QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 47.
Over de verstandigheid op zichzelf beschouwd .

Prooemium

Consequenter, post virtutes theologicas, primo considerandum est, circa virtutes cardinales, de prudentia. Et primo, de prudentia secundum se; secundo, de partibus eius; tertio, de dono ei correspondente; quarto, de vitiis oppositis; quinto, de praeceptis ad hoc pertinentibus. Circa primum quaeruntur sexdecim. Primo, utrum prudentia sit in voluntate, vel in ratione. Secundo, si est in ratione, utrum in practica tantum, vel etiam in speculativa. Tertio, utrum sit cognoscitiva singularium. Quarto, utrum sit virtus. Quinto, utrum sit virtus specialis. Sexto, utrum praestituat finem virtutibus moralibus. Septimo, utrum constituat medium in eis. Octavo, utrum praecipere sit proprius actus eius. Nono, utrum sollicitudo vel vigilantia pertineat ad prudentiam. Decimo, utrum prudentia se extendat ad regimen multitudinis. Undecimo, utrum prudentia quae est respectu boni proprii sit eadem specie cum ea quae se extendit ad bonum commune duodecimo, utrum prudentia sit in subditis, an solum in principibus. Tertiodecimo, utrum inveniatur in malis. Quartodecimo, utrum inveniatur in omnibus bonis. Quintodecimo, utrum insit nobis a natura. Sextodecimo, utrum perdatur per oblivionem. (IIa-IIae q. 47 pr.)

(Zestien Artikelen.) Na de behandeling der goddelijke deugden, volgt die der kardinale deugden. En dan dient allereerst gesproken te worden over de deugd van verstandigheid; ten eerste, over de verstandigheid op zichzelf; ten tweede, over de verdeling der verstandigheid in soorten en onderdelen; ten derde, over de gave van de H. Geest, die met haar verwant is; ten vierde, over de ondeugden, die er tegenover staan; ten vijfde, over de geboden, omtrent deze deugd gegeven. Omtrent het eerste punt worden de zestien volgende vragen gesteld: 1. Is de verstandigheid een deugd van het verstand of van de wil? 2. Als zij een deugd van het verstand is, is ze dat dan alleen van het praktische, of ook van het beschouwende verstand? 3. Richt zij zich in haar kennen op de afzonderlijke dingen? 4. Is zij een deugd? 5. Is zij een deugd van de andere onderscheiden? 6. Stelt zij het doel vast voor de zedelijke deugden? 7. Bepaalt zij voor de zedelijke deugden de juiste middenweg? 8. Is het haar wezenlijke taak te bevelen? 9. Behoort bezorgdheid tot de verstandigheid? 10. Strekt de verstandigheid zich ook uit tot het bestuur van een gemeenschap? 11. Is de verstandigheid, die gericht is op het eigen goed, gelijksoortig met die, welke gericht is op het goed van de gemeenschap? 12. Wordt de verstandigheid gevonden bij de bestuurders alleen of ook bij de onderdanen? 13. Kan zij aanwezig zijn bij slechte mensen? 14. Is zij het bezit van alle goeden? 15. Is zij ons van nature eigen? 16. Kan zij verloren gaan door vergeten?

Articulus 1.
Is de verstandigheid iets van het ken- of van het streefvermogen?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit in vi cognoscitiva, sed in appetitiva. Dicit enim Augustinus, in libro de moribus Eccle., prudentia est amor ea quibus adiuvatur ab eis quibus impeditur sagaciter eligens. Sed amor non est in cognoscitiva, sed in appetitiva. Ergo prudentia est in vi appetitiva. (IIa-IIae q. 47 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid niet in het ken- maar in het streefvermogen is. Augustinus zegt immers: « De verstandigheid is de liefde, die met schranderheid datgene uitkiest, waardoor ze bevorderd wordt boven datgene waardoor ze belemmerd wordt. » De liefde nu zetelt niet in het ken- maar in het streefvermogen. Derhalve berust ook de verstandigheid in het streefvermogen.

Praeterea, sicut ex praedicta definitione apparet, ad prudentiam pertinet eligere sagaciter. Sed electio est actus appetitivae virtutis, ut supra habitum est. Ergo prudentia non est in vi cognoscitiva, sed in appetitiva. (IIa-IIae q. 47 a. 1 arg. 2)

2 — Zoals uit de juist gegeven definitie blijkt, is het de taak van de verstandigheid, met schranderheid te kiezen. Ook werd vroeger reeds bewezen (I. II. 13e Kw. 1e Art.), dat de keuze een werking is van het streefvermogen. Dus is de verstandigheid niet iets van het ken- maar van het streefvermogen.

Praeterea, philosophus dicit, in VI Ethic., quod in arte quidem volens peccans eligibilior est, circa prudentiam autem, minus, quemadmodum et circa virtutes. Sed virtutes morales, de quibus ibi loquitur, sunt in parte appetitiva, ars autem in ratione. Ergo prudentia magis est in parte appetitiva quam in ratione. (IIa-IIae q. 47 a. 1 arg. 3)

3 — De Wijsgeer zegt: « Wie met opzet faalt in de kunst, verdient minder afkeuring dan wie opzettelijk faalt in de verstandigheid en de andere deugden. » De zedelijke deugden, die hier bedoeld zijn, zetelen in het streefvermogen, terwijl de kunst iets is van het verstand. Dus is de verstandigheid eerder iets van het streefvermogen dan van het verstand.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro octoginta trium quaest., prudentia est cognitio rerum appetendarum et fugiendarum. (IIa-IIae q. 47 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: « De verstandigheid is de kennis van wat men moet nastreven of vermijden. »

Respondeo dicendum quod, sicut Isidorus dicit, in libro Etymol., prudens dicitur quasi porro videns, perspicax enim est, et incertorum videt casus. Visio autem non est virtutis appetitivae, sed cognoscitivae. Unde manifestum est quod prudentia directe pertinet ad vim cognoscitivam. Non autem ad vim sensitivam, quia per eam cognoscuntur solum ea quae praesto sunt et sensibus offeruntur. Cognoscere autem futura ex praesentibus vel praeteritis, quod pertinet ad prudentiam, proprie rationis est, quia hoc per quandam collationem agitur. Unde relinquitur quod prudentia proprie sit in ratione. (IIa-IIae q. 47 a. 1 co.)

Isidorus zegt: « Voorzichtig wordt genoemd, die vooruitziet, want hij heeft doorzicht en ziet de afloop van het ongewisse ». Het zien is echter een werking van het kenvermogen, en niet van het streefvermogen. Het is dus duidelijk, dat de verstandigheid onmiddellijk behoort tot het kenvermogen. Niet echter tot het zintuigelijk kenvermogen, want daardoor wordt alleen gekend, wat nabij en in het bereik der zintuigen ligt. Maar het toekomstige te kennen uit het verleden en het heden, — wat de taak van de verstandigheid is, — komt alleen aan het verstand toe. Want dit gebeurt door een soort vergelijking en redenering. Waaruit dus blijkt, dat de verstandigheid in de volle en eigenlijke zin zetelt in het verstand.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, voluntas movet omnes potentias ad suos actus. Primus autem actus appetitivae virtutis est amor, ut supra dictum est. Sic igitur prudentia dicitur esse amor non quidem essentialiter, sed inquantum amor movet ad actum prudentiae. Unde et postea subdit Augustinus quod prudentia est amor bene discernens ea quibus adiuvetur ad tendendum in Deum ab his quibus impediri potest. Dicitur autem amor discernere, inquantum movet rationem ad discernendum. (IIa-IIae q. 47 a. 1 ad 1)

1 — De wil beweegt, zoals vroeger werd uiteengezet (I. 83° Kw. 4° Art.), alle vermogens tot hun werkingen. De eerste daad nu van het streefvermogen is beminnen, zoals eveneens werd aangetoond (I. II. 25° Kw. 1° en 2° Art.). En zó wordt de verstandigheid ook wel liefde genoemd, niet naar haar wezen, maar in zover de liefde beweegt tot verstandig handelen. Daarom ook voegt Augustinus later aan zijn uitlating toe, dat « de verstandigheid een liefde is, die datgene waardoor zij bevordert wordt in haar streven naar God, goed kan onderscheiden van datgene, wat haar in dit streven hindert ». Men kan dus van de liefde zeggen, dat zij onderscheidt in zoverre zij het verstand beweegt tot onderscheiden.

Ad secundum dicendum quod prudens considerat ea quae sunt procul inquantum ordinantur ad adiuvandum vel impediendum ea quae sunt praesentialiter agenda. Unde patet quod ea quae considerat prudentia ordinantur ad alia sicut ad finem. Eorum autem quae sunt ad finem est consilium in ratione et electio in appetitu. Quorum duorum consilium magis proprie pertinet ad prudentiam, dicit enim philosophus, in VI Ethic., quod prudens est bene consiliativus. Sed quia electio praesupponit consilium, est enim appetitus praeconsiliati, ut dicitur in III Ethic.; ideo etiam eligere potest attribui prudentiae consequenter, inquantum scilicet electionem per consilium dirigit. (IIa-IIae q. 47 a. 1 ad 2)

2 — De verstandige mens beschouwt het verwijderde tot bevordering of verhindering van wat op het ogenblik gedaan moet worden. Hieruit blijkt, dat de verstandigheid de dingen, die zij beschouwt, ordent tot iets anders als zijnde hun doel. Wat tot een doel geordend wordt, valt onder het beraad van het verstand en de keuze van het streefvermogen. Van welke beide het beraad meer in eigenlijke zin tot de verstandigheid behoort; de wijsgeer zegt immers, dat de verstandige is: welberadend. Maar omdat de keuze het beraad veronderstelt, — zij is immers « het begeren van het vooraf beradene », zoals in de Ethica staat — daarom kan ook het kiezen toegeschreven worden aan de verstandigheid. Maar dan slechts, voorzover de verstandigheid de keuze leidt door het beraad.

Ad tertium dicendum quod laus prudentiae non consistit in sola consideratione, sed in applicatione ad opus, quod est finis practicae rationis. Et ideo si in hoc defectus accidat, maxime est contrarium prudentiae, quia sicut finis est potissimus in unoquoque, ita et defectus qui est circa finem est pessimus. Unde ibidem philosophus subdit quod prudentia non est solum cum ratione, sicut ars, habet enim, ut dictum est, applicationem ad opus, quod fit per voluntatem. (IIa-IIae q. 47 a. 1 ad 3)

3 — Het mooie van de verstandigheid bestaat niet alleen in het overwegen, maar in het omzetten van het overwogene in daden. Want de daad is het doel van het praktische verstand. Wanneer hierin dus een tekort valt aan te wijzen, is dit vooral in strijd met de verstandigheid. Want is het doel voor elk ding het voornaamste, dan is ook een tekort ten opzichte van het doel het ergste. En daarom voegt de Wijsgeer er op dezelfde plaats nog bij, dat de verstandigheid niet enkel bestaat in het verstandelijke inzicht, zoals de kunst; zij omvat immers ook, zoals gezegd, de toepassing op de handelingen, wat geschiedt door de wil.

Articulus 2.
Behoort de verstandigheid alleen tot het praktische verstand, of ook tot het bespiegelende?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod prudentia non solum pertineat ad rationem practicam, sed etiam ad speculativam. Dicitur enim Prov. X, sapientia est viro prudentia. Sed sapientia principalius consistit in contemplatione. Ergo et prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid niet alleen tot de praktische rede, maar ook tot de bespiegelende behoort. In het Boek der Spreuken (10. 23) wordt immers gezegd: « Wijsheid is voor de man verstandigheid ». Maar de wijsheid bestaat voornamelijk in de bespiegeling. Bijgevolg ook de verstandigheid.

Praeterea, Ambrosius dicit, in I de officiis, prudentia in veri investigatione versatur, et scientiae plenioris infundit cupiditatem. Sed hoc pertinet ad rationem speculativam. Ergo prudentia consistit etiam in ratione speculativa. (IIa-IIae q. 47 a. 2 arg. 2)

2 — Ambrosius zegt: « De verstandigheid heeft tot taak het nazoeken van het ware, en wekt het verlangen naar vollediger kennis ». Dit behoort tot het bespiegelende verstand. Dus is de verstandigheid in het beschouwende verstand.

Praeterea, in eadem parte animae ponitur a philosopho ars et prudentia; ut patet in VI Ethic. Sed ars non solum invenitur practica, sed etiam speculativa, ut patet in artibus liberalibus. Ergo etiam prudentia invenitur et practica et speculativa. (IIa-IIae q. 47 a. 2 arg. 3)

3 — De Wijsgeer plaatst kunst en verstand in hetzelfde zielsvermogen, zoals blijkt uit zijn Ethica. Nu zijn er niet enkel praktische kunsten, maar ook beschouwende, zoals blijkt uit de vrije kunsten. Derhalve is er ook een praktische verstandigheid en een speculatieve.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod prudentia est recta ratio agibilium. Sed hoc non pertinet nisi ad rationem practicam. Ergo prudentia non est nisi in ratione practica. (IIa-IIae q. 47 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat de verstandigheid is: « het rechte begrip van hetgeen te doen staat ». Dit hoort enkel onder de praktische rede. Derhalve behoort de verstandigheid enkel tot het praktische verstand.

Respondeo dicendum quod, sicut philosophus dicit, in VI Ethic., prudentis est bene posse consiliari. Consilium autem est de his quae sunt per nos agenda in ordine ad finem aliquem. Ratio autem eorum quae sunt agenda propter finem est ratio practica. Unde manifestum est quod prudentia non consistit nisi in ratione practica. (IIa-IIae q. 47 a. 2 co.)

De Wijsgeer zegt in zijn Ethica dat « het voor een verstandige man een vereiste is, zich goed te kunnen beraden ». Het beraad nu loopt over hetgeen door ons gedaan moet worden in betrekking tot een of ander doel. En de rede, die zich bezig houdt met de middelen tot een doel is de praktische rede. Bijgevolg is het duidelijk, dat de verstandigheid alleen berust in de praktische rede.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, sapientia considerat causam altissimam simpliciter. Unde consideratio causae altissimae in quolibet genere pertinet ad sapientiam in illo genere. In genere autem humanorum actuum causa altissima est finis communis toti vitae humanae. Et hunc finem intendit prudentia, dicit enim philosophus, in VI Ethic., quod sicut ille qui ratiocinatur bene ad aliquem finem particularem, puta ad victoriam, dicitur esse prudens non simpliciter, sed in hoc genere, scilicet in rebus bellicis; ita ille qui bene ratiocinatur ad totum bene vivere dicitur prudens simpliciter. Unde manifestum est quod prudentia est sapientia in rebus humanis, non autem sapientia simpliciter, quia non est circa causam altissimam simpliciter; est enim circa bonum humanum, homo autem non est optimum eorum quae sunt. Et ideo signanter dicitur quod prudentia est sapientia viro, non autem sapientia simpliciter. (IIa-IIae q. 47 a. 2 ad 1)

1 — Zoals vroeger is uiteengezet (45° Kw. 1° en 3° Art.), beschouwt de wijsheid de diepste oorzaak op zich genomen. Bijgevolg behoort het beschouwen van de diepste oorzaak in een of andere tak van kennis ook tot de wijsheid op dat gebied. De diepste oorzaak op het gebied der menselijke handelingen is dat doel, hetwelk heel het menselijk leven beheerst. Op dit doel is de verstandigheid gericht. Want de Wijsgeer zegt, dat hij, die goed redeneert met betrekking tot een of ander bijzonder doel, — b.v. de overwinning, — verstandig genoemd wordt, niet absoluut, maar alleen op dat terrein, — b.v. in krijgszaken; eveneens wordt hij, die goed redeneert met betrekking tot het goed leven in zijn geheel, absoluut verstandig genoemd. Zo is het duidelijk, dat de verstandigheid is: wijsheid op het gebied van het menselijk leven. Maar zij is niet de wijsheid in absolute zin, want zij richt zich niet op de diepste oorzaak van alles. Zij houdt zich immers bezig met het menselijk goede, en de mens is niet het hoogste van alles. En daarom wordt zo tekenend gezegd, dat de verstandigheid « de wijsheid is voor de man », en niet absoluut: de wijsheid.

