Secunda Secundae. Quaestio 65. Over de andere onrechtvaardigheden die tegen de persoon worden bedreven .
Prooemium
Deinde considerandum est de peccatis aliarum iniuriarum quae in personam committuntur.
Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, de mutilatione membrorum. Secundo, de verberatione.
Tertio, de incarceratione. Quarto, utrum peccatum huiusmodi iniuriarum aggravetur
ex hoc quod committitur in personam coniunctam aliis. (IIa-IIae q. 65 pr.)
Hierna moeten wij de andere zonden van onrechtvaardigheid beschouwen, die tegen de
persoon worden bedreven. Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Over de verminking
van ledematen. 2. Over lichaamskastijding. 3. Over opsluiting. 4. Worden deze zonden
van onrechtvaardigheid zwaarder, door het feit dat zij bedreven worden tegen een persoon,
die met anderen verwant is?
Articulus 1. Kan het in een bepaald geval geoorloofd zijn, iemand te verminken in zijn ledematen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod mutilare aliquem membro in nullo casu possit
esse licitum. Damascenus enim dicit, in II libro, quod peccatum committitur per hoc
quod receditur ab eo quod est secundum naturam in id quod est contra naturam. Sed
secundum naturam a Deo institutam est quod corpus hominis sit integrum membris; contra
naturam autem est quod sit membro diminutum. Ergo mutilare aliquem membro semper videtur
esse peccatum. (IIa-IIae q. 65 a. 1 arg. 1)
1 — Damascenus zegt immers, dat zonde wordt bedreven doordat « men van datgene wat volgens
de natuur is afwijkt, naar datgene wat tegen de natuur is ». Welnu, het is volgens
de door God ingestelde natuur, dat het lichaam van de mens al zijn ledematen zou bezitten;
het is echter tegen de natuur, dat het beroofd wordt van een lidmaat. Dus schijnt
het wel altijd zonde te zijn, iemand te verminken in zijn ledematen.
Praeterea, sicut se habet tota anima ad totum corpus, ita se habent partes animae
ad partes corporis, ut dicitur in II de anima. Sed non licet aliquem privare anima
occidendo ipsum, nisi publica potestate. Ergo etiam non licet aliquem mutilare membro,
nisi forte secundum publicam potestatem. (IIa-IIae q. 65 a. 1 arg. 2)
2 — Zoals de hele ziel zich verhoudt tot het lichaam, zo ook verhouden zich de delen van
de ziel tot de lichaamsdelen, zoals in De Anima gezegd is. Welnu, het is niet geoorloofd
iemand van zijn ziel te beroven, door hem om het leven te brengen, tenzij aan de openbare
macht. Dus is het ook niet geoorloofd iemand te verminken in zijn ledematen, tenzij
misschien aan de openbare macht.
Praeterea, salus animae praeferenda est saluti corporali. Sed non licet aliquem mutilare
se membro propter salutem animae, puniuntur enim secundum statuta Nicaeni Concilii
qui se castraverunt propter castitatem servandam. Ergo propter nullam aliam causam
licet aliquem membro mutilare. (IIa-IIae q. 65 a. 1 arg. 3)
3 — Het heil van de ziel moet worden verkozen boven het heil van het lichaam. Welnu, het
is aan niemand toegelaten een van zijn eigen ledematen te verminken tot heil van zijn
ziel. Volgens de statuten van het Concilie van Nicea worden diegenen gestraft, die
zich ontmanden om de zuiverheid te bewaren. Daarom is het om geen enkele reden geoorloofd,
iemand te verminken in zijn ledematen.
Sed contra est quod dicitur Exod. XXI, oculum pro oculo, dentem pro dente, manum pro
manu, pedem pro pede. (IIa-IIae q. 65 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Uittocht (21. 24) gezegd wordt:
« Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet ».
