QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 84.
Over de Aanbidding .

Prooemium

Deinde considerandum est de exterioribus actibus latriae. Et primo, de adoratione, per quam aliquis suum corpus ad Deum venerandum exhibet; secundo, de illis actibus quibus aliquid de rebus exterioribus Deo offertur; tertio, de actibus quibus ea quae Dei sunt assumuntur. Circa primum quaeruntur tria. Primo, utrum adoratio sit actus latriae. Secundo, utrum adoratio importet actum interiorem, vel exteriorem. Tertio, utrum adoratio requirat determinationem loci. (IIa-IIae q. 84 pr.)

Vervolgens moeten wij de uitwendige daden van godsverering beschouwen. (Zie 82e Kw. Inl.) En dan vooreerst de aanbidding, waarbij de mens zijn lichaam gebruikt om God eer te bewijzen; ten tweede de daden, waardoor een buiten ons staand ding aan God wordt opgedragen (85e Kw.) ; ten derde de daden, waarbij men van iets, dat van God is, gebruik maakt (89e Kw.). Over het eerste punt stellen wij ons drie vragen: 1. Is aanbidding een daad van godsverering? 2. Sluit aanbidding een inwendige of een uitwendige daad in? 3. Is er voor aanbidden een bepaalde plaats vereist?

Articulus 1.
Is aanbidding een daad van godsverering of godsdienstigheid?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod adoratio non sit actus latriae sive religionis. Cultus enim religionis soli Deo debetur. Sed adoratio non debetur soli Deo, legitur enim Gen. XVIII quod Abraham adoravit Angelos; et III Reg. I dicitur quod Nathan propheta, ingressus ad regem David, adoravit eum pronus in terram. Ergo adoratio non est actus religionis. (IIa-IIae q. 84 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat aanbidding geen daad van godsverering of godsdienstigheid is. Want godsdienstige huldiging mag men alleen aan God brengen. Maar niet God alleen heeft recht op aanbidding; want wij lezen in het Boek der Schepping (18, 2), dat Abraham de engelen aanbad; en in het Derde Boek der Koningen (1, 23) staat, dat toen de Profeet Nathan bij koning David was binnengegaan, « hij hem ter aarde neergebogen aanbad." Dus is aanbidden geen daad van godsdienstigheid.

Praeterea, religionis cultus debetur Deo prout in ipso beatificamur, ut patet per Augustinum, in X de Civ. Dei. Sed adoratio debetur ei ratione maiestatis, quia super illud Psalm., adorate dominum in atrio sancto eius, dicit Glossa, de his atriis venitur in atrium ubi maiestas adoratur. Ergo adoratio non est actus latriae. (IIa-IIae q. 84 a. 1 arg. 2)

2 — God heeft recht op godsdienstige eerbewijzen, in zover wij in Hem zalig worden, zoals Augustinus bewijst. Maar aanbidding moet Hem worden gebracht om Zijn verhevenheid, want bij het psalmwoord: « Aanbidt Hem in Zijn heilig voorhof," (Ps. 95, 9) zegt de Glossa: « Uit deze voorhoven komt men in het hof waar de verhevenheid aanbeden wordt." Dus is aanbidding geen daad van godsverering.

Praeterea, unius religionis cultus tribus personis debetur. Non autem una adoratione adoramus tres personas, sed ad invocationem trium personarum singulariter genu flectimus. Ergo adoratio non est actus latriae. (IIa-IIae q. 84 a. 1 arg. 3)

3 — De eerbewijzen van een en dezelfde godsdienstigheid moeten aan de drie Personen worden gebracht. Maar de drie Personen aanbidden wij niet met een en dezelfde daad van aanbidding, maar wij buigen onze knie afzonderlijk bij het aanroepen van Ieder van de drie Personen. Dus is aanbidding geen daad van godsdienstigheid.

