QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 64.
Over de doodslag .

Prooemium

Deinde considerandum est de vitiis oppositis commutativae iustitiae. Et primo considerandum est de peccatis quae committuntur circa involuntarias commutationes; secundo, de peccatis quae committuntur circa commutationes voluntarias. Committuntur autem peccata circa involuntarias commutationes per hoc quod aliquod nocumentum proximo infertur contra eius voluntatem, quod quidem potest fieri dupliciter, scilicet facto, et verbo. Facto quidem, cum proximus laeditur vel in persona propria; vel in persona coniuncta; vel in propriis rebus. De his ergo per ordinem considerandum est. Et primo, de homicidio, per quod maxime nocetur proximo. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum occidere animalia bruta, vel etiam plantas, sit peccatum. Secundo, utrum occidere peccatorem sit licitum. Tertio, utrum hoc liceat privatae personae, vel solum publicae. Quarto, utrum hoc liceat clerico. Quinto, utrum liceat alicui occidere seipsum. Sexto, utrum liceat occidere hominem iustum. Septimo, utrum liceat alicui occidere hominem seipsum defendendo. Octavo, utrum homicidium casuale sit peccatum mortale. (IIa-IIae q. 64 pr.)

Hierna moeten wij handelen over de ondeugden, die strijdig zijn met de ruilrechtvaardigheid. En eerst moeten wij die zonden beschouwen, die bedreven worden bij onvrijwillige ruilingen. Vervolgens de zonden, die bedreven worden bij vrijwillige ruilingen. Zonden nu bij onvrijwillige ruilingen, worden bedreven doordat aan de naaste tegen zijn wil in, schade wordt toegebracht. Dit nu kan op twee wijzen geschieden: door daden of door woorden. Door daden, wanneer de naaste wordt beleedigd in zijn eigen persoon, of in de persoon van een verwant of in zijn eigen goederen. Hierover moeten wij dus in volgorde handelen. En ten eerste over de doodslag waardoor het meest schade wordt toegebracht aan de naaste. Hieromtrent worden acht vragen gesteld: 1. Is het doden van dieren of planten zonde? 2. Is het toegelaten zondaars te doden? 3. Komt dit toe aan een privaat persoon of alleen aan de publieke macht? 4. Is dit aan een geestelijke toegelaten? 5. Mag iemand zelfmoord plegen? 6. Is het toegelaten een rechtvaardig mens te doden? 7. Is het aan iemand toegelaten, uit zelfverdediging een mens te doden? 8. Is toevallige doodslag doodzonde?

Articulus 1.
Is het doden van alle levende wezens verboden?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod occidere quaecumque viventia sit illicitum. Dicit enim apostolus, ad Rom. XIII, qui ordinationi Dei resistit, ipse sibi damnationem acquirit. Sed per ordinationem divinae providentiae omnia viventia conservantur, secundum illud Psalm., qui producit in montibus faenum, et dat iumentis escam ipsorum. Ergo mortificare quaecumque viventia videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 64 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het doden van alle levende wezens verboden is. — 1. De Apostel immers zegt in zijn *Brief aan de Romeinen* (13. 2.): «Wie zich verzet tegen de verordening van God, zal zijn veroordeling niet ontlopen». Welnu, door de verordening van de Goddelijke Voorzienigheid worden alle levende wezens in het leven gehouden, naar het woord van het *Boek der Psalmen* (146. 8, 9): «Die het gras op de bergen doet uitspruiten en aan het vee zijn voedsel geeft ». Derhalve schijnt het doden van gelijk welke levende wezens verboden.

Praeterea, homicidium est peccatum ex eo quod homo privatur vita. Sed vita communis est omnibus animalibus et plantis. Ergo eadem ratione videtur esse peccatum occidere bruta animalia et plantas. (IIa-IIae q. 64 a. 1 arg. 2)

2 — Doodslag is zonde, omdat daardoor een mens van het leven beroofd wordt. Welnu, het leven is gemeenschappelijk aan alle dieren en planten. Om dezelfde reden dus schijnt het doden van dieren en planten zonde te zijn.

Praeterea, in lege divina non determinatur specialis poena nisi peccato. Sed occidenti ovem vel bovem alterius statuitur poena determinata in lege divina, ut patet Exod. XXII. Ergo occisio brutorum animalium est peccatum. (IIa-IIae q. 64 a. 1 arg. 3)

3 — In de goddelijke wet wordt geen enkele bijzondere straf voorzien, tenzij voor de zonde. Welnu, voor hem die het schaap of het rund van een ander doodt, is in de goddelijke wet een bijzondere straf bepaald, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (22. 1). Het doden van dieren is dus zonde.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, cum audimus, non occides, non accipimus hoc dictum esse de fructetis, quia nullus eis est sensus, nec de irrationalibus animalibus, quia nulla nobis ratione sociantur. Restat ergo ut de homine intelligamus quod dictum est, non occides. (IIa-IIae q. 64 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Wanneer wij horen: Gij zult niet doden, dan aanvaarden wij dat gezegde niet met betrekking tot de planten, want zij hebben geen enkel gevoel: evenmin met betrekking tot de onredelijke dieren, omdat zij met ons niet verwant zijn door het verstand. Het gezegde: Gij zult niet doden, moet dus alleen begrepen worden met betrekking tot de mens ».

Respondeo dicendum quod nullus peccat ex hoc quod utitur re aliqua ad hoc ad quod est. In rerum autem ordine imperfectiora sunt propter perfectiora, sicut etiam in generationis via natura ab imperfectis ad perfecta procedit. Et inde est quod sicut in generatione hominis prius est vivum, deinde animal, ultimo autem homo; ita etiam ea quae tantum vivunt, ut plantae, sunt communiter propter omnia animalia, et animalia sunt propter hominem. Et ideo si homo utatur plantis ad utilitatem animalium, et animalibus ad utilitatem hominum, non est illicitum, ut etiam per philosophum patet, in I Polit. Inter alios autem usus maxime necessarius esse videtur ut animalia plantis utantur in cibum, et homines animalibus, quod sine mortificatione eorum fieri non potest. Et ideo licitum est et plantas mortificare in usum animalium, et animalia in usum hominum, ex ipsa ordinatione divina, dicitur enim Gen. I, ecce, dedi vobis omnem herbam et universa ligna, ut sint vobis in escam et cunctis animantibus. Et Gen. IX dicitur, omne quod movetur et vivit, erit vobis in cibum. (IIa-IIae q. 64 a. 1 co.)

Niemand zondigt door een zaak te gebruiken ken voor het doel waarvoor zij bestaat. In de orde van de dingen nu bestaan de onvolmaaktere wezens voor de volmaaktere; zoals ook de natuur bij de voortbrenging van het onvolmaakte naar het volmaakte opgaat. En daaruit volgt dat, zoals bij de voortbrenging van de mens, hij eerst levend, dan dier, en ten slotte mens is; zo ook bestaan de wezens, die enkel leven, zoals de planten, algemeen voor de dieren; al de dieren echter zijn voor de mens. En wanneer bijgevolg de mens planten gebruikt voor het nut van de dieren, en dieren voor het nut van de mensen, dan is dat niet ongeoorloofd, zoals ook de Wijsgeer zegt. Onder alle vormen van gebruik nu schijnt het wel het meest noodzakelijk, dat het dier planten gebruikt als voedsel, en de mens dieren: en dit kan niet gebeuren zonder dat zij worden gedood. En daarom is het, uit kracht van de goddelijke verordening zelf, geoorloofd planten te doden ten gebruik van de dieren, en dieren ten gebruik van de mensen; in het Boek der Schepping immers wordt gezegd (1. 29, 30): « Ziet, ik heb u al het gewas gegeven en al de bomen, om aan u tot voedsel te dienen en aan alle dieren ». En in hetzelfde Boek (9. 3) wordt gezegd: « Al wat beweegt en leeft zal u tot voedsel dienen ».

Ad primum ergo dicendum quod ex ordinatione divina conservatur vita animalium et plantarum non propter seipsam, sed propter hominem. Unde ut Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, iustissima ordinatione creatoris et vita et mors eorum nostris usibus subditur. (IIa-IIae q. 64 a. 1 ad 1)

1 — Door de goddelijke verordening wordt het leven van planten en dieren in stand gehouden, niet om henzelf maar voor de mens. Daarom zegt Augustinus: « Volgens een allerrechtvaardigste verordening van de Schepper, is hun leven en hun dood aan ons gebruik onderworpen ».

Ad secundum dicendum quod animalia bruta et plantae non habent vitam rationalem, per quam a seipsis agantur, sed semper aguntur quasi ab alio, naturali quodam impulsu. Et hoc est signum quod sunt naturaliter serva, et aliorum usibus accommodata. (IIa-IIae q. 64 a. 1 ad 2)

2 — De dieren en planten hebben geen verstandelijk leven, waardoor zij uit zichzelf zouden handelen, maar zij worden als het ware altijd door een ander bewogen, door een natuurlijke stuwkracht. En dit is het teken, dat zij van nature dienstbaar zijn en aan andermans gebruik aangepast.

Ad tertium dicendum quod ille qui occidit bovem alterius peccat quidem, non quia occidit bovem, sed quia damnificat hominem in re sua. Unde non continetur sub peccato homicidii, sed sub peccato furti vel rapinae. (IIa-IIae q. 64 a. 1 ad 3)

3 — Hij die het rund van een ander doodt, zondigt weliswaar niet omdat hij het rund doodt, maar omdat hij een mens in zijn bezit schade toebrengt. Daarom valt dat niet onder de zonde van doodslag, maar onder de zonde van diefstal of roof.