Respondeo dicendum quod cum membrum aliquod sit pars totius humani corporis, est propter
totum, sicut imperfectum propter perfectum. Unde disponendum est de membro humani
corporis secundum quod expedit toti. Membrum autem humani corporis per se quidem utile
est ad bonum totius corporis, per accidens tamen potest contingere quod sit nocivum,
puta cum membrum putridum est totius corporis corruptivum. Si ergo membrum sanum fuerit
et in sua naturali dispositione consistens, non potest praecidi absque totius hominis
detrimento. Sed quia ipse totus homo ordinatur ut ad finem ad totam communitatem cuius
est pars, ut supra dictum est; potest contingere quod abscisio membri, etsi vergat
in detrimentum totius corporis, ordinatur tamen ad bonum communitatis, inquantum alicui
infertur in poenam ad cohibitionem peccatorum. Et ideo sicut per publicam potestatem
aliquis licite privatur totaliter vita propter aliquas maiores culpas, ita etiam privatur
membro propter aliquas culpas minores. Hoc autem non est licitum alicui privatae personae,
etiam volente illo cuius est membrum, quia per hoc fit iniuria communitati, cuius
est ipse homo et omnes partes eius. Si vero membrum propter putredinem sit totius
corporis corruptivum, tunc licitum est, de voluntate eius cuius est membrum, putridum
membrum praescindere propter salutem totius corporis, quia unicuique commissa est
cura propriae salutis. Et eadem ratio est si fiat voluntate eius ad quem pertinet
curare de salute eius qui habet membrum corruptum. Aliter autem aliquem membro mutilare
est omnino illicitum. (IIa-IIae q. 65 a. 1 co.)
Daar een lidmaat deel uitmaakt van het hele menselijke lichaam, is het voor het geheel,
zoals het onvolmaakte voor het volmaakte. Vandaar moet men over een lidmaat van het
menselijk lichaam beschikken, naar gelang het voordelig is voor het geheel. Een lidmaat
van het menselijk lichaam nu is op zichzelf nuttig voor het welzijn van het hele lichaam:
toevallig echter kan het voorkomen, dat het schadelijk is, b.v. wanneer een lidmaat
verdorven is en het hele lichaam aansteekt. Wanneer dus een lidmaat gezond is en in
normale toestand, kan het niet worden afgesneden zonder schade voor het hele mens.
Daar echter de hele mens als naar zijn doel gericht is naar de hele gemeenschap, waarvan
hij deel uitmaakt, zoals boven gezegd is (61° Kw. 1° Art.; 64° Kw. 2° en 5° Art.),
daarom kan het voorkomen, dat het afsnijden van een lidmaat, hoewel dat schadelijk
is voor het hele lichaam, toch verband houdt met het goed van de gemeenschap, voor
zover men het iemand aandoet als straf om de zonde te beletten. En daarom, zoals iemand
op wettige wijze door de openbare macht geheel beroofd wordt van zijn leven om aanzienlijke
schuld, zo ook wordt hij beroofd van een lidmaat om minder zware schuld. Dit echter
is niet aan een privaat persoon geoorloofd, zelfs niet met inwilliging van hem aan
wie het lidmaat behoort; want daardoor geschiedt onrecht aan de gemeenschap, waartoe
de mens zelf met al zijn delen behoort. Wanneer een lidmaat, om reden van verderf,
het hele lichaam zou aansteken, dan is het, met inwilliging van hem wie het lidmaat
behoort, geoorloofd het verdorven lidmaat af te snijden voor het heil van het hele
lichaam: want op ieder weegt de zorg voor het eigen heil. En hetzelfde geldt, wanneer
het geschiedt door de wil van hem, die zorg moet dragen voor het heil van hem, die
een verdorven lidmaat heeft. In andere gevallen echter is het helemaal ongeoorloofd,
iemand in zijn ledematen te verminken.
Ad primum ergo dicendum quod nihil prohibet id quod est contra particularem naturam
esse secundum naturam universalem, sicut mors et corruptio in rebus naturalibus est
contra particularem naturam eius quod corrumpitur, cum tamen sit secundum naturam
universalem. Et similiter mutilare aliquem membro, etsi sit contra naturam particularem
corporis eius qui mutilatur, est tamen secundum naturalem rationem in comparatione
ad bonum commune. (IIa-IIae q. 65 a. 1 ad 1)
1 — Er is niets op tegen, dat iets wat tegen een bepaalde natuur zou zijn, overeenkomstig
de universele natuur gebeurt: zo is de dood en de verwording van de natuurdingen tegen
de bepaalde natuur van datgene wat vergaat, hoewel het overeenkomstig de universele
natuur is. En evenzo is het verminken van iemands lidmaat, met betrekking tot het
algemeen welzijn, in overeenstemming met de natuurlijke rede, hoewel het ingaat tegen
de eigen natuur van het lichaam van hem, die verminkt wordt. 2 Het leven van de gehele
mens is niet geordend naar iets dat eigen is aan de mens zelf: maar al wat van de
mens is, is veeleer geordend naar dat leven zelf. En daarom komt het in geen enkel
geval aan iemand toe, iemand het leven te ontnemen, tenzij aan de openbare macht,
aan wie de bevordering van het algemeen welzijn wordt toevertrouwd. Het afsnijden
echter van een lidmaat kan geordend worden naar het eigen heil van een mens. En daarom
kan het in een bepaald geval voor hem geoorloofd zijn.
