Secunda Secundae. Quaestio 86. Over de Wijgeschenken en Eerstelingen Offers .
Prooemium
Deinde considerandum est de oblationibus et primitiis. Et circa hoc quaeruntur quatuor.
Primo, utrum aliquae oblationes sint de necessitate praecepti. Secundo, quibus oblationes
debeantur. Tertio, de quibus rebus fieri debeant. Quarto, specialiter de oblationibus
primitiarum, utrum ad eas homines ex necessitate teneantur. (IIa-IIae q. 86 pr.)
Vervolgens moeten wij over de wijgeschenken en eerstelingenoffers spreken. (Zie 85e
Kw. Inl.). En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Moeten er krachtens een gebod
noodzakelijk wijgeschenken worden aangeboden? 2. Wie hebben recht op wijgeschenken?
3. Van welke zaken moeten zij gegeven worden? 4. In het bijzonder over het aanbieden
van eerstelingenoffers: zijn de mensen daar noodzakelijk toe verplicht?
Articulus 1. Zijn de mensen krachtens een gebod noodzakelijk verplicht wijgeschenken te brengen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod homines non teneantur ad oblationes ex necessitate
praecepti. Non enim homines tempore Evangelii tenentur ad observanda caeremonialia
praecepta veteris legis, ut supra habitum est. Sed oblationes offerre ponitur inter
caeremonialia praecepta veteris legis, dicitur enim Exod. XXIII, tribus vicibus per
singulos annos mihi festa celebrabitis, et postea subditur, non apparebis in conspectu
meo vacuus. Ergo ad oblationes non tenentur nunc homines ex necessitate praecepti. (IIa-IIae q. 86 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de mensen niet krachtens een gebod tot wijgeschenken zijn verplicht.
Want de mensen uit het tijdperk van het Evangelie zijn niet gehouden tot het onderhouden
van de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden, zoals vroeger (I. II. 103e Kw.
3e Art.) is gezegd. Nu wordt het aanbieden van wijgeschenken onder de geboden van
de Oude Wet over de plechtigheden opgegeven, want wij lezen in het Boek van de Uittocht
(23, 14) : « Driemaal in ieder jaar zult gij Mij feesten vieren, » en verderop (v.
15) wordt eraan toegevoegd: « Gij zult niet met lege handen voor Mij verschijnen.
» Dus zijn de mensen nu niet krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.
Praeterea, oblationes, antequam fiant, in voluntate hominis consistunt, ut videtur
per hoc quod dominus dicit, Matth. V, si offers munus tuum ad altare, quasi hoc arbitrio
offerentium relinquatur. Postquam autem oblationes sunt factae, non restat locus iterato
eas offerendi. Ergo nullo modo aliquis ex necessitate praecepti ad oblationes tenetur. (IIa-IIae q. 86 a. 1 arg. 2)
2 — Vóór de wijgeschenken worden gebracht, hangen zij af van de wil van de mens, wat blijkt
uit wat de Heer bij Mattheus (5, 23) zegt: « Als gij uw offer brengt aan het altaar,
» als werd dit aan de beslissing van die ze brachten overgelaten. Nadat de wijgeschenken
echter aangeboden zijn, is er geen gelegenheid om ze nog eens op te dragen. Dus is
een mens op geen enkele manier krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.
Praeterea, quicumque aliquid tenetur reddere Ecclesiae, si non reddat, potest ad id
compelli per subtractionem ecclesiasticorum sacramentorum. Sed illicitum videtur his
qui offerre noluerint ecclesiastica sacramenta denegare, secundum illud decretum sextae
synodi quod habetur I, qu. I, nullus qui sacram communionem dispensat, a percipiente
gratiam aliquid exigat, si vero exegerit, deponatur. Ergo non tenentur homines ex
necessitate ad oblationes. (IIa-IIae q. 86 a. 1 arg. 3)
3 — Als iemand verplicht is iets aan de Kerk te geven en dat niet doet, kan hij daartoe
gedwongen worden door het onttrekken van de sacramenten van de Kerk. Nu schijnt het
ongeoorloofd hun die geen wijgeschenken willen geven de Sacramenten te weigeren, volgens
de bepaling van de Zesde Kerkvergadering: « Niemand, die de H. Communie uitreikt,
mag van wie Haar ontvangt, een gunst eisen; heeft hij dat echter gedaan, dan wordt
hij afgezet. » Dus zijn de mensen niet krachtens noodzakelijkheid verplicht om wijgeschenken
te geven.
