QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 6.
Over de oorzaak van het Geloof .

Prooemium

Deinde considerandum est de causa fidei. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo, utrum fides sit homini infusa a Deo. Secundo, utrum fides informis sit donum. (IIa-IIae q. 6 pr.)

Daarna handelen we over de oorzaak van het geloof, en daarover stellen we twee vragen : 1. Wordt het geloof door God in de mens ingestort? 2. Is het dood geloof een gave Gods?

Articulus 1.
Wordt het geloof door God in den mens ingestort?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod fides non sit homini infusa a Deo. Dicit enim Augustinus, XIV de Trin., quod per scientiam gignitur in nobis fides, nutritur, defenditur et roboratur. Sed ea quae per scientiam in nobis gignuntur magis videntur acquisita esse quam infusa. Ergo fides non videtur in nobis esse ex infusione divina. (IIa-IIae q. 6 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geloof niet in de mens wordt ingestort door God. Augustinus immers zegt in het 14e Boek Over de Drie-eenheid (1e H.), dat het geloof in ons voortgebracht, gevoed, verdedigd en versterkt wordt door de wetenschap. Welnu wat in ons voortgebracht wordt door de wetenschap wordt veeleer verworven dan ingestort. Bijgevolg wordt het geloof niet in ons ingestort door God.

Praeterea, illud ad quod homo pertingit audiendo et videndo videtur esse ab homine acquisitum. Sed homo pertingit ad credendum et videndo miracula et audiendo fidei doctrinam, dicitur enim Ioan. IV, cognovit pater quia illa hora erat in qua dixit ei Iesus, filius tuus vivit, et credidit ipse et domus eius tota; et Rom. X dicitur quod fides est ex auditu. Ergo fides habetur ab homine tanquam acquisita. (IIa-IIae q. 6 a. 1 arg. 2)

2 — Wat de mens bereikt door te horen en te zien, schijnt hij zich zelf te verwerven. Welnu de mens komt tot het geloof door de wonderen te zien en de geloofsleer te horen. Bij Joannes (4, 53) wordt immers gezegd : « De vader bevond dan, dat het op dit uur was, dat Jezus hem gezegd had : Uw zoon leeft, en hij geloofde, hij en heel zijn huisgezin ». En in de Brief aan de Romeinen lezen we (10, 17) : « Het geloof komt tot ons door het gehoor ». Bijgevolg heeft de mens zich zelf het geloof verworven.

Praeterea, illud quod consistit in hominis voluntate ab homine potest acquiri. Sed fides consistit in credentium voluntate, ut Augustinus dicit, in libro de Praed. Sanct. Ergo fides potest esse ab homine acquisita. (IIa-IIae q. 6 a. 1 arg. 3)

3 — Wat in het bereik ligt van ’s mensen wil, kan door de mens zelf verworven worden. Welnu Augustinus zegt in het Boek Over de Voorbestemming der Heiligen (5e H.), dat het geloof in de wil der gelovigen is. Bijgevolg kan het geloof door de mens zelf verworven worden.

Sed contra est quod dicitur ad Ephes. II, gratia estis salvati per fidem, et non ex vobis, ne quis glorietur, Dei enim donum est. (IIa-IIae q. 6 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in de Brief aan de Ephesiërs (2, 8) : « Uit genade zijt gij gered door het geloof en dit niet uit u zelven, opdat u iemand roemen zou : Gods gave is dit. ».

Respondeo dicendum quod ad fidem duo requiruntur. Quorum unum est ut homini credibilia proponantur, quod requiritur ad hoc quod homo aliquid explicite credat. Aliud autem quod ad fidem requiritur est assensus credentis ad ea quae proponuntur. Quantum igitur ad primum horum, necesse est quod fides sit a Deo. Ea enim quae sunt fidei excedunt rationem humanam, unde non cadunt in contemplatione hominis nisi Deo revelante. Sed quibusdam quidem revelantur immediate a Deo, sicut sunt revelata apostolis et prophetis, quibusdam autem proponuntur a Deo mittente fidei praedicatores, secundum illud Rom. X, quomodo praedicabunt nisi mittantur? Quantum vero ad secundum, scilicet ad assensum hominis in ea quae sunt fidei, potest considerari duplex causa. Una quidem exterius inducens, sicut miraculum visum, vel persuasio hominis inducentis ad fidem. Quorum neutrum est sufficiens causa, videntium enim unum et idem miraculum, et audientium eandem praedicationem, quidam credunt et quidam non credunt. Et ideo oportet ponere aliam causam interiorem, quae movet hominem interius ad assentiendum his quae sunt fidei. Hanc autem causam Pelagiani ponebant solum liberum arbitrium hominis, et propter hoc dicebant quod initium fidei est ex nobis, inquantum scilicet ex nobis est quod parati sumus ad assentiendum his quae sunt fidei; sed consummatio fidei est a Deo, per quem nobis proponuntur ea quae credere debemus. Sed hoc est falsum. Quia cum homo, assentiendo his quae sunt fidei, elevetur supra naturam suam, oportet quod hoc insit ei ex supernaturali principio interius movente, quod est Deus. Et ideo fides quantum ad assensum, qui est principalis actus fidei, est a Deo interius movente per gratiam. (IIa-IIae q. 6 a. 1 co.)