Articulus 2.
Is het geoorloofd zondaars te doden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit licitum occidere homines peccatores. Dominus enim, Matth. XIII, in parabola, prohibuit extirpare zizania, qui sunt filii nequam, ut ibidem dicitur. Sed omne quod est prohibitum a Deo est peccatum. Ergo occidere peccatorem est peccatum. (IIa-IIae q. 64 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet geoorloofd is zondaars te doden. — 1. Immers, in een parabel bij *Mattheus* (13. 29, 30) verbiedt de Heer het onkruid uit te rukken, d. i. de kinderen van de boze, zoals daar zelf wordt gezegd (v. 38). Welnu, al wat door God verboden is, is zonde. Dus is het zonde een zondaar te doden.

Praeterea, iustitia humana conformatur iustitiae divinae. Sed secundum divinam iustitiam peccatores ad poenitentiam reservantur, secundum illud Ezech. XVIII, nolo mortem peccatoris, sed ut convertatur et vivat. Ergo videtur esse omnino iniustum quod peccatores occidantur. (IIa-IIae q. 64 a. 2 arg. 2)

2 — De menselijke rechtvaardigheid moet gelijkvormig zijn aan de goddelijke rechtvaardigheid. Welnu, volgens de goddelijke rechtvaardigheid worden de zondaars gespaard om boete te doen: naar het woord van *Ezechiël* (18. 23): «Ik wil niet de dood van de zondaar, maar dat hij zich bekere en leve». Derhalve lijkt het helemaal onrechtvaardig te zijn, dat de zondaars gedood worden.

Praeterea, illud quod est secundum se malum nullo bono fine fieri licet, ut patet per Augustinum, in libro contra mendacium, et per philosophum, in II Ethic. Sed occidere hominem secundum se est malum, quia ad omnes homines debemus caritatem habere; amicos autem volumus vivere et esse, ut dicitur in IX Ethic. Ergo nullo modo licet hominem peccatorem interficere. (IIa-IIae q. 64 a. 2 arg. 3)

3 — Datgene wat op zichzelf kwaad is mag men niet doen voor gelijk welk goed doelinde: zoals blijkt uit Augustinus en de Wijsgeer. Welnu, een mens doden is in zichzelf kwaad: want wij moeten liefde hebben tot alle mensen; van onze vrienden nu willen wij, dat zij leven en zijn, zoals in de Ethica gezegd is. Op geenerlei wijze is het dus geoorloofd een zondaar te doden.

Sed contra est quod dicitur Exod. XXII, maleficos non patieris vivere; et in Psalm., in matutino interficiebam omnes peccatores terrae. (IIa-IIae q. 64 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Uittocht (22. 18) gezegd wordt: « De tovenas zult gij niet laten leven », en in het Boek der Psalmen (100. 8): « Alle bozen van het land zal ik vernietigen, iedere morgen ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, licitum est occidere animalia bruta inquantum ordinantur naturaliter ad hominum usum, sicut imperfectum ordinatur ad perfectum. Omnis autem pars ordinatur ad totum ut imperfectum ad perfectum. Et ideo omnis pars naturaliter est propter totum. Et propter hoc videmus quod si saluti totius corporis humani expediat praecisio alicuius membri, puta cum est putridum et corruptivum aliorum, laudabiliter et salubriter abscinditur. Quaelibet autem persona singularis comparatur ad totam communitatem sicut pars ad totum. Et ideo si aliquis homo sit periculosus communitati et corruptivus ipsius propter aliquod peccatum, laudabiliter et salubriter occiditur, ut bonum commune conservetur, modicum enim fermentum totam massam corrumpit, ut dicitur I ad Cor. V. (IIa-IIae q. 64 a. 2 co.)

Zoals gezegd werd, is het geoorloofd dieren te doden voor zover zij van nature bestemd zijn voor het gebruik van de mens, zoals het onvolmaakte voor het volmaakte bestemd is. Iedere deel nu is tot het geheel geordend, als het onvolmaakte tot het volmaakte. En daarom bestaat iedere deel van nature voor het geheel. En daarom zien wij dat, wanneer het afsnijden van een lidmaat wenselijk is voor het heil van heel het menselijk lichaam — omdat dit lidmaat bedorven is en aanstekelijk voor de andere ledematen —, het afgesneden wordt; en dat is prijzenswaardig en heilzaam. Iedere individuele persoon nu verhoudt zich tot de hele gemeenschap als een deel tot het geheel. En wanneer bijgevolg een mens voor de gemeenschap gevaar oplevert, en om een of andere zonde voor de gemeenschap verderfelijk is, dan is het prijzenswaardig en heilzaam hem te doden, opdat het algemeen welzijn behouden worde: want « een weinig zuurdeeg verzuurt al het deeg », zoals staat in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 6).

Ad primum ergo dicendum quod dominus abstinendum mandavit ab eradicatione zizaniorum ut tritico parceretur, idest bonis. Quod quidem fit quando non possunt occidi mali quin simul occidantur et boni, vel quia latent inter bonos; vel quia habent multos sequaces, ita quod sine bonorum periculo interfici non possunt; ut Augustinus dicit, contra Parmen. Unde dominus docet magis esse sinendum malos vivere, et ultionem reservandum usque ad extremum iudicium, quam quod boni simul occidantur. Quando vero ex occisione malorum non imminet periculum bonis, sed magis tutela et salus, tunc licite possunt mali occidi. (IIa-IIae q. 64 a. 2 ad 1)

1 — De heer gebood af te zien van het uitwieden van het onkruid, om de tarwe te sparen, d.w.z. de goeden. Dit nu is het geval wanneer de bozen niet kunnen gedood worden zonder ook de goeden te doden, hetzij omdat zij tussen de goeden schuilgaan, hetzij omdat zij veel aanhangers hebben, zodat zij zonder gevaar voor de goeden niet gedood kunnen worden, zoals Augustinus zegt. Daarom zegt de Heer, veeleer de kwaden te laten leven en de wraak te verdagen tot aan het laatste oordeel, dan de goeden mee te doden. Wanneer echter uit het doden van de bozen geen gevaar ontstaat voor de goeden, maar veeleer beveiliging en welzijn, dan is het geoorloofd de bozen te doden.

Ad secundum dicendum quod Deus, secundum ordinem suae sapientiae, quandoque statim peccatores occidit, ad liberationem bonorum; quandoque autem eis poenitendi tempus concedit; secundum quod ipse novit suis electis expedire. Et hoc etiam humana iustitia imitatur pro posse, illos enim qui sunt perniciosi in alios, occidit; eos vero qui peccant aliis graviter non nocentes, ad poenitentiam reservat. (IIa-IIae q. 64 a. 2 ad 2)

2 — Naar de regeling van zijn wijsheid doodt God soms onmiddellijk de bozen, tot bevrijding van de goeden; soms echter laat hij hun de tijd tot boetvaardigheid, naar Hij weet dat het zijn uitverkorenen tot heil strekt. Dit ook volgt de menselijke rechtvaardigheid na zoveel zij kan: immers, zij doodt diegenen, die gevaar opleveren voor anderen; zij echter die zondigen zonder anderen ernstig nadeel te berokkenen, spaart zij, opdat zij boete zouden doen.

Ad tertium dicendum quod homo peccando ab ordine rationis recedit, et ideo decidit a dignitate humana, prout scilicet homo est naturaliter liber et propter seipsum existens, et incidit quodammodo in servitutem bestiarum, ut scilicet de ipso ordinetur secundum quod est utile aliis; secundum illud Psalm., homo, cum in honore esset, non intellexit, comparatus est iumentis insipientibus, et similis factus est illis; et Prov. XI dicitur, qui stultus est serviet sapienti. Et ideo quamvis hominem in sua dignitate manentem occidere sit secundum se malum, tamen hominem peccatorem occidere potest esse bonum, sicut occidere bestiam, peior enim est malus homo bestia, et plus nocet, ut philosophus dicit, in I Polit. et in VII Ethic. (IIa-IIae q. 64 a. 2 ad 3)

3 — Door de zonde week de mens af van de orde der rede: en daarom verviel zijn menselijke waardigheid, voor zover de mens van nature uit vrij is en om zichzelf bestaand, en verviel hij enigszins tot de dienstbaarheid van de dieren, zodat over hem beschikt wordt naargelang dat nuttig is voor anderen, naar het woord uit het Boek der Psalmen (48. 21): « De mens in glans, die geen verstand heeft, wordt als het redeloos vee en is eraan gelijk ». En in het Boek der Spreuken (11. 29) wordt gezegd: « Wie dwaas is zal de wijze dienen ». En hieruit volgt dat, hoewel een mens dood is, die zijn waardigheid blijft behouden, in zichzelf kwaad is, het doden van de zondaar toch een goed kan zijn, zoals het doden van een dier: de boze mens immers is slechter dan het dier, en schadelijker, zoals de Wijsgeer zegt.