Ad secundum dicendum quod Ambrosius et etiam Tullius nomen prudentiae largius sumunt pro qualibet cognitione humana tam speculativa quam practica. Quamvis dici possit quod ipse actus speculativae rationis, secundum quod est voluntarius, cadit sub electione et consilio quantum ad suum exercitium, et per consequens cadit sub ordinatione prudentiae. Sed quantum ad suam speciem, prout comparatur ad obiectum, quod est verum necessarium, non cadit sub consilio nec sub prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 2 ad 2)

2 — Ambrosius en ook Tullius gebruiken het woord « prudentia » in bredere zin voor alle menselijke kennis, zowel praktische als speculatieve. Bovendien kan men het begrijpen van het beschouwende verstand ook opvatten als iets gewilds. En dan valt het, voorzover het de uitoefening van deze verstandsdag geldt, onder de keuze en het beraad. Zodat men dan toch kan zeggen, dat het staat onder de leiding van de verstandigheid. Maar naar haar inhoud, d.i. in zover zij zich richt op een voorwerp, dat noodzakelijk waar is, valt de begripsdaad noch onder het beraad, noch onder de verstandigheid.

Ad tertium dicendum quod omnis applicatio rationis rectae ad aliquid factibile pertinet ad artem. Sed ad prudentiam non pertinet nisi applicatio rationis rectae ad ea de quibus est consilium. Et huiusmodi sunt in quibus non sunt viae determinatae perveniendi ad finem; ut dicitur in III Ethic. Quia igitur ratio speculativa quaedam facit, puta syllogismum, propositionem et alia huiusmodi, in quibus proceditur secundum certas et determinatas vias; inde est quod respectu horum potest salvari ratio artis, non autem ratio prudentiae. Et ideo invenitur aliqua ars speculativa, non autem aliqua prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 2 ad 3)

3 — Iedere toepassing van het rechte begrip op iets, dat gemaakt kan worden, behoort tot de kunst. Maar tot de verstandigheid behoort alleen de toepassing van het juiste begrip op iets waaromtrent overleg gepleegd moet worden. Dat is, waarbij geen vastomschreven wegen bestaan om tot een doel te komen, zoals gezegd wordt in de Ethica. Omdat nu het speculatieve verstand sommige dingen maakt, b.v. een sluitrede, een volzin e.d., waarbij het op bepaalde vastomschreven wegen te werk gaat, daarom kan men hier wel van kunst spreken, niet van verstandigheid. En daarom bestaat er wel zoiets als een speculatieve kunst, maar geen speculatieve verstandigheid.

Articulus 3.
Sluit de verstandigheid de kennis in der afzonderlijke dingen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit cognoscitiva singularium. Prudentia enim est in ratione, ut dictum est. Sed ratio est universalium, ut dicitur in I Physic. Ergo prudentia non est cognoscitiva nisi universalium. (IIa-IIae q. 47 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid niet de kennis der afzonderlijke dingen omvat. De verstandigheid zetelt immers, zoals is aangetoond (1° en 2° Art. van deze Kw.), in het verstand. Maar « het verstand richt zich op het algemene », zoals in de Physica gezegd wordt. Derhalve omvat de verstandigheid alleen de kennis van het algemene.

Praeterea, singularia sunt infinita. Sed infinita non possunt comprehendi a ratione. Ergo prudentia, quae est ratio recta, non est singularium. (IIa-IIae q. 47 a. 3 arg. 2)

2 — Het getal der afzonderlijke dingen loopt in het oneindige. Het oneindige kan echter door de rede niet begrepen worden. Dus is de verstandigheid, die immers de rechte rede is, niet gericht op de afzonderlijke dingen.

Praeterea, particularia per sensum cognoscuntur. Sed prudentia non est in sensu, multi enim habentes sensus exteriores perspicaces non sunt prudentes. Ergo prudentia non est singularium. (IIa-IIae q. 47 a. 3 arg. 3)

3 — Het particuliere wordt gekend door de zintuigen. De verstandigheid is echter niet in de zintuigen: want velen hebben zeer scherpe uiterlijke zintuigen, maar zijn verre van verstandig. Derhalve is de verstandigheid niet gericht op het afzonderlijke.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod prudentia non est universalium solum, sed oportet et singularia cognoscere. (IIa-IIae q. 47 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de Wijsgeer zegt, dat « de verstandigheid niet alleen gericht moet zijn op het algemene, maar ook het afzonderlijke dient te kennen ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, ad prudentiam pertinet non solum consideratio rationis, sed etiam applicatio ad opus, quae est finis practicae rationis. Nullus autem potest convenienter aliquid alteri applicare nisi utrumque cognoscat, scilicet et id quod applicandum est et id cui applicandum est. Operationes autem sunt in singularibus. Et ideo necesse est quod prudens et cognoscat universalia principia rationis, et cognoscat singularia, circa quae sunt operationes. (IIa-IIae q. 47 a. 3 co.)

Reeds werd aangetoond (1° Art. van deze Kw. 2° Antw.), dat tot de verstandigheid niet alleen behoort de beschouwing van de algemene zedelijke beginselen, maar ook de toepassing daarvan op de handeling. Want dit is het doel der praktische rede. Niemand kan echter behoorlijk iets op iets anders toepassen, wanneer hij niet kent: én hetgeen toegepast moet worden, én ook datgene, waarop het toegepast moet worden. Bij elke handeling nu geldt het een afzonderlijk geval. En daarom moet een verstandig mens niet alleen de algemene beginselen der rede kennen, maar ook het afzonderlijke geval, waar het bij een handeling om gaat.

Ad primum ergo dicendum quod ratio primo quidem et principaliter est universalium, potest tamen universales rationes ad particularia applicare (unde syllogismorum conclusiones non solum sunt universales, sed etiam particulares); quia intellectus per quandam reflexionem se ad materiam extendit, ut dicitur in III de anima. (IIa-IIae q. 47 a. 3 ad 1)

1 — De rede is weliswaar op de eerste plaats en hoofdzakelijk op het algemene gericht, maar toch kan zij algemene beginselen op afzonderlijke gevallen toepassen. Vandaar ook zijn de conclusies van een redenering niet alleen algemeen maar kunnen ook particulier zijn. Want het verstand strekt zich door een zekere reflexie ook uit tot het stoffelijke naar het gezegde uit De Anima.

Ad secundum dicendum quod quia infinitas singularium non potest ratione humana comprehendi, inde est quod sunt incertae providentiae nostrae, ut dicitur Sap. IX. Tamen per experientiam singularia infinita reducuntur ad aliqua finita quae ut in pluribus accidunt, quorum cognitio sufficit ad prudentiam humanam. (IIa-IIae q. 47 a. 3 ad 2)

2 — Aangezien het oneindige aantal afzonderlijke gevallen onmogelijk door het verstand kan overzien worden, zijn zoals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (9.14) « onze beschikkingen onzeker ». Maar door de ondervinding wordt dit onoverzienbare aantal mogelijke gevallen teruggebracht tot enkele groepen van gevallen, die bij de gewone gang van zaken voorkomen. Voor de menselijke verstandigheid is het voldoende, dat men deze gevallen kent.

Ad tertium dicendum quod, sicut philosophus dicit, in VI Ethic., prudentia non consistit in sensu exteriori, quo cognoscimus sensibilia propria, sed in sensu interiori, qui perficitur per memoriam et experimentum ad prompte iudicandum de particularibus expertis. Non tamen ita quod prudentia sit in sensu interiori sicut in subiecto principali, sed principaliter quidem est in ratione, per quandam autem applicationem pertingit ad huiusmodi sensum. (IIa-IIae q. 47 a. 3 ad 3)

3 — Naar het woord van de Wijsgeer, zetelt de verstandigheid niet in de uiterlijke zintuigen, waardoor wij in eigenlijke zin de zinnelijk-waarneembare dingen kennen. Maar wel in de innerlijke. Deze worden door de herinnering en de ervaring vervolmaakt tot het vormen van een prompt oordeel over de ondervonden afzonderlijke gevallen. Echter niet zo, dat de verstandigheid in de innerlijke zintuigen zou zijn als in haar eigenlijke zetel. Zij is hoofdzakelijk in de rede, maar door toepassing strekt zij zich ook uit tot die innerlijke zintuigen.

Articulus 4.
Is de verstandigheid een deugd?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit virtus. Dicit enim Augustinus, in I de Lib. Arb., quod prudentia est appetendarum et vitandarum rerum scientia. Sed scientia contra virtutem dividitur; ut patet in praedicamentis. Ergo prudentia non est virtus. (IIa-IIae q. 47 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat de verstandigheid geen deugd is. Augustinus zegt dat de verstandigheid is « de kennis van wat men moet nastreven en vluchten ». Maar kennis staat tegenover deugd, zoals blijkt uit De Praedicamentis. Daarom is de verstandigheid geen deugd.

Praeterea, virtutis non est virtus. Sed artis est virtus; ut philosophus dicit, in VI Ethic. Ergo ars non est virtus. Sed in arte est prudentia, dicitur enim II Paral. II de Hiram quod sciebat caelare omnem sculpturam, et adinvenire prudenter quodcumque in opere necessarium est. Ergo prudentia non est virtus. (IIa-IIae q. 47 a. 4 arg. 2)

2 — Bij deugdzaamheid is verder geen deugd nodig. Maar bij kunstvaardigheid behoort wel deugd. Aldus de Wijsgeer. Dus is de kunstvaardigheid zelf geen deugd. Tot kunstvaardigheid behoort echter verstandigheid. Immers er wordt in het Boek Paralipomenon (2. 14) van Hiram gezegd: « Die verstaat allerlei snijwerk te snijden en met verstand te ontwerpen al wat voor het werk nodig is ». Dus is de verstandigheid zelf geen deugd.

Praeterea, nulla virtus potest esse immoderata. Sed prudentia est immoderata, alioquin frustra diceretur in Prov. XXIII, prudentiae tuae pone modum. Ergo prudentia non est virtus. (IIa-IIae q. 47 a. 4 arg. 3)

3 — Geen deugd is mogelijk zonder gematigdheid. Maar bij verstandigheid is er geen maat. Er wordt toch niet zonder reden in het Boek der Spreuken (23. 4) gezegd: « Stel perken aan uw overleg ». Dus is de verstandigheid geen deugd.

Sed contra est quod Gregorius, in II Moral., prudentiam, temperantiam, fortitudinem et iustitiam dicit esse quatuor virtutes. (IIa-IIae q. 47 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van Gregorius, dat verstandigheid, matigheid, sterkte en rechtvaardigheid alle vier deugden zijn.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est cum de virtutibus in communi ageretur, virtus est quae bonum facit habentem et opus eius bonum reddit. Bonum autem potest dici dupliciter, uno modo, materialiter, pro eo quod est bonum; alio modo, formaliter, secundum rationem boni. Bonum autem, inquantum huiusmodi, est obiectum appetitivae virtutis. Et ideo si qui habitus sunt qui faciant rectam considerationem rationis non habito respectu ad rectitudinem appetitus, minus habent de ratione virtutis, tanquam ordinantes ad bonum materialiter, idest ad id quod est bonum non sub ratione boni, plus autem habent de ratione virtutis habitus illi qui respiciunt rectitudinem appetitus, quia respiciunt bonum non solum materialiter, sed etiam formaliter, idest id quod est bonum sub ratione boni. Ad prudentiam autem pertinet, sicut dictum est, applicatio rectae rationis ad opus, quod non fit sine appetitu recto. Et ideo prudentia non solum habet rationem virtutis quam habent aliae virtutes intellectuales; sed etiam habet rationem virtutis quam habent virtutes morales, quibus etiam connumeratur. (IIa-IIae q. 47 a. 4 co.)

Bij de behandeling der deugden in het algemeen (I. II. 55e Kw. 3e Art.) werd gezegd, dat deugd is: wat de bezitter ervan met zijn handelingen goed maakt. Goed kan echter in twee betekenissen gezegd worden. Ten eerste: materieel, van de zaak, die goed is; ten tweede: formeel, naar het wezen van het goede. Het goede nu als zodanig, is het voorwerp van het streefvermogen. Hieruit valt de volgende conclusie af te leiden: elke vaardigheid die leidt tot een goede verstandswerking, de rechtvaardigheid van het streefvermogen daarbij buiten beschouwing latende, bezit des te minder het karakter van deugd, naarmate zij meer leidt tot het goede in materieel zin, tot iets dat goed is, ongeacht het wezen van goed. Daarentegen bezitten in meerdere mate het karakter van deugd die vaardigheden, welke verband houden met de rechtvaardigheid van het streefvermogen. Want deze leiden niet alleen tot het goede in materieel, maar ook in formeel zin, d.i. tot datgene, wat goed is naar het wezen van goed. — Tot de verstandigheid nu behoort, zoals gezegd (1e Art. 3e Antw. en 3e Art. van deze Kw.) de toepassing van het door de algemene zedelijke beginselen geordende verstand op de handelingen. Dit is niet mogelijk zonder een goedgeordend streefvermogen. En daarom bezit het verstand niet alleen dat vaardigheids-karakter der andere verstandelijke vaardigheden, maar eveneens dat der zedelijke vaardigheden (de deugden). Waaronder zij dan ook gerekend wordt.

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus ibi large accepit scientiam pro qualibet recta ratione. (IIa-IIae q. 47 a. 4 ad 1)

1 — Augustinus gebruikt op die plaats het woord kennis in een wijdere betekenis voor iedere gebruik van het gezond verstand.

