Secunda Secundae. Quaestio 82. Over de Toewijding .
Prooemium
Deinde considerandum est de actibus religionis. Et primo, de actibus interioribus,
qui, secundum praedicta, sunt principaliores; secundo, de actibus exterioribus, qui
sunt secundarii. Interiores autem actus religionis videntur esse devotio et oratio.
Primo ergo de devotione agendum est; secundo, de oratione. Circa primum quaeruntur
quatuor. Primo, utrum devotio sit specialis actus. Secundo, utrum sit actus religionis.
Tertio, de causa devotionis. Quarto, de eius effectu. (IIa-IIae q. 82 pr.)
Vervolgens moeten wij onze aandacht wijden aan de daden van godsdienstigheid. En wel
vooreerst aan de innerlijke daden, die volgens het voorafgaande (81e Kw. 7e Art.)
de voornaamste zijn, en vervolgens aan de uiterlijke, die op de tweede plaats komen
(84e Kw.). Nu zegt men, dat toewijding en gebed de innerlijke daden van godsdienstigheid
zijn. Eerst moet dus de toewijding worden behandeld en vervolgens het gebed (83e Kw.).
Over de eerste stellen wij ons vier vragen: 1. Is toewijding een afzonderlijke daad?
2. Is zij een daad van godsdienstigheid? 3. Over de oorzaak van de toewijding. 4.
Over haar gevolgen.
Articulus 1. Is toewijding een afzonderlijke daad?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod devotio non sit specialis actus. Illud enim
quod pertinet ad modum aliorum actuum non videtur esse specialis actus. Sed devotio
videtur pertinere ad modum aliorum actuum, dicitur enim II Paral. XXIX, obtulit universa
multitudo hostias et laudes et holocausta mente devota. Ergo devotio non est specialis
actus. (IIa-IIae q. 82 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat toewijding geen afzonderlijke daad is. Want wat tot de zijnswijze
van andere daden behoort, schijnt geen aparte daad te zijn. Maar de toewijding schijnt
tot de zijnswijze van andere daden te behoren, want in het Tweede Boek Paralipomenon
(29, 31) staat: "De gehele menigte droeg met toewijding van geest offers en ere-gaven
en zoenoffers op. » Dus is toewijding geen afzonderlijke daad.
Praeterea, nullus specialis actus invenitur in diversis generibus actuum. Sed devotio
invenitur in diversis generibus actuum, scilicet in actibus corporalibus et etiam
in spiritualibus, dicitur enim aliquis et devote meditari et devote genu flectere.
Ergo devotio non est specialis actus. (IIa-IIae q. 82 a. 1 arg. 2)
2 — Geen daad van afzonderlijke aard treft men onder meerdere soorten van daden aan. Nu
vindt men toewijding in meerdere soorten van daden, nl. bij daden van het lichaam
en ook bij die van de geest, omdat men van iemand zegt, dat hij met toewijding overweegt
en met toewijding zijn knieën buigt. Dus is toewijding geen afzonderlijke daad.
Praeterea, omnis actus specialis aut est appetitivae aut cognoscitivae virtutis. Sed
devotio neutri earum appropriatur, ut patet discurrenti per singulas species actuum
utriusque partis, quae supra enumeratae sunt. Ergo devotio non est specialis actus. (IIa-IIae q. 82 a. 1 arg. 3)
3 — Iedere daad van afzonderlijke soort is ofwel van een kendeugd of van een streefdeugd.
Maar toewijding is aan geen van beide eigen, zoals duidelijk blijkt, als men alle
soorten daden van beide groepen afzonderlijk nagaat, die vroeger zijn opgesomd (I.
78e Kw. en vlg. I-II. 23e Kw. 4e Art.). Dus is toewijding geen aparte daad.
Sed contra est quod actibus meremur, ut supra habitum est. Sed devotio habet specialem
rationem merendi. Ergo devotio est specialis actus. (IIa-IIae q. 82 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat wij door daden verdiensten verwerven, zoals vroeger
is gezegd (I-II. 21e Kw. 3e en 4e Art.). Nu heeft toewijding een eigen soort verdienstelijkheid.
