QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 1.
Over het Geloof .

Prooemium

Circa virtutes igitur theologicas primo erit conſiderandum de fide; ſecundo, de ſpe; tertio, de caritate. Circa fidem vero quadruplex conſideratio occurrit, prima quidem de ipſa fide; ſecunda de donis intellectus et ſcientiae ſibi correſpondentibus; tertia de vitiis oppoſitis; quarta de praeceptis ad hanc virtutem pertinentibus. Circa fidem vero primo erit conſiderandum de eius obiecto; ſecundo, de eius actu; tertio, de ipſo habitu fidei. Circa primum quaeruntur decem. Primo, utrum obiectum fidei ſit veritas prima. Secundo, utrum obiectum fidei ſit aliquid complexum vel incomplexum, ideſt res aut enuntiabile. Tertio, utrum fidei poſſit ſubeſſe falſum. Quarto, utrum obiectum fidei poſſit eſſe aliquid viſum. Quinto, utrum poſſit eſſe aliquid ſcitum. Sexto, utrum credibilia debeant diſtingui per certos articulos. Septimo, utrum iidem articuli ſubſint fidei ſecundum omne tempus. Octavo, de numero articulorum. Nono, de modo tradendi articulos in ſymbolo. Decimo, cuius ſit fidei ſymbolum conſtituere. (IIa-IIae q. 1 pr.)

Met betrekking tot de goddelijke deugden handelen wij, ten eerste, over het geloof; ten tweede, over de hoop; ten derde, over de liefde. Met betrekking tot het geloof spreken wij, ten eerste, over het geloof op zichzelf; ten tweede, over de gaven van verstand en wetenschap, die aan het geloof beantwoorden; ten derde, over de ondeugden, die strijdig zijn met het geloof; ten vierde, over de geboden, die betrekking hebben op het geloof. Met betrekking tot het geloof op zichzelf beschouwd, handelen wij, ten eerste, over het voorwerp van het geloof; ten tweede, over de geloofsdaad; ten derde, over de hebbelijkheid zelf van het geloof. Over het voorwerp van het geloof stellen wij tien vragen: 1. Is het voorwerp van het geloof de eerste waarheid? 2. Is het voorwerp van het geloof iets samengesteld of iets enkelvoudigs; m. a. w., is het een ding, of is het de uitdrukking van een oordeel? 3. Kan men iets vals geloven? 4. Kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men ziet? 5. Kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men weet? 6. Moet het voorwerp van het geloof ingedeeld worden in bepaalde artikelen? 7. Vielen dezelfde artikelen te allen tijde onder het geloof? 8. Over het aantal der artikelen. 9. Over de wijze, waarop de artikelen in het Symbolum worden voorgehouden. 10. Wie mag een Symbolum des geloofs opstellen?

Articulus 1.
Is het voorwerp van het geloof de eerste Waarheid?

Ad primum ſic proceditur. Videtur quod obiectum fidei non ſit veritas prima. Illud enim videtur eſſe obiectum fidei quod nobis proponitur ad credendum. Sed non ſolum proponuntur nobis ad credendum ea quae pertinent ad divinitatem, quae eſt veritas prima; ſed etiam ea quae pertinent ad humanitatem Chriſti et Eccleſiae ſacramenta et creaturarum conditionem. Ergo non ſolum veritas prima eſt fidei obiectum. (IIa-IIae q. 1 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het voorwerp van het geloof niet de eerste Waarheid is. Het voorwerp immers van het geloof is datgene, wat ons voorgehouden wordt te geloven. Welnu er wordt ons niet alleen voorgehouden te geloven wat betrekking heeft op God, die de Eerste Waarheid is, maar ook wat betrekking heeft op de mensheid van Christus, op de Sacramenten der Kerk, en op het ontstaan der schepselen. Bijgevolg is de Eerste Waarheid niet het enige voorwerp van het geloof.

Praeterea, fides et infidelitas ſunt circa idem, cum ſint oppoſita. Sed circa omnia quae in ſacra Scriptura continentur poteſt eſſe infidelitas, quidquid enim horum homo negaverit, infidelis reputatur. Ergo etiam fides eſt circa omnia quae in ſacra Scriptura continentur. Sed ibi multa continentur de hominibus et de aliis rebus creatis. Ergo obiectum fidei non ſolum eſt veritas prima, ſed etiam veritas creata. (IIa-IIae q. 1 a. 1 arg. 2)

2 — Geloof en ongeloof hebben betrekking op hetzelfde, daar ze tegengesteld zijn aan elkander. Welnu ongeloof is mogelijk met betrekking tot alles wat de H. Schrift bevat, want door welke schriftuurwaarheid ook te loochenen wordt men ongelovig. Dus valt ook alles wat de H. Schrift bevat onder het geloof. Daar komen echter veel dingen in voor, die betrekking hebben op de mensen en andere schepselen, en bijgevolg is met alleen de Eerste Waarheid het voorwerp van het geloof, maar ook de geschapen waarheid.

Praeterea, fides caritati condividitur, ut ſupra dictum eſt. Sed caritate non ſolum diligimus Deum, qui eſt ſumma bonitas, ſed etiam diligimus proximum. Ergo fidei obiectum non eſt ſolum veritas prima. (IIa-IIae q. 1 a. 1 arg. 3)

3 — Het geloof en de liefde maken deel uit van hetzelfde geheel, zoals vroeger bewezen is. (Ia IIae, Kw. 62, 3° Art.) Welnu door de liefde beminnen we niet alleen God, die het hoogste goed is, maar ook de naaste. Bijgevolg is de Eerste Waarheid niet het enig voorwerp van het geloof.

Sed contra eſt quod Dionyſius dicit, VII cap. de Div. Nom., quod fides eſt circa ſimplicem et ſemper exiſtentem veritatem. Haec autem eſt veritas prima. Ergo obiectum fidei eſt veritas prima. (IIa-IIae q. 1 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in het 7e Hoofdstuk van het Boek Over de Goddelijke Namen : « Het geloof heeft betrekking op de enkelvoudige en eeuwigbestaande waarheid ». Welnu, die waarheid is de Eerste Waarheid, en bijgevolg is de Eerste Waarheid het voorwerp van het Geloof.

Reſpondeo dicendum quod cuiuſlibet cognoſcitivi habitus obiectum duo habet, ſcilicet id quod materialiter cognoſcitur, quod eſt ſicut materiale obiectum; et id per quod cognoſcitur, quod eſt formalis ratio obiecti. Sicut in ſcientia geometriae materialiter ſcita ſunt concluſiones; formalis vero ratio ſciendi ſunt media demonſtrationis, per quae concluſiones cognoſcuntur. Sic igitur in fide, ſi conſideremus formalem rationem obiecti, nihil eſt aliud quam veritas prima, non enim fides de qua loquimur aſſentit alicui niſi quia eſt a Deo revelatum; unde ipſi veritati divinae innititur tanquam medio. Si vero conſideremus materialiter ea quibus fides aſſentit, non ſolum eſt ipſe Deus, ſed etiam multa alia. Quae tamen ſub aſſenſu fidei non cadunt niſi ſecundum quod habent aliquem ordinem ad Deum, prout ſcilicet per aliquos divinitatis effectus homo adiuvatur ad tendendum in divinam fruitionem. Et ideo etiam ex hac parte obiectum fidei eſt quodammodo veritas prima, inquantum nihil cadit ſub fide niſi in ordine ad Deum, ſicut etiam obiectum medicinae eſt ſanitas, quia nihil medicina conſiderat niſi in ordine ad ſanitatem. (IIa-IIae q. 1 a. 1 co.)

In het voorwerp van iedere hebbelijkheid, die betrekking heeft op de kennis, moet men twee dingen onderscheiden, nl. dat, wat materieel gekend wordt, of het materiële voorwerp, en dat, waardoor men het kent, of het formeel opzicht van het object. In de meetkunde b. v. zijn de gevolgtrekkingen het materieel gekende; het formeel opzicht zijn de beginselen, waardoor men iets bewijst en waardoor men de gevolgtrekkingen kent. Het formeel opzicht van het voorwerp van het geloof is niets anders dan de Eerste Waarheid; het geloof immers, waarover hier spraak is, neemt slechts iets aan, omdat het door God geopenbaard werd; daarom steunt het Geloof op de Eerste Waarheid als op het beginsel of kenmiddel er van. Beschouwt men echter het materieel voorwerp van het geloof, dan omvat het niet alleen God, maar ook veel andere dingen. Die dingen echter vallen onder de toestemming van het geloof, alleen in zover ze betrekking hebben op God, in zover nl. de mens door sommige goddelijke uitwerkselen geholpen wordt om te streven naar de genieting van God. Bijgevolg is ook het materieel voorwerp van het geloof enigszins de Eerste Waarheid, in zover mets tot het geloof behoort, dan met betrekking tot God. Zo is ook de gezondheid het voorwerp der geneeskunde, omdat de geneeskunde niets beschouwt, dan met betrekking tot de gezondheid.

Ad primum ergo dicendum quod ea quae pertinent ad humanitatem Chriſti et ad ſacramenta Eccleſiae vel ad quaſcumque creaturas cadunt ſub fide inquantum per haec ordinamur ad Deum. Et eis etiam aſſentimus propter divinam veritatem. (IIa-IIae q. 1 a. 1 ad 1)

1 — Wat betrekking heeft op de mensheid van Christus en op de Sacramenten, of op welke schepselen ook, behoort tot het Geloof, in zover het ons richt naar God, en we die dingen aannemen om de Goddelijke Waarheid.

Et ſimiliter dicendum eſt ad ſecundum, de omnibus illis quae in ſacra Scriptura traduntur. (IIa-IIae q. 1 a. 1 ad 2)

2 — Hetzelfde moet gezegd worden voor wat de inhoud der H. Schrift betreft.

Ad tertium dicendum quod etiam caritas diligit proximum propter Deum; et ſic obiectum eius proprie eſt ipſe Deus, ut infra dicetur. (IIa-IIae q. 1 a. 1 ad 3)

3 — Ook de liefde bemint de naaste om God, en heeft als eigen voorwerp God zelf, zoals we verder zullen verklaren (Kw. 23, Ie Art.).

Articulus 2.
Is het voorwerp van het Geloof samengesteld, zoals de uitdrukking van een oordeel?

Ad ſecundum ſic proceditur. Videtur quod obiectum fidei non ſit aliquid complexum per modum enuntiabilis. Obiectum enim fidei eſt veritas prima, ſicut dictum eſt. Sed prima veritas eſt aliquid incomplexum. Ergo obiectum fidei non eſt aliquid complexum. (IIa-IIae q. 1 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het voorwerp van het geloof niet samengesteld is, zoals de uitdrukking van een oordeel. Het voorwerp van het geloof is immers de Eerste Waarheid, zoals (in het vorige Artikel) gezegd is. Welnu de Eerste Waarheid is niet samengesteld. Dus is ook het voorwerp van het geloof niet samengesteld.

Praeterea, expoſitio fidei in ſymbolo continetur. Sed in ſymbolo non ponuntur enuntiabilia, ſed res, non enim dicitur ibi quod Deus ſit omnipotens, ſed, credo in Deum omnipotentem. Ergo obiectum fidei non eſt enuntiabile, ſed res. (IIa-IIae q. 1 a. 2 arg. 2)

2 — Het geloof is vervat in het Symbolum. Welnu in het Symbolum worden geen stellingen voorgesteld, maar dingen: men zegt er immers niet, dat God almachtig is, maar wel: Ik geloof in de almachtige God. Dus is het voorwerp van het geloof niet de uitdrukking van een oordeel, maar een ding.

Praeterea, fidei ſuccedit viſio, ſecundum illud I ad Cor. XIII, videmus nunc per ſpeculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem. Sed viſio patriae eſt de incomplexo, cum ſit ipſius divinae eſſentiae. Ergo etiam fides viae. (IIa-IIae q. 1 a. 2 arg. 3)

3 — Op het geloof volgt het zien, volgens de woorden uit de Ie Corinthiërbrief (13, 12) : « Wij zien nu vage beelden in een spiegel; dan echter van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik gekend ben ». Welnu in de hemel zien wij iets enkelvoudigs, nl. het goddelijk wezen. Bij­ gevolg geloven we ook iets enkelvoudigs hier op aarde.

Sed contra, fides eſt media inter ſcientiam et opinionem. Medium autem et extrema ſunt eiuſdem generis. Cum igitur ſcientia et opinio ſint circa enuntiabilia, videtur quod ſimiliter fides ſit circa enuntiabilia. Et ita obiectum fidei, cum fides ſit circa enuntiabilia, eſt aliquid complexum. (IIa-IIae q. 1 a. 2 s. c.)

Daartegen kan men echter aanvoeren, dat het geloof het midden houdt tussen de wetenschap en de mening. Welnu, het midden en de uitersten behoren tot hetzelfde geslacht, en daar de wetenschap en de mening de uitdrukking van een oordeel tot voorwerp hebben, schijnt ook het voorwerp van het geloof de uitdrukking van een oordeel te zijn. Bijgevolg is het voorwerp van het geloof, omdat het de uitdrukking van een oordeel is, iets samengestelds.

Reſpondeo dicendum quod cognita ſunt in cognoſcente ſecundum modum cognoſcentis. Eſt autem modus proprius humani intellectus ut componendo et dividendo veritatem cognoſcat, ſicut in primo dictum eſt. Et ideo ea quae ſunt ſecundum ſe ſimplicia intellectus humanus cognoſcit ſecundum quandam complexionem, ſicut e converſo intellectus divinus incomplexe cognoſcit ea quae ſunt ſecundum ſe complexa. Sic igitur obiectum fidei dupliciter conſiderari poteſt. Uno modo, ex parte ipſius rei creditae, et ſic obiectum fidei eſt aliquid incomplexum, ſcilicet res ipſa de qua fides habetur. Alio modo, ex parte credentis, et ſecundum hoc obiectum fidei eſt aliquid complexum per modum enuntiabilis. Et ideo utrumque vere opinatum fuit apud antiquos, et ſecundum aliquid utrumque eſt verum. (IIa-IIae q. 1 a. 2 co.)

