QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 59.
Over de onrechtvaardigheid .

Prooemium

Deinde considerandum est de iniustitia. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum iniustitia sit speciale vitium. Secundo, utrum iniusta agere sit proprium iniusti. Tertio, utrum aliquis possit iniustum pati volens. Quarto, utrum iniustitia ex suo genere sit peccatum mortale. (IIa-IIae q. 59 pr.)

Hierna moeten wij de onrechtvaardigheid gaan beschouwen. Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd? 2. Is het eigen aan de onrechtvaardige, onrechtvaardige daden te stellen? 3. Kan iemand willens onrecht lijden? 4. Is onrechtvaardigheid uiteraard doodzonde?

Articulus 1.
Is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod iniustitia non sit vitium speciale. Dicitur enim I Ioan. III, omne peccatum est iniquitas. Sed iniquitas videtur idem esse quod iniustitia, quia iustitia est aequalitas quaedam, unde iniustitia idem videtur esse quod inaequalitas, sive iniquitas. Ergo iniustitia non est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 59 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd is. — 1. In de Eerste Brief van Joannes (3. 4) wordt gezegd: « Alle zonde is ongerechtigheid ». Welnu, ongerechtigheid lijkt wel hetzelfde als onrechtvaardigheid: want rechtvaardigheid is een zekere gelijkheid, en daarom lijkt de onrechtvaardigheid hetzelfde te zijn als ongelijkheid of ongerechtigheid. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.

Praeterea, nullum speciale peccatum opponitur omnibus virtutibus. Sed iniustitia opponitur omnibus virtutibus, nam quantum ad adulterium, opponitur castitati; quantum ad homicidium, opponitur mansuetudini; et sic de aliis. Ergo iniustitia non est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 59 a. 1 arg. 2)

2 — Geen enkele speciale zonde wordt aan alle deugden tegengesteld. Welnu, de onrechtvaardigheid wordt aan alle deugden tegengesteld: want met betrekking tot overspel staat zij tegenover de zuiverheid; met betrekking tot doodslag tegenover de zachtmoedigheid; en evenzo voor de andere deugden. Dus is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.

Praeterea, iniustitia iustitiae opponitur, quae in voluntate est. Sed omne peccatum est in voluntate, ut Augustinus dicit. Ergo iniustitia non est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 59 a. 1 arg. 3)

3 — De onrechtvaardigheid staat tegenover de rechtvaardigheid, die door de wil gedragen wordt. Welnu, « elke zonde is in de wil », zoals Augustinus zegt. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.

Sed contra, iniustitia iustitiae opponitur. Sed iustitia est specialis virtus. Ergo iniustitia est speciale vitium. (IIa-IIae q. 59 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de onrechtvaardigheid aan de rechtvaardigheid wordt tegengesteld. Welnu, de rechtvaardigheid is een speciale deugd. Bijgevolg is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd.

Respondeo dicendum quod iniustitia est duplex. Una quidem illegalis, quae opponitur legali iustitiae. Et haec quidem secundum essentiam est speciale vitium, inquantum respicit speciale obiectum, scilicet bonum commune, quod contemnit. Sed quantum ad intentionem est vitium generale, quia per contemptum boni communis potest homo ad omnia peccata deduci. Sicut etiam omnia vitia, inquantum repugnant bono communi, iniustitiae rationem habent, quasi ab iniustitia derivata, sicut et supra de iustitia dictum est. Alio modo dicitur iniustitia secundum inaequalitatem quandam ad alterum, prout scilicet homo vult habere plus de bonis, puta divitiis et honoribus; et minus de malis, puta laboribus et damnis. Et sic iniustitia habet materiam specialem, et est particulare vitium iustitiae particulari oppositum. (IIa-IIae q. 59 a. 1 co.)

