QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 66.
Over diefstal en roof .

Prooemium

Deinde considerandum est de peccatis iustitiae oppositis per quae infertur nocumentum proximo in rebus, scilicet de furto et rapina. Et circa hoc quaeruntur novem. Primo, utrum naturalis sit homini possessio exteriorum rerum. Secundo, utrum licitum sit quod aliquis rem aliquam possideat quasi propriam. Tertio, utrum furtum sit occulta acceptio rei alienae. Quarto, utrum rapina sit peccatum specie differens a furto. Quinto, utrum omne furtum sit peccatum. Sexto, utrum furtum sit peccatum mortale. Septimo, utrum liceat furari in necessitate. Octavo, utrum omnis rapina sit peccatum mortale. Nono, utrum rapina sit gravius peccatum quam furtum. (IIa-IIae q. 66 pr.)

Hierna moeten wij die zonden van onrechtvaardigheid gaan beschouwen, waardoor nadeel wordt gedaan aan de naaste in zijn goederen, nl. diefstal en roof. Hieromtrent worden negen vragen gesteld: 1. Is het overeenkomstig de natuur van de mens, uitwendige goederen te bezitten? 2. Is het aan iemand geoorloofd, iets te bezitten als zijn eigen goed? 3. Is diefstal het bedekte nemen van andermans goed? 4. Is roof een zonde, die soortelijk van diefstal verschilt? 5. Is elke diefstal zonde? 6. Is diefstal doodzonde? 7. Mag men stelen in nood? 8. Is elke roof doodzonde? 9. Is roof zwaardere zonde dan diefstal?

Articulus 1.
Is het overeenkomstig de natuur van den mens, uitwendige goederen te bezitten?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non sit naturalis homini possessio exteriorum rerum. Nullus enim debet sibi attribuere quod Dei est. Sed dominium omnium creaturarum est proprie Dei, secundum illud Psalm., domini est terra et cetera. Ergo non est naturalis homini rerum possessio. (IIa-IIae q. 66 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet overeenkomstig de menselijke natuur is, uitwendige goederen te bezitten. — 1. Niemand immers mag zich toeëigenen wat aan God toebehoort. Welnu, de heerschappij over al de schepselen is eigen aan God, naar het woord uit het Boek der Psalmen (23. 1): «Aan de Heer behoort de aarde», enz. Dus is het bezit van goederen niet overeenkomstig de menselijke natuur.

Praeterea, Basilius, exponens verbum divitis dicentis, Luc. XII, congregabo omnia quae nata sunt mihi et bona mea, dicit, dic mihi, quae tua? Unde ea sumens in vitam tulisti? Sed illa quae homo possidet naturaliter, potest aliquis convenienter dicere esse sua. Ergo homo non possidet naturaliter exteriora bona. (IIa-IIae q. 66 a. 1 arg. 2)

2 — In zijn verklaring bij het woord van de rijke: «Ik zal al mijn graan en goed verzamelen» (Luc. 12. 18) zegt Basilius: «Zeg mij, wat is van u? Vanwaar hebt u het genomen om het voor uw leven te gebruiken»? Welnu, datgene wat een mens bezit overeenkomstig zijn natuur, mag hij terecht het zijne noemen. Derhalve is het bezit van uitwendige goederen niet overeenkomstig de menselijke natuur.

Praeterea, sicut Ambrosius dicit, in libro de Trin., dominus nomen est potestatis. Sed homo non habet potestatem super res exteriores, nihil enim potest circa earum naturam immutare. Ergo possessio exteriorum rerum non est homini naturalis. (IIa-IIae q. 66 a. 1 arg. 3)

3 — Ambrosius zegt dat « heer een naam is, die macht betekent ». Welnu, de mens heeft geen macht over de uitwendige dingen: want niets kan hij aan hun natuur veranderen. Derhalve is het bezit van uitwendige dingen niet overeenkomstig de natuur van de mens.

Sed contra est quod dicitur in Psalm., omnia subiecisti sub pedibus eius, scilicet hominis. (IIa-IIae q. 66 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (8. 8) wordt gezegd: « Alles hebt gij aan zijn voeten onderworpen », namelijk aan de mens.

Respondeo dicendum quod res exterior potest dupliciter considerari. Uno modo, quantum ad eius naturam, quae non subiacet humanae potestati, sed solum divinae, cui omnia ad nutum obediunt. Alio modo, quantum ad usum ipsius rei. Et sic habet homo naturale dominium exteriorum rerum, quia per rationem et voluntatem potest uti rebus exterioribus ad suam utilitatem, quasi propter se factis; semper enim imperfectiora sunt propter perfectiora, ut supra habitum est. Et ex hac ratione philosophus probat, in I Polit., quod possessio rerum exteriorum est homini naturalis. Hoc autem naturale dominium super ceteras creaturas, quod competit homini secundum rationem, in qua imago Dei consistit, manifestatur in ipsa hominis creatione, Gen. I, ubi dicitur, faciamus hominem ad similitudinem et imaginem nostram, et praesit piscibus maris, et cetera. (IIa-IIae q. 66 a. 1 co.)

Een uitwendige zaak kan op twee manieren worden beschouwd. Ten eerste, naar haar natuur: die nu is niet onderworpen aan menselijke macht maar enkel aan de goddelijke, en daaraan gehoorzaamt alles op zijn bevel. Ten tweede, naar het gebruik van de zaak. En zo beschouwd, heeft de mens een natuurlijke heerschappij over de uitwendige dingen: want door rede en wil kan hij de uitwendige dingen gebruiken voor zijn nut, als waren zij voor hem gemaakt; altijd immers is het onvolmaaktere voor het meer volmaakte, zoals boven gezegd is (64° Kw. 1° Art.). En hieruit bewijst de Wijzegeer, dat het bezit van uitwendige dingen overeenkomstig de menselijke natuur is. Deze natuurlijke heerschappij over de andere schepselen, die aan de mens toekomt als redelijk schepsel — en zo is hij Gods beeld —, blijkt reeds uit het verhaal van de schepping van de mens, in het Boek der Schepping (1. 26) waar gezegd wordt: « Laten wij de mens maken naar ons beeld en gelijkenis; en dat hij heersche over de vissen der zee », enz.

Ad primum ergo dicendum quod Deus habet principale dominium omnium rerum. Et ipse secundum suam providentiam ordinavit res quasdam ad corporalem hominis sustentationem. Et propter hoc homo habet naturale rerum dominium quantum ad potestatem utendi ipsis. (IIa-IIae q. 66 a. 1 ad 1)

1 — God voert de hoogste heerschappij over alle dingen. En overeenkomstig zijn Voorzienigheid, bestemde hij sommige dingen voor het lichamelijk onderhoud van de mens. En daarom voert de mens een natuurlijke heerschappij over de dingen, wat betreft de macht om ze te gebruiken.

Ad secundum dicendum quod dives ille reprehenditur ex hoc quod putabat exteriora bona esse principaliter sua, quasi non accepisset ea ab alio, scilicet a Deo. (IIa-IIae q. 66 a. 1 ad 2)

2 — De rijke wordt verfoeid, omdat hij meende de voornaamste bezitter van de uitwendige goederen te zijn, alsof hij ze niet van een ander zou hebben ontvangen, namelijk van God.

Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de dominio exteriorum rerum quantum ad naturas ipsarum, quod quidem dominium soli Deo convenit, ut dictum est. (IIa-IIae q. 66 a. 1 ad 3)

3 — Die redenering gaat uit van de heerschappij over de uitwendige dingen in hun natuur beschouwd: en die heerschappij komt alleen aan God toe, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Articulus 2.
Is het aan iemand geoorloofd, iets te bezitten als zijn eigen goed?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non liceat alicui rem aliquam quasi propriam possidere. Omne enim quod est contra ius naturale est illicitum. Sed secundum ius naturale omnia sunt communia, cui quidem communitati contrariatur possessionum proprietas. Ergo illicitum est cuilibet homini appropriare sibi aliquam rem exteriorem. (IIa-IIae q. 66 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aan niemand geoorloofd is, iets als zijn eigen goed te bezitten. — 1. Al wat tegen het natuurrecht indruist, is ongeoorloofd. Welnu, volgens het natuurrecht zijn alle dingen gemeenschappelijk bezit: en met deze gemeenschappelijkheid is het eigendom van bezit in strijd. Het is dus ongeoorloofd, dat gelijk welk mens zich een uitwendige zaak zou toeëigenen.