Het gekende is in de kennende naar de zijnswijze van de kennende. Welnu de eigen kenwijze van het menselijk verstand is, dat het de waarheid kent door samenstelling en verdeling, zoals we in het Ie Deel gezegd hebben (Kw. 85, 5e Art.). Bijgevolg wordt hetgeen op zichzelf enkelvoudig is, op enigszins samengestelde wijze gekend door het menselijk verstand, terwijl daarentegen het goddelijk verstand op enkelvoudige wijze kent wat op zichzelf samengesteld is. We kunnen dus het voorwerp van het geloof op twee wijzen beschouwen: ten eerste van de kant van datgene, wat men gelooft, en zo is het voorwerp van het geloof iets enkelvoudigs, nl. het ding zelf, wat we geloven. Ten tweede van de kant van degene, die gelooft, en zo is het voorwerp van het geloof iets samengestelds, zoals de uitdrukking van het oordeel. Vroeger heeft men dus met recht die twee meningen verdedigd, daar ze beide in een zeker opzicht waar zijn.

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de obiecto fidei ex parte ipſius rei creditae. (IIa-IIae q. 1 a. 2 ad 1)

1 — Die tegenwerping gaat op wanneer men het voorwerp van het geloof beschouwt van de kant van datgene, wat men gelooft.

Ad ſecundum dicendum quod in ſymbolo tanguntur ea de quibus eſt fides inquantum ad ea terminatur actus credentis, ut ex ipſo modo loquendi apparet. Actus autem credentis non terminatur ad enuntiabile, ſed ad rem, non enim formamus enuntiabilia niſi ut per ea de rebus cognitionem habeamus, ſicut in ſcientia, ita et in fide. (IIa-IIae q. 1 a. 2 ad 2)

2 — In het Symbolum worden de geloofswaarheden opgesomd, in zover ze de eindterm zijn van de geloofsdaad, zoals blijkt uit de wijze waarop ze voorgesteld worden. Welnu, de eindterm van de geloofsdaad is niet de uitdrukking van een oordeel, maar een ding: de oordelen immers worden slechts uitgesproken opdat men daardoor de dingen zelf zou kennen, zowel in het geloof als in de wetenschap.

Ad tertium dicendum quod viſio patriae erit veritatis primae ſecundum quod in ſe eſt, ſecundum illud I Ioan. III, cum apparuerit, ſimiles ei erimus et videbimus eum ſicuti eſt. Et ideo viſio illa erit non per modum enuntiabilis, ſed per modum ſimplicis intelligentiae. Sed per fidem non apprehendimus veritatem primam ſicut in ſe eſt. Unde non eſt ſimilis ratio. (IIa-IIae q. 1 a. 2 ad 3)

3 — In de hemel zullen we de Eerste Waarheid zien, zoals ze in zich zelf is, naar de woorden uit de Ie Johannesbrief (3, 2) « Wanneer Hij verschijnt, zullen We aan Hem gelijk Wezen, daar wij Hem zullen zien gelijk Hij is ». We zullen Hem dus niet zien door de uitdrukking van een oordeel, maar wel door een kennis van eenvoudig begrijpen. Door het geloof echter kennen we de Eerste Waarheid niet, zoals ze is in zichzelf, en bijgevolg gaat die reden hier niet op.

Articulus 3.
Is het mogelijk iets te geloven, wat vals is?

Ad tertium ſic proceditur. Videtur quod fidei poſſit ſubeſſe falſum. Fides enim condividitur ſpei et caritati. Sed ſpei poteſt aliquid ſubeſſe falſum, multi enim ſperant ſe habituros vitam aeternam qui non habebunt. Similiter etiam et caritati, multi enim diliguntur tanquam boni qui tamen boni non ſunt. Ergo etiam fidei poteſt aliquid ſubeſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het mogelijk is iets te geloven, wat vals is. Het geloof immers is een lid van dezelfde verdeling als de hoop en de liefde. Welnu, men kan iets verhopen, wat vals is, want velen hopen het eeuwig leven te bekomen, die het nooit zullen bekomen. En hetzelfde geldt voor de liefde: velen immers worden bemind als goeden, hoewel ze in werkelijkheid niet goed zijn. Dus is het ook mogelijk iets te geloven, wat vals is.

Praeterea, Abraham credidit Chriſtum naſciturum, ſecundum illud Ioan. VIII, Abraham, pater veſter, exultavit ut videret diem meum. Sed poſt tempus Abrahae Deus poterat non incarnari, ſola enim ſua voluntate carnem accepit, et ita eſſet falſum quod Abraham de Chriſto credidit. Ergo fidei poteſt ſubeſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 arg. 2)

2 — Abraham geloofde, dat Christus zou geboren worden naar het woord van Joannes (8, 56) : « Abraham, uw) vader, is opgesprongen om mijn dag te zien. Hij heeft hem gezien en heeft zich verblijd ». Doch na Abrahams tijd was het mogelijk, dat Christus niet mens werd, daar Hij alleen uit vrijen wil is mens geworden, en zo zou wat Abraham aangaande Christus geloofde, vals geweest zijn. Dus kan men iets geloven, wat vals is.

Praeterea, fides antiquorum fuit quod Chriſtus eſſet naſciturus, et haec fides duravit in multis uſque ad praedicationem Evangelii. Sed Chriſto iam nato, antequam praedicare inciperet, falſum erat Chriſtum naſciturum. Ergo fidei poteſt ſubeſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 arg. 3)

3 — De ouden geloofden, dat Christus zou geboren worden, en bij velen bleef dat geloof voortbestaan tot aan de prediking van het Evangelie. Welnu, na de geboorte van Christus, zelfs vóór zijn prediking, was het vals, dat Christus zou geboren worden. Bijgevolg is het mogelijk iets te geloven, wat vals is.

Praeterea, unum de pertinentibus ad fidem eſt ut aliquis credat ſub ſacramento altaris verum corpus Chriſti contineri. Poteſt autem contingere, quando non recte conſecratur, quod non eſt ibi verum corpus Chriſti, ſed ſolum panis. Ergo fidei poteſt ſubeſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 arg. 4)

4 — Het is een punt van het geloof, dat Christus’ lichaam waarlijk tegenwoordig is in het Sacrament des Altaars. Het kan echter gebeuren, wanneer op ongeldige wijze geconsacreerd wordt, dat Christus’ Lichaam daar niet waarlijk tegenwoordig is, doch slechts brood, en bijgevolg kan men iets geloven, wat vals is.

Sed contra, nulla virtus perficiens intellectum ſe habet ad falſum ſecundum quod eſt malum intellectus, ut patet per philoſophum, in VI Ethic. Sed fides eſt quaedam virtus perficiens intellectum, ut infra patebit. Ergo ei non poteſt ſubeſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 s. c.)

Daartegen kunnen we echter aanvoeren, dat geen deugd, die het verstand vervolmaakt, op het valse slaat, in zover dit een kwaad is van het verstand, zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 6e Boek der Ethica (II H., Nr 3). Welnu, het geloof is een deugd, die het verstand vervolmaakt, zoals verder blijken zal (4e Kw., 2e en 3e Art.). Dus kan men niet iets geloven, wat vals is.

Reſpondeo dicendum quod nihil ſubeſt alicui potentiae vel habitui aut etiam actui, niſi mediante ratione formali obiecti, ſicut color videri non poteſt niſi per lucem, et concluſio ſciri non poteſt niſi per medium demonſtrationis. Dictum eſt autem quod ratio formalis obiecti fidei eſt veritas prima. Unde nihil poteſt cadere ſub fide niſi inquantum ſtat ſub veritate prima. Sub qua nullum falſum ſtare poteſt, ſicut nec non ens ſub ente, nec malum ſub bonitate. Unde relinquitur quod fidei non poteſt ſubeſſe aliquod falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 co.)

Niets valt onder een vermogen, onder een hebbelijkheid of zelfs onder een daad, dan door het formeel op­ zicht van het voorwerp. Zo kan men de kleur slechts zien door het licht, en het besluit alleen kennen door de bewijsvoering. We zeiden echter (1e Art.), dat het formeel opzicht van het voorwerp van het geloof de Eerste Waarheid is. Bijgevolg kan niets onder het Geloof vallen, dan in zover het begrepen is onder de Eerste Waarheid, onder welke geen valsheid kan begrepen zijn, evenmin als het niet-zijnde onder het zijn, of het kwaad onder het goed. Bijgevolg is het onmogelijk, dat men iets zou geloven, wat vals is.

Ad primum ergo dicendum quod, quia verum eſt bonum intellectus, non autem eſt bonum appetitivae virtutis, ideo omnes virtutes quae perficiunt intellectum excludunt totaliter falſum, quia de ratione virtutis eſt quod ſe habeat ſolum ad bonum. Virtutes autem perficientes partem appetitivam non excludunt totaliter falſum, poteſt enim aliquis ſecundum iuſtitiam aut temperantiam agere aliquam falſam opinionem habens de eo circa quod agit. Et ita, cum fides perficiat intellectum, ſpes autem et caritas appetitivam partem, non eſt ſimilis ratio de eis. Et tamen neque etiam ſpei ſubeſt falſum. Non enim aliquis ſperat ſe habiturum vitam aeternam ſecundum propriam poteſtatem (hoc enim eſſet praeſumptionis), ſed ſecundum auxilium gratiae, in qua ſi perſeveraverit, omnino infallibiliter vitam aeternam conſequetur. Similiter etiam ad caritatem pertinet diligere Deum in quocumque fuerit. Unde non refert ad caritatem utrum in iſto ſit Deus qui propter Deum diligitur. (IIa-IIae q. 1 a. 3 ad 1)

1 — Het ware is het goed van het verstand, maar niet van de streefvermogens. Daarom sluiten al de deugden, die het verstand vervolmaken, het valse volkomen uit, want de deugd heeft krachtens haar natuur alleen betrekking op het goede. De deugden echter, die het streefvermogen vervolmaken, sluiten het valse niet volkomen uit; iemand kan b. v handelen volgens de rechtvaardigheid of de matigheid, hoewel hij verkeerd oordeelt over het voorwerp van zijn daad. Bijgevolg gaat voor het geloof, dat het verstand vervolmaakt, niet dezelfde redenering op als voor de hoop en de liefde, die het streefvermogen vervolmaken. Men mag niettemin zeggen, dat ook de hoop het valse uitsluit. Niemand verhoopt toch het eeuwig leven te bekomen door eigen kracht (dat zou vermetel zijn), maar door hulp der genade, waardoor hij het eeuwig leven onfeilbaar zeker zal bekomen, indien hij volhardt. En hetzelfde geldt voor de liefde, waardoor men God bemint, overal waar Hij aanwezig mocht zijn. Het is dus voor de liefde zelf onverschillig of God al dan niet aanwezig is in degene, die om God bemind wordt.

Ad ſecundum dicendum quod Deum non incarnari, ſecundum ſe conſideratum, fuit poſſibile etiam poſt tempus Abrahae. Sed ſecundum quod cadit ſub praeſcientia divina, habet quandam neceſſitatem infallibilitatis, ut in primo dictum eſt. Et hoc modo cadit ſub fide. Unde prout cadit ſub fide, non poteſt eſſe falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 ad 2)

2 — Dat God niet mens zou worden, was ook na Abraham mogelijk, wanneer men het beschouwt op zichzelf. Maar in zover de Menswording onder de goddelijke kennis valt, is zij enigszins onfeilbaar noodzakelijk, zoals we gezegd hebben in het 1e Deel (Kw. 14, 13e Art.) . Welnu, op die wijze behoort ze tot het geloof en bijgevolg kan iets niet vals zijn, in zover het tot het geloof behoort.

Ad tertium dicendum quod hoc ad fidem credentis pertinebat poſt Chriſti nativitatem quod crederet eum quandoque naſci. Sed illa determinatio temporis, in qua decipiebatur, non erat ex fide, ſed ex coniectura humana. Poſſibile eſt enim hominem fidelem ex coniectura humana falſum aliquid aeſtimare. Sed quod ex fide falſum aeſtimet, hoc eſt impoſſibile. (IIa-IIae q. 1 a. 3 ad 3)

3 — Na Christus’ geboorte behoorde het tot het geloof, dat Christus eenmaal zou geboren worden. De tijdbepaling echter, waaromtrent men dwaalde, nam men niet aan door het geloof, maar door menselijke gissing. De gelovige nu kan zich wel door menselijke berekening vergissen, maar dat hij zich door het geloof zou vergissen is onmogelijk.

Ad quartum dicendum quod fides credentis non refertur ad has ſpecies panis vel illas, ſed ad hoc quod verum corpus Chriſti ſit ſub ſpeciebus panis ſenſibilis quando recte fuerit conſecratum. Unde ſi non ſit recte conſecratum, fidei non ſuberit propter hoc falſum. (IIa-IIae q. 1 a. 3 ad 4)

4 — Het geloof van de gelovige slaat niet op die of die bepaalde broodgedaanten, maar wel hierop, dat Christus waarlijk tegenwoordig is onder de uiterlijke broodgedaanten, wanneer op geldige wijze geconsacreerd wordt. Werd dus niet geldig geconsacreerd, dan volgt daar niet uit, dat men iets gelooft, wat vals is.

Articulus 4.
Kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men ziet?

Ad quartum ſic proceditur. Videtur quod obiectum fidei ſit aliquid viſum. Dicit enim dominus Thomae, Ioan. XX, quia vidiſti me, credidiſti. Ergo et de eodem eſt viſio et fides. (IIa-IIae q. 1 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het voorwerp van het geloof iets kan zijn, wat men ziet. De Heer zei immers aan Thomas (Joan. 20, 29) : « Omdat ge Mij gezien hebt, Thomas, daarom hebt ge geloofd ». Dus kan men hetzelfde geloven en zien.

Praeterea, apoſtolus, I ad Cor. XIII, dicit, videmus nunc per ſpeculum in aenigmate. Et loquitur de cognitione fidei. Ergo id quod creditur videtur. (IIa-IIae q. 1 a. 4 arg. 2)

2 — In de Ie Corinthiërbrief (13, 12) zegt de apostel, sprekende over het geloof: « Wij zien thans vage beelden in een spiegel ». Dus ziet men, wat men gelooft.