Voor het geloof worden twee dingen vereist : ten eerste, dat de geloofswaarheden aan de mens worden voorgehouden, en dit wordt vereist opdat de mens een of ander punt uitdrukkelijk zou geloven. Het tweede, wat tot het geloof vereist wordt, is dat de gelovige de geloofswaarheden aanvaardt. Wat het eerste betreft, moet het geloof van God komen, want de geloofswaarheden gaan boven de menselijke rede uit en kunnen bijgevolg alleen onder ’s mensen kennis vallen wanneer God ze openbaart. Sommigen nu ontvangen de openbaring onmiddellijk van God, zoals de Apostelen en de Profeten, aan anderen echter worden de geloofswaarheden voorgehouden door geloofspredikers, die door God gezonden zijn, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (10, 15) : « Hoe zouden ze prediken, als ze niet gezonden Werden? » Wat nu het tweede punt betreft, nl. de aanvaarding van de geloofswaarheden door de mens, daarvan kan men een dubbele oorzaak beschouwen, nl. een oorzaak, die ons van buiten uit tot et geloof brengt, zoals een wonder, waar men getuige van is, of de overredingskracht van een mens, die ons er toe aanspoort om te geloven. Geen van beide oorzaken echter is op zichzelf voldoende, want onder hen, die hetzelfde wonder zien en dezelfde prediking hooien, zijn er, die geloven, en anderen, die niet geloven. Daarom moet men een andere, nl. een inwendige oorzaak aannemen, die de mens van binnen uit er toe beweegt om de geloofswaarheden te aanvaarden. De Pelagianen nu beweerden, dat die oorzaak alleen de vrije wil van de mens was, en zeiden daarom, dat de aanvang van het geloof van ons afhangt, in zover het nl. van ons afhangt bereid te zijn om de geloofswaarheden te aanvaarden. Maar de voltooiing van het geloof, zeiden ze, hangt af van God, die ons voorhoudt wat we moeten geloven. Dat is echter onaannemelijk, want daar de mens door de geloofswaarheden te aanvaarden verheven wordt boven zijn natuur, wordt er daartoe een bovennatuurlijk beginsel vereist, dat hem van binnen uit beweegt, en dat beginsel is God. Bijgevolg hangt het geloof met betrekking tot de aanvaarding, die de voornaamste daad is van het geloof, af van God, die ons van binnen uit beweegt door de genade.

Ad primum ergo dicendum quod per scientiam gignitur fides et nutritur per modum exterioris persuasionis, quae fit ab aliqua scientia. Sed principalis et propria causa fidei est id quod interius movet ad assentiendum. (IIa-IIae q. 6 a. 1 ad 1)

1 — Het geloof wordt door de wetenschap voortgebracht en gevoed, als door iets wat ons van buiten uit overtuigt, en dat geschiedt door een zekere wetenschap. Doch de voornaamste en eigen oorzaak van het geloof is wat ons van binnen uit er toe beweegt om te geloven.

Ad secundum dicendum quod etiam ratio illa procedit de causa proponente exterius ea quae sunt fidei, vel persuadente ad credendum vel verbo vel facto. (IIa-IIae q. 6 a. 1 ad 2)

2 — Die redenering gaat uit van een oorzaak, die ons van buiten uit voorhoudt wat geloofd moet worden of door woord of daad de overtuiging opwekt, dat men geloven moet.

Ad tertium dicendum quod credere quidem in voluntate credentium consistit, sed oportet quod voluntas hominis praeparetur a Deo per gratiam ad hoc quod elevetur in ea quae sunt supra naturam, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 6 a. 1 ad 3)

3 — Het geloof is in de wil der gelovige, maar God moet de wil van de mens door de genade voorbereiden, opdat hij verheven wordt tot het bovennatuurlijke, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.

Articulus 2.
Is het dood geloof een gave Gods?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod fides informis non sit donum Dei. Dicitur enim Deut. XXXII, quod Dei perfecta sunt opera. Fides autem informis est quiddam imperfectum. Ergo fides informis non est opus Dei. (IIa-IIae q. 6 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het gave Gods is. In Deuteronomium immers lezen we (32, 4) dat Gods werken volmaakt zijn. Welnu het dode geloof is iets onvolmaakts. Dus is het geen werk van God.

