Secunda Secundae. Quaestio 81. Over de Godsdienstigheid .
Prooemium
Deinde considerandum est de singulis praedictarum virtutum, quantum ad praesentem
intentionem pertinet. Et primo considerandum est de religione; secundo, de pietate;
tertio, de observantia; quarto, de gratia; quinto, de vindicta; sexto, de veritate;
septimo, de amicitia; octavo, de liberalitate; nono, de epieikeia. De aliis autem
hic enumeratis supra dictum est, partim in tractatu de caritate, scilicet de concordia
et aliis huiusmodi; partim in hoc tractatu de iustitia, sicut de bona commutatione
et innocentia; de legispositiva autem in tractatu de prudentia. Circa religionem vero
tria consideranda occurrunt, primo quidem, de ipsa religione secundum se; secundo,
de actibus eius; tertio, de vitiis oppositis. Circa primum quaeruntur octo. Primo,
utrum religio consistat tantum in ordine ad Deum. Secundo, utrum religio sit virtus.
Tertio, utrum religio sit una virtus. Quarto, utrum religio sit specialis virtus.
Quinto, utrum religio sit virtus theologica. Sexto, utrum religio sit praeferenda
aliis virtutibus moralibus. Septimo, utrum religio habeat exteriores actus. Octavo,
utrum religio sit eadem sanctitati. (IIa-IIae q. 81 pr.)
Vervolgens moeten bovengenoemde deugden, voor zover zij hier onder onze opzet vallen,
afzonderlijk worden behandeld (80e Kw.). Daarom moet eerst de godsdienstigheid worden
behandeld, ten tweede de liefde tot ouders en vaderland, (101e Kw.) ; ten derde de
eerbiedigheid (102e Kw.) ; ten vierde de dankbaarheid (106e Kw.) ; ten vijfde de vergelding
(108e Kw.) ; ten zesde de waarheidsliefde (109e Kw.) ; ten zevende de vriendschap
(114e Kw.) ; ten achtste de vrijgevigheid (117e Kw.) ; ten negende het gevoel voor
billijkheid (120e Kw.). Maar over de andere hier genoemde (80e Kw.) is vroeger reeds
gesproken, deels in het traktaat over de liefde, nl. over de eensgezindheid en derg.
(29e Kw. en vv.) ; deels in dat over de rechtvaardigheid, zoals over de ruilende rechtvaardigheid
(61e Kw. en vv.) en de onschuld (79e Kw.) ; en over het geven van wetten in dat over
de voorzichtigheid (50e Kw.). Wat nu de godsdienstigheid betreft, moeten er drie dingen
worden besproken, en wel ten eerste de godsdienstigheid in haarzelf beschouwd, ten
tweede haar daden (82e Kw.), en ten derde de gebreken, die er tegenover staan (92e
Kw.) . Wat het eerste betreft, stellen wij ons acht vragen: 1. Bestaat de godsdienstigheid
alleen in een verhouding tot God? 2. Is de godsdienstigheid ’n deugd? 3. Is de godsdienstigheid
één enkele deugd? 4. Is de godsdienstigheid een afzonderlijke deugd? 5. Is de godsdienstigheid
een goddelijke deugd? 6. Moet men de godsdienstigheid boven de andere zedelijke deugden
stellen? 7. Heeft de godsdienstigheid uitwendige daden? 8. Is de godsdienstigheid
hetzelfde als de heiligheid?
Articulus 1. Geeft de godsdienstigheid aan de mens alleen een verhouding tot God?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod religio non ordinet hominem solum ad Deum.
Dicitur enim Iac. I, religio munda et immaculata apud Deum et patrem haec est, visitare
pupillos et viduas in tribulatione eorum, et immaculatum se custodire ab hoc saeculo.
Sed visitare pupillos et viduas dicitur secundum ordinem ad proximum, quod autem dicit
immaculatum se custodire ab hoc saeculo, pertinet ad ordinem quo ordinatur homo in
seipso. Ergo religio non solum dicitur in ordine ad Deum. (IIa-IIae q. 81 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid aan de mens niet alleen een verhouding tot God
geeft. Want in de Brief van Jacobus (1, 27) wordt gezegd: "Zuivere en vlekkeloze godsdienstigheid
in de ogen van God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun druk; en
zichzelf onbesmet te bewaren van de wereld. » Nu spreekt men van het bezoeken van
weduwen en wezen om een verhouding tot de naaste; maar als men ervan spreekt « zichzelf
onbesmet te bewaren in deze wereld, » dan valt dat onder de verhouding, waarin de
mens tot zichzelf staat. Dus wordt er niet alleen bij de verhouding tot God van godsdienstigheid
gesproken.
Praeterea, Augustinus dicit, in X de Civ. Dei, quia Latina loquendi consuetudine,
non imperitorum, verum etiam doctissimorum, cognationibus humanis atque affinitatibus
et quibuscumque necessitudinibus dicitur exhibenda religio; non eo vocabulo vitatur
ambiguum cum de cultu deitatis vertitur quaestio, ut fidenter dicere valeamus religionem
non esse nisi cultum Dei. Ergo religio dicitur non solum in ordine ad Deum, sed etiam
in ordine ad propinquos. (IIa-IIae q. 81 a. 1 arg. 2)
2 — Augustinus zegt: « Omdat men krachtens het Latijnse spraakgebruik, niet alleen van
onontwikkelde, maar ook van de meest bekwamen, zeggen kan dat men godsdienstig moet
zijn tegenover familie en aanverwanten en tegenover wat voor betrekkingen dan ook,
kan men, als het gaat over het vereren van de godheid, met dat woord dubbelzinnigheden
niet vermijden; zodat wij met vertrouwen zouden gunnen zeggen, dat godsdienstigheid
alleen maar in het eren van God bestaat. » Men spreekt dus van godsdienstigheid niet
alleen bij de verhouding tot God, maar ook bij de verhouding tot de naasten.
Praeterea, ad religionem videtur latria pertinere. Latria autem interpretatur servitus,
ut Augustinus dicit, in X de Civ. Dei. Servire autem debemus non solum Deo, sed etiam
proximis, secundum illud Gal. V, per caritatem spiritus servite invicem. Ergo religio
importat etiam ordinem ad proximum. (IIa-IIae q. 81 a. 1 arg. 3)
3 — Tot de godsdienstigheid schijnt de godsverering te behoren. Immers « godsverering
wordt vertaald door: dienstbaarheid", zoals Augustinus zegt. Wij moeten echter niet
alleen God, maar ook de naasten dienen volgens de Brief aan de Galaten (5. 13) : «
Door de liefde van de geest moet gij elkander dienen. » Dus brengt de godsdienstigheid
ook een verhouding tot de naaste mee.
Praeterea, ad religionem pertinet cultus. Sed homo dicitur non solum colere Deum,
sed etiam proximum, secundum illud Catonis, cole parentes. Ergo etiam religio nos
ordinat ad proximum, et non solum ad Deum. (IIa-IIae q. 81 a. 1 arg. 4)
4 — Tot de godsdienstigheid behoort de verering. Nu zegt men van de mens niet alleen,
dat hij God eert, maar ook de naaste naar het woord van Cato: « Eert de ouders. »
De godsdienstigheid geeft ons dus niet alleen een verhouding tot God, maar ook tot
de naaste.
Praeterea, omnes in statu salutis existentes Deo sunt subiecti. Non autem dicuntur
religiosi omnes qui sunt in statu salutis, sed solum illi qui quibusdam votis et observantiis
et ad obediendum aliquibus hominibus se adstringunt. Ergo religio non videtur importare
ordinem subiectionis hominis ad Deum. (IIa-IIae q. 81 a. 1 arg. 5)
5 — Allen, die in staat van genade zijn, zijn aan God onderworpen. Maar niet allen, die
in staat van genade zijn, noemt men religieuzen, doch alleen hen, die zich binden
door enige geloften en door sommige dingen te onderhouden, en om zich aan sommige
mensen te onderwerpen. Godsdienstigheid schijnt dus niet die verhouding van de mens
in te sluiten, dat hij aan God onderworpen is.
