Secunda Secundae. Quaestio 58. Over de rechtvaardigheid .
Prooemium
Deinde considerandum est de iustitia. Circa quam quaeruntur duodecim. Primo, quid
sit iustitia. Secundo, utrum iustitia semper sit ad alterum. Tertio, utrum sit virtus.
Quarto, utrum sit in voluntate sicut in subiecto. Quinto, utrum sit virtus generalis.
Sexto, utrum secundum quod est generalis, sit idem in essentia cum omni virtute. Septimo,
utrum sit aliqua iustitia particularis. Octavo, utrum iustitia particularis habeat
propriam materiam. Nono, utrum sit circa passiones, vel circa operationes tantum.
Decimo, utrum medium iustitiae sit medium rei. Undecimo, utrum actus iustitiae sit
reddere unicuique quod suum est. Duodecimo, utrum iustitia sit praecipua inter alias
virtutes morales. (IIa-IIae q. 58 pr.)
Hierna moeten wij handelen over de rechtvaardigheid. Hieromtrent stellen wij twaalf
vragen. 1. Wat is de rechtvaardigheid? 2. Sluit rechtvaardigheid altijd verhouding
tot een ander in? 3. Is zij een deugd? 4. Is zij in de wil als in haar subject? 5.
Is zij een algemene deugd? 6. Valt zij, als algemene deugd, naar de wezenheid samen
met alle andere deugden? 7. Is er een bijzondere rechtvaardigheid? 8. Heeft de bijzondere
rechtvaardigheid een eigen gebied? 9. Heeft zij betrekking op de hartstochten, of
alleen op de handelingen? 10. Is het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden?
11. Is het de daad van de rechtvaardigheid, ieder het zijne te geven? 12. Is de rechtvaardigheid
de voornaamste onder de zedelijke deugden?
Articulus 1. Is het passend de rechtvaardigheid te bepalen als « de standvastige en blijvende wil
om aan eenieder zijn recht te geven »?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter definiatur a iurisperitis quod
iustitia est constans et perpetua voluntas ius suum unicuique tribuens. Iustitia enim,
secundum philosophum, in V Ethic., est habitus a quo sunt aliqui operativi iustorum,
et a quo operantur et volunt iusta. Sed voluntas nominat potentiam, vel etiam actum.
Ergo inconvenienter iustitia dicitur esse voluntas. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid door de rechtsgeleerden niet op passende wijze
bepaald wordt als « de standvastige en blijvende wil om aan iedereen zijn recht te
geven ». — 1. Immers, volgens de Wijsgeer, is de rechtvaardigheid « een hebbelijkheid
waardoor sommigen rechtvaardige daden kunnen stellen, en waardoor zij rechtvaardig
handelen en willen ». Maar de wil duidt op het vermogen, of ook wel op de daad. Derhalve
is het niet passend te zeggen: de rechtvaardigheid is de wil.
Praeterea, rectitudo voluntatis non est voluntas, alioquin, si voluntas esset sua
rectitudo, sequeretur quod nulla voluntas esset perversa. Sed secundum Anselmum, in
libro de veritate, iustitia est rectitudo. Ergo iustitia non est voluntas. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 2)
2 — De rechtvaardigheid van de wil is de wil zelf niet. Anders toch, indien de wil zijn
rechtvaardigheid was, zou geen enkele wil verdorven zijn. Welnu, volgens Anselmus
« is de rechtvaardigheid de rechtvaardigheid ». Dus is de rechtvaardigheid niet de
wil.
Praeterea, sola Dei voluntas est perpetua. Si ergo iustitia est perpetua voluntas,
in solo Deo erit iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 3)
3 — Alleen Gods wil is blijvend. Indien dus de rechtvaardigheid een blijvende wil is,
zou er alleen in God rechtvaardigheid bestaan.
Praeterea, omne perpetuum est constans, quia est immutabile. Superflue ergo utrumque
ponitur in definitione iustitiae, et perpetuum et constans. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 4)
4 — Al het blijvende is standvastig, daar het onveranderlijk is. Derhalve is het overbodig
én ‘blijvend’ én ‘standvastig’ in de bepaling van de rechtvaardigheid te plaatsen.
Praeterea, reddere ius unicuique pertinet ad principem. Si igitur iustitia sit ius
suum unicuique tribuens, sequetur quod iustitia non sit nisi in principe. Quod est
inconveniens. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 5)
5 — Aan een ieder zijn recht geven is de taak van de vorst. Indien dus de rechtvaardigheid
hierin zou bestaan, ieder het zijne te geven, zou daaruit volgen dat de rechtvaardigheid
alleen in de vorst bestaat, wat niet aannemelijk is.
Praeterea, Augustinus dicit, in libro de moribus Eccles., quod iustitia est amor Deo
tantum serviens. Non ergo reddit unicuique quod suum est. (IIa-IIae q. 58 a. 1 arg. 6)
6 — Augustinus zegt: « De rechtvaardigheid is liefde die alleen God dient ». Derhalve
geeft zij niet aan iedere het zijne.
Respondeo dicendum quod praedicta iustitiae definitio conveniens est, si recte intelligatur.
Cum enim omnis virtus sit habitus qui est principium boni actus, necesse est quod
virtus definiatur per actum bonum circa propriam materiam virtutis. Est autem iustitia
circa ea quae ad alterum sunt sicut circa propriam materiam, ut infra patebit. Et
ideo actus iustitiae per comparationem ad propriam materiam et obiectum tangitur cum
dicitur, ius suum unicuique tribuens, quia, ut Isidorus dicit, in libro Etymol., iustus
dicitur quia ius custodit. Ad hoc autem quod aliquis actus circa quamcumque materiam
sit virtuosus, requiritur quod sit voluntarius, et quod sit stabilis et firmus, quia
philosophus dicit, in II Ethic., quod ad virtutis actum requiritur primo quidem quod
operetur sciens, secundo autem quod eligens et propter debitum finem, tertio quod
immobiliter operetur. Primum autem horum includitur in secundo, quia quod per ignorantiam
agitur est involuntarium, ut dicitur in III Ethic. et ideo in definitione iustitiae
primo ponitur voluntas, ad ostendendum quod actus iustitiae debet esse voluntarius.
Additur autem de constantia et perpetuitate, ad designandum actus firmitatem. Et ideo
praedicta definitio est completa definitio iustitiae, nisi quod actus ponitur pro
habitu, qui per actum specificatur, habitus enim ad actum dicitur. Et si quis vellet
in debitam formam definitionis reducere, posset sic dicere, quod iustitia est habitus
secundum quem aliquis constanti et perpetua voluntate ius suum unicuique tribuit.
Et quasi est eadem definitio cum ea quam philosophus ponit, in V Ethic., dicens quod
iustitia est habitus secundum quem aliquis dicitur operativus secundum electionem
iusti. (IIa-IIae q. 58 a. 1 co.)
Bovengenoemde bepaling van de rechtvaardigheid is juist, wanneer men haar goed begrijpt.
Immers, daar iedere deugd een hebbelijkheid is, die het beginsel is van een goede
daad, blijkt het noodzakelijk de deugd te bepalen door de goede daad met betrekking
tot het eigen gebied van de deugd. Zoals verder blijken zal (2e Art.), is de rechtvaardigheid
gericht op die dingen, die betrekking hebben op een ander, als op haar eigen deugdgebied.
En zo wordt de daad van de rechtvaardigheid, met betrekking tot haar eigen gebied
en voorwerp, in de bepaling opgenomen door te zeggen: « die aan eenieder zijn recht
geeft ». Want zoals Isidorus zegt, « wordt iemand rechtvaardig genoemd, omdat hij
het recht onderhoudt ». Opdat nu een daad, met betrekking tot gelijk welk gebied,
deugdzaam zou zijn, is het vereist dat zij willig zou zijn, dat zij duurzaam en vast
weze: want de Wijsgeer zegt: voor een daad van deugd wordt vereist ten eerste dat
zij « met kennis gesteld » wordt, ten tweede, « vrij gekozen en om het vereiste doel
», ten derde, dat zij « op onveranderlijke wijze wordt gesteld ». De eerste dezer
voorwaarden ligt besloten in de tweede: daar, « wat onwetend wordt gedaan, onwillens
is », zoals in de Ethica wordt gezegd. Daarom komt, in de bepaling van de rechtvaardigheid,
de wil op de eerste plaats, om aan te duiden, dat een daad van rechtvaardigheid willens
moet worden gesteld. Hieraan worden « standvastig » en « blijvend » toegevoegd, om
de vastheid van de daad te beduiden. Vandaar is de bovengenoemde bepaling een volledige
bepaling van de rechtvaardigheid; alleen spreekt men van de daad en niet van de hebbelijkheid,
die door de daad soortelijk wordt bepaald: immers spreekt men van hebbelijkheid met
betrekking tot de daad. En indien iemand haar de vereiste vorm van een bepaling zou
willen geven, dan zou hij kunnen zeggen: « De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid,
waardoor iemand, met standvastige en blijvende wil aan ieder zijn recht toekent ».
En zo is zij als 't ware dezelfde bepaling als die van de Wijsgeer, waar hij zegt:
« De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid, waardoor van iemand wordt gezegd, dat
hij handelt naar de keuze van wat recht is ».
Ad primum ergo dicendum quod voluntas hic nominat actum, non potentiam. Est autem
consuetum quod apud auctores habitus per actus definiantur, sicut Augustinus dicit,
super Ioan., quod fides est credere quod non vides. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 1)
1 — Wil slaat hier op de daad en niet op het vermogen. Gewoonlijk immers wordt bij de
schrijvers de hebbelijkheid door de daad bepaald. Zo zegt Augustinus dat het geloof
is « geloven wat men niet ziet ».
Ad secundum dicendum quod neque etiam iustitia est essentialiter rectitudo, sed causaliter
tantum, est enim habitus secundum quem aliquis recte operatur et vult. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 2)
2 — Zelfs de rechtvaardigheid is niet naar het wezen de rechtgeaardheid, maar alleen oorzakelijk:
zij is immers een hebbelijkheid waardoor iemand rechtvaardig handelt en wil.
Ad tertium dicendum quod voluntas potest dici perpetua dupliciter. Uno modo, ex parte
ipsius actus, qui perpetuo durat. Et sic solius Dei voluntas est perpetua. Alio modo,
ex parte obiecti, quia scilicet aliquis vult perpetuo facere aliquid. Et hoc requiritur
ad rationem iustitiae. Non enim sufficit ad rationem iustitiae quod aliquis velit
ad horam in aliquo negotio servare iustitiam, quia vix invenitur aliquis qui velit
in omnibus iniuste agere, sed requiritur quod homo habeat voluntatem perpetuo et in
omnibus iustitiam conservandi. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 3)
3 — Op twee manieren kan de wil blijvend worden genoemd. Ten eerste, van de kant van de
daad zelve, die blijvend voortduurt. En op die wijze is alleen Gods wil blijvend.
Ten tweede, van de kant van het voorwerp: daar iemand blijvend iets wil doen. Dit
nu wordt vereist voor het begrip rechtvaardigheid. Immers, het volstaat niet, voor
het begrip rechtvaardigheid, dat iemand voor een bepaalde tijd, in een bepaalde zaak,
de rechtvaardigheid wil onderhouden, want men zou maar moeilijk iemand vinden, die
in alles onrechtvaardig zou willen handelen. Er wordt echter vereist, dat de mens
de wil zou hebben om blijvend en in alles de rechtvaardigheid te onderhouden.
Ad quartum dicendum quod quia perpetuum non accipitur secundum durationem perpetuam
actus voluntatis, non superflue additur constans, ut sicut per hoc quod dicitur perpetua
voluntas designatur quod aliquis gerat in proposito perpetuo iustitiam conservandi,
ita etiam per hoc quod dicitur constans designatur quod in hoc proposito firmiter
perseveret. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 4)
4 — Daar “blijvend” niet genomen wordt als blijvende duur van de wilsdaad, is het niet
overtollig, er “standvastig” aan toe te voegen: zoals door “blijvende wil” beduid
wordt, dat iemand voornemens is altijd de rechtvaardigheid te onderhouden, evenzo
wordt door “standvastig” beduid, dat hij in dit voornemen vast zal volharden.
Ad quintum dicendum quod iudex reddit quod suum est per modum imperantis et dirigentis,
quia iudex est iustum animatum, et princeps est custos iusti, ut dicitur in V Ethic.
Sed subditi reddunt quod suum est unicuique per modum executionis. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 5)
5 — Een rechter geeft aan iedere het zijne als beveler en leider: want « de rechter is
het levende recht », en « de vorst is de hoeder van het recht », zoals in de Ethica
wordt gezegd. De onderdanen daarentegen geven aan iedere het zijne als uitvoerders.