Ad secundum dicendum quod totius hominis vita non ordinatur ad aliquid proprium ipsius
hominis, sed ad ipsam potius omnia quae sunt hominis ordinantur. Et ideo privare aliquem
vita in nullo casu pertinet ad aliquem nisi ad publicam potestatem, cui committitur
procuratio boni communis. Sed praecisio membri potest ordinari ad propriam salutem
unius hominis. Et ideo in aliquo casu potest ad ipsum pertinere. (IIa-IIae q. 65 a. 1 ad 2)
2 — Een lidmaat moet niet worden afgesneden voor het lichamelijk heil van het geheel,
tenzij men het geheel op geen andere wijze kan ter hulp komen. Aan het geestelijk
heil echter kan men altijd op een andere wijze ter hulp komen, dan door het afnemen
van een lidmaat: want de zonde hangt af van de wil. En bijgevolg is het in geen enkel
geval geoorloofd een lichaamsdeel af te snijden, om welke zonde ook te vluchten. Daarom
zegt Chrysostomus, waar hij dit woord van Mattheus (19. 12): «Er zijn onhuwbaren,
die zichzelf ontmanden om het rijk der hemelen» verklaart: «Het gaat hier niet over
het afsnijden van een lidmaat, maar over de bestrijding van slechte gedachten. Want
hij, die een lichaamsdeel afsnijdt, stelt zich bloot aan vervloeking: immers, iets
dergelijks verrichten is doen wat moordenaars eigen is». En verder voegt hij eraan
toe: «Daardoor wordt ook de begeerlijkheid niet verstild, maar zij wordt lastiger.
De kiem, die in ons is, vindt haar bronnen elders, en wel voornamelijk in onzuivere
voorstellingen en de onwaakzaamheid van de geest: noch onderdrukt de afsnijding van
een lidmaat de bekoringen, zoals de beteugeling van de gedachten wel doet».
Ad tertium dicendum quod membrum non est praecidendum propter corporalem salutem totius
nisi quando aliter toti subveniri non potest. Saluti autem spirituali semper potest
aliter subveniri quam per membri praecisionem, quia peccatum subiacet voluntati. Et
ideo in nullo casu licet membrum praecidere propter quodcumque peccatum vitandum.
Unde Chrysostomus, exponens illud Matth. XIX, sunt eunuchi qui seipsos castraverunt
propter regnum caelorum, dicit, non membrorum abscisionem, sed malarum cogitationum
interemptionem. Maledictioni enim est obnoxius qui membrum abscidit, etenim quae homicidarum
sunt talis praesumit. Et postea subdit, neque concupiscentia mansuetior ita fit, sed
molestior. Aliunde enim habet fontes sperma quod in nobis est, et praecipue a proposito
incontinenti et mente negligente, nec ita abscisio membri comprimit tentationes, ut
cogitationis frenum. (IIa-IIae q. 65 a. 1 ad 3)
Articulus 2. Mogen de vaders hun kinderen, of de meesters hun slaven kastijden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non liceat patribus verberare filios, aut
dominis servos. Dicit enim apostolus, ad Ephes. VI, vos, patres, nolite ad iracundiam
provocare filios vestros. Et infra subdit, et vos, domini, eadem facite servis, remittentes
minas. Sed propter verbera aliqui ad iracundiam provocantur. Sunt etiam minis graviora.
Ergo neque patres filios, neque domini servos debent verberare. (IIa-IIae q. 65 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat vaders hun kinderen en meesters hun slaven niet mogen kastijden.
— 1. Immers, in zijn *Brief aan de Ephesiërs* (6. 4) zegt de Apostel: « En gij vaders,
verbitter uw kinderen niet ». En verder voegt hij eraan toe (6. 9): « En gij meesters,
behandelt hen op dezelfde wijze, en laat het dreigen achterwege ». Welnu, door tuchtiging
worden sommigen tot toorn opgehitst. Want tuchtiging is nog erger dan bedreiging.
Derhalve mogen noch vaders hun kinderen, noch meesters hun slaven tuchten.