Sed contra est quod Matth. IV inducitur, dominum Deum tuum adorabis, et illi soli servies. (IIa-IIae q. 84 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat het woord, dat bij Mattheus, (4, 10; zie Deut. 6, 13) wordt aangehaald: "Den Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. »

Respondeo dicendum quod adoratio ordinatur in reverentiam eius qui adoratur. Manifestum est autem ex dictis quod religionis proprium est reverentiam Deo exhibere. Unde adoratio qua Deus adoratur est religionis actus. (IIa-IIae q. 84 a. 1 co.)

Aanbidden heeft als doel Hem te eren, die aanbeden wordt. Nu is uit het voorafgaande (81e Kw. 2e en 4e Art.) duidelijk, dat het aan de godsdienstigheid eigen is God eer te bewijzen. Dus is de aanbidding, waarmee God aanbeden wordt, een daad van godsdienstigheid.

Ad primum ergo dicendum quod Deo debetur reverentia propter eius excellentiam, quae aliquibus creaturis communicatur non secundum aequalitatem, sed secundum quandam participationem. Et ideo alia veneratione veneramur Deum, quod pertinet ad latriam, et alia veneratione quasdam excellentes creaturas, quod pertinet ad duliam, de qua post dicetur. Et quia ea quae exterius aguntur signa sunt interioris reverentiae, quaedam exteriora ad reverentiam pertinentia exhibentur excellentibus creaturis, inter quae maximum est adoratio, sed aliquid est quod soli Deo exhibetur, scilicet sacrificium. Unde Augustinus dicit, in X de Civ. Dei, multa de cultu divino usurpata sunt quae honoribus deferrentur humanis, sive humilitate nimia sive adulatione pestifera, ita tamen ut quibus ea deferrentur, homines haberentur, qui dicuntur colendi et venerandi; si autem multum eis additur, et adorandi. Quis vero sacrificandum censuit nisi ei quem Deum aut scivit, aut putavit, aut finxit? Secundum reverentiam igitur quae creaturae excellenti debetur, Nathan adoravit David. Secundum autem reverentiam quae Deo debetur, Mardochaeus noluit adorare Aman, timens ne honorem Dei transferret ad hominem, ut dicitur Esther XIII. Et similiter secundum reverentiam debitam creaturae excellenti, Abraham adoravit Angelos; et etiam Iosue, ut legitur Iosue V. Quamvis possit intelligi quod adoraverint adoratione latriae Deum, qui in persona Angeli apparebat et loquebatur. Secundum autem reverentiam quae debetur Deo, prohibitus est Ioannes Angelum adorare, Apoc. ult. Tum ad ostendendum dignitatem hominis, quam adeptus est per Christum, ut Angelis aequetur, unde ibi subditur, conservus tuus sum et fratrum tuorum. Tum etiam ad excludendum idololatriae occasionem, unde subditur, Deum adora. (IIa-IIae q. 84 a. 1 ad 1)