Praeterea, Basilius dicit, exponens praedictum verbum divitis, sicut qui, praeveniens ad spectacula, prohiberet advenientes, sibi appropriando quod ad communem usum ordinatur; similes sunt divites qui communia, quae praeoccupaverunt, aestimant sua esse. Sed illicitum esset praecludere viam aliis ad potiendum communibus bonis. Ergo illicitum est appropriare sibi aliquam rem communem. (IIa-IIae q. 66 a. 2 arg. 2)

2 — In zijn verklaring bij het zojuist aangehaalde woord van de rijke zegt Basilius: « De rijken, die de gemeenschappelijke goederen eerst in bezit namen en ze houden voor de hunne, zijn gelijk aan hen, die als eersten bij de schouwspelen aankomen, en de andere toeschouwers zouden beletten te zien, zich toeëigenend wat voor het gemeenschappelijk gebruik bestemd is ». Welnu, het zou ongeoorloofd zijn aan anderen de weg af te sluiten, om te genieten van de gemeenschappelijke goederen. Derhalve is het ongeoorloofd zich een gemeenschappelijke zaak toe te eigenen.

Praeterea, Ambrosius dicit, et habetur in decretis, dist. XLVII, Can. sicut hi, proprium nemo dicat quod est commune. Appellat autem communes res exteriores, sicut patet ex his quae praemittit. Ergo videtur illicitum esse quod aliquis appropriet sibi aliquam rem exteriorem. (IIa-IIae q. 66 a. 2 arg. 3)

3 — Ambrosius zegt, en het werd opgenomen in de Decretalen: « Niemand noeme iets wat gemeenschappelijk is, zijn eigendom ». Welnu, hij noemt hier gemeenschappelijk de uitwendige dingen, zoals blijkt uit wat hij vooraf zegt. Derhalve lijkt het ongeoorloofd, dat iemand zich een uitwendige zaak toeëigent.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de Haeres., apostolici dicuntur qui se hoc nomine arrogantissime vocaverunt, eo quod in suam communionem non acciperent utentes coniugibus, et res proprias possidentes, quales habet Catholica Ecclesia et monachos et clericos plurimos. Sed ideo isti haeretici sunt quoniam, se ab Ecclesia separantes, nullam spem putant eos habere qui utuntur his rebus, quibus ipsi carent. Est ergo erroneum dicere quod non liceat homini propria possidere. (IIa-IIae q. 66 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: « Men noemt diegenen apostolisch, die zich op de meest aanmatigende wijze die naam toeëigenen, omdat zij in hun gemeenschap geen lieden opnamen, die gebruik maakten van het huwelijk en eigen goederen bezaten, zoals vele monniken en geestelijken in de Katholieke Kerk ». Welnu, deze lieden zijn ketters omdat zij, afgescheiden van de Kerk, alle hoop ontzeggen aan hen, die dingen gebruiken, welke zij zelf ontberen. Het is dus een dwaling te beweren, dat het de mens niet geoorloofd is eigendom te bezitten.

Respondeo dicendum quod circa rem exteriorem duo competunt homini. Quorum unum est potestas procurandi et dispensandi. Et quantum ad hoc licitum est quod homo propria possideat. Et est etiam necessarium ad humanam vitam, propter tria. Primo quidem, quia magis sollicitus est unusquisque ad procurandum aliquid quod sibi soli competit quam aliquid quod est commune omnium vel multorum, quia unusquisque, laborem fugiens, relinquit alteri id quod pertinet ad commune; sicut accidit in multitudine ministrorum. Alio modo, quia ordinatius res humanae tractantur si singulis immineat propria cura alicuius rei procurandae, esset autem confusio si quilibet indistincte quaelibet procuraret. Tertio, quia per hoc magis pacificus status hominum conservatur, dum unusquisque re sua contentus est. Unde videmus quod inter eos qui communiter et ex indiviso aliquid possident, frequentius iurgia oriuntur. Aliud vero quod competit homini circa res exteriores est usus ipsarum. Et quantum ad hoc non debet homo habere res exteriores ut proprias, sed ut communes, ut scilicet de facili aliquis ea communicet in necessitates aliorum. Unde apostolus dicit, I ad Tim. ult., divitibus huius saeculi praecipe facile tribuere, communicare. (IIa-IIae q. 66 a. 2 co.)

Met betrekking tot een uitwendige zaak komen aan de mens twee dingen toe. Een daarvan is de macht om te beheren en te verdelen. Overeenkomstig hiermee is het aan de mens geoorloofd eigendom te bezitten. Ook is dit noodzakelijk voor het menselijk leven, om drie redenen. Ten eerste, omdat iedereen meer begaan is met het beheer van iets, dat hem alleen toebehoort, dan van iets, dat gemeenschappelijk is aan allen of aan velen: want iedereen schuwt de last en laat aan anderen de zorg voor het gemeenschappelijke over; zoals zich voordoet waar een groot aantal dienaars zijn. — Ten tweede, omdat de menselijke aangelegenheden ordelijker worden behandeld, wanneer aan elk afzonderlijk de zorg wordt toevertrouwd om iets te beheren: er zou echter verwarring ontstaan als iedereen zonder onderscheid alles ging beheren. — Ten derde, omdat hierdoor een vreedzamere toestand onder de mensen wordt bewaard, wijl iedereen tevreden is met zijn eigendom. Daarom zien wij dat dikwijls twist ontstaat onder hen, die gemeenschappelijk en onverdeeld iets bezitten. Iets anders nog wat, met betrekking tot de uitwendige dingen, aan de mens toekomt is het gebruik ervan. En wat dit betreft moet de mens de uitwendige dingen niet in eigendom bezitten, maar als gemeenschapsgoed, zo namelijk, dat iemand er gemakkelijk van meedeelt ten behoeve van de anderen. Daarom zegt de Apostel, in zijn Eerste Brief aan Timotheüs (6. 17, 18): « Vermaan de rijken dezer wereld, vrijgevig te zijn en mededeelzaam ».

Ad primum ergo dicendum quod communitas rerum attribuitur iuri naturali, non quia ius naturale dictet omnia esse possidenda communiter et nihil esse quasi proprium possidendum, sed quia secundum ius naturale non est distinctio possessionum, sed magis secundum humanum condictum, quod pertinet ad ius positivum, ut supra dictum est. Unde proprietas possessionum non est contra ius naturale; sed iuri naturali superadditur per adinventionem rationis humanae. (IIa-IIae q. 66 a. 2 ad 1)

1 — De gemeenschappelijkheid van de goederen wordt tot het natuurrecht gerekend, niet omdat het natuurrecht voorschrijft, dat alles gemeenschappelijk bezit moet zijn en men niets als eigendom mag bezitten: maar omdat volgens het natuurrecht geen onderscheid van bezittingen bestaat, maar veeleer volgens menselijke overeenkomst, en dat behoort tot het positieve recht, zoals vroeger gezegd is (57° Kw. 2° en 3° Art.). Daarom is het eigendom van bezittingen niet tegen het natuurrecht; maar het wordt door besluit van de menselijke rede aan het natuurrecht toegevoegd.

Ad secundum dicendum quod ille qui, praeveniens ad spectacula, praepararet aliis viam, non illicite ageret, sed ex hoc illicite agit quod alios prohibet. Et similiter dives non illicite agit si, praeoccupans possessionem rei quae a principio erat communis, aliis communicat, peccat autem si alios ab usu illius rei indiscrete prohibeat. Unde Basilius ibidem dicit, cur tu abundas, ille vero mendicat, nisi ut tu bonae dispensationis merita consequaris, ille vero patientiae praemiis coronetur? (IIa-IIae q. 66 a. 2 ad 2)

2 — Hij die het eerst bij een schouwspel zou komen en de weg voor de anderen voorbereiden, zou geen ongeoorloofde handeling stellen; maar hij handelt juist onwettig door de anderen te beletten. En eveneens handelt iemand niet onwettig, wanneer hij als eerste bezit neemt van een zaak, die aanvankelijk gemeenschappelijk was, en ze aan de anderen meedeelt: hij zondigt echter wanneer hij willekeurig anderen berooft van het gebruik der zaak. Daarom zegt Basilius: « Waarom hebt gij overvloed, en moet hij bedelen, tenzij opdat gij de verdiensten van een liefdevol meedelen zoudt verwerven, en hij zou worden beloond met de prijs voor zijn geduld »?

