Secunda Secundae. Quaestio 93. Over het bijgeloof in het op een verkeerde manier dienen van de ware God .
Prooemium
Deinde considerandum est de speciebus superstitionis. Et primo, de superstitione indebiti
cultus veri Dei; secundo, de superstitione idololatriae; tertio, de superstitione
divinationum; quarto, de superstitione observationum. Circa primum quaeruntur duo.
Primo, utrum in cultu Dei veri possit esse aliquid perniciosum. Secundo, utrum possit
ibi esse aliquid superfluum. (IIa-IIae q. 93 pr.)
Vervolgens moeten wij de soorten van bijgelovigheid bespreken; en wel ten eerste het
bijgeloof in het op een verkeerde manier eren van de ware God; ten tweede het bijgeloof
van de afgoderij (94e Kw.) ; ten derde het bijgeloof van de waarzeggerij (95e Kw.)
; ten vierde het bijgeloof in handelingen (96e Kw.). Over het eerste punt stellen
wij ons twee vragen: 1. Kan er iets verderfelijks zijn in het eren van de ware God?
2. Kan er daarbij iets overbodigs zijn?
Articulus 1. Kan er iets verderfelijks zijn in het eren van de ware God?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod in cultu veri Dei non possit esse aliquid perniciosum.
Dicitur enim Ioel II, omnis quicumque invocaverit nomen domini, salvus erit. Sed quicumque
colit Deum quocumque modo, invocat nomen eius. Ergo omnis cultus Dei confert salutem.
Nullus ergo est perniciosus. (IIa-IIae q. 93 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in het eren van de ware God niets verderfelijks kan zijn. Want
in Joël (2, 32) staat: « Iedereen, die de naam van de Heer zal aanroepen, zal gered
zijn. » Nu roept iedereen, die God hoe dan ook eert, Zijn naam aan. Dus geeft ieder
eren van God redding en is er niets verderfelijks in.
Praeterea, idem Deus est qui colitur a iustis quacumque mundi aetate. Sed ante legem
datam, iusti, absque peccato mortali, colebant Deum qualitercumque eis placebat, unde
et Iacob proprio voto se obligavit ad specialem cultum, ut habetur Gen. XXVIII. Ergo
etiam modo nullus Dei cultus est perniciosus. (IIa-IIae q. 93 a. 1 arg. 2)
2 — Het is dezelfde God, die in alle tijdperken van de wereld door de rechtvaardigen wordt
geëerd. Nu eerden de rechtvaardigen, voordat de Wet gegeven was, God zonder doodzonde
te doen op de manier, die hun het meest beviel; daarom ook verplichtte Jacob zich
door een gelofte tot een bijzondere eredienst, zoals in het Boek der Schepping (28,
20 en vlg.) geschreven staat. Dan is ook nu geen enkel eren van God verderfelijk.
Praeterea, nihil perniciosum in Ecclesia sustinetur. Sustinet autem Ecclesia diversos
ritus colendi Deum, unde Gregorius scribit Augustino episcopo Anglorum, proponenti
quod sunt diversae Ecclesiarum consuetudines in Missarum celebratione, mihi, inquit,
placet ut, sive in Romanis sive in Galliarum sive in qualibet Ecclesia aliquid invenisti
quod plus omnipotenti Deo possit placere, sollicite eligas. Ergo nullus modus colendi
Deum est perniciosus. (IIa-IIae q. 93 a. 1 arg. 3)
3 — In de Kerk wordt niets verderfelijks gehandhaafd. Maar de Kerk handhaaft verschillende
riten bij het eren van God; daarom schrijft Gregorius aan Augustinus, de bisschop
van de Angelsaksen, die het geval hem voorlegde, dat er bij het opdragen van de Mis
verschillende gewoonten in de kerken bestonden: « Ik besluit, dat gij, als gij in
de Romeinse of Gallische of welke andere kerk ook iets gevonden hebt, dat de almachtige
God meer welgevallig zou kunnen zijn, dit zorgvuldig zult behouden. »
Sed contra est quod Augustinus dicit, in epistola ad Hieron., et habetur in Glossa,
Galat. II, quod legalia observata post veritatem Evangelii divulgatam, sunt mortifera.