1 — God heeft recht op eer om Zijn verhevenheid, die aan sommige schepsels wordt meegedeeld, niet zo, dat zij daarin aan Hem gelijk zijn, maar er tot op zekere hoogte in delen. Daarom is de aan God gebrachte eer, die tot de godsdienstigheid behoort, iets anders dan de aan sommige verheven schepsels gebrachte eer, die onder de godsdienstige verering, waar later (103e Kw.) over gesproken wordt, valt. Omdat nu wat uiterlijk gebeurt, een teken is van de inwendige verering, worden sommige uiterlijke eerbewijzen aan verheven schepsels gebracht, waaronder de aanbidding het voornaamste is; maar één ding wordt alleen aan God gebracht, nl. het offer. Daarom zegt Augustinus: « Veel is aan de goddelijke eredienst ontroofd om als eerbewijs aan mensen te worden gebracht, hetzij uit te grote nederigheid, hetzij uit verderfelijke vleierij; maar het was toch altijd zo, dat zij aan wie dat werd gebracht als mensen werden beschouwd, waarvan men zei, dat zij gehuldigd en geëerd en, als het erg opgeschroefd werd, ook aanbeden moesten worden. Maar wie heeft ooit gedacht, dat men moest offeren, tenzij aan Hem, van Wie men wist of meende of veinsde, dat Hij God was? » Daarom aanbad Nathan David krachtens de eer, die aan verheven schepselen moet worden bewezen. Maar krachtens de aan God te brengen eer weigerde Mardocheus Aman te aanbidden, "vrezend de aan God te bewijzen eer op een mens over te brengen, » zoals in het Boek Esther (13, 14) wordt gezegd. Evenzo aanbad Abraham de engelen naar de eer, die men aan verheven schepsels moet bewijzen, en ook Josue, zoals wij in zijn boek (3, 15) lezen. Men zou dit echter ook zo kunnen opvatten dat zij God met de aanbidding, die uit godsverering voorkomt aanbaden, omdat Hij hun verscheen en tot hen sprak in de persoon van een engel. — Joannes werd echter weerhouden om de engel aanbidden met de eer, die aan God toekomt. (Apoc. 22, 8). En dit geschiedde zowel om de door Christus verkregen waardigheid van de mensen aan te tonen, dat zij nl. aan de engelen gelijk zijn geworden; en daarom wordt daaraan toegevoegd: « Ik ben de mededienaar van u en uw broeders. »; als om zelfs de aanleiding tot afgodendienst uit te sluiten; en daarom volgt daarop: « Aanbid God. »

Ad secundum dicendum quod sub maiestate divina intelligitur omnis Dei excellentia, ad quam pertinet quod in ipso, sicut in summo bono, beatificamur. (IIa-IIae q. 84 a. 1 ad 2)

2 — Onder Gods majesteit verstaan wij iedere verhevenheid van God, waar ook onder valt, dat wij in Hem als het hoogste goed zalig worden.

Ad tertium dicendum quod quia una est excellentia trium personarum, unus honor et reverentia eis debetur, et per consequens una adoratio. In cuius figuram, cum legatur de Abraham, Gen. XVIII, quod tres viri ei apparuerunt, adorans unum alloquitur. Dicens, domine, si inveni gratiam et cetera. Trina autem genuflexio signum est ternarii personarum, non autem diversitatis adorationum. (IIa-IIae q. 84 a. 1 ad 3)

3 — Omdat de verhevenheid der drie Personen maar één is, is er Hun maar één eer en hulde te brengen, en dientengevolge maar één aanbidding. En om dit aan te duiden spreekt Abraham, hoewel wij van hem lezen (Gen. 18, 3) dat hem drie mannen verschenen, er maar één aanbiddend aan, als hij zegt: "Heer, als ik genade gevonden heb, enz. » De drievoudige kniebuiging is echter een teken van de Drievuldigheid van de Personen, maar met van een verschil in aanbidding.

Articulus 2.
Sluit aanbidding een lichaamsdaad in?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod adoratio non importet actum corporalem. Dicitur enim Ioan. IV, veri adoratores adorabunt patrem in spiritu et veritate. Sed id quod fit in spiritu non pertinet ad corporalem actum. Ergo adoratio non importat corporalem actum. (IIa-IIae q. 84 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat aanbidding geen lichaamsdaad insluit. Want bij Joannes (4, 23) wordt gezegd: « Ware aanbidders zullen de Vader in geest en waarheid aanbidden. » Maar wat in de geest gebeurt, heeft met lichaamsdaden niets te maken. Dus brengt aanbidding geen lichaamsdaden mee.