Ad secundum dicendum quod philosophus dicit artis esse virtutem, quia non importat rectitudinem appetitus, et ideo ad hoc quod homo recte utatur arte, requiritur quod habeat virtutem, quae faciat rectitudinem appetitus. Prudentia autem non habet locum in his quae sunt artis, tum quia ars ordinatur ad aliquem particularem finem; tum quia ars habet determinata media per quae pervenitur ad finem. Dicitur tamen aliquis prudenter operari in his quae sunt artis per similitudinem quandam, in quibusdam enim artibus, propter incertitudinem eorum quibus pervenitur ad finem, necessarium est consilium, sicut in medicinali et in navigatoria, ut dicitur in III Ethic. (IIa-IIae q. 47 a. 4 ad 2)

2 — De Wijsgeer zegt, dat bij kunstvaardigheid nog deugd nodig is, omdat de kunst geen rechtvaardigheid van het streefvermogen insluit. Daarom is voor een goed gebruik der kunstvaardigheid de deugd een vereiste voor de mens, want deugd leidt tot de rechtvaardigheid van het streefvermogen. Onder alles nu, wat tot de kunst behoort, treft men de verstandigheid niet aan: en omdat de kunst zich richt op een afzonderlijk doel, en omdat zij vastomschreven middelen bezit, om tot haar doel te geraken. Toch zegt men wel bij wijze van vergelijking, dat iemand verstandig handelt bij de uitoefening van zijn kunst. Want in sommige kunsten is, wegens de onzekerheid der middelen om tot het doel te komen, beraad nodig. Zo o.a. in de geneeskunst en de scheepvaartkunst, naar blijkt uit de Ethica.

Ad tertium dicendum quod illud dictum sapientis non est sic intelligendum quasi ipsa prudentia sit moderanda, sed quia secundum prudentiam est aliis modus imponendus. (IIa-IIae q. 47 a. 4 ad 3)

3 — Dit gezegde van de Wijzen Man betekent niet, dat de verstandigheid zelf gematigd moet worden, maar dat aan de andere deugden met verstand een maat moet gesteld worden.

Articulus 5.
Is de verstandigheid een afzonderlijke deugd?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit specialis virtus. Nulla enim specialis virtus ponitur in communi definitione virtutis. Sed prudentia ponitur in communi definitione virtutis, quia in II Ethic. definitur virtus habitus electivus in medietate existens determinata ratione quoad nos, prout sapiens determinabit; recta autem ratio intelligitur secundum prudentiam, ut dicitur in VI Ethic. Ergo prudentia non est specialis virtus. (IIa-IIae q. 47 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert dat de verstandigheid geen afzonderlijke deugd is. Geen enkele afzonderlijke deugd mag opgenomen worden in de algemene definitie van deugd. De verstandigheid wordt echter wel opgenomen in de algemene deugddefinitie. Want in de Ethica staat, dat de deugd is « een vaardigheid in het kiezen van de middelweg, van onze kant te bepalen door het verstand; zoals een verstandig mens het zou bepalen ». Onder het juist oordelend verstand verstaat men het verstand, dat « verstandig » oordeelt, zoals gezegd wordt in de Ethica. Dus is de verstandigheid geen afzonderlijke deugd.

Praeterea, philosophus dicit, in VI Ethic., quod virtus moralis recte facit operari finem, prudentia autem ea quae sunt ad finem. Sed in qualibet virtute sunt aliqua operanda propter finem. Ergo prudentia est in qualibet virtute. Non est ergo virtus specialis. (IIa-IIae q. 47 a. 5 arg. 2)

2 — De Wijsgeer zegt, dat « de zedelijke deugd ons goed doet handelen ten opzichte van het doel, de verstandigheid ten opzichte van de middelen, om tot het doel te komen ». Maar bij iedere deugd moet iets gedaan worden om tot het doel te geraken. Daar de verstandigheid dus bij iedere deugd aanwezig moet zijn, is zij geen afzonderlijke deugd.

Praeterea, specialis virtus habet speciale obiectum. Sed prudentia non habet speciale obiectum, est enim recta ratio agibilium, ut dicitur in VI Ethic.; agibilia autem sunt omnia opera virtutum. Ergo prudentia non est specialis virtus. (IIa-IIae q. 47 a. 5 arg. 3)

3 — Een afzonderlijke deugd moet een afzonderlijk voorwerp hebben. De verstandigheid heeft geen afzonderlijk voorwerp; immers zij is « het verstand dat een gezond oordeel velt over de daad, die verricht moet worden » zoals in de Ethica gezegd wordt. En de handelingen omvatten alle werken van deugd. Dus kan de verstandigheid geen afzonderlijke deugd zijn.

Sed contra est quod condividitur et connumeratur aliis virtutibus, dicitur enim Sap. VIII. Sobrietatem et prudentiam docet, iustitiam et virtutem. (IIa-IIae q. 47 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de verstandigheid bij de andere deugden ingedeeld, op één lijn mee gesteld wordt. Zo staat er in het Boek der Wijsheid (8.7) : « Matigheid en verstandigheid onderwijst zij, rechtvaardigheid en kracht ».

Respondeo dicendum quod cum actus et habitus recipiant speciem ex obiectis, ut ex supradictis patet, necesse est quod habitus cui respondet speciale obiectum ab aliis distinctum specialis sit habitus, et si est bonus, est specialis virtus. Speciale autem obiectum dicitur non secundum materialem considerationem ipsius, sed magis secundum rationem formalem, ut ex supradictis patet, nam una et eadem res cadit sub actu diversorum habituum, et etiam diversarum potentiarum, secundum rationes diversas. Maior autem diversitas obiecti requiritur ad diversitatem potentiae quam ad diversitatem habitus, cum plures habitus inveniantur in una potentia, ut supra dictum est. Diversitas ergo rationis obiecti quae diversificat potentiam, multo magis diversificat habitum. Sic igitur dicendum est quod cum prudentia sit in ratione, ut dictum est, diversificatur quidem ab aliis virtutibus intellectualibus secundum materialem diversitatem obiectorum. Nam sapientia, scientia et intellectus sunt circa necessaria; ars autem et prudentia circa contingentia; sed ars circa factibilia, quae scilicet in exteriori materia constituuntur, sicut domus, cultellus et huiusmodi; prudentia autem est circa agibilia, quae scilicet in ipso operante consistunt, ut supra habitum est. Sed a virtutibus moralibus distinguitur prudentia secundum formalem rationem potentiarum distinctivam, scilicet intellectivi, in quo est prudentia; et appetitivi, in quo est virtus moralis. Unde manifestum est prudentiam esse specialem virtutem ab omnibus aliis virtutibus distinctam. (IIa-IIae q. 47 a. 5 co.)

Handeling en vaardigheid verkrijgen hun soortindeling naar haar voorwerpen, zoals vroeger reeds werd aangetoond. (I. II. 1° Kw. 3° Art.; 18° Kw. 2° Art. en 54° Kw. 2° Art.). Die vaardigheid, waaraan een afzonderlijk en van alle andere onderscheiden voorwerp beantwoordt, zal daarom ook een afzonderlijke vaardigheid moeten zijn. En is zij tevens gericht op het 'goede, dan is zij een afzonderlijke' deugd. Nu noemt men iets een afzonderlijk voorwerp, niet voorzover het beschouwd wordt als ding in het algemeen, maar voorzover het beschouwd wordt naar een bepaald opzicht, zoals vroeger is aangetoond (I. II. 54° Kw. 2° Art. 1° Antw.). Want een en dezelfde zaak kan voorwerp zijn van verschillende afzonderlijke vaardigheden, en zelfs van verschillende afzonderlijke werkvermogens naar de verschillende beschouwingen, waartoe zij aanleiding geeft. Met die verstande, dat er voor een onderscheid in werkvermogen een groter onderscheid van voorwerp vereist wordt, dan voor een onderscheid in vaardigheid: daar er in één werkvermogen meerdere vaardigheden mogelijk zijn, zoals vroeger werd uiteengezet (I. II. 54° Kw. 1° Art.). Waaruit blijkt, dat het onderscheid in voorwerp, hetwelk een onderscheid in werkvermogen geeft, zeker een onderscheid in vaardigheid ten gevolge heeft. De conclusie is dus, dat de verstandigheid, als zijnde een deugd van het verstand, van de andere verstandelijke vaardigheden onderscheiden is doordat haar voorwerpen onderscheiden zaken zijn. Want wijsheid, wetenschap en begrip, gaan over noodzakelijke dingen; kunst en verstandigheid over wisselvallige. De kunst is weer gericht op iets, dat gemaakt en in de stof buiten ons veroorzaakt moet worden, zoals een huis, een mes, en meer dergelijke zaken. De verstandigheid is daarentegen gericht op iets, dat gedaan moet worden en in de maker zelf is, zoals vroeger werd uiteengezet (I. II. 57 Kw. 4e Art.). — Van de zedelijke vermogens is de verstandigheid te onderscheiden naar een onderscheid in voorwerp, dat zelfs een onderscheid in werkvermogen geeft, nl. het onderscheid in kernvermogen, waarin de verstandigheid zetelt, en in streefvermogen, waarin de zedelijke deugden zijn. Uit dit alles blijkt duidelijk, dat de verstandigheid een afzonderlijke deugd is, van alle andere deugden onderscheiden.

Ad primum ergo dicendum quod illa definitio non datur de virtute in communi, sed de virtute morali. In cuius definitione convenienter ponitur virtus intellectualis communicans in materia cum ipsa, scilicet prudentia, quia sicut virtutis moralis subiectum est aliquid participans ratione, ita virtus moralis habet rationem virtutis inquantum participat virtutem intellectualem. (IIa-IIae q. 47 a. 5 ad 1)

1 — De hier gegeven begripsbepaling is geen definitie van vaardigheid in het algemeen, maar van de zedelijke vaardigheid. Zeer terecht wordt in de definitie van deze laatste de verstandigheid opgenomen als de verstandelijke vaardigheid, die materieel met haar overeenkomt. Want geen enkele zedelijke deugd wordt uitgeoefend zonder de leiding van het verstand. Daarom heeft de zedelijke deugd haar deugdkarakter alleen, in zover zij staat onder de leiding van de verstandelijke deugd der verstandigheid.

Ad secundum dicendum quod ex illa ratione habetur quod prudentia adiuvet omnes virtutes, et in omnibus operetur. Sed hoc non sufficit ad ostendendum quod non sit virtus specialis, quia nihil prohibet in aliquo genere esse aliquam speciem quae aliqualiter operetur in omnibus speciebus eiusdem generis; sicut sol aliqualiter influit in omnia corpora. (IIa-IIae q. 47 a. 5 ad 2)

2 — Uit deze redenering valt wel af te leiden, dat de verstandigheid de andere deugden te hulp komt en een werkzaam aandeel heeft in haar uitoefening. Maar men mag daaruit nog niet concluderen, dat zij geen afzonderlijke deugd is. Al is zij in de categorie der deugden een soort, die haar invloed doet gelden op alle andere soorten der categorie, daarom behoeft zij nog niet met die andere deugden samen te vallen. De zon werkt immers ook in op alle andere dingen, ofschoon zij van allen onderscheiden is.

Ad tertium dicendum quod agibilia sunt quidem materia prudentiae secundum quod sunt obiectum rationis, scilicet sub ratione veri. Sunt autem materia moralium virtutum secundum quod sunt obiectum virtutis appetitivae, scilicet sub ratione boni. (IIa-IIae q. 47 a. 5 ad 3)

3 — De menselijke handelingen zijn zeer zeker een voorwerp voor de verstandigheid in zoverre zij voorwerp zijn van het verstand onder het opzicht van « waar ». Ze zijn daarbij ook voorwerp van de zedelijke deugden, in zoverre ze voorwerp zijn van het streefvermogen door het goede, dat ze bevatten.

Articulus 6.
Stelt de verstandigheid het doel vast voor de zedelijke deugden?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod prudentia praestituat finem virtutibus moralibus. Cum enim prudentia sit in ratione, virtus autem moralis in vi appetitiva, videtur quod hoc modo se habeat prudentia ad virtutem moralem sicut ratio ad vim appetitivam. Sed ratio praestituit finem potentiae appetitivae. Ergo prudentia praestituit finem virtutibus moralibus. (IIa-IIae q. 47 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid het doel vaststelt voor de zedelijke deugden. De verstandigheid is in het verstand, de zedelijke deugden zijn in het streefvermogen. De verstandigheid staat dus blijkbaar in dezelfde verhouding tot de zedelijke deugden als het verstand tot het streefvermogen. Welnu: het verstand stelt het doel voor aan het streefvermogen. De verstandigheid oefent dus dezelfde taak uit ten opzichte van de zedelijke deugden.

Praeterea, homo excedit res irrationales secundum rationem, sed secundum alia cum eis communicat. Sic igitur se habent aliae partes hominis ad rationem sicut se habent creaturae irrationales ad hominem. Sed homo est finis creaturarum irrationalium ut dicitur in I Politic. ergo omnes aliae partes hominis ordinantur ad rationem sicut ad finem. Sed prudentia est recta ratio agibilium, ut dictum est. Ergo omnia agibilia ordinantur ad prudentiam sicut ad finem. Ipsa ergo praestituit finem omnibus virtutibus moralibus. (IIa-IIae q. 47 a. 6 arg. 2)

2 — De mens is boven de redeloze dingen verheven door zijn verstand; in al het andere staat hij ermee gelijk. Derhalve staat het verstand in dezelfde verhouding tot al het andere in de mens, als waarin de mens staat tot de redeloze schepselen. Welnu: de mens is het doel der redeloze schepselen, zoals wordt aangetoond in de Politica. Daarom is het andere in de mens ondergeschikt aan de rede als aan zijn doel. De verstandigheid nu is niets anders, dan het verstand, in zover het juist oordeelt over datgene wat gedaan moet worden, zoals gezegd is (2° Art. van deze Kw.). Alle handelingen, die gesteld moeten worden, zijn dus ondergeschikt aan de verstandigheid als aan haar doel. De verstandigheid stelt dus het doel vast voor de zedelijke deugden.

Praeterea, proprium est virtutis vel artis seu potentiae ad quam pertinet finis ut praecipiat aliis virtutibus seu artibus ad quas pertinent ea quae sunt ad finem. Sed prudentia disponit de aliis virtutibus moralibus et praecipit eis. Ergo praestituit eis finem. (IIa-IIae q. 47 a. 6 arg. 3)

3 — Van nature heeft een vaardigheid, kunst of vermogen, die gericht is op het doel, de taak te bevelen aan de vaardigheden, kunsten of vermogens, die gericht zijn op de middelen tot het doel. De verstandigheid beveelt over de andere deugden en schrijft haar de wet voor. Dus stelt zij haar doel vast.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod virtus moralis intentionem finis facit rectam, prudentia autem quae ad hanc. Ergo ad prudentiam non pertinet praestituere finem virtutibus moralibus, sed solum disponere de his quae sunt ad finem. (IIa-IIae q. 47 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat «de zedelijke deugd de juiste instelling van het streefvermogen naar het doel veroorzaakt, de verstandigheid echter zorgt, dat de goede middelen tot het doel gekozen worden». Daarom kan het niet de taak zijn van de verstandigheid, het doel vast te stellen voor de zedelijke deugden, maar alleen, te beschikken over de juiste middelen tot het doel.