Er bestaat een dubbele onrechtvaardigheid. Ten eerste, de onwettelijke, die aan de wettelijke rechtvaardigheid tegengesteld is. Deze nu is, naar de aard zelf, een speciale ondeugd, voor zover zij een speciaal voorwerp heeft, namelijk het algemeen welzijn, dat zij veracht. Wat echter de bedoeling betreft is zij een algemene ondeugd: want het verachten van het algemeen welzijn kan de mens tot alle zonden brengen. Zo ook zijn alle ondeugden, voor zover zij strijdig zijn met het algemeen welzijn, in zekere zin onrechtvaardigheid, als van de onrechtvaardigheid voortkomend, zoals boven over de rechtvaardigheid gezegd is (58° Kw. 5° en 6° Art.). Ten tweede spreekt men van onrechtvaardigheid, met het oog op een ongelijkheid tegenover een ander: voor zover namelijk de mens meer goederen wil bezitten, bijvoorbeeld rijkdom en eer, en minder van het kwade te lijden wil hebben, bijvoorbeeld lasten en verlies. En op die wijze heeft de onrechtvaardigheid een speciaal gebied, en is zij een speciale ondeugd, aan de bijzondere rechtvaardigheid tegengesteld.

Ad primum ergo dicendum quod sicut iustitia legalis dicitur per comparationem ad bonum commune humanum, ita iustitia divina dicitur per comparationem ad bonum divinum, cui repugnat omne peccatum. Et secundum hoc omne peccatum dicitur iniquitas. (IIa-IIae q. 59 a. 1 ad 1)

1 — Zoals men van wettelijke rechtvaardigheid spreekt met betrekking tot het menselijk algemeen welzijn, zo ook spreekt men van goddelijke rechtvaardigheid met betrekking tot het goddelijk goed waarmee iedere zonde strijdig is. En daarom wordt iedere zonde een ongerechtigheid genoemd.

Ad secundum dicendum quod iniustitia etiam particularis opponitur indirecte omnibus virtutibus, inquantum scilicet exteriores etiam actus pertinent et ad iustitiam et ad alias virtutes morales, licet diversimode, sicut supra dictum est. (IIa-IIae q. 59 a. 1 ad 2)

2 — Ook de bijzondere onrechtvaardigheid is onrechtstreeks strijdig met alle deugden, voor zover nl. ook de uiterlijke daden zowel bij de rechtvaardigheid als bij de andere deugden behoren, hoewel op verschillende wijze, zoals vroeger gezegd is (58° Kw. 9° Art. 2° Antw.).

Ad tertium dicendum quod voluntas, sicut et ratio, se extendit ad materiam totam moralem, idest ad passiones et ad operationes exteriores quae sunt ad alterum. Sed iustitia perficit voluntatem solum secundum quod se extendit ad operationes quae sunt ad alterum. Et similiter iniustitia. (IIa-IIae q. 59 a. 1 ad 3)

3 — Evenals de rede strekt ook de wil zich uit tot heel het gebied van de zedelijkheid, d. i. tot de hartstochten en tot de uiterlijke handelingen, die zich tot een ander verhouden. De rechtvaardigheid echter vervolmaakt de wil alleen voor zover hij zich uitstrekt tot de handelingen, die verhouding tot een ander insluiten. En zo ook de onrechtvaardigheid.

Articulus 2.
Wordt iemand onrechtvaardig genoemd omdat hij iets onrechtvaardigs doet?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod aliquis dicatur iniustus ex hoc quod facit iniustum. Habitus enim specificantur per obiecta, ut ex supradictis patet. Sed proprium obiectum iustitiae est iustum, et proprium obiectum iniustitiae est iniustum. Ergo et iustus dicendus est aliquis ex hoc quod facit iustum, et iniustus ex hoc quod facit iniustum. (IIa-IIae q. 59 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat iemand onrechtvaardig genoemd wordt omdat hij iets onrechtvaardigs doet. — 1. Een hebbelijkheid wordt soortelijk bepaald door het voorwerp, zoals blijkt uit wat vroeger gezegd is (I. II. 54° Kw. 2° Art.). Welnu, het eigen voorwerp van de rechtvaardigheid is het recht, en het eigen voorwerp van de onrechtvaardigheid is het onrecht. Daarom moet men iemand rechtvaardig noemen, omdat hij iets rechtvaardigs doet, en onrechtvaardig omdat hij iets onrechtvaardigs doet.