Ad sextum dicendum quod sicut in dilectione Dei includitur dilectio proximi, ut supra
dictum est; ita etiam in hoc quod homo servit Deo includitur quod unicuique reddat
quod debet. (IIa-IIae q. 58 a. 1 ad 6)
6 — Evenals in de liefde tot God de liefde tot de naaste besloten ligt, zoals boven gezegd
is (25° Kw. 1° Art.), evenzo ligt, in het feit dat de mens God dient, besloten, dat
hij aan iedere geeft wat hij verschuldigd is.
Articulus 2. Sluit de rechtvaardigheid altijd verhouding tot een ander in?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod iustitia non semper sit ad alterum. Dicit
enim apostolus, ad Rom. III, quod iustitia Dei est per fidem Iesu Christi. Sed fides
non dicitur per comparationem unius hominis ad alterum. Ergo neque iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet altijd verhouding tot een ander insluit.
— 1. De Apostel immers zegt in de Brief aan de Romeinen (3. 22): « De gerechtigheid
Gods is, door het geloof in Jesus Christus ». Welnu, het geloof zegt niet, verhouding
van de ene mens tot de andere. Dus ook de rechtvaardigheid niet.
Praeterea, secundum Augustinum, in libro de moribus Eccles., ad iustitiam pertinet,
ob hoc quod servit Deo, bene imperare ceteris, quae homini sunt subiecta. Sed appetitus
sensitivus est homini subiectus, ut patet Gen. IV, ubi dicitur, subter te erit appetitus
eius, scilicet peccati, et tu dominaberis illius. Ergo ad iustitiam pertinet dominari
proprio appetitui. Et sic erit iustitia ad seipsum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 arg. 2)
2 — Volgens Augustinus komt aan de rechtvaardigheid toe « op gepaste wijze te bevelen
aan al wat aan de mens onderworpen is », omdat zij God dient. Welnu, zoals blijkt
uit het Boek der Schepping (4. 7), waarin wordt gezegd: « De begeerte (tot zonde)
is in U, maar gij zult ze beheersen », is het zinnelijk streefvermogen aan de mens
onderworpen. Derhalve komt het aan de rechtvaardigheid toe te heersen over de eigen
begeerte. En zo bestaat er ook rechtvaardigheid met betrekking tot zichzelf.
Praeterea, iustitia Dei est aeterna. Sed nihil aliud fuit Deo coaeternum. Ergo de
ratione iustitiae non est quod sit ad alterum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 arg. 3)
3 — Gods rechtvaardigheid is eeuwig. Welnu, niets was aan God mede-eeuwig. Dus behoort
het niet tot de wezenheid van de rechtvaardigheid, verhouding tot een ander in te
sluiten.
Praeterea, sicut operationes quae sunt ad alterum indigent rectificari, ita etiam
operationes quae sunt ad seipsum. Sed per iustitiam rectificantur operationes, secundum
illud Prov. XI, iustitia simplicis dirigit viam eius. Ergo iustitia non solum est
circa ea quae sunt ad alterum, sed etiam circa ea quae sunt ad seipsum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 arg. 4)
4 — Evenals de handelingen met betrekking tot een ander, moeten worden geregeld, evenzo
de handelingen met betrekking tot zichzelf. Welnu, door de rechtvaardigheid worden
de handelingen geregeld, volgens het woord uit het Boek der Spreuken (11. 5): « De
gerechtigheid van de rechtvaardige leidt zijn weg ». Derhalve slaat de rechtvaardigheid
niet alleen op datgene wat verhouding tot een ander insluit, maar tevens op datgene
wat verhouding zegt tot de betrokken mens zelf.
Sed contra est quod Tullius dicit, in I de Offic., quod iustitiae ea ratio est qua
societas hominum inter ipsos, et vitae communitas continetur. Sed hoc importat respectum
ad alterum. Ergo iustitia est solum circa ea quae sunt ad alterum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat dat Tullius zegt dat « die regeling waardoor de gemeenschap van
mensen onder elkaar, en het gemeenschappelijk leven wordt behouden », tot de rechtvaardigheid
behoort. Welnu, dit sluit verhouding tot een ander in. Dus slaat de rechtvaardigheid
alleen op die dingen die verhouding tot een ander insluiten.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, cum nomen iustitiae aequalitatem
importet, ex sua ratione iustitia habet quod sit ad alterum, nihil enim est sibi aequale,
sed alteri. Et quia ad iustitiam pertinet actus humanos rectificare, ut dictum est,
necesse est quod alietas ista quam requirit iustitia, sit diversorum agere potentium.
Actiones autem sunt suppositorum et totorum, non autem, proprie loquendo, partium
et formarum, seu potentiarum, non enim proprie dicitur quod manus percutiat, sed homo
per manum; neque proprie dicitur quod calor calefaciat, sed ignis per calorem. Secundum
tamen similitudinem quandam haec dicuntur. Iustitia ergo proprie dicta requirit diversitatem
suppositorum, et ideo non est nisi unius hominis ad alium. Sed secundum similitudinem
accipiuntur in uno et eodem homine diversa principia actionum quasi diversa agentia,
sicut ratio et irascibilis et concupiscibilis. Et ideo metaphorice in uno et eodem
homine dicitur esse iustitia, secundum quod ratio imperat irascibili et concupiscibili,
et secundum quod hae obediunt rationi, et universaliter secundum quod unicuique parti
hominis attribuitur quod ei convenit. Unde philosophus, in V Ethic., hanc iustitiam
appellat secundum metaphoram dictam. (IIa-IIae q. 58 a. 2 co.)
Daar de term « rechtvaardigheid » een zekere gelijkheid zegt, zoals boven (57° Kw.
1° Art.) gezegd is, behoort het tot het wezen van de rechtvaardigheid, verhouding
tot een ander in te sluiten. Niets immers is gelijk aan zichzelf, maar aan een ander.
En omdat het aan de rechtvaardigheid toekomt de menselijke daden te regelen, zoals
werd gezegd (I. II. 60° Kw. 2° Art.; 61° Kw. 3° Art.; 113° Kw. 1° Art.), daarom moet
de gelijkheid, die door de rechtvaardigheid wordt vereist, bestaan tussen onderscheidene,
handelende subjecten. De handelingen nu gaan uit van de persoon en van het geheel,
en, in eigenlijke zin, niet van het deel, van de vorm of het vermogen. Men zegt niet,
in eigenlijke zin, dat de hand slaat, maar de mens, door de hand; ook niet dat de
warmte verwarmt, maar het vuur door de warmte. Zo iets zegt men slechts volgens een
zekere gelijkenis. Rechtvaardigheid in eigenlijke zin vereist dus onderscheiden subjecten;
en daarom bestaat zij slechts van de ene mens tot de andere. Naar een zekere gelijkenis
echter worden in een en dezelfde mens onderscheiden beginselen van handeling opgevat
als onderscheidene handelende subjecten: zoals de rede, het weerstrevend- en het begeervermogen.
En derhalve wordt op overdrachtelijke wijze gezegd, dat de rechtvaardigheid bestaat
in eenzelfde mens, voor zover de rede het weerstrevend- en het begeervermogen beveelt,
en deze aan de rede gehoorzamen, en, in 't algemeen, voor zover aan ieder deel van
de mens gegeven wordt wat eraan toekomt. Daarom noemt de Wijsgeer deze rechtvaardigheid,
rechtvaardigheid « in overdrachtelijke zin ».
Ad primum ergo dicendum quod iustitia quae fit per fidem in nobis, est per quam iustificatur
impius, quae quidem in ipsa debita ordinatione partium animae consistit, sicut supra
dictum est, cum de iustificatione impii ageretur. Hoc autem pertinet ad iustitiam
metaphorice dictam, quae potest inveniri etiam in aliquo solitariam vitam agente. (IIa-IIae q. 58 a. 2 ad 1)
1 — De rechtvaardigheid, die door het geloof in ons komt, is die waardoor de zondaar wordt
gerechtvaardigd, en die bestaat in de vereiste ordening van de delen der ziel, zoals
boven werd gezegd waar het ging over de rechtvaardigmaking van de zondaar (I. II.
113° Kw. 1° Art.). Dit echter valt onder de rechtvaardigheid in overdrachtelijke zin,
die zelfs kan bestaan in iemand die een afgezonderd leven leidt. Hieruit blijkt ook
het antwoord op de tweede bedenking.
Et per hoc patet responsio ad secundum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 ad 2)
2 — Wat de wil en het eeuwige raadsbesluit betreft, is Gods rechtvaardigheid van alle
eeuwigheid: en hierin voornamelijk bestaat de rechtvaardigheid. Naar het uitwerksel
is zij nochtans niet van alle eeuwigheid: want niets is mede-eeuwig aan God.
Ad tertium dicendum quod iustitia Dei est ab aeterno secundum voluntatem et propositum
aeternum, et in hoc praecipue iustitia consistit. Quamvis secundum effectum non sit
ab aeterno, quia nihil est Deo coaeternum. (IIa-IIae q. 58 a. 2 ad 3)
3 — De handelingen van de mens met betrekking tot zichzelf, zijn voldoende geregeld wanneer
de hartstochten door de zedelijke deugden geregeld zijn. De handelingen echter, die
een verhouding tot een ander insluiten, hebben een bijzondere regeling nodig, niet
enkel met betrekking tot het handelend subject, maar tevens met betrekking tot hem
tot wie zij zich verhouden. En daarom is er voor hen een speciale deugd, namelijk
de rechtvaardigheid.
Ad quartum dicendum quod actiones quae sunt hominis ad seipsum sufficienter rectificantur
rectificatis passionibus per alias virtutes morales. Sed actiones quae sunt ad alterum
indigent speciali rectificatione, non solum per comparationem ad agentem, sed etiam
per comparationem ad eum ad quem sunt. Et ideo circa eas est specialis virtus, quae
est iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 2 ad 4)
Articulus 3. Is de rechtvaardigheid een deugd?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod iustitia non sit virtus. Dicitur enim Luc.
XVII, cum feceritis omnia quae praecepta sunt vobis, dicite, servi inutiles sumus,
quod debuimus facere fecimus. Sed non est inutile facere opus virtutis, dicit enim
Ambrosius, in II de Offic., utilitatem non pecuniarii lucri aestimationem dicimus,
sed acquisitionem pietatis. Ergo facere quod quis debet facere non est opus virtutis.
Est autem opus iustitiae. Ergo iustitia non est virtus. (IIa-IIae q. 58 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen deugd is. — 1. Bij Lucas (17. 10) immers
staat geschreven: « Zo moet gij ook, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is,
nog zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar gedaan, wat wij moesten
doen ». Welnu, daden van deugd stellen is niet onnuttig: want Ambrosius zegt: « Nuttig
heten wij niet datgene wat in goudwaarde wordt geschat, maar het aanwerven van de
deugd ». Derhalve is doen wat men doen moet geen daad van deugd. Het is echter een
daad van rechtvaardigheid. Dus is de rechtvaardigheid geen deugd.
Praeterea, quod fit ex necessitate non est meritorium. Sed reddere alicui quod suum
est, quod pertinet ad iustitiam, est necessitatis. Ergo non est meritorium. Actibus
autem virtutum meremur. Ergo iustitia non est virtus. (IIa-IIae q. 58 a. 3 arg. 2)
2 — Wat uit noodzaak gedaan wordt is niet verdienstelijk. Welnu, aan iemand geven wat
het zijne is – en dat komt aan de rechtvaardigheid toe – geschiedt uit noodzaak. Derhalve
is het niet verdienstelijk. Door daden van deugd echter verwerven wij verdiensten.
Dus is de rechtvaardigheid geen deugd.
Praeterea, omnis virtus moralis est circa agibilia. Ea autem quae exterius constituuntur
non sunt agibilia, sed factibilia, ut patet per philosophum, in IX Metaphys. Cum igitur
ad iustitiam pertineat exterius facere aliquod opus secundum se iustum, videtur quod
iustitia non sit virtus moralis. (IIa-IIae q. 58 a. 3 arg. 3)
3 — Elke zedelijke deugd heeft betrekking op de daad. Maar datgene wat naar buiten uit
wordt gemaakt, is niet de daad maar het maaksel, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Daar
het nu aan de rechtvaardigheid toekomt een op zichzelf rechtvaardig werk naar buiten
uit te maken, lijkt zij wel geen zedelijke deugd te zijn.