Ad tertium dicendum quod cum dicit Ambrosius, nemo proprium dicat quod est commune, loquitur de proprietate quantum ad usum. Unde subdit, plus quam sufficeret sumptui, violenter obtentum est. (IIa-IIae q. 66 a. 2 ad 3)

3 — Wanneer Ambrosius zegt: « Niemand noeme zijn eigendom wat gemeenschappelijk is », dan spreekt hij van de eigendom met betrekking tot het gebruik. Daarom voegt hij eraan toe: «Wat men meer heeft dan voor het gebruik nodig is, werd gewelddadig verkregen ».

Articulus 3.
Behoort het heimelijk wegnemen van andermans goed, tot het wezen van diefstal?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit de ratione furti occulte accipere rem alienam. Illud enim quod diminuit peccatum non videtur ad rationem peccati pertinere. Sed in occulto peccare pertinet ad diminutionem peccati, sicut e contrario ad exaggerandum peccatum quorundam dicitur Isaiae III, peccatum suum quasi Sodoma praedicaverunt, nec absconderunt. Ergo non est de ratione furti occulta acceptio rei alienae. (IIa-IIae q. 66 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal behoort. Immers, datgene wat de zonde vermindert, lijkt wel niet tot het wezen van de zonde te behoren. Maar bedekt zondigen is een omstandigheid, die de zonde vermindert: in tegenstelling hiermee toont Isaïas (3, 9) de grootheid van de zonde van sommigen aan, door dit woord: «Hunne zonde doen zij kond als Sodoma, en zij verbergen ze niet». Dus behoort het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal.

Praeterea, Ambrosius dicit, et habetur in decretis, dist. XLVII, neque minus est criminis habenti tollere quam, cum possis et abundas, indigentibus denegare. Ergo sicut furtum consistit in acceptione rei alienae, ita et in detentione ipsius. (IIa-IIae q. 66 a. 3 arg. 2)

2 — Wij lezen in de Decretalen dit woord van Ambrosius: «Het is niet minder misdadig aan iemand die bezit, iets te ontnemen, dan aan noodlijdenden te weigeren, wanneer gij overvloed hebt en kunt geven ». Daarom bestaat diefstal evengoed in het behouden van andermans goed als in het wegnemen ervan.

Praeterea, homo potest furtim ab alio accipere etiam quod suum est puta rem quam apud alium deposuit, vel quae est ab eo iniuste ablata. Non est ergo de ratione furti quod sit occulta acceptio rei alienae. (IIa-IIae q. 66 a. 3 arg. 3)

3 — Een mens mag heimelijk aan een ander ontnemen wat van hemzelf is: b.v. een zaak die hij aan een ander in bewaring gaf, of die hem door een ander onrechtvaardig werd ontnomen. Het heimelijk wegnemen van andermans goed behoort derhalve niet tot het wezen van diefstal.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro Etymol., fur a furvo dictus est, idest a fusco, nam noctis utitur tempore. (IIa-IIae q. 66 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Isidorus zegt: « Het woord « fur » (dief) is afgeleid van « furvus » (duister), d. i. van « fuscus » (donker): want hij maakt gebruik van het nachtelijk uur ».

Respondeo dicendum quod ad rationem furti tria concurrunt. Quorum primum convenit sibi secundum quod contrariatur iustitiae, quae unicuique tribuit quod suum est. Et ex hoc competit ei quod usurpat alienum. Secundum vero pertinet ad rationem furti prout distinguitur a peccatis quae sunt contra personam, sicut ab homicidio et adulterio. Et secundum hoc competit furto quod sit circa rem possessam. Si quis enim accipiat id quod est alterius non quasi possessio, sed quasi pars, sicut si amputet membrum; vel sicut persona coniuncta, ut si auferat filiam vel uxorem, non habet proprie rationem furti. Tertia differentia est quae complet furti rationem, ut scilicet occulte usurpetur alienum. Et secundum hoc propria ratio furti est ut sit occulta acceptio rei alienae. (IIa-IIae q. 66 a. 3 co.)

In het begrip diefstal komen drie bestanddelen samen. Een daarvan is de strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne toekent. Hierom is diefstal de wederrechtelijke toeëigening van andermans goed. Het tweede bestanddeel in de diefstal is datgene, waardoor hij onderscheiden wordt van de zonden, die tegen de persoon bedreven worden, zoals doodslag en echtbreuk. En overeenkomstig hiermee slaat diefstal op datgene wat iemand in eigendom heeft. Immers, wanneer iemand aan een ander iets ontneemt, wat niet wordt beschouwd als zijn bezit, maar als een deel, b.v. wanneer iemand een ander een lichaamsdeel afzet, of als verwante persoon, b.v. wanneer men iemands dochter of echtgenoote schaakt, dan is dat geen diefstal in eigenlijke zin. Het derde differencerende bestanddeel van de diefstal is het bedekt wegnemen van andermans goed, en dat vervolledigt het begrip van diefstal. En overeenkomstig hiermee bestaat het eigenlijke wezen van de diefstal in « het heimelijk wegnemen van andermans goed ».

Ad primum ergo dicendum quod occultatio quandoque quidem est causa peccati, puta cum quis utitur occultatione ad peccandum, sicut accidit in fraude et dolo. Et hoc modo non diminuit, sed constituit speciem peccati. Et ita est in furto. Alio modo occultatio est simplex circumstantia peccati. Et sic diminuit peccatum, tum quia est signum verecundiae; tum quia tollit scandalum. (IIa-IIae q. 66 a. 3 ad 1)

1 — Het verduiken is soms oorzaak van zonde: b.v. wanneer iemand daarvan gebruik maakt om te zondigen, zoals voorkomt bij list en bedrog. Op die wijze vermindert het de zonde niet, maar stelt een nieuwe soort zonde daar. En zo is het voor de diefstal. In andere gevallen is de verduiking enkel een omstandigheid van de zonde. En zo vermindert zij de zonde, én omdat zij een teken is van schaamte, én omdat zij alle ergernis uitsluit.

Ad secundum dicendum quod detinere id quod alteri debetur eandem rationem nocumenti habet cum acceptione. Et ideo sub iniusta acceptione intelligitur etiam iniusta detentio. (IIa-IIae q. 66 a. 3 ad 2)

2 — Behouden wat aan een ander toekomt is, onder oogpunt van schade toebrengen, hetzelfde als het wegnemen. En daarom verstaat men door onrechtvaardig wegnemen ook onrechtvaardig behouden.

Ad tertium dicendum quod nihil prohibet id quod est simpliciter unius, secundum quid esse alterius. Sicut res deposita est simpliciter quidem deponentis, sed est eius apud quem deponitur quantum ad custodiam. Et id quod est per rapinam ablatum est rapientis, non simpliciter, sed quantum ad detentionem. (IIa-IIae q. 66 a. 3 ad 3)

3 — Er is niets op tegen dat iets wat zonder meer het eigendom is van de een, onder een bepaald opzicht van een ander is. Zo is een zaak die in bewaring wordt gegeven, zonder meer van de bewaargever, maar wat de bewaring betreft, is zij van de bewaarnemer. En datgene wat door roof werd ontnomen is van de rover, niet zonder meer, maar voor wat het houden ervan betreft.

Articulus 4.
Zijn diefstal en roof soortelijk onderscheiden zonden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod furtum et rapina non sint peccata differentia specie. Furtum enim et rapina differunt secundum occultum et manifestum, furtum enim importat occultam acceptionem, rapina vero violentam et manifestam. Sed in aliis generibus peccatorum occultum et manifestum non diversificant speciem. Ergo furtum et rapina non sunt peccata specie diversa. (IIa-IIae q. 66 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat diefstal en roof geen soortelijk onderscheiden zonden zijn. — 1. Immers, diefstal en roof verschillen enkel hierin, dat de eerste op bedekte wijze gebeurt, de tweede openlijk: diefstal immers bestaat in het heimelijk wegnemen, roof echter gebeurt op gewelddadige en openlijke wijze. Welnu, bij de andere klassen van zonden maken openlijk en verborgen geen soortelijk verschil. Dus zijn diefstal en roof geen soortelijk onderscheiden zonden.

Praeterea, moralia recipiunt speciem a fine, ut supra dictum est. Sed furtum et rapina ordinantur ad eundem finem, scilicet ad habendum aliena. Ergo non differunt specie. (IIa-IIae q. 66 a. 4 arg. 2)

2 — Het zedelijke wordt in zijn soort bepaald door het doeleinde, zoals vroeger gezegd is (I. II. 1° Kw. 3° Art.; 18° Kw. 6° Art.). Welnu, diefstal en roof zijn geordend tot een en hetzelfde doel, namelijk tot het hebben van andermans goed. Derhalve zijn zij niet soortelijk onderscheiden.