Praeterea, fides eſt quoddam ſpirituale lumen. Sed quolibet lumine aliquid videtur. Ergo fides eſt de rebus viſis. (IIa-IIae q. 1 a. 4 arg. 3)

3 — Het geloof is als een geestelijk licht. Welnu door elk licht, ziet men iets. Dus slaat het geloof op dingen, die men ziet.

Praeterea, quilibet ſenſus viſus nominatur, ut Auguſtinus dicit, in libro de Verb. Dom. Sed fides eſt de auditis, ſecundum illud ad Rom. X, fides ex auditu. Ergo fides eſt de rebus viſis. (IIa-IIae q. 1 a. 4 arg. 4)

4 — Men kan al de zinnen gezicht noemen, zoals Augustinus zegt in het boek Over de woorden, des Heeren. (33e Preek, 5e H.). Welnu, wat we geloven hebben we gehoord, naar het woord van de Brief aan de Romeinen (10, 1 7) : « Hel geloof komt door het gehoorde woord ». Dus slaat het geloof op de dingen, die men ziet.

Sed contra eſt quod apoſtolus dicit, ad Heb. XI, quod fides eſt argumentum non apparentium. (IIa-IIae q. 1 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreeërs (11, 1). « Het geloof is een bewijs van zaken die men niet ziet ».

Reſpondeo dicendum quod fides importat aſſenſum intellectus ad id quod creditur. Aſſentit autem alicui intellectus dupliciter. Uno modo, quia ad hoc movetur ab ipſo obiecto, quod eſt vel per ſeipſum cognitum, ſicut patet in principiis primis, quorum eſt intellectus; vel eſt per aliud cognitum, ſicut patet de concluſionibus, quarum eſt ſcientia. Alio modo intellectus aſſentit alicui non quia ſufficienter moveatur ab obiecto proprio, ſed per quandam electionem voluntarie declinans in unam partem magis quam in aliam. Et ſi quidem hoc fit cum dubitatione et formidine alterius partis, erit opinio, ſi autem fit cum certitudine abſque tali formidine, erit fides. Illa autem videri dicuntur quae per ſeipſa movent intellectum noſtrum vel ſenſum ad ſui cognitionem. Unde manifeſtum eſt quod nec fides nec opinio poteſt eſſe de viſis aut ſecundum ſenſum aut ſecundum intellectum. (IIa-IIae q. 1 a. 4 co.)

Het geloof veronderstelt, dat het verstand aanneemt wat men gelooft. Welnu, het verstand kan op twee manieren iets aannemen. Ten eerste, omdat het daartoe bewogen wordt door het voorwerp zelf, dat ofwel op zichzelf gekend is (zoals de eerste beginselen, die het voorwerp zijn van het inzicht), ofwel gekend is door iets anders (zoals de gevolgtrekkingen, die het voorwerp zijn van de wetenschap). Ten tweede, niet omdat het door zijn eigen voorwerp voldoende bewogen wordt, maar omdat het ten gevolge van een vrije keus, vrijwillig meer overhelt naar de ene kant dan naar de andere kant. Blijft er nu twijfel bestaan en vreest men dat het tegenovergestelde waar zou kunnen zijn, dan heeft men een mening. Blijft er geen twijfel over, maar is er zekerheid, dan heeft men het geloof. Daar men nu alleen van die dingen zegt, dat men ze ziet, welke ons verstand of onze zinnen door zichzelf tot de kennis er van bewegen, is het duidelijk, dat noch het geloof, noch de mening dingen tot voorwerp hebben, die men ziet, of door de zinnen, of door het verstand.

Ad primum ergo dicendum quod Thomas aliud vidit et aliud credidit. Hominem vidit et Deum credens confeſſus eſt, cum dixit, dominus meus et Deus meus. (IIa-IIae q. 1 a. 4 ad 1)

1 — Zoals Gregorius zegt in zijn 25e Homilie op het Evangelie, Was het niet hetzelfde, wat Thomas zag, en wat hij geloofde. Hij zag de mens, en door het geloof beleed hij God, zeggende: « Mijn Heer en mijn God ».

Ad ſecundum dicendum quod ea quae ſubſunt fidei dupliciter conſiderari poſſunt. Uno modo, in ſpeciali, et ſic non poſſunt eſſe ſimul viſa et credita, ſicut dictum eſt. Alio modo, in generali, ſcilicet ſub communi ratione credibilis. Et ſic ſunt viſa ab eo qui credit, non enim crederet niſi videret ea eſſe credenda, vel propter evidentiam ſignorum vel propter aliquid huiuſmodi. (IIa-IIae q. 1 a. 4 ad 2)

2 — De dingen, die tot het geloof behoren, kunnen op twee wijzen beschouwd worden: ten eerste, in het bijzonder, en zo kunnen ze niet tegelijk gezien en geloofd worden, zoals we (in de Leerstelling) gezegd hebben. Ten tweede, in het algemeen, nl. in het algemeen opzicht van hun geloofwaardigheid, en zo worden ze gezien door hem, die gelooft. Hij zou immers niet geloven, wanneer hij niet inzag, dat hij die dingen moet geloven, om de klaarblijkelijkheid van de tekenen, of om iets dergelijks.

Ad tertium dicendum quod lumen fidei facit videre ea quae creduntur. Sicut enim per alios habitus virtutum homo videt illud quod eſt ſibi conveniens ſecundum habitum illum, ita etiam per habitum fidei inclinatur mens hominis ad aſſentiendum his quae conveniunt rectae fidei et non aliis. (IIa-IIae q. 1 a. 4 ad 3)

3 — Door het licht van het geloof zien we in wat tot het geloof behoort, want evenals iemand door andere deugdzame hebbelijkheden inziet wat hem volgens die hebbelijkheid past, zo ook neigt het verstand van de mens door de deugd van geloof tot het aanvaarden van datgene, wat overeenstemt met het ware geloof, en niet van het overige.

Ad quartum dicendum quod auditus eſt verborum ſignificantium ea quae ſunt fidei, non autem eſt ipſarum rerum de quibus eſt fides. Et ſic non oportet ut huiuſmodi res ſint viſae. (IIa-IIae q. 1 a. 4 ad 4)

4 — Men hoort de woorden, die de geloofswaarheden uitdrukken, maar niet de dingen zelf, die het voorwerp zijn van het geloof. Bijgevolg hoeven die dingen geen dingen te zijn, die men ziet.

Articulus 5.
Kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men weet?

Ad quintum ſic proceditur. Videtur quod ea quae ſunt fidei poſſint eſſe ſcita. Ea enim quae non ſciuntur videntur eſſe ignorata, quia ignorantia ſcientiae opponitur. Sed ea quae ſunt fidei non ſunt ignorata, horum enim ignorantia ad infidelitatem pertinet, ſecundum illud I ad Tim. I, ignorans feci in incredulitate mea. Ergo ea quae ſunt fidei poſſunt eſſe ſcita. (IIa-IIae q. 1 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het voorwerp van het geloof iets kan zijn, wat men weet. Wat men immers niet weet, is onbekend, want onwetendheid is het tegenovergestelde van wetenschap. Welnu, wat tot het geloof behoort, is niet onbekend. Wie immers niet kent, wat tot het geloof behoort, is een ongelovige, zoals blijkt uit de Ie Brief aan Timoteüs (1, 13) : « Ik heb het onwetend gedaan in mijn ongelovigheid ». Dus kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men weet.

Praeterea, ſcientia per rationes acquiritur. Sed ad ea quae ſunt fidei a ſacris auctoribus rationes inducuntur. Ergo ea quae ſunt fidei poſſunt eſſe ſcita. (IIa-IIae q. 1 a. 5 arg. 2)

2 — Wetenschap verwerft men door redenen aan te voeren. Welnu, de gewijde schrijvers voeren redenen aan om iets te bewijzen, wat behoort tot het geloof. Bijgevolg kan het voorwerp van het geloof iets zijn, wat men weet.

Praeterea, ea quae demonſtrative probantur ſunt ſcita, quia demonſtratio eſt ſyllogiſmus faciens ſcire. Sed quaedam quae in fide continentur ſunt demonſtrative probata a philoſophis, ſicut Deum eſſe, et Deum eſſe unum, et alia huiuſmodi. Ergo ea quae ſunt fidei poſſunt eſſe ſcita. (IIa-IIae q. 1 a. 5 arg. 3)

3 — De dingen, welke met zekerheid bewezen worden, die weet men. Een bewijsvoering immers is een sluitrede, waardoor men van iets wetenschap heeft, zoals Aristoteles zegt in zijn tweede werk Over de Redenering (I B., 2e H., N. 4). Welnu, sommige dingen, die tot het geloof behoren, worden met zekerheid door de wijsgeren bewezen, zoals het bestaan van God, en Zijn eenheid, en dergelijke. Bijgevolg kan men iets geloven, wat men weet.

Praeterea, opinio plus diſtat a ſcientia quam fides, cum fides dicatur eſſe media inter opinionem et ſcientiam. Sed opinio et ſcientia poſſunt eſſe aliquo modo de eodem, ut dicitur in I Poſter. Ergo etiam fides et ſcientia. (IIa-IIae q. 1 a. 5 arg. 4)

4 — Er is een grotere afstand tussen de mening en de wetenschap dan tussen de wetenschap en het geloof, want het geloof houdt het midden tussen de mening en de wetenschap. Welnu, het is mogelijk, dat de mening en het geloof in een zeker opzicht hetzelfde voorwerp hebben, zoals Aristoteles zegt in zijn tweede werk Over de Redenering (33e H., N. 6). Bijgevolg is het ook mogelijk, dat de wetenschap en het geloof in een zeker opzicht een zelfde voorwerp hebben.

Sed contra eſt quod Gregorius dicit, quod apparentia non habent fidem, ſed agnitionem. Ea ergo de quibus eſt fides agnitionem non habent. Sed ea quae ſunt ſcita habent agnitionem. Ergo de his quae ſunt ſcita non poteſt eſſe fides. (IIa-IIae q. 1 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt in zijn 26e Homilie op het Evangelie: « Wat men ziet, dat gelooft men niet, maar dat kent men met klaarblijkelijkheid ». Bijgevolg kan men iets, wat tot het geloof behoort, niet met klaarblijkelijkheid kennen. Welnu, de dingen, die men weet, kent men met klaarblijkelijkheid. Bijgevolg kan iets, wat men weet, het voorwerp van het geloof niet zijn.

Reſpondeo dicendum quod omnis ſcientia habetur per aliqua principia per ſe nota, et per conſequens viſa. Et ideo oportet quaecumque ſunt ſcita aliquo modo eſſe viſa. Non autem eſt poſſibile quod idem ab eodem ſit creditum et viſum, ſicut ſupra dictum eſt. Unde etiam impoſſibile eſt quod ab eodem idem ſit ſcitum et creditum. Poteſt tamen contingere ut id quod eſt viſum vel ſcitum ab uno, ſit creditum ab alio. Ea enim quae de Trinitate credimus nos viſuros ſperamus, ſecundum illud I ad Cor. XIII, videmus nunc per ſpeculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem, quam quidem viſionem iam Angeli habent, unde quod nos credimus illi vident. Et ſimiliter poteſt contingere ut id quod eſt viſum vel ſcitum ab uno homine, etiam in ſtatu viae, ſit ab alio creditum, qui hoc demonſtrative non novit. Id tamen quod communiter omnibus hominibus proponitur ut credendum eſt communiter non ſcitum. Et iſta ſunt quae ſimpliciter fidei ſubſunt. Et ideo fides et ſcientia non ſunt de eodem. (IIa-IIae q. 1 a. 5 co.)

Elke wetenschap veronderstelt beginselen, die op zichzelf klaarblijkelijk zijn, en die men dus kent door onmiddellijk inzicht. Bijgevolg moet men alles, waarvan men een wetenschappelijke kennis heeft, op enige wijze inzien. Welnu, we hebben (in het vorig Artikel) bewezen, dat het onmogelijk is, dat eenzelfde mens eenzelfde ding zou geloven en zien. Het is dus even onmogelijk, dat eenzelfde mens eenzelfde ding zou weten én geloven. Het kan echter gebeuren, dat hetgeen de ene ziet of weet, door een ander geloofd wordt. We hopen immers, dat we eenmaal zullen zien wat we nu aangaande de Drie-eenheid geloven, naar het woord uit de Ie Corinthiërbrief (13-12) : « Thans zien we vage beelden in een spiegel, dan echter zal het van aangezicht tot aangezicht zijn ». De engelen overigens zien God op die manier, en wat wij geloven, dat zien zij. En zo kan het ook in dit leven gebeuren, dat iets, wat de een ziet of weet, geloofd wordt door een ander, die het niet kan bewijzen. Wat echter aan alle mensen te geloven voorgehouden wordt, is door niemand op wetenschappelijke wijze gekend, en die dingen behoren uitsluitend tot het geloof, zodat geloof en wetenschap niet hetzelfde voorwerp kunnen hebben.

Ad primum ergo dicendum quod infideles eorum quae ſunt fidei ignorantiam habent, quia nec vident aut ſciunt ea in ſeipſis, nec cognoſcunt ea eſſe credibilia. Sed per hunc modum fideles habent eorum notitiam, non quaſi demonſtrative, ſed inquantum per lumen fidei videntur eſſe credenda, ut dictum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 5 ad 1)

1 — Wat tot het geloof behoort, is aan de gelovige onbekend, omdat zij het noch inzien op zichzelf, noch weten, dat men het moet geloven. De gelovigen echter weten, dat men het moet geloven, niet omdat zij het kunnen bewijzen, maar omdat ze door het licht van het geloof inzien, dat men het moet geloven, zoals we (in het vorig Artikel) gezegd hebben (Antw. op de 3e Bed.).