Sed contra est quod Tullius dicit, II Rhet., quod religio est quae superioris naturae,
quam divinam vocant, curam caeremoniamque affert. (IIa-IIae q. 81 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat Tullius zegt, dat "het de godsdienstigheid is, die zorgt
voor de plechtigheden (ter ere van) de verheven natuur, die men goddelijk noemt. »
Respondeo dicendum quod, sicut Isidorus dicit, in libro Etymol., religiosus, ut ait
Cicero, a religione appellatus, qui retractat et tanquam relegit ea quae ad cultum
divinum pertinent. Et sic religio videtur dicta a religendo ea quae sunt divini cultus,
quia huiusmodi sunt frequenter in corde revolvenda, secundum illud Prov. III, in omnibus
viis tuis cogita illum. Quamvis etiam possit intelligi religio ex hoc dicta quod Deum
reeligere debemus, quem amiseramus negligentes, sicut Augustinus dicit, X de Civ.
Dei. Vel potest intelligi religio a religando dicta, unde Augustinus dicit, in libro
de vera Relig., religet nos religio uni omnipotenti Deo. Sive autem religio dicatur
a frequenti lectione, sive ex iterata electione eius quod negligenter amissum est,
sive a religatione, religio proprie importat ordinem ad Deum. Ipse enim est cui principaliter
alligari debemus, tanquam indeficienti principio; ad quem etiam nostra electio assidue
dirigi debet, sicut in ultimum finem; quem etiam negligenter peccando amittimus, et
credendo et fidem protestando recuperare debemus. (IIa-IIae q. 81 a. 1 co.)
Zoals Isidorus het uitdrukt, "wordt iemand, naar wat Cicero zegt, godsdienstig genoemd
om de godsdienstigheid, die overdenkt en als het ware datgene herleest, wat tot de
verering van God behoort. » En zo schijnt de godsdienstigheid (religio) haar naam
te hebben gekregen van het herlezen (religere) van wat onder de verering van God valt,
omdat wij die dingen dikwijls in ons hart moeten overwegen volgens het Boek der Spreuken
(3, 6) : « Denk op al uw wegen aan Hem. » — Men zou de term echter ook hiervan afgeleid
kunnen beschouwen, dat « wij God opnieuw moeten kiezen (reëligere), Die wij door onachtzaamheid
hadden verloren, » zoals Augustinus zegt. — Ook kan men de term als afgeleid beschouwen
van opnieuw binden (religare), zodat Augustinus zegt: « De godsdienstigheid bindt
ons opnieuw aan de ene almachtige God. » Of godsdienstigheid echter afgeleid wordt
van dikwijls lezen, of van het opnieuw kiezen van wat door onachtzaamheid verloren
was, of van opnieuw binden, zij sluit in eigenlijke zin een verhouding tot God in.
Want Hij is het, aan Wie wij voornamelijk gebonden moeten worden als aan het nooit
te kort schietend beginsel, en op Wie wij ook onze keuze in volharding moeten richten,
als op het laatste doel, Die wij ook in onachtzaamheid door te zondigen verloren hebben
en moeten herwinnen door te geloven en het geloof te belijden.
Ad primum ergo dicendum quod religio habet duplices actus. Quosdam quidem proprios
et immediatos, quos elicit, per quos homo ordinatur ad solum Deum, sicut sacrificare,
adorare et alia huiusmodi. Alios autem actus habet quos producit mediantibus virtutibus
quibus imperat, ordinans eos in divinam reverentiam, quia scilicet virtus ad quam
pertinet finis, imperat virtutibus ad quas pertinent ea quae sunt ad finem. Et secundum
hoc actus religionis per modum imperii ponitur esse visitare pupillos et viduas in
tribulatione eorum, quod est actus elicitus a misericordia, immaculatum autem custodire
se ab hoc saeculo imperative quidem est religionis, elicitive autem temperantiae vel
alicuius huiusmodi virtutis. (IIa-IIae q. 81 a. 1 ad 1)
1 — De godsdienstigheid bezit een tweevoudig soort daden: en wel sommige eigene en onmiddellijke,
die zij zelf stelt en waardoor de mens alleen in een verhouding tot God komt te staan,
zoals offeren, aanbidden e. d. Maar zij heeft nog andere daden, die zij stelt door
middel van die deugden, waarover zij heerst door ze te richten op het vereren van
God, omdat nl. de deugd, die zich op het doel betrekt, de deugden, die zich op wat
tot het doel leidt betrekken, overheerst. En onder dit opzicht wordt bij wijze van
overheersing "het bezoeken van wezen en weduwen in hun druk", wat eigenlijk door het
medelijden wordt teweeggebracht, een daad van godsdienstigheid genoemd: terwijl «
zichzelf onbesmet van deze wereld te bewaren » wat de leiding betreft wel tot de godsdienstigheid
behoort, maar wat het onmiddellijk voortbrengen aangaat tot de matigheid of een andere
dergelijke deugd.
Ad secundum dicendum quod religio refertur ad ea quae exhibentur cognationibus humanis,
extenso nomine religionis, non autem secundum quod religio proprie dicitur. Unde Augustinus,
parum ante verba inducta, praemittit, religio distinctius non quemlibet, sed Dei cultum
significare videtur. (IIa-IIae q. 81 a. 1 ad 2)
2 — In wijdere zin genomen, maar niet in eigenlijke, strekt de godsdienstigheid zich uit
tot wat wij voor onze familie doen. Daarom laat Augustinus kort voor de aangehaalde
woorden voorafgaan: "Meer precies genomen schijnt godsdienstigheid niet ieder, maar
alleen goddelijk eerbetoon te betekenen ».
Ad tertium dicendum quod cum servus dicatur ad dominum, necesse est quod ubi est propria
et specialis ratio dominii, ibi sit specialis et propria ratio servitutis. Manifestum
est autem quod dominium convenit Deo secundum propriam et singularem quandam rationem,
quia scilicet ipse omnia fecit, et quia summum in omnibus rebus obtinet principatum.
Et ideo specialis ratio servitutis ei debetur. Et talis servitus nomine latriae designatur
apud Graecos. Et ideo ad religionem proprie pertinet. (IIa-IIae q. 81 a. 1 ad 3)
3 — Daar van dienaar wordt gesproken met betrekking tot een heer, moet waar de eigenlijke
en bijzondere aard van heerschappij gevonden wordt, daar ook de eigenlijke en bijzondere
aard van dienstbaarheid gevonden worden. Nu is het duidelijk, dat aan God de heerschappij
in haar eigenlijke en in een bijzondere betekenis toekomt, omdat Hij ’t nl. is, die
alles heeft gemaakt, en omdat Hij over alle dingen de hoogste macht bezit. Daarom
moet men Hem een bijzonder soort dienstbaarheid betonen. Deze dienstbaarheid wordt
bij de Grieken latria (godsverering) genoemd. En daarom valt zij in eigenlijke zin
onder de godsdienstigheid.
Ad quartum dicendum quod colere dicimus homines quos honorificatione, vel recordatione,
vel praesentia frequentamus. Et etiam aliqua quae nobis subiecta sunt coli a nobis
dicuntur, sicut agricolae dicuntur ex eo quod colunt agros, et incolae dicuntur ex
eo quod colunt loca quae inhabitant. Quia tamen specialis honor debetur Deo, tanquam
primo omnium principio, etiam specialis ratio cultus ei debetur, quae Graeco nomine
vocatur eusebia vel theosebia, ut patet per Augustinum, X de Civ. Dei. (IIa-IIae q. 81 a. 1 ad 4)
4 — Men zegt, dat wij mensen eren, als wij hen dikwijls eer bewijzen of herdenken of onze
opwachting bij hen maken. En men zegt ook wel, dat wij aan ons onderworpen dingen
colere, zoals men van colere spreekt bij landbouwers, die het land bebouwen en bij
bewoners van een land, die de plaats, waar zij vertoeven, bewonen. Omdat God echter
als eerste beginsel van alles recht heeft op eer van bijzondere aard, moeten Hem ook
eerbewijzen van bijzondere aard worden gebracht, die in het Grieks eusebia of theosebia
worden genoemd, zoals uit Augustinus blijkt.