Praeterea, sicut rapitur aliquid ad possidendum, ita rapitur mulier ad delectandum, unde et Isidorus dicit, in libro Etymol., quod raptor dicitur corruptor, et rapta corrupta. Sed raptus dicitur sive mulier auferatur publice, sive occulte. Ergo et res possessa rapi dicitur sive occulte, sive publice rapiatur. Ergo non differunt furtum et rapina. (IIa-IIae q. 66 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals een goed geroofd wordt om het te bezitten, zo wordt een vrouw geroofd om te genieten; daarom ook zegt Isidorus dat « een rover een verderver wordt genoemd, en de geroofde verdorven ». Welnu, men spreekt van roof, ongeacht of een vrouw openlijk of op heimelijke wijze geschaken wordt. Dus zegt men ook dat andermans goed geroofd wordt, laat het dan op heimelijke wijze gebeuren, of openlijk. Derhalve verschillen diefstal en roof niet.

Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., distinguit furtum a rapina, ponens furtum occultum, rapinam vero violentam. (IIa-IIae q. 66 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de wijsgeer diefstal van roof onderscheidt, waar hij vaststelt, dat diefstal op heimelijke wijze gebeurt, roof echter op gewelddadige wijze.

Respondeo dicendum quod furtum et rapina sunt vitia iustitiae opposita, inquantum aliquis alter facit iniustum. Nullus autem patitur iniustum volens, ut probatur in V Ethic. Et ideo furtum et rapina ex hoc habent rationem peccati quod acceptio est involuntaria ex parte eius cui aliquid subtrahitur. Involuntarium autem dupliciter dicitur, scilicet per ignorantiam, et violentiam, ut habetur in III Ethic. Et ideo aliam rationem peccati habet rapina, et aliam furtum. Et propter hoc differunt specie. (IIa-IIae q. 66 a. 4 co.)

Diefstal en roof zijn zonden, die in strijd zijn met de rechtvaardigheid, voor zover iemand tegen een ander onrecht begaat. « Niemand » echter « ondergaat willens onrecht »: zoals in de Ethica wordt bewezen. En daarom hebben diefstal en roof een zondig karakter, want het ontnemen gebeurt tegen de wil van hem, aan wie iets wordt ontnomen. Op twee wijzen nu kan iets ingaan tegen de wil van iemand: nl. door onwetendheid en door gewelddadigheid, zoals in de Ethica gezegd is. En daarom heeft roof een andere zondige aard dan diefstal. En hierom zijn zij soortelijk onderscheiden.

Ad primum ergo dicendum quod in aliis generibus peccatorum non attenditur ratio peccati ex aliquo involuntario, sicut attenditur in peccatis oppositis iustitiae. Et ideo ubi occurrit diversa ratio involuntarii, est diversa species peccati. (IIa-IIae q. 66 a. 4 ad 1)

1 — In de andere klassen van zonden komt de zondigheid niet voort uit de onwilligheid, zoals in de zonden tegen de rechtvaardigheid. En daarom is er soortelijk verschil van zonde waar een verschil in de onwil zich voordoet.

Ad secundum dicendum quod finis remotus est idem rapinae et furti, sed hoc non sufficit ad identitatem speciei, quia est diversitas in finibus proximis. Raptor enim vult per propriam potestatem obtinere, fur vero per astutiam. (IIa-IIae q. 66 a. 4 ad 2)

2 — Het verwijderde doeleinde van roof en diefstal is een en hetzelfde: maar dit volstaat niet voor de soortelijke identiteit, want er is onderscheidenheid in de naaste doeleinden. Een rover immers wil door eigen macht iets bekomen, een dief echter door arglistigheid.

Ad tertium dicendum quod raptus mulieris non potest esse occultus ex parte mulieris quae rapitur. Et ideo etiam si sit occultus ex parte aliorum, quibus rapitur, adhuc remanet ratio rapinae ex parte mulieris, cui violentia infertur. (IIa-IIae q. 66 a. 4 ad 3)

3 — Het roven van een vrouw kan niet op heimelijke wijze gebeuren met betrekking tot de vrouw zelf, die geroofd wordt. En ook al zou die daad bedekt zijn met betrekking tot de anderen, aan wie wordt ontroofd, dan blijft zij toch nog haar karakter van roof behouden met betrekking tot de vrouw, aan wie gewelddadigheid wordt gepleegd.

Articulus 5.
Is diefstal altijd zonde?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod furtum non semper sit peccatum. Nullum enim peccatum cadit sub praecepto divino, dicitur enim Eccli. XV, nemini mandavit impie agere. Sed Deus invenitur praecepisse furtum, dicitur enim Exod. XII, fecerunt filii Israel sicut praeceperat dominus Moysi, et expoliaverunt Aegyptios. Ergo furtum non semper est peccatum. (IIa-IIae q. 66 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat diefstal niet altijd zonde is. — 1. Geen enkele zonde immers valt onder het goddelijk gebod; want in het Boek Ecclesiasticus wordt gezegd (15. 21): «Aan niemand heeft hij bevolen goddeloos te handelen». Welnu. God heeft de diefstal bevolen: want in het Boek van de Uittocht (12. 35, 36) wordt gezegd: «En de kinderen van Israël deden gelijk de Heer aan Moses bevolen had, en zij plunderden de Egyptenaren». Derhalve is diefstal niet altijd zonde.

Praeterea, ille qui invenit rem non suam, si eam accipiat, videtur furtum committere, quia accipit rem alienam. Sed hoc videtur esse licitum secundum naturalem aequitatem; ut iuristae dicunt. Ergo videtur quod furtum non semper sit peccatum. (IIa-IIae q. 66 a. 5 arg. 2)

2 — Hij die een zaak vindt, die niet de zijne is, schijnt diefstal te bedrijven wanneer hij ze neemt: want hij neemt het goed van een ander. Welnu, dit lijkt geoorloofd te zijn volgens de natuurlijke billijkheid, zoals de juristen beweren. Dus lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.

Praeterea, ille qui accipit rem suam non videtur peccare, cum non agat contra iustitiam, cuius aequalitatem non tollit. Sed furtum committitur etiam si aliquis rem suam occulte accipiat ab altero detentam vel custoditam. Ergo videtur quod furtum non semper sit peccatum. (IIa-IIae q. 66 a. 5 arg. 3)

3 — Hij, die zijn eigen goed in bezit neemt, schijnt niet te zondigen: want hij handelt niet tegen de rechtvaardigheid, daar hij de gelijkheid ervan niet schaadt. Welnu, er wordt diefstal bedreigd, ook wanneer iemand zijn eigen goed op bedekte wijze ontneemt aan hem die het houdt of in bewaring heeft. Zo lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.

Sed contra est quod dicitur Exod. XX, non furtum facies. (IIa-IIae q. 66 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter dat in het Boek van de Uittocht (20. 15) gezegd wordt: « Gij zult niet stelen ».

Respondeo dicendum quod si quis consideret furti rationem, duas rationes peccati in eo inveniet. Primo quidem, propter contrarietatem ad iustitiam, quae reddit unicuique quod suum est. Et sic furtum iustitiae opponitur, inquantum furtum est acceptio rei alienae. Secundo, ratione doli seu fraudis, quam fur committit occulte et quasi ex insidiis rem alienam usurpando. Unde manifestum est quod omne furtum est peccatum. (IIa-IIae q. 66 a. 5 co.)

Wanneer iemand het wezen van de diefstal beschouwt, dan zal hij daarin twee zondige karaktertrekken vinden. Ten eerste, om reden van zijn strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne geeft. En zo is diefstal strijdig met de rechtvaardigheid, voor zover hij het wegnemen van andermans goed betekent. Ten tweede, om reden van de arglistigheid of het bedrog, welke de dief pleegt op bedekte wijze, door als het ware zich op verraderlijke manier van andermans goed meester te maken. Daarom is het klaarblijkelijk, dat elke diefstal zonde is.