Ad ſecundum dicendum quod rationes quae inducuntur a ſanctis ad probandum ea quae ſunt fidei non ſunt demonſtrativae, ſed perſuaſiones quaedam manifeſtantes non eſſe impoſſibile quod in fide proponitur. Vel procedunt ex principiis fidei, ſcilicet ex auctoritatibus ſacrae Scripturae, ſicut Dionyſius dicit, II cap. de Div. Nom. Ex his autem principiis ita probatur aliquid apud fideles ſicut etiam ex principiis naturaliter notis probatur aliquid apud omnes. Unde etiam theologia ſcientia eſt, ut in principio operis dictum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 5 ad 2)

2 — De beweegredenen, waardoor de gewijde schrijvers het voorwerp van het geloof trachten te bewijzen, zijn geen ware bewijsvoeringen, de bedoeling is alleen, om aan te tonen, dat wat ons voorgehouden wordt te geloven, niet onmogelijk is. Soms zijn het ook beweegredenen, die afgeleid worden uit de geloofsbeginselen, nl. uit de H. Schrift, zoals Dionysius zegt in het 2e Hoofdstuk van zijn Boek Over de Goddelijke Namen. Door die beginselen kan men bewijzen afleiden, die de gelovigen voldoen, zoals men ook door de natuurlijk gekende beginselen bewijzen kan afleiden, die gelden bij allen. Daarom is ook de godgeleerdheid een wetenschap, zoals we in het begin van dit werk gezegd hebben. (1e D., 1e Kw., 2e Art.)

Ad tertium dicendum quod ea quae demonſtrative probari poſſunt inter credenda numerantur, non quia de ipſis ſit ſimpliciter fides apud omnes, ſed quia praeexiguntur ad ea quae ſunt fidei, et oportet ea ſaltem per fidem praeſupponi ab his qui horum demonſtrationem non habent. (IIa-IIae q. 1 a. 5 ad 3)

3 — Wat men wetenschappelijk kan bewijzen wordt niet tot de geloofszaken gerekend, alsof allen die dingen uitsluitend door het geloof kenden, maar omdat ze voor alle geloofskennis verondersteld worden, en tenminste door het geloof moeten worden aangenomen door hen, die ze niet wetenschappelijk kunnen bewijzen.

Ad quartum dicendum quod, ſicut philoſophus ibidem dicit, a diverſis hominibus de eodem omnino poteſt haberi ſcientia et opinio, ſicut et nunc dictum eſt de ſcientia et fide. Sed ab uno et eodem poteſt quidem haberi fides et ſcientia de eodem ſecundum quid, ſcilicet ſubiecto, ſed non ſecundum idem, poteſt enim eſſe quod de una et eadem re aliquis aliquid ſciat et aliquid aliud opinetur; et ſimiliter de Deo poteſt aliquis demonſtrative ſcire quod ſit unus, et credere quod ſit trinus. Sed de eodem ſecundum idem non poteſt eſſe ſimul in uno homine ſcientia nec cum opinione nec cum fide, alia tamen et alia ratione. Scientia enim cum opinione ſimul eſſe non poteſt ſimpliciter de eodem, quia de ratione ſcientiae eſt quod id quod ſcitur exiſtimetur eſſe impoſſibile aliter ſe habere; de ratione autem opinionis eſt quod id quod quis exiſtimat, exiſtimet poſſibile aliter ſe habere. Sed id quod fide tenetur, propter fidei certitudinem, exiſtimatur etiam impoſſibile aliter ſe habere, ſed ea ratione non poteſt ſimul idem et ſecundum idem eſſe ſcitum et creditum, quia ſcitum eſt viſum et creditum eſt non viſum, ut dictum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 5 ad 4)

4 — De Wijsgeer zegt t. a. pl. ook, dat bij twee verschillende mensen met betrekking tot eenzelfde object, en wetenschappelijke kennis mogelijk is, en mening, zoals we hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben over wetenschap en geloof. Bij een en dezelfde mens echter is geloof en wetenschap alleen mogelijk met betrekking tot een object, dat in een zeker opzicht wel hetzelfde is, nl. met betrekking tot het opzicht, waarin men het beschouwt; één­ zelfde zaak kan men immers onder een bepaald opzicht op wetenschappelijke wijze kennen, onder een ander opzicht slechts door mening. Zo kan ook iemand aangaande God door bewijzen weten, dat Hij één is, en geloven, dat Hij drievuldig is. Maar met betrekking tot eenzelfde zaak, die in hetzelfde opzicht beschouwd wordt, is de wetenschap bij eenzelfde mens onverenigbaar én met het geloof, én met de mening, ofschoon om een verschillende reden. Want met betrekking tot een en hetzelfde object is de wetenschap onverenigbaar met de mening, omdat tot het begrip van de wetenschap de overtuiging behoort, dat het object van die kennis onmogelijk anders kan zijn; tot het begrip van de mening daarentegen behoort de overtuiging, dat het object van de mening ook anders kan zijn. Wat men echter aanvaardt door het geloof, wordt, juist om de zekerheid van het geloof, onmogelijk geacht anders te kunnen zijn. Maar men kan hetzelfde niet tegelijk geloven en weten, omdat wat men weet, klaarblijkelijk is, terwijl wat men gelooft niet klaarblijkelijk is, zoals we hierboven (in de Leerstelling) gezegd hebben.

Articulus 6.
Moet het voorwerp van het geloof naar bepaalde artikelen onderscheiden worden?

Ad ſextum ſic proceditur. Videtur quod credibilia non ſint per certos articulos diſtinguenda. Eorum enim omnium quae in ſacra Scriptura continentur eſt fides habenda. Sed illa non poſſunt reduci ad aliquem certum numerum, propter ſui multitudinem. Ergo ſuperfluum videtur articulos fidei diſtinguere. (IIa-IIae q. 1 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het voorwerp van het geloof niet moet onderscheiden worden naar bepaalde artikelen. Men moet immers alles geloven, wat de H. Schrift bevat. Welnu, gezien de grote hoeveelheid, kan alles wat de H. Schrift bevat onmogelijk tot een bepaald getal herleid worden. Het schijnt dus niet goed te zijn, verschillende artikelen des geloofs te onderscheiden.

Praeterea, materialis diſtinctio, cum in infinitum fieri poſſit, eſt ab arte praetermittenda. Sed formalis ratio obiecti credibilis eſt una et indiviſibilis, ut ſupra dictum eſt, ſcilicet veritas prima, et ſic ſecundum rationem formalem credibilia diſtingui non poſſunt. Ergo praetermittenda eſt credibilium materialis diſtinctio per articulos. (IIa-IIae q. 1 a. 6 arg. 2)

2 — De kunst moet niet letten op het materieel onderscheid, daar dit in het oneindige kan doorgedreven worden. Welnu, het formeel opzicht van geloofswaarheid, nl. de Eerste Waarheid, is één en ondeelbaar, zoals hierboven gezegd is (1e Art.), en daarom kunnen de geloofswaarheden niet onderscheiden worden volgens het formeel opzicht; Bijgevolg moet men van een materiële verdeling in artikelen afzien.

Praeterea, ſicut a quibuſdam dicitur, articulus eſt indiviſibilis veritas de Deo arctans nos ad credendum. Sed credere eſt voluntarium, quia, ſicut Auguſtinus dicit, nullus credit niſi volens. Ergo videtur quod inconvenienter diſtinguantur credibilia per articulos. (IIa-IIae q. 1 a. 6 arg. 3)

3 — Sommigen zeggen, dat een artikel een onverdeelbare waarheid is aangaande God, waardoor wij gedwongen worden te geloven (Willem van Auxerre in zijn Gulden Summa III B. III Tract. IIe H. 1e Kw.). Welnu, geloven is een vrije daad, want zoals Augustinus zegt in zijn 24e Verhandeling over Joannes, gelooft niemand, die niet wil geloven. Het is dus niet goed, de geloofswaarheden in te delen in artikelen.

Sed contra eſt quod Iſidorus dicit, articulus eſt perceptio divinae veritatis tendens in ipſam. Sed perceptio divinae veritatis competit nobis ſecundum diſtinctionem quandam, quae enim in Deo unum ſunt in noſtro intellectu multiplicantur. Ergo credibilia debent per articulos diſtingui. (IIa-IIae q. 1 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Isidorus zegt: « Een artikel is een Waarneming van de goddelijke Waarheid, die naar die Waarheid richt ». Welnu, het waarnemen van de Goddelijke Waarheid gebeurt bij ons door middel van een of ander onderscheid: wat immers in God één is, is menigvuldig in onze geest. Dus moeten de geloofswaarheden in verschillende artikelen onderscheiden worden.

Reſpondeo dicendum quod nomen articuli ex Graeco videtur eſſe derivatum. Arthron enim in Graeco, quod in Latino articulus dicitur, ſignificat quandam coaptationem aliquarum partium diſtinctarum. Et ideo particulae corporis ſibi invicem coaptatae dicuntur membrorum articuli. Et ſimiliter in grammatica apud Graecos dicuntur articuli quaedam partes orationis coaptatae aliis dictionibus ad exprimendum earum genus, numerum vel caſum. Et ſimiliter in rhetorica articuli dicuntur quaedam partium coaptationes, dicit enim Tullius, in IV Rhet., quod articulus dicitur cum ſingula verba intervallis diſtinguuntur caeſa oratione, hoc modo, acrimonia, voce, vultu adverſarios perterruiſti. Unde et credibilia fidei Chriſtianae dicuntur per articulos diſtingui inquantum in quaſdam partes dividuntur habentes aliquam coaptationem ad invicem. Eſt autem obiectum fidei aliquid non viſum circa divina, ut ſupra dictum eſt. Et ideo ubi occurrit aliquid ſpeciali ratione non viſum, ibi eſt ſpecialis articulus, ubi autem multa ſecundum eandem rationem ſunt incognita, ibi non ſunt articuli diſtinguendi. Sicut aliam difficultatem habet ad videndum quod Deus ſit paſſus, et aliam quod mortuus reſurrexerit, et ideo diſtinguitur articulus reſurrectionis ab articulo paſſionis. Sed quod ſit paſſus, mortuus et ſepultus, unam et eandem difficultatem habent, ita quod, uno ſuſcepto, non eſt difficile alia ſuſcipere, et propter hoc omnia haec pertinent ad unum articulum. (IIa-IIae q. 1 a. 6 co.)

Het woord artikel is afgeleid uit het Grieks. Het Grieks woord Arthron, in het Latijn articulus (letterlijk: lid), betekent het aaneensluiten van onderscheiden delen. Zo noemt men lichaamsdelen, die aan elkander aansluiten articuli (leden, ledematen). Ook in de grammatica noemt men bij de Grieken artikel of lidwoord sommige rededelen, die aan andere toegevoegd worden om het geslacht, het getal en de naamval aan te duiden. Ook de retorica past het woord artikel toe op sommige aaneensluitende delen. Cicero zegt immers in het 4e Boek der Retorica, dat men door artikel (articulatie) aanduidt het scheiden der woorden door een pauze, zoals b. v. in deze volzin: « Door toon, stem en blik hebt ge uw vijanden vrees ingeboezemd ». Daarom worden ook de waarheden van het christelijk geloof in artikelen verdeeld, in zover ze verdeeld worden in verschillende delen, die bij elkander aansluiten. Daar nu het voorwerp van het geloof, zoals we hier boven gezegd hebben (4e Art.), iets niet-klaarblijkelijk is aangaande God, daarom wordt een bijzonder artikel onderscheiden, wanneer iets op een bijzondere wijze niet klaarblijkelijk is; wanneer echter verschillende dingen om eenzelfde reden niet gekend zijn, onderscheidt men geen verschillende artikelen. Er bestaat b. v. een bijzondere moeilijkheid om in te zien, dat God heeft geleden, een andere om in te zien, dat Hij na Zijn dood verrezen is, en daarom onderscheidt men het artikel der verrijzenis van dat van het lijden. Maar dat Hij geleden heeft, gestorven is en begraven, voor dat alles is er maar één en dezelfde moeilijkheid, en wie het ene aanneemt kan geen moeilijkheid ondervinden om ook het andere aan te nemen, en daarom valt dit alles onder eenzelfde artikel.

Ad primum ergo dicendum quod aliqua ſunt credibilia de quibus eſt fides ſecundum ſe; aliqua vero ſunt credibilia de quibus non eſt fides ſecundum ſe, ſed ſolum in ordine ad alia, ſicut etiam in aliis ſcientiis quaedam proponuntur ut per ſe intenta, et quaedam ad manifeſtationem aliorum. Quia vero fides principaliter eſt de his quae videnda ſperamus in patria, ſecundum illud Heb. XI, fides eſt ſubſtantia ſperandarum rerum; ideo per ſe ad fidem pertinent illa quae directe nos ordinant ad vitam aeternam, ſicut ſunt tres perſonae, omnipotentia Dei, myſterium incarnationis Chriſti, et alia huiuſmodi. Et ſecundum iſta diſtinguuntur articuli fidei. Quaedam vero proponuntur in ſacra Scriptura ut credenda non quaſi principaliter intenta, ſed ad praedictorum manifeſtationem, ſicut quod Abraham habuit duos filios, quod ad tactum oſſium Eliſaei ſuſcitatus eſt mortuus, et alia huiuſmodi, quae narrantur in ſacra Scriptura in ordine ad manifeſtationem divinae maieſtatis vel incarnationis Chriſti. Et ſecundum talia non oportet articulos diſtinguere. (IIa-IIae q. 1 a. 6 ad 1)

1 — Onder wat we moeten geloven zijn er sommige dingen, die op zichzelf tot het geloof behoren; andere behoren niet op zichzelf tot het Geloof, maar in zover ze betrekking hebben op andere dingen. Dit gebeurt ook in andere wetenschappen, waar men sommige dingen behandelt om zichzelf, andere om de eerste in het licht te stellen. Daar nu het geloof vooral betrekking heeft op wat we in de hemel hopen te zien, zoals we lezen in de Brief aan de Hebreeërs (11, 1): « Het geloof is een voorstelling van de Werkelijkheid van dingen die men hoopt », daarom behoren die dingen op zich zelf tot het geloof, die ons rechtstreeks op het eeuwige leven richten, nl. de Drievuldigheid, de almacht van God, het mysterie van Christus’ Menswording en dergelijke. En naar die dingen worden de artikelen des geloofs onderscheiden. Andere dingen worden ons door de H. Schrift voorgehouden te geloven, niet omdat men ze op zichzelf bedoelt, maar om er de eerste waarheden door te verduidelijken, zoals dat Abraham twee zonen had, dat door aanraking van Eliseus’ gebeente een dode verrees, en der gelijke feiten, die in de H. Schrift verhaald worden om Gods majesteit en Christus’ Menswording in het licht te stellen. En naar die dingen moet men de artikelen des geloofs niet onderscheiden.