Sed contra est quod Gregorius dicit, omnis Christianus procuret ad Missarum solemnia
aliquid Deo offerre. (IIa-IIae q. 86 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Gregorius VII zegt: « Iedere Christen zorgt ervoor bij
de H. Mis iets aan God op te dragen. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, nomen oblationis commune est ad omnes res
quae in cultum Dei exhibentur. Ita quod si aliquid exhibeatur in cultum divinum quasi
in aliquod sacrum quod inde fieri debeat consumendum, et oblatio est et sacrificium,
unde dicitur Exod. XXIX, offeres totum arietem in incensum super altare, oblatio est
domino, odor suavissimus victimae Dei; et Levit. II dicitur, anima cum obtulerit oblationem
sacrificii domino, simila erit eius oblatio. Si vero sic exhibeatur ut integrum maneat,
divino cultui deputandum vel in usus ministrorum expendendum, erit oblatio et non
sacrificium. Huiusmodi ergo oblationes de sui ratione habent quod voluntarie offerantur,
secundum illud Exod. XXV, ab homine qui offert ultroneus, accipietis eas. Potest tamen
contingere quod aliquis ad oblationes teneatur quadruplici ratione. Primo quidem,
ex praecedenti conventione, sicut cum alicui conceditur aliquis fundus Ecclesiae,
ut certis temporibus certas oblationes faciat. Quod tamen habet rationem census. Secundo,
propter praecedentem deputationem sive promissionem, sicut cum aliquis offert donationem
inter vivos vel cum relinquit in testamento Ecclesiae aliquam rem, mobilem vel immobilem,
in posterum solvendam. Tertio modo, propter Ecclesiae necessitatem, puta si ministri
Ecclesiae non haberent unde sustentarentur. Quarto modo, propter consuetudinem, tenentur
enim fideles in aliquibus solemnitatibus ad aliquas oblationes consuetas. Tamen in
his duobus ultimis casibus remanet oblatio quodammodo voluntaria, scilicet quantum
ad quantitatem vel speciem rei oblatae. (IIa-IIae q. 86 a. 1 co.)
Zoals vroeger (85e Kw. 3e Art. 3e Antw.) is gezegd, wordt de naam wijgeschenk aan
alles gegeven, wat gebruikt wordt om er God mee te eren. Wordt daarom iets zo bestemd
voor Gods eredienst, dat het wordt verbruikt om er iets heiligs van te maken, dan
is het zowel een wijgeschenk als een offer; en daarom lezen wij in het Boek van de
Uittocht (29, 18) : « Gij zult een gehele ram offeren om op het altaar te verbranden;
het is een wijgeschenk voor de Heer, een allerzoetste geur van het slachtoffer van
de Heer »; en in het Boek Leviticus (2, 1) : « Als iemand het geschenk van een offer
aan de Heer brengt, moet tarwemeel zijn wijgeschenk zijn. » Geeft men het echter om
het geheel te laten blijven, bestemd voor de goddelijke eredienst of om door de bedienaars
ervan gebruikt te worden, dan is het een wijgeschenk en geen offer. Uit de aard van
deze wijgeschenken volgt, dat zij uit vrijen wil worden gegeven volgens het Boek van
de Uittocht (25, 2) : « Van een mens, die ze uit eigen beweging aanbiedt, zult gij
ze aannemen. » Maar het kan om vier redenen gebeuren, dat iemand tot wijgeschenken
verplicht is. Ten eerste krachtens een voorafgaande overeenkomst, zoals wanneer aan
iemand een bezitting van de Kerk wordt gegeven op voorwaarde, dat hij op gestelde
tijden bepaalde wijgeschenken geeft. Maar dat heeft meer de aard van een belasting.
— Ten tweede om een voorafgaande bepaling of belofte, zoals wanneer iemand bij zijn
leven een geschenk geeft of in zijn testament aan de Kerk een roerend of onroerend
goed nalaat, dat later aangeboden moet worden. — Ten derde om de noden van de Kerk,
b. v. als de dienaars van de Kerk niets hebben voor hun onderhoud. — Ten vierde krachtens
de gewoonte; want bij sommige feesten zijn de gelovigen verplicht de gewone geschenken
te geven. — Maar in deze twee laatste gevallen blijven de geschenken tot zekere hoogte
vrijwillig, nl. wat de hoegrootheid en aard van het aangeboden geschenk betreft.
Ad primum ergo dicendum quod in nova lege homines non tenentur ad oblationem causa
solemnitatum legalium, ut in Exodo dicitur, sed ex quibusdam aliis causis, ut dictum
est. (IIa-IIae q. 86 a. 1 ad 1)
1 — Onder de Nieuwe Wet zijn de mensen niet tot het brengen van wijgeschenken verplicht
om de feesten van de Wet, zoals in Exodus wordt gezegd, maar, zoals in de leerstelling
gezegd werd, om andere redenen.