Ad primum ergo dicendum quod accipere rem alienam vel occulte vel manifeste auctoritate iudicis hoc decernentis, non est furtum, quia iam fit sibi debitum per hoc quod sententialiter sibi est adiudicatum. Unde multo minus furtum fuit quod filii Israel tulerunt spolia Aegyptiorum de praecepto domini hoc decernentis pro afflictionibus quibus Aegyptii eos sine causa afflixerant. Et ideo signanter dicitur Sap. X, iusti tulerunt spolia impiorum. (IIa-IIae q. 66 a. 5 ad 1)

1 — Op gezag van de rechter, die het beveelt, andersmans goed bedekt of openlijk wegnemen, is geen diefstal: omdat een zaak, die ons door het oordeel van de rechter wordt toegezegd, ons werkelijk toekomt. Daarom was het nog veel minder een diefstal wanneer de kinderen van Israël op Gods bevel het goed van de Egyptenaren buit maakten; want de Heer zegde het hun toe als vergoeding voor de kwellingen, die zij zonder reden van de Egyptenaren hadden te verduren gehad. Daarom wordt in het Boek der Wijsheid (10. 19) uitdrukkelijk gezegd: « De rechtvaardigen namen de buit van de ongelovigen ».

Ad secundum dicendum quod circa res inventas est distinguendum. Quaedam enim sunt quae nunquam fuerunt in bonis alicuius, sicut lapilli et gemmae quae inveniuntur in littore maris, et talia occupanti conceduntur. Et eadem ratio est de thesauris antiquo tempore sub terra occultatis, quorum non est aliquis possessor, nisi quod secundum leges civiles tenetur inventor medietatem dare domino agri, si in alieno agro invenerit; propter quod in parabola Evangelii dicitur, Matth. XIII, de inventore thesauri absconditi in agro, quod emit agrum, quasi ut haberet ius possidendi totum thesaurum. Quaedam vero res inventae fuerunt de propinquo in alicuius bonis. Et tunc, si quis eas accipiat non animo retinendi, sed animo restituendi domino, qui eas pro derelictis non habet, non committit furtum. Et similiter si pro derelictis habeantur, et hoc credat inventor, licet sibi retineat, non committit furtum. Alias autem committitur peccatum furti. Unde Augustinus dicit, in quadam homilia, et habetur XIV, qu. V, si quid invenisti et non reddidisti, rapuisti. (IIa-IIae q. 66 a. 5 ad 2)

2 — Met betrekking tot gevonden voorwerpen moet men een onderscheid maken. Sommige zaken waren nooit in iemands bezit, zoals edelstenen en parels, die aan het strand van de zee gevonden worden: zulke dingen behoren toe aan hen, die ze zich toeëigenen. En hetzelfde geldt voor schatten, die sinds lange tijd in de aarde verborgen werden, en waarvan niemand bezitter is: tenzij de vinder, naar de voorschriften van de burgerlijke wet, zou gehouden zijn de helft ervan te geven aan de eigenaar van de akker, indien hij de schat op andermans grond vindt. Daarom wordt in de parabel van het Evangelie (Matth. 13. 44) over de vinder « van een schat, die in het veld verborgen is » gezegd, dat « hij de akker koopt », als 't ware om het recht te hebben de gehele schat te bezitten. Sommige voorwerpen echter worden gevonden, die kort tevoren nog tot andermans goed behoorden. En wanneer iemand dergelijke zaken neemt, niet met de wil ze te behouden, maar met de wil ze aan de eigenaar terug te geven, die ze nog niet in de steek heeft gelaten, dan maakt hij zich niet schuldig aan diefstal. Eveneens wanneer die zaken worden beschouwd als door hun bezitter in de steek gelaten, en de vinder ze als zodanig beschouwt, dan begaat hij geen diefstal, ook al houdt hij ze voor zich. In andere gevallen echter maakt men zich aan diefstal schuldig. Daarom zegt Augustinus: « Wanneer gij iets hebt gevonden, en het niet teruggeeft, dan hebt gij gestolen ».

Ad tertium dicendum quod ille qui furtim accipit rem suam apud alium depositam, gravat depositarium, quia tenetur ad restituendum, vel ad ostendendum se esse innoxium. Unde manifestum est quod peccat, et tenetur ad relevandum gravamen depositarii. Qui vero furtim accipit rem suam apud alium iniuste detentam, peccat quidem, non quia gravet eum qui detinet, et ideo non tenetur ad restituendum aliquid vel ad recompensandum, sed peccat contra communem iustitiam, dum ipse sibi usurpat suae rei iudicium, iuris ordine praetermisso. Et ideo tenetur Deo satisfacere, et dare operam ut scandalum proximorum, si inde exortum fuerit, sedetur. (IIa-IIae q. 66 a. 5 ad 3)

3 — Hij die heimelijk zijn bezit weeneemt bij een ander aan wie hij het in bewaring gaf, brengt de bewaarnemer in moeilijkheden: want deze is tot teruggave gehouden of tot het aantonen van zijn onschuld. Daarom is het klaarblijkelijk, dat hij zondigt: en hij is verplicht het aan de bewaarnemer toegebrachte nadeel te vergoeden. Hij echter die heimelijk zijn bezit ontneemt aan hem, die het wederrechtelijk onder zich houdt, zondigt niet omdat hij nadeel doet aan hem, die zijn goed behoudt: en daarom is hij niet gehouden iets terug te geven of te vergoeden; maar hij zondigt tegen de wettelijke rechtvaardigheid, daar hij zich een oordeel over zijn bezit aanmatigt, zonder inachtneming van de orde der rechtvaardigheid. Daarom is hij gehouden voldoening te geven aan God, en moet hij zich inspannen om de ergernis van de naaste te doen ophouden, indien er uit zijn handelwijze is gevolgd.

Articulus 6.
Is diefstal doodzonde?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod furtum non sit peccatum mortale. Dicitur enim Prov. VI, non grandis est culpae cum quis furatus fuerit. Sed omne peccatum mortale est grandis culpae. Ergo furtum non est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 66 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat diefstal geen doodzonde is. — 1. Immers, in het Boek der Spreuken (6. 30) wordt gezegd: « Groote schuld is het niet als iemand steelt ». Welnu, elke doodzonde is een grote schuld. Derhalve is diefstal geen doodzonde.

Praeterea, peccato mortali mortis poena debetur. Sed pro furto non infligitur in lege poena mortis, sed solum poena damni, secundum illud Exod. XXII, si quis furatus fuerit bovem aut ovem, quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove. Ergo furtum non est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 66 a. 6 arg. 2)

2 — Voor doodzonde is men de doodstraf schuldig. Welnu, voor diefstal wordt in de wet geen doodstraf opgelegd, maar alleen boete: naar het woord van het Boek van de Uittocht (22. 1): « Indien iemand een rund of een schaap gestolen heeft, zal hij vijf runderen voor één rund, en vijf schapen voor één schaap weergeven ». Derhalve is diefstal geen doodzonde.

Praeterea, furtum potest committi in parvis rebus, sicut et in magnis. Sed inconveniens videtur quod pro furto alicuius parvae rei, puta unius acus vel unius pennae, aliquis puniatur morte aeterna. Ergo furtum non est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 66 a. 6 arg. 3)

3 — Diefstal kan zowel in kleine als in grote zaken worden gepleegd. Welnu, het lijkt onzinnig dat iemand, om het stelen van een kleine zaak, b.v. een naald of een veder, met de eeuwige dood zou worden gestraft. Derhalve is diefstal geen doodszonde.

Sed contra est quod nullus damnatur secundum divinum iudicium nisi pro peccato mortali. Condemnatur autem aliquis pro furto, secundum illud Zach. V, haec est maledictio quae egreditur super faciem omnis terrae, quia omnis fur sicut ibi scriptum est condemnatur. Ergo furtum est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 66 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat niemand door het goddelijk oordeel wordt verdoemd tenzij om doodzonde. Welnu, voor diefstal wordt iemand veroordeeld, naar het woord van Zacharias (5. 3): « Dit is de vloek, die uitgaat over het aanschijn van geheel het land; want alwie steelt zal, gelijk het daar geschreven staat, veroordeeld worden ». Derhalve is diefstal doodzonde.

Respondeo dicendum quod, sicut supra habitum est, peccatum mortale est quod contrariatur caritati, secundum quam est spiritualis animae vita. Caritas autem consistit quidem principaliter in dilectione Dei, secundario vero in dilectione proximi, ad quam pertinet ut proximo bonum velimus et operemur. Per furtum autem homo infert nocumentum proximo in suis rebus, et si passim homines sibi invicem furarentur, periret humana societas. Unde furtum, tanquam contrarium caritati, est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 66 a. 6 co.)