Praeterea, philosophus dicit, in V Ethic., falsam esse opinionem quorundam qui aestimant in potestate hominis esse ut statim faciat iniustum, et quod iustus non minus possit facere iniustum quam iniustus. Hoc autem non esset nisi facere iniustum esset proprium iniusti. Ergo aliquis iudicandus est iniustus ex hoc quod facit iniustum. (IIa-IIae q. 59 a. 2 arg. 2)

2 — De Wijsgeer zegt dat de mening van hen die denken dat het in het vermogen van de mens ligt om onmiddellijk onrecht te plegen, en de rechtvaardige niet minder onrechtvaardig kan handelen dan de onrechtvaardige, vals is. Dit nu zou niet het geval zijn indien het niet eigen was aan de onrechtvaardige onrecht te plegen. Dus moet iemand onrechtvaardig genoemd worden, door het feit dat hij onrecht pleegt.

Praeterea, eodem modo se habet omnis virtus ad proprium actum, et eadem ratio est de vitiis oppositis. Sed quicumque facit aliquid intemperatum dicitur intemperatus. Ergo quicumque facit aliquid iniustum dicitur iniustus. (IIa-IIae q. 59 a. 2 arg. 3)

3 — Alle deugden verhouden zich op dezelfde wijze tot hun eigen daad; en hetzelfde geldt voor de tegengestelde ondeugden. Welnu, al wie zich aan onmatigheid schuldig maakt, wordt een onmatige genoemd. Derhalve wordt al wie een onrechtvaardigheid begaat onrechtvaardig genoemd.

Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod aliquis facit iniustum et iniustus non est. (IIa-IIae q. 59 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de wijsgeer zegt: « Iemand begaat een onrechtvaardigheid, en is toch geen onrechtvaardige ».

Respondeo dicendum quod sicut obiectum iustitiae est aliquid aequale in rebus exterioribus, ita etiam obiectum iniustitiae est aliquid inaequale, prout scilicet alicui attribuitur plus vel minus quam sibi competat. Ad hoc autem obiectum comparatur habitus iniustitiae mediante proprio actu, qui vocatur iniustificatio. Potest ergo contingere quod qui facit iniustum non est iniustus, dupliciter. Uno modo, propter defectum comparationis operationis ad proprium obiectum, quae quidem recipit speciem et nomen a per se obiecto, non autem ab obiecto per accidens. In his autem quae sunt propter finem, per se dicitur aliquid quod est intentum, per accidens autem quod est praeter intentionem. Et ideo si aliquis faciat aliquid quod est iniustum non intendens iniustum facere, puta cum hoc facit per ignorantiam, non existimans se iniustum facere; tunc non facit iniustum per se et formaliter loquendo, sed solum per accidens, et quasi materialiter faciens id quod est iniustum. Et talis operatio non denominatur iniustificatio. Alio modo potest contingere propter defectum comparationis ipsius operationis ad habitum. Potest enim iniustificatio procedere quandoque quidem ex aliqua passione, puta irae vel concupiscentiae, quandoque autem ex electione, quando scilicet ipsa iniustificatio per se placet; et tunc proprie procedit ab habitu, quia unicuique habenti aliquem habitum est secundum se acceptum quod convenit illi habitui. Facere ergo iniustum ex intentione et electione est proprium iniusti, secundum quod iniustus dicitur qui habet iniustitiae habitum. Sed facere iniustum praeter intentionem, vel ex passione, potest aliquis absque habitu iniustitiae. (IIa-IIae q. 59 a. 2 co.)