Praeterea, nomen adorationis ab oratione sumitur. Sed oratio principaliter consistit in interiori actu, secundum illud I ad Cor. XIV, orabo spiritu, orabo et mente. Ergo adoratio maxime importat spiritualem actum. (IIa-IIae q. 84 a. 2 arg. 2)

2 — De term aanbidding is van bidden afgeleid. Nu bestaat bidden voornamelijk in een inwendige daad naar de Eerste Brief aan de Korinthiërs (14, 13) : « Bidden zal ik met de geest, maar ik zal ook bidden met het verstand. » Dus sluit aanbidden vooral een inwendige daad in.

Praeterea, corporales actus ad sensibilem cognitionem pertinent. Deum autem non attingimus sensu corporis, sed mentis. Ergo adoratio non importat corporalem actum. (IIa-IIae q. 84 a. 2 arg. 3)

3 — Lichaamsdelen vallen onder de zintuiglijke kennis. Maar God bereiken wij niet met de zintuigen van het lichaam, maar met de geest. Dus sluit aanbidding geen lichaamsdaad in.

Sed contra est quod super illud Exod. XX, non adorabis ea, neque coles, dicit Glossa, nec affectu colas, nec specie adores. (IIa-IIae q. 84 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat bij het woord uit het Boek van de Uittocht (20, 5) : « Gij zult hen niet eren of aanbidden, » de Glossa zegt: « Met het inwendige gevoel zult gij hen niet huldigen, noch in schijn aanbidden. »

Respondeo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in IV libro, quia ex duplici natura compositi sumus, intellectuali scilicet et sensibili, duplicem adorationem Deo offerimus, scilicet spiritualem, quae consistit in interiori mentis devotione; et corporalem, quae consistit in exteriori corporis humiliatione. Et quia in omnibus actibus latriae id quod est exterius refertur ad id quod est interius sicut ad principalius, ideo ipsa exterior adoratio fit propter interiorem, ut videlicet per signa humilitatis quae corporaliter exhibemus, excitetur noster affectus ad subiiciendum se Deo; quia connaturale est nobis ut per sensibilia ad intelligibilia procedamus. (IIa-IIae q. 84 a. 2 co.)

Zoals Damascenus zegt, « offeren wij aan God, omdat wij uit een dubbele natuur zijn samengesteld, een verstandelijke en een zintuigelijke, een dubbele aanbidding op," nl. een geestelijke, die uit de inwendige toewijding van de geest bestaat, en een lichamelijke, de uitwendige vernedering van ons lichaam. En omdat bij alle daden van godsverering wat uitwendig gebeurt tot het inwendige als het voornaamste wordt herleid, geschiedt de uiterlijke aanbidding zelf ook om de innerlijke, dat nl. ons gevoel door de lichamelijke tekens van nederigheid wordt opgewekt om zich aan God te onderwerpen; want het past bij onze natuur, dat wij door het zintuigelijke tot het verstandelijke komen.

Ad primum ergo dicendum quod etiam adoratio corporalis in spiritu fit, inquantum ex spirituali devotione procedit, et ad eam ordinatur. (IIa-IIae q. 84 a. 2 ad 1)

1 — Ook de aanbidding met het lichaam geschiedt in de geest, in zover zij uit geestelijke toewijding voortkomt en deze als doel heeft.

Ad secundum dicendum quod sicut oratio primordialiter quidem est in mente, secundario autem verbis exprimitur, ut supra dictum est; ita etiam adoratio principaliter quidem in interiori Dei reverentia consistit, secundario autem in quibusdam corporalibus humilitatis signis, sicut genu flectimus nostram infirmitatem significantes in comparatione ad Deum; prosternimus autem nos quasi profitentes nos nihil esse ex nobis. (IIa-IIae q. 84 a. 2 ad 2)

2 — Zoals het gebed wel voornamelijk in het verstand ligt, maar daarnaast toch ook door woorden wordt uitgedrukt, gelijk boven (83e Kw. 12e Art.) is gezegd, zo bestaat de aanbidding ook voornamelijk in het geestelijk eren van God, maar op de tweede plaats ook in enkele met het lichaam gegeven tekens van nederigheid, zoals wij de knie buigen als teken van onze zwakheid in vergelijking met God en ons neerwerpen om als het ware te belijden dat wij uit onszelf niets zijn.