Dus is zij een aparte daad.
Respondeo dicendum quod devotio dicitur a devovendo, unde devoti dicuntur qui seipsos
quodammodo Deo devovent, ut ei se totaliter subdant. Propter quod et olim apud gentiles
devoti dicebantur qui seipsos idolis devovebant in mortem pro sui salute exercitus,
sicut de duobus Deciis Titus Livius narrat. Unde devotio nihil aliud esse videtur
quam voluntas quaedam prompte tradendi se ad ea quae pertinent ad Dei famulatum. Unde
Exod. XXXV dicitur quod multitudo filiorum Israel obtulit mente promptissima atque
devota primitias domino. Manifestum est autem quod voluntas prompte faciendi quod
ad Dei servitium pertinet est quidam specialis actus. Unde devotio est specialis actus
voluntatis. (IIa-IIae q. 82 a. 1 co.)
Toewijding (devotio) is afgeleid van devovere (zich door geloften wegschenken), en
daarom worden zij toegewijden genoemd, die zichzelf op een of andere manier door geloften
aan God binden om zich geheel aan Hem te onderwerpen. Daarom ook werden zij vroeger
bij de heidenen toegewijden genoemd, die zich door geloften aan de afgoden verbonden
om te sterven ten einde hun leger te redden, zoals Titus Livius verhaalt over de twee
Deciërs. Toewijding is daarom naar het schijnt niets anders dan de wil om zich zonder
dralen te geven aan Gods dienst. Daarom staat er in het Boek van de Uittocht (35,
20-21), dat « de gehele menigte van de zonen van Israël met een in de hoogste maat
bereide en toegewijde geest eerstelingen-offers aan God opdroeg. » Nu is het duidelijk,
dat de bereidwilligheid om zonder dralen te doen wat tot Gods dienst behoort, een
aparte daad is. En daarom is de toewijding een afzonderlijke wilsdaad.
Ad primum ergo dicendum quod movens imponit modum motui mobilis. Voluntas autem movet
alias vires animae ad suos actus, et voluntas secundum quod est finis, movet seipsam
ad ea quae sunt ad finem, ut supra habitum est. Et ideo, cum devotio sit actus voluntatis
hominis offerentis seipsum Deo ad ei serviendum, qui est ultimus finis, consequens
est quod devotio imponat modum humanis actibus, sive sint ipsius voluntatis circa
ea quae sunt ad finem, sive etiam sint aliarum potentiarum quae a voluntate moventur. (IIa-IIae q. 82 a. 1 ad 1)
1 — Wat beweegt geeft aan de beweging van wat bewogen wordt haar zijnswijze. Nu beweegt
de wil de andere zielsvermogens tot hun daden; en in zover de wil op een doel is gericht,
beweegt hij zichzelf tot wat naar dat doel leidt, zoals vroeger gezegd is (I-II. 9e
Kw. 3e Art.). Daar nu toewijding een wilsdaad is van iemand, die zich aan God geeft
om Hem te dienen en God het laatste doel is, bepaalt de toewijding dientengevolge
de zijnswijze van de menselijke daden, hetzij deze van de wil zelf uitgaan naar wat
tot het doel leidt, hetzij zij van andere vermogens komen, die door de wil bewogen
worden.
Ad secundum dicendum quod devotio invenitur in diversis generibus actuum non sicut
species illorum generum, sed sicut motio moventis invenitur virtute in motibus mobilium. (IIa-IIae q. 82 a. 1 ad 2)
2 — Toewijding wordt in verschillende soorten van daden gevonden, niet als datgene wat
er de eigen aard aan geeft, maar zoals men de beweegkracht van wat beweegt vindt in
de bewegingen van de dingen, die bewogen worden.
Ad tertium dicendum quod devotio est actus appetitivae partis animae, et est quidam
motus voluntatis, ut dictum est. (IIa-IIae q. 82 a. 1 ad 3)
3 — Zoals werd gezegd (in de Leerst.), is de toewijding een daad van het streefvermogen
van de ziel en een beweging van de wil.