Ad ſecundum dicendum quod ratio formalis obiecti fidei poteſt accipi dupliciter. Uno modo, ex parte ipſius rei creditae. Et ſic ratio formalis omnium credibilium eſt una, ſcilicet veritas prima. Et ex hac parte articuli non diſtinguuntur. Alio modo poteſt accipi formalis ratio credibilium ex parte noſtra. Et ſic ratio formalis credibilis eſt ut ſit non viſum. Et ex hac parte articuli fidei diſtinguuntur, ut viſum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 6 ad 2)

2 — Men kan het formeel opzicht van het voorwerp van het geloof op twee wijzen beschouwen : ten eerste, van de kant van het geloofde ding, en dan is het formeel opzicht van alle geloofswaarheden één en hetzelfde, nl. de Eerste Waarheid, en van dat standpunt uit moet men geen artikelen onderscheiden. Men kan ten tweede het formeel opzicht van de geloofswaarheden beschouwen van onze kant, en dan is het formeel opzicht, het niet-klaarblijkelijk zijn, en van dat standpunt uit worden de artikelen des geloofs onderscheiden, zoals we (in de Leerstelling) gezegd hebben.

Ad tertium dicendum quod illa definitio datur de articulo magis ſecundum quandam etymologiam nominis prout habet derivationem Latinam, quam ſecundum eius veram ſignificationem prout a Graeco derivatur. Unde non eſt magni ponderis. Poteſt tamen dici quod, licet ad credendum neceſſitate coactionis nullus arctetur, cum credere ſit voluntarium; arctatur tamen neceſſitate finis, quia accedentem ad Deum oportet credere, et ſine fide impoſſibile eſt placere Deo, ut apoſtolus dicit, Heb. XI. (IIa-IIae q. 1 a. 6 ad 3)

3 — In die bepaling van het artikel let men meer op de etymologie van het woord, zoals het afgeleid wordt uit het Latijn, dan op zijn ware betekenis, zoals het afgeleid wordt uit het Grieks, en daarom is ze niet van groot belang. Men zou niettemin kunnen zeggen, dat, hoewel niemand met dwangmiddelen gedwongen wordt te geloven, daar het geloof en vrije daad is, men toch gedwongen wordt door het doel, wat men wil bereiken, want Hij die tot God komt moet geloven, en zonder geloof kan men aan God niet behagen, zoals de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeërs (11,6).

Articulus 7.
Is het aantal der geloofsartikelen aangegroeid in de loop van de tijd?

Ad ſeptimum ſic proceditur. Videtur quod articuli fidei non creverint ſecundum temporum ſucceſſionem. Quia, ut apoſtolus dicit, ad Heb. XI, fides eſt ſubſtantia ſperandarum rerum. Sed omni tempore ſunt eadem ſperanda. Ergo omni tempore ſunt eadem credenda. (IIa-IIae q. 1 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aantal der geloofsartikelen in de loop van de tijd niet aangegroeid is. De Apostel zegt immers in zijn Brief aan de Hebreeërs (11, 1) : « Het geloof is de voorstelling van de Werkelijkheid van dingen, die men hoopt ». Welnu, te allen tijde moet men hetzelfde hopen. Dus moet men te allen tijde ook hetzelfde geloven.

Praeterea, in ſcientiis humanitus ordinatis per ſucceſſionem temporum augmentum factum eſt propter defectum cognitionis in primis qui ſcientias invenerunt, ut patet per philoſophum, in II Metaphys. Sed doctrina fidei non eſt inventa humanitus, ſed tradita a Deo. Dei enim donum eſt, ut dicitur Ephes. II. Cum igitur in Deum nullus defectus ſcientiae cadat, videtur quod a principio cognitio credibilium fuerit perfecta, et quod non creverit ſecundum ſucceſſionem temporum. (IIa-IIae q. 1 a. 7 arg. 2)

2 — De wetenschappen, die door het menselijk vernuft worden opgebouwd, groeien aan met de tijd, omdat de kennis van hen, die ze het eerst opbouwden, ontoereikend was, zoals uit de Wijsgeer blijkt (2e Boek der Metaphysica). Welnu, de geloofsleer werd niet uitgedacht door het menselijk verstand, maar medegedeeld door God. « Het is een gave Gods », zegt de Apostel in zijn Brief aan de Ephesiërs (2, 8). Daar er nu bij God geen enkel tekort aan kennis mogelijk is, schijnt de kennis van de geloofswaarheden van af de aanvang volledig te zijn geweest en met de tijd niet te zijn aangegroeid.

Praeterea, operatio gratiae non minus ordinate procedit quam operatio naturae. Sed natura ſemper initium ſumit a perfectis ut Boetius dicit, in libro de Conſol. Ergo etiam videtur quod operatio gratiae a perfectis initium ſumpſerit, ita quod illi qui primo tradiderunt fidem perfectiſſime eam cognoverunt. (IIa-IIae q. 1 a. 7 arg. 3)

3 — De genade gaat niet op minder geregelde wijze te werk dan de natuur. Welnu, zoals Boëtius zegt in zijn Boek Over de vertroosting van de Wijsbegeerte (IIIe B. X), begint de natuur altijd met het volmaakte. De genade zal dus ook met het volmaakte begonnen zijn, en zij, die het eerst het geloof overleverden, kenden het op de meest volmaakte wijze.

Praeterea, ſicut per apoſtolos ad nos fides Chriſti pervenit, ita etiam in veteri teſtamento per priores patres ad poſteriores devenit cognitio fidei, ſecundum illud Deut. XXXII, interroga patrem tuum et annuntiabit tibi. Sed apoſtoli pleniſſime fuerunt inſtructi de myſteriis, acceperunt enim, ſicut tempore prius, ita et ceteris abundantius, ut dicit Gloſſa, ſuper illud Rom. VIII, nos ipſi primitias ſpiritus habentes. Ergo videtur quod cognitio credibilium non creverit per temporum ſucceſſionem. (IIa-IIae q. 1 a. 7 arg. 4)

4 — Evenals het geloof in Christus aan ons overgeleverd is door de Apostelen, zo is ook in het Oude Verbond de geloofskennis aan de latere Vaders medegedeeld door de eerste, naar het woord van het Boek Deuteronomium (32, 7) : « Ondervraag ulo vader, en hij zal het u melden ». Welnu, de Apostelen waren op volmaakte wijze onderwezen in de geheimen, want gelijk ze waarheid ontvingen voor de anderen, zo ontvingen ze haar ook op overvloediger wijze », zoals de Glossa zegt op dit woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 23) : Wij zelf bezitten de eerstelingen van de Geest. Bijgevolg is het aantal der geloofsartikelen niet aangegroeid met de tijd.

Sed contra eſt quod Gregorius dicit, quod ſecundum incrementa temporum crevit ſcientia ſanctorum patrum, et quanto viciniores adventui ſalvatoris fuerunt, tanto ſacramenta ſalutis plenius perceperunt. (IIa-IIae q. 1 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Gregorius zegt in zijn XVI Homilie op Ezechiël, dat nl. de wetenschap der Oudvaders met de tijd vermeerderde, en dat ze, naar gelang ze de komst van de Zaligmaker meer nabij waren, ook dieper zijn doorgedrongen in de geheimen onzer zaligheid.

Reſpondeo dicendum quod ita ſe habent in doctrina fidei articuli fidei ſicut principia per ſe nota in doctrina quae per rationem naturalem habetur. In quibus principiis ordo quidam invenitur, ut quaedam in aliis implicite contineantur, ſicut omnia principia reducuntur ad hoc ſicut ad primum, impoſſibile eſt ſimul affirmare et negare, ut patet per philoſophum, in IV Metaphys. Et ſimiliter omnes articuli implicite continentur in aliquibus primis credibilibus, ſcilicet ut credatur Deus eſſe et providentiam habere circa hominum ſalutem, ſecundum illud ad Heb. XI, accedentem ad Deum oportet credere quia eſt, et quod inquirentibus ſe remunerator ſit. In eſſe enim divino includuntur omnia quae credimus in Deo aeternaliter exiſtere, in quibus noſtra beatitudo conſiſtit, in fide autem providentiae includuntur omnia quae temporaliter a Deo diſpenſantur ad hominum ſalutem, quae ſunt via in beatitudinem. Et per hunc etiam modum aliorum ſubſequentium articulorum quidam in aliis continentur, ſicut in fide redemptionis humanae implicite continetur et incarnatio Chriſti et eius paſſio et omnia huiuſmodi. Sic igitur dicendum eſt quod, quantum ad ſubſtantiam articulorum fidei, non eſt factum eorum augmentum per temporum ſucceſſionem, quia quaecumque poſteriores crediderunt continebantur in fide praecedentium patrum, licet implicite. Sed quantum ad explicationem, crevit numerus articulorum, quia quaedam explicite cognita ſunt a poſterioribus quae a prioribus non cognoſcebantur explicite. Unde dominus Moyſi dicit, Exod. VI, ego ſum Deus Abraham, Deus Iſaac, Deus Iacob, et nomen meum Adonai non indicavi eis. Et David dicit, ſuper ſenes intellexi. Et apoſtolus dicit, ad Ephes. III, aliis generationibus non eſt agnitum myſterium Chriſti ſicut nunc revelatum eſt ſanctis apoſtolis eius et prophetis. (IIa-IIae q. 1 a. 7 co.)

De artikelen des geloofs verhouden zich tot de geloofsleer, zoals de uit zichzelf klaarblijkelijke beginselen zich verhouden tot de natuurlijk gekende leer. Welnu, in die beginselen vinden we een zekere orde: sommige toch bevatten impliciet de andere. Zo kunnen al de beginselen herleid worden tot dit eerste beginsel: het is onmogelijk, iets tegelijk te bevestigen en te ontkennen, zoals blijkt uit de leer van de Wijsgeer in het IVe Boek der Metaphysica. Zo zijn ook alle artikelen vervat in enige eerste geloofspunten, nl. in het geloof aan Gods bestaan en aan Zijn voorzienigheid omtrent het heil van het mensdom, naar die woorden uit de Brief aan de Hebreeërs (11,6) : « Wie tot God komt moei geloven, dat Hij bestaat en diegenen beloont, die Hem zoeken ». Immers in Gods wezen is alles vervat wat volgens ons geloof van alle eeuwigheid af in God bestaat en wat onze zaligheid uitmaakt. Het geloof aan de Voorzienigheid bevat alles, wat God in de tijd verwezenlijkt tot heil van het mensdom en waardoor Hij de weg baant naar de zaligheid. En op dezelfde wijze bevatten de volgende artikelen er weer andere, zoals het geloof in ’s mensen verlossing impliciet het mysterie van Christus’ Menswording bevat, en zijn lijden, en alles van die aard. We moeten dus aannemen, dat de artikelen des geloofs in de loop der tijden niet zijn aangegroeid met betrekking tot hun wezenlijke inhoud, want alles wat men later geloofde, was, ofschoon impliciet, vervat in het geloof der vroegere Vaderen. Maar met betrekking tot de uitdrukkelijke verklaring is het aantal der artikelen aangegroeid. Sommige toch die vroeger niet uitdrukkelijk gekend waren, werden het later. Zo sprak God in het Boek van de Uittocht (6, 2) : « Ik ben de God van Abraham, de God van Isaac, de God van Jacob, mijn naam Adonai maakte ik hen niet bekend ». En David zei (Ps. 118, 100) : « Ik begreep meer dan de ouderen», en de Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (3, 5) : « Andere geslachten kenden het mysterie van Christus niet, zoals het nu geopenbaard werd aan Zijn heilige apostelen en profeten».

Ad primum ergo dicendum quod ſemper fuerunt eadem ſperanda apud omnes. Quia tamen ad haec ſperanda homines non pervenerunt niſi per Chriſtum, quanto a Chriſto fuerunt remotiores ſecundum tempus, tanto a conſecutione ſperandorum longinquiores, unde apoſtolus dicit, ad Heb. XI, iuxta fidem defuncti ſunt omnes iſti, non acceptis repromiſſionibus, ſed a longe eas reſpicientes. Quanto autem aliquid a longinquioribus videtur, tanto minus diſtincte videtur. Et ideo bona ſperanda diſtinctius cognoverunt qui fuerunt adventui Chriſti vicini. (IIa-IIae q. 1 a. 7 ad 1)

1 — Te allen tijde hebben allen hetzelfde moeten verhopen, maar tot het verhoopte kwamen de mensen alleen door Christus, zodat zij, die naar de tijd verder van Christus af stonden, ook verder afstonden van het bezit van wat ze hoopten. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreeërs (11, 13) : « In geloof zijn zij gestorven, zonder dat zij de beloofde goederen bekomen hadden, doch alleen ze van verre gezien ». Welnu, hoe groter de afstand is, des te onduidelijker men iets kan zien. Daarom kenden zij, die Christus’ komst meer nabij waren, de verhoopte goederen op duidelijker wijze.

Ad ſecundum dicendum quod profectus cognitionis dupliciter contingit. Uno modo, ex parte docentis, qui in cognitione proficit, ſive unus ſive plures, per temporum ſucceſſionem. Et iſta eſt ratio augmenti in ſcientiis per rationem humanam inventis. Alio modo, ex parte addiſcentis, ſicut magiſter qui novit totam artem non ſtatim a principio tradit eam diſcipulo, quia capere non poſſet, ſed paulatim, condeſcendens eius capacitati. Et hac ratione profecerunt homines in cognitione fidei per temporum ſucceſſionem. Unde apoſtolus, ad Gal. III, comparat ſtatum veteris teſtamenti pueritiae. (IIa-IIae q. 1 a. 7 ad 2)

2 — Kennis kan op twee manieren aangroeien: ten eerste, bij degene, die onderwijst en die in de loop van de tijd in kennis vooruitgaat, of er nu slechts een enkele onderwijst, of verschillende elkander opvolgen. En op die manier groeien de wetenschappen aan, die door ’s mensen verstand worden opgebouwd. Ten tweede, bij degene, die onderwezen wordt. Hoewel de meester geheel de kunst kent, toch onderwijst hij ze aan zijn leerlingen niet in haar geheel van het begin af aan, want ze zijn er niet vatbaar voor. Hij gaat geleidelijk te werk en houdt rekening met hun bekwaamheid. Op die manier groeide bij de mensen de kennis van het geloof met de tijd aan, en daarom vergelijkt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 24) de toestand tijdens het Oude Verbond met de kinderjaren.

