veronderstelt, niet altijd onrechtvaardig zijn.

Sed contra est quod dicitur Rom. XIV, tu quis es, qui iudicas alienum servum? (IIa-IIae q. 60 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord uit de Brief aan de Romeinen (14. 4) « Wie zijt u dan wel, die een oordeel velt over een andermans dienstknecht ».

Respondeo dicendum quod, cum iudicium sit ferendum secundum leges scriptas, ut dictum est, ille qui iudicium fert legis dictum quodammodo interpretatur, applicando ipsum ad particulare negotium. Cum autem eiusdem auctoritatis sit legem interpretari et legem condere, sicut lex condi non potest nisi publica auctoritate, ita nec iudicium ferri potest nisi publica auctoritate, quae quidem se extendit ad eos qui communitati subduntur. Et ideo sicut iniustum esset ut aliquis constringeret alium ad legem servandam quae non esset publica auctoritate sancita, ita etiam iniustum est si aliquis aliquem compellat ferre iudicium quod publica auctoritate non fertur. (IIa-IIae q. 60 a. 6 co.)

Daar een oordeel moet geveld worden overeenkomstig de geschreven wetten, zoals gezegd is (vorig artikel), verklaart hij die een oordeel velt enigszins het woord van de wet, door haar toe te passen op een bijzondere aangelegenheid. Aan hetzelfde gezag komt het toe de wet te verklaren en uit te vaardigen. Zoals dus de wet niet kan worden uitgevaardigd tenzij door het openbaar gezag, zo ook kan een oordeel alleen worden geveld door het openbaar gezag, dat zich ten andere uitstrekt tot allen, die aan de gemeenschap onderworpen zijn. En evenals het onrechtvaardig zou zijn wanneer iemand een ander zou dwingen tot het naleven van een wet, die niet door het openbaar gezag bekrachtigd is, evenzo is het onrechtvaardig wanneer iemand een ander zou dwingen tot het ondergaan van een oordeel, dat niet door het openbaar gezag uitgesproken is.

Ad primum ergo dicendum quod pronuntiatio veritatis non importat compulsionem ad hoc quod suscipiatur, sed liberum est unicuique eam recipere vel non recipere prout vult. Sed iudicium importat quandam impulsionem. Et ideo iniustum est quod aliquis iudicetur ab eo qui publicam auctoritatem non habet. (IIa-IIae q. 60 a. 6 ad 1)

1 — Het uitspreken van een waarheid sluit geen dwang in tot het aanvaarden ervan, maar het staat iedereen vrij haar naar goeddunken aan te nemen of niet. Het oordeel echter sluit een zekere dwang in. En daarom is het onrechtvaardig, dat iemand beoordeeld wordt door hem, die geen drager is van openbaar gezag.

Ad secundum dicendum quod Moyses videtur Aegyptium occidisse quasi ex inspiratione divina auctoritatem adeptus, ut videtur per hoc quod dicitur Act. VII, quod, percusso Aegyptio, aestimabat Moyses intelligere fratres suos quoniam dominus per manum ipsius daret salutem Israel. Vel potest dici quod Moyses occidit Aegyptium defendendo eum qui iniuriam patiebatur cum moderamine inculpatae tutelae. Unde Ambrosius dicit, in libro de Offic., quod qui non repellit iniuriam a socio cum potest, tam est in vitio quam ille qui facit; et inducit exemplum Moysi. Vel potest dici, sicut dicit Augustinus, in quaestionibus Exod., quod sicut terra, ante utilia semina, herbarum inutilium fertilitate laudatur; sic illud Moysi factum vitiosum quidem fuit, sed magnae fertilitatis signum gerebat, inquantum scilicet erat signum virtutis eius qua populum liberaturus erat. De Phinee autem dicendum est quod ex inspiratione divina, zelo Dei commotus, hoc fecit. Vel quia, licet nondum esset summus sacerdos, erat tamen filius summi sacerdotis, et ad eum hoc iudicium pertinebat, sicut et ad alios iudices, quibus hoc erat praeceptum. (IIa-IIae q. 60 a. 6 ad 2)

2 — Het lijkt wel dat Moses de Egyptenaar doodde, als had hij bij goddelijke ingeving gezag hiertoe ontvangen, zoals de Handelingen der Apostelen (7. 25) schijnen te zeggen in dit woord: « Door de Egyptenaar neer te slaan meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God aan Israël redding bracht door zijn hand ». — Ook kan men zeggen dat Moses de Egyptenaar doodde om iemand die onrecht leed te verdedigen naar de eisen van een gematigde rechtvaardige bescherming. Daarom zegt Ambrosius dat « hij die zijn makker niet beschermt tegen onrecht, wanneer het hem mogelijk is, even schuldig is als hij die het onrecht pleegt », en dan haalt hij het voorbeeld van Moses aan. — Men kan ook nog met Augustinus zeggen dat « evenals de aarde, vóór het ontvangen van nuttig zaad, geprezen wordt om haar vruchtbaarheid in het voortbrengen van onnuttig gewas, evenzo was die daad van Moses zondig, maar tevens een teken van grote vruchtbaarheid », voor zover zij namelijk teken was van de kracht, waardoor hij zijn volk zou verlossen. Over Phineës echter moet men zeggen, dat hij handelde door goddelijke ingeving, aangezet door zijn ijver voor God. — Ofwel dat hij de zoon was van de hoogepriester (hoewel hij zelf nog geen hoogepriester was), en dat het oordeel hem toekwam zoals aan de andere rechters aan wie dit opgelegd was.

Ad tertium dicendum quod potestas saecularis subditur spirituali sicut corpus animae. Et ideo non est usurpatum iudicium si spiritualis praelatus se intromittat de temporalibus quantum ad ea in quibus subditur ei saecularis potestas, vel quae ei a saeculari potestate relinquuntur. (IIa-IIae q. 60 a. 6 ad 3)

3 — De wereldlijke macht is aan de geestelijke onderworpen zoals de ziel aan het lichaam. En daarom is er geen sprake van aangematigd oordeel wanneer een geestelijke overste zich inmengt in tijdelijke zaken, met betrekking tot die aangelegenheden waarin de wereldlijke macht hem onderworpen is, of die door de wereldlijke macht aan hem overgelaten worden.

Ad quartum dicendum quod habitus scientiae et iustitiae sunt perfectiones singularis personae, et ideo per eorum defectum non dicitur usurpatum iudicium, sicut per defectum publicae auctoritatis, ex qua iudicium vim coactivam habet. (IIa-IIae q. 60 a. 6 ad 4)

4 — Kennis en rechtvaardigheid zijn volmaaktheden van de enkeling; en daarom is er, bij gebrek eraan, geen sprake van aangematigd oordeel, zoals bij gebrek aan openbaar gezag waaraan het oordeel zijn dwingende kracht ontleent.