Ad secundum dicendum quod ad oblationes faciendas tenentur aliqui et antequam fiant,
sicut in primo et tertio et quarto modo, et etiam postquam eas fecerint per deputationem
sive promissionem; tenentur enim realiter exhibere quod est Ecclesiae per modum deputationis
oblatum. (IIa-IIae q. 86 a. 1 ad 2)
2 — Sommigen zijn tot het geven van wijgeschenken verplicht zowel vóórdat zij worden gebracht,
zoals op de eerste, derde of vierde manier, als nadat zij ze gebracht hebben, wat
gebeurde toen ze er iets voor bestemden of iets beloofden; want in dat geval moeten
ze in werkelijkheid geven, wat krachtens een beschikking aan de Kerk gegeven is.
Ad tertium dicendum quod illi qui debitas oblationes non reddunt possunt puniri per
subtractionem sacramentorum, non per ipsum sacerdotem cui sunt oblationes faciendae,
ne videatur pro sacramentorum exhibitione aliquid exigere, sed per superiorem aliquem. (IIa-IIae q. 86 a. 1 ad 3)
3 — Die de verplichte geschenken niet geven, kunnen door het onthouden van de Sacramenten
worden gestraft, maar niet door de priester zelf, aan wie de geschenken aangeboden
moeten worden, om niet de schijn te wekken, dat hij iets eist voor het toedienen van
de Sacramenten; doch door een overste.
Articulus 2. Hebben alleen de priesters recht op wijgeschenken?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod oblationes non solum sacerdotibus debeantur.
Inter oblationes enim praecipue videmus esse quae hostiarum sacrificiis deputantur.
Sed ea quae pauperibus dantur in Scripturis hostiae dicuntur, secundum illud Heb.
ult., beneficentiae et communionis nolite oblivisci, talibus enim hostiis promeretur
Deus. Ergo multo magis oblationes pauperibus debentur. (IIa-IIae q. 86 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat niet alleen de priesters recht hebben op wijgeschenken. Want onder
de wijgeschenken vinden wij als de voornaamste die, welke voor de slachtoffers bestemd
zijn. Nu wordt datgene, wat aan de armen gegeven wordt, in de Schrift een offer genoemd
volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 16): « Vergeet de weldadigheid en de onderlinge
bijstand niet, want in dergelijke offers heeft God Welbehagen. » Dus hebben de armen
nog veel meer recht op geschenken.
Praeterea, in multis parochiis monachi de oblationibus partem habent. Alia autem est
causa clericorum, alia monachorum, ut Hieronymus dicit. Ergo non solum sacerdotibus
oblationes debentur. (IIa-IIae q. 86 a. 2 arg. 2)
2 — In vele parochies hebben de monniken deel aan de geschenken. Maar « anders is de zorg
voor de geestelijken, anders die voor de monniken, » zoals Hieronymus zegt. Daarom
hebben niet alleen de priesters recht op de gaven.
Praeterea, laici de voluntate Ecclesiae emunt oblationes, ut panes et huiusmodi. Sed
non nisi ut haec in suos usus convertant. Ergo oblationes possunt etiam ad laicos
pertinere. (IIa-IIae q. 86 a. 2 arg. 3)
3 — Met toestemming van de Kerk kopen de leken offergaven. Maar dat doen zij alleen om
ze voor zichzelf te gebruiken. Dus kunnen de offergaven ook aan de leken toebehoren.
Sed contra est quod dicit canon Damasi Papae, et habetur X, qu. I, oblationes quae
intra sanctam Ecclesiam offeruntur, tantummodo sacerdotibus, qui quotidie domino servire
videntur, licet comedere et bibere. Quia in veteri testamento prohibuit dominus panes
sanctos comedere filiis Israel, nisi tantummodo Aaron et filiis eius. (IIa-IIae q. 86 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat de Canon van Paus Damasus: « De wijgeschenken, die in de
H. Kerk worden aangeboden, mogen alleen de priesters, die iedere dag God dienen, eten
en drinken. Want onder het Oude Verbond verbood God de kinderen van Israël de heilige
broden te eten, behalve Aäron en zijn zonen. »
Respondeo dicendum quod sacerdos quodammodo constituitur sequester et medius inter
populum et Deum, sicut de Moyse legitur Deut. V. Et ideo ad eum pertinet divina dogmata
et sacramenta exhibere populo, et iterum ea quae sunt populi, puta preces et sacrificia
et oblationes, per eum domino debent exhiberi; secundum illud apostoli, ad Heb. V,
omnis pontifex ex hominibus assumptus pro hominibus constituitur in his quae sunt
ad Deum, ut offerat dona et sacrificia pro peccatis. Et ideo oblationes quae a populo
Deo exhibentur ad sacerdotes pertinent, non solum ut eas in suos usus convertant,
verum etiam ut fideliter eas dispensent, partim quidem expendendo eas in his quae
pertinent ad cultum divinum; partim vero in his quae pertinent ad proprium victum,
quia qui altari deserviunt cum altari participantur, ut dicitur I ad Cor. IX; partim
etiam in usus pauperum, qui sunt, quantum fieri potest, de rebus Ecclesiae sustentandi;
quia et dominus in usum pauperum loculos habebat, ut Hieronymus dicit, super Matth. (IIa-IIae q. 86 a. 2 co.)