Sed contra est quod Gregorius dicit, in II Moral., quod in quatuor virtutibus, scilicet
temperantia, prudentia, fortitudine et iustitia, tota boni operis structura consurgit. (IIa-IIae q. 58 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Gregorius zegt: «Heel de structuur van het goede werk
ontstaat door de vier deugden»: matigheid, verstandigheid, sterkte en rechtvaardigheid.
Respondeo dicendum quod virtus humana est quae bonum reddit actum humanum, et ipsum
hominem bonum facit. Quod quidem convenit iustitiae. Actus enim hominis bonus redditur
ex hoc quod attingit regulam rationis, secundum quam humani actus rectificantur. Unde
cum iustitia operationes humanas rectificet, manifestum est quod opus hominis bonum
reddit. Et ut Tullius dicit, in I de Offic., ex iustitia praecipue viri boni nominantur.
Unde, sicut ibidem dicit, in ea virtutis splendor est maximus. (IIa-IIae q. 58 a. 3 co.)
De menselijke deugd is «die welke de menselijke daad, en ook de mens zelf goed maakt».
Dit nu doet de rechtvaardigheid. De daad van de mens immers wordt goed, doordat zij
gesteld wordt overeenkomstig de norm der rede, waarnaar de menselijke daden worden
geregeld. Daar nu de rechtvaardigheid de menselijke handelingen regelt, blijkt het
dat zij het werk van de mens goed maakt. En, zoals Tullius zegt « worden de mensen
vooral om de rechtvaardigheid goed genoemd ». Daarom « is de glans van de deugd in
haar het hoogst » zoals hij op dezelfde plaats zegt.
Ad primum ergo dicendum quod cum aliquis facit quod debet, non affert utilitatem lucri
ei cui facit quod debet, sed solum abstinet a damno eius. Sibi tamen facit utilitatem,
inquantum spontanea et prompta voluntate facit illud quod debet, quod est virtuose
agere. Unde dicitur Sap. VIII quod sapientia Dei sobrietatem et iustitiam docet, prudentiam
et virtutem; quibus in vita nihil est utilius hominibus, scilicet virtuosis. (IIa-IIae q. 58 a. 3 ad 1)
1 — Wanneer iemand doet wat hij moet, dan draagt hij niet bij tot het geldelijke voordeel
van hem aan wie hij doet wat hij moet, maar dan onthoudt hij zich alleen ervan hem
schade toe te brengen. Echter maakt hij het zichzelf ten nutte, in zover hij met spontanen
en vaardigen wil doet wat hij moet, en dat is deugdzaam handelen. Daarom wordt in
het Boek der Wijsheid (8. 7) gezegd: De wijsheid Gods « leert de matigheid en de rechtvaardigheid,
de verstandigheid en de sterkte; niets is, in het leven, nuttiger voor de mensen »,
nl. voor de deugdzamen.
Ad secundum dicendum quod duplex est necessitas. Una coactionis, et haec, quia repugnat
voluntati, tollit rationem meriti. Alia autem est necessitas ex obligatione praecepti,
sive ex necessitate finis, quando scilicet aliquis non potest consequi finem virtutis
nisi hoc faciat. Et talis necessitas non excludit rationem meriti, inquantum aliquis
hoc quod sic est necessarium voluntarie agit. Excludit tamen gloriam supererogationis,
secundum illud I ad Cor. IX, si evangelizavero, non est mihi gloria, necessitas enim
mihi incumbit. (IIa-IIae q. 58 a. 3 ad 2)
2 — Er bestaan twee soorten van noodzakelijkheid. Een eerste, uit dwang: daar deze indruist
tegen de wil, neemt zij de verdienste weg. Een tweede noodzakelijkheid ontstaat krachtens
de verplichting van een voorschrift, of uit een noodzakelijk te bereiken doel, dan
namelijk wanneer iemand het doel van de deugd niet bereiken kan zonder dit bepaalde
te doen. Zulke noodzakelijke gelijkheid nu sluit de verdienste niet uit, voor zover
men willens doet wat derwijze noodzakelijk is. Toch sluit zij de roem van wat meer
dan opgelegd is uit, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (9. 16)
« Indien ik het evangelie verkondig, strekt dit mij niet tot roem: want dit is mijn
plicht ».
Ad tertium dicendum quod iustitia non consistit circa exteriores res quantum ad facere,
quod pertinet ad artem, sed quantum ad hoc quod utitur eis ad alterum. (IIa-IIae q. 58 a. 3 ad 3)
3 — De rechtvaardigheid verhoudt zich niet tot de uiterlijke dingen, voor zover die gemaakt
worden — dat komt aan de kunst toe — maar voor zover zij ze gebruikt met betrekking
tot een ander.
Articulus 4. Is de rechtvaardigheid in de wil als in haar subject?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod iustitia non sit in voluntate sicut in subiecto.
Iustitia enim quandoque veritas dicitur. Sed veritas non est voluntatis, sed intellectus.
Ergo iustitia non est in voluntate sicut in subiecto. (IIa-IIae q. 58 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet in de wil als in haar subject is. — 1. Soms
wordt de rechtvaardigheid waarheid genoemd. De waarheid nu is niet iets van de wil,
maar van het verstand. Derhalve is de rechtvaardigheid niet in de wil als in haar
subject.
Praeterea, iustitia est circa ea quae sunt ad alterum. Sed ordinare aliquid ad alterum
est rationis. Iustitia ergo non est in voluntate sicut in subiecto, sed magis in ratione. (IIa-IIae q. 58 a. 4 arg. 2)
2 — De rechtvaardigheid slaat op die dingen, die tot een ander geordend zijn. Welnu, iets
tot een ander ordenen komt aan de rede toe. De rechtvaardigheid is dus niet in de
wil maar veeleer in het verstand, als in haar subject.
Praeterea, iustitia non est virtus intellectualis, cum non ordinetur ad cognitionem.
Unde relinquitur quod sit virtus moralis. Sed subiectum virtutis moralis est rationale
per participationem, quod est irascibilis et concupiscibilis, ut patet per philosophum,
in I Ethic. Ergo iustitia non est in voluntate sicut in subiecto, sed magis in irascibili
et concupiscibili. (IIa-IIae q. 58 a. 4 arg. 3)
3 — De rechtvaardigheid is geen verstandelijke deugd, wijl zij niet tot het kennen geordend
is. Vandaar blijft alleen, dat zij een zedelijke deugd is. Welnu, het subject van
een zedelijke deugd is het «redelijke-door-deelhebbing», nl. het weerstrevende het
begeervermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve is de rechtvaardigheid niet
in de wil als in haar subject, maar veeleer in het weerstrevende en het begeervermogen.
Sed contra est quod Anselmus dicit, quod iustitia est rectitudo voluntatis propter
se servata. (IIa-IIae q. 58 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Anselmus zegt: «De rechtvaardigheid is de rechtgeordendheid
van de wil, om zichzelf onderhouden».
Respondeo dicendum quod illa potentia est subiectum virtutis ad cuius potentiae actum
rectificandum virtus ordinatur. Iustitia autem non ordinatur ad dirigendum aliquem
actum cognoscitivum, non enim dicimur iusti ex hoc quod recte aliquid cognoscimus.
Et ideo subiectum iustitiae non est intellectus vel ratio, quae est potentia cognoscitiva.
Sed quia iusti dicimur in hoc quod aliquid recte agimus; proximum autem principium
actus est vis appetitiva; necesse est quod iustitia sit in aliqua vi appetitiva sicut
in subiecto. Est autem duplex appetitus, scilicet voluntas, quae est in ratione; et
appetitus sensitivus consequens apprehensionem sensus, qui dividitur per irascibilem
et concupiscibilem, ut in primo habitum est. Reddere autem unicuique quod suum est
non potest procedere ex appetitu sensitivo, quia apprehensio sensitiva non se extendit
ad hoc quod considerare possit proportionem unius ad alterum, sed hoc est proprium
rationis. Unde iustitia non potest esse sicut in subiecto in irascibili vel concupiscibili,
sed solum in voluntate. Et ideo philosophus definit iustitiam per actum voluntatis,
ut ex supradictis patet. (IIa-IIae q. 58 a. 4 co.)
De deugd heeft als subject het vermogen, waarvan de act door haar wordt geregeld.
De rechtvaardigheid nu is niet geordend tot het regelen van een kenact: wij worden
immers niet rechtvaardig genoemd, door het feit dat wij iets met juistheid kennen.
En daarom is het subject van de recht- vaardigheid niet het verstand of de rede, die
een kenvermogen zijn. Daar wij echter rechtvaardig genoemd worden omdat wij iets gerecht
doen, en het naaste beginsel van de handeling het streefvermogen is, daarom is de
rechtvaardigheid noodzakelijk in een streefvermogen als in haar subject. Er is echter
een dubbel streefvermogen, nl. de wil die in de rede wortelt, en het zinnelijk streefvermogen,
dat op de zintuiglijke kennis volgt, en verdeeld wordt in weerstrevend en begeervermogen,
zoals in het Eerste Deel (81° Kw. 2° Art.) gezegd is. Aan iedere geven wat hem toekomt
kan echter niet uitgaan van het zinnelijk streefvermogen: want het zintuiglijk kennen
reikt niet tot de beschouwing van de verhouding van het ene tot het andere, maar dit
is eigen aan de rede. Daarom kan de rechtvaardigheid noch in het weerstrevend, noch
in het begeervermogen zijn als in haar subject maar enkel in de wil. En daarom bepaalt
de Wijsgeer de rechtvaardigheid door de wilsdaad, zoals blijkt uit wat gezegd is (1°
Art.).
Ad primum ergo dicendum quod quia voluntas est appetitus rationalis, ideo rectitudo
rationis, quae veritas dicitur, voluntati impressa, propter propinquitatem ad rationem,
nomen retinet veritatis. Et inde est quod quandoque iustitia veritas vocatur. (IIa-IIae q. 58 a. 4 ad 1)
1 — Daar de wil het redelijk streefvermogen is, behoudt de rechtgeordendheid van de rede,
die waarheid wordt genoemd, deze naam, wanneer zij tot in de wil, om reden van zijn
verwantschap met de rede, doordringt. Vandaar wordt de rechtvaardigheid soms waarheid
genoemd.
Ad secundum dicendum quod voluntas fertur in suum obiectum consequenter ad apprehensionem
rationis. Et ideo, quia ratio ordinat in alterum, voluntas potest velle aliquid in
ordine ad alterum, quod pertinet ad iustitiam. (IIa-IIae q. 58 a. 4 ad 2)
2 — Het uitgaan van de wil naar zijn voorwerp, volgt op de kennis van de rede. En daar
de rede tot iets anders ordent, daarom kan de wil iets willen met betrekking tot een
ander, en dat valt onder de rechtvaardigheid.
Ad tertium dicendum quod rationale per participationem non solum est irascibilis et
concupiscibilis, sed omnino appetitivum, ut dicitur in I Ethic., quia omnis appetitus
obedit rationi. Sub appetitivo autem comprehenditur voluntas. Et ideo voluntas potest
esse subiectum virtutis moralis. (IIa-IIae q. 58 a. 4 ad 3)
3 — Niet alleen het weerstrevend en het begeervermogen hebben deel aan het redelijke,
maar « elk streefvermogen », zoals in de Ethica wordt gezegd: want elk streefvermogen
gehoorzaamt aan de rede. De wil nu valt ook onder het streefvermogen. En bijgevolg
kan de wil het subject zijn van een zedelijke deugd.
Articulus 5. Is de rechtvaardigheid een algemene deugd?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod iustitia non sit virtus generalis. Iustitia
enim condividitur aliis virtutibus, ut patet Sap. VIII, sobrietatem et iustitiam docet,
prudentiam et virtutem. Sed generale non condividitur seu connumeratur speciebus sub
illo generali contentis. Ergo iustitia non est virtus generalis. (IIa-IIae q. 58 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen algemene deugd is. — 1. De rechtvaardigheid
wordt samen met de andere deugden ingeschakeld in de verdeling der deugden, zoals
blijkt in het Boek der Wijsheid (8. 7): (De goddelijke Wijsheid) « leert matigheid
en rechtvaardigheid, verstandigheid en sterkte ». Het algemene nu wordt niet medeverdeeld
of opgesomd met de soorten die onder dat algemene vallen. Derhalve is de rechtvaardigheid
geen algemene deugd.
Praeterea, sicut iustitia ponitur virtus cardinalis, ita etiam temperantia et fortitudo.
Sed temperantia vel fortitudo non ponitur virtus generalis. Ergo neque iustitia debet
aliquo modo poni virtus generalis. (IIa-IIae q. 58 a. 5 arg. 2)
2 — Evenals de rechtvaardigheid, worden ook de matigheid en de sterkte als kardinale deugden
aanzien. Welnu, noch de matigheid noch de sterkte worden voor algemene deugden gehouden.