Ad quintum dicendum quod quamvis religiosi dici possint communiter omnes qui Deum
colunt, specialiter tamen religiosi dicuntur qui totam vitam suam divino cultui dedicant,
a mundanis negotiis se abstrahentes. Sicut etiam contemplativi dicuntur non qui contemplantur,
sed qui contemplationi totam vitam suam deputant. Huiusmodi autem non se subiiciunt
homini propter hominem sed propter Deum, secundum illud apostoli, Gal. IV, sicut Angelum
Dei excepistis me, sicut Christum Iesum. (IIa-IIae q. 81 a. 1 ad 5)
5 — Al kan men in het algemeen iedereen, die God eert, religieus noemen, toch worden diegenen,
die hun gehele leven aan het eren van God wijden en zich onttrekken aan aardse zaken,
in het bijzonder religieuzen genoemd. Zo worden ook niet zij, die beschouwen, beschouwende
mensen genoemd, maar zij, die hun gehele leven daaraan wijden. Dezen echter onderwerpen
zich niet aan een mens om die mens zelf, maar om God volgens het woord van de Apostel
in de Brief aan de Galaten (4, 14) « Gij hebt mij ontvangen als een Engel Gods, als
Christus Jezus. »
Articulus 2. Is de godsdienstigheid een deugd?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod religio non sit virtus. Ad religionem enim
pertinere videtur Deo reverentiam exhibere. Sed revereri est actus timoris, qui est
donum, ut ex supradictis patet. Ergo religio non est virtus, sed donum. (IIa-IIae q. 81 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid geen deugd is. Want het behoort tot de godsdienstigheid
God eerbewijzen te brengen. Nu is eer bewijzen een daad van vrees, en die is een gave,
zoals uit het vroeger gezegde blijkt (19e Kw. 9e Art.). De godsdienstigheid is dus
geen deugd, maar een gave.
Praeterea, omnis virtus in libera voluntate consistit, unde dicitur habitus electivus,
vel voluntarius. Sed sicut dictum est, ad religionem pertinet latria, quae servitutem
quandam importat. Ergo religio non est virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 2 arg. 2)
2 — Tot iedere deugd behoort het vrije willen, en daarom heet zij ook een hebbelijkheid,
die doet kiezen of een vrijwillige. Maar zoals boven (1e Art. 3e Antw.) is gezegd,
valt de godsverering onder de godsdienstigheid, en die sluit een dienstbaarheid in.
Dus is de godsdienstigheid geen deugd.
Praeterea, sicut dicitur in II Ethic., aptitudo virtutum inest nobis a natura, unde
ea quae pertinent ad virtutes sunt de dictamine rationis naturalis. Sed ad religionem
pertinet caeremoniam divinae naturae afferre. Caeremonialia autem, ut supra dictum
est, non sunt de dictamine rationis naturalis. Ergo religio non est virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 2 arg. 3)
3 — Zoals in de Ethica wordt gezegd, hebben wij van nature aanleg tot deugden, en zo komt
het dat de natuurlijke rede uitmaakt wat onder de deugden valt. Maar nu valt onder
de godsdienstigheid de goddelijke natuur met plechtigheden te eren. Toch beslist,
zoals boven werd gezegd (I-II. 99e Kw. 3e Art. 2e Antw.) het natuurlijke verstand
niet over die plechtigheden. Dus is de godsdienstigheid geen deugd.
Sed contra est quia connumeratur aliis virtutibus, ut ex praemissis patet. (IIa-IIae q. 81 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat zij, zoals uit het voorafgaande blijkt, tegelijk met
andere deugden wordt opgesomd.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, virtus est quae bonum facit habentem
et opus eius bonum reddit. Et ideo necesse est dicere omnem actum bonum ad virtutem
pertinere. Manifestum est autem quod reddere debitum alicui habet rationem boni, quia
per hoc quod aliquis alteri debitum reddit, etiam constituitur in proportione convenienti
respectu ipsius, quasi convenienter ordinatus ad ipsum; ordo autem ad rationem boni
pertinet, sicut et modus et species, ut per Augustinum patet, in libro de natura boni.
Cum igitur ad religionem pertineat reddere honorem debitum alicui, scilicet Deo, manifestum
est quod religio virtus est. (IIa-IIae q. 81 a. 2 co.)
Zoals vroeger werd gezegd (58e Kw. 3e Art.), « is een deugd datgene, wat hem, die
haar bezit, goed maakt en zijn werk goed doet zijn. » En daarom moet men zeggen, dat
iedere goede daad tot een deugd behoort. Nu is het duidelijk dat het iets goeds is
zijn plichten tegenover iemand te vervullen, want door zijn plicht tegenover iemand
te vervullen komt men t.o.v. zo iemand in de passende verhouding te staan; men zou
kunnen zeggen: behoorlijk geordend. Nu behoort de orde tot het wezen van het goede,
evenals ook de maat en de soort, gelijk Augustinus bewijst. Waar het derhalve taak
der godsdienstigheid is aan iemand, en wel aan God, de verplichte eer te betonen,
is het duidelijk dat de godsdienstigheid een deugd is.
Ad primum ergo dicendum quod revereri Deum est actus doni timoris. Ad religionem autem
pertinet facere aliqua propter divinam reverentiam. Unde non sequitur quod religio
sit idem quod donum timoris, sed quod ordinetur ad ipsum sicut ad aliquid principalius.
Sunt enim dona principaliora virtutibus moralibus, ut supra habitum est. (IIa-IIae q. 81 a. 2 ad 1)
1 — God eerbiedigen is een daad van de gave van vrees. Maar het valt onder de godsdienstigheid
iets te doen uit eerbied voor God. En daarom volgt niet, dat de godsdienstigheid hetzelfde
is als de gave van vrees, maar dat zij daarin haar doel heeft, als in iets van meer
belang. Want de gaven zijn voornamer dan de zedelijke deugden, zoals vroeger is uiteengezet
(9e Kw. 10 Art. 3e Antw.).
Ad secundum dicendum quod etiam servus potest voluntarie domino suo exhibere quod
debet, et sic facit de necessitate virtutem, debitum voluntarie reddens. Et similiter
etiam exhibere Deo debitam servitutem potest esse actus virtutis, secundum quod homo
voluntarie hoc facit. (IIa-IIae q. 81 a. 2 ad 2)
2 — Ook een dienaar kan vrijwillig aan zijn heer datgene geven, waartoe hij verplicht
is, en zo « maakt hij van de nood een deugd » (Hieronymus 54e Br.) door gewillig zijn
plicht te doen. En zo kan het ook een daad van deugd zijn, dat men aan God de verplichte
dienstbaarheid schenkt, in zover een mens dat dan gewillig doet.
Ad tertium dicendum quod de dictamine rationis naturalis est quod homo aliqua faciat
ad reverentiam divinam, sed quod haec determinate faciat vel illa, istud non est de
dictamine rationis naturalis, sed de institutione iuris divini vel humani. (IIa-IIae q. 81 a. 2 ad 3)
3 — Het natuurlijke verstand kan beslissen, dat de mens iets doet om God eer te brengen,
maar dat hij nu precies dit of dat doet, valt niet onder de beslissing van het natuurlijke
verstand, maar is door het goddelijke of het menselijke recht ingesteld.
Articulus 3. Is de godsdienstigheid één enkele deugd?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod religio non sit una virtus. Per religionem
enim ordinamur ad Deum, ut dictum est. In Deo autem est accipere tres personas, et
iterum multa attributa, quae saltem ratione differunt. Diversa autem ratio obiecti
sufficit ad diversificandum virtutes, ut ex supradictis patet. Ergo religio non est
una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid niet een enkele deugd is. Want zoals is gezegd
(1e Art.), worden wij door de godsdienstigheid op God gericht. Nu kunnen wij in God
drie Personen onderscheiden en ook vele eigenschappen, die minstens voor ons verstand
verschillen. Maar een verschil in opzicht in het voorwerp is voldoende om meerdere
deugden te geven, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (50e Kw. 2e Art. 2e Antw.)
. Dus is de godsdienstigheid niet een enkele deugd.
Praeterea, unius virtutis unus videtur esse actus, habitus enim distinguuntur secundum
actus. Religionis autem multi sunt actus, sicut colere et servire, vovere, orare,
sacrificare, et multa huiusmodi. Ergo religio non est una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 arg. 2)
2 — Bij een enkele deugd schijnt een enkele daad te behoren, omdat de hebbelijkheden naar
de daden onderscheiden worden. Maar er zijn vele daden van godsdienstigheid als eren
en dienen, geloften doen, bidden en offeren en veel dergelijke. Dus is de godsdienstigheid
niet een enkele deugd.
Praeterea, adoratio ad religionem pertinet. Sed adoratio alia ratione adhibetur imaginibus,
et alia ipsi Deo. Cum ergo diversa ratio distinguat virtutes, videtur quod religio
non sit una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 arg. 3)
3 — Het aanbidden valt onder de godsdienstigheid. Nu worden de beelden op een andere manier
aanbeden dan God zelf. Daar nu een andere aard verschil geeft in de deugden, schijnt
de godsdienstigheid niet een enkele deugd te zijn.
Sed contra est quod dicitur Ephes. IV, unus Deus, una fides. Sed vera religio protestatur
fidem unius Dei. Ergo religio est una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) wordt gezegd: «
Één God, één geloof. » Nu is de ware godsdienstigheid de uiting van het geloof aan
één God. Dus is de godsdienstigheid één deugd.