In zekeren zin is de priester gesteld als « tussenpersoon en middelaar » tussen het
volk en God, zoals wij van Moses lezen (Deut. 5,5). Daarom komt het hem toe de heilige
leerstukken en Sacramenten tot het volk te brengen; en ook wat van het volk komt,
zoals gebeden en offers en geschenken, moet door hem aan God worden aangeboden naar
de Brief aan de Hebreeën (5, 1) : « Iedere hogepriester wordt uit de mensen genomen
en in de plaats van de mensen aangesteld voor en eredienst aan God, om gaven en offers
op te dragen voor de zonden. » Daarom behoren de geschenken, die door het volk aan
God worden aangeboden, aan de priesters, niet alleen om ze voor zichzelf te gebruiken,
maar ook om ze getrouw te beheren; door ze gedeeltelijk te benutten bij wat voor de
goddelijke eredienst nodig is; deels voor wat tot hun eigen onderhoud dient, omdat
« zij, die het altaar dienen, met het altaar delen, » zoals in de Eerste Brief aan
de Korinthiërs (9, 13) staat; deels om ze voor de armen te gebruiken, die voor zover
het mogelijk is van de bezittingen van de Kerk moeten onderhouden worden, omdat ook
de Heer een beurs had ten gebruike voor de armen, zoals Hieronymus zegt.
Ad primum ergo dicendum quod ea quae pauperibus dantur, sicut non proprie sunt sacrificia,
dicuntur tamen sacrificia inquantum eis dantur propter Deum, ita etiam secundum eandem
rationem oblationes dici possunt, tamen non proprie, quia non immediate Deo offeruntur.
Oblationes vero proprie dictae in usum pauperum cedunt non per dispensationem offerentium,
sed per dispensationem sacerdotum. (IIa-IIae q. 86 a. 2 ad 1)
1 — Zoals wat de armen gegeven wordt, geen eigenlijk offer is, maar een offer wordt genoemd
in zover het hun om God gegeven wordt, kan men het ook om dezelfde reden een wijgeschenk
noemen, maar niet in eigenlijke zin, omdat het niet onmiddellijk aan God wordt aangeboden.
De eigenlijke wijgeschenken worden wel voor de armen gebruikt, maar niet krachtens
de beschikking van wie het aanbiedt, maar van de priesters.
Ad secundum dicendum quod monachi sive alii religiosi possunt oblationes recipere
tripliciter. Uno modo, sicut pauperes, per dispensationem sacerdotis vel ordinationem
Ecclesiae. Alio modo, si sint ministri altaris. Et tunc possunt accipere oblationes
sponte oblatas. Tertio, si parochiae sint eorum. Et tunc ex debito possunt accipere,
tanquam Ecclesiae rectores. (IIa-IIae q. 86 a. 2 ad 2)
2 — Op drie manieren kunnen monniken en andere kloosterlingen wijgeschenken ontvangen.
Ten eerste als armen naar de beschikking van een priester of de Kerk. — Dan, als zij
bedienaars van het altaar zijn; en dan kunnen zij vrijwillig aangeboden geschenken
ontvangen. Ten derde, als zij parochies hebben. En dan kunnen zij ze als rectors van
de Kerk ontvangen als een recht.
Ad tertium dicendum quod oblationes, postquam fuerint consecratae, non possunt cedere
in usum laicorum, sicut vasa et vestimenta sacra. Et hoc modo intelligitur dictum
Damasi Papae. Illa vero quae non sunt consecrata, possunt in usum laicorum cedere
ex dispensatione sacerdotum, sive per modum donationis sive per modum venditionis. (IIa-IIae q. 86 a. 2 ad 3)
3 — Als wijgeschenken gewijd zijn, kunnen zij niet voor leken worden gebruikt; zo b. v.
heilige vaten en paramenten. En zo moet men de bepaling van Paus Damasus verstaan.
— Zijn zij echter niet gewijd, dan kunnen zij naar de bepaling van de priesters voor
leken worden gebruikt, doordat ze worden weggegeven of worden verkocht.