Respondeo dicendum quod finis virtutum moralium est bonum humanum. Bonum autem humanae animae est secundum rationem esse; ut patet per Dionysium, IV cap. de Div. Nom. Unde necesse est quod fines moralium virtutum praeexistant in ratione. Sicut autem in ratione speculativa sunt quaedam ut naturaliter nota, quorum est intellectus; et quaedam quae per illa innotescunt, scilicet conclusiones, quarum est scientia, ita in ratione practica praeexistunt quaedam ut principia naturaliter nota, et huiusmodi sunt fines virtutum moralium, quia finis se habet in operabilibus sicut principium in speculativis, ut supra habitum est; et quaedam sunt in ratione practica ut conclusiones, et huiusmodi sunt ea quae sunt ad finem, in quae pervenimus ex ipsis finibus. Et horum est prudentia, applicans universalia principia ad particulares conclusiones operabilium. Et ideo ad prudentiam non pertinet praestituere finem virtutibus moralibus, sed solum disponere de his quae sunt ad finem. (IIa-IIae q. 47 a. 6 co.)

Het doel der zedelijke deugden is het menselijk goede. Het goede voor de ziel van de mens is te leven volgens de voorschriften van het verstand. Dit blijkt uit Dionysius. Daartoe is nodig, dat de doeleinden der zedelijke deugden reeds tevoren aanwezig zijn in het verstand. Ook in het beschouwende verstand zijn beginselen, die van nature gekend zijn. Deze zijn het voorwerp van het spontane inzicht. Al het andere wordt gekend door middel van deze principes. Het zijn de gevolgtrekkingen uit de eerste beginselen en vormen het voorwerp der wetenschap. Op gelijke wijze zijn er in het praktische verstand reeds enige waarheden, die als beginselen van nature gekend zijn. Hiertoe behoren de doeleinden der zedelijke deugden. Want het doel neemt in de praktische orde dezelfde plaats in als de eerste beginselen in de speculatieve, zoals vroeger reeds werd uiteengezet (23° Kw. 7° Art. 2° Antw.). Ook zijn er in het praktische verstand sommige waarheden, die het karakter vertonen van gevolgtrekkingen. Het zijn de handelingen, die als middelen voeren tot het doel. Wij besluiten ertoe, door haar verhoudingen tot de doeleinden zelve. Deze nu zijn het voorwerp der verstandigheid, die tot taak heeft de algemene beginselen op de gevolgtrekkingen, nl. de handelingen, toe te passen. Het behoort dus niet tot de taak der verstandigheid, het doel der zedelijke deugden vast te stellen, maar alleen, te beschikken over de handelingen, die dienstbaar zijn om het doel te bereiken.

Ad primum ergo dicendum quod virtutibus moralibus praestituit finem ratio naturalis quae dicitur synderesis, ut in primo habitum est, non autem prudentia, ratione iam dicta. (IIa-IIae q. 47 a. 6 ad 1)

1 — Het doel der zedelijke deugden wordt aangegeven door het natuurlijk verstand, ook ‘synderese’ genoemd, zoals in het Eerste Deel werd uiteengezet (79° Kw. 12° Art.). Dus niet de verstandigheid, en wel om de redenen in de uiteenzetting boven gegeven.

Et per hoc etiam patet responsio ad secundum. (IIa-IIae q. 47 a. 6 ad 2)

2 — Hiervoor geldt hetzelfde antwoord.

Ad tertium dicendum quod finis non pertinet ad virtutes morales tanquam ipsae praestituant finem, sed quia tendunt in finem a ratione naturali praestitutum. Ad quod iuvantur per prudentiam, quae eis viam parat, disponendo ea quae sunt ad finem. Unde relinquitur quod prudentia sit nobilior virtutibus moralibus, et moveat eas. Sed synderesis movet prudentiam, sicut intellectus principiorum scientiam. (IIa-IIae q. 47 a. 6 ad 3)

3 — Het doel valt onder de zedelijke deugden. Echter niet zo, als zouden zij zichzelf haar doel stellen. Maar zij streven naar het doel, dat haar door de natuurlijke rede wordt gegeven. Dan treedt de verstandigheid in werking door de weg te bereiden voor de zedelijke deugden tot hun doel, daar zij de goede handelingen voorschrijft, die voeren tot het doel. Waaruit tevens volgt dat de verstandigheid hoger staat dan de zedelijke deugden en over haar het bevel voert. Maar de synderese beveelt weer aan de verstandigheid, evenals de eerste beginselen leiding geven in de wetenschap.

Articulus 7.
Behoort het tot de taak van de verstandigheid, de juiste middenweg voor de deugden vast te stellen?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod ad prudentiam non pertineat invenire medium in virtutibus moralibus. Consequi enim medium est finis moralium virtutum. Sed prudentia non praestituit finem moralibus virtutibus, ut ostensum est. Ergo non invenit in eis medium. (IIa-IIae q. 47 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet de taak der verstandigheid is, de juiste middelweg voor de deugden aan te wijzen. De juiste middelweg is het doel der zedelijke deugden. De verstandigheid stelt echter niet het doel vast voor de zedelijke deugden, zoals werd bewezen in het voorgaande artikel. Dus wijst zij haar ook niet het juiste midden aan.

Praeterea, illud quod est per se non videtur causam habere, sed ipsum esse est sui ipsius causa, quia unumquodque dicitur esse per causam suam. Sed existere in medio convenit virtuti morali per se, quasi positum in eius definitione, ut ex dictis patet. Non ergo prudentia causat medium in virtutibus moralibus. (IIa-IIae q. 47 a. 7 arg. 2)

2 — Men kan geen oorzaak aangeven, waarom iets dat is, wat het zelf is, want het verklaart zichzelf. Welnu: uit zichzelf bewandelen de zedelijke deugden de juiste middelweg, daar dit behoort tot haar definitie, zoals reeds gebleken is (5° Art. van deze Kw. 1° Antw.). Derhalve kan de verstandigheid geen oorzaak zijn van de juiste middelweg bij de zedelijke deugden.

Praeterea, prudentia operatur secundum modum rationis. Sed virtus moralis tendit ad medium per modum naturae, quia ut Tullius dicit, in II Rhet., virtus est habitus per modum naturae rationi consentaneus. Ergo prudentia non praestituit medium virtutibus moralibus. (IIa-IIae q. 47 a. 7 arg. 3)

3 — De verstandigheid oefent haar werking uit op de wijze van het verstand. De zedelijke deugd streeft van nature naar de juiste middelweg. Want Tullius zegt: « De deugd is een gewoonte, die als een tweede natuur doet instemmen met het goede, dat de rede voorschrijft ». Dus stelt de verstandigheid niet het juiste midden vast voor de zedelijke deugden.

Sed contra est quod in supraposita definitione virtutis moralis dicitur quod est in medietate existens determinata ratione prout sapiens determinabit. (IIa-IIae q. 47 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat uit een vroeger gegeven definitie der zedelijke deugd blijkt, dat ze bestaat in « het kiezen van de juiste middelweg, te bepalen door het verstand, zoals een verstandig mens het zou bepalen ».

Respondeo dicendum quod hoc ipsum quod est conformari rationi rectae est finis proprius cuiuslibet moralis virtutis, temperantia enim hoc intendit, ne propter concupiscentias homo divertat a ratione; et similiter fortitudo ne a recto iudicio rationis divertat propter timorem vel audaciam. Et hic finis praestitutus est homini secundum naturalem rationem, naturalis enim ratio dictat unicuique ut secundum rationem operetur. Sed qualiter et per quae homo in operando attingat medium rationis pertinet ad dispositionem prudentiae. Licet enim attingere medium sit finis virtutis moralis, tamen per rectam dispositionem eorum quae sunt ad finem medium invenitur. (IIa-IIae q. 47 a. 7 co.)

Het natuurlijk doel van iedere zedelijke deugd is, ons gedrag in overeenstemming te brengen met het gezond-oordeelend verstand. Zo is het de taak der matigheid, dat de mens niet afwijkt van het redelijke goede door de lagere begeerten. En de deugd van sterkte waakt ervoor, dat de mens het gezond oordeel van zijn verstand niet verliest door vrees of overmoed. Dit deugd-doel is de mens van nature in zijn verstand ingeschapen. Van nature gebiedt het verstand aan de mens, dat hij volgens het gezond oordeel van het verstand moet handelen. Maar de middelen, waardoor de mens de goeden middelweg, door het verstand bepaald, moet bewandelen, vallen onder de beschikking der verstandigheid. Mag dus de middelweg het doel zijn der zedelijke deugden: dit doel moet bereikt worden door de keuze der juiste middelen.

Et per hoc patet responsio ad primum. (IIa-IIae q. 47 a. 7 ad 1)

1 — Een voldoende antwoord op deze bedenking vindt men in de Leerstelling.

Ad secundum dicendum quod sicut agens naturale facit ut forma sit in materia, non tamen facit ut formae conveniant ea quae per se ei insunt; ita etiam prudentia medium constituit in passionibus et operationibus, non tamen facit quod medium quaerere conveniat virtuti. (IIa-IIae q. 47 a. 7 ad 2)

2 — Iedere natuurlijke kracht kan bewerken, dat de vorm komt in de materie; maar zij kan niet bewerken, dat de vorm datgene bezit, wat hem van nature eigen is. Zo kan de verstandigheid wel de middelweg vaststellen bij het ondergaan en het handelen. Maar zij kan niet bewerken, dat het zoeken van de goeden middelweg eigen is aan de zedelijke deugden.

Ad tertium dicendum quod virtus moralis per modum naturae intendit pervenire ad medium. Sed quia medium non eodem modo invenitur in omnibus, ideo inclinatio naturae, quae semper eodem modo operatur, ad hoc non sufficit, sed requiritur ratio prudentiae. (IIa-IIae q. 47 a. 7 ad 3)

3 — De zedelijke deugden zijn van nature geneigd tot het zoeken van de juiste middelweg. Het juiste midden is echter niet in alle afzonderlijke gevallen hetzelfde, terwijl die natuurlijke neiging in de deugden immer op dezelfde wijze werkt. De natuurlijke neiging der deugden is dus op zichzelf niet voldoende, maar eist bovendien nog het oordeel van het verstand, geleid door de verstandigheid.

Articulus 8.
Is het de eigenlijke taak der verstandigheid te bevelen over de handelingen?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod praecipere non sit principalis actus prudentiae. Praecipere enim pertinet ad bona quae sunt fienda. Sed Augustinus, XIV de Trin., ponit actum prudentiae praecavere insidias. Ergo praecipere non est principalis actus prudentiae. (IIa-IIae q. 47 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het bevel voeren over de handelingen niet de eigenlijke taak is van de verstandigheid. Het bevel is gericht op iets goeds, dat gedaan moet worden. Augustinus nu noemt als taak der verstandigheid, het « voorkomen van de gevaren ». Dus kan men het bevel niet beschouwen als de eigenlijke taak van de verstandigheid.

Praeterea, philosophus dicit, in VI Ethic., quod prudentis videtur esse bene consiliari. Sed alius actus videtur esse consiliari et praecipere, ut ex supradictis patet. Ergo prudentiae principalis actus non est praecipere. (IIa-IIae q. 47 a. 8 arg. 2)

2 — De Wijsgeer zegt, dat het een eigenschap is van een verstandig mens, zich goed te beraden. Maar het bevel en het beraad zijn twee onderscheiden daden, zoals reeds vroeger bleek (I. II. 57° Kw. 6° Art.). Dus is het bevel niet de eigenlijke taak der verstandigheid.

Praeterea, praecipere, vel imperare, videtur pertinere ad voluntatem, cuius obiectum est finis et quae movet alias potentias animae. Sed prudentia non est in voluntate, sed in ratione. Ergo prudentiae actus non est praecipere. (IIa-IIae q. 47 a. 8 arg. 3)

3 — Bevelen of gebieden behoort tot de taak van de wil, wiens voorwerp het doel is, en die de andere vermogens der ziel in werking stelt. De verstandigheid zetelt echter niet in de wil, maar in het verstand. Dus behoort het niet tot de taak der verstandigheid, te bevelen.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod prudentia praeceptiva est. (IIa-IIae q. 47 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat de wijsgeer zegt, dat « de verstandigheid het bevel voert over de handelingen ».

Respondeo dicendum quod prudentia est recta ratio agibilium, ut supra dictum est. Unde oportet quod ille sit praecipuus actus prudentiae qui est praecipuus actus rationis agibilium. Cuius quidem sunt tres actus. Quorum primus est consiliari, quod pertinet ad inventionem, nam consiliari est quaerere, ut supra habitum est. Secundus actus est iudicare de inventis, et hic sistit speculativa ratio. Sed practica ratio, quae ordinatur ad opus, procedit ulterius et est tertius actus eius praecipere, qui quidem actus consistit in applicatione consiliatorum et iudicatorum ad operandum. Et quia iste actus est propinquior fini rationis practicae, inde est quod iste est principalis actus rationis practicae, et per consequens prudentiae. Et huius signum est quod perfectio artis consistit in iudicando, non autem in praecipiendo. Ideo reputatur melior artifex qui volens peccat in arte, quasi habens rectum iudicium, quam qui peccat nolens, quod videtur esse ex defectu iudicii. Sed in prudentia est e converso, ut dicitur in VI Ethic., imprudentior enim est qui volens peccat, quasi deficiens in principali actu prudentiae, qui est praecipere, quam qui peccat nolens. (IIa-IIae q. 47 a. 8 co.)

De verstandigheid is, zoals reeds vroeger werd aangetoond (2° Art. van deze Kw.), het verstand, voorzover het een goed oordeel geeft van wat gedaan moet worden. Vandaar moet de eigenlijke daad van het praktische verstand ook de eigenlijke taak der verstandigheid zijn. Hieronder vallen drie daden. Waarvan de eerste is: zich beraden, waardoor men de juiste middelen tracht te vinden. Want zich beraden is zoeken, zoals vroeger werd uiteengezet (I. II. 14e Kw. 1e Art.). De tweede is: oordelen over het gevondene. Ook dit doet het beschouwende verstand. Maar het praktische verstand, dat gericht is op de handeling, gaat verder. Zijn daad, de derde, is: bevelen. Deze daad bestaat in de toepassing van hetgeen, waarover men zich beraden en geoordeeld heeft, op de handeling. En omdat deze daad meer reikt aan het doel van het praktische verstand, is zij er de eigenlijke daad van en bijgevolg ook de eigenlijke taak der verstandigheid. — Tot bewijs hiervan nog het volgende: de volmaaktheid der kunst bestaat in het oordelen, niet in het bevelen. Wie gewild de regelen der kunst overtreedt, wordt over het algemeen voor een grotere kunstenaar aangezien, dan hij, die dit onwetend doet. Want de eerste heeft tenminste nog een goed oordeel, terwijl de tweede juist door zijn gebrekkig oordeel te kort schiet. Bij de verstandigheid is het juist tegenovergesteld, zoals blijkt uit de Ethica. Die willens zondigt, is onverstandiger dan die ongewild zondigt, want hij schiet tekort in de voornaamste daad der verstandigheid, nl. het bevelen.