Zoals vroeger gezegd werd (59° Kw. 4° Art.; I. II. 72° Kw. 5° Art.), is datgene doodzonde, wat strijdig is met de liefde, waardoor de ziel geestelijk leeft. De liefde nu bestaat voornamelijk in het beminnen van God, maar op de tweede plaats in het beminnen van de naaste; en dat bestaat hierin, dat wij goed willen en doen aan de naaste. Door diefstal nu berokkent de mens schade aan zijn naaste, in zijn bezit; en wanneer de mensen elkaar almaar zouden bestelen, dan zou de menselijke gemeenschap ten onder gaan. Daarom is diefstal, als in strijd met de liefde, doodzonde.

Ad primum ergo dicendum quod furtum dicitur non esse grandis culpae duplici ratione. Primo quidem, propter necessitatem inducentem ad furandum, quae diminuit vel totaliter tollit culpam, ut infra patebit. Unde subdit, furatur enim ut esurientem impleat animam. Alio modo dicitur furtum non esse grandis culpae per comparationem ad reatum adulterii, quod punitur morte. Unde subditur de fure quod deprehensus reddet septuplum, qui autem adulter est, perdet animam suam. (IIa-IIae q. 66 a. 6 ad 1)

1 — Om twee redenen wordt gezegd dat diefstal geen grote schuld meebrengt. Ten eerste, om reden van nood, die tot stelen leidt, en die de schuld vermindert of helemaal wegneemt, zoals verder zal blijken (7° Art.). Daarom wordt eraan toegevoegd: « Hij steelt immers om zijn hongerige ziel te verzadigen ». — Ten tweede wordt diefstal niet als grote zonde beschouwd, in vergelijking met de schuld van echtbreuk, die met de dood wordt gestraft (Lev. 20. 10). Daarom wordt er ook aan toegevoegd over de dief: « Wordt hij betrapt, dan moet hij zevenvoudig vergelden: de overspelige echter zal zijn leven verliezen » (Deut. 22. 31, 32).

Ad secundum dicendum quod poenae praesentis vitae magis sunt medicinales quam retributivae, retributio enim reservatur divino iudicio, quod est secundum veritatem in peccantes. Et ideo secundum iudicium praesentis vitae non pro quolibet peccato mortali infligitur poena mortis, sed solum pro illis quae inferunt irreparabile nocumentum, vel etiam pro illis quae habent aliquam horribilem deformitatem. Et ideo pro furto, quod reparabile damnum infert, non infligitur secundum praesens iudicium poena mortis, nisi furtum aggravetur per aliquam gravem circumstantiam, sicut patet de sacrilegio, quod est furtum rei sacrae, et de peculatu, quod est furtum rei communis, ut patet per Augustinum, super Ioan.; et de plagio, quod est furtum hominis, pro quo quis morte punitur, ut patet Exod. XXI. (IIa-IIae q. 66 a. 6 ad 2)

2 — De straffen van het tegenwoordige leven zijn veeleer als geneesmiddel dan wel als vergelding bedoeld: de vergelding is immers voorbehouden aan het goddelijk oordeel, dat naar waarheid de zondaars treft. En daarom wordt, door het oordeel van het tegenwoordige leven, niet voor iedere doodzonde de doodstraf toegepast, maar alleen voor die, welke een onherstelbare schade toebrengen, of ook nog voor die, welke een afschuwelijke ont Harding vertonen. En daarom wordt voor diefstal, die een herstelbare schade toebrengt, volgens het oordeel van het tegenwoordige leven geen doodstraf opgelegd, tenzij de diefstal verzwaard wordt door een bezwarende omstandigheid: zoals blijkt bij heiligschennis, die diefstal is van een heilige zaak, en bij ontrouw beheer, de diefstal namelijk van een gemeenschappelijk goed, zoals blijkt bij Augustinus, en het stelen van een mens, wat door de wet met de dood wordt gestraft, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (21. 16).

Ad tertium dicendum quod illud quod modicum est ratio apprehendit quasi nihil. Et ideo in his quae minima sunt homo non reputat sibi nocumentum inferri, et ille qui accipit potest praesumere hoc non esse contra voluntatem eius cuius est res. Et pro tanto si quis furtive huiusmodi res minimas accipiat, potest excusari a peccato mortali. Si tamen habeat animum furandi et inferendi nocumentum proximo, etiam in talibus minimis potest esse peccatum mortale, sicut et in solo cogitatu per consensum. (IIa-IIae q. 66 a. 6 ad 3)

3 — Het weinige wordt door de rede als niets aanzien. En daarom meent de mens niet, dat hem schade wordt toegebracht, wanneer het gaat om kleine dingen: en hij, die zo iets wegneemt, mag veronderstellen, dat het niet tegen de wil is van de bezitter. En in zover kan iemand, die heimelijk zulke kleine dingen wegneemt, van doodzonde vrij geacht worden. Wanneer hij echter de bedoeling heeft te stelen en aan de naaste schade toe te brengen, kan er ook in zulke kleine dingen doodzonde zijn, zoals ook alleen al in gedachten, door toestemming.

Articulus 7.
Is het toegelaten te stelen uit nood?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod non liceat alicui furari propter necessitatem. Non enim imponitur poenitentia nisi peccanti. Sed extra, de furtis, dicitur, si quis per necessitatem famis aut nuditatis furatus fuerit cibaria, vestem vel pecus, poeniteat hebdomadas tres. Ergo non licet furari propter necessitatem. (IIa-IIae q. 66 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet toegelaten is te stelen uit nood. Immers, er wordt geen boete opgelegd, tenzij aan de zondaar. Welnu, in de voorschriften van de De cretalen wordt gezegd: « Wanneer iemand door honger of naaktheid gedwongen voedsel, kleeding of vee heeft gestolen, dan zal hij boeten gedurende drie weken ». Dus mag men ook uit nood niet stelen.

Praeterea, philosophus dicit, in II Ethic., quod quaedam confestim nominata convoluta sunt cum malitia, inter quae ponit furtum. Sed illud quod est secundum se malum non potest propter aliquem bonum finem bonum fieri. Ergo non potest aliquis licite furari ut necessitati suae subveniat. (IIa-IIae q. 66 a. 7 arg. 2)

2 — De Wijsgeer zegt: « Er zijn dingen waarvan de naam reeds vol boosheid is », en daaronder rekent hij diefstal. Welnu, datgene wat uiteraard slecht is, kan niet goed worden ook al wordt het met een goed doel gedaan. Derhalve mag niemand stelen om in zijn nood te voorzien.

Praeterea, homo debet diligere proximum sicut seipsum. Sed non licet furari ad hoc quod aliquis per eleemosynam proximo subveniat; ut Augustinus dicit, in libro contra mendacium. Ergo etiam non licet furari ad subveniendum propriae necessitati. (IIa-IIae q. 66 a. 7 arg. 3)

3 — De mens moet zijn naaste beminnen zoals zichzelf. Welnu, het is niet geoorloofd te stelen om de naaste door aalmoezen te kunnen helpen, zoals Augustinus zegt. Derhalve is het ook niet toegelaten te stelen om in eigen nood te voorzien.

Sed contra est quod in necessitate sunt omnia communia. Et ita non videtur esse peccatum si aliquis rem alterius accipiat, propter necessitatem sibi factam communem. (IIa-IIae q. 66 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in nood alle dingen gemeenschappelijk zijn. En zo schijnt het wel geen zonde te zijn, indien iemand andermans goed ontneemt, dat door de nood gemeenschappelijk geworden is.

Respondeo dicendum quod ea quae sunt iuris humani non possunt derogare iuri naturali vel iuri divino. Secundum autem naturalem ordinem ex divina providentia institutum, res inferiores sunt ordinatae ad hoc quod ex his subveniatur hominum necessitati. Et ideo per rerum divisionem et appropriationem, de iure humano procedentem, non impeditur quin hominis necessitati sit subveniendum ex huiusmodi rebus. Et ideo res quas aliqui superabundanter habent, ex naturali iure debentur pauperum sustentationi. Unde Ambrosius dicit, et habetur in decretis, dist. XLVII, esurientium panis est quem tu detines; nudorum indumentum est quod tu recludis; miserorum redemptio et absolutio est pecunia quam tu in terram defodis. Sed quia multi sunt necessitatem patientes, et non potest ex eadem re omnibus subveniri, committitur arbitrio uniuscuiusque dispensatio propriarum rerum, ut ex eis subveniat necessitatem patientibus. Si tamen adeo sit urgens et evidens necessitas ut manifestum sit instanti necessitati de rebus occurrentibus esse subveniendum, puta cum imminet personae periculum et aliter subveniri non potest; tunc licite potest aliquis ex rebus alienis suae necessitati subvenire, sive manifeste sive occulte sublatis. Nec hoc proprie habet rationem furti vel rapinae. (IIa-IIae q. 66 a. 7 co.)

