Secunda Secundae. Quaestio 56. Over de geboden, betreffende de verstandigheid .
Prooemium
Deinde considerandum est de praeceptis ad prudentiam pertinentibus. Et circa hoc quaeruntur
duo. Primo, de praeceptis pertinentibus ad prudentiam. Secundo, de praeceptis pertinentibus
ad vitia opposita. (IIa-IIae q. 56 pr.)
Hierna moet gehandeld worden over de geboden, in zaken van verstandigheid. Daaromtrent
worden twee vragen gesteld: 1. Over de geboden betreffende de verstandigheid zelf.
2. Over de geboden betreffende de tegengestelde ondeugden.
Articulus 1. Moest een van de tien geboden Gods de verstandigheid opleggen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod de prudentia fuerit dandum aliquod praeceptum
inter praecepta Decalogi. De principaliori enim virtute principaliora praecepta dari
debent. Sed principaliora praecepta legis sunt praecepta Decalogi. Cum ergo prudentia
sit principalior inter virtutes morales, videtur quod de prudentia fuerit dandum aliquod
praeceptum inter praecepta Decalogi. (IIa-IIae q. 56 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat een van de tien geboden Gods de verstandigheid moest opleggen. De
voornaamste geboden moeten uitgevaardigd worden omtrent de voornaamste deugd. Maar
de voornaamste geboden uit de wet zijn de tien geboden. Daar nu de verstandigheid
de voornaamste is onder de zedelijke deugden, lijkt het wel dat zij door een van de
tien geboden moest opgelegd worden.
Praeterea, in doctrina evangelica continetur lex maxime quantum ad praecepta Decalogi.
Sed in doctrina evangelica datur praeceptum de prudentia, ut patet Matth. X, estote
prudentes sicut serpentes. Ergo inter praecepta Decalogi debuit praecipi actus prudentiae. (IIa-IIae q. 56 a. 1 arg. 2)
2 — De Evangelieleer behelst de wet, in de eerste plaats de tien geboden. Maar in de Evangelieleer
wordt de verstandigheid opgelegd, o.m. bij Mattheus (10.16): « Wees voorzichtig als
slangen ». Dus moest door een der tien geboden de daad van verstandigheid worden opgelegd.
Praeterea, alia documenta veteris testamenti ad praecepta Decalogi ordinantur, unde
et Malach. ult. dicitur, mementote legis Moysi, servi mei, quam mandavi ei in Horeb.
Sed in aliis documentis veteris testamenti dantur praecepta de prudentia, sicut Prov.
III, ne innitaris prudentiae tuae; et infra, IV cap., palpebrae tuae praecedant gressus
tuos. Ergo et in lege debuit aliquod praeceptum de prudentia dari, et praecipue inter
praecepta Decalogi. (IIa-IIae q. 56 a. 1 arg. 3)
3 — De andere schriften van het Oude Verbond zijn gericht op de tien geboden. Vandaar
dat bij Malachias (4.4) gezegd wordt: « Gedenk de wet van Mozes, mijn dienaar, die
ik opgelegd heb in Oreb ». Maar in andere Schriften van het Oude Verbond wordt de
verstandigheid opgelegd, zoals in het Boek der Spreuken (4.5): « Steun niet op eigen
verstandigheid », en verder (4.25): « Uwe blikken gaan aan uw stappen vooraf ». Dus
moest in de wet de verstandigheid opgelegd worden, vooral in de wet der tien geboden.
Sed contrarium patet enumeranti praecepta Decalogi. (IIa-IIae q. 56 a. 1 s. c.)
Het tegenovergestelde echter blijkt bij het opsommen van de tien geboden.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est cum de praeceptis ageretur, praecepta
Decalogi, sicut data sunt omni populo, ita etiam cadunt in aestimatione omnium, quasi
ad naturalem rationem pertinentia. Praecipue autem sunt de dictamine rationis naturalis
fines humanae vitae, qui se habent in agendis sicut principia naturaliter cognita
in speculativis, ut ex supradictis patet. Prudentia autem non est circa finem, sed
circa ea quae sunt ad finem, ut supra dictum est. Et ideo non fuit conveniens ut inter
praecepta Decalogi aliquod praeceptum poneretur ad prudentiam directe pertinens. Ad
quam tamen omnia praecepta Decalogi pertinent secundum quod ipsa est directiva omnium
virtuosorum actuum. (IIa-IIae q. 56 a. 1 co.)