Respondeo dicendum quod, sicut supra habitum est, habitus distinguuntur secundum diversam
rationem obiecti. Ad religionem autem pertinet exhibere reverentiam uni Deo secundum
unam rationem, inquantum scilicet est primum principium creationis et gubernationis
rerum, unde ipse dicit, Malach. I, si ego pater, ubi honor meus? Patris enim est et
producere et gubernare. Et ideo manifestum est quod religio est una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 co.)
Zoals boven werd gezegd (I-II. 34e Kw. 2e Art. 1e Antw.), worden de hebbelijkheden
onderscheiden naar een verschil in opzicht in de voorwerpen. Nu komt het aan de godsdienstigheid
toe aan de ene God eer te bewijzen om een enkele reden, nl. in zover Hij het eerste
beginsel van de schepping en het bestuur der dingen is; en daarom zegt Hij ook zelf
bij Malachias (1, 6) : « Als Ik Vader ben, waar is de Mij toekomende eer? »; want
aan de vader komt het toe voort te brengen en te besturen. En dus is het duidelijk,
dat de godsdienstigheid één deugd is.
Ad primum ergo dicendum quod tres personae divinae sunt unum principium creationis
et gubernationis rerum, et ideo eis una religione servitur. Diversae autem rationes
attributorum concurrunt ad rationem primi principii, quia Deus producit omnia et gubernat
sapientia, voluntate et potentia bonitatis suae. Et ideo religio est una virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 3 ad 1)
1 — De drie goddelijke Personen zijn één beginsel van het scheppen en besturen der dingen,
en daarom worden zij door één godsdienstigheid gediend. Ook de verschillende aard
van de eigenschappen vindt een eenheid in het eerste-beginsel-zijn; want God brengt
alles voort en bestuurt het door de wijsheid, wil en kracht van Zijn goedheid. En
daarom is de godsdienstigheid één deugd.
Ad secundum dicendum quod eodem actu homo servit Deo et colit ipsum, nam cultus respicit
Dei excellentiam, cui reverentia debetur; servitus autem respicit subiectionem hominis,
qui ex sua conditione obligatur ad exhibendum reverentiam Deo. Et ad haec duo pertinent
omnes actus qui religioni attribuuntur, quia per omnes homo protestatur divinam excellentiam
et subiectionem sui ad Deum, vel exhibendo aliquid ei, vel iterum assumendo aliquid
divinum. (IIa-IIae q. 81 a. 3 ad 2)
2 — Met dezelfde daad dient en eert de mens God, omdat het eren Gods verhevenheid geldt,
waaraan eer verschuldigd is, terwijl het dienen op de onderworpenheid van de mens
slaat, die krachtens zijn toestand verplicht is God eer te bewijzen. Tot deze twee
dingen nu behoren alle daden, die aan de godsdienstigheid worden toegeschreven, omdat
door hen allen de mens getuigenis aflegt van Gods verhevenheid en van zijn eigen onderworpen
heid aan God, of door Hem iets aan te bieden, of door iets van God te gebruiken.
Ad tertium dicendum quod imaginibus non exhibetur religionis cultus secundum quod
in seipsis considerantur, quasi res quaedam, sed secundum quod sunt imagines ducentes
in Deum incarnatum. Motus autem qui est in imaginem prout est imago, non sistit in
ipsa, sed tendit in id cuius est imago. Et ideo ex hoc quod imaginibus Christi exhibetur
religionis cultus, non diversificatur ratio latriae, nec virtus religionis. (IIa-IIae q. 81 a. 3 ad 3)
3 — De eerbewijzen der godsdienstigheid worden niet aan de beelden gebracht voor zover
zij in zichzelf als dingen worden beschouwd, maar in zover zij beelden zijn, die ons
voeren tot de mensgeworden God. Nu blijft de neiging tot een beeld als beeld niet
daarbij staan, maar richt zich op datgene, waarvan het een beeld is. En daarom ontstaat
er door het brengen van de eerbewijzen der godsdienstigheid aan de beelden van Christus
geen verschil in aard van godsverering, noch in de deugd van godsdienstigheid.
Articulus 4. Is de godsdienstigheid een afzonderlijke, van de anderen onderscheiden deugd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod religio non sit specialis virtus ab aliis
distincta. Dicit enim Augustinus, X de Civ. Dei, verum sacrificium est omne opus quod
geritur ut sancta societate Deo iungamur. Sed sacrificium pertinet ad religionem.
Ergo omne opus virtutis ad religionem pertinet. Et sic non est specialis virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid geen afzonderlijke, van de anderen onderscheiden
deugd is. Want Augustinus zegt: « Een waar offer is iedere daad, die dient om ons
in heilige gemeenschap met God te verenigen. » Nu valt het offer onder de godsdienstigheid.
Dus valt zodoende ook iedere daad van deugd onder de godsdienstigheid. En zo is zij
geen afzonderlijke deugd.
Praeterea, apostolus dicit, I ad Cor. X, omnia in gloriam Dei facite. Sed ad religionem
pertinet aliqua facere ad Dei reverentiam, ut supra dictum est. Ergo religio non est
specialis virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 4 arg. 2)
2 — De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 31) : « Doet alles ter
ere van God. » Nu behoort het, zoals boven (1e Art. 1e Antw.) gezegd is, tot de godsdienstigheid
iets te doen om God te eren. Dus is zij geen afzonderlijke deugd.
Praeterea, caritas qua diligitur Deus non est virtus distincta a caritate qua diligitur
proximus. Sed sicut dicitur in VIII Ethic., honorari propinquum est ei quod est amari.
Ergo religio, qua honoratur Deus, non est virtus specialiter distincta ab observantia
vel dulia vel pietate, quibus honoratur proximus. Ergo non est virtus specialis. (IIa-IIae q. 81 a. 4 arg. 3)
3 — De liefde, waarmee wij God beminnen, is als deugd niet onderscheiden van de liefde,
waarmee wij de naasten beminnen. Nu wordt in de Ethica gezegd, dat « eren zeer dicht
bij beminnen staat." Dus is de godsdienstigheid, waarmee God wordt vereerd, geen deugd,
die bijzonder onderscheiden is van de eerbiedigheid of de godsdienstige verering of
de liefde, waarmee de naaste wordt geëerd. Dus is zij geen afzonderlijke deugd.
Sed contra est quod ponitur pars iustitiae ab aliis eius partibus distincta. (IIa-IIae q. 81 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat zij als een deel der rechtvaardigheid van haar andere
delen onderscheiden wordt voorgesteld (80e Kw.).
Respondeo dicendum quod cum virtus ordinetur ad bonum, ubi est specialis ratio boni,
ibi oportet esse specialem virtutem. Bonum autem ad quod ordinatur religio est exhibere
Deo debitum honorem. Honor autem debetur alicui ratione excellentiae. Deo autem competit
singularis excellentia, inquantum omnia in infinitum transcendit secundum omnimodum
excessum. Unde ei debetur specialis honor, sicut in rebus humanis videmus quod diversis
excellentiis personarum diversus honor debetur, alius quidem patri, alius regi, et
sic de aliis. Unde manifestum est quod religio est specialis virtus. (IIa-IIae q. 81 a. 4 co.)
Waar de deugd het goede als doel heeft, moet er een bijzondere deugd zijn, waar een
bijzonder soort goedheid gevonden wordt. Het goede nu, dat het doel van de godsdienstigheid
is, is het brengen van de verschuldigde eer aan God. Nu heeft iemand recht op eer
om zijn verhevenheid. God echter is op bijzondere wijze verheven, daar Hij alles op
allerlei manieren oneindig te boven gaat. Daarom heeft Hij recht op bijzondere eerbewijzen;
evenzo zien wij, dat in de menselijke samenleving personen, die op verschillende wijzen
verheven zijn, ook op verschillende eerbewijzen recht hebben, zoals sommige aan een
vader worden gebracht en andere aan een koning en zo verder. Het is dus duidelijk,
dat de godsdienstigheid een afzonderlijke deugd is.
Ad primum ergo dicendum quod omne opus virtutis dicitur esse sacrificium inquantum
ordinatur ad Dei reverentiam. Unde ex hoc non habetur quod religio sit generalis virtus,
sed quod imperet omnibus aliis virtutibus, sicut supra dictum est. (IIa-IIae q. 81 a. 4 ad 1)
1 — Iedere daad van deugd wordt een offer genoemd, in zover zij het eren van God tot doel
heeft. Men kan daar dus niet uit afleiden, dat de godsdienstigheid een algemeen soort
deugd is, maar dat zij alle andere deugden beheerst, zoals boven gezegd is (1e Art.