Praeterea, philosophus dicit, in X Ethic., quod sermo paternus habet solum monitionem,
non autem coactionem. Sed quaedam coactio est per verbera. Ergo parentibus non licet
filios verberare. (IIa-IIae q. 65 a. 2 arg. 2)
2 — De Wijsgeer zegt: « Het vaderlijke woord heeft enkel vermanende, geen dwingende kracht
». Tuchtiging nu is een vorm van dwang. Derhalve mogen de ouders hun kinderen niet
tuchten.
Praeterea, unicuique licet alteri disciplinam impendere, hoc enim pertinet ad eleemosynas
spirituales, ut supra dictum est. Si ergo parentibus licet propter disciplinam filios
verberare, pari ratione cuilibet licebit quemlibet verberare. Quod patet esse falsum.
Ergo et primum. (IIa-IIae q. 65 a. 2 arg. 3)
3 — Het komt aan iedereen toe een ander terecht te wijzen: dit immers valt onder de geestelijke
aalmoezen, zoals vroeger gezegd is (32° Kw. 2° Art.). Indien het dus aan ouders geoorloofd
is hun kinderen te tuchtigen, dan is het evengoed aan iedereen toegelaten iedere ander
te tuchtigen. Dit nu is klaarblijkelijk vals. Dus ook het eerste.
Sed contra est quod dicitur Prov. XIII, qui parcit virgae, odit filium suum; et infra
XXIII, noli subtrahere a puero disciplinam. Si enim percusseris eum virga, non morietur,
tu virga percuties eum, et animam eius de Inferno liberabis. Et Eccli. XXXIII dicitur,
servo malevolo tortura et compedes. (IIa-IIae q. 65 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter dat in het Boek der Spreuken (13, 24) gezegd wordt: « Die
de roede spaart, haat zijn zoon ». En verder (23, 13, 14): « Onthoud de tuchtiging
niet aan het kind. Hij zal er niet van sterven, als je hem met de roede slaat. Je
slaat hem met de roede, maar redt zijn ziel uit de hel ». En in het Boek Ecclesiasticus
(33, 28) wordt gezegd: « Pijniging en voetboeien voor de kwaadwillige slaaf ».
Respondeo dicendum quod per verberationem nocumentum quoddam infertur corpori eius
qui verberatur, aliter tamen quam in mutilatione, nam mutilatio tollit corporis integritatem,
verberatio vero tantummodo afficit sensum dolore. Unde multo minus nocumentum est
quam membri mutilatio. Nocumentum autem inferre alicui non licet nisi per modum poenae
propter iustitiam. Nullus autem iuste punit aliquem nisi sit eius ditioni subiectus.
Et ideo verberare aliquem non licet nisi habenti potestatem aliquam super illum qui
verberatur. Et quia filius subditur potestati patris, et servus potestati domini,
licite potest verberare pater filium et dominus servum, causa correctionis et disciplinae. (IIa-IIae q. 65 a. 2 co.)
Door tuchtiging wordt aan het lichaam van hem, die getuchtigd wordt, wel enige schade
toegebracht, hoewel anders dan bij de verminking: want verminking neemt de gaafheid
van het lichaam weg, terwijl tuchtiging enkel het gevoel pijnlijk aandoet. Daarom
is de schade veel kleiner dan bij verminking. Iemand schade aandoen is enkel geoorloofd
bij wijze van straf, omwille van de rechtvaardigheid. Niemand echter kan rechtvaardig
iemand straffen, tenzij hij aan zijn gezag onderworpen is. En daarom is het niet toegelaten
iemand te tuchtigen, tenzij aan hem, die enig gezag heeft over hem, die getuchtigd
wordt. En daar een kind onderworpen is aan het gezag van de vader, en een slaaf aan
het gezag van de meester, is het de vader geoorloofd zijn zoon, en de meester zijn
slaaf te tuchtigen, om reden van terechtwijzing en tucht.
Ad primum ergo dicendum quod, cum ira sit appetitus vindictae, praecipue concitatur
ira cum aliquis se reputat laesum iniuste, ut patet per philosophum, in II Rhet. Et
ideo per hoc quod patribus interdicitur ne filios ad iracundiam provocent, non prohibetur
quin filios verberent causa disciplinae, sed quod non immoderate eos affligant verberibus.