Zoals een zekere gelijkheid tussen uiterlijke zaken voorwerp is van de rechtvaardigheid, zo ook is het voorwerp van de onrechtvaardigheid een zekere ongelijkheid, voor zover namelijk aan iemand meer of minder wordt toegekend dan hem toekomt. Op dit voorwerp nu wordt de onrechtvaardigheid gericht door haar eigen daad, die onrecht plegen heet. Het kan dus op twee wijzen gebeuren, dat iemand, die een onrechtvaardigheid begaat, niet onrechtvaardig is: ten eerste, bij gebrek aan verhouding van de daad tot het eigen voorwerp; de daad immers wordt soortelijk bepaald door wat uiteraard haar voorwerp is, en niet door een toevallig voorwerp. In dingen nu die om een doel zijn, is datgene wat bedoeld wordt uiteraard en dat wat buiten de bedoeling valt toevallig. En bijgevolg, wanneer nu iemand iets doet dat onrechtvaardig is, maar niet bedoelt onrecht te plegen — b.v. wanneer hij dit doet uit onwetendheid en niet meent onrecht te plegen — dan begaat hij niet uiteraard en formeel gesproken een onrechtvaardigheid, maar doet alleen toevallig en in materiële zin iets onrechtvaardigs. Zulke handeling wordt niet als onrecht plegen bestempeld. Ten tweede kan zoiets gebeuren, bij gebrek aan verhouding van de handeling tot de hebbelijkheid. Onrecht plegen kan immers soms voortkomen uit een of andere hartstocht, b.v. uit gramschap of begeerlijkheid; soms echter uit vrije keuze, dan namelijk wanneer onrecht plegen uiteraard behaagt; en in dat geval komt de handeling in eigenlijke zin voort uit de hebbelijkheid, want voor hem die een hebbelijkheid bezit is al wat met die hebbelijkheid in overeenstemming is, uiteraard behaaglijk. — Met bedoeling en uit vrije keuze onrechtvaardigheid plegen is derhalve eigen aan de onrechtvaardige, omdat men hem onrechtvaardig noemt, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid bezit. Maar onrechtvaardigheid plegen zonder bedoeling, of uit hartstocht, kan ook iemand, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid niet heeft.

Ad primum ergo dicendum quod obiectum per se et formaliter acceptum specificat habitum, non autem prout accipitur materialiter et per accidens. (IIa-IIae q. 59 a. 2 ad 1)

1 — Wat uiteraard en formeel, niet echter wat in materiële zin en toevallig voorwerp is, geeft aan de hebbelijkheid haar soortelijke bepaling.

Ad secundum dicendum quod non est facile cuicumque facere iniustum ex electione, quasi aliquid per se placens et non propter aliud, sed hoc proprium est habentis habitum, ut ibidem philosophus dicit. (IIa-IIae q. 59 a. 2 ad 2)

2 — Het is voor iedereen niet gemakkelijk uit vrije keuze onrecht te plegen, als iets waar men uiteraard en niet om een andere reden behagen in vindt; dit is echter eigen aan hem die de ondeugd van onrechtvaardigheid bezit, zoals de Wijsgeer zegt.

Ad tertium dicendum quod obiectum temperantiae non est aliquid exterius constitutum, sicut obiectum iustitiae, sed obiectum temperantiae, idest temperatum, accipitur solum in comparatione ad ipsum hominem. Et ideo quod est per accidens et praeter intentionem non potest dici temperatum nec materialiter nec formaliter, et similiter neque intemperatum. Et quantum ad hoc est dissimile in iustitia et in aliis virtutibus moralibus. Sed quantum ad comparationem operationis ad habitum, in omnibus similiter se habet. (IIa-IIae q. 59 a. 2 ad 3)

3 — Het voorwerp van de matigheid is niet een uitwendig bestaande zaak, zoals het voorwerp van de rechtvaardigheid; maar het voorwerp van de matigheid, nl. het matige, is alleen denkbaar met betrekking tot de mens zelf. En daarom kan datgene wat toevallig is en buiten de bedoeling ligt noch in materiële, noch in formele zin matig worden genoemd; en hetzelfde geldt voor het onmatige. Met betrekking hiertoe is er verschil tussen de rechtvaardigheid en de andere zedelijke deugden. De verhouding echter van de daad tot de hebbelijkheid is voor alle deugden dezelfde.