Et tamen legalia ad cultum Dei pertinent. Ergo in cultu Dei potest esse aliquid mortiferum. (IIa-IIae q. 93 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in een brief aan Hieronymus, die in de Glossa
op de Brief aan de Galaten (2, 14) is opgenomen, zegt, dat het onderhouden van de
voorschriften van de Oude Wet na de verspreiding van de waarheid van het Evangelie
dodend is. En toch gaan die voorschriften over het eren van God. Dus kan er in het
eren van God iets doodelijks zijn.
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro contra mendacium, mendacium
maxime perniciosum est quod fit in his quae ad Christianam religionem pertinent. Est
autem mendacium cum aliquis exterius significat contrarium veritati. Sicut autem significatur
aliquid verbo, ita etiam significatur aliquid facto, et in tali significatione facti
consistit exterior religionis cultus, ut ex supradictis patet. Et ideo si per cultum
exteriorem aliquid falsum significetur, erit cultus perniciosus. Hoc autem contingit
dupliciter. Uno quidem modo, ex parte rei significatae, a qua discordat significatio
cultus. Et hoc modo, tempore novae legis, peractis iam Christi mysteriis, perniciosum
est uti caeremoniis veteris legis, quibus Christi mysteria significabantur futura,
sicut etiam perniciosum esset si quis verbo confiteretur Christum esse passurum. Alio
modo potest contingere falsitas in exteriori cultu ex parte colentis, et hoc praecipue
in cultu communi, qui per ministros exhibetur in persona totius Ecclesiae. Sicut enim
falsarius esset qui aliqua proponeret ex parte alicuius quae non essent ei commissa,
ita vitium falsitatis incurrit qui ex parte Ecclesiae cultum exhibet Deo contra modum
divina auctoritate ab Ecclesia constitutum et in Ecclesia consuetum. Unde Ambrosius
dicit, indignus est qui aliter celebrat mysterium quam Christus tradidit. Et propter
hoc etiam Glossa dicit, Coloss. II, quod superstitio est quando traditioni humanae
nomen religionis applicatur. (IIa-IIae q. 93 a. 1 co.)
Zoals Augustinus schrijft, is een leugen in wat tot de christelijke godsdienst behoort,
het verderfelijkst. Nu is het een leugen, als iemand uiterlijk iets aanduidt, wat
met de waarheid strijdt. Maar iets wordt even goed door iets te doen dan door een
woord aangeduid; en zoals uit het boven gezegde blijkt (81e Kw. 7e Art.), bestaat
de uiterlijke eredienst van de godsdienstigheid in zo iets door handelingen aan te
duiden. Daarom zou de eredienst, als door het uiterlijk eerbetoon iets onwaars werd
aangeduid, verderfelijk zijn. Dat kan nu op twee manieren geschieden. Vooreerst kan
van de kant van wat aangeduid wordt, de betekenis van de eredienst van de waarheid
afwijken. En zo zou het onder de Nieuwe Wet, nu de mysteries van Christus reeds vervuld
zijn, verderfelijk zijn van de ceremonies der Oude Wet gebruik te maken, omdat de
geheimen van Christus daarin als iets toekomstigs worden aangeduid; zoals het ook
tot ondergang brengt, als iemand met woorden belijdt, dat Christus Zijn lijden zal
ondergaan. Ten tweede kan er in de uitwendige eredienst een onwaarheid liggen, die
komt van de kant van wie eert; en dat vooral in de algemene eredienst, die door de
dienaars der Kerk in naam van geheel de Kerk wordt gebracht. Want zoals iemand, die
uit naam van een ander iets zou voorstellen wat hem niet opgedragen was, een bedrieger
zou zijn, zo zou hij tot bedrog vervallen, die uit naam van de Kerk God een eredienst
brengt tegen de gewone manier van doen in, die met goddelijk gezag door de Kerk is
vastgesteld en in haar gebruikelijk is. Daarom zegt Ambrosius: « Het is een onwaardige,
die de geheimen op een andere manier viert dan Christus heeft overgeleverd. » En daarom
zegt de Glossa op de Brief aan de Colossensen (2, 23), dat het bijgeloof is, « als
de naam godsdienstigheid aan menselijke overleveringen wordt gegeven. »
Ad primum ergo dicendum quod, cum Deus sit veritas, illi invocant Deum qui in spiritu
et veritate eum colunt, ut dicitur Ioan. IV. Et ideo cultus continens falsitatem non
pertinet proprie ad Dei invocationem quae salvat. (IIa-IIae q. 93 a. 1 ad 1)
1 — Omdat God de waarheid is, roepen zij God aan, die Hem « in geest en waarheid » dienen,
zoals bij Joannes (4, 24) wordt gezegd. Een dienst, die een onwaarheid bevat, valt
eigenlijk dus niet onder het aanroepen van God, dat redding geeft.