Quod vero inducitur dominis quod remittant minas, potest dupliciter intelligi. Uno
modo, ut remisse minis utantur, quod pertinet ad moderationem disciplinae. Alio modo,
ut aliquis non semper impleat quod comminatus est, quod pertinet ad hoc quod iudicium
quo quis comminatus est poenam, quandoque per remissionis misericordiam temperetur. (IIa-IIae q. 65 a. 2 ad 1)
1 — Daar gramschap de zucht is naar wraak, wordt zij voornamelijk dan opgewekt, wanneer
iemand zich onrechtvaardig gekrenkt voelt: zoals blijkt bij de Wijsgeer. Wanneer daarom
aan de vaders verboden wordt hun kinderen tot gramschap op te wekken, wordt hun daardoor
niet verboden hun kinderen te kastijden omwille van de tucht: maar wel, dat zij hen
niet overmatig zouden tuchtigen. Wat echter aan de meesters wordt aanbevolen, nl.
dat zij bedreigingen zouden achterwege laten, kan op twee manieren worden verstaan.
Ten eerste, dat zij een matig gebruik zouden maken van bedreigingen, en dat behoort
tot de matigheid in de tucht. Ten tweede, dat iemand niet altijd zijn bedreiging zou
ten uitvoer brengen: het oordeel waardoor iemand met straf dreigt, dient soms door
barmhartigheid en vergevensgezindheid te worden getemperd.
Ad secundum dicendum quod maior potestas maiorem debet habere coactionem. Sicut autem
civitas est perfecta communitas, ita princeps civitatis habet perfectam potestatem
coercendi, et ideo potest infligere poenas irreparabiles, scilicet occisionis vel
mutilationis. Pater autem et dominus, qui praesunt familiae domesticae, quae est imperfecta
communitas, habent imperfectam potestatem coercendi secundum leviores poenas, quae
non inferunt irreparabile nocumentum. Et huiusmodi est verberatio. (IIa-IIae q. 65 a. 2 ad 2)
2 — Een groter gezag moet over een grotere dwingende macht beschikken. Gelijk nu de staat
een volmaakte gemeenschap is, zo heeft ook de vorst in de staat een volmaakte dwingende
macht: en bijgevolg kan hij onherstelbare straffen opleggen, nl. doodstraf of verminking.
De vader echter en de meester, die aan het hoofd staan van een huisgezin, van een
onvolmaakte gemeenschap dus, hebben een onvolmaakte dwingende macht en mogen daarom
enkel lichtere straffen opleggen, die geen onherstelbaar nadeel toebrengen. En daaronder
wordt de tuchting gerekend.
Ad tertium dicendum quod exhibere disciplinam volenti cuilibet licet. Sed disciplinam
nolenti adhibere est solum eius cui alterius cura committitur. Et ad hoc pertinet
aliquem verberibus castigare. (IIa-IIae q. 65 a. 2 ad 3)
3 — Het is aan eenieder geoorloofd iemand tucht op te leggen, die dat wil. Maar tucht
opleggen aan iemand, die daar niet mee instemt, komt enkel toe aan degene, wie de
zorg voor hem is toevertrouwd. En hieronder valt de kastijding door slagen.
Articulus 3. Is het toegelaten een mens te kerkeren?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non liceat aliquem hominem incarcerare. Actus
enim est malus ex genere qui cadit supra indebitam materiam, ut supra dictum est.
Sed homo, habens naturalem arbitrii libertatem, est indebita materia incarcerationis,
quae libertati repugnat. Ergo illicitum est aliquem incarcerare. (IIa-IIae q. 65 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet geoorloofd is een mens te kerkeren. — 1. Een handeling immers,
die slaat op een ongepast voorwerp, is slecht in haar soort zelf, zoals blijkt uit
het vroeger gezegde (I. II. 18e Kw. 2e Art.). Welnu, de mens die van nature vrij is,
is een ongepast voorwerp voor gevangenschap, die strijdig is met de vrijheid. Het
is dus niet geoorloofd iemand gevangen te zetten.
Praeterea, humana iustitia regulari debet ex divina. Sed sicut dicitur Eccli. XV,
Deus reliquit hominem in manu consilii sui. Ergo videtur quod non est aliquis coercendus
vinculis vel carcere. (IIa-IIae q. 65 a. 3 arg. 2)
2 — De menselijke rechtvaardigheid moet worden geregeld overeenkomstig de Goddelijke Rechtvaardigheid.
Welnu, zoals in het Boek Ecclesiasticus (15. 14) wordt gezegd: « heeft God de mens
in de hand van zijn eigen goeddunken gelaten ». Derhalve lijkt het, dat niemand mag
worden gedwongen door boeien of kerker.