Articulus 2. Is de toewijding een daad van godsdienstigheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod devotio non sit actus religionis. Devotio
enim, ut dictum est, ad hoc pertinet quod aliquis Deo se tradat. Sed hoc maxime fit
per caritatem, quia, ut Dionysius dicit, IV cap. de Div. Nom., divinus amor extasim
facit, non sinens amantes sui ipsorum esse, sed eorum quae amant. Ergo devotio magis
est actus caritatis quam religionis. (IIa-IIae q. 82 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat toewijding geen daad van godsdienstigheid is. Want zoals werd gezegd
(vorig Art.), valt de toewijding onder het zich geven aan God. Dat echter geschiedt
vooral door de liefde, want, zoals Dionysius zegt, « brengt de goddelijke liefde vervoering
teweeg, daar zij niet toestaat, dat zij die beminnen aan zichzelf toebehoren, maar
aan Wat zij beminnen. » Dus is toewijding eerder een daad van liefde dan van godsdienstigheid.
Praeterea, caritas praecedit religionem. Devotio autem videtur praecedere caritatem,
quia caritas in Scripturis significatur per ignem, devotio vero per pinguedinem, quae
est ignis materia. Ergo devotio non est actus religionis. (IIa-IIae q. 82 a. 2 arg. 2)
2 — Liefde gaat aan godsdienstigheid vooraf. Maar toewijding schijnt weer aan de liefde
vooraf te gaan, omdat de liefde in de H. Schrift door het vuur wordt aangeduid (Hoogl.
8, 6), maar de toewijding door het vet (Ps. 62, 6), dat de brandstof is van het vuur.
Dus is toewijding geen daad van godsdienstigheid.
Praeterea, per religionem homo ordinatur solum ad Deum, ut dictum est. Sed devotio
etiam habetur ad homines, dicuntur enim aliqui esse devoti aliquibus sanctis viris;
et etiam subditi dicuntur esse devoti dominis suis, sicut Leo Papa dicit quod Iudaei,
quasi devoti Romanis legibus, dixerunt, non habemus regem nisi Caesarem. Ergo devotio
non est actus religionis. (IIa-IIae q. 82 a. 2 arg. 3)
3 — Door de godsdienstigheid wordt de mens alleen op God gericht, zoals vroeger werd gezegd
(81e Kw. 1e Art.). Nu heeft men ook toewijding voor mensen, zoals men van sommigen
zegt, dat zij aan heilige mannen zijn toegewijd; en men zegt ook, dat onderdanen aan
hun heersers zijn toegewijd, gelijk Paus Leo zegt, dat « de Joden, als toegewijd aan
de Romeinse wetten zeiden: Wij hebben geen koning dan de Keizer. » Dus is toewijding
geen daad van godsdienstigheid.
Sed contra est quod devotio dicitur a devovendo, ut dictum est. Sed votum est actus
religionis. Ergo et devotio. (IIa-IIae q. 82 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat, zoals werd gezegd (vorig art.), toewijding van zich
door gelofte binden wordt afgeleid. En de gelofte is een daad van godsdienstigheid.
Dus ook de toewijding.
Respondeo dicendum quod ad eandem virtutem pertinet velle facere aliquid, et promptam
voluntatem habere ad illud faciendum, quia utriusque actus est idem obiectum. Propter
quod philosophus dicit, in V Ethic., iustitia est qua volunt homines et operantur
iusta. Manifestum est autem quod operari ea quae pertinent ad divinum cultum seu famulatum
pertinet proprie ad religionem, ut ex praedictis patet. Unde etiam ad eam pertinet
habere promptam voluntatem ad huiusmodi exequenda, quod est esse devotum. Et sic patet
quod devotio est actus religionis. (IIa-IIae q. 82 a. 2 co.)
Het behoort tot dezelfde deugd iets te willen doen en de bereidwilligheid te hebben
om dat te doen, omdat beide daden hetzelfde voorwerp hebben. Daarom zegt de Wijsgeer:
« Het is de rechtvaardigheid, waardoor de mensen het rechtvaardige willen en volbrengen.