Ad tertium dicendum quod ad generationem naturalem duae cauſae praeexiguntur, ſcilicet agens et materia. Secundum igitur ordinem cauſae agentis, naturaliter prius eſt quod eſt perfectius, et ſic natura a perfectis ſumit exordium, quia imperfecta non ducuntur ad perfectionem niſi per aliqua perfecta praeexiſtentia. Secundum vero ordinem cauſae materialis, prius eſt quod eſt imperfectius, et ſecundum hoc natura procedit ab imperfecto ad perfectum. In manifeſtatione autem fidei Deus eſt ſicut agens, qui habet perfectam ſcientiam ab aeterno, homo autem eſt ſicut materia recipiens influxum Dei agentis. Et ideo oportuit quod ab imperfectis ad perfectum procederet cognitio fidei in hominibus. Et licet in hominibus quidam ſe habuerint per modum cauſae agentis, quia fuerunt fidei doctores; tamen manifeſtatio ſpiritus datur talibus ad utilitatem communem, ut dicitur I ad Cor. XII. Et ideo tantum dabatur patribus qui erant inſtructores fidei de cognitione fidei, quantum oportebat pro tempore illo populo tradi vel nude vel in figura. (IIa-IIae q. 1 a. 7 ad 3)

3 — Voor de natuurlijke voortteling worden twee oorzaken vereist, nl. een werkende oorzaak, en een stoffelijke oorzaak. Welnu, in de orde der werkende oorzaak gaat het volmaakte van nature vooraf. En in zover begint de natuur met het meest volmaakte, want het onvolmaakte kan slechts vervolmaakt worden door reeds bestaande volmaakte wezens. In de orde echter van de stoffelijke oorzaak is het onvolmaakte het eerste. En in zover gaat de natuur van het onvolmaakte naar het volmaakte. Welnu, in de openbaring van het geloof is God als de werkende oorzaak, die van alle eeuwigheid af een volmaakte kennis bezit; de mens is als de stoffelijke oorzaak, die de invloed ondergaat van de werkende oorzaak, die God is. Bijgevolg moest bij de mensen de kennis van het geloof van het onvolmaakte naar het volmaakte opklimmen. En ofschoon sommige mensen als werkende oorzaken waren, omdat ze nl. als leraars waren aangesteld, toch werd hen de uiting van de geest gegeven tot algemeen nut, zoals we lezen in de Ie Corinthiërbrief (12, 7). De Oudvaders nu, die de anderen in het geloof moesten onderwijzen, ontvingen slechts de kennis naar de maat waarin dit volgens ieder tijdstip nodig was om het volk te onderrichten, of openlijk, of op figuurlijke wijze.

Ad quartum dicendum quod ultima conſummatio gratiae facta eſt per Chriſtum, unde et tempus eius dicitur tempus plenitudinis, ad Gal. IV. Et ideo illi qui fuerunt propinquiores Chriſto vel ante, ſicut Ioannes Baptiſta, vel poſt, ſicut apoſtoli, plenius myſteria fidei cognoverunt. Quia et circa ſtatum hominis hoc videmus, quod perfectio eſt in iuventute, et tanto habet homo perfectiorem ſtatum vel ante vel poſt, quanto eſt iuventuti propinquior. (IIa-IIae q. 1 a. 7 ad 4)

4 — Christus heeft de laatste mededeling der genade bewerkt. Zijn tijd wordt dan ook de tijd der volheid genoemd (Brief aan de Galaten (4, 4)). Daarom ook kenden degene, die dichter bij Christus stonden, hetzij ze Hem voorafgingen, zoals Joannes Batista, hetzij ze na Hem kwamen, zoals de Apostelen, de geloofsgeheimen op meer volmaakte wijze. Zo is ook de meest volmaakte levenstijd van de mens de jongelingstijd, en hoe dichter men bij de jongelingstijd is, hetzij er voor, hetzij er na, des te volkomener de levenstijd is.

Articulus 8.
Worden de artikelen des geloofs op geschikte wijze opgesomd?

Ad octavum ſic proceditur. Videtur quod inconvenienter articuli fidei enumerentur. Ea enim quae poſſunt ratione demonſtrativa ſciri non pertinent ad fidem ut apud omnes ſint credibilia, ſicut ſupra dictum eſt. Sed Deum eſſe unum poteſt eſſe ſcitum per demonſtrationem, unde et philoſophus hoc in XII Metaphys. probat, et multi alii philoſophi ad hoc demonſtrationes induxerunt. Ergo Deum eſſe unum non debet poni unus articulus fidei. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de artikelen des geloofs niet op geschikte wijze worden opgesomd. Wat men immers door bewijsvoering kan kennen, behoort niet tot het geloof als iets, wat allen moeten geloven, zoals hierboven gezegd is (5e Art.). Welnu, dat er één God is, kunnen we door bewijsvoering kennen, en de Wijsgeer bewijst het in het 12e Boek der Metafysica, en vele andere Wijsgeren hebben hiervoor bewijzen aangevoerd. Bijgevolg moet men de één-heid van God niet opsommen onder de artikelen des geloofs.

Praeterea, ſicut de neceſſitate fidei eſt quod credamus Deum omnipotentem, ita etiam quod credamus eum omnia ſcientem et omnibus providentem; et circa utrumque eorum aliqui erraverunt. Debuit ergo inter articulos fidei fieri mentio de ſapientia et providentia divina, ſicut et de omnipotentia. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 2)

2 — Zoals het tot het geloof noodzakelijk vereist wordt te geloven dat God almachtig is, zo is het tot het geloof ook noodzakelijk vereist, te geloven, dat Hij alwetend is en dat zijn Voorzienigheid zich over alles uitstrekt. Ook hebben sommigen omtrent die twee punten gedwaald. Men zou dus onder de artikelen des geloofs ook de wijsheid en de voorzienigheid van God moeten vermelden, even goed als zijn almacht.

Praeterea, eadem eſt notitia patris et filii, ſecundum illud Ioan. XIV, qui videt me videt et patrem. Ergo unus tantum articulus debet eſſe de patre et filio; et, eadem ratione, de ſpiritu ſancto. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 3)

3 — Door één en dezelfde kennis kennen we de Vader en de Zoon, naar het woord van Joannes (14, 9) : « Wie Mij ziet, ziet de Vader ». Een enkel artikel volstond dus voor de Vader en de Zoon, en om dezelfde reden ook voor de H. Geest.

Praeterea, perſona patris non eſt minor quam filii et ſpiritus ſancti. Sed plures articuli ponuntur circa perſonam ſpiritus ſancti, et ſimiliter circa perſonam filii. Ergo plures articuli debent poni circa perſonam patris. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 4)

4 — De persoon van de Vader is niet minder dan die van de Zoon of die van de H. Geest. Welnu, er zijn verschillende artikelen voor de persoon van de H. Geest, zoals ook voor de persoon van de Zoon. Bijgevolg moeten er ook voor de persoon van de Vader verschillende artikelen zijn.

Praeterea, ſicuti perſonae patris et perſonae ſpiritus ſancti aliquid appropriatur, ita et perſonae filii ſecundum divinitatem. Sed in articulis ponitur aliquod opus appropriatum patri, ſcilicet opus creationis; et ſimiliter aliquod opus appropriatum ſpiritui ſancto, ſcilicet quod locutus eſt per prophetas. Ergo etiam inter articulos fidei debet aliquod opus appropriari filio ſecundum divinitatem. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 5)

5 — Zoals men sommige dingen toeschrijft aan de persoon van de Vader, of van de H. Geest, zo schrijft men ook sommige dingen toe aan de persoon van de Zoon, beschouwd in Zijn Godheid. Welnu, in de artikelen des geloofs wordt er een werk toegeschreven aan de Vader, nl. het werk der schepping; een ander wordt toegeschreven aan de H. Geest, nl. dat Hij door de profeten gesproken heeft. Er zou dus ook in de artikelen een werk moeten toegeschreven worden aan de Zoon, beschouwd naar Zijn Godheid.

Praeterea, ſacramentum Euchariſtiae ſpecialem habet difficultatem prae multis articulis. Ergo de ea debuit poni ſpecialis articulus. Non videtur ergo quod articuli ſufficienter enumerentur. (IIa-IIae q. 1 a. 8 arg. 6)

6 — Het sacrament des Altaars levert een grotere moeilijkheid op dan veel andere artikelen, en daarom zou men het in een speciaal artikel moeten vermelden. De artikelen worden dus niet op geschikte wijze opgesomd.

Sed in contrarium eſt auctoritas Eccleſiae ſic enumerantis. (IIa-IIae q. 1 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag der H. Kerk, die de artikelen op die wijze opsomt.

Reſpondeo dicendum quod, ſicut dictum eſt, illa per ſe pertinent ad fidem quorum viſione in vita aeterna perfruemur, et per quae ducemur in vitam aeternam. Duo autem nobis ibi videnda proponuntur, ſcilicet occultum divinitatis, cuius viſio nos beatos facit; et myſterium humanitatis Chriſti, per quem in gloriam filiorum Dei acceſſum habemus, ut dicitur ad Rom. V. Unde dicitur Ioan. XVII, haec eſt vita aeterna, ut cognoſcant te, Deum verum, et quem miſiſti Ieſum Chriſtum. Et ideo prima diſtinctio credibilium eſt quod quaedam pertinent ad maieſtatem divinitatis; quaedam vero pertinent ad myſterium humanitatis Chriſti, quod eſt pietatis ſacramentum, ut dicitur I ad Tim. III. Circa maieſtatem autem divinitatis tria nobis credenda proponuntur. Primo quidem, unitas divinitatis, et ad hoc pertinet primus articulus. Secundo, Trinitas perſonarum, et de hoc ſunt tres articuli ſecundum tres perſonas. Tertio vero proponuntur nobis opera divinitatis propria. Quorum primum pertinet ad eſſe naturae, et ſic proponitur nobis articulus creationis. Secundum vero pertinet ad eſſe gratiae, et ſic proponuntur nobis ſub uno articulo omnia pertinentia ad ſanctificationem humanam. Tertium vero pertinet ad eſſe gloriae, et ſic ponitur alius articulus de reſurrectione carnis et de vita aeterna. Et ita ſunt ſeptem articuli ad divinitatem pertinentes. Similiter etiam circa humanitatem Chriſti ponuntur ſeptem articuli. Quorum primus eſt de incarnatione ſive de conceptione Chriſti; ſecundus de nativitate eius ex virgine; tertius de paſſione eius et morte et ſepultura; quartus eſt de deſcenſu ad Inferos; quintus eſt de reſurrectione; ſextus de aſcenſione; ſeptimus de adventu ad iudicium. Et ſic in univerſo ſunt quatuordecim. Quidam tamen diſtinguunt duodecim articulos fidei, ſex pertinentes ad divinitatem et ſex pertinentes ad humanitatem. Tres enim articulos trium perſonarum comprehendunt ſub uno, quia eadem eſt cognitio trium perſonarum. Articulum vero de opere glorificationis diſtinguunt in duos, ſcilicet in reſurrectionem carnis et gloriam animae. Similiter articulum conceptionis et nativitatis coniungunt in unum. (IIa-IIae q. 1 a. 8 co.)

We zeiden reeds vroeger (4e en 6e Art.), dat die dingen op zich zelf tot het geloof behoren, waarvan wij in het eeuwig leven de aanschouwing zullen genieten en waardoor we op het eeuwige leven gericht worden. Welnu, het geloof leert, dat wij daar twee dingen zullen aanschouwen, te weten: het mysterie der Godheid, waarvan de aanschouwing ons zalig moet maken, en het mysterie van Christus’ mensheid, waardoor we kunnen ingaan tot de glorie der kinderen Gods, zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (5, 2). Daarom zegt Joannes: « Dit is het eeuwig leven, dat men U, de ware God, zou jennen, en degene, die Gij gezonden hebt, Jezus Christus » (17, 3). De geloofswaarheden worden dus op de eerste plaats onderscheiden, naar gelang ze betrekking hebben of op de Goddelijke Majesteit, of op het mysterie van Christus’ mensheid, dat een geheimenis der godsvrucht is, volgens de In Brief aan Timoteüs (3, 16). Aangaande Gods majesteit worden ons drie dingen voorgehouden te geloven. Ten eerste, de eenheid der Godheid, en daarover spreekt het eerste artikel; ten tweede de drievuldigheid der Personen, en hieromtrent hebben we drie artikelen, één voor elk Persoon; ten derde, de werken, die eigen zijn aan God. Het eerste van die werken heeft betrekking op de wezens in de natuurlijke orde, en daarover spreekt het artikel over de schepping; het tweede heeft betrekking op de orde der genade, en zo wordt in één artikel voorgesteld alles wat betrekking heeft op de heiliging van het mensdom; het derde heeft betrekking op de glorie, en daarom handelt een enkel artikel over de verrijzenis van het lichaam en het eeuwige leven. Zo zijn er zeven artikelen over de Godheid. Zeven andere handelen over de mensheid van Christus. Het eerste, over de Menswording of de ontvangenis van Christus; het tweede, over Zijn geboorte uit de H. Maagd; het derde, over Zijn lijden, dood en begrafenis; het vierde, over Zijn nederdaling ter helle; het vijfde, over Zijn verrijzenis; het zesde, over Zijn hemelvaart; het zevende over Zijn wederkomst om te oordelen. Zo zijn er alles bij elkaar veertien artikelen. Sommigen echter onderscheiden twaalf artikelen. Zes daarvan hebben betrekking op de Godheid, en zes op de mensheid. De drie artikelen aangaande de drie personen worden in één artikel samengevat, omdat we door één zelfde kennis de drie personen kennen. Het artikel over het werk der verheerlijking wordt in twee verdeeld, één handelt over de verrijzenis van het lichaam, en een ander over de glorie der ziel. Het artikel der ontvangenis en dit van de geboorte worden tot een enkel herleid.