Ad tertium dicendum quod etsi per sensum Deum attingere non possumus, per sensibilia tamen signa mens nostra provocatur ut tendat in Deum. (IIa-IIae q. 84 a. 2 ad 3)

3 — Al kunnen wij met de zintuigen God niet bereiken, dan wordt onze geest toch door het zintuiglijke opgewekt om naar te streven.

Articulus 3.
Is er om te aanbidden een bepaalde plaats nodig?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod adoratio non requirat determinatum locum. Dicitur enim Ioan. IV, venit hora quando neque in monte hoc, neque in Ierosolymis adorabitis patrem. Eadem autem ratio videtur esse et de aliis locis. Ergo determinatus locus non requiritur ad adorandum. (IIa-IIae q. 84 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er om te aanbidden geen bepaalde plaats word vereist. Want bij Joannes (4, 21) wordt gezegd: « Het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden." Maar dezelfde reden schijnt ook voor andere plaatsen te bestaan. Dus is er geen bepaalde plaats nodig om te aanbidden.

Praeterea, adoratio exterior ordinatur ad interiorem. Sed interior adoratio fit ad Deum ut ubique existentem. Ergo exterior adoratio non requirit determinatum locum. (IIa-IIae q. 84 a. 3 arg. 2)

2 — De uiterlijke aanbidding heeft de innerlijke als doel. Nu richt de innerlijke zich op God als overal bestaand. Dus eist de uiterlijke aanbidding geen bepaalde plaats.

Praeterea, idem Deus est qui in novo et veteri testamento adoratur. Sed in veteri testamento fiebat adoratio ad occidentem, nam ostium tabernaculi respiciebat ad orientem, ut habetur Exod. XXVI. Ergo, eadem ratione, etiam nunc debemus adorare ad occidentem, si aliquis locus determinatus requiritur ad adorandum. (IIa-IIae q. 84 a. 3 arg. 3)

3 — Het is dezelfde God, die in het Nieuwe en Oude Verbond wordt aanbeden. Nu geschiedde de aanbidding onder het Oude Verbond naar het Westen, omdat de deur van het Tabernakel op het Oosten uitzag, zoals uit het Boek van de Uittocht (26, 18) blijkt. Om dezelfde reden zouden wij nu ook naar het Westen moeten aanbidden, als er een bepaalde plaats werd vereist om te aanbidden.

Sed contra est quod dicitur Isaiae LVI, et inducitur Ioan. II, domus mea domus orationis vocabitur. (IIa-IIae q. 84 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, wat bij Isaïas (56, 7) gezegd en bij Joannes aangehaald wordt: "Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd."

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, in adoratione principalior est interior devotio mentis, secundarium autem est quod pertinet exterius ad corporalia signa. Mens autem interius apprehendit Deum quasi non comprehensum aliquo loco, sed corporalia signa necesse est quod in determinato loco et situ sint. Et ideo determinatio loci non requiritur ad adorationem principaliter, quasi sit de necessitate ipsius, sed secundum quandam decentiam, sicut et alia corporalia signa. (IIa-IIae q. 84 a. 3 co.)

Zoals werd gezegd (vorig Art.), is bij het aanbidden de inwendige toewijding van de geest het voornaamste en wat onder de uiterlijke tekens van het lichaam valt, komt op de tweede plaats. Nu neemt de geest God innerlijk waar als niet tot één plaats beperkt, maar voor de lichamelijke tekens is het nodig, dat zij op een bepaald gelegen plaats geschieden. Daarom is plaatsbepaling voor de aanbidding niet nodig als iets voornaams, wat er noodzakelijk bij behoort; maar als iets, wat het meer gepast maakt, zoals ook de andere lichamelijke tekens.