» Nu is het duidelijk, dat het doen van wat tot Gods verering en dienst behoort, eigenlijk
aan de godsdienstigheid toekomt, zoals uit het vroeger gezegde (81e Kw.) blijkt. Dus
behoort het ook tot haar bereidwillig te zijn om die dingen te doen; en dat is toegewijd
zijn. En zo blijkt, dat de toewijding een daad van godsdienstigheid is.
Ad primum ergo dicendum quod ad caritatem pertinet immediate quod homo tradat seipsum
Deo adhaerendo ei per quandam spiritus unionem. Sed quod homo tradat seipsum Deo ad
aliqua opera divini cultus, hoc immediate pertinet ad religionem, mediate autem ad
caritatem, quae est religionis principium. (IIa-IIae q. 82 a. 2 ad 1)
1 — Onmiddellijk behoort het tot de liefde, dat de mens zich aan God geeft door Hem in
een geestesvereniging aanhankelijk te zijn. Maar dat de mens zich aan God geeft voor
werken van godsverering, behoort onmiddellijk tot de godsdienstigheid, maar middellijk
tot de liefde als het beginsel van de godsdienstigheid.
Ad secundum dicendum quod pinguedo corporalis et generatur per calorem naturalem digerentem;
et ipsum naturalem calorem conservat quasi eius nutrimentum. Et similiter caritas
et devotionem causat, inquantum ex amore aliquis redditur promptus ad serviendum amico;
et etiam per devotionem caritas nutritur, sicut et quaelibet amicitia conservatur
et augetur per amicabilium operum exercitium et meditationem. (IIa-IIae q. 82 a. 2 ad 2)
2 — Vetheid van het lichaam is zowel product als voedsel der natuurlijke verterende warmte.
Evenzo is de liefde zowel de oorzaak van de toewijding, in zover iemand door liefde
bereidwillig wordt om de vriend te dienen, als haar voedsel; want iedere vriendschap
wordt in stand gehouden en vermeerderd door het doen en overdenken van daden waaruit
vriendschap blijkt.
Ad tertium dicendum quod devotio quae habetur ad sanctos Dei, mortuos vel vivos, non
terminatur ad ipsos, sed transit in Deum, inquantum scilicet in ministris Dei Deum
veneramur. Devotio autem quam subditi dicuntur habere ad dominos temporales alterius
est rationis, sicut et temporalibus dominis famulari differt a famulatu divino. (IIa-IIae q. 82 a. 2 ad 3)
3 — De toewijding, die men voor dode of levende Heiligen Gods heeft, blijft niet bij Hen
staan, maar gaat verder door naar God, in zover wij nl. God eren in Zijn dienaars.
Maar de toewijding, waarvan men zegt, dat onderdanen haar hebben voor hun tijdelijke
heren, is van anderen aard, zoals er ook verschil is tussen het dienen van tijdelijke
meesters en van God.
Articulus 3. Is de beschouwing of overweging oorzaak van toewijding?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod contemplatio, seu meditatio, non sit devotionis
causa. Nulla enim causa impedit suum effectum. Sed subtiles meditationes intelligibilium
multoties devotionem impediunt. Ergo contemplatio, seu meditatio, non est devotionis
causa. (IIa-IIae q. 82 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat beschouwing of overweging geen oorzaak van toewijding is. Want geen
oorzaak belemmert haar gevolg. Maar scherpzinnige overwegingen van verstandelijke
waarheden belemmeren dikwijls de toewijding. Dus is de beschouwing of overweging geen
oorzaak van toewijding.
Praeterea, si contemplatio esset propria et per se devotionis causa, oporteret quod
ea quae sunt altioris contemplationis magis devotionem excitarent. Huius autem contrarium
apparet, frequenter enim maior devotio excitatur ex consideratione passionis Christi,
et aliis mysteriis humanitatis ipsius, quam ex consideratione divinae magnitudinis.