Dus moet ook de rechtvaardigheid niet op een of andere wijze als algemene deugd worden
beschouwd.
Praeterea, iustitia est semper ad alterum, ut supra dictum est. Sed peccatum quod
est in proximum non est peccatum generale, sed dividitur contra peccatum quo peccat
homo contra seipsum. Ergo etiam neque iustitia est virtus generalis. (IIa-IIae q. 58 a. 5 arg. 3)
3 — Rechtvaardigheid sluit altijd betrekking tot een ander in, zoals gezegd is (2° Art.).
Welnu, de zonde die wordt bedreven met betrekking tot de naaste is geen algemene zonde,
maar wordt tegengesteld aan de zonde, die de mens begaat tegen zichzelf. Derhalve
is ook de rechtvaardigheid geen algemene deugd.
Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod iustitia est omnis virtus. (IIa-IIae q. 58 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt dat « de rechtvaardigheid alle deugd
is ».
Respondeo dicendum quod iustitia, sicut dictum est, ordinat hominem in comparatione
ad alium. Quod quidem potest esse dupliciter. Uno modo, ad alium singulariter consideratum.
Alio modo, ad alium in communi, secundum scilicet quod ille qui servit alicui communitati
servit omnibus hominibus qui sub communitate illa continentur. Ad utrumque igitur
se potest habere iustitia secundum propriam rationem. Manifestum est autem quod omnes
qui sub communitate aliqua continentur comparantur ad communitatem sicut partes ad
totum. Pars autem id quod est totius est, unde et quodlibet bonum partis est ordinabile
in bonum totius. Secundum hoc igitur bonum cuiuslibet virtutis, sive ordinantis aliquem
hominem ad seipsum sive ordinantis ipsum ad aliquas alias personas singulares, est
referibile ad bonum commune, ad quod ordinat iustitia. Et secundum hoc actus omnium
virtutum possunt ad iustitiam pertinere, secundum quod ordinat hominem ad bonum commune.
Et quantum ad hoc iustitia dicitur virtus generalis. Et quia ad legem pertinet ordinare
in bonum commune, ut supra habitum est, inde est quod talis iustitia, praedicto modo
generalis, dicitur iustitia legalis, quia scilicet per eam homo concordat legi ordinanti
actus omnium virtutum in bonum commune. (IIa-IIae q. 58 a. 5 co.)
De rechtvaardigheid regelt de mens met betrekking tot een ander, zoals gezegd is (2°
Art.). Dit nu kan op twee manieren voorkomen. Ofwel, tot een ander, beschouwd als
eenling; ofwel, tot een ander, in 't algemeen genomen, zoals namelijk hij, die een
gemeenschap dient, alle mensen dient, die bij die gemeenschap behoren. Naar haar eigen
aard nu beschouwd, kan de rechtvaardigheid zich tot beiden verhouden. Het is klaarblijkelijk,
dat allen, die tot een gemeenschap behoren, tot die gemeenschap in verhouding staan
als delen tot het geheel. Het deel, als zodanig, is iets van het geheel: vandaar ook
kan elk goed van het deel tot het goed van het geheel geordend worden. In overeenstemming
hiermee kan het goed van iedere deugd — laat ze dan de mens regelen met betrekking
tot zichzelf, ofwel met betrekking tot andere individuele personen — teruggebracht
worden tot het algemeen welzijn waartoe de rechtvaardigheid ordent. Hiermee overeenkomstig
kunnen dus de daden van alle deugden onder de rechtvaardigheid vallen, in zover zij
de mens tot het algemeen welzijn ordent. En in die zin wordt de rechtvaardigheid een
algemene deugd genoemd. Daar nu het ordenen tot het algemeen welzijn aan de wet toekomt,
zoals boven (I. II. 90° Kw. 2° Art.) gezegd is, daarom is het, dat die algemene rechtvaardigheid
(algemeen zoals boven werd uiteengezet) wettelijke rechtvaardigheid wordt genoemd;
want door haar handelt de mens in overeenstemming met de wet, die de daden van alle
deugden richt naar het algemeen welzijn.
Ad primum ergo dicendum quod iustitia condividitur seu connumeratur aliis virtutibus
non inquantum est generalis, sed inquantum est specialis virtus, ut infra dicetur. (IIa-IIae q. 58 a. 5 ad 1)
1 — De rechtvaardigheid wordt niet met de andere deugden ingedeeld en opgesomd in zover
zij een algemene, maar wel in zover zij een speciale deugd is, zoals verder zal gezegd
worden (7° Art.).
Ad secundum dicendum quod temperantia et fortitudo sunt in appetitu sensitivo, idest
in concupiscibili et irascibili. Huiusmodi autem vires sunt appetitivae quorundam
bonorum particularium, sicut et sensus est particularium cognoscitivus. Sed iustitia
est sicut in subiecto in appetitu intellectivo, qui potest esse universalis boni,
cuius intellectus est apprehensivus. Et ideo iustitia magis potest esse virtus generalis
quam temperantia vel fortitudo. (IIa-IIae q. 58 a. 5 ad 2)
2 — De matigheid en de sterkte zetelen in het zinnelijk streefvermogen, d.w.z. in het
begeer- en weerstrevend vermogen. Deze vermogens streven naar sommige particuliere
goederen, zoals ook het zintuig het particuliere kent. De rechtvaardigheid echter
zetelt in het verstandelijk streefvermogen, dat kan streven naar het algemeen goede,
waarvan de kennis aan het verstand toekomt. En bijgevolg kan de rechtvaardigheid veel
meer een algemene deugd zijn dan de matigheid of de sterkte.
Ad tertium dicendum quod illa quae sunt ad seipsum sunt ordinabilia ad alterum, praecipue
quantum ad bonum commune. Unde et iustitia legalis, secundum quod ordinat ad bonum
commune, potest dici virtus generalis; et eadem ratione iniustitia potest dici peccatum
commune, unde dicitur I Ioan. III quod omne peccatum est iniquitas. (IIa-IIae q. 58 a. 5 ad 3)
3 — Datgene wat betrekking op onszelf heeft, kan toch tot een ander geordend worden, vooral
daar waar het algemeen welzijn er bij betrokken is. Daarom kan ook de wettelijke rechtvaardigheid,
voor zover ze tot het algemeen welzijn ordent, een algemene deugd genoemd worden;
en om dezelfde reden kan de onrechtvaardigheid een algemene zonde worden genoemd:
daarom wordt bij Joannes (I. 3. 4) gezegd: « Alle zonde is schennis der wet ».
Articulus 6. Valt de rechtvaardigheid, als algemene deugd, naar de wezenheid samen met alle andere
deugden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod iustitia, secundum quod est generalis, sit
idem per essentiam cum omni virtute. Dicit enim philosophus, in V Ethic., quod virtus
et iustitia legalis est eadem omni virtuti, esse autem non est idem. Sed illa quae
differunt solum secundum esse, vel secundum rationem, non differunt secundum essentiam.
Ergo iustitia est idem per essentiam cum omni virtute. (IIa-IIae q. 58 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid, als algemene deugd, naar de wezenheid samenvalt
met alle andere deugden. — 1. De Wijsgeer zegt immers, dat deugd en wettelijke rechtvaardigheid
« hetzelfde zijn als alle deugden, maar alleen verschillen naar het zijn ». Dingen
echter die alleen naar het zijn, ofwel naar een begripsonderscheid verschillen, zijn
naar de wezenheid niet onderscheiden. Derhalve valt de rechtvaardigheid, naar de wezenheid,
samen met alle andere deugden.
Praeterea, omnis virtus quae non est idem per essentiam cum omni virtute, est pars
virtutis. Sed iustitia praedicta, ut ibidem philosophus dicit, non est pars virtutis,
sed tota virtus. Ergo praedicta iustitia est idem essentialiter cum omni virtute. (IIa-IIae q. 58 a. 6 arg. 2)
2 — Iedere deugd, die niet naar de wezenheid met elke deugd samenvalt, is een deel van
de deugd. Welnu, voornoemde rechtvaardige. vaardigheid « is geen deel van de deugd
maar heel de deugd » zoals de Wijsgeer zegt. Dus valt voornoemde rechtvaardigheid
naar de wezenheid samen met alle deugden.
Praeterea, per hoc quod aliqua virtus ordinat actum suum ad altiorem finem, non diversificatur
secundum essentiam habitus, sicut idem est essentialiter habitus temperantiae, etiam
si actus eius ordinetur ad bonum divinum. Sed ad iustitiam legalem pertinet quod actus
omnium virtutum ordinentur ad altiorem finem, idest ad bonum commune multitudinis,
quod praeeminet bono unius singularis personae. Ergo videtur quod iustitia legalis
essentialiter sit omnis virtus. (IIa-IIae q. 58 a. 6 arg. 3)
3 — Een deugd verschilt, in haar natuur van hebbelijkheid, niet van de andere deugden
door het feit dat zij haar daad tot een hoger doel ordent: zo blijft de matigheid,
als hebbelijkheid, wezenlijk dezelfde, ook al wordt haar daad tot het goddelijk goed
geordend. Nu komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de daden van alle deugden
tot een hoger doel te ordenen, nl. tot het algemeen welzijn van de gemeenschap, dat
de voorrang heeft op het goed van de individuele persoon. Derhalve lijkt de wettelijke
rechtvaardigheid naar de wezenheid alle deugd te zijn.
Praeterea, omne bonum partis ordinabile est ad bonum totius, unde si non ordinetur
in illud, videtur esse vanum et frustra. Sed illud quod est secundum virtutem non
potest esse huiusmodi. Ergo videtur quod nullus actus possit esse alicuius virtutis
qui non pertineat ad iustitiam generalem, quae ordinat in bonum commune. Et sic videtur
quod iustitia generalis sit idem in essentia cum omni virtute. (IIa-IIae q. 58 a. 6 arg. 4)
4 — Elk goed van het deel kan tot het goed van het geheel geordend worden: daarom lijkt
het onnuttig en ijdel te zijn wanneer het er niet toe geordend wordt. Wat echter deugdzaam
is kan niet onnuttig en ijdel zijn. Dus lijkt het wel dat geen enkele daad een deugddaad
kan zijn, wanneer ze niet behoort tot de wettelijke rechtvaardigheid, die tot het
algemeen welzijn ordent. Derhalve schijnt het wel dat de wettelijke rechtvaardigheid
naar de wezenheid samenvalt met alle deugden.
Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod multi in propriis quidem
possunt virtute uti, in his autem quae ad alterum non possunt. Et in III Polit. dicit
quod non est simpliciter eadem virtus boni viri et boni civis. Sed virtus boni civis
est iustitia generalis, per quam aliquis ordinatur ad bonum commune. Ergo non est
eadem iustitia generalis cum virtute communi, sed una potest sine alia haberi. (IIa-IIae q. 58 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt: « Velen kunnen deugdzaam handelen
met betrekking tot hun eigen aangelegenheden, maar zij kunnen het niet met betrekking
tot die dingen, die in verhouding staan tot een ander ». En in de Politica zegt hij:
« De deugd van een goed man en van een goed burger zijn niet zonder meer hetzelfde
». De deugd nu van een goede burger is de wettelijke rechtvaardigheid, waardoor hij
tot het algemeen welzijn geordend wordt. Derhalve is de wettelijke rechtvaardigheid
niet hetzelfde als de algemene deugd, maar men kan de een zonder de andere bezitten.
Respondeo dicendum quod generale dicitur aliquid dupliciter. Uno modo, per praedicationem,
sicut animal est generale ad hominem et equum et ad alia huiusmodi. Et hoc modo generale
oportet quod sit idem essentialiter cum his ad quae est generale, quia genus pertinet
ad essentiam speciei et cadit in definitione eius. Alio modo dicitur aliquid generale
secundum virtutem, sicut causa universalis est generalis ad omnes effectus, ut sol
ad omnia corpora, quae illuminantur vel immutantur per virtutem ipsius. Et hoc modo
generale non oportet quod sit idem in essentia cum his ad quae est generale, quia
non est eadem essentia causae et effectus. Hoc autem modo, secundum praedicta, iustitia
legalis dicitur esse virtus generalis, inquantum scilicet ordinat actus aliarum virtutum
ad suum finem, quod est movere per imperium omnes alias virtutes. Sicut enim caritas
potest dici virtus generalis inquantum ordinat actus omnium virtutum ad bonum divinum,
ita etiam iustitia legalis inquantum ordinat actus omnium virtutum ad bonum commune.