Ad secundum dicendum quod ante tempus legis, iusti per interiorem instinctum instruebantur
de modo colendi Deum, quos alii sequebantur. Postmodum vero exterioribus praeceptis
circa hoc homines sunt instructi, quae praeterire pestiferum est. (IIa-IIae q. 93 a. 1 ad 2)
2 — Vóór de tijd van de Wet werden de rechtvaardigen door een innerlijk aandrijven onderricht
over de manier, waarop zij God moeten dienen, en de anderen volgden hen na. Maar daarna
zijn de mensen door uiterlijke geboden daarover onderricht, en die voorbijgaan brengt
de dood.
Ad tertium dicendum quod diversae consuetudines Ecclesiae in cultu divino in nullo
veritati repugnant. Et ideo sunt servandae; et eas praeterire illicitum est. (IIa-IIae q. 93 a. 1 ad 3)
3 — De verschillende riten van de Kerk bij het eren van God zijn op geen enkel punt met
de waarheid in strijd. En daarom moet men ze onderhouden; en is het verboden ervan
af te wijken.
Articulus 2. Kan er in het eren van God iets overbodigs zijn?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in cultu Dei non possit esse aliquid superfluum.
Dicitur enim Eccli. XLIII, glorificantes Deum quantumcumque potueritis, supervalebit
adhuc. Sed cultus divinus ordinatur ad Deum glorificandum. Ergo nihil superfluum in
eo esse potest. (IIa-IIae q. 93 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in het eren van God niets overbodigs kan zijn. Want in het Boek
Ecclesiasticus (43, 32) staat: « Roemt God, zoveel gij kunt; want Hij gaat het nog
te boven. » Nu heeft de goddelijke eredienst als doel God te verheffen. Dus kan daar
geen teveel in zijn.
Praeterea, exterior cultus est professio quaedam cultus interioris quo Deus colitur
fide, spe et caritate; ut Augustinus dicit, in Enchirid. Sed in fide, spe et caritate
non potest esse aliquid superfluum. Ergo etiam neque in divino cultu. (IIa-IIae q. 93 a. 2 arg. 2)
2 — De uiterlijke eredienst is een belijdenis van het inwendig eren, waarmee « God wordt
geëerd door geloof, hoop en liefde, » zoals Augustinus zegt. Nu kan er bij geloof,
hoop en liefde niets overbodigs zijn. Dus ook niet in het eren van God.
Praeterea, ad divinum cultum pertinet ut ea Deo exhibeamus quae a Deo accepimus. Sed
omnia bona nostra a Deo accepimus. Ergo si totum quidquid possumus facimus ad Dei
reverentiam, nihil erit superfluum in divino cultu. (IIa-IIae q. 93 a. 2 arg. 3)
3 — Het behoort tot het eren van God, dat wij aan God aanbieden, wat wij van Hem hebben
ontvangen. Dus als wij alles doen wat wij kunnen om God eerbied te betonen, is er
niets overbodigs in het eren van God.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in II de Doct. Christ., quod bonus verusque
Christianus etiam in litteris sacris superstitiosa figmenta repudiat. Sed per sacras
litteras Deus colendus ostenditur. Ergo etiam in cultu divino potest esse superstitio
ex aliqua superfluitate. (IIa-IIae q. 93 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt, dat « een goed en waar christen ook
in de heilige boeken bijgelovige verdichtselen verwerpt. » Nu blijkt uit de heilige
boeken, dat God geëerd moet worden. Dus kan er ook bijgeloof zijn in het eren van
God, omdat er iets overbodigs in gevonden wordt.