Ergo contemplatio non est propria devotionis causa. (IIa-IIae q. 82 a. 3 arg. 2)
2 — Als de beschouwing eigenlijk en uiteraard oorzaak van toewijding was, moest wat voorwerp
van hogere beschouwing is, meer toewijding teweeg brengen. Maar het tegendeel hiervan
blijkt waar, omdat dikwijls een grotere toewijding wordt opgewekt door het overdenken
van Christus’ lijden en de andere geheimen van Zijn mensheid dan door het overwegen
van Gods grootheid. Dus is overdenken niet de eigenlijke oorzaak van toewijding.
Praeterea, si contemplatio esset propria causa devotionis, oporteret quod illi qui
sunt magis apti ad contemplationem essent etiam magis apti ad devotionem. Huius autem
contrarium videmus, quia devotio frequenter magis invenitur in quibusdam simplicibus
viris et in femineo sexu, in quibus invenitur contemplationis defectus. Ergo contemplatio
non est propria causa devotionis. (IIa-IIae q. 82 a. 3 arg. 3)
3 — Als beschouwing de eigenlijke oorzaak van toewijding was, moesten zij, die meer aanleg
voor de overweging hebben, ook meer aanleg voor toewijding hebben. Maar wij zien het
tegendeel: omdat er dikwijls meer toewijding gevonden wordt bij eenvoudige mannen
en bij het vrouwelijk geslacht, waarin men ook een gemis aan beschouwing aantreft.
Dus is beschouwing niet de eigenlijke oorzaak van toewijding.
Sed contra est quod in Psalm. dicitur, in meditatione mea exardescet ignis. Sed ignis
spiritualis causat devotionem. Ergo meditatio est devotionis causa. (IIa-IIae q. 82 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Psalmen (38, 4) wordt gezegd: "In mijn
overweging ontspringt het vuur. » Nu brengt het geestelijk vuur toewijding voort.
Dus is de overweging oorzaak van toewijding.
Respondeo dicendum quod causa devotionis extrinseca et principalis Deus est; de quo
dicit Ambrosius, super Luc., quod Deus quos dignatur vocat, et quem vult religiosum
facit, et si voluisset, Samaritanos ex indevotis devotos fecisset. Causa autem intrinseca
ex parte nostra, oportet quod sit meditatio seu contemplatio. Dictum est enim quod
devotio est quidam voluntatis actus ad hoc quod homo prompte se tradat ad divinum
obsequium. Omnis autem actus voluntatis ex aliqua consideratione procedit, eo quod
bonum intellectum est obiectum voluntatis, unde et Augustinus dicit, in libro de Trin.,
quod voluntas oritur ex intelligentia. Et ideo necesse est quod meditatio sit devotionis
causa, inquantum scilicet per meditationem homo concipit quod se tradat divino obsequio.
Ad quod quidem inducit duplex consideratio. Una quidem quae est ex parte divinae bonitatis
et beneficiorum ipsius, secundum illud Psalm., mihi adhaerere Deo bonum est, ponere
in domino Deo spem meam. Et haec consideratio excitat dilectionem, quae est proxima
devotionis causa. Alia vero est ex parte hominis considerantis suos defectus, ex quibus
indiget ut Deo innitatur, secundum illud Psalm., levavi oculos meos in montes, unde
veniet auxilium mihi. Auxilium meum a domino, qui fecit caelum et terram. Et haec
consideratio excludit praesumptionem, per quam aliquis impeditur ne Deo se subiiciat,
dum suae virtuti innititur. (IIa-IIae q. 82 a. 3 co.)
De buiten ons staande en voornaamste oorzaak van de toewijding is God, waarvan Ambrosius
zegt, dat "God hen, die Hij zich gewaardigt, roept en die Hij wil, godsdienstig maakt;
en als Hij gewild had, had Hij de Samaritanen van verhard toegewijd gemaakt. » Maar
de inwendige oorzaak van onze kant moet de overweging of beschouwing zijn. Want wij
hebben gezegd (1e Art.), dat de toewijding een wilsdaad is met dit als doel, dat de
mens zich bereidwillig geeft tot het dienen van God. Nu moet iedere wilsdaad uit een
overdenking voortkomen, omdat het begrepen goed het voorwerp is van de wil; daarom
zegt Augustinus dat de wil uit het verstand voortkomt. En daarom is het noodzakelijk,
dat de toewijding de overweging als oorzaak heeft, in zover de mens door de overweging
het plan maakt zich te geven aan het dienen van God. Hiertoe brengt het overwegen
van twee dingen. Ten eerste van de goddelijke goedheid en haar weldaden naar het psalmwoord:
"Het is mij goed met God verenigd te zijn; op God de Heer mijn hoop te stellen » (Ps.