1e Antw.).
Ad secundum dicendum quod omnia, secundum quod in gloriam Dei fiunt, pertinent ad
religionem non quasi ad elicientem, sed quasi ad imperantem. Illa autem pertinent
ad religionem elicientem quae secundum rationem suae speciei pertinent ad reverentiam
Dei. (IIa-IIae q. 81 a. 4 ad 2)
2 — Al wat ter ere Gods gebeurt, valt niet onder de godsdienstigheid als de deugd, die
het voortbrengt, maar die erover heerst. Tot haar als tot de deugd, die ze voortbrengt,
behoren de dingen, die krachtens hun eigen aard onder de eerbewijzen aan God vallen.
Ad tertium dicendum quod obiectum amoris est bonum, obiectum autem honoris vel reverentiae
est aliquid excellens. Bonitas autem Dei communicatur creaturae, non autem excellentia
bonitatis eius. Et ideo caritas qua diligitur Deus non est virtus distincta a caritate
qua diligitur proximus, religio autem, qua honoratur Deus, distinguitur a virtutibus
quibus honoratur proximus. (IIa-IIae q. 81 a. 4 ad 3)
3 — Het voorwerp van de liefde is het goede, maar het voorwerp van eer en hulde is datgene,
wat verheven is. Nu wordt Gods goedheid wel aan de schepselen meegedeeld, maar de
verhevenheid van Zijn goedheid niet. En daarom is de liefde, waarmee God wordt bemind,
geen van de liefde tot de naaste onderscheiden deugd; maar de godsdienstigheid, waarmee
wij God eren, is wél onderscheiden van de deugden, waarmee de naaste wordt geëerd.
Articulus 5. Is de godsdienstigheid een goddelijke deugd?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod religio sit virtus theologica. Dicit enim
Augustinus, in Enchirid., quod Deus colitur fide, spe et caritate, quae sunt virtutes
theologicae. Sed cultum Deo afferre pertinet ad religionem. Ergo religio est virtus
theologica. (IIa-IIae q. 81 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid een goddelijke deugd is. Want Augustinus zegt
« dat wij God eren door geloof, hoop en liefde, » en dat zijn goddelijke deugden.
Nu valt het eer brengen aan God onder de godsdienstigheid (1e Art. het Tegenbewijs).
Dus is zij een goddelijke deugd.
Praeterea, virtus theologica dicitur quae habet Deum pro obiecto. Religio autem habet
Deum pro obiecto, quia ad solum Deum ordinat, ut dictum est. Ergo religio est virtus
theologica. (IIa-IIae q. 81 a. 5 arg. 2)
2 — Een deugd wordt goddelijk genoemd, indien zij God als voorwerp heeft. Maar de godsdienstigheid
heeft God als voorwerp, omdat zij, zoals werd gezegd (1e Art.), God alleen als doel
heeft. Dus is zij een goddelijke deugd.
Praeterea, omnis virtus vel est theologica, vel intellectualis, vel moralis, ut ex
supradictis patet. Manifestum est autem quod religio non est virtus intellectualis,
quia eius perfectio non attenditur secundum considerationem veri. Similiter etiam
non est virtus moralis, cuius proprium est tenere medium inter superfluum et diminutum,
non enim aliquis potest superflue Deum colere, secundum illud Eccli. XLIII, benedicentes
dominum, exaltate illum quantum potestis, maior enim est omni laude. Ergo relinquitur
quod sit virtus theologica. (IIa-IIae q. 81 a. 5 arg. 3)
3 — Iedere deugd is ofwel goddelijk, ofwel van het verstand, ofwel zedelijk, gelijk uit
het vroeger gezegde blijkt (I-II. 57e Kw. 3e Art.). Nu is het duidelijk, dat de godsdienstigheid
geen verstandsdeugd is, omdat haar volmaaktheid niet in het beschouwen van de waarheid
wordt gezocht. Evenmin is zij een zedelijke deugd, waaraan het eigen is het midden
te houden tussen te veel en te weinig; want niemand kan God te veel eren, volgens
het Boek Ecclesiasticus (43, 33) : « Gij, die God zegent, verheft Hem zoveel gij kunt,
want Hij staat boven allen lof. » Dus blijft er over, dat zij een goddelijke deugd
is.
Sed contra est quod ponitur pars iustitiae, quae est virtus moralis. (IIa-IIae q. 81 a. 5 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat zij wordt voorgesteld als een deel der rechtvaardigheid,
die een zedelijke deugd is (80e Kw.).
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, religio est quae Deo debitum cultum affert.
Duo igitur in religione considerantur. Unum quidem quod religio Deo affert, cultus
scilicet, et hoc se habet per modum materiae et obiecti ad religionem. Aliud autem
est id cui affertur, scilicet Deus. Cui cultus exhibetur non quasi actus quibus Deus
colitur ipsum Deum attingunt, sicut cum credimus Deo, credendo Deum attingimus (propter
quod supra dictum est quod Deus est fidei obiectum non solum inquantum credimus Deum,
sed inquantum credimus Deo), affertur autem Deo debitus cultus inquantum actus quidam,
quibus Deus colitur, in Dei reverentiam fiunt, puta sacrificiorum oblationes et alia
huiusmodi. Unde manifestum est quod Deus non comparatur ad virtutem religionis sicut
materia vel obiectum, sed sicut finis. Et ideo religio non est virtus theologica,
cuius obiectum est ultimus finis, sed est virtus moralis, cuius est esse circa ea
quae sunt ad finem. (IIa-IIae q. 81 a. 5 co.)
Zoals werd gezegd (2e en 4e Art.), is het de godsdienstigheid, die aan God de verschuldigde
eer brengt. Twee dingen komen dus bij de godsdienstigheid in aanmerking; vooreerst
wat zij aan God geeft, nl. eerbewijzen, en die verhouden zich tot haar als haar stof
en voorwerp. Het andere is datgene, waaraan iets wordt gebracht, nl. God. Hem wordt
hulde gebracht, niet alsof de daden, waarmee God geëerd wordt, God zelf bereikten,
zoals wij God door het geloof bereiken als wij in God geloven; daarom werd boven gezegd
(2e Kw. 2e Art.), dat God voorwerp van het geloof is, niet alleen in zover wij aan
God geloven, maar ook in zover wij in God geloven. Want aan God wordt de verschuldigde
eer gebracht, in zover de daden, waardoor God wordt geëerd, geschieden tot eer van
God, zoals dienstigheid niet als stof of voorwerp verhoudt, maar als doel. En daarom
is zij geen goddelijke deugd, die het laatste doel als voorwerp heeft, maar een zedelijke,
waaraan het toekomt zich op de dingen te betrekken, die tot het doel leiden.
Ad primum ergo dicendum quod semper potentia vel virtus quae operatur circa finem,
per imperium movet potentiam vel virtutem operantem ea quae ordinantur in finem illum.
Virtutes autem theologicae, scilicet fides, spes et caritas, habent actum circa Deum
sicut circa proprium obiectum. Et ideo suo imperio causant actum religionis, quae
operatur quaedam in ordine ad Deum. Et ideo Augustinus dicit quod Deus colitur fide,
spe et caritate. (IIa-IIae q. 81 a. 5 ad 1)
1 — Het vermogen of de deugd, die op een doel slaan, heersen altijd over het vermogen
of de deugd, die de daden verrichten, die tot dat doel leiden. Nu stellen de goddelijke
deugden, nl. geloof, hoop en liefde, daden omtrent God als hun eigen voorwerp. En
zo zijn zij door hun overheersing oorzaak van daden van godsdienstigheid, die iets
teweegbrengen met God als doel. En daarom zegt Augustinus, dat « God wordt geëerd
door geloof, hoop en liefde ».
Ad secundum dicendum quod religio ordinat hominem in Deum non sicut in obiectum, sed
sicut in finem. (IIa-IIae q. 81 a. 5 ad 2)
2 — De godsdienstigheid richt de mens niet op God als op haar voorwerp, maar als haar
doel.