Ad primum ergo dicendum quod actus praecipiendi se extendit et ad bona prosequenda et ad mala cavenda. Et tamen praecavere insidias non attribuit Augustinus prudentiae quasi principalem actum ipsius, sed quia iste actus prudentiae non manet in patria. (IIa-IIae q. 47 a. 8 ad 1)

1 — Het bevelen strekt zich even goed uit tot het goede, dat men moet nastreven, als tot het kwaad, dat men moet vermijden. Overigens noemt Augustinus het voorkomen der gevaren niet de voornaamste daad der verstandigheid, maar hij rangschikt haar onder de verstandigheid als een daad, die niet blijft in het hemelse Vaderland.

Ad secundum dicendum quod bonitas consilii requiritur ut ea quae sunt bene inventa applicentur ad opus. Et ideo praecipere pertinet ad prudentiam, quae est bene consiliativa. (IIa-IIae q. 47 a. 8 ad 2)

2 — Een goed beraad is nodig om de juiste middelen te vinden, en ook toe te passen, tot welslagen van een ondernomen werk. En daarom behoort het bevelen tot de verstandigheid, opdat zij werkelijk goed beradend zijn.

Ad tertium dicendum quod movere absolute pertinet ad voluntatem. Sed praecipere importat motionem cum quadam ordinatione. Et ideo est actus rationis, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 47 a. 8 ad 3)

3 — Op zichzelf genomen is het de taak van de wil, de andere vermogens in werking te stellen. Maar voorzover dit moet geschieden door een bevel, behoort er een zekere regeling bij. En daarom is het ook een daad van het verstand, zoals vroeger werd uiteengezet (in de Leerstelling en in I. II. 17° Kw. 1° Art.).

Articulus 9.
Behoort de bezorgdheid tot de verstandigheid?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod sollicitudo non pertineat ad prudentiam. Sollicitudo enim inquietudinem quandam importat, dicit enim Isidorus, in libro Etymol., quod sollicitus dicitur qui est inquietus. Sed motio maxime pertinet ad vim appetitivam. Ergo et sollicitudo. Sed prudentia non est in vi appetitiva, sed in ratione, ut supra habitum est. Ergo sollicitudo non pertinet ad prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de bezorgdheid niet tot de verstandigheid behoort. Bezorgdheid verraadt immers een zekere onrust. Isidorus zegt immers: « Iemand, die bezorgd is, noemt men onrustig ». Onrust als gemoedsbeweging nu, kan enkel in het streefvermogen zijn, terwijl de verstandigheid, zoals reeds werd opgemerkt (1e Art.), niet in het streefvermogen, maar in het verstand zetelt. Dus behoort de bezorgdheid niet tot de verstandigheid.

Praeterea, sollicitudini videtur opponi certitudo veritatis, unde dicitur I Reg. IX quod Samuel dixit ad Saul, de asinis quas nudiustertius perdidisti ne sollicitus sis, quia inventae sunt. Sed certitudo veritatis pertinet ad prudentiam, cum sit virtus intellectualis. Ergo sollicitudo opponitur prudentiae, magis quam ad eam pertineat. (IIa-IIae q. 47 a. 9 arg. 2)

2 — Bezorgdheid staat recht tegenover de zekerheid der waarheid. Vandaar zegt Samuel tot Saul in het Eerste Boek der Koningen (9.20): « Wees niet bezorgd over de ezels, die gij eergisteren verloren hebt, omdat zij teruggevonden zijn ». De zekerheid der waarheid behoort wel tot de verstandigheid, omdat deze een verstandsdeugd is. Daarom is de bezorgdheid eerder tegenovergesteld aan de verstandigheid, dan ertoe behorend.

Praeterea, philosophus dicit, in IV Ethic., quod ad magnanimum pertinet pigrum esse et otiosum. Pigritiae autem opponitur sollicitudo. Cum ergo prudentia non opponatur magnanimitati, quia bonum non est bono contrarium, ut dicitur in Praedic.; videtur quod sollicitudo non pertineat ad prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 9 arg. 3)

3 — De Wijsgeer zegt, dat « de grootmoedige zorgeloos is en zonder onrust ». Zorgeloosheid staat echter recht tegenover bezorgdheid. Grootmoedigheid kan echter niet tegengesteld zijn aan de verstandigheid, want « iets goeds is niet tegengesteld aan het goede », zoals gezegd wordt in De Praedicamentis. Dus behoort bezorgdheid niet tot de verstandigheid.

Sed contra est quod dicitur I Pet. IV, estote prudentes, et vigilate in orationibus. Sed vigilantia est idem sollicitudini. Ergo sollicitudo pertinet ad prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Brief van Petrus (4.7) gezegd wordt: « Weest verstandig en waakt onder gebeden ». Waakzaamheid uit zich nu in een zekere bezorgdheid. Dus hoort de bezorgdheid tot de verstandigheid.

Respondeo dicendum quod, sicut dicit Isidorus, in libro Etymol., sollicitus dicitur quasi solers citus, inquantum scilicet aliquis ex quadam solertia animi velox est ad prosequendum ea quae sunt agenda. Hoc autem pertinet ad prudentiam, cuius praecipuus actus est circa agenda praecipere de praeconsiliatis et iudicatis. Unde philosophus dicit, in VI Ethic., quod oportet operari quidem velociter consiliata, consiliari autem tarde. Et inde est quod sollicitudo proprie ad prudentiam pertinet. Et propter hoc Augustinus dicit, in libro de moribus Eccles., quod prudentiae sunt excubiae atque diligentissima vigilantia ne, subrepente paulatim mala suasione, fallamur. (IIa-IIae q. 47 a. 9 co.)

Isidorus zegt: « Bezorgd noemt men iemand, die snel is in zorgen », d.w.z. wanneer hij door een zekere scherpte van geest vlug weet te bepalen, wat gedaan moet worden. Dit behoort tot de verstandigheid. Want het is haar eigenlijke taak, bij een handeling te gebieden, wat tevoren in beraad genomen en goed beoordeeld is. Vandaar zegt de Wijsgeer, dat men « vlug moet uitvoeren, wat men van plan is, maar langzaam moet overwegen ». Daarom behoort de bezorgdheid in wezen tot de verstandigheid. Daarom ook zegt Augustinus: « Tot de verstandigheid behoort, dat men op zijn hoede is, en zo zorgvuldig mogelijk waakt, opdat men niet door het langzaam insluipen van een valse mening bedrogen worde ».

Ad primum ergo dicendum quod motus pertinet quidem ad vim appetitivam sicut ad principium movens, tamen secundum directionem et praeceptum rationis, in quo consistit ratio sollicitudinis. (IIa-IIae q. 47 a. 9 ad 1)

1 — Iedere gemoedsbeweging behoort onder het streefvermogen, daar dit het bewegend beginsel is. Maar dan volgens het richtsnoer en het voorschrift van het verstand. En hierin ligt het wezen der bezorgdheid.

Ad secundum dicendum quod, secundum philosophum, in I Ethic., certitudo non est similiter quaerenda in omnibus, sed in unaquaque materia secundum proprium modum. Quia vero materiae prudentiae sunt singularia contingentia, circa quae sunt operationes humanae, non potest certitudo prudentiae tanta esse quod omnino sollicitudo tollatur. (IIa-IIae q. 47 a. 9 ad 2)

2 — Volgens de Wijsgeer moet men de zekerheid niet in alles op dezelfde wijze zoeken, maar bij iedere onderwerp op de daaraan eigen manier. Het onderwerp der verstandigheid zijn de op zichzelf staande gevallen, waarin iedere menselijke handeling gesteld wordt. En hierin kan de zekerheid niet zodanig zijn, dat alle bezorgdheid wordt weggenomen.

Ad tertium dicendum quod magnanimus dicitur esse piger et otiosus, non quia de nullo sit sollicitus, sed quia non est superflue sollicitus de multis, sed confidit in his de quibus confidendum est, et circa illa non superflue sollicitatur. Superfluitas enim timoris et diffidentiae facit superfluitatem sollicitudinis, quia timor facit consiliativos, ut supra dictum est cum de passione timoris ageretur. (IIa-IIae q. 47 a. 9 ad 3)

3 — De grootmoedige is zorgeloos en zonder onrust, niet, omdat hij over niets bezorgd is, maar omdat hij niet overmatig bezorgd is over vele dingen. Hij vertrouwt, wanneer hij kan vertrouwen en maakt zich daarover niet bezorgd. Overmatige vrees en wantrouwen veroorzaken overmatige bezorgdheid, omdat de vrees bedachtzame mensen kweekt, naar vroeger bleek (I. II. 44° Kw. 2° Art.).

Articulus 10.
Strekt de verstandigheid zich ook uit tot het bestuur ener gemeenschap?

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod prudentia non se extendat ad regimen multitudinis, sed solum ad regimen sui ipsius. Dicit enim philosophus, in V Ethic., quod virtus relata ad bonum commune est iustitia. Sed prudentia differt a iustitia. Ergo prudentia non refertur ad bonum commune. (IIa-IIae q. 47 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid zich niet uitstrekt tot het bestuur van een gemeenschap, maar alleen tot het bestuur van het eigen individu. De wijsgeer zegt immers, dat de rechtvaardigheid de deugd is, die het algemeen welzijn geldt. De verstandigheid is onderscheiden van de rechtvaardigheid. Dus strekt de verstandigheid zich niet uit tot het algemeen welzijn.

Praeterea, ille videtur esse prudens qui sibi ipsi bonum quaerit et operatur. Sed frequenter illi qui quaerunt bona communia negligunt sua. Ergo non sunt prudentes. (IIa-IIae q. 47 a. 10 arg. 2)

2 — Verstandig is hij, die eigen voordeel zoekt en daarvoor werkt. Die het algemeen welzijn behartigen, verwaarlozen dikwijls hun eigen welzijn. Dus zijn zij niet verstandig.

Praeterea, prudentia dividitur contra temperantiam et fortitudinem. Sed temperantia et fortitudo videntur dici solum per comparationem ad bonum proprium. Ergo etiam et prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 10 arg. 3)

3 — De verstandigheid wordt met de matigheid en de sterkte in een verdeling opgenomen. Matigheid en sterkte strekken alleen tot het persoonlijk welzijn. Dus ook de verstandigheid.

Sed contra est quod dominus dicit, Matth. XXIV, quis, putas, est fidelis servus et prudens, quem constituit dominus super familiam suam? (IIa-IIae q. 47 a. 10 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Mattheus (24. 45): « Wie is de getrouwe en verstandige knecht, die de Heer gesteld heeft over zijn dienaren? »

Respondeo dicendum quod, sicut philosophus dicit, in VI Ethic., quidam posuerunt quod prudentia non se extendit ad bonum commune, sed solum ad bonum proprium. Et hoc ideo quia existimabant quod non oportet hominem quaerere nisi bonum proprium. Sed haec aestimatio repugnat caritati, quae non quaerit quae sua sunt, ut dicitur I ad Cor. XIII. Unde et apostolus de seipso dicit, I ad Cor. X, non quaerens quod mihi utile sit, sed quod multis, ut salvi fiant. Repugnat etiam rationi rectae, quae hoc iudicat, quod bonum commune sit melius quam bonum unius. Quia igitur ad prudentiam pertinet recte consiliari, iudicare et praecipere de his per quae pervenitur ad debitum finem, manifestum est quod prudentia non solum se habet ad bonum privatum unius hominis, sed etiam ad bonum commune multitudinis. (IIa-IIae q. 47 a. 10 co.)

In de Ethica spreekt de Wijsgeer over de mening, die sommigen voorstonden, dat namelijk de verstandigheid zich niet uitstrekt tot het algemeen, maar enkel tot het persoonlijk welzijn. En zulks, omdat de mens, naar hun opvatting, alleen zijn eigen goed moet zoeken. Dit is echter in strijd met de liefde, die « het hare niet zoekt ». (1 Cor. 13.5). Vandaar zegt de Apostel van zichzelf (1 Cor. 10.33): « Mijn eigen voordeel niet zoekende, maar dat van velen, opdat zij gered worden ». — Die opvatting strijdt evenzeer met het gezond verstand, dat de voorrang erkent van het algemeen welzijn boven het persoonlijke. Het is de taak der verstandigheid, goed te overleggen en te oordelen over de handelingen, waardoor een verplicht doel bereikt wordt, en deze handelingen te bevelen. Het is dus duidelijk, dat de verstandigheid zich niet alleen uitstrekt tot het persoonlijk welzijn van één mens, maar ook tot het algemeen welzijn van de gemeenschap.

Ad primum ergo dicendum quod philosophus ibi loquitur de virtute morali. Sicut autem omnis virtus moralis relata ad bonum commune dicitur legalis iustitia, ita prudentia relata ad bonum commune vocatur politica, ut sic se habeat politica ad iustitiam legalem, sicut se habet prudentia simpliciter dicta ad virtutem moralem. (IIa-IIae q. 47 a. 10 ad 1)

1 — De Wijsgeer spreekt hier van de zedelijke deugd. Iedere zedelijke deugd wordt sociale rechtvaardigheid genoemd, zodra zij zich richt op het algemeen welzijn. Eveneens wordt de verstandigheid, zodra zij zich richt op het algemeen welzijn, staatsmanswijsheid genoemd. Ten opzichte van de sociale rechtvaardigheid oefent de staatsmanswijsheid dezelfde taak uit als de gewone verstandigheid ten opzichte van de zedelijke deugden.

Ad secundum dicendum quod ille qui quaerit bonum commune multitudinis ex consequenti etiam quaerit bonum suum, propter duo. Primo quidem, quia bonum proprium non potest esse sine bono communi vel familiae vel civitatis aut regni. Unde et maximus Valerius dicit de antiquis Romanis quod malebant esse pauperes in divite imperio quam divites in paupere imperio. Secundo quia, cum homo sit pars domus et civitatis, oportet quod homo consideret quid sit sibi bonum ex hoc quod est prudens circa bonum multitudinis, bona enim dispositio partis accipitur secundum habitudinem ad totum; quia ut Augustinus dicit, in libro Confess., turpis est omnis pars suo toti non congruens. (IIa-IIae q. 47 a. 10 ad 2)

2 — Wie het gemeenschappelijk belang van een gemeenschap behartigt, zorgt daardoor tevens ook voor zijn persoonlijk belang. En dat om twee redenen. Ten eerste, omdat zijn persoonlijk belang niet mogelijk is zonder het algemeen welzijn, hetzij van huisgezin, stad of land. Daarom zegt Maximus Valerius van de oude Romeinen, « dat zij liever arm wilden zijn in een rijke staat, dan rijk in een arme staat ». — Ten tweede omdat de mens een bestanddeel is van een huisgezin of stad, en daarom het persoonlijk goede moet afmeten naar hetgeen redelijkerwijs strekt tot het welzijn der gemeenschap. De goede gesteldheid immers van het deel is afhankelijk van zijn verhouding tot het geheel. Want, zoals Augustinus zegt: « Wanstaltig is ieder deel, dat niet past in het geheel ».