Ad primum ergo dicendum quod multa per fidem tenemus de Deo quae naturali ratione inveſtigare philoſophi non potuerunt, puta circa providentiam eius et omnipotentiam, et quod ipſe ſolus ſit colendus. Quae omnia continentur ſub articulo unitatis Dei. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 1)

1 — Door het geloof houden we aangaande God veel dingen, die de wijsgeren door het natuurlijk verstand niet hebben kunnen achterhalen, zoals wat betrekking heeft op de Voorzienigheid en de almacht, en de eredienst, die aan God alleen mag bewezen worden. Dit alles is begrepen in het artikel over de eenheid van God.

Ad ſecundum dicendum quod ipſum nomen divinitatis importat proviſionem quandam, ut in primo libro dictum eſt. Potentia autem in habentibus intellectum non operatur niſi ſecundum voluntatem et cognitionem. Et ideo omnipotentia Dei includit quodammodo omnium ſcientiam et providentiam, non enim poſſet omnia quae vellet in iſtis inferioribus agere niſi ea cognoſceret et eorum providentiam haberet. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 2)

2 — De naam God sluit een zeker voorzien in, zoals gezegd werd in het 1e Deel (Kw. 13, 8e Art.) Welnu, de wezens die met verstand begaafd zijn, gebruiken hun macht niet, dan volgens hun wil en verstand, en daarom sluit Gods almacht in zekeren zin de kennis en de Voorzienigheid van alles in. Hij zou immers hier beneden niet alles kunnen uitwerken, wat Hij wil, wanneer Hij niet alles kende, en wanneer niet alles aan zijn Voorzienigheid was onderworpen.

Ad tertium dicendum quod patris et filii et ſpiritus ſancti eſt una cognitio quantum ad unitatem eſſentiae, quae pertinet ad primum articulum. Quantum vero ad diſtinctionem perſonarum, quae eſt per relationes originis, quodammodo in cognitione patris includitur cognitio filii, non enim eſſet pater ſi filium non haberet, quorum nexus eſt ſpiritus ſanctus. Et quantum ad hoc bene moti ſunt qui poſuerunt unum articulum trium perſonarum. Sed quia circa ſingulas perſonas ſunt aliqua attendenda circa quae contingit eſſe errorem, quantum ad hoc de tribus perſonis poſſunt poni tres articuli. Arius enim credidit patrem omnipotentem et aeternum, ſed non credidit filium coaequalem et conſubſtantialem patri, et ideo neceſſarium fuit apponere articulum de perſona filii ad hoc determinandum. Et eadem ratione contra Macedonium neceſſe fuit ponere articulum tertium de perſona ſpiritus ſancti. Et ſimiliter etiam conceptio Chriſti et nativitas, et etiam reſurrectio et vita aeterna, ſecundum unam rationem poſſunt comprehendi ſub uno articulo, inquantum ad unum ordinantur, et ſecundum aliam rationem poſſunt diſtingui, inquantum ſeorſum habent ſpeciales difficultates. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 3)

3 — We kennen de Vader, de Zoon en de H. Geest door éénzelfde kennis, wanneer men de eenheid van hun wezen beschouwt, die we in het eerste artikel belijden. Wat echter het onderscheid der personen betreft, dat volgt op de betrekkingen, die hun oorsprong meebrengt, ligt de kennis van de Vader enigszins opgesloten in de kennis van de Zoon, want er zou geen Vader zijn, wanneer er geen Zoon was. Daarenboven is de H. Geest de band tussen beide. En in dat opzicht hebben zij gelijk, die voor de drie personen maar één artikel aannemen. Maar omdat men omtrent elk der personen moet letten op sommige dingen, waarover men gedwaald heeft, daarom kan men over de drie personen spreken in drie verschillende artikelen. Arius toch meende wel, dat de Vader almachtig en eeuwig was, maar loochende de gelijkheid en mede-zelfstandigheid van de Zoon met de Vader. Daarom moest dit vastgesteld worden in een speciaal artikel over de Zoon. Om dezelfde reden moest er een derde artikel zijn, waarin tegen Macedonius over de H. Geest gehandeld werd. Ook de ontvangenis en de geboorte van Christus, of de verrijzenis en het eeuwig leven, kunnen in een bepaald opzicht door één artikel beleden worden, in zover ze nl. over hetzelfde handelen maar in een ander opzicht kunnen ze in verschillende artikelen onderscheiden worden, nl. in zover ze elk speciale moeilijkheden opleveren.

Ad quartum dicendum quod filio et ſpiritui ſancto convenit mitti ad ſanctificandam creaturam, circa quod plura credenda occurrunt. Et ideo circa perſonam filii et ſpiritus ſancti plures articuli multiplicantur quam circa perſonam patris, qui nunquam mittitur, ut in primo dictum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 4)

4 — De Zoon en de H. Geest kunnen gezonden worden om het schepsel te heiligen, en hieromtrent moeten we verschillende dingen geloven. Daarom zijn er meer artikelen voor de persoon van de Zoon en de H. Geest dan voor die van de Vader, die niet kan gezonden worden, zoals gezegd werd in het Eerste Deel (Kw. 43, 4e Art.).

Ad quintum dicendum quod ſanctificatio creaturae per gratiam et conſummatio per gloriam fit etiam per donum caritatis, quod appropriatur ſpiritui ſancto, et per donum ſapientiae, quod appropriatur filio. Et ideo utrumque opus pertinet et ad filium et ad ſpiritum ſanctum per appropriationem ſecundum rationes diverſas. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 5)

5 — De heiliging van het schepsel door de genade en de voltooiing door de glorie geschiedt door de gave der liefde, die aan de H. Geest wordt toegeschreven, en door de gave van wijsheid, die aan de Zoon wordt toegeschreven. Daarom worden die twee werkingen toegeschreven aan de Zoon en aan de H. Geest, maar in een verschillend opzicht.

Ad ſextum dicendum quod in ſacramento Euchariſtiae duo poſſunt conſiderari. Unum ſcilicet quod ſacramentum eſt, et hoc habet eandem rationem cum aliis effectibus gratiae ſanctificantis. Aliud eſt quod miraculoſe ibi corpus Chriſti continetur, et ſic concluditur ſub omnipotentia, ſicut et omnia alia miracula, quae omnipotentiae attribuuntur. (IIa-IIae q. 1 a. 8 ad 6)

6 — In het sacrament des Altaars kan men twee dingen beschouwen : ten eerste, dat het een sacrament is, en daarin komt het overeen met de andere uitwerkselen der heiligmakende genade; ten tweede, dat Christus’ lichaam daar op wonderbare wijze tegenwoordig is, en zo valt het onder de almacht, zoals alle andere wonderen, die aan de almacht worden toegeschreven.

Articulus 9.
Worden de artikelen des geloofs op geschikte wijze samengevat in een of ander Symbolum?

Ad nonum ſic proceditur. Videtur quod inconvenienter articuli fidei in ſymbolo ponantur. Sacra enim Scriptura eſt regula fidei, cui nec addere nec ſubtrahere licet, dicitur enim Deut. IV, non addetis ad verbum quod vobis loquor, neque auferetis ab eo. Ergo illicitum fuit aliquod ſymbolum conſtituere quaſi regulam fidei, poſt ſacram Scripturam editam. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de artikelen des geloofs met op geschikte wijze in een of ander Symbolum worden samengevat. De H. Schrift is immers de regel van het geloof, waar men niets aan toe mag voegen, en waar men niets van weg mag laten, want we lezen in het Boek Deuteronomium (4, 2) : « Gij zult niets toevoegen aan wat ik u zeg, noch er iets van weglaten ». Het was bijgevolg ongeoorloofd een ander Symbolum samen te stellen, dat naast de H. Schrift zou dienen als geloofsregel.

Praeterea, ſicut apoſtolus dicit, ad Ephes. IV, una eſt fides. Sed ſymbolum eſt profeſſio fidei. Ergo inconvenienter traditur multiplex ſymbolum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 2)

2 — De Apostel zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) : « Er is maar één geloof ». Welnu het Symbolum is de belijdenis van het geloof. Het is dus niet geschikt, dat er verschillende Symbolums zijn.

Praeterea, confeſſio fidei quae in ſymbolo continetur pertinet ad omnes fideles. Sed non omnibus fidelibus convenit credere in Deum, ſed ſolum illis qui habent fidem formatam. Ergo inconvenienter ſymbolum fidei traditur ſub hac forma verborum, credo in unum Deum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 3)

3 — De geloofsbelijdenis, die door het Symbolum wordt af gelegd, is dezelfde voor alle gelovigen. Welnu, niet alle gelovigen geloven in God, maar alleen zij, die een levend geloof hebben. Het is bijgevolg niet goed, dat in het Symbolum des geloofs de woorden voorkomen: « Ik geloof in één God ».

Praeterea, deſcenſus ad Inferos eſt unus de articulis fidei, ſicut ſupra dictum eſt. Sed in ſymbolo patrum non fit mentio de deſcenſu ad Inferos. Ergo videtur inſufficienter collectum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 4)

4 — In het vorig Artikel werd gezegd, dat de nederdaling van Christus ter helle een artikel is van het geloof. Welnu, in het Symbolum der Vaders wordt die nederdaling ter het niet vermeld. Dus schijnt dat Symbolum op onvolledige wijze be zijn samengesteld.

Praeterea, ſicut Auguſtinus dicit, exponens illud Ioan. XIV, creditis in Deum, et in me credite, Petro aut Paulo credimus, ſed non dicimur credere niſi in Deum. Cum igitur Eccleſia Catholica ſit pure aliquid creatum, videtur quod inconvenienter dicatur, in unam ſanctam, Catholicam et apoſtolicam Eccleſiam. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 5)

5 — In zijn verklaring van de woorden: « Gelooft in God, en gelooft in mij » (Joan, 14, 1) zegt Augustinus (29e Verhandeling op Joannes) : « Wij geloven aan Petrus en Paulus. » Alleen voor God zegt men, dat men in Hem gelooft. Welnu de katholieke Kerk is iets geschapens. Bijgevolg is het niet goed te zeggen : Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk.

Praeterea, ſymbolum ad hoc traditur ut ſit regula fidei. Sed regula fidei debet omnibus proponi et publice. Quodlibet igitur ſymbolum deberet in Miſſa cantari, ſicut ſymbolum patrum. Non videtur ergo eſſe conveniens editio articulorum fidei in ſymbolo. (IIa-IIae q. 1 a. 9 arg. 6)

6 — Het Symbolum moet als geloofsregel dienen. Welnu, een geloofsregel moet aan allen en openlijk voorgehouden worden. Daarom zou ieder Symbolum onder de H. Mis moeten gezongen worden, evengoed als het Symbolum der Vaders. De artikelen des geloofs worden dus niet op geschikte wijze samengevat in een of ander Symbolum.

Sed contra eſt quod Eccleſia univerſalis non poteſt errare, quia ſpiritu ſancto gubernatur, qui eſt ſpiritus veritatis, hoc enim promiſit dominus diſcipulis, Ioan. XVI, dicens, cum venerit ille ſpiritus veritatis, docebit vos omnem veritatem. Sed ſymbolum eſt auctoritate univerſalis Eccleſiae editum. Nihil ergo inconveniens in eo continetur. (IIa-IIae q. 1 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de algemene Kerk niet kan dwalen, want ze wordt bestuurd door de H. Geest, die de Geest der waarheid is. Dit toch heeft de Heer aan Zijn leerlingen beloofd, wanneer hij zei : « Wanneer die Geest van waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u alle Waarheid leren. » (Joannes, 16, 13). Welnu, het Symbolum wordt ons voorgehouden door het gezag der algemene Kerk, en bijgevolg kan er niets ongeschikts in voorkomen.

Reſpondeo dicendum quod, ſicut apoſtolus dicit, ad Heb. XI, accedentem ad Deum oportet credere. Credere autem non poteſt aliquis niſi ei veritas quam credat proponatur. Et ideo neceſſarium fuit veritatem fidei in unum colligi, ut facilius poſſet omnibus proponi, ne aliquis per ignorantiam a fidei veritate deficeret. Et ab huiuſmodi collectione ſententiarum fidei nomen ſymboli eſt acceptum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 co.)

De Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreeërs (11, 6): « Wie tot God komt, moet geloven ». Welnu, niemand kan geloven, indien de waarheid, die hij moet geloven, hem niet wordt voorgehouden. Het was daarom nodig, dat de geloofswaarheden werden samengebracht om gemakkelijker aan allen te kunnen worden voorgehouden, en opdat niemand uit onwetendheid in het geloof zou afwijken van de waarheid. Die verzameling van de geloofspunten werd een Symbolum genoemd.

Ad primum ergo dicendum quod veritas fidei in ſacra Scriptura diffuſe continetur et variis modis, et in quibuſdam obſcure; ita quod ad eliciendum fidei veritatem ex ſacra Scriptura requiritur longum ſtudium et exercitium, ad quod non poſſunt pervenire omnes illi quibus neceſſarium eſt cognoſcere fidei veritatem, quorum plerique, aliis negotiis occupati, ſtudio vacare non poſſunt. Et ideo fuit neceſſarium ut ex ſententiis ſacrae Scripturae aliquid manifeſtum ſummarie colligeretur quod proponeretur omnibus ad credendum. Quod quidem non eſt additum ſacrae Scripturae, ſed potius ex ſacra Scriptura aſſumptum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 1)

1 — De geloofswaarheden zijn over verschillende plaatsen van de H. Schrift verspreid, en worden verschillend voorgesteld, soms zelfs op onduidelijke wijze, zodat veel studie en oefening nodig zijn om de geloofspunten op te maken uit de H. Schrift. Daartoe echter zijn niet allen, die de geloofswaarheden moeten kennen, bekwaam, daar velen, door andere bezigheden ingenomen, geen tijd hebben om zich op de studie toe te leggen. Daarom moesten de verschillende stellingen der Heilige Schrift bondig en duidelijk samengevat worden, en zo aan allen te geloven worden voorgehouden. Die korte inhoud is dus niet iets, wat aan de H. Schrift wordt toegevoegd, maar iets, wat aan de H. Schrift ontleend is.