Ad tertium dicendum quod religio non est virtus theologica neque intellectualis, sed
moralis, cum sit pars iustitiae. Et medium in ipsa accipitur non quidem inter passiones,
sed secundum quandam aequalitatem inter operationes quae sunt ad Deum. Dico autem
aequalitatem non absolute, quia Deo non potest tantum exhiberi quantum ei debetur,
sed secundum considerationem humanae facultatis et divinae acceptationis. Superfluum
autem in his quae ad divinum cultum pertinent esse potest, non secundum circumstantiam
quanti, sed secundum alias circumstantias, puta quia cultus divinus exhibetur cui
non debet exhiberi, vel quando non debet, vel secundum alias circumstantias prout
non debet. (IIa-IIae q. 81 a. 5 ad 3)
3 — Godsdienstigheid is geen goddelijke of verstandsdeugd, maar een zedelijke, omdat zij
een deel der rechtvaardigheid is. En bij haar wordt niet van een midden gesproken
als tussen hartstochten, maar naar een soort evenredigheid in de handelingen, die
op God zijn gericht. Ik spreek hier echter niet van een absolute evenredigheid, omdat
aan God niet zoveel kan worden gebracht als waarop Hij recht heeft; maar van een evenredigheid,
waarbij rekening gehouden wordt met wat een mens kan en God aanvaardt. Een te veel
met betrekking tot wat onder het eren van God valt, kan er niet zijn naar de omstandigheid
van het hoeveel, maar wel naar andere omstandigheden, b. v. omdat de goddelijke eer
gebracht wordt aan wie er geen recht op heeft, of wanneer het met gebeuren moet of
naar andere omstandigheden zoals het niet moet.
Articulus 6. Moet de godsdienstigheid boven de andere zedelijke deugden worden gesteld?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod religio non sit praeferenda aliis virtutibus
moralibus. Perfectio enim virtutis moralis consistit in hoc quod attingit medium,
ut patet in II Ethic. Sed religio deficit in attingendo medium iustitiae, quia non
reddit Deo omnino aequale. Ergo religio non est potior aliis virtutibus moralibus. (IIa-IIae q. 81 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid niet boven de andere zedelijke deugden moet worden
gesteld. Want de volmaaktheid van een zedelijke deugd is hierin gelegen, dat zij het
midden houdt, zoals in de Ethica wordt bewezen. Nu schiet de godsdienstigheid te kort
in het houden van het rechtvaardige midden, omdat zij God niet precies het evenredige
geeft. Dus staat de godsdienstigheid niet hoger dan de andere zedelijke deugden.
Praeterea, in his quae hominibus exhibentur, tanto videtur aliquid esse laudabilius
quanto magis indigenti exhibetur, unde dicitur Isaiae LVIII, frange esurienti panem
tuum. Sed Deus non indiget aliquo quod ei a nobis exhibeatur, secundum illud Psalm.,
dixi, Deus meus es tu, quoniam bonorum meorum non eges. Ergo religio videtur minus
laudabilis aliis virtutibus, per quas hominibus subvenitur. (IIa-IIae q. 81 a. 6 arg. 2)
2 — Als we iets aan mensen geven, schijnt het dat iets lofwaardiger is, naar mate degene
aan wie het gegeven wordt behoeftiger is; en daarom zegt Isaïas (38, 7) : « Breek
uw brood voor de hongerige. » Nu heeft God aan niets, dat wij Hem zouden moeten geven,
behoefte volgens het psalmwoord (Ps. 13, 2) ; « Ik zeide: Gij zijt mijn God, omdat
Gij mijn goederen niet nodig hebt. » Dus schijnt de godsdienstigheid minder lofwaardig
te zijn dan de andere deugden, waardoor wij de mensen helpen.
Praeterea, quanto aliquid fit ex maiori necessitate, tanto minus est laudabile, secundum
illud I ad Cor. IX, si evangelizavero, non est mihi gloria, necessitas mihi incumbit.
Ubi autem est maius debitum, ibi est maior necessitas. Cum igitur Deo maxime sit debitum
quod ei ab homine exhibetur, videtur quod religio sit minus laudabilis inter virtutes
humanas. (IIa-IIae q. 81 a. 6 arg. 3)
3 — Naarmate iets uit grotere noodzakelijkheid gebeurt, is het minder lofwaardig volgens
de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9, 16) : « Zo ik het evangelie verkondig, is dat
voor mij geen roem, want een dwang ligt op mij. » Waar nu een grotere plicht bestaat,
is er een grotere noodzakelijkheid. Omdat het nu de grootste plicht tegenover God
is, dat Hem door de mensen eer bewezen wordt, schijnt de godsdienstigheid onder de
menselijke deugden minder lofwaardig te zijn.
Sed contra est quod Exod. XX ponuntur primo praecepta ad religionem pertinentia, tanquam
praecipua. Ordo autem praeceptorum proportionatur ordini virtutum, quia praecepta
legis dantur de actibus virtutum. Ergo religio est praecipua inter virtutes morales. (IIa-IIae q. 81 a. 6 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek van de Uittocht (20e H.) het eerst de geboden,
die tot de godsdienst behoren worden genoemd, als de voornaamste. Nu beantwoordt de
ordening der geboden aan de ordening der deugden, omdat de geboden der wet over daden
van deugd worden gegeven. Dus is de godsdienstigheid de voornaamste onder de zedelijke
deugden.
Respondeo dicendum quod ea quae sunt ad finem sortiuntur bonitatem ex ordine in finem,
et ideo quanto sunt fini propinquiora, tanto sunt meliora. Virtutes autem morales,
ut supra habitum est, sunt circa ea quae ordinantur in Deum sicut in finem. Religio
autem magis de propinquo accedit ad Deum quam aliae virtutes morales, inquantum operatur
ea quae directe et immediate ordinantur in honorem divinum. Et ideo religio praeeminet
inter alias virtutes morales. (IIa-IIae q. 81 a. 6 co.)
Wat tot een doel leidt, krijgt zijn goedheid uit zijn orde tot het doel, en naarmate
het derhalve dichter bij het doel staat, is het beter. Nu gaan de zedelijke deugden,
zoals boven is gezegd (5e Art.), over wat op God als op zijn doel is gericht. De godsdienstigheid
echter komt dichter bij God dan de andere zedelijke deugden, in zover zij datgene
bewerkt, wat rechtstreeks en onmiddellijk op Gods eer is gericht. Daarom staat zij
onder de zedelijke deugden vooraan.
Ad primum ergo dicendum quod laus virtutis in voluntate consistit, non autem in potestate.
Et ideo deficere ab aequalitate, quae est medium iustitiae, propter defectum potestatis,
non diminuit laudem virtutis, si non fuerit defectus ex parte voluntatis. (IIa-IIae q. 81 a. 6 ad 1)
1 — Een deugd wordt geprezen om het willen, niet om het kunnen. En daarom maakt, als er
van de kant van het willen maar geen tekort is, het tekortschieten in de gelijkheid,
die het midden der rechtvaardigheid is, wat voortkomt uit onvermogen, de deugd niet
minder lofwaardig.
Ad secundum dicendum quod in his quae exhibentur alteri propter eorum utilitatem,
est exhibitio laudabilior quae fit magis indigenti, quia est utilior. Deo autem non
exhibetur aliquid propter eius utilitatem, sed propter eius gloriam, nostram autem
utilitatem. (IIa-IIae q. 81 a. 6 ad 2)
2 — Bij wat anderen, om hen te helpen, gegeven wordt, is het loffelijker te geven aan
iemand die het meer nodig heeft, omdat het dan nuttiger is. Maar aan God wordt iets
niet gegeven om Hem te helpen, maar tot Zijn eer en ons nut.
Ad tertium dicendum quod ubi est necessitas, tollitur gloria supererogationis, non
autem excluditur meritum virtutis, si adsit voluntas. Et propter hoc ratio non sequitur. (IIa-IIae q. 81 a. 6 ad 3)
3 — Bij noodzakelijkheid verdwijnt de roem van meer te doen dan verplicht is, maar de
verdienstelijkheid van de deugd gaat niet verloren, als de goede wil er is. En daarom
slaat het bewijs niet door.
Articulus 7. Heeft de godsverering ook een uitwendige daad?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod latria non habeat aliquem exteriorem actum.
Dicitur enim Ioan. IV, Deus spiritus est, et eos qui adorant eum, in spiritu et veritate
adorare oportet. Sed exteriores actus non pertinent ad spiritum, sed magis ad corpus.
Ergo religio, ad quam pertinet adoratio, non habet exteriores actus, sed interiores. (IIa-IIae q. 81 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsverering geen uitwendige daad heeft. Want bij Joannes (4,
24) wordt gezegd: "God is een geest, en zij, die Hem aanbidden, moeten in geest en
waarheid aanbidden. » Nu zijn de uitwendige daden niet van de geest, maar veeleer
van het lichaam. Dus heeft de godsdienstigheid, waar het aanbidden onder valt, geen
uitwendige, maar inwendige daden.