Waar het ging over de geboden (I. II. 100° Kw. 1° Art.) werd gezegd, dat de tien geboden,
uitgevaardigd voor geheel het volk, door allen beschouwd worden als iets wat tot de
natuurlijke rede behoort. Onder de uitspraken van de natuurlijke rede nu, vallen in
de eerste plaats de doeleinden van het menselijk leven, die tot de praktijk van het
leven in dezelfde verhouding staan als de natuurlijk gekende beginselen tot het denken,
zoals boven gebleken is (47° Kw. 6° Art.). De verstandigheid echter houdt verband,
niet met het doel, maar met de middelen tot het doel, zoals gezegd werd (47° Kw. 6°
Art.). En daarom paste het niet, tussen de tien geboden er een op te nemen dat rechtstreeks
op de verstandigheid zou slaan. Op de verstandigheid slaat evenwel elk van de tien
geboden, voor zover zij zelf de leiding moet hebben van alle deugdzame handelingen.
Ad primum ergo dicendum quod licet prudentia sit simpliciter principalior virtus aliis
virtutibus moralibus, iustitia tamen principalius respicit rationem debiti, quod requiritur
ad praeceptum, ut supra dictum est. Et ideo principalia praecepta legis, quae sunt
praecepta Decalogi, magis debuerunt ad iustitiam quam ad prudentiam pertinere. (IIa-IIae q. 56 a. 1 ad 1)
1 — Hoewel de verstandigheid alles samengenomen de voornaamste is onder de zedelijke deugden,
toch is het de rechtvaardigheid die meer bepaaldelijk het begrip «verplichting» insluit,
wat vereist is voor een gebod, zoals boven werd gezegd (44° Kw. 1° Art. en I. II.
99° Kw. 1° en 5° Art.). En daarom moesten de voornaamste geboden van de decaloog eerder
tot de rechtvaardigheid dan tot de verstandigheid behoren.
Ad secundum dicendum quod doctrina evangelica est doctrina perfectionis, et ideo oportuit
quod in ipsa perfecte instrueretur homo de omnibus quae pertinent ad rectitudinem
vitae, sive sint fines sive ea quae sunt ad finem. Et propter hoc oportuit in doctrina
evangelica etiam de prudentia praecepta dari. (IIa-IIae q. 56 a. 1 ad 2)
2 — De Evangelie-leer is de leer van de volmaaktheid. Zij moet dus de mens onderrichten
in alles wat tot een rechtgeordend leven behoort, het weze doel of middel. En daarom
moesten in de Evangelie-leer ook geboden gegeven worden met betrekking tot de verstandigheid.
Ad tertium dicendum quod sicut alia doctrina veteris testamenti ordinatur ad praecepta
Decalogi ut ad finem, ita etiam conveniens fuit ut in subsequentibus documentis veteris
testamenti homines instruerentur de actu prudentiae, qui est circa ea quae sunt ad
finem. (IIa-IIae q. 56 a. 1 ad 3)
3 — Zoals sommige leerstukken van het Oude Verbond geordend zijn op de tien geboden, aldus
was het passend dat de latere schriften van het Oude Verbond de mensen zouden onderrichten
met betrekking tot de verstandigheid, die verband houdt met de middelen tot het doel.
Articulus 2. Werden de ondeugden, tegengesteld aan de verstandigheid, op passende wijze verboden
in het Oude Verbond?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in veteri lege fuerint inconvenienter praecepta
prohibitiva proposita de vitiis oppositis prudentiae. Opponuntur enim prudentiae non
minus illa quae habent directam oppositionem ad ipsam, sicut imprudentia et partes
eius, quam illa quae cum ipsa similitudinem habent, sicut astutia et quae ad ipsam
pertinent. Sed haec vitia prohibentur in lege, dicitur enim Lev. XIX, non facies calumniam
proximo tuo; et Deut. XXV, non habebis in sacculo tuo diversa pondera, maius et minus.
Ergo et de illis vitiis quae directe opponuntur prudentiae aliqua praecepta prohibitiva
dari debuerunt. (IIa-IIae q. 56 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de ondeugden, tegen gesteld aan de verstandigheid, niet op passende
wijze verboden werden in het Oude Verbond. Aan de verstandigheid immers zijn evenzeer
tegen gesteld de ondeugden die rechtstreeks met haar strijdig zijn, zoals de onverstandigheid
en haar onderdelen, als de ondeugden die met haar enige gelijkenis vertonen, zoals
de sluwheid en wat er mee samenhangt. Maar deze laatste ondeugden worden verboden
in de wet. Er wordt immers gezegd in het Boek Leviticus (19.13): « Gij zult uw naaste
niet afzetten ». En in het Boek Deuteronomium (25.13): « Gij zult in uw buidel geen
tweeërlei gewichten hebben, een groot en een klein ». Dus moesten ook de ondeugden,
die rechtstreeks in strijd zijn met de verstandigheid, verboden worden.
Praeterea, in multis aliis rebus potest fraus fieri quam in emptione et venditione.