Sicut ergo caritas, quae respicit bonum divinum ut proprium obiectum, est quaedam
specialis virtus secundum suam essentiam; ita etiam iustitia legalis est specialis
virtus secundum suam essentiam, secundum quod respicit commune bonum ut proprium obiectum.
Et sic est in principe principaliter, et quasi architectonice; in subditis autem secundario
et quasi ministrative. Potest tamen quaelibet virtus, secundum quod a praedicta virtute,
speciali quidem in essentia, generali autem secundum virtutem, ordinatur ad bonum
commune, dici iustitia legalis. Et hoc modo loquendi iustitia legalis est idem in
essentia cum omni virtute, differt autem ratione. Et hoc modo loquitur philosophus. (IIa-IIae q. 58 a. 6 co.)
Iets kan algemeen worden genoemd op twee manieren. Ten eerste, als gezegde: zo is
« dier » algemeen met betrekking tot mens, paard en dergelijke. In deze zin moet het
algemene naar de wezenheid samenvallen met die dingen waartegenover het algemeen is:
het geslacht immers hoort tot de wezenheid van de soort en wordt in zijn bepaling
opgenomen. — Ten tweede wordt iets algemeen genoemd krachtens zijn vermogen: zo is
een universele oorzaak algemeen met betrekking tot al de uitwerkselen, zoals de zon
met betrekking tot al de lichamen, die door haar kracht verlicht of veranderd worden.
In deze zin moet het algemene niet naar de wezenheid samenvallen met datgene waartegenover
het algemeen is: oorzaak en gevolg zijn immers naar hun wezenheid niet hetzelfde.
Op deze wijze wordt, volgens wat gezegd is (vorig Art.), de wettelijke rechtvaardigheid
een algemene deugd genoemd, voor zover zij namelijk de daden der andere deugden naar
haar einddoel ordent, en dat heet: bij wijze van bevel de andere deugden bewegen.
Zoals immers de liefde een algemene deugd kan worden genoemd, voor zover zij de daden
van alle deugden tot het goddelijke goed ordent, zo ook de wettelijke rechtvaardigheid,
in zover zij de daden van alle deugden op het algemeen welzijn richt. Zoals dus de
liefde, die op het goddelijk goed gericht is als op haar eigen voorwerp, naar de wezenheid
een speciale deugd is, zo ook is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid
een speciale deugd, voor zover zij op het algemeen welzijn gericht is als op haar
eigen voorwerp. En zo bestaat zij hoofdzakelijk in de vorst, als het plan in de bouwmeester,
en secundair in de onderdanen, als in de uitvoerders. Toch mag iedere deugd wettelijke
rechtvaardigheid genoemd worden, voor zover zij tot het algemeen welzijn gericht wordt
door de voornoemde deugd, die naar de wezenheid een speciale, maar om haar beweegkracht
een algemene deugd is. Volgens deze zegswijze valt de wettelijke rechtvaardigheid
naar de wezenheid samen met alle deugden, en is er alleen naar het begrip van onderscheiden.
In deze voege spreekt de Wijsgeer.
Unde patet responsio ad primum et secundum. (IIa-IIae q. 58 a. 6 ad 1)
1 — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste twee bedenkingen.
Ad tertium dicendum quod etiam illa ratio secundum hunc modum procedit de iustitia
legali, secundum quod virtus imperata a iustitia legali iustitia legalis dicitur. (IIa-IIae q. 58 a. 6 ad 3)
3 — Iedere deugd richt, krachtens haar eigen aard, haar eigen daad op haar eigen doel.
Dat zij echter ofwel altijd, ofwel soms op een hoger doel gericht wordt, komt niet
voort uit haar eigen aard, maar er moet een andere hogere deugd bestaan, waardoor
zij op dat doel gericht wordt. Zo moet er dan één hogere deugd bestaan, die alle deugden
op het algemene welzijn richt, en dat is de wettelijke rechtvaardigheid, die naar
de wezenheid van iedere deugd verschilt.
Ad quartum dicendum quod quaelibet virtus secundum propriam rationem ordinat actum
suum ad proprium finem illius virtutis. Quod autem ordinetur ad ulteriorem finem,
sive semper sive aliquando, hoc non habet ex propria ratione, sed oportet esse aliam
superiorem virtutem a qua in illum finem ordinetur. Et sic oportet esse unam virtutem
superiorem quae ordinet omnes virtutes in bonum commune, quae est iustitia legalis,
et est alia per essentiam ab omni virtute. (IIa-IIae q. 58 a. 6 ad 4)
Articulus 7. Bestaat er, buiten de algemene rechtvaardigheid, nog een bijzondere rechtvaardigheid?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod non sit aliqua iustitia particularis praeter
iustitiam generalem. In virtutibus enim nihil est superfluum, sicut nec in natura.
Sed iustitia generalis sufficienter ordinat hominem circa omnia quae ad alterum sunt.
Ergo non est necessaria aliqua iustitia particularis. (IIa-IIae q. 58 a. 7 arg. 1)
1 — Niets bij de deugden is overbodig, evenmin als in de natuur. Welnu, de algemene rechtvaardigheid
regelt op voldoende wijze de mens, met betrekking tot die dingen, die tot een ander
zich verhouden. Een bijzondere rechtvaardigheid is er dus niet nodig.
Praeterea, unum et multa non diversificant speciem virtutis. Sed iustitia legalis
ordinat hominem ad alium secundum ea quae ad multitudinem pertinent, ut ex praedictis
patet. Ergo non est alia species iustitiae quae ordinet hominem ad alterum in his
quae pertinent ad unam singularem personam. (IIa-IIae q. 58 a. 7 arg. 2)
2 — Het ene en het vele veroorzaken in de deugden geen soortelijk verschil. Welnu, de
wettelijke rechtvaardigheid regelt de mens in zijn verhouding tot een ander, voor
al datgene wat de gemeenschap, dus de veelheid betreft, zoals blijkt uit wat vooraf
gezegd is (5° en 6° Art.). Het is derhalve geen andere soort van rechtvaardigheid,
die de mens regelt in zijn ver- houding tot een ander, voor die zaken, die een individueel
persoon betreffen.
Praeterea, inter unam singularem personam et multitudinem civitatis media est multitudo
domestica. Si ergo est iustitia alia particularis per comparationem ad unam personam
praeter iustitiam generalem, pari ratione debet esse alia iustitia oeconomica, quae
ordinet hominem ad bonum commune unius familiae. Quod quidem non dicitur. Ergo nec
aliqua particularis iustitia est praeter iustitiam legalem. (IIa-IIae q. 58 a. 7 arg. 3)
3 — De huiselijke gemeenschap houdt het midden tussen de enkeling en de staatsgemeenschap.
Indien er dus, met betrekking tot de enkeling, buiten de algemene rechtvaardigheid
nog een bijzondere rechtvaardigheid zou bestaan, dan moet er om dezelfde reden een
huiselijke rechtvaardigheid bestaan, die de mens regelt met betrekking tot het algemeen
welzijn van de familie. Dit nu wordt niet aanvaard. Derhalve bestaat er ook geen bijzondere
rechtvaardigheid buiten de algemene rechtvaardigheid.
Sed contra est quod Chrysostomus dicit, super illud Matth. V, beati qui esuriunt et
sitiunt iustitiam, iustitiam autem dicit vel universalem virtutem, vel particularem
avaritiae contrariam. (IIa-IIae q. 58 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus, bij dit woord van Mattheus (5. 6): «
Zalig die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid » opmerkt: « Hij spreekt ofwel
van de algemene rechtvaardigheid, ofwel van de bijzondere, die aan de gierigheid is
tegengesteld ».
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, iustitia legalis non est essentialiter
omnis virtus, sed oportet praeter iustitiam legalem, quae ordinat hominem immediate
ad bonum commune, esse alias virtutes quae immediate ordinant hominem circa particularia
bona. Quae quidem possunt esse vel ad seipsum, vel ad alteram singularem personam.
Sicut ergo praeter iustitiam legalem oportet esse aliquas virtutes particulares quae
ordinant hominem in seipso, puta temperantiam et fortitudinem; ita etiam praeter iustitiam
legalem oportet esse particularem quandam iustitiam, quae ordinet hominem circa ea
quae sunt ad alteram singularem personam. (IIa-IIae q. 58 a. 7 co.)
Zoals gezegd werd (vorig Art.), is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid
niet alle deugden, maar buiten de wettelijke rechtvaardigheid, die de mens onmiddellijk
op het algemeen welzijn richt, moeten er andere deugden zijn, die de mens onmiddellijk
regelen met betrekking tot de particuliere goederen. Deze nu kunnen ofwel onszelf
betreffen, ofwel een andere individuele persoon. Zoals er dus, buiten de wettelijke
rechtvaardigheid, sommige andere deugden moeten zijn, die de mens regelen met betrekking
tot zichzelf, als b.v. de matigheid en de sterkte, zo ook moet er, buiten de wettelijke
rechtvaardigheid een bijzondere rechtvaardigheid bestaan die de mens regelt met betrekking
tot die dingen, die een andere individuele persoon betreffen.
Ad primum ergo dicendum quod iustitia legalis sufficienter quidem ordinat hominem
in his quae sunt ad alterum, quantum ad commune quidem bonum, immediate; quantum autem
ad bonum unius singularis personae, mediate. Et ideo oportet esse aliquam particularem
iustitiam, quae immediate ordinet hominem ad bonum alterius singularis personae. (IIa-IIae q. 58 a. 7 ad 1)
1 — De wettelijke rechtvaardigheid regelt wel voldoende de mens met betrekking tot de
dingen, die zich tot een ander verhouden, wat onmiddellijk het algemeen welzijn betreft,
maar alleen middellijk wat het goed van de individuele persoon aangaat. En derhalve
moet er een bijzondere rechtvaardigheid bestaan, die de mens onmiddellijk regelt met
betrekking tot het goed van een andere individuele persoon.
Ad secundum dicendum quod bonum commune civitatis et bonum singulare unius personae
non differunt solum secundum multum et paucum, sed secundum formalem differentiam,
alia enim est ratio boni communis et boni singularis, sicut et alia est ratio totius
et partis. Et ideo philosophus, in I Polit., dicit quod non bene dicunt qui dicunt
civitatem et domum et alia huiusmodi differre solum multitudine et paucitate, et non
specie. (IIa-IIae q. 58 a. 7 ad 2)
2 — Het algemeen welzijn van de staat en het particuliere goed van de enkeling verschillen
niet alleen naar veel of weinig, maar tussen beide bestaat een formeel verschil: want
de aard van het algemeen welzijn en van het particuliere goed is verschillend, zoals
de aard van het deel en van het geheel. Derhalve zegt de Wijsgeer: « Het is onjuist
te zeggen dat de staat, het huisgezin en dergelijke, alleen naar de hoeveelheid, en
niet soortelijk verschillen ».
Ad tertium dicendum quod domestica multitudo, secundum philosophum, in I Polit., distinguitur
secundum tres coniugationes, scilicet uxoris et viri, patris et filii, domini et servi,
quarum personarum una est quasi aliquid alterius. Et ideo ad huiusmodi personam non
est simpliciter iustitia, sed quaedam iustitiae species, scilicet oeconomica, ut dicitur
in V Ethic. (IIa-IIae q. 58 a. 7 ad 3)
3 — Volgens de Wijsgeer wordt in de huiselijke gemeenschap een driedubbele verbondenheid
onderscheiden: nl. « die van man en vrouw, die van vader en zoon, die van heer en
slaaf »; van die twee personen is de een telkens als iets van de ander. Tegenover
zulken persoon bestaat er dus geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een soort rechtvaardigheid,
nl. de « gezinsrechtvaardigheid », zoals in de Ethica gezegd wordt.
Articulus 8. Heeft de bijzondere rechtvaardigheid een eigen gebied?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod iustitia particularis non habeat materiam
specialem. Quia super illud Gen. II, fluvius quartus ipse est Euphrates, dicit Glossa,
Euphrates frugifer interpretatur. Nec dicitur contra quod vadat, quia iustitia ad
omnes animae partes pertinet. Hoc autem non esset si haberet materiam specialem, quia
quaelibet materia specialis ad aliquam specialem potentiam pertinet. Ergo iustitia
particularis non habet materiam specialem. (IIa-IIae q. 58 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat de bijzondere rechtvaardigheid geen eigen gebied heeft. — 1. Bij dit
woord van het Boek der Schepping (2. 14): « De vierde stroom is de Euphraat », maakt
de Glossa van Augustinus deze bemerking: « Euphraat betekent vruchtdragend; en er
wordt niet gezegd waar hij heenvloeit, omdat de rechtvaardigheid behoort tot al de
delen van de ziel ». Dit nu zou niet zijn, indien zij een speciaal gebied had: want
ieder speciaal gebied wijst op een speciaal vermogen. Dus heeft de bijzondere rechtvaardigheid
geen speciaal gebied.