Wat behoort tot het menselijk recht, mag geen inbreuk maken op het natuurrecht, of het goddelijk recht. Volgens de natuurlijke orde nu, die door de Goddelijke Voorzienigheid werd ingesteld, zijn de lagere dingen bestemd om ter hulp te komen aan de menselijke nood. En daarom wordt door de verdeling en de toe-eigening der dingen, die voortkomt van het menselijk recht, niet weggenomen, dat juist door die dingen in de menselijke nood moet worden voorzien. En daarom moeten de goederen, die sommigen in overvloed hebben, overeenkomstig het natuurrecht aan de ondersteuning van de armen worden besteed. Daarom zegt Ambrosius, en het staat in de Decretalen: « Het is het brood van de hongerigen, dat gij vasthoudt; het is het kleed van de naakten, dat gij wegsluit; het geld, dat gij in de grond begraaft, is de loskooping en de vrijmaking van de ongelukkigen ». Daar er nu echter veel noodlijdenden zijn, en allen niet uit een en hetzelfde bezit kunnen geholpen worden, wordt het uitdelen van het eigen bezit aan ieders oordeel overgelaten, opdat men daarvan de noodlijdenden zou tegemoet komen. Indien echter de nood zo dringend en klaarblijkend is, dat het overduidelijk wordt hem te moeten lenigen door dingen, die voor de hand liggen — b.v. wanneer een persoon in gevaar verkeert en men het niet op een andere manier kan afweren —, dan mag iemand zijn eigen nood lenigen uit andermans bezit, door het openlijk of bedekt te nemen. En dit is geen eigenlijke diefstal of roof.

Ad primum ergo dicendum quod decretalis illa loquitur in casu in quo non est urgens necessitas. (IIa-IIae q. 66 a. 7 ad 1)

1 — Het aangehaalde Decretaal handelt over een geval, waarbij geen sprake is van dringende nood.

Ad secundum dicendum quod uti re aliena occulte accepta in casu necessitatis extremae non habet rationem furti, proprie loquendo. Quia per talem necessitatem efficitur suum illud quod quis accipit ad sustentandam propriam vitam. (IIa-IIae q. 66 a. 7 ad 2)

2 — In eigenlijke zin gesproken, is het gebruiken van andermans goed, dat men in uiterste nood bedekt ontnomen heeft, geen diefstal. Want in zulke nood wordt datgene, wat iemand tot behoud van zijn eigen leven wegneemt, het zijne.

Ad tertium dicendum quod in casu similis necessitatis etiam potest aliquis occulte rem alienam accipere ut subveniat proximo sic indigenti. (IIa-IIae q. 66 a. 7 ad 3)

3 — In het geval van dezelfde nood mag iemand ook bedekt andermans goed wegnemen, om aan een op die manier hulpbehoevende naaste, tegemoet te komen.

Articulus 8.
Kan roof geschieden zonder zonde?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod rapina possit fieri sine peccato. Praeda enim per violentiam accipitur; quod videtur ad rationem rapinae pertinere, secundum praedicta. Sed praedam accipere ab hostibus licitum est, dicit enim Ambrosius, in libro de patriarchis, cum praeda fuerit in potestate victoris, decet militarem disciplinam ut regi serventur omnia, scilicet ad distribuendum. Ergo rapina in aliquo casu est licita. (IIa-IIae q. 66 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat roof zonder zonde kan geschieden. — 1. Door geweld immers wordt iets tot buit gemaakt; en dat schijnt, overeenkomstig wat boven gezegd is, het karakter van roof te hebben. Welnu, iets op een vijand buit maken is geoorloofd: Ambrosius immers zegt: «Wanneer de buit in handen van de overwinnaar is, eischt de legertucht, dat alles in handen van de koning komt», nl. ter verdeling. Dus is roof in sommige gevallen geoorloofd.

Praeterea, licitum est auferre ab aliquo id quod non est eius. Sed res quas infideles habent non sunt eorum, dicit enim Augustinus, in epistola ad Vinc. Donatist., res falso appellatis vestras, quas nec iuste possidetis, et secundum leges terrenorum regum amittere iussi estis. Ergo videtur quod ab infidelibus aliquis licite rapere posset. (IIa-IIae q. 66 a. 8 arg. 2)

2 — Het is geoorloofd aan iemand datgene te ontnemen, wat niet van hem is. Welnu, de goederen, die de ongelovigen hebben, zijn niet van hen: want Augustinus zegt: «Valsch noemt gij die dingen de uwe, die gij niet rechtmatig bezit en die gij, overeenkomstig de wetten van de aardse koningen, moet afstaan». Het lijkt dus wel, dat iemand de ongelovigen op wettige wijze zou kunnen beroven.

Praeterea, terrarum principes multa a suis subditis violenter extorquent; quod videtur ad rationem rapinae pertinere. Grave autem videtur dicere quod in hoc peccent, quia sic fere omnes principes damnarentur. Ergo rapina in aliquo casu est licita. (IIa-IIae q. 66 a. 8 arg. 3)

3 — De vorsten der aarde ontrukken met geweld veel aan hun onderdanen, en dit schijnt wel roof te zijn. Het lijkt echter zeer erg te zeggen dat zij daardoor zondigen, want zo zouden bijna alle vorsten worden veroordeeld. Derhalve is roof in sommige gevallen wel geoorloofd.

Sed contra est quod de quolibet licite accepto potest fieri Deo sacrificium vel oblatio. Non autem potest fieri de rapina, secundum illud Isaiae LXI, ego dominus diligens iudicium, et odio habens rapinam in holocaustum. Ergo per rapinam aliquid accipere non est licitum. (IIa-IIae q. 66 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat van alles wat men op geoorloofde wijze heeft verworven, men aan God een sacrificie of een gave mag brengen. Men mag echter geen roofbuit offeren, naar het woord van Isaías (61. 8): « Want ik, de Heer, heb het recht lief en haat de roof in het brandoffer ». Iets in bezit nemen door roof is derhalve niet geoorloofd.

Respondeo dicendum quod rapina quandam violentiam et coactionem importat per quam, contra iustitiam, alicui aufertur quod suum est. In societate autem hominum nullus habet coactionem nisi per publicam potestatem. Et ideo quicumque per violentiam aliquid alteri aufert, si sit privata persona non utens publica potestate, illicite agit et rapinam committit, sicut patet in latronibus. Principibus vero publica potestas committitur ad hoc quod sint iustitiae custodes. Et ideo non licet eis violentia et coactione uti nisi secundum iustitiae tenorem, et hoc vel contra hostes pugnando, vel contra cives malefactores puniendo. Et quod per talem violentiam aufertur non habet rationem rapinae, cum non sit contra iustitiam. Si vero contra iustitiam aliqui per publicam potestatem violenter abstulerint res aliorum, illicite agunt et rapinam committunt, et ad restitutionem tenentur. (IIa-IIae q. 66 a. 8 co.)

Roof sluit een zekere gewelddadigheid, een zekere dwang in, waardoor, in strijd met de rechtvaardigheid, aan iemand ontnomen wordt wat het zijne is. In de menselijke maatschappij nu, heeft niemand het recht tot dwingen, tenzij de openbare macht. En daarom handelt hij, namelijk een privaat persoon, die over geen openbare macht beschikt, onwettig wanneer hij aan een ander met geweld iets ontneemt, en maakt hij zich schuldig aan roof: zoals blijkt bij de rovers. Aan de vorsten echter wordt openbare macht opgedragen, opdat zij de hoeders van het recht zouden zijn. En daarom is het hun niet geoorloofd gebruik te maken van geweld of dwang, tenzij naar de eisen van de rechtvaardigheid: en wel tegen vijanden door te strijden, ofwel tegen de burgers door de misdadigers te straffen. En wat door geweld van die aard wordt ontnomen is geen roof: want het is niet strijdig met de rechtvaardigheid. Wanneer echter sommigen, tegen de rechtvaardigheid in, door openbare macht het goed van anderen met geweld zouden ontnemen, dan handelen zij onrechtvaardig, maken zich schuldig aan roof en zijn tot teruggave gehouden.