Inconvenienter igitur fraudem in sola emptione et venditione lex prohibuit. (IIa-IIae q. 56 a. 2 arg. 2)
2 — Bedrog is in vele andere dingen mogelijk dan in koop en verkoop. Het was dus niet
passend dat de wet enkel maar bedrog verbood in koop en verkoop.
Praeterea, eadem ratio est praecipiendi actum virtutis et prohibendi actum vitii oppositi.
Sed actus prudentiae non inveniuntur in lege praecepti. Ergo nec aliqua opposita vitia
debuerunt in lege prohiberi. (IIa-IIae q. 56 a. 2 arg. 3)
3 — Dezelfde reden geldt om een daad van deugd op te leggen, en om de tegengestelde ondeugdzame
daad te verbieden. Maar de daad van verstandigheid wordt in de wet niet opgelegd.
Dus moesten tegenovergestelde ondeugden in de wet niet verboden worden.
Sed contrarium patet per praecepta legis inducta. (IIa-IIae q. 56 a. 2 s. c.)
Het tegendeel echter blijkt door de opsomming van de geboden, in de eerste bedenking.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, iustitia maxime respicit rationem
debiti, quod requiritur ad praeceptum, quia iustitia est ad reddendum debitum alteri,
ut infra dicetur. Astutia autem quantum ad executionem maxime committitur in his circa
quae est iustitia, ut dictum est. Et ideo conveniens fuit ut praecepta prohibitiva
darentur in lege de executione astutiae inquantum ad iniustitiam pertinet, sicut cum
dolo vel fraude aliquis alicui calumniam ingerit, vel eius bona surripit. (IIa-IIae q. 56 a. 2 co.)
Zoals boven gezegd is (vorig Art. 1° Antw.) sluit de rechtvaardigheid vooral het begrip
« verplichting » in, wat vereist is voor een gebod, omdat de rechtvaardigheid erin
bestaat zijn verplichting na te komen tegenover een andere, zoals verder zal uiteengezet
worden (58° Kw. 2° Art.). De sluwheid nu uit zich vooral in die dingen, waarop ook
de rechtvaardigheid slaat, zoals gezegd werd (55° Kw. 8° Art.). En daarom was het
nodig de sluwheid in de wet te verbieden, voor zover zij samenhangt met de onrechtvaardigheid,
wat b.v. het geval is wanneer iemand met list en bedrog een ander belastert, of zijn
goederen afzet.
Ad primum ergo dicendum quod illa vitia quae directe opponuntur prudentiae manifesta
contrarietate non ita pertinent ad iniustitiam sicut executio astutiae. Et ideo non
ita prohibentur in lege sicut fraus et dolus, quae ad iniustitiam pertinent. (IIa-IIae q. 56 a. 2 ad 1)
1 — De ondeugden die rechtstreeks en klaarblijkelijk tegengesteld zijn aan de verstandigheid,
hangen niet samen met de onrechtvaardigheid, zoals de uitvoering van de sluwheid.
En daarom worden zij in de wet niet verboden zoals list en bedrog, die tot de onrechtvaardigheid
behoren.
Ad secundum dicendum quod omnis fraus vel dolus commissa in his quae ad iustitiam
pertinent potest intelligi esse prohibita, Lev. XIX, in prohibitione calumniae. Praecipue
autem solet fraus exerceri et dolus in emptione et venditione, secundum illud Eccli.
XXVI, non iustificabitur caupo a peccato labiorum. Propter hoc specialiter praeceptum
prohibitivum datur in lege de fraude circa emptiones et venditiones commissa. (IIa-IIae q. 56 a. 2 ad 2)
2 — Alle list en bedrog, bedreven en dingen die tot de onrechtvaardigheid behoren, kan
als verboden beschouwd worden in het Boek Leviticus (19. 13), waar de laster wordt
verboden. Bedrog en list worden echter vooral aangewend in koop en verkoop, volgens
het woord van het Boek Ecclesiasticus (26. 28): « De wijnverkoper zal niet vrij te
pleiten zijn van zonde met de lippen ». Daarom wordt in de wet op speciale wijze het
bedrog in handelszaken verboden.
Ad tertium dicendum quod omnia praecepta de actibus iustitiae in lege data pertinent
ad executionem prudentiae, sicut et praecepta prohibitiva data de furto, calumnia
et fraudulenta venditione pertinent ad executionem astutiae. (IIa-IIae q. 56 a. 2 ad 3)
3 — Al de geboden in de wet, betreffende de daden van rechtvaardigheid, slaan op de uitvoering
van de verstandigheid; evenzo slaat ook elk verbod met betrekking tot diefstal, laster
en bedrieglijke verkoop, op de uitvoering van de sluwheid.