Articulus 3.
Kan iemand willens onrecht lijden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod aliquis possit pati iniustum volens. Iniustum enim est inaequale, ut dictum est. Sed aliquis laedendo seipsum recedit ab aequalitate, sicut et laedendo alium. Ergo aliquis potest sibi ipsi facere iniustum, sicut et alteri. Sed quicumque facit iniustum volens facit. Ergo aliquis volens potest pati iniustum, maxime a seipso. (IIa-IIae q. 59 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat iemand willens onrecht kan lijden. — 1. Onrecht immers is iets ongelijks, zoals gezegd is (vorig artikel). Iemand nu die zichzelf schade doet wijkt van de gelijkheid af, evenals wanneer hij iemand anders schade berokkent. Dus kan iemand onrecht plegen tegenover zichzelf, evenzo goed als tegenover een ander. Welnu, al wie onrecht pleegt doet het willens. Dus kan iemand, voornamelijk door zichzelf, willens onrecht lijden.

Praeterea, nullus secundum legem civilem punitur nisi propter hoc quod facit aliquam iniustitiam. Sed illi qui interimunt seipsos puniuntur secundum leges civitatum, in hoc quod privabantur antiquitus honore sepulturae; ut patet per philosophum, in V Ethic. Ergo aliquis potest sibi ipsi facere iniustum. Et ita contingit quod aliquis iniustum patiatur volens. (IIa-IIae q. 59 a. 3 arg. 2)

2 — Niemand wordt door de burgerlijke wet gestraft tenzij om het plegen van onrecht. Welnu, zij die zichzelf het leven benemen worden door de staats­wetten gestraft, in die zin, dat men, in de oudheid, hun de eer der begrafenis ontzegde, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Dus kan iemand zichzelf onrecht aandoen. En zo komt het voor, dat iemand willens onrecht lijdt.

Praeterea, nullus facit iniustum nisi alicui patienti iniustum. Sed contingit quod aliquis faciat iniustum alicui hoc volenti, puta si vendat ei rem carius quam valeat. Ergo contingit aliquem volentem iniustum pati. (IIa-IIae q. 59 a. 3 arg. 3)

3 — Niemand pleegt onrecht, tenzij tegenover iemand die dat onrecht lijdt. Welnu, het gebeurt dat iemand onrecht pleegt tegenover een ander, die daarmee instemt, bijvoorbeeld wanneer hij hem iets verkoopt boven de waarde. Derhalve komt het voor dat iemand willens onrecht lijdt.

Sed contra est quod iniustum pati oppositum est ei quod est iniustum facere. Sed nullus facit iniustum nisi volens. Ergo, per oppositum, nullus patitur iniustum nisi nolens. (IIa-IIae q. 59 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat onrecht lijden het tegenovergestelde is van onrecht plegen. Welnu, niemand pleegt onrecht tenzij willens. In tegenovergestelde zin dus kan niemand onrecht lijden tenzij onwillens.

Respondeo dicendum quod actio, de sui ratione, procedit ab agente; passio autem, secundum propriam rationem, est ab alio, unde non potest esse idem, secundum idem, agens et patiens, ut dicitur in III et VIII Physic. Principium autem proprium agendi in hominibus est voluntas. Et ideo illud proprie et per se homo facit quod volens facit, et e contrario illud proprie homo patitur quod praeter voluntatem suam patitur; quia inquantum est volens, principium est ex ipso, et ideo, inquantum est huiusmodi, magis est agens quam patiens. Dicendum est ergo quod iniustum, per se et formaliter loquendo, nullus potest facere nisi volens, nec pati nisi nolens. Per accidens autem et quasi materialiter loquendo, potest aliquis id quod est de se iniustum vel facere nolens, sicut cum quis praeter intentionem operatur; vel pati volens, sicut cum quis plus alteri dat sua voluntate quam debeat. (IIa-IIae q. 59 a. 3 co.)