Praeterea, sicut actus dicitur deformis propter hoc quod caret debita forma, ita etiam fides dicitur informis propter hoc quod caret debita forma. Sed actus deformis peccati non est a Deo, ut supra dictum est. Ergo neque etiam fides informis est a Deo. (IIa-IIae q. 6 a. 2 arg. 2)

2 — Zoals een daad misvormd genoemd wordt, omdat zij de vereiste vorm niet heeft, zo ook wordt het geloof misvormd of dood genoemd, omdat het de vereiste vorm niet heeft. Welnu de misvormde zondedaad komt niet van God, zoals hierboven gezegd werd (Ia IIae, Kw. 79, Art. 2). Bijgevolg komt ook het dood geloof niet van God.

Praeterea, quaecumque Deus sanat totaliter sanat, dicitur enim Ioan. VII, si circumcisionem accipit homo in sabbato ut non solvatur lex Moysi, mihi indignamini quia totum hominem salvum feci in sabbato. Sed per fidem homo sanatur ab infidelitate. Quicumque ergo donum fidei a Deo accipit simul sanatur ab omnibus peccatis. Sed hoc non fit nisi per fidem formatam. Ergo sola fides formata est donum Dei. Non ergo fides informis. (IIa-IIae q. 6 a. 2 arg. 3)

3 — Al wat God geneest, geneest Hij volkomen, want bij Joannes (7, 23) wordt gezegd : « Als een mens de besnijdenis op sabbat ontvangt om de Wet van Mozes niet te schenden, zijt ge dan kwaad op Mij, omdat Ik een mens volkomen gezond maakte op sabbat? » Welnu door het geloof wordt de mens genezen van het ongeloof. Hij, die de gave van het geloof van God ontvangt, wordt dus tegelijk van alle zonden genezen. Dat gebeurt echter alleen door het levend geloof, en bijgevolg is alleen het levend geloof een gave Gods, en komt het dode geloof niet van God.

Sed contra est quod quaedam Glossa dicit, I ad Cor. XIII, quod fides quae est sine caritate est donum Dei. Sed fides quae est sine caritate est fides informis. Ergo fides informis est donum Dei. (IIa-IIae q. 6 a. 2 s. c.)

Daartegenover echter staat wat een Glossa zegt op de Ie Brief aan de Corinthiërs (13, 2), dat nl. het geloof zonder de liefde een gave Gods is. Welnu dit geloof is het dood geloof, en bijgevolg is het dood geloof een gave Gods.

Respondeo dicendum quod informitas privatio quaedam est. Est autem considerandum quod privatio quandoque quidem pertinet ad rationem speciei, quandoque autem non, sed supervenit rei iam habenti propriam speciem. Sicut privatio debitae commensurationis humorum est de ratione speciei ipsius aegritudinis, tenebrositas autem non est de ratione speciei ipsius diaphani, sed supervenit. Quia igitur cum assignatur causa alicuius rei, intelligitur assignari causa eius secundum quod in propria specie existit, ideo quod non est causa privationis non potest dici esse causa illius rei ad quam pertinet privatio sicut existens de ratione speciei ipsius, non enim potest dici causa aegritudinis quod non est causa distemperantiae humorum. Potest tamen aliquid dici esse causa diaphani quamvis non sit causa obscuritatis, quae non est de ratione speciei diaphani. Informitas autem fidei non pertinet ad rationem speciei ipsius fidei, cum fides dicatur informis propter defectum cuiusdam exterioris formae, sicut dictum est. Et ideo illud est causa fidei informis quod est causa fidei simpliciter dictae. Hoc autem est Deus, ut dictum est. Unde relinquitur quod fides informis sit donum Dei. (IIa-IIae q. 6 a. 2 co.)