Articulus 3.
Is het aan een privaat persoon geoorloofd, een zondaar te doden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod occidere hominem peccatorem liceat privatae personae. In lege enim divina nihil illicitum mandatur. Sed Exod. XXXII praecepit Moyses, occidat unusquisque proximum suum, fratrem et amicum suum, pro peccato vituli conflatilis. Ergo etiam privatis personis licet peccatorem occidere. (IIa-IIae q. 64 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aan een privaat persoon geoorloofd is, een zondaar te doden. — 1. In de goddelijke wet wordt immers niets ongeoorloofds geboden. Welnu, in het Boek van de Uittocht (32. 27) schreef Mozes voor: « Iedere dode zijn naaste, zijn broeder en zijn vriend », voor de zonde van het gouden kalf. Dus is het ook aan private personen toegelaten de zondaar te doden.

Praeterea, homo propter peccatum bestiis comparatur, ut dictum est. Sed occidere bestiam sylvestrem, maxime nocentem, cuilibet privatae personae licet. Ergo, pari ratione, occidere hominem peccatorem. (IIa-IIae q. 64 a. 3 arg. 2)

2 — Om de zonde wordt de mens met het dier gelijkgesteld, zoals gezegd is (vorig Art. 3° Antw.). Welnu, een wild dier doden, vooral wanneer het schadelijk is, komt aan iedere privaat persoon toe. Derhalve mag hij om dezelfde reden een zondaar doden.

Praeterea, laudabile est quod homo, etiam si sit privata persona, operetur quod est utile bono communi. Sed occisio maleficorum est utilis bono communi, ut dictum est. Ergo laudabile est si etiam privatae personae malefactores occidant. (IIa-IIae q. 64 a. 3 arg. 3)

3 — Het is prijzenswaardig dat een mens, ook een privaat persoon, iets doet wat nuttig is voor het algemeen welzijn. Welnu het doden van boosdoeners is nuttig voor het algemeen welzijn, zoals gezegd is (vorig Art.). Derhalve is het prijzenswaardig, wanneer ook private personen de boosdoeners doden.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, qui sine aliqua publica administratione maleficum interfecerit, velut homicida iudicabitur, et tanto amplius quanto sibi potestatem a Deo non concessam usurpare non timuit. (IIa-IIae q. 64 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Hij die zonder openbaar ambt een boosdoener om het leven brengt, zal worden beoordeeld als een moordenaar: en dat zoveel te meer, als hij er niet voor terugschrok zich macht aan te matigen, die God hem niet verleende ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, occidere malefactorem licitum est inquantum ordinatur ad salutem totius communitatis. Et ideo ad illum solum pertinet cui committitur cura communitatis conservandae, sicut ad medicum pertinet praecidere membrum putridum quando ei commissa fuerit cura salutis totius corporis. Cura autem communis boni commissa est principibus habentibus publicam auctoritatem. Et ideo eis solum licet malefactores occidere, non autem privatis personis. (IIa-IIae q. 64 a. 3 co.)

Het doden van een booswicht is geoorloofd voor zover het geordend is tot het welzijn van de hele gemeenschap, zoals gezegd is (vorig Art.). En daarom komt het alleen aan hem toe, aan wie de zorg voor het in stand houden van de gemeenschap is toevertrouwd: evenals het aan de geneesheer toekomt, een bedorven lichaamsdeel uit te snijden, wanneer hem de zorg voor het heil van het hele lichaam werd opgedragen. De zorg nu voor het algemeen welzijn is toevertrouwd aan de vorsten, die openbare macht hebben. En daarom is het enkel aan hen toegelaten boosdoeners te doden, en niet aan een privépersoon.

Ad primum ergo dicendum quod ille aliquid facit cuius auctoritate fit, ut patet per Dionysium, XIII cap. Cael. Hier. Et ideo, ut Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, non ipse occidit qui ministerium debet iubenti sicut adminiculum gladius utenti. Unde illi qui occiderunt proximos et amicos ex mandato domini, non hoc fecisse ipsi videntur, sed potius ille cuius auctoritate fecerunt, sicut et miles interficit hostem auctoritate principis, et minister latronem auctoritate iudicis. (IIa-IIae q. 64 a. 3 ad 1)

1 — Hij doet iets, op wiens gezag iets geschiedt: zoals blijkt bij Dionysius. En daarom « doodt hij niet, die dienstbaarheid verschuldigd is aan hem die beveelt, maar hij is een werktuig, zoals het zwaard voor hem die het gebruikt » zoals Augustinus zegt. Daarom blijkt het, dat zij, die hun naasten en vrienden doodden op Gods bevel, het zelf niet deden, maar Hij op wiens gezag zij het deden: zo doodt de krijgsman de vijand op gezag van de vorst, en de beul de booswicht op gezag van de rechter.

Ad secundum dicendum quod bestia naturaliter est distincta ab homine. Unde super hoc non requiritur aliquod iudicium an sit occidenda, si sit sylvestris. Si vero sit domestica, requiretur iudicium non propter ipsam, sed propter damnum domini. Sed homo peccator non est naturaliter distinctus ab hominibus iustis. Et ideo indiget publico iudicio, ut discernatur an sit occidendus propter communem salutem. (IIa-IIae q. 64 a. 3 ad 2)

2 — Van nature uit is het dier onderscheiden van de mens. Daarom is er op dit punt geen rechterlijke uitspraak nodig om het te mogen doden, als het een wild dier is. Is het echter een huisdier, dan is er een rechterlijke uitspraak nodig, niet om het dier zelf, maar om de schade van de eigenaar. De zondaar echter is niet van natuur uit onderscheiden van de rechtvaardige mensen. En daarom is er een openbare rechtsuitspraak nodig, om uit te maken of hij ter dood moet worden gebracht voor het algemeen heil.

Ad tertium dicendum quod facere aliquid ad utilitatem communem quod nulli nocet, hoc est licitum cuilibet privatae personae. Sed si sit cum nocumento alterius, hoc non debet fieri nisi secundum iudicium eius ad quem pertinet existimare quid sit subtrahendum partibus pro salute totius. (IIa-IIae q. 64 a. 3 ad 3)

3 — Voor het algemeen welzijn iets doen, dat niemand schaadt, is aan iedere privaat persoon toegelaten. Als het echter gepaard gaat met schade voor een ander, dan moet dit niet geschieden, tenzij volgens het oordeel van hem aan wie het toekomt te oordelen, welke delen moeten worden verwijderd voor het heil van het geheel.

Articulus 4.
Mogen geestelijken de boosdoeners doden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod occidere malefactores liceat clericis. Clerici enim praecipue debent implere quod apostolus dicit, I ad Cor. IV, imitatores mei estote, sicut et ego Christi, per quod nobis indicitur ut Deum et sanctos eius imitemur. Sed ipse Deus, quem colimus, occidit malefactores, secundum illud Psalm., qui percussit Aegyptum cum primogenitis eorum. Moyses etiam a Levitis fecit interfici viginti tria millia hominum propter adorationem vituli, ut habetur Exod. XXXII. Et Phinees, sacerdos, interfecit Israelitem coeuntem cum Madianitide, ut habetur Num. XXV. Samuel etiam interfecit Agag, regem Amalec; et Elias sacerdotes Baal; et Mathathias eum qui ad sacrificandum accesserat; et in novo testamento, Petrus Ananiam et Saphiram. Ergo videtur quod etiam clericis liceat occidere malefactores. (IIa-IIae q. 64 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat geestelijken de boosdoeners mogen doden. — 1. Vooral de geestelijken moeten volbrengen wat de Apostel zegt in zijn Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 16): « Weest mijn navolgers, zoals ik van Christus », waardoor wij worden aangezet om God en zijn heiligen na te volgen. Welnu, God zelf dienen wij, doodt de boosdoeners, naar het woord uit het Boek der Psalmen (135. 10): « Hem die Egypte en zijn eerstgeborenen sloeg ». Ook deed Moses door de Levieten drie en twintigduizend mensen ter dood brengen om de aanbidding van het kalf, zoals in het Boek van het Uittocht (32. 28) gezegd wordt. En Phineës doodde de Israëliet, die een Madianitische vrouw besliep, zoals staat in het Boek der Getallen (25. 6 vlg.). Ook bracht Samuel Agag, de koning van Amalec ter dood; en Elias de priesters van Baal; en Mathatias hem die voortrad om te offeren; en in het N. Testament doodde Petrus Ananias en Saphira. Dus schijnt het wel dat ook de geestelijken boosdoeners mogen doden.

Praeterea, potestas spiritualis est maior quam temporalis, et Deo coniunctior. Sed potestas temporalis licite malefactores occidit tanquam Dei minister, ut dicitur Rom. XIII. Ergo multo magis clerici, qui sunt Dei ministri spiritualem potestatem habentes, licite possunt malefactores occidere. (IIa-IIae q. 64 a. 4 arg. 2)

2 — Geestelijke macht is groter dan tijdelijke, en nader bij God. Welnu, de tijdelijke macht doodt de boosdoeners op wettige wijze als bedienaar van God, zoals in de Brief aan de Romeinen (13. 4) gezegd is. Dus veel meer nog is het aan de geestelijken, de bedienaars van God die geestelijke macht bezitten, geoorloofd de boosdoeners te doden.

Praeterea, quicumque licite suscipit aliquod officium, licite potest ea exercere quae ad officium illud pertinent. Sed officium principis terrae est malefactores occidere, ut dictum est. Ergo clerici qui sunt terrarum principes, licite possunt occidere malefactores. (IIa-IIae q. 64 a. 4 arg. 3)

3 — Al wie rechtmatig een ambt ontvangt kan op rechtmatige wijze uitvoeren wat tot dat ambt behoort. Welnu, het is de taak van de landvorst de boosdoeners te doden, zoals gezegd is (vorig Art.). Dus mogen de geestelijken, die landvorsten zijn, de boosdoeners ter dood brengen.