72, 28). En het overwegen hiervan wekt de liefde op, die de naaste oorzaak van de
toewijding is. Daarnaast het overwegen van de gebreken van de kant van de mens, waardoor
hij er behoefte aan heeft op God te steunen naar het psalmwoord: "Ik heb mijn ogen
opgeheven naar de bergen, waarvandaan mij hulp zal komen. Mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde heeft gemaakt » (Ps. 120. 1). Het overwegen hiervan sluit de zelfoverschatting
uit, die een mens belet zich aan God te onderwerpen, omdat hij op eigen kracht steunt.
Ad primum ergo dicendum quod consideratio eorum quae nata sunt dilectionem Dei excitare,
devotionem causant. Consideratio vero quorumcumque ad hoc non pertinentium, sed ab
his mentem distrahentium, impedit devotionem. (IIa-IIae q. 82 a. 3 ad 1)
1 — Het overwegen van wat dient om de liefde tot God op te wekken, veroorzaakt toewijding.
Maar het overdenken van alles, wat daarmee niet te maken heeft, doch de geest ervan
aftrekt, is een hinderpaal voor toewijding.
Ad secundum dicendum quod ea quae sunt divinitatis sunt secundum se maxime excitantia
dilectionem, et per consequens devotionem, quia Deus est super omnia diligendus. Sed
ex debilitate mentis humanae est quod sicut indiget manuduci ad cognitionem divinorum,
ita ad dilectionem, per aliqua sensibilia nobis nota. Inter quae praecipuum est humanitas
Christi, secundum quod in praefatione dicitur, ut dum visibiliter Deum cognoscimus,
per hunc in invisibilium amorem rapiamur. Et ideo ea quae pertinent ad Christi humanitatem,
per modum cuiusdam manuductionis, maxime devotionem excitant, cum tamen devotio principaliter
circa ea quae sunt divinitatis consistat. (IIa-IIae q. 82 a. 3 ad 2)
2 — Wat tot de godheid behoort, is op zichzelf beschouwd het meest opwekkend tot liefde
en dus ook tot toewijding, omdat wij God boven alles moeten beminnen. Maar het komt
van de zwakheid van ’s mensen geest, dat hij, zoals hij langzaam moet worden gebracht
tot het kennen van het goddelijke, zo ook tot toewijding moet komen door onder de
zintuigen vallende dingen, die ons bekend zijn. Het voornaamste daaronder is de mensheid
van Christus volgens het woord uit de Prefatie (van Kerstmis) : « Opdat wij, terwijl
wij God zichtbaar kennen, door Hem worden meegesleept tot het beminnen van wat wij
niet zien." Wat daarom tot Christus’ mensheid behoort, wekt in de hoogste maat, als
een inleiding tot toewijding op, al gaat deze vooral over wat tot de godheid behoort.
Ad tertium dicendum quod scientia, et quidquid aliud ad magnitudinem pertinet, occasio
est quod homo confidat de seipso, et ideo non totaliter se Deo tradat. Et inde est
quod huiusmodi quandoque occasionaliter devotionem impediunt, et in simplicibus et
mulieribus devotio abundat, elationem comprimendo. Si tamen scientiam, et quamcumque
aliam perfectionem, homo perfecte Deo subdat, ex hoc ipso devotio augetur. (IIa-IIae q. 82 a. 3 ad 3)
3 — Wetenschap en al het andere, wat tot groot-zijn behoort, is voor de mens een aanleiding
om op zichzelf te vertrouwen en zich daarom niet geheel aan God te geven. Daarvandaan
komt het, dat deze dingen soms een aanleiding zijn om de toewijding te belemmeren,
en dat bij eenvoudige mensen en vrouwen een overvloed van toewijding wordt gevonden,
die de zelfverheffing neerdrukt. Indien de mens echter zijn wetenschap en iedere andere
volmaaktheid volkomen aan God onderwerpt, wordt de toewijding daardoor groter.