Praeterea, Augustinus, in libro octogintatrium quaest., dicit quod quatuor sunt animae
virtutes, quibus in hac vita spiritualiter vivitur, scilicet prudentia, temperantia,
fortitudo, iustitia, et dicit quod quarta est iustitia, quae per omnes diffunditur.
Ergo iustitia particularis, quae est una de quatuor virtutibus cardinalibus, non habet
specialem materiam. (IIa-IIae q. 58 a. 8 arg. 2)
2 — Augustinus zegt: « Er zijn vier deugden in de ziel, waardoor wij in dit leven geestelijk
leven, nl. de verstandigheid, de matigheid, de sterkte en de rechtvaardigheid ». En
hij voegt eraan toe dat « de vierde de rechtvaardigheid is die alle doordringt ».
Derhalve heeft de bijzondere rechtvaardigheid, die een der vier kardinale deugden
is, geen speciaal gebied.
Praeterea, iustitia dirigit hominem sufficienter in his quae sunt ad alterum. Sed
per omnia quae sunt huius vitae homo potest ordinari ad alterum. Ergo materia iustitiae
est generalis, non specialis. (IIa-IIae q. 58 a. 8 arg. 3)
3 — De rechtvaardigheid richt op voldoende wijze de mens met betrekking tot die dingen,
die tot een ander in verhouding staan. Alles nu wat in dit leven voorkomt kan de mens
tot een ander richten. Derhalve is het gebied van de rechtvaardigheid algemeen, en
niet speciaal.
Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., ponit iustitiam particularem circa ea
specialiter quae pertinent ad communicationem vitae. (IIa-IIae q. 58 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de wijsgeer een bijzondere rechtvaardigheid erkent,
speciaal met betrekking tot die dingen, die het samenleven van de mensen betreffen.
Respondeo dicendum quod omnia quaecumque rectificari possunt per rationem sunt materia
virtutis moralis, quae definitur per rationem rectam, ut patet per philosophum, in
II Ethic. Possunt autem per rationem rectificari et interiores animae passiones, et
exteriores actiones, et res exteriores quae in usum hominis veniunt, sed tamen per
exteriores actiones et per exteriores res, quibus sibi invicem homines communicare
possunt, attenditur ordinatio unius hominis ad alium; secundum autem interiores passiones
consideratur rectificatio hominis in seipso. Et ideo, cum iustitia ordinetur ad alterum,
non est circa totam materiam virtutis moralis, sed solum circa exteriores actiones
et res secundum quandam rationem obiecti specialem, prout scilicet secundum eas unus
homo alteri coordinatur. (IIa-IIae q. 58 a. 8 co.)
Al wat door de rede kan worden geregeld valt binnen het gebied der zedelijke deugd,
die, zoals blijkt bij de Wijsgeer, bepaald wordt door de geordende rede. Door de rede
nu kunnen én de innerlijke hartstochten van de ziel, én de uiterlijke daden én uitwendige
dingen, die door de mens worden gebruikt, geregeld worden. Toch wordt de ordening
van de ene mens tot de ander beschouwd met betrekking tot de uiterlijke handelingen
en de uitwendige zaken waardoor de mensen onder elkaar gemeenschap hebben; naar de
innerlijke hartstochten echter beschouwt men de ordening van de mens in zichzelf.
En daar nu de rechtvaardigheid verhouding tot een ander insluit, is niet heel het
gebied der zedelijke deugden haar gebied, maar alleen de uiterlijke handelingen, en
de dingen in het licht van een speciaal voorwerp, voor zover nl. door hen de ene mens
tot de ander wordt geordend.
Ad primum ergo dicendum quod iustitia pertinet quidem essentialiter ad unam partem
animae, in qua est sicut in subiecto, scilicet ad voluntatem, quae quidem movet per
suum imperium omnes alias animae partes. Et sic iustitia non directe, sed quasi per
quandam redundantiam ad omnes animae partes pertinet. (IIa-IIae q. 58 a. 8 ad 1)
1 — De rechtvaardigheid behoort essentieel bij dat deel van de ziel, waarin zij zetelt,
nl. bij de wil, die door zijn bevel al de andere delen van de ziel beweegt. En op
die wijze behoort de rechtvaardigheid niet rechtstreeks, maar als door terugwerkende
kracht tot al de delen van de ziel.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, virtutes cardinales dupliciter
accipiuntur. Uno modo, secundum quod sunt speciales virtutes habentes determinatas
materias. Alio modo, secundum quod significant quosdam generales modos virtutis. Et
hoc modo loquitur ibi Augustinus. Dicit enim quod prudentia est cognitio rerum appetendarum
et fugiendarum; temperantia est refrenatio cupiditatis ab his quae temporaliter delectant;
fortitudo est firmitas animi adversus ea quae temporaliter molesta sunt; iustitia
est, quae per ceteras diffunditur, dilectio Dei et proximi, quae scilicet est communis
radix totius ordinis ad alterum. (IIa-IIae q. 58 a. 8 ad 2)
2 — Zoals vroeger gezegd is (I. II. 61e Kw. 3e en 4e Art.), kunnen de kardinale deugden
op een dubbele wijze worden opgevat. Ofwel, voor zover zij soortelijk-bepaalde deugden
zijn met een eigen gebied; ofwel, voor zover zij sommige algemene wijzen van deugd
betekenen. In dezen zin spreekt Augustinus. Immers, hij zegt dat « de verstandigheid
de kennis is van datgene wat begeerd en gemeden moet worden; de matigheid is de beteugeling
van de begeerte naar die dingen, die tijdelijk genot verschaffen; de sterkte is de
kracht van de ziel tegenover die dingen, die tijdelijk onaangenaam zijn; de rechtvaardigheid
is die deugd, die alle andere doordringt, nl. de liefde tot God en tot de naaste »,
en die is de gemeenschappelijke wortel van heel de orde met betrekking tot anderen.
Ad tertium dicendum quod passiones interiores, quae sunt pars materiae moralis, secundum
se non ordinantur ad alterum, quod pertinet ad specialem rationem iustitiae, sed earum
effectus sunt ad alterum ordinabiles, scilicet operationes exteriores. Unde non sequitur
quod materia iustitiae sit generalis. (IIa-IIae q. 58 a. 8 ad 3)
3 — De innerlijke hartstochten, die deel uitmaken van het gebied der zedelijkheid, zijn
uiteraard niet tot een ander ‘geordend’; dit immers behoort tot het specifieke begrip
van de rechtvaardigheid: hun uitwerkselen echter, nl. de uiterlijke handelingen, kunnen
tot een ander worden geordend. Daarom volgt daar niet uit, dat het gebied van de rechtvaardigheid
enkel algemeen is.
Articulus 9. Heeft de rechtvaardigheid betrekking op de hartstochten?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod iustitia sit circa passiones. Dicit enim philosophus,
in II Ethic., quod circa voluptates et tristitias est moralis virtus. Voluptas autem,
idest delectatio, et tristitia sunt passiones quaedam; ut supra habitum est, cum de
passionibus ageretur. Ergo iustitia, cum sit virtus moralis, erit circa passiones. (IIa-IIae q. 58 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert dat de rechtvaardigheid betrekking heeft op de hartstochten. — 1. De Wijsgeer
zegt immers: « De zedelijke deugd heeft betrekking op de lusten en de droefheden ».
De lust nu, d.w.z. het genot, en de droefheid zijn hartstochten, zoals boven gezegd
is (I. II. 23° Kw. 4° Art.), waar over de hartstochten werd gehandeld. Daar nu de
rechtvaardigheid een zedelijke deugd is, heeft zij bijgevolg betrekking op de hartstochten.
Praeterea, per iustitiam rectificantur operationes quae sunt ad alterum. Sed operationes
huiusmodi rectificari non possunt nisi passiones sint rectificatae, quia ex inordinatione
passionum provenit inordinatio in praedictis operationibus; propter concupiscentiam
enim venereorum proceditur ad adulterium, et propter superfluum amorem pecuniae proceditur
ad furtum. Ergo oportet quod iustitia sit circa passiones. (IIa-IIae q. 58 a. 9 arg. 2)
2 — Door de rechtvaardigheid worden die handelingen geregeld, die tot een ander zijn.
Deze handelingen nu kunnen niet worden geregeld tenzij de hartstochten geregeld zijn:
want uit de ongeredeldheid van de hartstochten komt, in bovengenoemde handelingen,
wanorde voort; immers, het is door de begeerte van geslachtelijk genot, dat men overgaat
tot overspel, en door de overdreven liefde voor het geld komt men tot diefstal. Bijgevolg
moet de rechtvaardigheid betrekking hebben op de hartstochten.
Praeterea, sicut iustitia particularis est ad alterum, ita etiam et iustitia legalis.
Sed iustitia legalis est circa passiones, alioquin non se extenderet ad omnes virtutes,
quarum quaedam manifeste sunt circa passiones. Ergo iustitia est circa passiones. (IIa-IIae q. 58 a. 9 arg. 3)
3 — Evenals de bijzondere rechtvaardigheid sluit ook de wettelijke rechtvaardigheid verhouding
tot een ander in. Welnu, de wettelijke rechtvaardigheid heeft betrekking op de hartstochten,
want zonder dat zou zij zich niet uitstrekken tot al de deugden, waaronder sommige
klaarblijkelijk betrekking hebben op de hartstochten. Derhalve heeft de rechtvaardigheid
betrekking op de hartstochten.
Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod est circa operationes. (IIa-IIae q. 58 a. 9 s. c.)
Daartegenover staat echter het woord van de Wijsgeer, dat zij betrekking heeft op
de handelingen.
Respondeo dicendum quod huius quaestionis veritas ex duobus apparet. Primo quidem,
ex ipso subiecto iustitiae, quod est voluntas cuius motus vel actus non sunt passiones,
ut supra habitum est; sed solum motus appetitus sensitivi passiones dicuntur. Et ideo
iustitia non est circa passiones, sicut temperantia et fortitudo, quae sunt irascibilis
et concupiscibilis, sunt circa passiones. Alio modo, ex parte materiae. Quia iustitia
est circa ea quae sunt ad alterum. Non autem per passiones interiores immediate ad
alterum ordinamur. Et ideo iustitia circa passiones non est. (IIa-IIae q. 58 a. 9 co.)
De waarheid in deze kwestie blijkt uit twee dingen. Ten eerste, uit het subject zelf
van de rechtvaardigheid, nl. de wil, wiens bewegingen of daden geen hartstochten zijn,
zoals boven gezegd werd (I. II. 22e Kw. 3e Art.; 59e Kw. 4e Art.); alleen de bewegingen
van het zinnelijk streefvermogen worden hartstochten genoemd. Bijgevolg heeft de rechtvaardigheid
geen betrekking op de hartstochten, zoals de matigheid en de sterkte, die door het
weerstrevend en het begeervermogen gedragen worden. Ten tweede, van de kant van het
gebied der deugd, daar de rechtvaardigheid betrekking heeft op die dingen, die tot
een ander in verhouding staan. Door de innerlijke hartstochten nu zijn wij niet onmiddellijk
tot een ander geordend. Derhalve heeft de rechtvaardigheid geen betrekking op de hartstochten.
Ad primum ergo dicendum quod non quaelibet virtus moralis est circa voluptates et
tristitias sicut circa materiam, nam fortitudo est circa timores et audacias. Sed
omnis virtus moralis ordinatur ad delectationem et tristitiam sicut ad quosdam fines
consequentes, quia, ut philosophus dicit, in VII Ethic., delectatio et tristitia est
finis principalis, ad quem respicientes unumquodque hoc quidem malum, hoc quidem bonum
dicimus. Et hoc modo etiam pertinent ad iustitiam, quia non est iustus qui non gaudet
iustis operationibus, ut dicitur in I Ethic. (IIa-IIae q. 58 a. 9 ad 1)
1 — Niet iedere zedelijke deugd heeft lust en droefheid tot eigen gebied: de sterkte immers
heeft betrekking op de vrees en de dapperheid. Alle zedelijke deugden echter verhouden
zich tot het behagen en de droefheid als tot een doel, dat er het gevolg van is. Want,
zo zegt de Wijsgeer: « Het behagen en de droefheid zijn het voornaamste doel, en overeenkomstig
daarmee noemen wij het ene goed, het andere kwaad »; en zo horen ze tot de rechtvaardigheid,
want « geen rechtvaardige die niet verblijd is door rechtvaardige handelingen », zoals
in de Ethica gezegd wordt.