Sed contra est quod dicitur I ad Tim. III, oportet episcopum sine crimine esse, non vinolentum, non percussorem. (IIa-IIae q. 64 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord uit de Eerste Brief aan Timotheüs (3. 2, 3): « De bisschop moet onberispelijk zijn... geen drinker, geen vechter ».

Respondeo dicendum quod non licet clericis occidere, duplici ratione. Primo quidem, quia sunt electi ad altaris ministerium, in quo repraesentatur passio Christi occisi, qui cum percuteretur, non repercutiebat, ut dicitur I Pet. II. Et ideo non competit ut clerici sint percussores aut occisores, debent enim ministri suum dominum imitari, secundum illud Eccli. X, secundum iudicem populi, sic et ministri eius. Alia ratio est quia clericis committitur ministerium novae legis, in qua non determinatur poena occisionis vel mutilationis corporalis. Et ideo, ut sint idonei ministri novi testamenti, debent a talibus abstinere. (IIa-IIae q. 64 a. 4 co.)

Het is aan geestelijken niet toegestaan iemand ter dood te brengen, en wel om twee redenen. Ten eerste, omdat zij uitverkoren zijn voor de bediening van het altaar, waardoor verbeeld wordt het lijden van de gedode Christus die, « wijl hij geslagen werd, niet terugsloeg », zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (2. 23). En daarom past het niet, dat geestelijken slaan of doden: de dienaars immers moeten hun meester navolgen, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (10. 2): « Gelijk de vorst van het volk is, zóó ook zijn dienaars ». Ten tweede, omdat aan de geestelijken de bediening van de Nieuwe Wet wordt toevertrouwd, waarin niets is bepaald over doodstraf of lijfsverminking. En opdat zij dus « geschikte bedienaars zouden zijn van het nieuw verbond » (2 Cor. 3. 6), moeten de geestelijken zich van zulke dingen onthouden.

Ad primum ergo dicendum quod Deus universaliter in omnibus operatur quae recta sunt, in unoquoque tamen secundum eius congruentiam. Et ideo unusquisque debet Deum imitari in hoc quod sibi specialiter congruit. Unde licet Deus corporaliter etiam malefactores occidat, non tamen oportet quod omnes in hoc eum imitentur. Petrus autem non propria auctoritate vel manu Ananiam et Saphiram interfecit, sed magis divinam sententiam de eorum morte promulgavit. Sacerdotes autem vel Levitae veteris testamenti erant ministri veteris legis, secundum quam poenae corporales infligebantur, et ideo etiam eis occidere propria manu congruebat. (IIa-IIae q. 64 a. 4 ad 1)

1 — In 't algemeen werkt God in allen datgene uit wat goed is, hoewel in iedere afzonderlijke overeenkomstig de gepastheid. En daarom moet eenieder God navolgen, in datgene wat hem in 't bijzonder past. Hoewel God dus de boosdoeners ook lichamelijk om het leven brengt, toch moeten allen God niet daarin navolgen. Petrus immers doodde niet op eigen gezag of door eigen hand Ananias en Saphira: hij vaardigde veeleer het goddelijk raadsbesluit over hun dood uit. De priesters en Levieten in het Oude Verbond waren bedienaars van de Oude Wet, volgens welke lichamelijke straffen werden opgelegd: en daarom was het passend, dat zij ook door eigen hand zouden doden.

Ad secundum dicendum quod ministerium clericorum est in melioribus ordinatum quam sint corporales occisiones, scilicet in his quae pertinent ad salutem spiritualem. Et ideo non congruit eis quod minoribus se ingerant. (IIa-IIae q. 64 a. 4 ad 2)

2 — De bediening van de geestelijken is geordend tot iets hogers dan lichamelijke doodslag, nl. tot datgene wat behoort bij het geestelijk heil. En daarom past het niet, dat zij zich in lagere aangelegenheden inmengen.

Ad tertium dicendum quod praelati Ecclesiarum accipiunt officia principum terrae non ut ipsi iudicium sanguinis exerceant per seipsos, sed quod eorum auctoritate per alios exerceatur. (IIa-IIae q. 64 a. 4 ad 3)

3 — De kerkelijke prelaten ontvangen het ambt van landvorst, niet opdat zij zelf door zichzelf het bloedoordeel zouden uitspreken, maar opdat het op hun gezag door anderen zou worden uitgevaardigd.

Articulus 5.
Is het aan iemand geoorloofd zelfmoord te plegen?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod alicui liceat seipsum occidere. Homicidium enim est peccatum inquantum iustitiae contrariatur. Sed nullus potest sibi ipsi iniustitiam facere, ut probatur in V Ethic. Ergo nullus peccat occidendo seipsum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geoorloofd is zelfmoord te plegen. — 1. Immers, doodslag is zondig voor zover hij in strijd is met de rechtvaardigheid. Welnu, niemand kan een onrechtvaardigheid begaan tegenover zichzelf, zoals bewezen wordt in de Ethica. Derhalve zondigt niemand door zelfmoord.

Praeterea, occidere malefactores licet habenti publicam potestatem. Sed quandoque ille qui habet publicam potestatem est malefactor. Ergo licet ei occidere seipsum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 arg. 2)

2 — Boosdoeners doden komt toe aan hem, die openbare macht heeft. Welnu, soms is de drager van openbare macht zelf een boosdoener. Derhalve is het hem toegelaten zelfmoord te plegen.

Praeterea, licitum est quod aliquis spontanee minus periculum subeat ut maius periculum vitet, sicut licitum est quod aliquis etiam sibi ipsi amputet membrum putridum ut totum corpus salvetur. Sed quandoque aliquis per occisionem sui ipsius vitat maius malum, vel miseram vitam vel turpitudinem alicuius peccati. Ergo licet alicui occidere seipsum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 arg. 3)

3 — Het is geoorloofd zich zelf bloot te stellen aan een minder gevaar om aan een groter te ontsnappen, evenals het iemand geoorloofd is zichzelf een verdorven lidmaat af te zetten, om zijn hele lichaam te redden. Welnu, soms vermijdt iemand door zelfmoord een groter kwaad, hetzij een ellendig leven, hetzij de boosheid van de zonde. Derhalve is het geoorloofd, dat iemand zichzelf om het leven brengt.

Praeterea, Samson seipsum interfecit, ut habetur Iudic. XVI, qui tamen connumeratur inter sanctos, ut patet Heb. XI. Ergo licitum est alicui occidere seipsum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 arg. 4)

4 — Samson bracht zichzelf om het leven, zoals in het Boek der Rechters (16. 30) geschreven staat. En toch wordt hij onder de heiligen geteld, zoals blijkt uit de Brief aan de Hebreën (11. 32). Zichzelf om het leven brengen is derhalve geoorloofd.

Praeterea, II Machab. XIV dicitur quod Razias quidam seipsum interfecit, eligens nobiliter mori potius quam subditus fieri peccatoribus et contra natales suos iniuriis agi. Sed nihil quod nobiliter fit et fortiter, est illicitum. Ergo occidere seipsum non est illicitum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 arg. 5)

5 — In het tweede Boek der Machabeën (14. 41) wordt gezegd dat Razias zichzelf het leven benam, « daar hij verkoos edelmoedig te sterven, liever dan in de macht der zondaars te vallen en versmadingen te onderstaan, onwaardig voor zijn edele geboorte ». Welnu, het is nooit ongeoorloofd een edele en moedige daad te stellen. Derhalve is het niet ongeoorloofd zichzelf te doden.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, restat ut de homine intelligamus quod dictum est, non occides. Nec alterum ergo, nec te. Neque enim aliud quam hominem occidit qui seipsum occidit. (IIa-IIae q. 64 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Blijft dus dat wij het gezegde: Gij zult niet doden, van de mens verstaan. Dus noch een ander, noch uzelf. Hij immers, die zichzelf om het leven brengt, doodt niets anders dan een mens ».

Respondeo dicendum quod seipsum occidere est omnino illicitum triplici ratione. Primo quidem, quia naturaliter quaelibet res seipsam amat, et ad hoc pertinet quod quaelibet res naturaliter conservat se in esse et corrumpentibus resistit quantum potest. Et ideo quod aliquis seipsum occidat est contra inclinationem naturalem, et contra caritatem, qua quilibet debet seipsum diligere. Et ideo occisio sui ipsius semper est peccatum mortale, utpote contra naturalem legem et contra caritatem existens. Secundo, quia quaelibet pars id quod est, est totius. Quilibet autem homo est pars communitatis, et ita id quod est, est communitatis. Unde in hoc quod seipsum interficit, iniuriam communitati facit, ut patet per philosophum, in V Ethic. Tertio, quia vita est quoddam donum divinitus homini attributum, et eius potestati subiectum qui occidit et vivere facit. Et ideo qui seipsum vita privat in Deum peccat, sicut qui alienum servum interficit peccat in dominum cuius est servus; et sicut peccat ille qui usurpat sibi iudicium de re sibi non commissa. Ad solum enim Deum pertinet iudicium mortis et vitae, secundum illud Deut. XXXII, ego occidam, et vivere faciam. (IIa-IIae q. 64 a. 5 co.)