Ad tertium dicendum quod etiam temperantia et fortitudo possunt referri ad bonum commune, unde de actibus earum dantur praecepta legis, ut dicitur in V Ethic. Magis tamen prudentia et iustitia, quae pertinent ad partem rationalem, ad quam directe pertinent communia, sicut ad partem sensitivam pertinent singularia. (IIa-IIae q. 47 a. 10 ad 3)

3 — Ook de matigheid en de sterkte kunnen gericht zijn op het algemeen welzijn. Vandaar dat omtrent hun handelingen dikwijls wetsbepalingen worden uitgevaardigd, zoals staat in de Ethica. Maar de rechtvaardigheid en de verstandigheid zijn uiteraard meer rechtstreeks op het algemeen welzijn gericht, omdat zij behoren tot het verstand, waaronder het algemene valt, terwijl de afzonderlijke dingen meer onder het zinnelijke behoren.

Articulus 11.
Is de verstandigheid, die zich richt op het eigen particulier goed, van dezelfde soort als de verstandigheid, die zich uitstrekt tot het algemeen welzijn?

Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod prudentia quae est respectu boni proprii sit eadem specie cum ea quae se extendit ad bonum commune. Dicit enim philosophus, in VI Ethic., quod politica et prudentia idem habitus est, esse autem non idem ipsis. (IIa-IIae q. 47 a. 11 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid ten opzichte van het eigen welzijn, van dezelfde soort is als de verstandigheid, die zich richt op het algemeen welzijn. « De staatkunde en de verstandigheid zijn eenzelfde vaardigheid », zegt de Wijsgeer, « ofschoon zij onderscheiden zijn ».

Praeterea, philosophus dicit, in III Polit., quod eadem est virtus boni viri et boni principis. Sed politica maxime est in principe, in quo est sicut architectonica. Cum ergo prudentia sit virtus boni viri, videtur quod sit idem habitus prudentia et politica. (IIa-IIae q. 47 a. 11 arg. 2)

2 — Ook zegt de Wijsgeer, dat « de vaardigheid, waardoor men een goed mens en een goede regeerder is, dezelfde zijn ». Een goede regeerder bezit op de eerste plaats de staatkunde, die al zijn andere vaardigheden moet leiden. Dus verschilt de staatkunde niet van de gewone verstandigheid.

Praeterea, ea quorum unum ordinatur ad aliud non diversificant speciem aut substantiam habitus. Sed bonum proprium, quod pertinet ad prudentiam simpliciter dictam, ordinatur ad bonum commune, quod pertinet ad politicam. Ergo politica et prudentia neque differunt specie, neque secundum habitus substantiam. (IIa-IIae q. 47 a. 11 arg. 3)

3 — Zaken, die aan elkaar ondergeschikt zijn, geven geen soortverschil in de vaardigheden, waarvan zij de voorwerpen zijn. Het eigen welzijn, dat tot de gewone verstandigheid behoort, is ondergeschikt aan het algemeen welzijn, dat het voorwerp is der staatkunde. Dus verschillen de verstandigheid en de staatkunde noch in soort, noch in haar wezen als vaardigheid.

Sed contra est quod diversae scientiae sunt politica, quae ordinatur ad bonum commune civitatis; et oeconomica, quae est de his quae pertinent ad bonum commune domus vel familiae; et monastica, quae est de his quae pertinent ad bonum unius personae. Ergo pari ratione et prudentiae sunt species diversae secundum hanc diversitatem materiae. (IIa-IIae q. 47 a. 11 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de wetenschappen omtrent de staat, de familie, en het eigen goed onderscheiden wetenschappen zijn. Zo moeten er ook verschillende soorten van verstandigheid zijn naar de onderscheidene voorwerpen, waarop zij gericht is.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, species habituum diversificantur secundum diversitatem obiecti quae attenditur penes rationem formalem ipsius. Ratio autem formalis omnium quae sunt ad finem attenditur ex parte finis; sicut ex supradictis patet. Et ideo necesse est quod ex relatione ad diversos fines diversificentur species habitus. Diversi autem fines sunt bonum proprium unius, et bonum familiae, et bonum civitatis et regni. Unde necesse est quod et prudentiae differant specie secundum differentiam horum finium, ut scilicet una sit prudentia simpliciter dicta, quae ordinatur ad bonum proprium; alia autem oeconomica, quae ordinatur ad bonum commune domus vel familiae; et tertia politica, quae ordinatur ad bonum commune civitatis vel regni. (IIa-IIae q. 47 a. 11 co.)

De vaardigheden worden in soorten verdeeld naar het wezenlijk onderscheid in haar voorwerpen, zoals vroeger werd uiteengezet (5e Art. en I. II. 54e Kw. 2e Art. 1e Antw.). De wezensinhoud van alles, wat op een doel gericht is, wordt bepaald door het doel, zoals bleek uit I. II. 1e Kw. en 102e Kw. 1e Art. Daarom worden naar haar verhouding tot verschillende doeleinden de vaardigheden in soorten verdeeld. Het persoonlijk welzijn, het welzijn van een huisgezin en het welzijn van een stad of rijk zijn wel-onderscheiden doeleinden. Daarom moet men onderscheid maken in verschillende soorten van verstandigheid: verstandigheid in strikte zin, die gericht is op het eigen welzijn, een andere, de huishoudkunde die gericht is op het gemeenschappelijk welzijn van een huis of huisgezin, en een derde soort van staatkundige aard, die gericht is op het algemeen welzijn van een stad of rijk.

Ad primum ergo dicendum quod philosophus non intendit dicere quod politica sit idem secundum substantiam habitus cuilibet prudentiae, sed prudentiae quae ordinatur ad bonum commune. Quae quidem prudentia dicitur secundum communem rationem prudentiae, prout scilicet est quaedam recta ratio agibilium, dicitur autem politica secundum ordinem ad bonum commune. (IIa-IIae q. 47 a. 11 ad 1)

1 — Het is de bedoeling van de Wijsgeer niet, dat de staatkunde in haar wezen als vaardigheid gelijk is aan de verstandigheid op elk ander gebied, maar alleen aan de verstandigheid, die gericht is op het algemeen welzijn. Men noemt haar wel verstandigheid, omdat zij overeenkomt met het algemene begrip van verstandigheid, dat is: het juiste oordeel van wat gedaan moet worden. Zij wordt echter staatkunde genoemd volgens haar verhouding tot het algemeen welzijn.

Ad secundum dicendum quod, sicut philosophus ibidem dicit, ad bonum virum pertinet posse bene principari et bene subiici. Et ideo in virtute boni viri includitur etiam virtus principis. Sed virtus principis et subditi differt specie, sicut etiam virtus viri et mulieris, ut ibidem dicitur. (IIa-IIae q. 47 a. 11 ad 2)

2 — De Wijsgeer zegt op diezelfde plaats, dat het de eigenschap is van een goede man, te kunnen bevelen en onderworpen te zijn. En daarom ligt in de vaardigheid van een goede man te zijn, vanzelf besloten de vaardigheid van een goede regeerder te zijn. Maar de vaardigheid van een goede regeerder en een goed onderdaan, zijn in soort onderscheiden, en eveneens de vaardigheid van man en vrouw, zoals de Wijsgeer daar ook zegt.

Ad tertium dicendum quod etiam diversi fines quorum unus ordinatur ad alium diversificant speciem habitus, sicut equestris et militaris et civilis differunt specie, licet finis unius ordinetur ad finem alterius. Et similiter, licet bonum unius ordinetur ad bonum multitudinis, tamen hoc non impedit quin talis diversitas faciat habitus differre specie. Sed ex hoc sequitur quod habitus qui ordinatur ad finem ultimum sit principalior, et imperet aliis habitibus. (IIa-IIae q. 47 a. 11 ad 3)

3 — Ook doeleinden, die aan elkaar ondergeschikt zijn, veroorzaken een verschil van soort bij de vaardigheden. Zo bijvoorbeeld is de kunst van paardrijden onderscheiden van de kunst van oorlogvoeren en van regeren, ofschoon het doel van de ene hier ondergeschikt gemaakt kan worden aan het doel van de andere. Welnu: zo is het welzijn van de enkeling ondergeschikt aan het algemeen welzijn, terwijl de vaardigheden, die hierop gericht zijn toch in soort onderscheiden zijn. Maar dan volgt hieruit ook, dat de vaardigheid, die op het laatste doel gericht is, de voornaamste is en het bevel voert over de andere.

Articulus 12.
Is de verstandigheid alleen te vinden bij de bestuurders, of ook bij de onderdanen?

Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit in subditis, sed solum in principibus. Dicit enim philosophus, in III Polit., quod prudentia sola est propria virtus principis, aliae autem virtutes sunt communes subditorum et principum. Subditi autem non est virtus prudentia, sed opinio vera. (IIa-IIae q. 47 a. 12 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid niet bij de onderdanen, maar alleen bij de bestuurders aanwezig is. De Wijsgeer zegt immers, dat de verstandigheid de eigenlijke deugd van de regeerder is, en bij hem alleen voorkomt; de andere deugden zijn het gemeenschappelijk bezit, zowel van regeerders als van onderdanen. Een onderdaan bezit de deugd van verstandigheid niet, maar alleen een goede mening.

Praeterea, in I Polit. dicitur quod servus omnino non habet quid consiliativum. Sed prudentia facit bene consiliativos; ut dicitur in VI Ethic. Ergo prudentia non competit servis, seu subditis. (IIa-IIae q. 47 a. 12 arg. 2)

2 — In de *Politica* wordt gezegd, dat een slaaf geen aanspraak kan maken op wat beraad heet. De verstandigheid nu maakt mensen van rijp beraad, zoals in de *Ethica* gezegd wordt. Dus komt de verstandigheid niet toe aan slaven of onderdanen.

Praeterea, prudentia est praeceptiva, ut supra dictum est. Sed praecipere non pertinet ad servos vel subditos, sed solum ad principes. Ergo prudentia non est in subditis, sed solum in principibus. (IIa-IIae q. 47 a. 12 arg. 3)

3 — De verstandigheid geeft bevelen, zoals vroeger gezegd is (8° Art. van deze Kw.). Maar bevelen behoort niet te geschieden door slaven of onderdanen, maar alleen door regeerders. Dus is de verstandigheid geen deugd van slaven of onderdanen, maar alleen van regeerders.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod prudentiae politicae sunt duae species, una quae est legum positiva, quae pertinet ad principes; alia quae retinet commune nomen politicae, quae est circa singularia. Huiusmodi autem singularia peragere pertinet etiam ad subditos. Ergo prudentia non solum est principum, sed etiam subditorum. (IIa-IIae q. 47 a. 12 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat er twee soorten van staatkundige verstandigheid zijn: de ene heeft tot taak wetten te maken, en is dus een eigenschap van de regeerders, de andere is gericht op de uitvoering der wetten door de afzonderlijke handelingen en komt dus ook bij de onderdanen voor. Zij heet meer speciaal: politieke verstandigheid. Dus is de verstandigheid niet alleen een eigenschap van de regeerders, maar ook van de onderdanen.

Respondeo dicendum quod prudentia in ratione est. Regere autem et gubernare proprie rationis est. Et ideo unusquisque inquantum participat de regimine et gubernatione, intantum convenit sibi habere rationem et prudentiam. Manifestum est autem quod subditi inquantum est subditus, et servi inquantum est servus, non est regere et gubernare, sed magis regi et gubernari. Et ideo prudentia non est virtus servi inquantum est servus, nec subditi inquantum est subditus. Sed quia quilibet homo, inquantum est rationalis, participat aliquid de regimine secundum arbitrium rationis, intantum convenit ei prudentiam habere. Unde manifestum est quod prudentia quidem in principe est ad modum artis architectonicae, ut dicitur in VI Ethic., in subditis autem ad modum artis manu operantis. (IIa-IIae q. 47 a. 12 co.)

De verstandigheid zetelt in het verstand. Regeren en besturen is de eigenlijke taak van het verstand. Daarom bezit eenieder de deugd der verstandigheid in zover hij deel heeft in de regering en het bestuur. Het is duidelijk, dat een onderdaan, voor zover hij onderdaan is, en een slaaf, voor zover hij slaaf is, niet kan regeren en besturen. Zij worden veeleer geregeerd en bestuurd. En daarom is de verstandigheid geen eigenschap van de onderdaan als onderdaan en van de slaaf als slaaf. Maar ieder mens heeft juist als redelijk mens deel aan het bestuur, daar hij volgens zijn verstandelijk oordeel heeft te gehoorzamen. En zo komt ook hem de verstandigheid toe. Het is dus duidelijk, dat de regeerder de verstandigheid bezit als een vaardigheid, die de leiding heeft, zoals in de Ethica gezegd wordt. De onderdanen bezitten de verstandigheid als de vaardigheid, die de bevelen uitvoert.

Ad primum ergo dicendum quod verbum philosophi est intelligendum per se loquendo, quia scilicet virtus prudentiae non est virtus subditi inquantum huiusmodi. (IIa-IIae q. 47 a. 12 ad 1)

1 — Deze uitspraak van de Wijsgeer moet verstaan worden in algemene zin. Want de deugd van verstandigheid is niet de deugd van de onderdaan als zodanig.

Ad secundum dicendum quod servus non habet consiliativum inquantum est servus, sic enim est instrumentum domini. Est tamen consiliativus inquantum est animal rationale. (IIa-IIae q. 47 a. 12 ad 2)

2 — Een slaaf bezit geen beraad, in zover hij slaaf is; wel als een verstandelijk wezen, want zo kan hij bij zichzelf overleggen.

Ad tertium dicendum quod per prudentiam homo non solum praecipit aliis, sed etiam sibi ipsi, prout scilicet ratio dicitur praecipere inferioribus viribus. (IIa-IIae q. 47 a. 12 ad 3)

3 — De mens beveelt door de verstandigheid niet alleen aan anderen, maar ook aan zichzelf. Men zegt immers van het verstand, dat het de lagere krachten regeert.

Articulus 13.
Kan de verstandigheid aanwezig zijn in zedelijk slechte mensen?

Ad decimumtertium sic proceditur. Videtur quod prudentia possit esse in peccatoribus. Dicit enim dominus, Luc. XVI, filii huius saeculi prudentiores filiis lucis in generatione sua sunt. Sed filii huius saeculi sunt peccatores. Ergo in peccatoribus potest esse prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 13 arg. 1)

1 — Men beweert dat de verstandigheid ook is in de zondaren. De Heer zegt immers (Luc. 16. 8): « De kinderen dezer wereld zijn verstandiger in hun geslacht dan de kinderen des Lichts ». — De kinderen dezer wereld zijn de zondaren. Dus is de verstandigheid ook bij de zondaren aanwezig.

Praeterea, fides est nobilior virtus quam prudentia. Sed fides potest esse in peccatoribus. Ergo et prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 13 arg. 2)

2 — Het geloof is een hogere deugd dan de verstandigheid. Het geloof nu kan ook zijn in de zondaars. Dus ook de verstandigheid.