Praeterea, nullus est cohibendus nisi ab opere malo, a quo quilibet licite potest
alium impedire. Si ergo incarcerare aliquem esset licitum ad hoc quod cohiberetur
a malo, cuilibet esset licitum aliquem incarcerare. Quod patet esse falsum. Ergo et
primum. (IIa-IIae q. 65 a. 3 arg. 3)
3 — Niemand mag door dwang van iets worden teruggehouden tenzij van een slecht werk: daarvan
mag elkeen een ander afhouden. Indien het dus geoorloofd zou zijn iemand gevangen
te zetten om hem van het kwade af te houden, dan zou het aan iedereen toegelaten zijn
een ander gevangen te zetten. Dit nu is klaarblijkelijk vals. Dus ook het eerste.
Sed contra est quod Levit. XXIV legitur quendam missum fuisse in carcerem propter
peccatum blasphemiae. (IIa-IIae q. 65 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat wij lezen in het Boek Leviticus (24. 11, 12), dat
iemand werd gevangen gezet om de zonde van godslastering.
Respondeo dicendum quod in bonis corporis tria per ordinem considerantur. Primo quidem,
integritas corporalis substantiae, cui detrimentum affertur per occisionem vel mutilationem.
Secundo, delectatio vel quies sensus, cui opponitur verberatio, vel quidlibet sensum
dolore afficiens. Tertio, motus et usus membrorum, qui impeditur per ligationem vel
incarcerationem, seu quamcumque detentionem. Et ideo incarcerare aliquem, vel qualitercumque
detinere, est illicitum nisi fiat secundum ordinem iustitiae, aut in poenam aut ad
cautelam alicuius mali vitandi. (IIa-IIae q. 65 a. 3 co.)
Bij de lichamelijke goederen moeten drie dingen in de volgende orde beschouwd worden.
Ten eerste, de gaafheid van de lichamelijke zelfstandigheid: hieraan wordt schade
toegebracht door doodslag of verminking. Ten tweede, het welbehagen of de rust der
zinnen: hiertegenover staat de tuchtiging, of wat ook het gevoel smartelijk aandoet.
Ten derde, de beweging en het gebruik van de ledematen: en die worden verhinderd door
de boeien, of gevangenschap, of door welke vasthouding ook. Iemand kerkeren, of op
gelijk welke wijze vasthouden, is daarom ongeoorloofd, tenzij wanneer het gebeurt
overeenkomstig de orde van de rechtvaardigheid, hetzij als straf, hetzij als voorzorg
om een of ander kwaad te vermijden.
Ad primum ergo dicendum quod homo qui abutitur potestate sibi data, meretur eam amittere.
Et ideo homo qui peccando abusus est libero usu suorum membrorum, conveniens est incarcerationis
materia. (IIa-IIae q. 65 a. 3 ad 1)
1 — Een mens, die de hemel toevertrouwde macht misbruikt, verdient ze te verliezen. En
daarom is de mens, die misbruik heeft gemaakt van het vrije gebruik zijner ledematen,
wel een gepast voorwerp voor gevangenzetting.
Ad secundum dicendum quod Deus quandoque, secundum ordinem suae sapientiae, peccatores
cohibet ne possint peccata implere, secundum illud Iob V, qui dissipat cogitationes
malignorum, ne possint implere manus eorum quod coeperant. Quandoque vero eos permittit
quod volunt agere. Et similiter secundum humanam iustitiam non pro qualibet culpa
homines incarcerantur, sed pro aliquibus. (IIa-IIae q. 65 a. 3 ad 2)
2 — Naar de regeling van zijn Wijsheid belet God soms de zondaars om zonde te bedrijven,
naar het woord uit het Boek Job (5. 12): « Die de gedachten der boosaardigen verijdelt,
opdat hun handen niet kunnen volvoeren wat zij begonnen zijn ». Soms echter laat hij
hun toe, datgene te doen wat zij willen. En zo ook worden volgens de menselijke rechtvaardigheid
de mensen niet voor gelijk welk misdrijf gevangen gezet, maar voor sommige misdaden.