Ad secundum dicendum quod operationes exteriores mediae sunt quodammodo inter res
exteriores, quae sunt earum materia, et inter passiones interiores, quae sunt earum
principia. Contingit autem quandoque esse defectum in uno eorum sine hoc quod sit
defectus in alio, sicut si aliquis surripiat rem alterius non cupiditate habendi,
sed voluntate nocendi; vel e converso si aliquis alterius rem concupiscat, quam tamen
surripere non velit. Rectificatio ergo operationum secundum quod ad exteriora terminantur,
pertinet ad iustitiam, sed rectificatio earum secundum quod a passionibus oriuntur,
pertinet ad alias virtutes morales, quae sunt circa passiones. Unde surreptionem alienae
rei iustitia impedit inquantum est contra aequalitatem in exterioribus constituendam,
liberalitas vero inquantum procedit ab immoderata concupiscentia divitiarum. Sed quia
operationes exteriores non habent speciem ab interioribus passionibus, sed magis a
rebus exterioribus, sicut ex obiectis; ideo, per se loquendo, operationes exteriores
magis sunt materia iustitiae quam aliarum virtutum moralium. (IIa-IIae q. 58 a. 9 ad 2)
2 — De uitwendige handelingen houden als 't ware het midden tussen de uiterlijke dingen,
die tot haar gebied behoren, en de innerlijke hartstochten, die haar beginsel zijn.
Nu kan in een van beiden een tekort zijn, zonder daarom ook voor te komen in het andere;
zo b.v. wanneer iemand aan een ander een ding ontvreemdt, niet uit begeerte om het
te bezitten, maar met de wil om te benadeelen; of andersom, wanneer iemand iets van
een ander begeert, zonder het daarom te willen ontvreemden. De regeling dus van de
handelingen, die een uiterlijke zaak tot term hebben, komt aan de rechtvaardigheid
toe; maar de regeling van diezelfde handelingen, voor zover zij ontstaan door de hartstochten,
behoort tot de andere zedelijke deugden, die betrekking hebben op de hartstochten.
Vandaar belet de rechtvaardigheid het ontvreemden van eens anders eigendom, in zover
dit ingaat tegen de gelijkheid, die moet bestaan met betrekking tot de uiterlijke
dingen; de vrijgevigheid daarentegen voor zover het voortkomt uit een ongeregelde
begeerte naar rijkdom. Daar nu de uiterlijke handelingen niet soortelijk bepaald worden
door de inwendige hartstochten, maar veeleer door de uiterlijke dingen, als door hun
object, daarom behoren de uiterlijke handelingen uiteraard eerder tot het gebied van
de rechtvaardigheid dan van de andere zedelijke deugden.
Ad tertium dicendum quod bonum commune est finis singularum personarum in communitate
existentium, sicut bonum totius finis est cuiuslibet partium. Bonum autem unius personae
singularis non est finis alterius. Et ideo iustitia legalis, quae ordinatur ad bonum
commune, magis se potest extendere ad interiores passiones, quibus homo aliqualiter
disponitur in seipso, quam iustitia particularis, quae ordinatur ad bonum alterius
singularis personae. Quamvis iustitia legalis principalius se extendat ad alias virtutes
quantum ad exteriores operationes earum, inquantum scilicet praecipit lex fortis opera
facere, et quae temperati, et quae mansueti, ut dicitur in V Ethic. (IIa-IIae q. 58 a. 9 ad 3)
3 — Het algemeen welzijn is het doel van de enkelingen, die in gemeenschap leven, zoals
het goed van het geheel doel is van elk der delen. Het goed echter van een enkeling
is voor de andere enkeling geen doel. En daarom kan veeleer de wettelijke rechtvaardigheid,
die op het algemeen welzijn gericht is, zich uitstrekken tot de innerlijke hartstochten,
waardoor de mens enigszins in zichzelf bepaald is, dan de bijzondere rechtvaardigheid,
die gericht is op het goed van een andere enkeling: hoewel de wettelijke rechtvaardigheid
zich in de eerste plaats uitstrekt tot de andere deugden, met betrekking tot hun uiterlijke
handelingen, voor zover nl. « de wet aan de sterke, aan de matige en de zachtmoedige
de passende werken oplegt », zoals in de Ethica gezegd wordt.
Articulus 10. Is het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod medium iustitiae non sit medium rei. Ratio
enim generis salvatur in omnibus speciebus. Sed virtus moralis in II Ethic. definitur
esse habitus electivus in medietate existens determinata ratione quoad nos. Ergo et
in iustitia est medium rationis, et non rei. (IIa-IIae q. 58 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden is. — 1. De natuur
van het geslacht moet in alle soorten worden behouden. Welnu, in de Ethica wordt de
zedelijke deugd bepaald als « een kiezende hebbelijkheid, die in het midden bestaat,
dat door de rede met betrekking tot ons bepaald is ». Derhalve is ook het midden van
de rechtvaardigheid een redemidden en niet een zaakmidden.
Praeterea, in his quae simpliciter sunt bona non est accipere superfluum et diminutum,
et per consequens nec medium, sicut patet de virtutibus, ut dicitur in II Ethic. Sed
iustitia est circa simpliciter bona, ut dicitur in V Ethic. Ergo in iustitia non est
medium rei. (IIa-IIae q. 58 a. 10 arg. 2)
2 — In de dingen, die goed zijn zonder meer, is het te veel of te weinig, en bijgevolg
ook het midden niet denkbaar: zoals blijkt bij de deugden, gelijk in de Ethica gezegd
is. Welnu, de rechtvaardigheid heeft betrekking op de dingen, die goed zijn zonder
meer, zoals gezegd wordt in de Ethica. Derhalve is het midden van de rechtvaardigheid
geen zaakmidden.
Praeterea, in aliis virtutibus ideo dicitur esse medium rationis et non rei, quia
diversimode accipitur per comparationem ad diversas personas, quia quod uni est multum,
alteri est parum, ut dicitur in II Ethic. Sed hoc etiam observatur in iustitia, non
enim eadem poena punitur qui percutit principem, et qui percutit privatam personam.
Ergo etiam iustitia non habet medium rei, sed medium rationis. (IIa-IIae q. 58 a. 10 arg. 3)
3 — Men zegt, dat het midden van de andere deugden een redemidden en niet een zaakmidden
is, omdat het met betrekking tot verschillende personen kan worden gewijzigd: want
wat voor de een veel is, is voor de ander weinig, zoals in de Ethica gezegd wordt.
Met betrekking tot de rechtvaardigheid nu, wordt hetzelfde in acht genomen: want hij
die de vorst slaat krijgt niet dezelfde straf als hij die een privaat persoon slaat.
Derhalve is ook het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden maar een redemidden.
Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., assignat medium iustitiae secundum proportionalitatem
arithmeticam, quod est medium rei. (IIa-IIae q. 58 a. 10 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de wijsgeer het midden van de rechtvaardigheid bepaalt
naar arithmetische verhouding, en dat is een zaak midden.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, aliae virtutes morales consistunt
principaliter circa passiones, quarum rectificatio non attenditur nisi secundum comparationem
ad ipsum hominem cuius sunt passiones, secundum scilicet quod irascitur et concupiscit
prout debet secundum diversas circumstantias. Et ideo medium talium virtutum non accipitur
secundum proportionem unius rei ad alteram, sed solum secundum comparationem ad ipsum
virtuosum. Et propter hoc in ipsis est medium solum secundum rationem quoad nos. Sed
materia iustitiae est exterior operatio secundum quod ipsa, vel res cuius est usus,
debitam proportionem habet ad aliam personam. Et ideo medium iustitiae consistit in
quadam proportionis aequalitate rei exterioris ad personam exteriorem. Aequale autem
est realiter medium inter maius et minus, ut dicitur in X Metaphys. Unde iustitia
habet medium rei. (IIa-IIae q. 58 a. 10 co.)
Zoals boven gezegd werd (2° Art. 4° Antw.; 8° Art.; I. II. 60° Kw. 2° Art.), hebben
de andere zedelijke deugden voornamelijk betrekking op de hartstochten, wier regeling
alleen geschiedt met het oog op de mens zelf, het subject van die hartstochten, en
wel zo dat hij toont en begeert zoals het past in verschillende omstandigheden. Bijgevolg
wordt het midden bij zulke deugden niet bepaald volgens de verhouding van de ene zaak
tot de andere, maar enkel met betrekking tot de deugdzame zelf. En daarom is het midden
van die deugden alleen een redemidden met betrekking tot ons. Het gebied echter van
de rechtvaardigheid sluit alleen de uiterlijke handeling in, voor zover zijzelf, of
de zaak die zij gebruikt, de passende verhouding heeft tot een andere persoon. En
bijgevolg bestaat het midden van de rechtvaardigheid in de verhoudingsgelijkheid van
een uiterlijke zaak aan een andere persoon. De gelijkheid nu houdt werkelijk het midden
tussen het meer en het minder, zoals in de Metaphysica geleerd wordt. Derhalve is
het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden.
Ad primum ergo dicendum quod hoc medium rei est etiam medium rationis. Et ideo in
iustitia salvatur ratio virtutis moralis. (IIa-IIae q. 58 a. 10 ad 1)
1 — Dit zaakmidden is ook een redemidden, en daarom is de rechtvaardigheid een zedelijke
deugd.
Ad secundum dicendum quod bonum simpliciter dupliciter dicitur. Uno modo, quod est
omnibus modis bonum, sicut virtutes sunt bonae. Et sic in his quae sunt bona simpliciter
non est accipere medium et extrema. Alio modo dicitur aliquid simpliciter bonum quia
est absolute bonum, scilicet secundum suam naturam consideratum, quamvis per abusum
possit fieri malum, sicut patet de divitiis et honoribus. Et in talibus potest accipi
superfluum, diminutum et medium quantum ad homines, qui possunt eis uti vel bene vel
male. Ei sic circa simpliciter bona dicitur esse iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 10 ad 2)
2 — Het goede zonder meer kan op twee manieren worden verstaan. Ten eerste, als datgene
wat onder alle opzichten goed is: zoals de deugden goed zijn. Zo is er in die dingen,
die zonder meer goed zijn, geen sprake van midden en uitersten. Ten tweede wordt iets
zonder meer goed genoemd, omdat het volstrekt goed is, namelijk naar zijn natuur beschouwd,
hoewel het door misbruik slecht zou kunnen worden, zoals blijkt voor rijkdommen en
eer. En in zulke dingen kan er, met betrekking tot de mensen, die ze goed kunnen gebruiken
of misbruiken, sprake zijn van te veel, te weinig en midden. En op die wijze heeft
de rechtvaardigheid betrekking op het goede zonder meer.
Ad tertium dicendum quod iniuria illata aliam proportionem habet ad principem, et
aliam ad personam privatam. Et ideo oportet aliter adaequare utramque iniuriam per
vindictam. Quod pertinet ad diversitatem rei, et non solum ad diversitatem rationis. (IIa-IIae q. 58 a. 10 ad 3)
3 — De toegebrachte smaad staat tot de vorst in een andere verhouding dan tot een privaat
persoon. Daarom is de gelijkheid, die door de straf moet hersteld worden in beide
gevallen niet dezelfde. Dit sluit een zaakverschil en niet alleen een redeverschil
in.
Articulus 11. Is het de daad van de rechtvaardigheid, aan ieder het zijne te geven?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod actus iustitiae non sit reddere unicuique
quod suum est. Augustinus enim, XIV de Trin., attribuit iustitiae subvenire miseris.
Sed in subveniendo miseris non tribuimus eis quae sunt eorum, sed magis quae sunt
nostra. Ergo iustitiae actus non est tribuere unicuique quod suum est. (IIa-IIae q. 58 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet de daad van de rechtvaardigheid is, aan iedere het zijne
te geven. — 1. Augustinus schrijft het « te hulp komen van ongelukkigen » aan de rechtvaardigheid
toe. Welnu, wanneer wij de ongelukkigen te hulp komen, geven wij hun niet het hunne,
maar veeleer het onze. Derhalve is aan iedere het zijne geven, niet de daad van de
rechtvaardigheid.