Ad primum ergo dicendum quod circa praedam distinguendum est. Quia si illi qui depraedantur hostes habeant bellum iustum, ea quae per violentiam in bello acquirunt eorum efficiuntur. Et hoc non habet rationem rapinae, unde nec ad restitutionem tenentur. Quamvis possint in acceptione praedae iustum bellum habentes peccare per cupiditatem ex prava intentione, si scilicet non propter iustitiam, sed propter praedam principaliter pugnent, dicit enim Augustinus, in libro de Verb. Dom., quod propter praedam militare peccatum est. Si vero illi qui praedam accipiunt habeant bellum iniustum, rapinam committunt, et ad restitutionem tenentur. (IIa-IIae q. 66 a. 8 ad 1)

1 — Met betrekking tot buitgemaakte goederen moet men onderscheid maken. Want wanneer zij, die buit maken op de vijand, een rechtvaardige oorlog voeren, dan wordt het goed, dat zij in die oorlog met geweld veroveren, het hunne. En dit is geen roof: en daarom zijn zij niet tot teruggave gehouden. Toch kunnen zij, ook in een rechtvaardige oorlog, zondigen door buit te maken uit een boos inzicht en gedreven door hebzucht, namelijk wanneer zij niet omwille van de rechtvaardigheid, maar voornamelijk om buit oorlog voeren. Augustinus zegt immers: «Strijden om buit is zonde». Wanneer echter zij die buit maken, een onrechtvaardige oorlog voeren, dan maken zij zich schuldig aan roof, en zijn tot teruggave gehouden.

Ad secundum dicendum quod intantum aliqui infideles iniuste res suas possident, inquantum eas secundum leges terrenorum principum amittere iussi sunt. Et ideo ab eis possunt per violentiam subtrahi, non privata auctoritate, sed publica. (IIa-IIae q. 66 a. 8 ad 2)

2 — Sommige ongelovigen bezitten hun goed op onrechtvaardige wijze, in zover zij die «overeenkomstig de wetten van de aardse vorsten moeten afstaan». En daarom mag men hun die goederen met geweld ontnemen, niet echter op privaat maar op openbaar gezag.

Ad tertium dicendum quod si principes a subditis exigant quod eis secundum iustitiam debetur propter bonum commune conservandum, etiam si violentia adhibeatur, non est rapina. Si vero aliquid principes indebite extorqueant per violentiam, rapina est, sicut et latrocinium. Unde dicit Augustinus, in IV de Civ. Dei, remota iustitia, quid sunt regna nisi magna latrocinia? Quia et latrocinia quid sunt nisi parva regna? Et Ezech. XXII dicitur, principes eius in medio eius quasi lupi rapientes praedam. Unde et ad restitutionem tenentur, sicut et latrones. Et tanto gravius peccant quam latrones, quanto periculosius et communius contra publicam iustitiam agunt, cuius custodes sunt positi. (IIa-IIae q. 66 a. 8 ad 3)

3 — Wanneer de vorsten datgene af eisen van hun onderdanen, wat hun krachtens de rechtvaardigheid toekomt, om het algemeen welzijn te bewaren, dan is dat geen roof, ook al wordt daarbij geweld gebruikt. Wanneer echter de vorsten iets met geweld afpersen wat men hun niet verschuldigd is, is dat roof, en ook dieverij. Daarom zegt Augustinus: «Wat zijn koninkrijken zonder rechtvaardigheid anders dan grote roversholen? Want wat zijn roversholen anders dan kleine koninkrijken»? En bij Ezechiël (22. 27) wordt gezegd: «Haar vorsten zijn in haar midden als wolven, die buit roven». Daarom zijn zij tot teruggave gehouden, evenals rovers. En zoveel zwaarder zondigen zij dan rovers, als zij gevaarvoller en algemener ingaan tegen de openbare rechtvaardigheid, waarvan zij als de bewakers zijn aangesteld.

Articulus 9.
Is diefstal zwaardere zonde dan roof?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod furtum sit gravius peccatum quam rapina. Furtum enim, super acceptionem rei alienae, habet adiunctam fraudem et dolum, quod non est in rapina. Sed fraus et dolus de se habent rationem peccati, ut supra habitum est. Ergo furtum videtur esse gravius peccatum quam rapina. (IIa-IIae q. 66 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat diefstal zwaardere zonde is dan roof. — 1. Immers, diefstal sluit, behalve het wegnemen van andermans goed, ook nog bedrog en list in, wat bij roof niet het geval is. Welnu, bedrog en list zijn in zichzelf zonde, zoals boven gezegd is (55° Kw, 4° en 5° Art.). Derhalve lijkt diefstal zwaardere zonde te zijn dan roof.

Praeterea, verecundia est timor de turpi actu, ut dicitur in IV Ethic. Sed magis verecundantur homines de furto quam de rapina. Ergo furtum est turpius quam rapina. (IIa-IIae q. 66 a. 9 arg. 2)

2 — Schaamte is de vrees voor een slechte handeling, zoals in de Ethica gezegd is. Welnu, de mensen schamen zich meer voor diefstal dan voor roof. Dus is diefstal boosaardiger dan roof.

Praeterea, quanto aliquod peccatum pluribus nocet, tanto gravius esse videtur. Sed per furtum potest nocumentum inferri et magnis et parvis, per rapinam autem solum impotentibus, quibus potest violentia inferri. Ergo gravius videtur esse peccatum furti quam rapinae. (IIa-IIae q. 66 a. 9 arg. 3)

3 — Een zonde is zwaarder naarmate zij meer mensen benadeelt. Welnu, door diefstal kan schade worden toegebracht aan groten en aan kleinen: door roof echter enkel aan de onmachten, tegenover wie men geweld kan plegen. Derhalve lijkt diefstal wel zwaardere zonde te zijn dan roof.

Sed contra est quod secundum leges gravius punitur rapina quam furtum. (IIa-IIae q. 66 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat krachtens de wetten roof zwaarder wordt gestraft dan diefstal.

Respondeo dicendum quod rapina et furtum habent rationem peccati, sicut supra dictum est, propter involuntarium quod est ex parte eius cui aliquid aufertur; ita tamen quod in furto est involuntarium per ignorantiam, in rapina autem involuntarium per violentiam. Magis est autem aliquid involuntarium per violentiam quam per ignorantiam, quia violentia directius opponitur voluntati quam ignorantia. Et ideo rapina est gravius peccatum quam furtum. Est et alia ratio. Quia per rapinam non solum infertur alicui damnum in rebus, sed etiam vergit in quandam personae ignominiam sive iniuriam. Et hoc praeponderat fraudi vel dolo, quae pertinent ad furtum. (IIa-IIae q. 66 a. 9 co.)

Zoals boven gezegd is (4° Art.), zijn roof en diefstal zondig, omdat zij ingaan tegen de wil van hem, aan wie iets ontnomen wordt; zóó echter, dat bij diefstal het tegenwillige steunt op onwetendheid bij de bestolene, bij roof echter op geweld. Welnu, iets wat door geweld geschiedt, is meer tegenwillig dan datgene wat geschiedt in onwetendheid: want geweld is meer rechtstreeks in strijd met de wil dan onwetendheid. En bijgevolg is roof een zwaardere zonde dan diefstal. Er is ook nog een andere reden. Want door roof wordt iemand niet alleen in zijn bezit schade berokkend, maar ook aan de persoon wordt smaad of onrecht aangedaan. En dit is erger dan bedrog of arglist, die bij diefstal worden aangewend.

Unde patet responsio ad primum. (IIa-IIae q. 66 a. 9 ad 1)

1 — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking.

Ad secundum dicendum quod homines sensibilibus inhaerentes magis gloriantur de virtute exteriori, quae manifestatur in rapina, quam de virtute interiori, quae tollitur per peccatum. Et ideo minus verecundantur de rapina quam de furto. (IIa-IIae q. 66 a. 9 ad 2)

2 — De mensen, die vastzitten aan het zintuiglijke, beroemen zich meer op de uitwendige kracht, die zich bij roof ontplooit, dan op de inwendige deugd, die door de zonde wordt weggenomen. En daarom schamen zij zich minder over roof dan over diefstal.

Ad tertium dicendum quod licet pluribus possit noceri per furtum quam per rapinam, tamen graviora nocumenta possunt inferri per rapinam quam per furtum. Unde ex hoc etiam rapina est detestabilior. (IIa-IIae q. 66 a. 9 ad 3)

3 — Hoewel door diefstal aan meer mensen schade kan worden toegebracht dan door roof, kan toch door roof grotere schade worden toegebracht dan door diefstal. Daarom is roof ook op grond hiervan verachtelijker.