Zelfmoord plegen is totaal ongeoorloofd om een driedubbele reden. Ten eerste, omdat ieder ding van nature uit zichzelf liefheeft: en daaraan is het toe te schrijven, dat iedere ding van nature uit zijn bestaan in stand houdt, en aan vernietigende oorzaken weerstaat zoveel het kan. Daarom is het tegen de natuurdrang, dat iemand zichzelf het leven beneemt, en tegen de liefde, waarmee iedere zichzelf moet beminnen. En daarom is zelfmoord altijd doodzonde, als ingaande tegen de natuurwet en tegen de liefde. Ten tweede, omdat ieder deel, voor zover het deel is, van het geheel is. Iedere mens nu is deel van de gemeenschap: en zo is datgene wat hij is, van de gemeenschap. Daarom doet hij onrecht aan de gemeenschap door zelfmoord te plegen, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Ten derde, omdat het leven een gave is, door God aan de mens verleend, en ondergeschikt aan de macht van hem die doodt en doet leven. En bijgevolg zondigt hij, die zich het leven beneemt tegen God, evenals hij, die de dienaar van een ander doodt zondigt tegen de meester aan wie de dienaar toebehoort; en evenals hij, die zich een oordeel aanmatigt over een zaak, die hem niet opgedragen is. Immers, alleen aan God komt het oordeel over leven en dood toe, naar het woord van het Boek Deuteronomium (32. 39): « Ik ben het, die doodt en doet leven ».

Ad primum ergo dicendum quod homicidium est peccatum non solum quia contrariatur iustitiae, sed etiam quia contrariatur caritati quam habere debet aliquis ad seipsum. Et ex hac parte occisio sui ipsius est peccatum per comparationem ad seipsum. Per comparationem autem ad communitatem et ad Deum, habet rationem peccati etiam per oppositionem ad iustitiam. (IIa-IIae q. 64 a. 5 ad 1)

1 — Niet alleen omdat hij in strijd is met de rechtvaardigheid is doodslag zonde, maar tevens omdat hij in strijd is met de liefde, die iedereen voor zichzelf moet hebben. En uit dit oogpunt is zelfmoord zonde met betrekking tot zichzelf. Met betrekking echter tot de gemeenschap en tot God is zelfmoord ook zonde, als in strijd met de rechtvaardigheid.

Ad secundum dicendum quod ille qui habet publicam potestatem potest licite malefactorem occidere per hoc quod potest de ipso iudicare. Nullus autem est iudex sui ipsius. Unde non licet habenti publicam potestatem seipsum occidere propter quodcumque peccatum. Licet tamen ei se committere iudicio aliorum. (IIa-IIae q. 64 a. 5 ad 2)

2 — Aan hem, die openbare macht heeft, is het geoorloofd een boosdoener te doden, omdat hij over hem mag oordelen. Niemand echter is rechter over zichzelf. Daarom is het aan de drager van openbare macht niet geoorloofd zichzelf te doden voor welke zonde ook. Hoewel het hem toegelaten is, zich over te leveren aan het oordeel van anderen.

Ad tertium dicendum quod homo constituitur dominus sui ipsius per liberum arbitrium. Et ideo licite potest homo de seipso disponere quantum ad ea quae pertinent ad hanc vitam, quae hominis libero arbitrio regitur. Sed transitus de hac vita ad aliam feliciorem non subiacet libero arbitrio hominis, sed potestati divinae. Et ideo non licet homini seipsum interficere ut ad feliciorem transeat vitam. Similiter etiam nec ut miserias quaslibet praesentis vitae evadat. Quia ultimum malorum huius vitae et maxime terribile est mors, ut patet per philosophum, in III Ethic. Et ita inferre sibi mortem ad alias huius vitae miserias evadendas est maius malum assumere ad minoris mali vitationem. Similiter etiam non licet seipsum occidere propter aliquod peccatum commissum. Tum quia in hoc sibi maxime nocet quod sibi adimit necessarium poenitentiae tempus. Tum etiam quia malefactorem occidere non licet nisi per iudicium publicae potestatis. Similiter etiam non licet mulieri seipsam occidere ne ab alio corrumpatur. Quia non debet in se committere crimen maximum, quod est sui ipsius occisio, ut vitet minus crimen alienum (non enim est crimen mulieris per violentiam violatae, si consensus non adsit, quia non inquinatur corpus nisi de consensu mentis, ut Lucia dixit). Constat autem minus esse peccatum fornicationem vel adulterium quam homicidium, et praecipue sui ipsius, quod est gravissimum, quia sibi ipsi nocet, cui maximam dilectionem debet. Est etiam periculosissimum, quia non restat tempus ut per poenitentiam expietur. Similiter etiam nulli licet seipsum occidere ob timorem ne consentiat in peccatum. Quia non sunt facienda mala ut veniant bona, vel ut vitentur mala, praesertim minora et minus certa. Incertum enim est an aliquis in futurum consentiat in peccatum, potens est enim Deus hominem, quacumque tentatione superveniente, liberare a peccato. (IIa-IIae q. 64 a. 5 ad 3)

3 — Door zijn vrije wil is de mens heer over zichzelf. En bijgevolg mag de mens vrij over zichzelf beschikken in de dingen, die betrekking hebben op dit leven, dat door de vrije wil van de mens wordt beheerd. Maar de overgang van dit leven naar een ander gelukkiger bestaan, valt niet onder de vrije wilsbeschikking van de mens, maar onder de goddelijke macht. En daarom is het de mens niet geoorloofd, zichzelf het leven te benemen om tot een gelukkiger leven over te gaan. Evenmin om aan welke ellende ook van dit leven te ontsnappen. Want het laatste en « meest schrikwekkende » kwaad in dit leven is de dood, zoals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt. En zo is het toebrengen van de dood aan zichzelf, om de andere ellenden van dit leven te ontlopen, een groter kwaad aanvaarden om een minder kwaad te ontvluchten. Evenmin is het geoorloofd zichzelf te doden om een bedreven zonde. Ten eerste, omdat zo iemand zichzelf ten zeerste schaadt, door zichzelf de nodige tijd tot boetedoening te ontnemen. Ten tweede, omdat het doden van een boosdoener alleen geoorloofd is door het oordeel van de openbare macht. Evenmin is het toegelaten aan een vrouw zichzelf het leven te benemen, om niet door een ander te worden geschonden. Want men moet aan zichzelf niet de grootste misdaad, nl. zelfmoord, voltrekken om de kleinere misdaad van een ander te vermijden. Immers, een vrouw die door geweld geschonden wordt, begaat geen misdaad wanneer er van haar kant geen toestemming is; want « het lichaam wordt niet verontreinigd tenzij door de toestemming van de geest », zoals de H. Lucia heeft gezegd. Nu blijkt het dat ontucht of overspel een minder zware zonde is dan doodslag, en vooral minder zwaar dan zelfmoord, die een zeer zware zonde is, omdat men daardoor schade doet aan zichzelf, aan wie men de grootste liefde verschuldigd is. Het is ook allergevaarlijkst: want er blijft geen tijd over om door boete die zonde uit te wisselen. Evenmin mag iemand zelfmoord plegen uit vrees van in de zonde toe te stemmen. Want « men moet het kwade niet doen opdat het goede eruit volge » (Rom. 3. 8), of om het kwade te vermijden, vooral het kleinere en minder zekere kwaad. Het is immers onzeker of iemand in de toekomst in het kwade zal toestemmen: God immers is bij machte om de mens van de zonde te bevrijden, welke bekoring er ook zou mogen opkomen.

Ad quartum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in I de Civ. Dei, nec Samson aliter excusatur quod seipsum cum hostibus ruina domus oppressit, nisi quia latenter spiritus hoc iusserat, qui per illum miracula faciebat. Et eandem rationem assignat de quibusdam sanctis feminis quae tempore persecutionis seipsas occiderunt, quarum memoria in Ecclesia celebratur. (IIa-IIae q. 64 a. 5 ad 4)

4 — Zoals Augustinus zegt « kan ook Samson, voor het feit dat hij zichzelf met zijn vijanden onder de puinen van het huis bedolven heeft, niet verontschuldigd worden, tenzij omdat de H. Geest, die door hem wonderen uitwerkte, hem dit in ’t geheim bevolen had ». Dezelfde reden geeft hij op voor sommige heilige vrouwen, die gedurende de tijd der vervolgingen, zich het leven benamen, en wier nagedachtenis in de Kerk wordt gevierd.

Ad quintum dicendum quod ad fortitudinem pertinet quod aliquis ab alio mortem pati non refugiat propter bonum virtutis, et ut vitet peccatum. Sed quod aliquis sibi ipsi inferat mortem ut vitet mala poenalia, habet quidem quandam speciem fortitudinis, propter quod quidam seipsos interfecerunt aestimantes se fortiter agere, de quorum numero Razias fuit, non tamen est vera fortitudo, sed magis quaedam mollities animi non valentis mala poenalia sustinere, ut patet per philosophum, in III Ethic., et per Augustinum, in I de Civ. Dei. (IIa-IIae q. 64 a. 5 ad 5)

5 — Het behoort tot de sterkte wanneer iemand er niet voor terugdeinst door andermans hand de dood te ondergaan om het goed van de deugd, en om het kwaad te vluchten. Maar dat iemand zichzelf het leven beneemt om een straf te ontgaan, heeft weliswaar een zekere schijn van sterkte, en daarom benamen sommigen zichzelf het leven in de mening, dat zij sterkmoedig handelden, en onder hen was ook Razias: toch is dit geen ware sterkte, maar veel meer een zekere weekheid in een gemoed dat geen straf kan dragen, zoals blijkt bij de Wijsgeer en bij Augustinus.