Een misvorming is een gemis. Welnu men moet in het oog houden, dat in sommige gevallen een gemis tot de natuur zelf van een wezen behoort, in andere gevallen niet, maar wordt toegevoegd aan iets, wat zijn eigen natuur reeds heeft. Zo behoort het gemis van verhouding tussen de levenssappen tot de natuur zelf van de ziekte, terwijl de duisternis met behoort tot de natuur van het doorschijnend lichaam, maar er aan toegevoegd wordt. Wanneer men nu de oorzaak van een ding wil aanduiden, dan wil men de oorzaak aanduiden, waardoor het ding zijn eigen natuur heeft. Wat de oorzaak niet is van het gemis, kan bijgevolg de oorzaak niet zijn van het ding, waartoe het gemis behoort en waarvan het de natuur uitmaakt. Men mag immers voor de oorzaak van de ziekte niet aanzien wat niet de oorzaak is van het verstoren der verhouding tussen de levenssappen, terwijl integendeel als oorzaak van het doorschijnend lichaam kan beschouwd worden wat geen oorzaak is van de duisternis, want de duisternis behoort niet tot de natuur van het doorschijnend lichaam. Welnu de misvorming of het dood-zijn van het geloof behoort niet tot de natuur van het geloof, daar het geloof dood genoemd wordt om het gemis van een uiterlijke vorm, zoals hierboven gezegd werd (4e Kw., 4e Art.). Bijgevolg is de oorzaak van het dood geloof wat de oorzaak is van het geloof als zodanig. Welnu die oorzaak is God, zoals gezegd is (in het vorig Artikel). Bijgevolg is het dode geloof een gave Gods.

Ad primum ergo dicendum quod fides informis, etsi non sit perfecta simpliciter perfectione virtutis, est tamen perfecta quadam perfectione quae sufficit ad fidei rationem. (IIa-IIae q. 6 a. 2 ad 1)

1 — Hoewel het dood geloof niet de volstrekte volmaaktheid van de deugd bezit, toch bezit het een zekere volmaaktheid, die volstaat voor de natuur van het geloof.

Ad secundum dicendum quod deformitas actus est de ratione speciei ipsius actus secundum quod est actus moralis, ut supra dictum est, dicitur enim actus deformis per privationem formae intrinsecae, quae est debita commensuratio circumstantiarum actus. Et ideo non potest dici causa actus deformis Deus, qui non est causa deformitatis, licet sit causa actus inquantum est actus. Vel dicendum quod deformitas non solum importat privationem debitae formae, sed etiam contrariam dispositionem. Unde deformitas se habet ad actum sicut falsitas ad fidem. Et ideo sicut actus deformis non est a Deo, ita nec aliqua fides falsa. Et sicut fides informis est a Deo, ita etiam actus qui sunt boni ex genere, quamvis non sint caritate formati, sicut plerumque in peccatoribus contingit. (IIa-IIae q. 6 a. 2 ad 2)

2 — De misvorming van een daad behoort tot de natuur zelf van die daad, beschouwd als zedelijke daad, zoals vroeger gezegd werd (1e D., Kw. 48, Art. 1, Antw. op de 2e Bed., en Ia IIae, Kw. 18, Art. 5). Een daad wordt immers misvormd genoemd om het gemis van de innerlijke vorm, die de vereiste verhouding is van de omstandigheden van de daad. God kan bijgevolg niet beschouwd worden als de oorzaak van de misvormde daad, daar Hij de oorzaak van de misvorming niet is, hoewel Hij de oorzaak is van de daad als zodanig. Men kan ook antwoorden, dat de misvorming niet alleen het gemis insluit van de vereiste vorm, maar ook een tegengestelde geschiktheid, zodat de misvorming zich verhoudt tot de daad, gelijk de valsheid zich verhoudt tot het geloof. En evenals een misvormde daad niet van God komt, evenmin komt welk vals geloof ook van God. En evenals het dood geloof van God komt, zo komen ook die daden van God, die goed zijn door hun voorwerp, ofschoon ze niet bezield zijn door de liefde, zoals het dikwijls gebeurt bij de zondaars.

Ad tertium dicendum quod ille qui accipit a Deo fidem absque caritate non simpliciter sanatur ab infidelitate, quia non removetur culpa praecedentis infidelitatis, sed sanatur secundum quid, ut scilicet cesset a tali peccato. Hoc autem frequenter contingit, quod aliquis desistit ab uno actu peccati, etiam Deo hoc faciente, qui tamen ab actu alterius peccati non desistit, propria iniquitate suggerente. Et per hunc modum datur aliquando a Deo homini quod credat, non tamen datur ei caritatis donum, sicut etiam aliquibus absque caritate datur donum prophetiae vel aliquid simile. (IIa-IIae q. 6 a. 2 ad 3)

3 — Hij, die van God het geloof ontvangt zonder de liefde, wordt niet volkomen genezen van het ongeloof, want de schuld van het voorgaande ongeloof wordt niet weggenomen; hij wordt slechts gedeeltelijk genezen, in zover hij nl. die bepaalde zonde niet meer bedrijft. Welnu het gebeurt dikwijls, dat iemand door Gods hulp ophoudt een bepaalde zonde te bedrijven, zonder op te houden een andere zonde te bedrijven, waartoe zijn eigen boosheid hem drijft. En zo gebeurt het soms, dat God aan iemand het geloof schenkt en niet de gave der liefde, zoals aan anderen de gave van profetie gegeven wordt of iets dergelijks zonder de liefde.