Praeterea, prudentis hoc opus maxime dicimus, bene consiliari; ut dicitur in VI Ethic. Sed multi peccatores sunt boni consilii. Ergo multi peccatores habent prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 13 arg. 3)

3 — « Op de eerste plaats noemen we onder de werken van een verstandig mens: zich beraden », staat er in de Ethica. Vele zondaren nu zijn zeer beleefd. Dus bezitten zij de deugd van verstandigheid.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., impossibile prudentem esse non entem bonum. Sed nullus peccator est bonus. Ergo nullus peccator est prudens. (IIa-IIae q. 47 a. 13 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt: « Het is onmogelijk, dat een verstandig mens niet goed is ». Geen enkele zondaar is goed. Dus is geen enkele zondaar verstandig.

Respondeo dicendum quod prudentia dicitur tripliciter. Est enim quaedam prudentia falsa, vel per similitudinem dicta. Cum enim prudens sit qui bene disponit ea quae sunt agenda propter aliquem bonum finem, ille qui propter malum finem aliqua disponit congruentia illi fini habet falsam prudentiam, inquantum illud quod accipit pro fine non est vere bonum, sed secundum similitudinem, sicut dicitur aliquis bonus latro. Hoc enim modo potest secundum similitudinem dici prudens latro qui convenientes vias adinvenit ad latrocinandum. Et huiusmodi est prudentia de qua apostolus dicit, ad Rom. VIII, prudentia carnis mors est, quae scilicet finem ultimum constituit in delectatione carnis. Secunda autem prudentia est quidem vera, quia adinvenit vias accommodatas ad finem vere bonum; sed est imperfecta, duplici ratione. Uno modo, quia illud bonum quod accipit pro fine non est communis finis totius humanae vitae, sed alicuius specialis negotii, puta cum aliquis adinvenit vias accommodatas ad negotiandum vel ad navigandum, dicitur prudens negotiator vel nauta. Alio modo, quia deficit in principali actu prudentiae, puta cum aliquis bene consiliatur et recte iudicat etiam de his quae pertinent ad totam vitam, sed non efficaciter praecipit. Tertia autem prudentia est et vera et perfecta, quae ad bonum finem totius vitae recte consiliatur, iudicat et praecipit. Et haec sola dicitur prudentia simpliciter. Quae in peccatoribus esse non potest. Prima autem prudentia est in solis peccatoribus. Prudentia autem imperfecta est communis bonis et malis, maxime illa quae est imperfecta propter finem particularem. Nam illa quae est imperfecta propter defectum principalis actus etiam non est nisi in malis. (IIa-IIae q. 47 a. 13 co.)

Er is een drievoudige verstandigheid. Men kan namelijk spreken van een zekere valse verstandigheid. Iemand is immers verstandig in zover hij goed oordeelt over de middelen om tot een goed doel te geraken. Wie dus een kwaad doel vooropstelt, en de geschikte middelen daartoe aanwendt, heeft een valse verstandigheid. Want hetgeen hij voor het bereiken van zijn doel gebruikt, is niet werkelijk goed, maar slechts in schijn. Zo spreekt men bijvoorbeeld ook van een goed steler, als iemand handig is in het stelen. Men kan hem een verstandig steler noemen, omdat hij de geschikte wegen vindt om te stelen. Van dit soort is de verstandigheid, waarvan de Apostel spreekt in de Brief aan de Romeinen (8. 6), wanneer hij zegt: « De verstandigheid van het vlees is de dood », namelijk die het laatste doel stelt in de lusten van het vlees. — Een tweede soort van verstandigheid is wel de echte in zover zij de geschikte wegen vindt om tot een werkelijk goed doel te komen. Maar ze is onvolmaakt. En wel om twee redenen: ten eerste, omdat het goede, dat ze zich ten doel stelt, niet het algemene doel is van het gehele menselijke leven, maar in een bepaalde orde. Zo bijvoorbeeld wanneer iemand geschikte wegen vindt om handel te drijven, of de scheepvaart te beoefenen. Men noemt hem dan een verstandig handelaar, of een verstandig schipper. — Vervolgens, omdat zij te kort schiet in de voornaamste daad der verstandigheid. Zo bijvoorbeeld wanneer iemand wel goed overlegt en juist oordeelt over de middelen tot het einddoel van het gehele leven, maar niet krachtdadig beveelt. — De derde soort van verstandigheid is de ware en volmaakte. Zij overlegt, oordeelt en beveelt over de juiste middelen welke voeren tot het einddoel van het gehele leven. Hier kan men alleen spreken van verstandigheid in eigenlijke zin. De zondaren bezitten haar niet. De valse verstandigheid is alleen in de zedelijk-slechte mensen. De onvolmaakte verstandigheid, bezitten de goeden en kwaden in gelijke mate, vooral die verstandigheid, welke onvolmaakt is wegens het ondergeschikte doel, waarop zij gericht is. Want de verstandigheid die onvolmaakt is door het ontbreken van een krachtig bevel, vindt men alleen bij bozen.

Ad primum ergo dicendum quod illud verbum domini intelligitur de prima prudentia. Unde non dicitur simpliciter quod sint prudentes; sed quod sint prudentes in generatione sua. (IIa-IIae q. 47 a. 13 ad 1)

1 — Dit woord van de Heer moet verstaan worden van de eerste verstandigheid. Daarom wordt niet zonder meer gezegd dat ze verstandig zijn, maar er wordt aan toegevoegd: in hun geslacht.

Ad secundum dicendum quod fides in sui ratione non importat aliquam conformitatem ad appetitum rectorum operum, sed ratio fidei consistit in sola cognitione. Sed prudentia importat ordinem ad appetitum rectum. Tum quia principia prudentiae sunt fines operabilium, de quibus aliquis habet rectam aestimationem per habitus virtutum moralium, quae faciunt appetitum rectum, unde prudentia non potest esse sine virtutibus moralibus, ut supra ostensum est. Tum etiam quia prudentia est praeceptiva rectorum operum, quod non contingit nisi existente appetitu recto. Unde fides licet sit nobilior quam prudentia propter obiectum, tamen prudentia secundum sui rationem magis repugnat peccato, quod procedit ex perversitate appetitus. (IIa-IIae q. 47 a. 13 ad 2)

2 — Het wezen van het geloof sluit geen overeenstemming in met een juist-georiënteerd begeervermogen; het wezen van het geloof bestaat uitsluitend in de kennis. Maar de verstandigheid sluit zulke overeenstemming in, vooreerst omdat de beginselen van de verstandigheid de doeleinden zijn van de zedelijke handelingen, doeleinden waarvan men een juiste schatting heeft door de zedelijke deugden, die het begeervermogen juist oriënteren. Vandaar dat de verstandigheid niet kan bestaan zonder de zedelijke deugden, zoals boven aangetoond werd (I. II. 58 Kw. 5 Art.). Een tweede reden vinden wij in het feit dat de verstandigheid de uitvoering van de zedelijk-goede daden beveelt, wat niet kan, tenzij het begeervermogen goed-georiënteerd is. Hoewel dus het geloof verhevener is dan de verstandigheid omwille van zijn voorwerp, toch blijft het waar dat de verstandigheid volgens haar eigen wezen meer tegengesteld is aan de zonde, die voortkomt uit een verkeerd-geordend begeervermogen.

Ad tertium dicendum quod peccatores possunt quidem esse bene consiliativi ad aliquem finem malum, vel ad aliquod particulare bonum, ad finem autem bonum totius vitae non sunt bene consiliativi perfecte, quia consilium ad effectum non perducunt. Unde non est in eis prudentia, quae se habet solum ad bonum, sed sicut philosophus dicit, in VI Ethic., est in talibus deinotica idest naturalis industria, quae se habet ad bonum et ad malum; vel astutia, quae se habet solum ad malum, quam supra diximus falsam prudentiam vel prudentiam carnis. (IIa-IIae q. 47 a. 13 ad 3)

3 — De zondaars kunnen welberaden zijn waar het gaat om het bereiken van een verkeerd doel of van een afzonderlijk goed. Met betrekking echter tot het goede doel van geheel het leven zijn zij niet ten volle welberaden, omdat zij de beraadslaging niet doorwerken tot aan de goede uitslag. Daarom bezitten zij geen verstandigheid die alleen op het goede gericht is. Maar, zoals de Wijsgeer zegt, bezitten zij wel een zekere natuurlijke scherpzinnigheid, die én op het goede, én op het kwade gericht is; ofwel bezitten zij een zekere listigheid, die uitsluitend op het kwade afgericht is, en die wij boven (in de Leerst.) valse verstandigheid of verstandigheid des vleses genoemd hebben.

Articulus 14.
Is de verstandigheid het bezit van allen, die in staat van genade zijn?

Ad decimumquartum sic proceditur. Videtur quod prudentia non sit in omnibus habentibus gratiam. Ad prudentiam enim requiritur industria quaedam, per quam sciant bene providere quae agenda sunt. Sed multi habentes gratiam carent tali industria. Ergo non omnes habentes gratiam habent prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 14 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid niet aanwezig is bij allen, die in staat van genade zijn. De verstandigheid eist immers een zekere maat van scherpzinnigheid, waardoor men in staat is goede maatregelen te treffen in de handelingen, die men wil verrichten. Nu missen velen, die in staat van genade zijn, deze scherpzinnigheid. Dus bezitten niet allen, die in staat van genade zijn, de deugd van verstandigheid.

Praeterea, prudens dicitur qui est bene consiliativus, ut dictum est. Sed multi habent gratiam qui non sunt bene consiliativi, sed necesse habent regi consilio alieno. Ergo non omnes habentes gratiam habent prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 14 arg. 2)

2 — Verstandig noemt men hem, die goed weet te overleggen, zoals vroeger werd aangetoond (8° Art. 2° B Bed. en 13° Art. 3° Bed.). Maar nu zijn er velen in staat van genade, die niet goed kunnen overleggen, en daarom de raad van een ander moeten inwinnen. Waaruit blijkt, dat niet allen, die in staat van genade zijn, beschikken over de deugd van verstandigheid.

Praeterea, philosophus dicit, in III Topic., quod iuvenes non constat esse prudentes. Sed multi iuvenes habent gratiam. Ergo prudentia non invenitur in omnibus gratiam habentibus. (IIa-IIae q. 47 a. 14 arg. 3)

3 — De Wijsgeer zegt: « Men is het er wel over eens, dat jongere mensen niet beleefdvol zijn ». Toch zijn er veel jongeren in staat van genade. Dus vindt men de verstandigheid niet bij allen, die in staat van genade zijn.

Sed contra est quod nullus habet gratiam nisi sit virtuosus. Sed nullus potest esse virtuosus nisi habeat prudentiam, dicit enim Gregorius, in II Moral., quod ceterae virtutes, nisi ea quae appetunt prudenter agant, virtutes esse nequaquam possunt. Ergo omnes habentes gratiam habent prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 14 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat niemand in staat van genade is, tenzij hij deugdzaam is. Echter kan niemand deugdzaam zijn, die niet verstandig is, want Gregorius zegt, dat « de andere deugden geen ware deugden kunnen zijn, als zij niet op verstandige wijze volbrengen, wat ze bedoelen ». Dus moeten allen, die in staat van genade zijn, ook de verstandigheid bezitten.

Respondeo dicendum quod necesse est virtutes esse connexas, ita ut qui unam habet omnes habeat, ut supra ostensum est. Quicumque autem habet gratiam habet caritatem. Unde necesse est quod habeat omnes alias virtutes. Et ita, cum prudentia sit virtus, ut ostensum est, necesse est quod habeat prudentiam. (IIa-IIae q. 47 a. 14 co.)

Alle deugden staan noodzakelijk met elkaar in verband en wel zo, dat we, om er één te hebben, ze alle moeten bezitten, zoals reeds vroeger werd aangetoond (I. II. 65° Kw.). Wie in staat van genade is, bezit de liefde: dus moet hij noodzakelijk alle andere deugden hebben. Daar de verstandigheid een deugd is, wat werd aangetoond, moet hij ook deze bezitten.

Ad primum ergo dicendum quod duplex est industria. Una quidem quae est sufficiens ad ea quae sunt de necessitate salutis. Et talis industria datur omnibus habentibus gratiam, quos unctio docet de omnibus, ut dicitur I Ioan. II. Est autem alia industria plenior, per quam aliquis sibi et aliis potest providere, non solum de his quae sunt necessaria ad salutem sed etiam de quibuscumque pertinentibus ad humanam vitam. Et talis industria non est in omnibus habentibus gratiam. (IIa-IIae q. 47 a. 14 ad 1)

1 — Er is een tweevoudige scherpzinnigheid: een, die voldoende is ter zaligheid, en die wordt aan allen gegeven, die in staat van genade zijn, naar het woord van Joannes, dat « de zalving (der genade) hen over alles onderricht » (1 Joan. 2. 27). Maar er is nog een andere en volmaaktere scherpzinnigheid, waarmee iemand niet alleen zichzelf maar ook anderen kan besturen, en niet alleen in betrekking tot de eeuwige zaligheid, maar ook in alle andere zaken van het dagelijkse leven. Deze scherpzinnigheid bezitten niet allen die in staat van genade zijn.

Ad secundum dicendum quod illi qui indigent regi consilio alieno saltem in hoc sibi ipsis consulere sciunt, si gratiam habent, ut aliorum requirant consilia, et discernant consilia bona a malis. (IIa-IIae q. 47 a. 14 ad 2)

2 — Die de leiding van andermans raad behoeven, zullen — als zij in staat van genade zijn — minstens in zoverre bij zichzelf kunnen overleggen, dat zij én die raad gaan inwinnen, én goeden van slechten raad weten te onderscheiden.

Ad tertium dicendum quod prudentia acquisita causatur ex exercitio actuum, unde indiget ad sui generationem experimento et tempore, ut dicitur in II Ethic. Unde non potest esse in iuvenibus nec secundum habitum nec secundum actum. Sed prudentia gratuita causatur ex infusione divina. Unde in pueris baptizatis nondum habentibus usum rationis est prudentia secundum habitum, sed non secundum actum, sicut et in amentibus. In his autem qui iam habent usum rationis est etiam secundum actum quantum ad ea quae sunt de necessitate salutis, sed per exercitium meretur augmentum quousque perficiatur, sicut et ceterae virtutes. Unde et apostolus dicit, ad Heb. V, quod perfectorum est solidus cibus, qui pro consuetudine exercitatos habent sensus ad discretionem boni et mali. (IIa-IIae q. 47 a. 14 ad 3)

3 — De aangeworven deugd van verstandigheid wordt verkregen door herhaalde handelingen. Om haar te verkrijgen, is er dus tijd en ondervinding noodig, zoals de Ethica leert. Daarom vindt men haar niet bij jongeren, niet als vaardigheid en ook niet als daad. — Maar de ingestorte deugd van verstandigheid wordt verkregen door goddelijke instorting. Vandaar bezitten pas gedoopte kinderen, die nog niet tot het gebruik van het verstand gekomen zijn, toch de verstandigheid: alleen als vaardigheid, niet als daad. Hetzelfde is het geval bij krankzinnigen. Maar wie tot het gebruik van het verstand gekomen is, bezit de verstandigheid ook als daad in alles wat noodzakelijk is ter zaligheid: maar vermeerdering van die deugd wordt verdiend door beoefening totdat haar volkomenheid bereikt is, zoals dit ook bij de andere deugden geschiedt. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (5. 14), dat « vaste spijs is voor de volwassenen, voor hen die door oefening de zintuigen hebben afgericht om goed en kwaad te onderscheiden ».