Articulus 4. Is vreugde een gevolg van toewijding?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod laetitia non sit devotionis effectus. Quia,
ut dictum est, passio Christi praecipue ad devotionem excitat. Sed ex eius consideratione
consequitur in anima quaedam afflictio, secundum illud Thren. III, recordare paupertatis
meae, absinthii et fellis, quod pertinet ad passionem; et subditur, memoria memor
ero, et tabescet in me anima mea. Ergo delectatio, sive gaudium, non est devotionis
effectus. (IIa-IIae q. 82 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat vreugde geen gevolg van toewijding is. Want, zoals werd gezegd (3e
Art. 2e Antw.), wekt het lijden van Christus vooral tot toewijding op. Nu wordt
door het overdenken daarvan in de ziel treurigheid teweeggebracht volgens de Klaagliederen
(3, 19) : « Herdenk mijn armoede, de bitterheid en de gal », wat tot het lijden behoort,
en daarop volgt: « Ik zal het zeker herdenken en mijn ziel bezwijmt in mij. » Dus
is genot of vreugde geen gevolg van toewijding.
Praeterea, devotio praecipue consistit in interiori sacrificio spiritus. Sed in Psalm.
dicitur, sacrificium Deo spiritus contribulatus. Ergo afflictio magis est devotionis
effectus quam iucunditas sive gaudium. (IIa-IIae q. 82 a. 4 arg. 2)
2 — Toewijding bestaat vooral in het innerlijke, geestelijke offer. Nu staat er in het
Boek der Psalmen (50, 19) : « Een offer voor God is een vermorzeld gemoed." Dus is
treurigheid eerder een gevolg van toewijding dan opgewektheid of vreugde.
Praeterea, Gregorius Nyssenus dicit, in libro de homine, quod sicut risus procedit
ex gaudio, ita lacrimae et gemitus sunt signa tristitiae. Sed ex devotione contingit
quod aliqui prorumpant in lacrimas. Ergo laetitia, vel gaudium, non est devotionis
effectus. (IIa-IIae q. 82 a. 4 arg. 3)
3 — Gregorius van Nyssa zegt, dat « zoals het lachen van de vreugde komt, zo ook tranen
en zuchten tekens van droefheid zijn. » Maar nu breken soms mensen door hun toewijding
in tranen uit. Dus is vreugde of opgewektheid geen gevolg van toewijding.
Sed contra est quod in collecta dicitur, quos ieiunia votiva castigant, ipsa quoque
devotio sancta laetificet. (IIa-IIae q. 82 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat in een Collecte wordt gezegd (Dond. na de 4e Zond. v.
d. Vasten) : « Moge de heilige toewijding zelf hen verblijden, die het vasten uit
toewijding kastijdt. »
Respondeo dicendum quod devotio per se quidem et principaliter spiritualem laetitiam
mentis causat, ex consequenti autem et per accidens causat tristitiam. Dictum est
enim quod devotio ex duplici consideratione procedit. Principaliter quidem ex consideratione
divinae bonitatis, quia ista consideratio pertinet quasi ad terminum motus voluntatis
tradentis se Deo. Et ex ista consideratione per se quidem sequitur delectatio, secundum
illud Psalm., memor fui Dei, et delectatus sum, sed per accidens haec consideratio
tristitiam quandam causat in his qui nondum plene Deo fruuntur, secundum illud Psalm.,
sitivit anima mea ad Deum vivum, et postea sequitur, fuerunt mihi lacrimae meae et
cetera. Secundario vero causatur devotio, ut dictum est, ex consideratione propriorum
defectuum, nam haec consideratio pertinet ad terminum a quo homo per motum voluntatis
devotae recedit, ut scilicet non in se existat, sed Deo se subdat. Haec autem consideratio
e converso se habet ad primam. Nam per se quidem nata est tristitiam causare, recogitando
proprios defectus, per accidens autem laetitiam, scilicet propter spem divinae subventionis.