Het handelen komt uiteraard voort van het handelend subject; het ondergaan echter, in eigenlijken zin genomen, komt van een ander voort; daarom kan eenzelfde subject, ten opzichte van hetzelfde, niet tegelijk handelend optreden en ondergaan, zoals in de *Physica* gezegd wordt. In de mens nu is de wil het eigenlijk beginsel van handeling. En daarom doet de mens, in eigenlijken zin en uiteraard, datgene wat hij willens doet: en omgekeerd ondergaat de mens, in eigenlijken zin, datgene wat hij buiten zijn wil om ondergaat; want voor zover hij willens handelt, is het beginsel van handeling iets in hem; en daarom is hij, als zodanig veeleer handelend dan lijdend subject. Daarom moet men zeggen, dat niemand iets uiteraard en formeel onrechtvaardigs kan begaan, tenzij willens, en evenmin ondergaan tenzij buiten zijn wil om. Toevallig echter en in materieële zin, kan iemand iets uiteraard onrechtvaardigs doen buiten zijn wil om, zoals b.v. wanneer iemand iets doet zonder bedoeling; ofwel willens ondergaan, zoals b.v. wanneer iemand willens aan een ander meer geeft dan hij hem verschuldigd is.

Ad primum ergo dicendum quod cum aliquis sua voluntate dat alicui id quod ei non debet, non facit nec iniustitiam nec inaequalitatem. Homo enim per suam voluntatem possidet res, et ita non est praeter proportionem si aliquid ei subtrahatur secundum propriam voluntatem, vel a seipso vel ab alio. (IIa-IIae q. 59 a. 3 ad 1)

1 — Wanneer iemand willens aan een ander iets geeft wat hij hem niet schuldig is, pleegt hij noch onrecht noch ongelijkheid. Door zijn wil immers bezit de mens eigendom: en zodoende is het niet onevenredig wanneer hem willens iets wordt ontnomen, hetzij door hemzelf, hetzij door een ander.

Ad secundum dicendum quod aliqua persona singularis dupliciter potest considerari. Uno modo, secundum se. Et sic, si sibi aliquod nocumentum inferat, potest quidem habere rationem alterius peccati, puta intemperantiae vel imprudentiae, non tamen rationem iniustitiae, quia sicut iustitia semper est ad alterum, ita et iniustitia. Alio modo potest considerari aliquis homo inquantum est aliquid civitatis, scilicet pars; vel inquantum est aliquid Dei, scilicet creatura et imago. Et sic qui occidit seipsum iniuriam quidem facit non sibi, sed civitati et Deo. Et ideo punitur tam secundum legem divinam quam secundum legem humanam, sicut et de fornicatore apostolus dicit, si quis templum Dei violaverit, disperdet ipsum Deus. (IIa-IIae q. 59 a. 3 ad 2)

2 — Men kan de enkeling op twee manieren beschouwen. Ten eerste, op zichzelf. Wanneer hij, aldus beschouwd, zichzelf enig letsel toebrengt, kan dit wel een andere zonde zijn, b.v. van onmatigheid of onbezonnenheid, maar niet een zonde van onrechtvaardigheid: want evenals de rechtvaardigheid, heeft ook de onrechtvaardigheid altijd betrekking op een ander. — Ten tweede kan men een mens beschouwen als deel van de staat, ofwel als schepsel en beeld van God. En op die wijze doet hij, die zichzelf doodt, zichzelf geen onrecht aan, maar de staat en God. En bijgevolg wordt hij zowel volgens de goddelijke als volgens de menselijke wet gestraft, zoals de Apostel over de ontuchtige zegt: « Zo iemand Gods tempel ten verderve brengt, dan zal God ook hem verderven » (1. Cor. 3. 17).