Articulus 6.
Is het in sommige gevallen toegelaten een onschuldige te doden?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod liceat in aliquo casu interficere innocentem. Divinus enim timor non manifestatur per peccatum, quin magis timor domini expellit peccatum, ut dicitur Eccli. I. Sed Abraham commendatus est quod timuerit dominum, quia voluit interficere filium innocentem. Ergo potest aliquis innocentem interficere sine peccato. (IIa-IIae q. 64 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert dat het in sommige gevallen toegelaten is een onschuldige te doden. — 1. Zonde is geen teken van vrees Gods: want: « de vrees Gods drijft de zonde uit », zoals in het Boek Ecclesiasticus (I. 20) wordt gezegd. Welnu, Abraham wordt geloofd, omdat hij God vreesde, daar hij zijn onschuldige zoon om het leven wilde brengen. Dus mag men zonder zonde te bedrijven een onschuldige doden.

Praeterea, in genere peccatorum quae contra proximum committuntur, tanto videtur aliquid esse maius peccatum quanto maius nocumentum infertur ei in quem peccatur. Sed occisio plus nocet peccatori quam innocenti, qui de miseria huius vitae ad caelestem gloriam transit per mortem. Cum ergo liceat in aliquo casu peccatorem occidere, multo magis licet occidere innocentem vel iustum. (IIa-IIae q. 64 a. 6 arg. 2)

2 — Bij de zonden, die tegen de naaste worden bedreven, is de zonde zoveel te zwaarder als de schade voor hem tegen wie men zondigt groter is. Welnu, doodslag is schadelijker voor de zondaar dan voor de onschuldige, die door de dood uit de ellende van dit leven overgaat naar de hemelse glorie. Daar het nu in sommige gevallen geoorloofd is een zondaar ter dood te brengen, is het bijgevolg nog veel meer geoorloofd een onschuldige of rechtvaardige te doden.

Praeterea, illud quod fit secundum ordinem iustitiae non est peccatum. Sed quandoque cogitur aliquis secundum ordinem iustitiae occidere innocentem, puta cum iudex, qui debet secundum allegata iudicare, condemnat ad mortem eum quem scit innocentem, per falsos testes convictum; et similiter minister qui iniuste condemnatum occidit obediens iudici. Ergo absque peccato potest aliquis occidere innocentem. (IIa-IIae q. 64 a. 6 arg. 3)

3 — Wat geschiedt overeenkomstig de orde van de rechtvaardigheid, is geen zonde. Welnu, soms wordt iemand gedwongen overeenkomstig de rechtvaardigheid een onschuldige te doden: b.v. wanneer een rechter, die volgens het aangebrachte getuigenis moet oordelen, iemand, die hij onschuldig weet, ter dood veroordeelt, gedwongen door valse getuigen; zo ook een beul, die een onrechtvaardig veroordeelde ter dood brengt, uit gehoorzaamheid aan de rechter. Dus kan iemand een onschuldige doden zonder te zondigen.

Sed contra est quod dicitur Exod. XXIII, innocentem et iustum non occides. (IIa-IIae q. 64 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Uittocht (23.7) gezegd wordt: « De onschuldige en rechtvaardige zult gij niet doden ».

Respondeo dicendum quod aliquis homo dupliciter considerari potest, uno modo, secundum se; alio modo, per comparationem ad aliud. Secundum se quidem considerando hominem, nullum occidere licet, quia in quolibet, etiam peccatore, debemus amare naturam, quam Deus fecit, quae per occisionem corrumpitur. Sed sicut supra dictum est, occisio peccatoris fit licita per comparationem ad bonum commune, quod per peccatum corrumpitur. Vita autem iustorum est conservativa et promotiva boni communis, quia ipsi sunt principalior pars multitudinis. Et ideo nullo modo licet occidere innocentem. (IIa-IIae q. 64 a. 6 co.)

Men kan een mens beschouwen op tweevoudige wijze: ten eerste, in zichzelf; ten tweede, in verhouding tot iets anders. Als men de mens op zichzelf beschouwt, mag men niemand doden: want in iedereen, ook in de zondaar, moeten wij de natuur liefhebben, die God maakte, en die door doodslag vernietigd wordt. Maar zoals boven gezegd werd (2° Art.), is het ter dood brengen van een zondaar geoorloofd, met betrekking tot het algemeen welzijn, dat door de zonde wordt vernietigd. Het leven nu van de rechtvaardigen bewaart en bevordert het algemeen welzijn: want zij zijn het voortreffelijkste deel van de menigte. En bijgevolg is het geenszins geoorloofd een onschuldige te doden.

Ad primum ergo dicendum quod Deus habet dominium mortis et vitae, eius enim ordinatione moriuntur et peccatores et iusti. Et ideo ille qui mandato Dei occidit innocentem, talis non peccat, sicut nec Deus, cuius est executor, et ostenditur Deum timere, eius mandatis obediens. (IIa-IIae q. 64 a. 6 ad 1)

1 — God is heer over dood en leven: door zijn verordening sterven zondaars en rechtvaardigen immers. En bijgevolg zondigt hij niet, die op bevel van God een onschuldige doodt, evenmin als God wiens uitvoerder hij is: en hij geeft blijk God te vrezen door te gehoorzamen aan zijn geboden.

Ad secundum dicendum quod in pensanda gravitate peccati magis est considerandum illud quod est per se quam illud quod est per accidens. Unde ille qui occidit iustum gravius peccat quam ille qui occidit peccatorem. Primo quidem, quia nocet ei quem plus debet diligere, et ita magis contra caritatem agit. Secundo, quia iniuriam infert ei qui est minus dignus, et ita magis contra iustitiam agit. Tertio, quia privat communitatem maiori bono. Quarto, quia magis Deum contemnit, secundum illud Luc. X, qui vos spernit, me spernit. Quod autem iustus occisus ad gloriam perducatur a Deo, per accidens se habet ad occisionem. (IIa-IIae q. 64 a. 6 ad 2)

2 — Bij het afmeten van de zwaarte der zonde moet men veel meer het essentiële in acht nemen dan wel het toevallige. Daarom zondigt hij, die een rechtvaardige ter dood brengt zwaarder, dan hij die een zondaar het leven beneemt. Ten eerste, omdat hij schade doet aan hem, die hij meer moest liefhebben: en zo handelt hij meer tegen de liefde. Ten tweede, omdat hij onrecht doet aan hem, die het minder verdient, en zo handelt hij meer tegen de rechtvaardigheid. Ten derde, omdat hij de gemeenschap berooft van een groter goed. Ten vierde, omdat hij meer God versmaadt, naar het woord bij Lucas (10. 16): « Wie u ver- smaadt, versmaadt mij ». Dat echter de vermoorde rechtvaardige door God in de glorie wordt binnengeleid, is met betrekking tot de doodslag toevallig.

Ad tertium dicendum quod iudex, si scit aliquem esse innocentem qui falsis testibus convincitur, debet diligentius examinare testes, ut inveniat occasionem liberandi innoxium, sicut Daniel fecit. Si autem hoc non potest, debet eum ad superiorem remittere iudicandum. Si autem nec hoc potest, non peccat secundum allegata sententiam ferens, quia non ipse occidit innocentem, sed illi qui eum asserunt nocentem. Minister autem iudicis condemnantis innocentem, si sententia intolerabilem errorem contineat, non debet obedire, alias excusarentur carnifices qui martyres occiderunt. Si vero non contineat manifestam iniustitiam, non peccat praeceptum exequendo, quia ipse non habet discutere superioris sententiam; nec ipse occidit innocentem, sed iudex, cui ministerium adhibet. (IIa-IIae q. 64 a. 6 ad 3)

3 — Wanneer een rechter iemand onschuldig weet, hoewel hij door valse getuigen wordt beschuldigd, moet hij met meer nauwkeurigheid de getuigen ondervragen om een gelegenheid te vinden de onschuldige vrij te spreken, zoals Daniel deed (13. 51 vlg.). Indien hij dit niet kan, dan moet hij hem aan een hogere rechter ter beoordeling overleveren. Wanneer hij ook dit niet vermag, dan zondigt hij niet, door uitspraak te doen overeenkomstig de aangevoerde verklaringen. Want niet hij doodt de onschuldige, maar zij, die beweren, dat hij schuldig is. De bedienaar echter van een rechter, die een onschuldige veroordeelt, moet niet gehoorzamen, wanneer de uitspraak een onduidelijke dwaling inhoudt: anders zouden de beulen, die martelaren ter dood brachten, van schuld vrij te pleiten zijn. Wanneer echter de uitspraak geen klaarblijkelijke onrechtvaardigheid inhoudt, dan zondigt hij niet, wanneer hij het bevel uitvoert: want het komt hem niet toe de uitspraak van zijn overste te betwisten; ook hij doodt de onschuldige niet, maar de rechter die hij dient.