Articulus 3. Kan een mens wijgeschenken geven van alles, wat hij rechtmatig bezit?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non possit homo oblationes facere de omnibus
rebus licite possessis. Quia secundum iura humana, turpiter facit meretrix in hoc
quod est meretrix, non tamen turpiter accipit, et ita licite possidet. Sed non licet
de eo facere oblationem, secundum illud Deut. XXIII, non offeres mercedem prostibuli
in domo domini Dei tui. Ergo non licet facere oblationem de omnibus licite possessis. (IIa-IIae q. 86 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat een mens geen wijgeschenken kan geven van alles, wat hij rechtmatig
bezit. — want volgens het menselijke recht, « handelt een publieke vrouw hierin schandelijk,
dat zij een publieke vrouw is; maar dat zij er iets voor aanneemt, is niet schandelijk.
» Maar hiervan mag men geen geschenken aanbieden volgens het Boek Deuteronomium (23,
18) : « In het huis van de Heer uw God zult gij de winst van een bordeel niet komen
aanbieden. » Dus mag men geen wijgeschenken geven van alles, wat men rechtmatig bezit.
Praeterea, ibidem prohibetur quod pretium canis non offeratur in domo Dei. Sed manifestum
est quod pretium canis iuste venditi iuste possidetur. Ergo non licet de omnibus iuste
possessis oblationem facere. (IIa-IIae q. 86 a. 3 arg. 2)
2 — Op dezelfde plaats wordt verboden de prijs voor een hond ontvangen in het huis van
God op te dragen. Nu is het duidelijk, dat men de prijs van een rechtmatig verkochten
hond rechtmatig bezit. Dus mag men niet van alles wat men rechtmatig bezit geschenken
aanbieden.
Praeterea, Malach. I dicitur, si offeratur claudum et languidum, nonne malum est?
Sed claudum et languidum est animal iuste possessum. Ergo videtur quod non de omni
iuste possesso possit oblatio fieri. (IIa-IIae q. 86 a. 3 arg. 3)
3 — Bij Malachias (1, 8) wordt gezegd: « Als gij een kreupel en ziek beest offert, is
dat dan geen kwaad? » Nu kan men een kreupel en ziek beest rechtmatig bezitten. Dus
schijnt men niet van alles, wat rechtmatig bezeten wordt, geschenken te mogen aanbieden.
Sed contra est quod dicitur Prov. III, honora dominum de tua substantia. Ad substantiam
autem hominis pertinet quidquid iuste possidet. Ergo de omnibus iuste possessis potest
oblatio fieri. (IIa-IIae q. 86 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Spreuken (3, 9) wordt gezegd: « Brengt
de Heer hulde van uw bezittingen. » Nu behoort alles, wat een mens rechtmatig bezit,
tot zijn bezittingen. Dus kan men van alles, wat men rechtmatig bezit geschenken geven.
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Verb. Dom., si depraedareris
aliquem invalidum et de spoliis eius dares alicui iudici si pro te iudicaret, tanta
vis est iustitiae ut et tibi displiceret. Non est talis Deus tuus qualis non debes
esse nec tu. Et ideo dicitur Eccli. XXXIV, immolantis ex iniquo oblatio est maculata.
Unde patet quod de iniuste acquisitis et possessis non potest oblatio fieri. In veteri
autem lege, in qua figurae serviebatur, quaedam propter significationem reputabantur
immunda, quae offerre non licebat. Sed in nova lege omnis creatura Dei reputatur munda,
ut dicitur ad Tit. I. Et ideo, quantum est de se, de quolibet licite possesso potest
oblatio fieri. Per accidens tamen contingit quod de aliquo licite possesso oblatio
fieri non potest, puta si vergat in detrimentum alterius, ut si filius aliquis offerat
Deo id unde debet patrem nutrire, quod dominus improbat Matth. XV; vel propter scandalum,
vel propter contemptum, vel aliquid aliud huiusmodi. (IIa-IIae q. 86 a. 3 co.)
Zoals Augustinus zegt, « zou, als men een zwakke zou beroven en van de buit iets aan
een rechter geven om partijdig recht te spreken, de maat van de onrechtvaardigheid
zo groot zijn, dat het de dader zelf zou tegenstaan. En onze God is niet zo, als wij
zelf niet moeten zijn. » En daarom staat in het Boek Ecclesiasticus (34, 21): « Van
wie uit onrechtvaardig bezit offert, is de gave besmet. » Daarom is het duidelijk,
dat men van onrechtvaardig verkregen en bezeten goed geen wijgeschenken kan geven.