Praeterea, religionis finis est Deo reverentiam et honorem exhibere. Sed videtur ad
irreverentiam alicuius excellentis pertinere si ea sibi exhibeantur quae proprie ad
inferiores pertinent. Cum igitur ea quae exhibet homo corporalibus actibus proprie
videantur ad indigentias hominum ordinari, vel ad reverentiam inferiorum creaturarum;
non videtur quod congrue possunt assumi in divinam reverentiam. (IIa-IIae q. 81 a. 7 arg. 2)
2 — Het doel van de godsdienstigheid is God eer en lof te brengen. Maar nu is het tegenover
iemand die verheven is oneerbiedig, als hem dingen worden aangeboden, die eigenlijk
aan minderen toekomen. Daar nu hetgeen de mens door daden van zijn lichaam doet, eigenlijk
gericht schijnt te zijn op wat de mensen nodig hebben of op het eren van lagere schepselen,
schijnt dat niet passend gebruikt te kunnen worden om God te eren.
Praeterea, Augustinus, in VI de Civ. Dei, commendat Senecam de hoc quod vituperat
quosdam qui idolis ea exhibebant quae solent hominibus exhiberi, quia scilicet immortalibus
non conveniunt ea quae sunt mortalium. Sed haec multo minus conveniunt Deo vero, qui
est excelsus super omnes deos. Ergo videtur reprehensibile esse quod aliquis corporalibus
actibus Deum colat. Non ergo habet religio corporales actus. (IIa-IIae q. 81 a. 7 arg. 3)
3 — Augustinus prijst Seneca hierom, dat hij sommige mensen berispt, die aan de afgoden
aanbieden, wat gewoonlijk aan de mensen gegeven wordt, omdat nl. voor de onsterfelijken
niet hetzelfde gepast is als voor de sterfelijken. Maar die dingen zijn nog veel minder
gepast voor de ware God, die verheven is boven alle goden (Ps. 94, 3). Het schijnt
dus af te keuren te zijn, dat iemand God eert met daden van zijn lichaam. Dus heeft
de godsdienstigheid geen uiterlijke daden.
Sed contra est quod in Psalm. dicitur, cor meum et caro mea exultaverunt in Deum vivum.
Sed sicut interiores actus pertinent ad cor, ita exteriores actus pertinent ad membra
carnis. Ergo videtur quod Deus sit colendus non solum interioribus actibus, sed etiam
exterioribus. (IIa-IIae q. 81 a. 7 s. c.)
Maar daartegenover staat in het Boek der Psalmen (83, 3): « Mijn hart en mijn vlees
zijn verheugd over de levende God. » Zoals echter de innerlijke daden tot het hart
behoren, behoren de uiterlijke tot de ledematen van het vlees. Dus schijnt God niet
alleen met inwendige, maar ook met uitwendige daden geëerd te moeten worden.
Respondeo dicendum quod Deo reverentiam et honorem exhibemus non propter ipsum, qui
in seipso est gloria plenus, cui nihil a creatura adiici potest, sed propter nos,
quia videlicet per hoc quod Deum reveremur et honoramus, mens nostra ei subiicitur,
et in hoc eius perfectio consistit; quaelibet enim res perficitur per hoc quod subditur
suo superiori, sicut corpus per hoc quod vivificatur ab anima, et aer per hoc quod
illuminatur a sole. Mens autem humana indiget ad hoc quod coniungatur Deo, sensibilium
manuductione, quia invisibilia per ea quae facta sunt, intellecta, conspiciuntur,
ut apostolus dicit, ad Rom. Et ideo in divino cultu necesse est aliquibus corporalibus
uti, ut eis, quasi signis quibusdam, mens hominis excitetur ad spirituales actus,
quibus Deo coniungitur. Et ideo religio habet quidem interiores actus quasi principales
et per se ad religionem pertinentes, exteriores vero actus quasi secundarios, et ad
interiores actus ordinatos. (IIa-IIae q. 81 a. 7 co.)
Wij brengen God geen eer en hulde om Hemzelf — want uit zichzelf is Hij vol van heerlijkheid
en daaraan kan geen schepsel iets toevoegen — maar om ons, omdat onze geest nl., doordat
wij God eren en huldigen, aan Hem onderworpen wordt en daarin bestaat zijn volmaaktheid;
want elk ding wordt vervolmaakt door onderwerping aan zijn meerdere, zoals het lichaam
door levend gemaakt te worden door de ziel en de lucht door verlicht te worden door
de zon. Maar nu heeft de menselijke geest er behoefte aan om, geleid door de zinnelijke
dingen, met God verenigd te worden; want, zo zegt de Apostel, "het onzichtbare Wezen
Gods, is bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen » (Rom. 1, 20).
Daarom is het nodig lichamelijke dingen te gebruiken bij het vereren van God, opdat
de geest van de mens door hen als door tekens aangezet wordt tot geestelijke daden,
waardoor hij met God wordt verenigd. Daarom heeft de godsdienstigheid wel innerlijke
daden als de voornaamste, die uiteraard tot haar behoren, maar ook uitwendige als
minder voorname, die de innerlijke als doel hebben.
Ad primum ergo dicendum quod dominus loquitur quantum ad id quod est principale et
per se intentum in cultu divino. (IIa-IIae q. 81 a. 7 ad 1)
1 — De Heer spreekt hier over het voornaamste en het eigenlijk in het vereren van God
bedoelde.
Ad secundum dicendum quod huiusmodi exteriora non exhibentur Deo quasi his indigeat,
secundum illud Psalm., numquid manducabo carnes taurorum, aut sanguinem hircorum potabo?
Sed exhibentur Deo tanquam signa quaedam interiorum et spiritualium operum, quae per
se Deus acceptat. Unde Augustinus dicit, in X de Civ. Dei, sacrificium visibile invisibilis
sacrificii sacramentum, idest sacrum signum, est. (IIa-IIae q. 81 a. 7 ad 2)
2 — Deze uiterlijke dingen worden God niet gebracht alsof Hij ze nodig had, naar het psalmwoord:
"Zal Ik het vlees van stieren eten of het bloed van bokken drinken? » (Ps. 49, 13)
Maar zij worden God gegeven als tekens van inwendige en geestelijke werken, die God
om henzelf aanneemt. Daarom ook zegt Augustinus: « Het zichtbare offer is het sacrament,
dwz. het heilig teken van het onzichtbare offer. »
Ad tertium dicendum quod idololatrae deridentur ex hoc quod ea quae ad homines pertinent
idolis exhibebant non tanquam signa excitantia eos ad aliqua spiritualia, sed tanquam
per se eis accepta. Et praecipue quia erant vana et turpia. (IIa-IIae q. 81 a. 7 ad 3)
3 — De afgodendienaars worden uitgelachen, niet omdat zij wat onder de mensen behoort
aan de afgoden brachten als tekens, die hen tot iets geestelijks opwekten, maar als
wat om de zaak zelf door hen werd aanvaard. En vooral, omdat het nutteloos en schandelijk
was.
Articulus 8. Is de godsdienstigheid hetzelfde als de heiligheid?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod religio non sit idem sanctitati. Religio enim
est quaedam specialis virtus, ut habitum est. Sanctitas autem dicitur esse generalis
virtus, est enim faciens fideles et servantes ea quae ad Deum sunt iusta, ut Andronicus
dicit. Ergo sanctitas non est idem religioni. (IIa-IIae q. 81 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de godsdienstigheid niet hetzelfde als de heiligheid is. Want de
godsdienstigheid is, zoals werd uiteengezet (4e Art.), een bijzondere deugd. Nu noemt
men de heiligheid een algemene deugd, want "zij maakt mensen gelovig en doet ze onderhouden
wat rechtvaardig is tegenover God, » zoals Augustinus zegt. Dus is de heiligheid niet
hetzelfde als de godsdienstigheid.
Praeterea, sanctitas munditiam importare videtur, dicit enim Dionysius, XII cap. de
Div. Nom., quod sanctitas est ab omni immunditia libera et perfecta et omnino immaculata
munditia. Munditia autem maxime videtur pertinere ad temperantiam, quae turpitudines
corporales excludit. Cum igitur religio ad iustitiam pertineat, videtur quod sanctitas
non sit idem religioni. (IIa-IIae q. 81 a. 8 arg. 2)
2 — Heiligheid schijnt reinheid in te sluiten, want Dionysius zegt, dat « heiligheid een
reinheid is, vrij van alle onreinheid, volmaakt en geheel onbevlekt. » Nu schijnt
reinheid vooral onder de matigheid te vallen, die de schande van het lichaam uitsluit.