Articulus 7.
Is het geoorloofd een ander uit zelfverdediging te doden?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod nulli liceat occidere aliquem se defendendo. Dicit enim Augustinus, ad Publicolam, de occidendis hominibus ne ab eis quisquam occidatur, non mihi placet consilium, nisi forte sit miles, aut publica functione teneatur, ut non pro se hoc faciat sed pro aliis, accepta legitima potestate, si eius congruat personae. Sed ille qui se defendendo occidit aliquem, ad hoc eum occidit ne ipse ab eo occidatur. Ergo hoc videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 64 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aan niemand geoorloofd is een ander te doden uit zelfverdediging. — 1. Immers, Augustinus zegt: « Het bevalt mij niet, dat men aan iemand de raad geeft andere mensen te doden, om door hen niet om het leven te worden gebracht, tenzij men soldaat is of een openbaar ambt bekleedt, zodat men het niet doet voor zichzelf maar in het belang van anderen, en omdat men daartoe wettige macht ontving, die past bij zijn persoon ». Welnu, hij die uit zelfverdediging iemand doodt, beneemt hem het leven om zelf niet door hem te worden vermoord. Derhalve lijkt dit ongeoorloofd te zijn.

Praeterea, in I de Lib. Arb. dicitur, quomodo apud divinam providentiam a peccato liberi sunt qui pro his rebus quas contemni oportet, humana caede polluti sunt? Eas autem res dicit esse contemnendas quas homines inviti amittere possunt, ut ex praemissis patet. Horum autem est vita corporalis. Ergo pro conservanda vita corporali nulli licitum est hominem occidere. (IIa-IIae q. 64 a. 7 arg. 2)

2 — Augustinus zegt: « Hoe zouden zij in de ogen van de Goddelijke Voorzienigheid vrij zijn van zonde, die zich met menselijk bloed bevlekken om die dingen, die men moet versmaden »? Die dingen nu, die men moet versmaden, noemt hij « al datgene wat de mens tegen zijn wil in verliezen kan », zoals uit vroegere gezegden blijkt. Onder die dingen nu is het voornaamste het lichamelijk leven. Derhalve is het niet geoorloofd een mens te doden om het lichamelijk leven te behouden.

Praeterea, Nicolaus Papa dicit, et habetur in decretis, dist. l, de clericis pro quibus consuluisti, scilicet qui se defendendo Paganum occiderunt, si postea per poenitentiam possent ad pristinum statum redire aut ad altiorem ascendere, scito nos nullam occasionem dare, nec ullam tribuere licentiam eis quemlibet hominem quolibet modo occidendi. Sed ad praecepta moralia servanda tenentur communiter clerici et laici. Ergo etiam laicis non est licitum occidere aliquem se defendendo. (IIa-IIae q. 64 a. 7 arg. 3)

3 — Zoals wij in de Decretalen lezen, zegt Paus Nicolaas de Eerste: « Gij hebt mij gevraagd of de geestelijken, die uit zelfverdediging een heiden hebben gedood, na boete te hebben gedaan tot hun vroegere staat mogen terugkeren of tot een hogere opklimmen. Weet daarom, dat wij hen geen enkele gelegenheid geven noch verlof verlenen om welke mens ook op gelijk welke wijze te doden ». Welnu, leken zowel als geestelijken zijn gehouden de zedelijke voorschriften te onderhouden. Derhalve is het ook aan leken niet toegelaten, iemand uit zelfverdediging te doden.

Praeterea, homicidium est gravius peccatum quam simplex fornicatio vel adulterium. Sed nulli licet committere simplicem fornicationem vel adulterium, vel quodcumque aliud peccatum mortale, pro conservatione propriae vitae, quia vita spiritualis praeferenda est corporali. Ergo nulli licet, defendendo seipsum, alium occidere ut propriam vitam conservet. (IIa-IIae q. 64 a. 7 arg. 4)

4 — Doodslag is een zwaardere zonde dan ontucht of overspel. Welnu, het is aan niemand toegelaten gewone ontucht, of overspel, of gelijk welke doodszonde te bedrijven, tot behoud van zijn eigen leven: want het geestelijk leven moet boven het leven van het lichaam worden verkozen. Derhalve is het aan niemand toegelaten een ander uit zelfverdediging te doden, om zijn eigen leven te behouden.

Praeterea, si arbor est mala, et fructus, ut dicitur Matth. VII. Sed ipsa defensio sui videtur esse illicita, secundum illud Rom. XII, non vos defendentes, carissimi. Ergo et occisio hominis exinde procedens est illicita. (IIa-IIae q. 64 a. 7 arg. 5)

5 — Als de boom slecht is, dan ook de vruchten, zoals bij Mattheus (7. 17, 18) wordt gezegd. Welnu, zelfs zelfverdediging schijnt ongeoorloofd te zijn, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (12. 19): « Geliefden, verdedigt u niet ». Dus is ook het doden van een mens, wat daaruit volgt, ongeoorloofd.

Sed contra est quod Exod. XXII dicitur, si effringens fur domum sive suffodiens fuerit inventus, et, accepto vulnere, mortuus fuerit, percussor non erit reus sanguinis. Sed multo magis licitum est defendere propriam vitam quam propriam domum. Ergo etiam si aliquis occidat aliquem pro defensione vitae suae, non erit reus homicidii. (IIa-IIae q. 64 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Uittocht (22. 2) gezegd wordt: « Wordt een dief bij een inbraak betrapt en doodgeslagen, dan treft wie hem doodt, geen bloedschuld ». Welnu, het is veel meer geoorloofd zijn eigen leven te verdedigen, dan zijn eigen huis. Wanneer dus iemand een ander doodt om zijn leven te verdedigen, zal hij niet schuldig zijn aan doodslag.

Respondeo dicendum quod nihil prohibet unius actus esse duos effectus, quorum alter solum sit in intentione, alius vero sit praeter intentionem. Morales autem actus recipiunt speciem secundum id quod intenditur, non autem ab eo quod est praeter intentionem, cum sit per accidens, ut ex supradictis patet. Ex actu igitur alicuius seipsum defendentis duplex effectus sequi potest, unus quidem conservatio propriae vitae; alius autem occisio invadentis. Actus igitur huiusmodi ex hoc quod intenditur conservatio propriae vitae, non habet rationem illiciti, cum hoc sit cuilibet naturale quod se conservet in esse quantum potest. Potest tamen aliquis actus ex bona intentione proveniens illicitus reddi si non sit proportionatus fini. Et ideo si aliquis ad defendendum propriam vitam utatur maiori violentia quam oporteat, erit illicitum. Si vero moderate violentiam repellat, erit licita defensio, nam secundum iura, vim vi repellere licet cum moderamine inculpatae tutelae. Nec est necessarium ad salutem ut homo actum moderatae tutelae praetermittat ad evitandum occisionem alterius, quia plus tenetur homo vitae suae providere quam vitae alienae. Sed quia occidere hominem non licet nisi publica auctoritate propter bonum commune, ut ex supradictis patet; illicitum est quod homo intendat occidere hominem ut seipsum defendat, nisi ei qui habet publicam auctoritatem, qui, intendens hominem occidere ad sui defensionem, refert hoc ad publicum bonum, ut patet in milite pugnante contra hostes, et in ministro iudicis pugnante contra latrones. Quamvis et isti etiam peccent si privata libidine moveantur. (IIa-IIae q. 64 a. 7 co.)

Er is niets op tegen dat een handeling twee uitwerkselen zou hebben, waarvan alleen de ene bedoeld is, de andere echter buiten de bedoeling ligt. Zedelijke handelingen nu worden soortelijk bepaald overeenkomstig datgene wat bedoeld wordt, niet echter door datgene wat buiten de bedoeling ligt, want dat is toevallig, zoals blijkt uit het vroeger gezegde (43e Kw. 3e Art.; I. II. 72e Kw. 1e Art.). De daad dus van iemand, die zichzelf verdedigt, kan een dubbel uitwerksel hebben: ten eerste, het behoud van eigen leven; ten tweede, het doden van de aanvaller. Daar het nu voor eenieder natuurlijk is, zijn bestaan zo veel als mogelijk in stand te houden, daarom zijn zulke handelingen niet ongeoorloofd, omdat daarin het behoud van eigen leven bedoeld wordt. Toch kan een handeling, die uit een goede bedoeling voortspruit, ongeoorloofd worden, wanneer zij niet in evenredigheid is met het doel. En wanneer bijgevolg iemand ter verdediging van zijn eigen leven meer geweld gebruikt dan nodig is, dan is dat ongeoorloofd. Indien men echter op matige wijze het geweld te keer gaat, dan zal dat een wettige verdediging zijn: want volgens het Recht mag men «geweld met geweld keren, zoals een gematigde verdediging het vereist». Ook is het niet ter zaligheid nodig, dat de mens verzaakt aan de daad van een gematigde verdediging, om het doden van een ander te vermijden: want de mens is meer gehouden over zijn eigen leven te waken, dan over dat van een ander. Omdat echter het doden van een mens enkel aan de openbare macht toekomt voor het algemeen welzijn, zoals uit het boven gezegde (3e Art.) blijkt, daarom is het ongeoorloofd, de bedoeling te hebben een mens te doden om zichzelf te verdedigen, tenzij aan hem, die drager is van openbare macht en die zijn bedoeling een mens uit zelfverdediging te doden terugvoert op het algemeen welzijn: dit is duidelijk bij de soldaat, die vijanden bestrijdt, en bij de dienaar van de rechter, die tegen rovers vecht. Deze echter zouden ook zondigen, wanneer zij door persoonlijke hartstocht gedreven werden.