Ad tertium dicendum quod passio est effectus actionis exterioris. In hoc autem quod est facere et pati iniustum, id quod materialiter est attenditur secundum id quod exterius agitur, prout in se consideratur, ut dictum est, id autem quod est ibi formale et per se, attenditur secundum voluntatem agentis et patientis, ut ex dictis patet. Dicendum est ergo quod aliquem facere iniustum, et alium pati iniustum, materialiter loquendo, semper se concomitantur. Sed si formaliter loquamur, potest aliquis facere iniustum, intendens iniustum facere, tamen alius non patietur iniustum, quia volens patietur. Et e converso potest aliquis pati iniustum, si nolens id quod est iniustum patiatur, et tamen ille qui hoc facit ignorans, non faciet iniustum formaliter, sed materialiter tantum. (IIa-IIae q. 59 a. 3 ad 3)

3 — Het ondergaan is uitwerksel van een uitwendige handeling. Bij het onrecht plegen nu en het onrecht lijden wordt het materiële genomen naar de uiterlijke handeling, voor zover die op zichzelf wordt beschouwd, zoals gezegd is (vorig Art.): dat echter wat uiteraard en formeel is wordt genomen met betrekking tot de wil van het handelend en van het lijdend subject, zoals blijkt uit wat gezegd is (Leerst. en vorig Art.). Dus materieel gesproken gaan onrecht plegen en onrecht lijden altijd samen. Als men echter formeel spreekt, is het mogelijk, dat de een met bedoeling onrecht pleegt, terwijl de ander toch geen onrecht lijdt, omdat hij het willens ondergaat. En omgekeerd kan iemand onrecht lijden, indien hij het buiten zijn wil ondergaat, terwijl hij die onwetend handelt, niet formeel onrecht pleegt, maar enkel in materiële zin.

Articulus 4.
Bedrijft al wie onrecht pleegt doodzonde?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non quicumque facit iniustum peccet mortaliter. Peccatum enim veniale mortali opponitur. Sed quandoque veniale peccatum est quod aliquis faciat iniustum, dicit enim philosophus, in V Ethic., de iniusta agentibus loquens, quaecumque non solum ignorantes, sed et propter ignorantiam peccant, venialia sunt. Ergo non quicumque facit iniustum mortaliter peccat. (IIa-IIae q. 59 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet iedere die onrecht pleegt doodzonde bedrijft. — 1. Tegenover de doodzonde staat de dagelijkse zonde. Welnu, in sommige gevallen is onrecht plegen alleen dagelijkse zonde. Sprekend over hen die onrecht plegen, zegt de Wijsgeer immers: «Allen die zondigen, niet enkel onwetend, maar ook uit onwetendheid, bedrijven dagelijkse zonde». Niet iedere dus die onrecht pleegt, bedrijft doodzonde.

Praeterea, qui in aliquo parvo iniustitiam facit, parum a medio declinat. Sed hoc videtur esse tolerabile, et inter minima malorum computandum, ut patet per philosophum, in II Ethic. Non ergo quicumque facit iniustum peccat mortaliter. (IIa-IIae q. 59 a. 4 arg. 2)

2 — Wie in iets kleins onrecht pleegt, wijkt slechts een weinig af van het midden. Welnu, dit schijnt duldbaar, en tot het aller-kleinste kwaad gerekend te moeten worden, zoals blijkt uit wat de wijsgeer zegt. Niet iedere dus die onrecht pleegt bedrijft doodzonde.

Praeterea, caritas est mater omnium virtutum, ex cuius contrarietate aliquod peccatum dicitur mortale. Sed non omnia peccata opposita aliis virtutibus sunt mortalia. Ergo etiam neque facere iniustum semper est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 59 a. 4 arg. 3)

3 — De liefde is de moeder van alle deugden, en in tegenstrijdigheid met haar wordt een zonde doodszonde genoemd. Welnu, niet alle zonden die aan de andere deugden tegengesteld zijn, zijn doodszonde. Derhalve is ook onrecht pleegt niet altijd doodszonde.