Daar de godsdienstigheid nu onder de rechtvaardigheid valt, schijnt de heiligheid
niet hetzelfde te zijn.
Praeterea, ea quae dividuntur ex opposito non sunt idem. Sed in quadam enumeratione
partium iustitiae sanctitas condividitur religioni, ut supra habitum est. Ergo sanctitas
non est idem quod religio. (IIa-IIae q. 81 a. 8 arg. 3)
3 — Wat bij verdeling tegenover elkaar wordt gesteld, is niet hetzelfde. Nu wordt, zoals
boven (80e Kw. 4e Antw.) gezegd is, bij een opsomming van de delen der rechtvaardigheid
de heiligheid tegenover de godsdienstigheid gesteld. Dus is heiligheid niet hetzelfde
als godsdienstigheid.
Sed contra est quod dicitur Luc. I, serviamus illi in sanctitate et iustitia. Sed
servire Deo pertinet ad religionem, ut supra habitum est. Ergo religio est idem sanctitati. (IIa-IIae q. 81 a. 8 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (1, 74-75) wordt gezegd: « Dat wij Hem dienen
in heiligheid en rechtvaardigheid. » Nu behoort het dienen van God tot de godsdienstigheid,
zoals boven is gezegd (1e Art. 3e Antw.). Dus is godsdienstigheid hetzelfde als heiligheid.
Respondeo dicendum quod nomen sanctitatis duo videtur importare. Uno quidem modo,
munditiam, et huic significationi competit nomen Graecum, dicitur enim agios quasi
sine terra. Alio modo importat firmitatem, unde apud antiquos sancta dicebantur quae
legibus erant munita ut violari non deberent; unde et dicitur esse aliquid sancitum
quia est lege firmatum. Potest etiam secundum Latinos hoc nomen sanctus ad munditiam
pertinere, ut intelligatur sanctus quasi sanguine tinctus, eo quod antiquitus illi
qui purificari volebant sanguine hostiae tingebantur, ut Isidorus dicit, in libro
Etymol. Et utraque significatio competit, ut sanctitas attribuatur his quae divino
cultui applicantur, ita quod non solum homines, sed etiam templum et vasa et alia
huiusmodi sanctificari dicantur ex hoc quod cultui divino applicantur. Munditia enim
necessaria est ad hoc quod mens Deo applicetur. Quia mens humana inquinatur ex hoc
quod inferioribus rebus immergitur, sicut quaelibet res ex immixtione peioris sordescit,
ut argentum ex immixtione plumbi. Oportet autem quod mens ab inferioribus rebus abstrahatur,
ad hoc quod supremae rei possit coniungi. Et ideo mens sine munditia Deo applicari
non potest. Unde ad Heb. ult. dicitur, pacem sequimini cum omnibus, et sanctimoniam,
sine qua nemo videbit Deum. Firmitas etiam exigitur ad hoc quod mens Deo applicetur.
Applicatur enim ei sicut ultimo fini et primo principio, huiusmodi autem oportet maxime
immobilia esse. Unde dicebat apostolus, Rom. VIII, certus sum quod neque mors neque
vita separabit me a caritate Dei. Sic igitur sanctitas dicitur per quam mens hominis
seipsam et suos actus applicat Deo. Unde non differt a religione secundum essentiam,
sed solum ratione. Nam religio dicitur secundum quod exhibet Deo debitum famulatum
in his quae pertinent specialiter ad cultum divinum, sicut in sacrificiis, oblationibus
et aliis huiusmodi, sanctitas autem dicitur secundum quod homo non solum haec, sed
aliarum virtutum opera refert in Deum, vel secundum quod homo se disponit per bona
opera ad cultum divinum. (IIa-IIae q. 81 a. 8 co.)
De naam heiligheid schijnt twee dingen in te sluiten. Ten eerste nl. reinheid, en
bij deze betekenis past de Griekse term, want daar spreekt men van « agios » als van
"zonder aarde. » In anderen zin sluit het vastheid in, en daarom werden die dingen
bij de ouden sancta genoemd, die door wetten waren beschermd, zodat zij niet ontwijd
mochten worden, en daarom wordt ook iets sancitum genoemd, omdat het door een wet
wordt beschermd. Ook volgens de Latijnen kan deze term sancius op de reinheid slaan,
zodat men sanctus zou moeten verstaan als sanguine tinctus (met bloed geverfd), «
omdat oudtijds degenen, die gereinigd wilden worden, met het bloed van het offer werden
besprenkeld, » zoals Isidorus zegt. Beide betekenissen brengen mee, dat heiligheid
toekomt aan wat voor de goddelijke eredienst werd gebruikt, zodat men niet alleen
van de mensen, maar ook van de kerk en de vaten en andere dergelijke dingen zegt,
dat zij geheiligd worden door voor de goddelijke eredienst te worden gebruikt. Want
er is reinheid voor nodig om de geest op God te richten. De menselijke geest immers
wordt door zich in de lagere dingen te verdiepen besmeurd, zoals ieder ding troebel
wordt door de vermenging met iets lagers, zoals zilver door de vermenging met lood.
Nu is het nodig de geest van de lagere dingen af te trekken om hem met het hoogste
te kunnen verenigen. En daarom kan de geest zonder reinheid niet op God worden gericht.
Daarom ook wordt in de Brief aan de Hebreeën (12, 14) gezegd: « Streeft naar de vrede
met iedereen en naar de heiligmaking, zonder welke niemand God zal zien. » Ook wordt
er vastheid toe vereist de geest op God te richten. Want hij wordt op Hem gericht
als op het laatste doel en het eerste beginsel, doch deze moeten in de hoogste maat
onbeweeglijk zijn. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (8, 38-39) :
« Ik ben zeker, dat dood noch leven mij zullen scheiden van de liefde van God. » Zo
zegt men dus, dat het de heiligheid is, waardoor de menselijke geest zichzelf en zijn
daden op God richt. En daarom verschilt zij zakelijk niet van de godsdienstigheid,
maar alleen naar begrip. Want zij wordt godsdienstigheid genoemd, in zover zij God
naar verplichting dient in wat de verering van God onmiddellijk betreft, als in offers
opdragen e. d.; maar heiligheid in zover de mens niet alleen dit, maar ook al de werken
van andere deugden op God richt of in zover de mens zich door goede werken in de vereiste
stemming brengt om God te eren.
Ad primum ergo dicendum quod sanctitas est quaedam specialis virtus secundum essentiam,
et secundum hoc est quodammodo eadem religioni. Habet autem quandam generalitatem,
secundum quod omnes virtutum actus per imperium ordinat in bonum divinum, sicut et
iustitia legalis dicitur generalis virtus, inquantum ordinat omnium virtutum actus
in bonum commune. (IIa-IIae q. 81 a. 8 ad 1)
1 — Naar haar wezen is de heiligheid een bepaalde deugd, en in dit opzicht is zij enigszins
hetzelfde als de godsdienstigheid. Maar zij heeft ook iets algemeens, in zover zij
door haar bestuur alle daden van deugd op het goddelijke goed richt, zoals ook de
wettelijke rechtvaardigheid een algemene deugd wordt genoemd, in zover zij de daden
van alle deugden op het algemeen welzijn richt.
Ad secundum dicendum quod temperantia munditiam quidem operatur, non tamen ita quod
habeat rationem sanctitatis nisi referatur in Deum. Unde de ipsa virginitate dicit
Augustinus, in libro de virginitate, quod non quia virginitas est, sed quia Deo dicata
est, honoratur. (IIa-IIae q. 81 a. 8 ad 2)
2 — De matigheid brengt wel reinheid teweeg, maar deze zal toch alleen dan maar de aard
van heiligheid bezitten, als zij op God wordt gericht. En daarom zegt Ambrosius zelfs
van de maagdelijkheid « dat zij niet wordt geëerd, omdat zij maagdelijkheid, maar
omdat zij aan God gewijd is. »
Ad tertium dicendum quod sanctitas distincta est a religione propter differentiam
praedictam, non quia differat re, sed ratione tantum, ut dictum est. (IIa-IIae q. 81 a. 8 ad 3)
3 — Om het bovengenoemde verschil is de heiligheid van de godsdienstigheid onderscheiden,
niet omdat zij er zakelijk van verschilt, maar naar begrip, zoals werd gezegd.