Onder de Oude Wet echter, waarin verschillende voorafbeeldingen werden onderhouden,
werden sommige dingen om hun betekenis als onrein beschouwd, en die mocht men niet
offeren, maar onder de Nieuwe Wet wordt ieder schepsel van God als rein beschouwd,
zoals in de Brief aan Titus (1, 15) staat. Wat dus de zaak zelf betreft, kan uit elk
rechtmatig bezit een wijgeschenk worden gegeven. Om een bijkomstige reden kan het
echter gebeuren, dat uit een rechtmatig bezit geen geschenk kan worden gegeven, b.
v. als het een ander tot nadeel strekt, zoals wanneer een zoon datgene aan God offert,
waarvan hij zijn vader moet onderhouden wat de Heer veroordeelt bij Mattheus (15,
5) ; of om ergernis, of om verachting, die erdoor ontstaat, of om dergelijke redenen.
Ad primum ergo dicendum quod in veteri lege prohibebatur oblatio de mercede prostibuli
propter immunditiam. In nova autem lege propter scandalum, ne videatur Ecclesia favere
peccato, si de lucro peccati oblationem recipiat. (IIa-IIae q. 86 a. 3 ad 1)
1 — Onder de Oude Wet was een geschenk uit de winst van een bordeel verboden om de onreinheid;
maar onder de Nieuwe Wet om de ergernis, dat het nl. niet schijnt, alsof de Kerk de
zonde zou begunstigen, als zij een gave aannam van de verdienste door zonde verkregen.
Ad secundum dicendum quod canis secundum legem reputabatur animal immundum. Alia tamen
animalia immunda redimebantur, et eorum pretium poterat offerri, secundum illud Levit.
ult., si immundum animal est, redimet qui obtulerit. Sed canis nec offerebatur nec
redimebatur, tum quia idololatrae canibus utebantur in sacrificiis idolorum; tum etiam
quia significant rapacitatem, de qua non potest fieri oblatio. Sed haec prohibitio
cessat in nova lege. (IIa-IIae q. 86 a. 3 ad 2)
2 — Volgens de Wet werd een hond als onrein beschouwd. Andere onreine dieren echter werden
vrijgekocht en de prijs ervan kon opgedragen worden volgens het Boek Leviticus (27,
27) : « Als een dier onrein is, zal hij, die het opdraagt, het loskopen. » Maar een
hond werd noch opgedragen noch losgekocht, zowel omdat afgodendienaars honden gebruikten
bij het offeren aan de afgoden, als omdat zij beelden van de roofzucht zijn, waarvan
men geen geschenk kan aanbieden. Maar dit verbod is in de Nieuwe Wet opgeheven.
Ad tertium dicendum quod oblatio animalis caeci vel claudi reddebatur illicita tripliciter.
Uno modo, ratione eius ad quod offerebatur. Unde dicitur Malach. I, si offeratis caecum
ad immolandum, nonne malum est? Sacrificia autem oportebat esse immaculata. Secundo,
ex contemptu. Unde ibidem subditur, vos polluistis nomen meum in eo quod dicitis,
mensa domini contaminata est, et quod superponitur contemptibile est. Tertio modo,
ex voto praecedenti, ex quo obligatur homo ut integrum reddat quod voverat. Unde ibidem
subditur, maledictus dolosus qui habet in grege suo masculum, et votum faciens immolat
debile domino. Et eaedem causae manent in lege nova. Quibus tamen cessantibus, non
est illicitum. (IIa-IIae q. 86 a. 3 ad 3)
3 — Het opdragen van een blind of kreupel dier was om drie redenen ongeoorloofd. Ten eerste
om datgene waarvoor de opdracht bestemd was; en daarom lezen wij bij Malachias (1,
8): « Als gij een blind dier geeft om te offeren, is dat geen zonde? » want de offers
moeten zonder vlek zijn. Ten tweede om de verachting, en daarom volgt er daar verder:
« Gij hebt Mijn naam te schande gemaakt door te zeggen: de tafel van de Heer is besmet,
en wat erop wordt gelegd, is verachtelijk. » Ten derde om een voorafgaande gelofte,
waardoor een mens verplicht wordt precies datgene aan te bieden, dat hij met een gelofte
beloofd had. Daarom gaat de tekst daar verder voort: « Gevloekt is de bedrieger, die
een mannelijk dier in zijn kudde heeft en als hij een gelofte doet, een zwak dier
de Heer offert. » En dezelfde redenen blijven in de Nieuwe Wet bestaan. Maar als die
niet aanwezig zijn, is het niet ongeoorloofd.
Articulus 4. Zijn de mensen verplicht tot de eerstelingenoffers?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ad primitias solvendas homines non teneantur.