Ad primum ergo dicendum quod dominus per illa verba praenuntiat cessationem adorationis tam secundum ritum Iudaeorum adorantium in Ierusalem, quam etiam secundum ritum Samaritanorum adorantium in monte Garizim. Uterque enim ritus cessavit veniente spirituali Evangelii veritate, secundum quam in omni loco Deo sacrificatur, ut dicitur Malach. I. (IIa-IIae q. 84 a. 3 ad 1)

1 — Met deze woorden kondigde de Heer aan, dat het aanbidden zowel volgens de ritus van de Joden, die in Jeruzalem, als volgens de ritus van de Samaritanen, die op de berg Garizim aanbaden, zou ophouden. Want beide riten verdwenen, toen de waarheid van het geestelijke Evangelie kwam, waaronder « op alle plaatsen aan God wordt geofferd, » zoals Malachias (1, 11) zegt.

Ad secundum dicendum quod determinatus locus eligitur ad adorandum, non propter Deum, qui adoratur, quasi loco concludatur, sed propter ipsos adorantes. Et hoc triplici ratione. Primo quidem, propter loci consecrationem, ex qua spiritualem devotionem concipiunt orantes, ut magis exaudiantur, sicut patet ex adoratione Salomonis, III Reg. VIII. Secundo, propter sacra mysteria et alia sanctitatis signa quae ibi continentur. Tertio, propter concursum multorum adorantium, ex quo fit oratio magis exaudibilis, secundum illud Matth. XVIII, ubi sunt duo vel tres congregati in nomine meo, ibi sum ego in medio eorum. (IIa-IIae q. 84 a. 3 ad 2)

2 — Een bepaalde plaats om te aanbidden wordt niet gekozen om God, die aanbeden wordt, alsof Hij in een plaats werd omsloten, maar om de aanbidders zelf, en wel om drie redenen. Ten eerste om de wijding van de plaats, waardoor zij, die bidden, meer geestelijke toewijding krijgen om meer verhoord te worden zoals uit het aanbidden van Salomon blijkt. (3 Kon. 8) – Ten tweede om de heilige geheimen en andere tekens van heiligheid welke die plaats bevat. - Ten derde om het samenkomen van velen om te aanbidden, waardoor het gebed meer verdient verhoord te worden naar Mattheus (18, 20) : "Waar twee of drie in Mijn naam te samen zijn, daar ben Ik in hun midden. »

Ad tertium dicendum quod secundum quandam decentiam adoramus versus orientem. Primo quidem, propter divinae maiestatis indicium quod nobis manifestatur in motu caeli, qui est ab oriente secundo, propter Paradisum in oriente constitutum, ut legitur Gen. II, secundum litteram Septuaginta, quasi quaeramus ad Paradisum redire. Tertio, propter Christum, qui est lux mundi et oriens nominatur, Zach. VI; et qui ascendit super caelum caeli ad orientem; et ab oriente etiam expectatur venturus, secundum illud Matth. XXIV, sicut fulgur exit ab oriente et paret usque ad occidentem, ita erit adventus filii hominis. (IIa-IIae q. 84 a. 3 ad 3)

3 — Het is gepaster, dat wij naar het Oosten aanbidden. Ten eerste, omdat ons een aanduiding van de goddelijke verhevenheid wordt bekend gemaakt in de beweging van de hemel, die van het Oosten uitgaat. — Dan om het paradijs, dat volgens de Septuaginttekst van het Boek der Schepping (2, 8) naar het Oosten lag, als verlangden wij naar het paradijs terug. — Ten derde om Christus, die « het Licht van de wereld » en "het Oosten » wordt genoemd (Zach. 6, 12) en « die boven de hoogste hemel naar het Oosten opstijgt » (Ps. 67, 34) ; en Die verwacht wordt komend van het Oosten volgens Mattheus (24, 27) : « Zoals de bliksem uitgaat van het Oosten en schittert tot in het Westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn. »