Ad primum ergo dicendum quod auctoritas Augustini intelligenda est in eo casu quo quis intendit occidere hominem ut seipsum a morte liberet. (IIa-IIae q. 64 a. 7 ad 1)

1 — Het gezagsargument uit Augustinus moet verstaan worden voor het geval dat iemand zou bedoelen een mens te doden, om zelf van de dood bevrijd te worden. In die zin moet ook het gezagsargument uit het boek « Over de vrije wil » (2e Bed.) worden begrepen. Daarom wordt ook met nadruk gezegd « om die dingen »: daarin wordt op de bedoeling gewezen. Hieruit blijkt het antwoord op de tweede bedenking.

In quo etiam casu intelligitur auctoritas inducta ex libro de libero arbitrio. Unde signanter dicitur, pro his rebus, in quo designatur intentio. Et per hoc patet responsio ad secundum. (IIa-IIae q. 64 a. 7 ad 2)

2 — Onbevoegdheid volgt op doodslag, ook dan wanneer hij niet zondig was; zoals blijkt bij de rechter, die rechtvaardig iemand ter dood veroordeelt. En daarom wordt een geestelijke onbevoegd, wanneer hij iemand uit zelfverdediging het leven beneemt, hoewel hij niet bedoelt te doden, maar zichzelf te verdedigen.

Ad tertium dicendum quod irregularitas consequitur actum homicidii etiam si sit absque peccato, ut patet in iudice qui iuste aliquem condemnat ad mortem. Et propter hoc clericus, etiam si se defendendo interficiat aliquem, irregularis est, quamvis non intendat occidere, sed seipsum defendere. (IIa-IIae q. 64 a. 7 ad 3)

3 — Een daad van ontucht of overspel is niet noodzakelijk gericht op het behoud van eigen leven, zoals de handeling waaruit soms doodslag volgt.

Ad quartum dicendum quod actus fornicationis vel adulterii non ordinatur ad conservationem propriae vitae ex necessitate, sicut actus ex quo quandoque sequitur homicidium. (IIa-IIae q. 64 a. 7 ad 4)

4 — Op die plaats wordt die verdediging verboden, welke gepaard gaat met een zucht naar weerwraak. Daarom zegt de Glossa: « Verdedigt u niet: d. i. Gij zult niet trachten aan uw tegenstanders de slagen, dat zij u gaven, terug te geven ».

Ad quintum dicendum quod ibi prohibetur defensio quae est cum livore vindictae. Unde Glossa dicit, non vos defendentes, idest, non sitis referientes adversarios. (IIa-IIae q. 64 a. 7 ad 5)

Articulus 8.
Is iemand die toevallig een mens doodt, schuldig aan doodslag?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod aliquis casualiter occidens hominem incurrat homicidii reatum. Legitur enim Gen. IV quod Lamech, credens interficere bestiam, interfecit hominem, et reputatum est ei ad homicidium. Ergo reatum homicidii incurrit qui casualiter hominem occidit. (IIa-IIae q. 64 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat iemand die toevallig een mens doodt, zich aan doodslag schuldig maakt. — 1. In het Boek der Schepping (4. 23, 24) lezen wij dat Lamech, die meende een dier te doden, een mens om het leven bracht, en dit werd hem als doodslag aangerekend. Hij dus die toevallig een mens doodt, is schuldig aan doodslag.

Praeterea, Exod. XXI dicitur quod si quis percusserit mulierem praegnantem et aborsum fecerit, si mors eius fuerit subsecuta, reddet animam pro anima. Sed hoc potest fieri absque intentione occisionis. Ergo homicidium casuale habet homicidii reatum. (IIa-IIae q. 64 a. 8 arg. 2)

2 — In het Boek van de Uittocht (21. 22, 23) wordt gezegd: « Wanneer iemand een zwangere vrouw zou slaan, waardoor zij een miskraam krijgt en daarop haar dood volgt, zal hij leven voor leven geven ». Welnu, zo iets kan gebeuren buiten alle bedoeling van doodslag om. Derhalve staat het toevallig doden gelijk met doodslag.

Praeterea, in decretis, dist. l, inducuntur plures canones in quibus casualia homicidia puniuntur. Sed poena non debetur nisi culpae. Ergo ille qui casualiter occidit hominem, incurrit homicidii culpam. (IIa-IIae q. 64 a. 8 arg. 3)

3 — In de Decretalen zijn meerdere canons ingelastelijk waarin toevallige doodslag wordt gestraft. Welnu, een straf moet niet worden ondergaan, tenzij voor schuld. Dus maakt hij die toevallig een mens het leven beneemt, zich schuldig aan doodslag.

Sed contra est quod Augustinus dicit, ad Publicolam, absit ut ea quae propter bonum ac licitum facimus, si quid per haec, praeter nostram voluntatem, cuiquam mali acciderit, nobis imputetur. Sed contingit quandoque ut propter bonum aliquid facientibus homicidium consequatur casualiter. Ergo non imputatur facienti ad culpam. (IIa-IIae q. 64 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: « Men wage het niet ons datgene aan te rekenen, wat wij doen om iets goeds en geoorloofds, indien buiten onze wil om, daardoor aan iemand leed geschiedt ». Welnu, het gebeurt soms dat uit een handeling, die met een goede bedoeling geschiedt, toevallig doodslag volgt. Derhalve wordt dat aan de dader niet als schuld aangerekend.

Respondeo dicendum quod, secundum philosophum, in II Physic., casus est causa agens praeter intentionem. Et ideo ea quae casualia sunt, simpliciter loquendo, non sunt intenta neque voluntaria. Et quia omne peccatum est voluntarium, secundum Augustinum, consequens est quod casualia, inquantum huiusmodi, non sunt peccata. Contingit tamen id quod non est actu et per se volitum vel intentum, esse per accidens volitum et intentum, secundum quod causa per accidens dicitur removens prohibens. Unde ille qui non removet ea ex quibus sequitur homicidium, si debeat removere, erit quodammodo homicidium voluntarium. Hoc autem contingit dupliciter, uno modo, quando dans operam rebus illicitis, quas vitare debebat, homicidium incurrit; alio modo, quando non adhibet debitam sollicitudinem. Et ideo secundum iura, si aliquis det operam rei licitae, debitam diligentiam adhibens, et ex hoc homicidium sequatur, non incurrit homicidii reatum, si vero det operam rei illicitae, vel etiam det operam rei licitae non adhibens diligentiam debitam, non evadit homicidii reatum si ex eius opere mors hominis consequatur. (IIa-IIae q. 64 a. 8 co.)

Volgens de Wijsgeer is het toeval een oorzaak, die werkt buiten alle bedoeling om. En daarom zijn de toevallige gebeurtenissen, zonder meer gesproken, niet bedoeld of willig. En daar nu alle zonde willig is, volgens Augustinus, daarom is het toevallige als zodanig geen zonde. Toch gebeurt het, dat iets wat niet metterdaad gewild of bedoeld is, toch op toevallige wijze gewild is en bedoeld, voor zover een toevallige oorzaak de beletselen wegneemt. Wanneer derhalve iemand die oorzaken niet verwijdert waaruit doodslag zou volgen, hoewel hij daartoe verplicht is, zou hij zich enigszins schuldig maken aan vrijwillige doodslag. Dit nu gebeurt op twee wijzen: ten eerste, wanneer iemand, door ongeoorloofde dingen te doen, die hij moest vermijden, doodslag bewerkt; ten tweede, wanneer iemand niet de nodige voorzorgen neemt. Wanneer derhalve iemand een geoorloofde handeling stelt, en daarbij de nodige zorgzaamheid aanwendt, dan maakt hij zich, volgens het Recht, niet plichtig aan doodslag, indien uit zijn handeling doodslag zou volgen. Wanneer echter iemand iets ongeoorloofds doet, of iets geoorloofds maar daarbij de nodige voorzorgen niet neemt, dan ontgaat hij de schuld van doodslag niet, wanneer uit zijn handeling de dood van een mens zou volgen.

Ad primum ergo dicendum quod Lamech non adhibuit sufficientem diligentiam ad homicidium vitandum, et ideo reatum homicidii non evasit. (IIa-IIae q. 64 a. 8 ad 1)

1 — Lamech legde niet de vereiste zorgzaamheid aan de dag om doodslag te vermijden, en daarom ontkwam hij niet aan doodschuld.

Ad secundum dicendum quod ille qui percutit mulierem praegnantem dat operam rei illicitae. Et ideo si sequatur mors vel mulieris vel puerperii animati, non effugiet homicidii crimen, praecipue cum ex tali percussione in promptu sit quod mors sequatur. (IIa-IIae q. 64 a. 8 ad 2)

2 — Hij die een zwangere vrouw slaat, stelt een ongeoorloofde handeling. En wanneer daaruit de dood van de vrouw of van het levende kind zou volgen, dan ontkomt hij niet aan de misdaad van doodslag, vooral niet wanneer het klaarblijkelijk is, dat uit zulke slagen de dood kan volgen.

Ad tertium dicendum quod secundum canones imponitur poena his qui casualiter occidunt dantes operam rei illicitae, vel non adhibentes diligentiam debitam. (IIa-IIae q. 64 a. 8 ad 3)

3 — Volgens de canons wordt straf opgelegd aan hen die door iets ongeoorloofds te doen, of door de nodige voorzorgen te verwaarlozen, toevallig dood zijn.