Sed contra, quidquid est contra legem Dei est peccatum mortale. Sed quicumque facit iniustum facit contra praeceptum legis Dei, quia vel reducitur ad furtum, vel ad adulterium, vel ad homicidium; vel ad aliquid huiusmodi, ut ex sequentibus patebit. Ergo quicumque facit iniustum peccat mortaliter. (IIa-IIae q. 59 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat al wat tegen Gods wet ingaat, doodszonde is. Welnu, hij die onrecht pleegt, handelt tegen het gebod van Gods wet in; want zijn handeling wordt herleid ofwel tot diefstal, ofwel tot overspel, ofwel tot doodslag, of tot iets anders van die aard, zoals verder zal blijken (64° Kw. en vlg.). Derhalve bedrijft iedere die onrecht pleegt doodszonde.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est cum de differentia peccatorum ageretur, peccatum mortale est quod contrariatur caritati, per quam est animae vita. Omne autem nocumentum alteri illatum ex se caritati repugnat, quae movet ad volendum bonum alterius. Et ideo, cum iniustitia semper consistat in nocumento alterius, manifestum est quod facere iniustum ex genere suo est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 59 a. 4 co.)

Zoals gezegd is (I. II. 72° Kw. 5° Art.), waar het ging over het verschil tussen de zonden, is de doodszonde tegengesteld aan de liefde, door welke de ziel leeft. Welnu, ieder nadeel, dat aan een ander wordt toegebracht, is uiteraard strijdig met de liefde die aanzet om het goed van een ander te willen. En daar de onrechtvaardigheid altijd bestaat in het benadelen van een ander, is het klaarblijkelijk, dat onrecht plegen uiteraard doodszonde is.

Ad primum ergo dicendum quod verbum philosophi intelligitur de ignorantia facti, quam ipse vocat ignorantiam particularium circumstantiarum, quae meretur veniam, non autem de ignorantia iuris, quae non excusat. Qui autem ignorans facit iniustum, non facit iniustum nisi per accidens, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 59 a. 4 ad 1)

1 — Het woord van de Wijsgeer moet worden begrepen als doelend op de onwetendheid van de feiten, die hijzelf « de onwetendheid betreffende de bijzondere omstandigheden noemt », en die kwijtschelding verdient; niet echter als doelend op de onwetendheid van het recht, waarvoor geen verontschuldiging is. Wie echter uit onwetendheid onrecht pleegt, begaat alleen op toevallige wijze onrecht, zoals boven gezegd is (2° Art.).

Ad secundum dicendum quod ille qui in parvis facit iniustitiam, deficit a perfecta ratione eius quod est iniustum facere, inquantum potest reputari non esse omnino contra voluntatem eius qui hoc patitur, puta si auferat aliquis alicui unum pomum vel aliquid tale, de quo probabile sit quod ille inde non laedatur, nec ei displiceat. (IIa-IIae q. 59 a. 4 ad 2)

2 — Hij, die in kleine zaken onrecht pleegt, wijkt van de volkomen natuur der onrechtvaardigheid af, voor zover zulke daad kan doorgaan als niet helemaal strijdig met de wil van hem, die dat onrecht lijdt, b.v. als iemand aan een ander een appel ontsteelt of iets van die aard, waarvan het waarschijnlijk is dat hij niet benadeeld wordt, noch dat het hem zal mishagen.

Ad tertium dicendum quod peccata quae sunt contra alias virtutes non semper sunt in nocumentum alterius, sed important inordinationem quandam circa passiones humanas. Unde non est similis ratio. (IIa-IIae q. 59 a. 4 ad 3)

3 — De zonden, die met andere deugden strijdig zijn, benadelen niet altijd een ander, maar sluiten een ongeregeldheid in met betrekking tot de menselijke hartstochten. Daarom gaat dit argument niet op.