Ad tertium dicendum quod detinere hominem ad horam ab aliquo opere illicito statim
perpetrando, cuilibet licet, sicut cum aliquis detinet aliquem ne se praecipitet,
vel ne alium feriat. Sed simpliciter aliquem includere vel ligare ad eum solum pertinet
qui habet disponere universaliter de actibus et vita alterius, quia per hoc impeditur
non solum a malis, sed etiam a bonis agendis. (IIa-IIae q. 65 a. 3 ad 3)
3 — Het is iedereen geoorloofd voor korten tijd een mens vast te houden om hem terug te
houden van een ongeoorloofd werk, dat hij op het punt is te verrichten: zo, wanneer
iemand een ander zou vasthouden, opdat hij zich niet in een afgrond zou storten, of
een ander zou slaan. Maar zonder meer iemand opsluiten of binden, komt alleen aan
hem toe, die in het algemeen te beschikken heeft over de handelingen of het leven
van een ander: want daardoor belet men hem niet alleen het kwade te doen, maar ook
het goede.
Articulus 4. Is het zwaardere zonde, wanneer voornoemde onrechtvaardigheden begaan worden tegen
een persoon, die met anderen verwant is?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod peccatum non aggravetur ex hoc quod praedictae
iniuriae inferuntur in personas aliis coniunctas. Huiusmodi enim iniuriae habent rationem
peccati prout nocumentum alicui infertur contra eius voluntatem. Sed magis est contra
hominis voluntatem malum quod in personam propriam infertur quam quod infertur in
personam coniunctam. Ergo iniuria illata in personam coniunctam est minor. (IIa-IIae q. 65 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het geen zwaardere zonde is, wanneer voornoemde onrechtvaardigheden
begaan worden tegen personen, die met anderen verwant zijn. — 1. Deze onrechtvaardigheden
immers zijn zondig voor zover zij iemand schade toebrengen tegen zijn wil in. Welnu,
het kwaad, dat de eigen persoon wordt aangedaan, is meer in strijd met de wil van
de mens, dan het kwaad dat aan een verwante persoon wordt aangedaan. Derhalve is de
onrechtvaardigheid, die tegen een verwante persoon begaan wordt, kleiner.
Praeterea, in sacra Scriptura praecipue reprehenduntur qui pupillis et viduis iniurias
inferunt, unde dicitur Eccli. XXXV, non despiciet preces pupilli, nec viduam, si effundat
loquelam gemitus. Sed vidua et pupillus non sunt personae aliis coniunctae. Ergo ex
hoc quod infertur iniuria personis coniunctis non aggravatur peccatum. (IIa-IIae q. 65 a. 4 arg. 2)
2 — In de H. Schrift worden vooral diegenen terechtgewezen, die onrechtvaardig zijn tegenover
wezen en weduwen: daarom wordt in het Boek Ecclesiasticus (35. 17) gezegd: « Het smeeken
van een weeskind versmaadt hij niet, noch de weduwvrouw, als zij zuchtend tot hem
klaagt ». Welnu, een weduwe en een weeskind zijn geen met anderen verwante personen.
Derhalve wordt de zonde niet zwaarder door het feit, dat een onrechtvaardigheid wordt
begaan tegen verwante personen.
Praeterea, persona coniuncta habet propriam voluntatem, sicut et principalis persona.
Potest ergo aliquid ei esse voluntarium quod est contra voluntatem principalis personae,
ut patet in adulterio, quod placet uxori et displicet viro. Sed huiusmodi iniuriae
habent rationem peccati prout consistunt in involuntaria commutatione. Ergo huiusmodi
iniuriae minus habent de ratione peccati. (IIa-IIae q. 65 a. 4 arg. 3)
3 — Een verwante persoon heeft een eigen wil, zoals de voornaamste persoon. Dus kan voor
de verwante persoon iets willig zijn, wat strijdig is met de wil van de voornaamste
persoon: zoals blijkt bij overspel, dat aan de echtgenote behaagt, en mishaagt aan
de echtgenoot. Welnu, voornoemde onrechtvaardigheden zijn zondig, voor zover zij een
onwillige ruilhandeling veronderstellen. Derhalve zijn deze onrechtvaardigheden minder
zondig.
Sed contra est quod Deut. XXVIII, ad quandam exaggerationem dicitur, filii tui et
filiae tuae tradentur alteri populo videntibus oculis tuis. (IIa-IIae q. 65 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium (28. 32) op enigszins overdreven
wijze gezegd wordt: « Uw zonen en uw dochters zullen overgeleverd worden aan een vreemd
volk, uw ogen zullen het zien ».