Praeterea, Tullius, in I de Offic., dicit quod beneficentia, quam benignitatem vel
liberalitatem appellari licet, ad iustitiam pertinet. Sed liberalitatis est de proprio
dare alicui, non de eo quod est eius. Ergo iustitiae actus non est reddere unicuique
quod suum est. (IIa-IIae q. 58 a. 11 arg. 2)
2 — Tullius zegt dat « de weldadigheid, die ook wel goedwillendheid of vrijgevigheid mag
worden genoemd » onder de rechtvaardigheid valt. Welnu, de vrijgevige schenkt het
zijne aan anderen, en niet van wat hun toebehoort. Dus is het niet de daad van de
rechtvaardigheid, aan anderen te geven wat hun toekomt.
Praeterea, ad iustitiam pertinet non solum res dispensare debito modo, sed etiam iniuriosas
actiones cohibere, puta homicidia, adulteria et alia huiusmodi. Sed reddere quod suum
est videtur solum ad dispensationem rerum pertinere. Ergo non sufficienter per hoc
notificatur actus iustitiae quod dicitur actus eius esse reddere unicuique quod suum
est. (IIa-IIae q. 58 a. 11 arg. 3)
3 — Onder de rechtvaardigheid valt niet alleen het verdelen van de dingen op gepaste wijze,
maar evenzeer het beletten van smadelijke handelingen, zoals doodslag, overspel en
dergelijke. Welnu, aan iedere geven wat hem toekomt schijnt alleen te vallen onder
de verdeling van de goederen. Derhalve wordt de daad van de rechtvaardigheid niet
voldoende gekenschetst door te zeggen, dat zij aan iedere geeft wat hem toekomt.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, in I de Offic., iustitia est quae unicuique quod
suum est tribuit, alienum non vindicat, utilitatem propriam negligit ut communem aequitatem
custodiat. (IIa-IIae q. 58 a. 11 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « De rechtvaardigheid is, welke aan
iedere geeft wat hem toekomt, andermans goed niet ontvreemdt, het eigen nut verwaarloost
om de algemene gerechtigheid te bewaren ».
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, materia iustitiae est operatio exterior
secundum quod ipsa, vel res qua per eam utimur, proportionatur alteri personae, ad
quam per iustitiam ordinamur. Hoc autem dicitur esse suum uniuscuiusque personae quod
ei secundum proportionis aequalitatem debetur. Et ideo proprius actus iustitiae nihil
est aliud quam reddere unicuique quod suum est. (IIa-IIae q. 58 a. 11 co.)
Zoals reeds gezegd werd (8e en 10e Art.) behoort tot het gebied van de rechtvaardigheid
de uitwendige handeling, voor zover zij zelf, of het ding dat wij door die handeling
gebruiken, in juiste verhouding staat tot een ander persoon, op wie wij door de rechtvaardigheid
gericht zijn. Wat nu aan iedere persoon, volgens een gelijkheidsverhouding toekomt,
dat wordt het zijne genoemd. En bijgevolg is de eigen daad van de rechtvaardigheid
niets anders dan aan ieder geven wat hem toekomt.
Ad primum ergo dicendum quod iustitiae, cum sit virtus cardinalis, quaedam aliae virtutes
secundariae adiunguntur, sicut misericordia, liberalitas et aliae huiusmodi virtutes,
ut infra patebit. Et ideo subvenire miseris, quod pertinet ad misericordiam sive pietatem,
et liberaliter benefacere, quod pertinet ad liberalitatem, per quandam reductionem
attribuitur iustitiae, sicut principali virtuti. (IIa-IIae q. 58 a. 11 ad 1)
1 — Daar de rechtvaardigheid een kardinale deugd is, worden haar sommige tweederangsdeugden
toegevoegd, zoals de barmhartigheid, de vrijgevigheid en andere deugden van die aard,
zoals verder blijken zal (80e Kw.). En daarom wordt het te hulp komen van ongelukkigen
— wat onder de barmhartigheid of naastenliefde valt — en het vrijgevig weldoen — wat
tot de vrijgevigheid behoort — door herleiding toegeschreven aan de rechtvaardigheid,
als aan de voornamere deugd.
Et per hoc patet responsio ad secundum. (IIa-IIae q. 58 a. 11 ad 2)
2 — Hieruit blijkt het antwoord op de tweede bedenking.
Ad tertium dicendum quod, sicut philosophus dicit, in V Ethic., omne superfluum in
his quae ad iustitiam pertinent lucrum, extenso nomine, vocatur, sicut et omne quod
minus est vocatur damnum. Et hoc ideo, quia iustitia prius est exercita, et communius
exercetur in voluntariis commutationibus rerum, puta emptione et venditione, in quibus
proprie haec nomina dicuntur; et exinde derivantur haec nomina ad omnia circa quae
potest esse iustitia. Et eadem ratio est de hoc quod est reddere unicuique quod suum
est. (IIa-IIae q. 58 a. 11 ad 3)
3 — Zoals de Wijsgeer zegt in de Ethica wordt, door uitbreiding van de betekenis, al het
te veel « winst » genoemd, in dingen die betrekking hebben op de rechtvaardigheid:
evenals elk te weinig « verlies » genoemd wordt. De reden hiervan is, dat de rechtvaardigheid
eerst beoefend werd, en het meest beoefend wordt bij vrije ruilhandel, zoals bij koop
en verkoop, waar die woorden (winst en verlies) in eigenlijke zin worden gebruikt;
daarvan worden die woorden gebruikt voor al wat op de rechtvaardigheid betrekking
heeft. Hetzelfde geldt voor het aan iedere persoon geven wat hem toekomt.
Articulus 12. Is de rechtvaardigheid de voornaamste onder de zedelijke deugden?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod iustitia non praeemineat inter omnes virtutes
morales. Ad iustitiam enim pertinet reddere alteri quod suum est. Ad liberalitatem
autem pertinet de proprio dare, quod virtuosius est. Ergo liberalitas est maior virtus
quam iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de rechtvaardigheid niet de voornaamste is onder de zedelijke deugden.
— 1. Aan een ander geven wat hem toekomt valt onder de rechtvaardigheid. Aan de vrijgevigheid
komt het toe, van het eigene te geven, en dat is deugdzamer. Derhalve is de vrijgevigheid
een grotere deugd dan de rechtvaardigheid.
Praeterea, nihil ornatur nisi per aliquid dignius se. Sed magnanimitas est ornamentum
et iustitiae et omnium virtutum, ut dicitur in IV Ethic. Ergo magnanimitas est nobilior
quam iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 12 arg. 2)
2 — Niets wordt versierd dan alleen door iets waardigers. Welnu, « de grootmoedigheid
is het sieraad, zowel van de rechtvaardigheid als van alle deugden », zoals gezegd
wordt in de Ethica. Derhalve is de grootmoedigheid edeler dan de rechtvaardigheid.
Praeterea, virtus est circa difficile et bonum, ut dicitur in II Ethic. Sed fortitudo
est circa magis difficilia quam iustitia, idest circa pericula mortis, ut dicitur
in III Ethic. Ergo fortitudo est nobilior iustitia. (IIa-IIae q. 58 a. 12 arg. 3)
3 — De deugd heeft betrekking op het moeilijke en het goede, zoals gezegd wordt in de
Ethica. Welnu, de sterkte heeft betrekking op moeilijkere dingen dan de rechtvaardigheid,
namelijk op het doodsgevaar, zoals blijkt uit de Ethica. Derhalve is de sterkte edeler
dan de rechtvaardigheid.
Sed contra est quod Tullius dicit, in I de Offic., in iustitia virtutis splendor est
maximus, ex qua boni viri nominantur. (IIa-IIae q. 58 a. 12 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Tullius zegt: « De glans der deugd is het grootst
in de rechtvaardigheid, want om haar worden de mensen eerlijk genoemd ».
Respondeo dicendum quod si loquamur de iustitia legali, manifestum est quod ipsa est
praeclarior inter omnes virtutes morales, inquantum bonum commune praeeminet bono
singulari unius personae. Et secundum hoc philosophus, in V Ethic., dicit quod praeclarissima
virtutum videtur esse iustitia, et neque est Hesperus neque Lucifer ita admirabilis.
Sed etiam si loquamur de iustitia particulari, praecellit inter alias virtutes morales,
duplici ratione. Quarum prima potest sumi ex parte subiecti, quia scilicet est in
nobiliori parte animae, idest in appetitu rationali, scilicet voluntate; aliis virtutibus
moralibus existentibus in appetitu sensitivo, ad quem pertinent passiones, quae sunt
materia aliarum virtutum moralium. Secunda ratio sumitur ex parte obiecti. Nam aliae
virtutes laudantur solum secundum bonum ipsius virtuosi. Iustitia autem laudatur secundum
quod virtuosus ad alium bene se habet, et sic iustitia quodammodo est bonum alterius,
ut dicitur in V Ethic. Et propter hoc philosophus dicit, in I Rhet., necesse est maximas
esse virtutes eas quae sunt aliis honestissimae, siquidem est virtus potentia benefactiva.
Propter hoc fortes et iustos maxime honorant, quoniam fortitudo est utilis aliis in
bello, iustitia autem et in bello et in pace. (IIa-IIae q. 58 a. 12 co.)
Wanneer het om de wettelijke rechtvaardigheid gaat, is het klaarblijkelijk, dat zij
onder al de zedelijke deugden de heerlijkste is, in zover het algemeen welzijn voornamer
is dan het particuliere goed van een enkeling. Overeenkomstig hiermee zegt de Wijsgeer:
« De heerlijkste onder de deugden schijnt wel de rechtvaardigheid te zijn, en noch
de avondster, noch de morgenster zijn zo bewonderenswaardig ». Zelfs wanneer het gaat
om de bijzondere rechtvaardigheid, munt ook zij uit onder de andere zedelijke deugden,
en wel om een dubbele reden. De eerste reden is het subject: de rechtvaardigheid immers
zetelt in een edeler deel van de ziel, namelijk het redelijk streefvermogen, de wil;
terwijl de andere zedelijke deugden zetelen in het zinnelijk streefvermogen, waartoe
de hartstochten behoren, die het gebied uitmaken van de andere zedelijke deugden.
Een tweede reden wordt aangevoerd van het voorwerp. Want de roem van de andere deugden
steunt enkel op het goed van de deugdzame mens zelf, terwijl de rechtvaardigheid wordt
geroemd om de goede verhouding van de deugdzame mens tot anderen; en op die wijze
is de rechtvaardigheid enigszins het goed van de andere, zoals in de Ethica gezegd
wordt. En hierom zegt de Wijsgeer: « De grootste deugden zijn noodzakelijk die welke
aan anderen weldoen, tenminste indien de deugd het vermogen is om wel te doen. Daarom
wordt aan de sterken en de rechtvaardigen het meest eer bewezen: want de sterkte is
nuttig voor anderen in de oorlog, de rechtvaardigheid echter én in oorlog én in vredestijd
».
Ad primum ergo dicendum quod liberalitas, etsi de suo det, tamen hoc facit inquantum
in hoc considerat propriae virtutis bonum. Iustitia autem dat alteri quod suum est
quasi considerans bonum commune. Et praeterea iustitia observatur ad omnes, liberalitas
autem ad omnes se extendere non potest. Et iterum liberalitas, quae de suo dat, supra
iustitiam fundatur, per quam conservatur unicuique quod suum est. (IIa-IIae q. 58 a. 12 ad 1)
1 — Hoewel de vrijgevigheid van het hare geeft, toch doet zij dat voor zover zij daarin
haar eigen goed ziet. De rechtvaardigheid geeft aan een ander wat hem toekomt, als
het ware met het oog op het algemeen welzijn. — Daarbij wordt de rechtvaardigheid
onderhouden tegenover allen, terwijl de vrijgevigheid niet tot allen kan uitgaan.
— Te meer nog, de vrijgevigheid, die van het hare meedeelt, is gegrondvest op de rechtvaardigheid,
die aan iedere het zijne waarborgt.
Ad secundum dicendum quod magnanimitas, inquantum supervenit iustitiae, auget eius
bonitatem. Quae tamen sine iustitia nec virtutis rationem haberet. (IIa-IIae q. 58 a. 12 ad 2)
2 — De grootmoedigheid verhoogt de waarde van de rechtvaardigheid, voor zover zij eraan
toegevoegd is. Toch zou zij zonder de rechtvaardigheid zelfs geen deugd zijn.
Ad tertium dicendum quod fortitudo consistit circa difficiliora, non tamen est circa
meliora, cum sit solum in bello utilis, iustitia autem et in pace et in bello, sicut
dictum est. (IIa-IIae q. 58 a. 12 ad 3)
3 — De sterkte heeft betrekking op moeilijke aangelegenheden, niet echter op het beste,
wijl zij enkel in de oorlog van nut is: de rechtvaardigheid daarentegen zowel in oorlog
als in vredestijd, zoals gezegd is (in de Leerst.).