Quia Exod. XIII, data lege primogenitorum, subditur, erit quasi signum in manu tua,
et ita videtur esse praeceptum caeremoniale. Sed praecepta caeremonialia non sunt
servanda in lege nova. Ergo neque primitiae sunt solvendae. (IIa-IIae q. 86 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de mensen niet tot de eerstelingenoffers verplicht zijn. Want als
in het Boek van en Uittocht (13, 9) de wet op de eerstgeborenen wordt gegeven, wordt
erbij gevoegd: « Het zal als een teken in uw hand zijn; » en dus schijnt het een gebod
over een godsdienstige plechtigheid te zijn. Maar deze voorschriften behoeven onder
de Nieuwe Wet niet meer onderhouden te worden. Dus behoeven ook de eerstelingenoffers
niet meer gebracht te worden.
Praeterea, primitiae offerebantur domino pro speciali beneficio illi populo exhibito,
unde dicitur Deut. XXVI, tolles de cunctis frugibus tuis primitias, accedesque ad
sacerdotem qui fuerit in diebus illis, et dices ad eum, profiteor hodie coram domino
Deo tuo quod ingressus sum terram pro qua iuravit patribus nostris ut daret eam nobis.
Ergo aliae nationes non tenentur ad primitias solvendas. (IIa-IIae q. 86 a. 4 arg. 2)
2 — De eerstelingenoffers werden aan God gebracht om de bijzondere weldaden aan dat volk
bewezen; en daarom wordt in het Boek Deuteronomium (26, 2,3) gezegd: « Gij zult van
al uw vruchten de eerstelingen nemen, en tot de priester, die er in die dagen is,
gaan en zeggen: heden belijd ik voor de Heer uw God, dat ik het land ben binnengegaan,
waarvan Hij aan onze vaders gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven. » Dus zijn
de andere volkeren niet verplicht de eerstelingenoffers te brengen.
Praeterea, illud ad quod aliquis tenetur debet esse determinatum. Sed non invenitur
nec in nova lege nec in veteri determinata quantitas primitiarum. Ergo ad eas solvendas
non tenentur homines ex necessitate. (IIa-IIae q. 86 a. 4 arg. 3)
3 — Datgene, waartoe iemand verplicht is, moet iets bepaalds zijn. Nu wordt noch in de
Nieuwe, noch in de Oude Wet een bepaalde hoeveelheid voor de eerstelingenoffers aangegeven.
Dus zijn de mensen niet noodzakelijk verplicht ze te brengen.
Sed contra est quod dicitur XVI, qu. VII, oportet decimas et primitias, quas iure
sacerdotum esse sancimus, ab omni populo accipere. (IIa-IIae q. 86 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat in de Canones wordt gezegd: « De tienden en eerstelingenoffers,
waarvan wij bevestigen, dat de priesters er recht op hebben, moeten zij van het gehele
volk ontvangen. »
Respondeo dicendum quod primitiae ad quoddam genus oblationum pertinent, quia Deo
exhibentur cum quadam professione, ut habetur Deut. XXVI. Unde et ibidem subditur,
suscipiens sacerdos cartallum, scilicet primitiarum, de manu eius qui defert primitias,
et ponet ante altare domini Dei tui; et postea mandatur ei quod dicat, idcirco nunc
offero primitias frugum terrae, quas dominus dedit mihi. Offerebantur autem primitiae
ex speciali causa, scilicet in recognitionem divini beneficii, quasi aliquis profiteatur
se a Deo fructus terrae percipere, et ideo se teneri ad aliquid de huiusmodi Deo exhibendum,
secundum illud I Paral. ult., quae de manu tua accepimus, dedimus tibi. Et quia Deo
debemus exhibere id quod praecipuum est, ideo primitias, quasi praecipuum aliquid
de fructibus terrae, praeceptum fuit Deo offerre. Et quia sacerdos constituitur populo
in his quae sunt ad Deum, ideo primitiae a populo oblatae in usum sacerdotum cedebant,
unde dicitur Num. XVIII, locutus est dominus ad Aaron, ecce, dedi tibi custodiam primitiarum
mearum. Pertinet autem ad ius naturale ut homo ex rebus sibi datis a Deo aliquid exhibeat
ad eius honorem. Sed quod talibus personis exhibeatur, aut de primis fructibus, aut
in tali quantitate, hoc quidem fuit in veteri lege iure divino determinatum, in nova
autem lege definitur per determinationem Ecclesiae, ex qua homines obligantur ut primitias
solvant secundum consuetudinem patriae et indigentiam ministrorum Ecclesiae. (IIa-IIae q. 86 a. 4 co.)