Respondeo dicendum quod aliquid dicitur superfluum dupliciter. Uno modo, secundum
quantitatem absolutam. Et secundum hoc non potest esse superfluum in divino cultu,
quia nihil potest homo facere quod non sit minus eo quod Deo debet. Alio modo potest
esse aliquid superfluum secundum quantitatem proportionis, quia scilicet non est fini
proportionatum. Finis autem divini cultus est ut homo Deo det gloriam, et ei se subiiciat
mente et corpore. Et ideo quidquid homo faciat quod pertinet ad Dei gloriam, et ad
hoc quod mens hominis Deo subiiciatur, et etiam corpus per moderatam refrenationem
concupiscentiarum, secundum Dei et Ecclesiae ordinationem, et consuetudinem eorum
quibus homo convivit, non est superfluum in divino cultu. Si autem aliquid sit quod
quantum est de se non pertinet ad Dei gloriam, neque ad hoc quod mens hominis feratur
in Deum, aut quod carnis concupiscentiae moderate refrenantur; aut etiam si sit praeter
Dei et Ecclesiae institutionem, vel contra consuetudinem communem (quae secundum Augustinum,
pro lege habenda est). Totum hoc reputandum est superfluum et superstitiosum, quia,
in exterioribus solum consistens, ad interiorem Dei cultum non pertinet. Unde Augustinus,
in libro de vera Relig., inducit quod dicitur Luc. XVII, regnum Dei intra vos est,
contra superstitiosos, qui scilicet exterioribus principalem curam impendunt. (IIa-IIae q. 93 a. 2 co.)
Op twee manieren noemt men iets overbodig. Ten eerste naar zijn hoeveelheid absoluut
genomen; en in deze zin kan er in het eren van God niets overbodig zijn, omdat de
mens niets kan doen, dat niet minder is dan wat hij tegenover God verplicht is. In
anderen zin kan iets overbodig zijn naar zijn betrekkelijke hoeveelheid, omdat deze
niet aan het doel beantwoordt. Nu is het doel van de godsdienst, dat de mens God eer
geeft en zich met lichaam en ziel aan Hem onderwerpt. En daarom is niets van wat de
mens doet tot eer van God en om zijn geest aan Hem te onderwerpen en ook zijn lichaam
door een gematigde versterving, volgens de bepalingen van God en de Kerk en de gewoonten
van hen, waarmee hij samenleeft, overbodig in het eren van God. Is er echter iets,
dat uiteraard niet dient om God te eren of om de geest van de mens op God te richten
of om de begeerten van het vlees gematigd te bedwingen, of dat ook buiten de bepalingen
van God en de Kerk valt of de algemeen gangbare gewoonte, die volgens Augustinus «
als wet moet worden beschouwd, » dan moet men dit alles als overbodig en bijgelovig
beschouwen omdat het alleen in iets uiterlijks bestaat en niet valt onder het innerlijk
eren van God. Daarom haalt Augustinus het woord van Lucas (17, 21) : « Het Rijk Gods
is in U, » aan tegen de bijgelovigen die nl. de grootste zorg aan het uiterlijke besteden.
Ad primum ergo dicendum quod in ipsa Dei glorificatione implicatur quod id quod fit
pertineat ad Dei gloriam. Per quod excluditur superstitionis superfluitas. (IIa-IIae q. 93 a. 2 ad 1)
1 — In het eren van God zelf ligt opgesloten, dat wat gebeurt tot het eren van God dient.
Daardoor worden de bijgelovige overbodigheden uitgesloten.
Ad secundum dicendum quod per fidem, spem et caritatem anima subiicitur Deo. Unde
in eis non potest esse aliquid superfluum. Aliud autem est de exterioribus actibus,
qui quandoque ad haec non pertinent. (IIa-IIae q. 93 a. 2 ad 2)
2 — Door geloof, hoop en liefde wordt de ziel aan God onderworpen. En daarom kan er daarin
niets overbodigs zijn. Maar het staat anders met de uiterlijke handelingen, die daarmee
soms niets te maken hebben.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de superfluo quantum ad quantitatem absolutam. (IIa-IIae q. 93 a. 2 ad 3)
3 — Deze redenering gaat uit van iets overbodigs naar de absolute hoeveelheid.