Respondeo dicendum quod quanto aliqua iniuria in plures redundat, ceteris paribus,
tanto gravius est peccatum. Et inde est quod gravius est peccatum si aliquis percutiat
principem quam personam privatam, quia redundat in iniuriam totius multitudinis, ut
supra dictum est. Cum autem infertur iniuria in aliquam personam coniunctam alteri
qualitercumque, iniuria illa pertinet ad duas personas. Et ideo, ceteris paribus,
ex hoc ipso aggravatur peccatum. Potest tamen contingere quod secundum aliquas circumstantias
sit gravius peccatum quod fit contra personam nulli coniunctam, vel propter dignitatem
personae, vel propter magnitudinem nocumenti. (IIa-IIae q. 65 a. 4 co.)
Een zonde is zwaarder naar mate de onrechtvaardigheid, bij overigens gelijke omstandigheden,
meerdere personen wordt aangedaan. En daarom is het zwaardere zonde, wanneer iemand
een vorst slaat, dan wanneer hij een privaat persoon slaat: want dat wordt een onrechtvaardigheid
tegenover de gehele gemeenschap, zoals boven gezegd is (I. II. 73' Kw. 9' Art.). Wanneer
echter onrecht wordt aangedaan aan een persoon, die op welke wijze ook met een ander
verwant is, dan valt dat onrecht op twee personen. En daarom wordt de zonde hierdoor
verzwaard, gesteld dat al de overige omstandigheden gelijk zijn. Het kan echter voorkomen
dat, om reden van sommige omstandigheden, de zonde die bedreven wordt tegen een persoon,
die met niemand verwant is, zwaarder is: hetzij om de waardigheid van de persoon,
hetzij om de aanzienlijkheid van de schade.
Ad primum ergo dicendum quod iniuria illata in personam coniunctam minus est nociva
personae cui coniungitur quam si in ipsam immediate inferretur, et ex hac parte est
minus peccatum. Sed hoc totum quod pertinet ad iniuriam personae cui coniungitur,
superadditur peccato quod quis incurrit ex eo quod aliam personam secundum se laedit. (IIa-IIae q. 65 a. 4 ad 1)
1 — Het onrecht, dat een verwante persoon wordt aangedaan, is minder schadelijk voor hem
met wie de persoon verwant is, dan het onrecht, dat hem onmiddellijk zou worden aangedaan:
en van deze kant beschouwd, is de zonde minder zwaar. Maar heel dit onrecht tegenover
de verwante persoon, wordt toegevoegd aan de zonde, die iemand bedrijft, door het
feit, dat hij een persoon in zichzelf benadeelt.
Ad secundum dicendum quod iniuriae illatae in viduas et pupillos magis exaggerantur,
tum quia magis opponuntur misericordiae. Tum quia idem nocumentum huiusmodi personis
inflictum est eis gravius, quia non habent relevantem. (IIa-IIae q. 65 a. 4 ad 2)
2 — Het onrecht dat tegenover weduwen en weeskinderen wordt bedreven, wordt groter geacht,
én omdat het meer strijdig is met de barmhartigheid, en omdat dezelfde schade, die
aan dergelijke personen wordt aangedaan, voor hen zwaarder is, want zij hebben niemand
die hen omhoog helpt.
Ad tertium dicendum quod per hoc quod uxor voluntarie consentit in adulterium, minoratur
quidem peccatum et iniuria ex parte ipsius mulieris, gravius enim esset si adulter
violenter eam opprimeret. Non tamen per hoc tollitur iniuria ex parte viri, quia uxor
non habet potestatem sui corporis, sed vir, ut dicitur I ad Cor. VII. Et eadem ratio
est de similibus. De adulterio tamen, quod non solum iustitiae, sed etiam castitati
opponitur, erit locus infra agendi in tractatu de temperantia. (IIa-IIae q. 65 a. 4 ad 3)
3 — Wanneer een echtgenoote vrijwillig toestemt in overspel, wordt de zonde en het onrecht,
dat aan die vrouw wordt aangedaan, verminderd: het zou immers erger zijn wanneer de
overspelige haar met geweld zou nemen. Toch wordt daardoor het onrecht, dat aan de
echtgenoot wordt aangedaan, niet weggenomen: want « de vrouw heeft geen vrije beschikking
over haar eigen lichaam, maar de man », zoals in de Eerste Brief aan de Corinthiërs
(7. 4) gezegd wordt. Hetzelfde geldt voor al dergelijke gevallen. Over de zonde van
overspel, die niet alleen strijdig is met de rechtvaardigheid, maar tevens met de
zuiverheid, zal verder worden gehandeld in het traktaat over de Matigheid (154° Kw.
8° Art.).