Et sic patet quod ad devotionem primo et per se consequitur delectatio, secundario
autem et per accidens tristitia quae est secundum Deum. (IIa-IIae q. 82 a. 4 co.)
Uiteraard en voornamelijk brengt de toewijding wel geestelijke vreugde der ziel teweeg,
maar als gevolg daarvan en toevalligerwijze droefheid. Want wij hebben gezegd (3e
Art.), dat toewijding uit het overwegen van twee dingen voortkomt. En wel voornamelijk
uit het overwegen van de goddelijke goedheid, omdat deze overweging zich als het ware
bezighoudt met de eindterm van de wilsbeweging, die zich aan God overgeeft. En uit
deze overweging volgt eigenlijk wel een genieten naar het psalmwoord: « Ik dacht aan
God en verheugde mij » (Ps. 76, 4), maar als iets bijkomstigs brengt deze overweging
droefheid bij hen teweeg, die nog niet ten volle van God genieten volgens het psalmwoord:
« Mijn ziel dorst naar de levende God," en later volgt daarop: « Mijn tranen waren
mij brood, enz. » (Ps. 41, 3-4). Op de tweede plaats komt toewijding, zoals gezegd
werd (3e Art.), uit het overwegen van de eigen gebreken voort, want deze overweging
houdt zich bezig met het uitgangspunt, waarvan de mens zich door de beweging van de
toegewijde wil verwijdert, dat hij nl. niet meer op zichzelf blijft staan, maar zich
aan God onderwerpt. Met deze overweging echter is het omgekeerd als met de eerste.
Want uiteraard is zij erop aangelegd droefheid teweeg te brengen door het herdenken
van de eigen gebreken, maar vreugde als iets bijkomstigs, nl. om het vertrouwen op
de hulp van God. — En zo blijkt, dat genieten op de eerste plaats en uiteraard uit
de toewijding volgt, maar op de tweede plaats en als iets bijkomstigs « de droefheid,
zoals God ze verlangt » (II Cor. 7, 10).
Ad primum ergo dicendum quod in consideratione passionis Christi est aliquid quod
contristet, scilicet defectus humanus, propter quem tollendum Christum pati oportuit,
et est aliquid quod laetificet, scilicet Dei erga nos benignitas, quae nobis de tali
liberatione providit. (IIa-IIae q. 82 a. 4 ad 1)
1 — In het overwegen van Christus’ lijden is iets, wat bedroeft, nl. de gebreken van de
mensen, want om deze weg te nemen « moest Christus lijden » (Luc. 24, 26) ; en iets,
wat vreugdevol stemt, nl. Gods goedheid tegenover ons, die ons zo'n verlossing heeft
gegeven.
Ad secundum dicendum quod spiritus qui ex una parte contribulatur propter praesentis
vitae defectus, ex alia parte condelectatur ex consideratione divinae bonitatis et
ex spe divini auxilii. (IIa-IIae q. 82 a. 4 ad 2)
2 — Onze geest, die deels bedroefd wordt door de gebreken van dit leven, geniet van de
andere kant door het beschouwen van Gods goedheid en het vertrouwen op Gods hulp.
Ad tertium dicendum quod lacrimae prorumpunt non solum ex tristitia, sed etiam ex
quadam affectus teneritudine, praecipue cum consideratur aliquid delectabile cum permixtione
alicuius tristabilis; sicut solent homines lacrimari ex pietatis affectu cum recuperant
filios vel caros amicos quos aestimaverant se perdidisse. Et per hunc modum lacrimae
ex devotione procedunt. (IIa-IIae q. 82 a. 4 ad 3)
3 — Dat er tranen te voorschijn komen is niet alleen een gevolg van droefheid, maar ook
van een zekere gevoelige aangedaanheid; vooral als er iets verblijdends wordt beschouwd,
dat met iets bedroevends is vermengd, zoals mensen gewoonlijk uit een gevoel van liefde
gaan wenen, als zij zonen of dierbare vrienden terug krijgen, die zij gedacht hadden
verloren te hebben. En op deze manier komen tranen uit toewijding voort.