Articulus 15.
Bezitten wij de verstandigheid van nature?

Ad decimumquintum sic proceditur. Videtur quod prudentia insit nobis a natura. Dicit enim philosophus, in VI Ethic., quod ea quae pertinent ad prudentiam naturalia videntur esse, scilicet synesis, gnome et huiusmodi, non autem ea quae pertinent ad sapientiam speculativam. Sed eorum quae sunt unius generis eadem est originis ratio. Ergo etiam prudentia inest nobis a natura. (IIa-IIae q. 47 a. 15 arg. 1)

1 — Men beweert, dat we de verstandigheid van nature bezitten. De wijsgeer zegt immers, dat alle bestanddelen van de verstandigheid ons van nature toehoren, nl. de « synesis », de « gnome », en meer dergelijke; de speculatieve wijsheid behoort ons echter niet van nature toe. Welnu: bij alle zaken van eenzelfde soort kan men de oorsprong verklaren door eenzelfde reden. Dus is de verstandigheid ons van nature eigen.

Praeterea, aetatum variatio est secundum naturam. Sed prudentia consequitur aetates, secundum illud Iob XII, in antiquis est sapientia, et in multo tempore prudentia. Ergo prudentia est naturalis. (IIa-IIae q. 47 a. 15 arg. 2)

2 — Verschil van leeftijd ontstaat van nature. Verstandigheid gaat samen met de ouderdom naar het bekende woord uit het Boek Job (12. 12): « Bij de ouden van dagen is wijsheid en bij bejaarden verstandigheid ». Derhalve hebben wij de verstandigheid van nature.

Praeterea, prudentia magis convenit naturae humanae quam naturae brutorum animalium. Sed bruta animalia habent quasdam naturales prudentias; ut patet per philosophum, in VIII de historiis Animal. Ergo prudentia est naturalis. (IIa-IIae q. 47 a. 15 arg. 3)

3 — De verstandigheid is meer een eigenschap van de menselijke natuur dan van het redeloze dier. Echter hebben zelfs de redeloze dieren een zekere mate van natuurlijke verstandigheid, zoals blijkt uit de opmerkingen van de Wijsgeer. Derhalve is de verstandigheid van nature.

Sed contra est quod philosophus dicit, in II Ethic., quod virtus intellectualis plurimum ex doctrina habet et generationem et augmentum, ideo experimento indiget et tempore. Sed prudentia est virtus intellectualis, ut supra habitum est. Ergo prudentia non inest nobis a natura, sed ex doctrina et experimento. (IIa-IIae q. 47 a. 15 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat een intellectuele vaardigheid haar ontstaan en groei hoofdzakelijk te danken heeft aan onderricht, en dat er daarom tijd en ondervinding voor nodig is. De verstandigheid is nu een intellectuele vaardigheid, zoals vroeger gezegd werd (I. II. 57° Kw. 5° Art. en 58° Kw. 3° Art. 3° Antw.). Dus is de verstandigheid in ons niet van nature, doch komt zij voort uit onderricht en ervaring.

Respondeo dicendum quod, sicut ex praemissis patet, prudentia includit cognitionem et universalium et singularium operabilium, ad quae prudens universalia principia applicat. Quantum igitur ad universalem cognitionem, eadem ratio est de prudentia et de scientia speculativa. Quia utriusque prima principia universalia sunt naturaliter nota, ut ex supradictis patet, nisi quod principia communia prudentiae sunt magis connaturalia homini; ut enim philosophus dicit, in X Ethic., vita quae est secundum speculationem est melior quam quae est secundum hominem. Sed alia principia universalia posteriora, sive sint rationis speculativae sive practicae, non habentur per naturam, sed per inventionem secundum viam experimenti, vel per disciplinam. Quantum autem ad particularem cognitionem eorum circa quae operatio consistit est iterum distinguendum. Quia operatio consistit circa aliquid vel sicut circa finem; vel sicut circa ea quae sunt ad finem. Fines autem recti humanae vitae sunt determinati. Et ideo potest esse naturalis inclinatio respectu horum finium, sicut supra dictum est quod quidam habent ex naturali dispositione quasdam virtutes quibus inclinantur ad rectos fines, et per consequens etiam habent naturaliter rectum iudicium de huiusmodi finibus. Sed ea quae sunt ad finem in rebus humanis non sunt determinata, sed multipliciter diversificantur secundum diversitatem personarum et negotiorum. Unde quia inclinatio naturae semper est ad aliquid determinatum, talis cognitio non potest homini inesse naturaliter, licet ex naturali dispositione unus sit aptior ad huiusmodi discernenda quam alius; sicut etiam accidit circa conclusiones speculativarum scientiarum. Quia igitur prudentia non est circa fines, sed circa ea quae sunt ad finem, ut supra habitum est; ideo prudentia non est naturalis. (IIa-IIae q. 47 a. 15 co.)

Vroeger bleek reeds (3° Art.), dat verstandigheid de kennis veronderstelt van de handelingen in het algemeen en in het bijzonder, waarop de verstandige mens de algemene beginselen toepast. Is er nu sprake van algemene kennis, dan geldt voor de verstandigheid hetzelfde als van de speculatieve wetenschap, omdat beiden uitgaan van eerste algemene beginselen, die van nature gekend worden, zoals aangetoond werd in het 6° Art. van deze Kw., met die verstande, dat de beginselen der verstandigheid de mens nog natuurlijker zijn. De Wijsgeer zegt immers: « Het leven, dat gericht is naar het speculatieve is beter dan het leven naar het menselijke ». Andere algemene beginselen, die komen na de eerste — of ze nu behoren tot de speculatieve of de praktische rede — bezit men niet van nature, maar moet men verkrijgen door vinding langs de weg van onderricht en ervaring. Is er sprake van de kennis der bijzondere omstandigheden van een handeling afzonderlijk, dan moet er nogmaals onderscheid gemaakt worden, daar een handeling rechtstreeks gericht kan zijn op een doel, of op iets, wat zelf weer middel is tot een doel. De goede doeleinden nu van het menselijk leven staan vast, en daarom kan er van nature een neiging zijn naar deze doeleinden, zoals vroeger werd opgemerkt (I. II. 51° Kw., 1° Art.), nl. dat sommige mensen door een natuurlijke gesteltenis geneigd zijn naar deze goede doeleinden, en bijgevolg van nature ook een goed oordeel hebben over deze doeleinden. Maar de middelen tot het doel zijn in het menselijk leven niet bepaald, maar lopen veelvuldig uiteen naar het verschil in personen en zaken. Daar nu een natuurlijke neiging altijd op iets bepaalds gericht is, kan een natuurlijke kennis hieromtrent niet eigen zijn. Wel kan door een natuurlijke gesteltenis de een geschikter zijn naar deze goede doeleinden, en bijgevolg van nature om hierin te oordelen dan een ander; dit is ook zo bij de conclusies der speculatieve wetenschappen. De verstandigheid nu houdt zich niet bezig met de doeleinden zelf, maar met de middelen tot het doel, zoals vroeger werd aangetoond (6° Art. en I. II. 57° Kw. 5° Art.). Daarom is de verstandigheid niemand van nature eigen.

Ad primum ergo dicendum quod philosophus ibi loquitur de pertinentibus ad prudentiam secundum quod ordinantur ad fines, unde supra praemiserat quod principia sunt eius quod est cuius gratia, idest finis. Et propter hoc non facit mentionem de eubulia, quae est consiliativa eorum quae sunt ad finem. (IIa-IIae q. 47 a. 15 ad 1)

1 — De Wijsgeer spreekt hier over de verstandigheid, voor zover zij betrekking heeft op de doeleinden; hij zegt immers even tevoren, dat de beginselen thuishoren in de orde van het « waarom », dat is: het doel. Daarom spreekt hij ook niet over het beraad, dat overleg pleegt over de middelen tot het doel.

Ad secundum dicendum quod prudentia magis est in senibus non solum propter naturalem dispositionem, quietatis motibus passionum sensibilium, sed etiam propter experientiam longi temporis. (IIa-IIae q. 47 a. 15 ad 2)

2 — De verstandigheid wordt bij oudere mensen gevonden, niet alleen om hun natuurlijke gesteltenis, nl. een zekere toestand van rust in de stormen der zinnelijke hartstochten, maar ook om hun langduriger ondervinding.

Ad tertium dicendum quod in brutis animalibus sunt determinatae viae perveniendi ad finem, unde videmus quod omnia animalia eiusdem speciei similiter operantur. Sed hoc non potest esse in homine, propter rationem eius, quae, cum sit cognoscitiva universalium, ad infinita singularia se extendit. (IIa-IIae q. 47 a. 15 ad 3)

3 — Bij de dieren vindt men immer dezelfde vastgestelde wegen, waarlangs zij hun doel bereiken; zo zien we bij alle dieren van eenzelfde soort ook dezelfde verrichtingen. Bij de mens is dit niet mogelijk, wat zijn oorzaak vindt in het verstand, dat zich wegens zijn kennis van het algemene tot oneindige bijzonderheden uitstrekt.

Articulus 16.
Kan men door vergeten de verstandigheid verliezen?

Ad decimumsextum sic proceditur. Videtur quod prudentia possit amitti per oblivionem. Scientia enim, cum sit necessariorum, est certior quam prudentia, quae est contingentium operabilium. Sed scientia amittitur per oblivionem. Ergo multo magis prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 16 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men de deugd van verstandigheid kan verliezen door vergeten. De wetenschap immers, die gaat over het noodzakelijke, heeft meer zekerheid dan de verstandigheid, die gaat over wisselvallige handelingen. Maar de wetenschap gaat door vergeten verloren. Dus nog veeleer de verstandigheid.

Praeterea, sicut philosophus dicit, in II Ethic., virtus ex eisdem generatur et corrumpitur contrario modo factis. Sed ad generationem prudentiae necessarium est experimentum, quod fit ex multis memoriis, ut dicitur in principio Metaphys. Ergo, cum oblivio memoriae opponatur, videtur quod prudentia per oblivionem possit amitti. (IIa-IIae q. 47 a. 16 arg. 2)

2 — « De deugd wordt aangekweekt en gaat teniet door dezelfde handelingen, als zij slechts in tegenovergestelde zin geschieden », zegt de Wijsgeer. Nu is voor het aankweeken van verstandigheid ondervinding noodig, die ontstaat uit veel herinneringen, zoals wordt aangetoond in het begin van de Metaphysica. Vergeten staat tegenover herinneren, en daarom kan de verstandigheid door vergeten verloren worden.

Praeterea, prudentia non est sine cognitione universalium. Sed universalium cognitio potest per oblivionem amitti. Ergo et prudentia. (IIa-IIae q. 47 a. 16 arg. 3)

3 — Verstandigheid is onbestaanbaar zonder kennis van het algemene. Maar juist door vergeten kan de kennis van het algemene verloren gaan, en daarmee ook de verstandigheid.

Sed contra est quod philosophus dicit, in VI Ethic., quod oblivio est artis, et non prudentiae. (IIa-IIae q. 47 a. 16 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de wijsgeer zegt: « Kunst kan verloren gaan door vergeten, maar de verstandigheid niet ».

Respondeo dicendum quod oblivio respicit cognitionem tantum. Et ideo per oblivionem potest aliquis artem totaliter perdere, et similiter scientiam, quae in ratione consistunt. Sed prudentia non consistit in sola cognitione, sed etiam in appetitu, quia ut dictum est, principalis eius actus est praecipere, quod est applicare cognitionem habitam ad appetendum et operandum. Et ideo prudentia non directe tollitur per oblivionem, sed magis corrumpitur per passiones, dicit enim philosophus, in VI Ethic., quod delectabile et triste pervertit existimationem prudentiae. Unde Dan. XIII dicitur, species decepit te, et concupiscentia subvertit cor tuum; et Exod. XXIII dicitur, ne accipias munera, quae excaecant etiam prudentes. Oblivio tamen potest impedire prudentiam, inquantum procedit ad praecipiendum ex aliqua cognitione, quae per oblivionem tolli potest. (IIa-IIae q. 47 a. 16 co.)

Vergeten zegt men alleen van kennis, en daarom kan men alleen kunst of wetenschap door vergeten kwijtraken, daar deze twee van het verstand zijn. Maar de verstandigheid is niet iets van het verstand alleen, maar ook iets van het streefvermogen. Want haar voornaamste taak is — wat vroeger werd aangetoond (8e Art.) — te bevelen, wat betekent: de verworven kennis toepassen op het verlangen en de daad. Daarom wordt door vergeten de verstandigheid niet rechtstreeks weggenomen, maar wel wordt ze te niet gedaan door de hartstochten. De Wijsgeer zegt immers, dat « het aangename en onaangename het oordeel der verstandigheid verduistert ». Daarom wordt in het Boek Daniël (13.56) gezegd: « De schijn bedriegt u en de boze lust verderft uw hart ». En in het Boek van het Uittocht (23.8) staat: « Neem geen geschenken aan, daar zij zelfs de wijzen verblinden ». — Wel kan vergeten een hinderpaal zijn voor de verstandigheid, voor zover deze deugd bij haar bevel uitgaat van een zekere kennis, die door vergeten verloren raakt.

Ad primum ergo dicendum quod scientia est in sola ratione. Unde de ea est alia ratio, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 47 a. 16 ad 1)

1 — Wetenschap is alleen in het verstand. Daarom dient hier anders geredeneerd te worden, zoals in de Leerstelling gebleken is.

Ad secundum dicendum quod experimentum prudentiae non acquiritur ex sola memoria, sed ex exercitio recte praecipiendi. (IIa-IIae q. 47 a. 16 ad 2)

2 — De ervaring, die men voor de verstandigheid nodig heeft, wordt niet alleen verkregen uit herinnering, maar ook uit de oefening van goed te bevelen.

Ad tertium dicendum quod prudentia principaliter consistit non in cognitione universalium, sed in applicatione ad opera, ut dictum est. Et ideo oblivio universalis cognitionis non corrumpit id quod est principale in prudentia, sed aliquid impedimentum ei affert, ut dictum est. (IIa-IIae q. 47 a. 16 ad 3)

3 — De verstandigheid bestaat in hoofdzaak niet in de kennis van het algemene, maar in de toepassing van die kennis op de handelingen, zoals in de Leerstelling gezegd is. Daarom doet het vergeten van het algemene nog niet het voornaamste van de verstandigheid te niet, maar is alleen een belemmering, zoals bleek in de Leerstelling.