De eerstelingenoffers behoren tot een bepaald soort offergaven, omdat zij, zoals wij
in het Boek Deuteronomium vinden (26, 3) aan God onder het belijden van iets bepaalds
werden geschonken. Daarom wordt er daar aan toegevoegd: « De priester zal de korf
niet de eerstelingen aannemen uit de hand van hem, die de eerstelingen brengt, en
hem voor het altaar van de Heer uw God plaatsen; » en verderop wordt hem voorgeschreven
te zeggen (v. 10) : « Daarom offer ik nu eerstelingen van de vruchten van het land,
dat de Heer mij gegeven heeft. » Nu werden de eerstelingen om een bijzondere reden
geofferd, nl. om de goddelijke weldaden te erkennen, zodat de mens beleed, dat hij
de vruchten van de aarde van God kreeg, en hij daarom verplicht was iets daarvan aan
God te geven volgens het Eerste Boek Paralipomenon (29, 14) : « Wat wij uit Uw hand
hebben ontvangen, hebben wij U gegeven. » En omdat wij aan God het voornaamste moeten
geven, was er een voorschrift God de eerstelingen te offeren als het voornaamste onder
de vruchten van de aarde. En omdat « de priester in plaats van het volk wordt gesteld
voor de eredienst aan God, » dienden de door het volk geofferde eerstelingen voor
het onderhoud van de priesters; en daarom staat in het Boek der Getallen (18, 8) :
« De Heer zei tot Aäron: zie, Ik heb U Mijn eerstelingen in bewaring gegeven. ». Nu
behoort het tot het natuurrecht, dat de mens iets van het hem door God gegevene gebruikt
om Hem te eren. Dat hij het echter aan deze bepaalde personen geeft of van de eerste
vruchten of in bepaalde hoeveelheid, was in de Oude Wet wel door goddelijk recht geregeld,
maar wordt onder de nieuwe geregeld door de bepalingen van de Kerk, waardoor de mensen
verplicht zijn eerstelingenoffers te brengen volgens de gewoonten van hun vaderland
en de behoeften van de dienaars van de Kerk.
Ad primum ergo dicendum quod caeremonialia proprie erant in signum futuri, et ideo
ad praesentiam veritatis significatae cessaverunt. Oblatio autem primitiarum fuit
in signum praeteriti beneficii, ex quo etiam debitum recognitionis causatur secundum
dictamen rationis naturalis. Et ideo in generali huiusmodi obligatio manet. (IIa-IIae q. 86 a. 4 ad 1)
1 — Die plechtigheden dienden eigenlijk als teken van het toekomstige, en daarom vonden
zij een einde, toen de beduide waarheid gekomen was. Maar het opdragen van eerstelingen
diende als teken van een vroeger ontvangen weldaad; en dat daaruit een plicht ontstaat
van erkennen, is een voorschrift van het natuurlijke verstand. Daarom blijft deze
verplichting in het algemeen ook bestaan.
Ad secundum dicendum quod primitiae offerebantur in veteri lege non solum propter
beneficium terrae promissionis datae a Deo, sed etiam propter beneficium fructuum
terrae a Deo datorum. Unde dicitur Deut. XXVI, offero primitias frugum terrae, quas
dominus Deus dedit mihi. Et haec secunda causa apud omnes est communis. Potest etiam
dici quod sicut speciali quodam beneficio terram promissionis contulit Deus, ita generali
beneficio toti humano generi contulit terrae dominium, secundum illud Psalm., terram
dedit filiis hominum. (IIa-IIae q. 86 a. 4 ad 2)
2 — Onder de Oude Wet werden de eerstelingen niet alleen geofferd voor de weldaad van
het ontvangen van het beloofde land van God, maar ook voor de weldaad van het ontvangen
van de vruchten van de aarde van God. Daarom staat in het Boek Deuteronomium (26,
10)) : « Ik offer de eerstelingen van de vruchten der aarde, die God de Heer mij gaf.
» En deze tweede reden geldt voor iedereen.
Ad tertium dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, ex maiorum traditione introductum
est quod qui plurimum, quadragesimam partem dabant sacerdotibus loco primitiarum;
qui minimum, sexagesimam. Unde videtur quod inter hos terminos sint primitiae offerendae,
secundum consuetudinem patriae. Rationabiliter tamen primitiarum quantitas non fuit
determinata in lege, quia, sicut dictum est, primitiae dantur per modum oblationis,
de cuius ratione est quod sint voluntariae. (IIa-IIae q. 86 a. 4 ad 3)
3 — Men kan ook zeggen, dat zoals God door een bijzondere weldaad het beloofde land gaf,
Hij ook door een algemene weldaad het bezit van de aarde aan het gehele menselijke
geslacht gaf naar het psalmwoord: « De aarde gaf Hij aan de mensenkinderen. » (Ps.
113, 16)