Ad ſecundum dicendum quod in omnibus ſymbolis eadem fidei veritas docetur. Sed ibi oportet populum diligentius inſtrui de fidei veritate ubi errores inſurgunt, ne fides ſimplicium per haereticos corrumpatur. Et haec fuit cauſa quare neceſſe fuit edere plura ſymbola. Quae in nullo alio differunt niſi quod in uno plenius explicantur quae in alio continentur implicite, ſecundum quod exigebat haereticorum inſtantia. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 2)

2 — In al de Symbolums wordt één en dezelfde geloofswaarheid onderwezen. Het is echter nodig het volk in de geloofswaarheid met meer zorg te onderrichten, wanneer er dwalingen ontstaan, opdat het geloof der eenvoudigen door de ketters niet zou vervalst worden. Daarom moesten er verschillende Symbolums worden opgesteld, die alleen hierin van elkander verschillen, dat het ene meer uitdrukkelijk voorstelt wat in een ander impliciet vervat is, naar gelang de aanvallen der ketters nadere bepalingen nodig maakten.

Ad tertium dicendum quod confeſſio fidei traditur in ſymbolo quaſi ex perſona totius Eccleſiae, quae per fidem unitur. Fides autem Eccleſiae eſt fides formata, talis enim fides invenitur in omnibus illis qui ſunt numero et merito de Eccleſia. Et ideo confeſſio fidei in ſymbolo traditur ſecundum quod convenit fidei formatae, ut etiam ſi qui fideles fidem formatam non habent, ad hanc formam pertingere ſtudeant. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 3)

3 — De geloofsbelijdenis wordt in het Symbolum voorgehouden in naam van de gehele Kerk, die één is door het geloof. Welnu, het geloof van de Kerk is een levend geloof, want dit geloof treft men aan bij allen, die door getal en verdienste deel uitmaken van de Kerk. Daarom wordt de geloofsbelijdenis in het Symbolum uitgedrukt, zoals het past voor een levend geloof, opdat de gelovigen, die dat levend geloof niet bezitten, zich er op zouden toeleggen het te bekomen.

Ad quartum dicendum quod de deſcenſu ad Inferos nullus error erat exortus apud haereticos, et ideo non fuit neceſſarium aliquam explicationem circa hoc fieri. Et propter hoc non reiteratur in ſymbolo patrum, ſed ſupponitur tanquam praedeterminatum in ſymbolo apoſtolorum. Non enim ſymbolum ſequens abolet praecedens, ſed potius illud exponit, ut dictum eſt. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 4)

4 — De ketters hebben omtrent Christus’ nederdaling ter het nooit enige dwaling verspreid. Het was dus niet nodig dat punt nader te verklaren. De Vaders hebben dan ook dit artikel in het Symbolum niet overgenomen, maar veronderstellen het als reeds vastgesteld in het Symbolum der Apostelen. Een volgend Symbolum schorst immers een voorgaand niet op, maar verklaart het, zoals we daareven gezegd hebben (Antwoord op de tweede Bedenking).

Ad quintum dicendum quod, ſi dicatur in ſanctam Eccleſiam Catholicam, eſt hoc intelligendum ſecundum quod fides noſtra refertur ad ſpiritum ſanctum, qui ſanctificat Eccleſiam, ut ſit ſenſus, credo in ſpiritum ſanctum ſanctificantem Eccleſiam. Sed melius eſt et ſecundum communiorem uſum, ut non ponatur ibi in, ſed ſimpliciter dicatur ſanctam Eccleſiam Catholicam, ſicut etiam Leo Papa dicit. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 5)

5 — Wanneer we belijden: Ik geloof in de H. Kerk, dan moet men dit zo begrijpen, dat ons geloof betrekking heeft op de H. Geest, die de Kerk heiligt, zodat de zin is: Ik geloof in de H. Geest die de Kerk heiligt. Het is echter beter, zoals gewoonlijk gedaan wordt, het woordje in weg te laten, en te zeggen: De H. katholieke Kerk, zoals Paus Leo het ook doet opmerken (Ruffinus, in zijn Verklaring van het Symbolum).

Ad ſextum dicendum quod, quia ſymbolum patrum eſt declarativum ſymboli apoſtolorum, et etiam fuit conditum fide iam manifeſtata et Eccleſia pacem habente, propter hoc publice in Miſſa cantatur. Symbolum autem apoſtolorum, quod tempore perſecutionis editum fuit, fide nondum publicata, occulte dicitur in prima et in completorio, quaſi contra tenebras errorum praeteritorum et futurorum. (IIa-IIae q. 1 a. 9 ad 6)

6 — Het symbolum der Vaders wordt openbaar gezongen in de H. Mis, omdat het een verklaring is van het symbolum der Apostelen en omdat het uitgevaardigd werd toen het geloof reeds openbaar bekend was gemaakt en de Kerk in vrede leefde. Het symbolum der Apostelen daarentegen werd ten tijde der vervolging opgesteld, toen het geloof nog niet openbaar bekend was, en wordt daarom stil gebeden in de Prima en in de Completen, als om de vroegere en toekomstige duisternissen der dwaling te keer te gaan.

Articulus 10.
Komt het aan den Paus toe, een Symbolum des geloofs uit te vaardigen?

Ad decimum ſic proceditur. Videtur quod non pertineat ad ſummum pontificem fidei ſymbolum ordinare. Nova enim editio ſymboli neceſſaria eſt propter explicationem articulorum fidei, ſicut dictum eſt. Sed in veteri teſtamento articuli fidei magis ac magis explicabantur ſecundum temporum ſucceſſionem propter hoc quod veritas fidei magis manifeſtabatur ſecundum maiorem propinquitatem ad Chriſtum, ut ſupra dictum eſt. Ceſſante ergo tali cauſa in nova lege, non debet fieri maior ac maior explicatio articulorum fidei. Ergo non videtur ad auctoritatem ſummi pontificis pertinere nova ſymboli editio. (IIa-IIae q. 1 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geenszins aan de Paus toekomt, een Symbolum des geloofs uit te vaardigen. Zoals immers (in het vorig Artikel) gezegd is, is een nieuwe uitgave van een Symbolum nodig voor de verklaring van de artikelen des geloofs. Welnu, in het Oude Verbond werden de artikelen des geloofs met de tijd steeds nader verklaard, omdat de waarheid beter en beter geopenbaard werd naarmate men Christus’ tijd naderbij kwam, zoals hierboven gezegd is (7e Art.). Maar in het Nieuw Verbond valt die reden weg, en daarom is er geen nadere verklaring der geloofsartikelen meer nodig. Bijgevolg komt het aan het pauselijk gezag niet toe, een nieuw Symbolum uit te vaardigen.

Praeterea, illud quod eſt ſub anathemate interdictum ab univerſali Eccleſia non ſubeſt poteſtati alicuius hominis. Sed nova ſymboli editio interdicta eſt ſub anathemate auctoritate univerſalis Eccleſiae. Dicitur enim in geſtis primae Epheſinae ſynodi quod, perlecto ſymbolo Nicaenae ſynodi, decrevit ſancta ſynodus aliam fidem nulli licere proferre vel conſcribere vel componere praeter definitam a ſanctis patribus qui in Nicaea congregati ſunt cum ſpiritu ſancto, et ſubditur anathematis poena; et idem etiam reiteratur in geſtis Chalcedonenſis ſynodi. Ergo videtur quod non pertineat ad auctoritatem ſummi pontificis nova editio ſymboli. (IIa-IIae q. 1 a. 10 arg. 2)

2 — Wat de algemene Kerk verbiedt onder bedreiging van de ban, valt niet onder het gezag van een of ander mens. Welnu, de algemene Kerk heeft onder bedreiging van ban verboden een nieuw Symbolum in ’t licht te geven. We lezen immers in de Handelingen van het eerste Concilie te Ephese, dat toen het Symbolum van Nicea voorgelezen was, de Heilige Kerkvergadering besliste, dat het aan niemand geoorloofd was, een ander geloof te belijden, te schrijven of samen te stellen, dan het geloof dat bepaald was door de H. Vaders, die met de H. Geest te Nicea vergaderd waren, en dat onder bedreiging van de ban. Hetzelfde werd opnieuw verboden door het Concilie te Chalcedon. Het blijkt dus, dat het aan ’s Pausen gezag niet toekomt, een nieuw Symbolum uit te vaardigen.

Praeterea, Athanaſius non fuit ſummus pontifex, ſed Alexandrinus patriarcha. Et tamen ſymbolum conſtituit quod in Eccleſia cantatur. Ergo non magis videtur pertinere editio ſymboli ad ſummum pontificem quam ad alios. (IIa-IIae q. 1 a. 10 arg. 3)

3 — Athanasius was geen Paus, maar Patriarch van Alexandrië. Toch stelde hij een Symbolum samen, dat in de Kerk gezongen wordt. Het blijkt dus, dat de Paus niet méér macht heeft dan een ander om een Symbolum uit te vaardigen.

Sed contra eſt quod editio ſymboli facta eſt in ſynodo generali. Sed huiuſmodi ſynodus auctoritate ſolius ſummi pontificis poteſt congregari, ut habetur in decretis, diſt. XVII. Ergo editio ſymboli ad auctoritatem ſummi pontificis pertinet. (IIa-IIae q. 1 a. 10 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat het Symbolum uitgevaardigd werd in een algemene kerkvergadering. Welnu, die kerkvergadering kan alleen samengeroepen worden door de Paus, zoals we lezen in de Decreten. Dus komt het aan de Paus toe, een Symbolum uit te vaardigen.

Reſpondeo dicendum quod, ſicut ſupra dictum eſt, nova editio ſymboli neceſſaria eſt ad vitandum inſurgentes errores. Ad illius ergo auctoritatem pertinet editio ſymboli ad cuius auctoritatem pertinet ſententialiter determinare ea quae ſunt fidei, ut ab omnibus inconcuſſa fide teneantur. Hoc autem pertinet ad auctoritatem ſummi pontificis, ad quem maiores et difficiliores Eccleſiae quaeſtiones referuntur ut dicitur in decretis, diſt. XVII. Unde et dominus, Luc. XXII, Petro dixit, quem ſummum pontificem conſtituit, ego pro te rogavi, Petre, ut non deficiat fides tua, et tu aliquando converſus confirma fratres tuos. Et huius ratio eſt quia una fides debet eſſe totius Eccleſiae, ſecundum illud I ad Cor. I, idipſum dicatis omnes, et non ſint in vobis ſchiſmata. Quod ſervari non poſſet niſi quaeſtio fidei de fide exorta determinaretur per eum qui toti Eccleſiae praeeſt, ut ſic eius ſententia a tota Eccleſia firmiter teneatur. Et ideo ad ſolam auctoritatem ſummi pontificis pertinet nova editio ſymboli, ſicut et omnia alia quae pertinent ad totam Eccleſiam, ut congregare ſynodum generalem et alia huiuſmodi. (IIa-IIae q. 1 a. 10 co.)

In het vorig Artikel hebben we gezegd, dat een nieuw Symbolum moet uitgevaardigd worden om opkomende dwalingen te keer te gaan. Hij dus mag een nieuw Symbolum uitvaardigen, die onwederroepelijk kan bepalen wat tot het geloof behoort, en wat allen met onwankelbaar geloof moeten aanvaarden. Welnu, dat komt toe aan de Paus, aan wie de gewichtigste en moeilijkste vraagstukken moeten voorgelegd worden, die oprijzen in de Kerk, zoals we lezen in de Decreten. Daarom zei de Heer aan Petrus, toen hij hem tot opperherder aanstelde: « Ik heb voor u gebeden, Petrus, opdat uw geloof niet wankelen zou, en wanneer gij zult bekeerd zijn, bevestig dan uw broeders. » (Luc. 22, 32). De reden daarvan is, dat er slechts één geloof mag zijn voor heel de Kerk, volgens de Ie Corinthiërbrief (1, 10) : « Spreekt allen eender, en dat er geen scheuringen bij u bestaan ». Welnu, die eenheid kan niet gewaarborgd zijn, dan wanneer de vraagstukken, die het geloof betreffen, worden opgelost door hem, die geheel de Kerk bestuurt, zodat zijn uitspraak door geheel de Kerk stellig aangenomen wordt. Het komt bijgevolg alleen aan de Paus toe, een nieuw Symbolum uit te vaardigen, evenals het hem toekomt te voorzien in alles wat de algemene Kerk aangaat, zoals het samenroepen van een algemene kerkvergadering en zo meer.

Ad primum ergo dicendum quod in doctrina Chriſti et apoſtolorum veritas fidei eſt ſufficienter explicata. Sed quia perverſi homines apoſtolicam doctrinam et ceteras Scripturas pervertunt ad ſui ipſorum perditionem, ſicut dicitur II Pet. ult.; ideo neceſſaria eſt, temporibus procedentibus, explanatio fidei contra inſurgentes errores. (IIa-IIae q. 1 a. 10 ad 1)

1 — De geloofswaarheid is voldoende verklaard door de leer van Christus en van de Apostelen. Maar omdat goddeloze mensen de apostolische leer en de overige schriften vervalsen tot hun eigen verderf, zoals we lezen in de IIe Brief van Petrus (3, 16), daarom is in de loop van de tijd een verklaring van het geloof nodig geweest om in te gaan tegen de opkomende dwalingen.

Ad ſecundum dicendum quod prohibitio et ſententia ſynodi ſe extendit ad privatas perſonas, quarum non eſt determinare de fide. Non enim per huiuſmodi ſententiam ſynodi generalis ablata eſt poteſtas ſequenti ſynodo novam editionem ſymboli facere, non quidem aliam fidem continentem, ſed eandem magis expoſitam. Sic enim quaelibet ſynodus obſervavit, ut ſequens ſynodus aliquid exponeret ſupra id quod praecedens ſynodus expoſuerat, propter neceſſitatem alicuius haereſis inſurgentis. Unde pertinet ad ſummum pontificem, cuius auctoritate ſynodus congregatur et eius ſententia confirmatur. (IIa-IIae q. 1 a. 10 ad 2)

2 — Dit verbod en die uitspraak van de Kerkvergadering gelden voor private personen, aan wie het niet toekomt het geloof te bepalen. Door de uitspraak immers van dit algemeen Concilie werd aan een volgend Concilie het recht niet ontzegd, een nieuw Symbolum uit te vaardigen, waarin men niet een nieuw geloof zou belijden, maar hetzelfde geloof nader zou verklaren. Zo heeft iedere latere kerkvergadering een of ander punt nader verklaard dan een vorige kerkvergadering, omdat een of andere ketterij dat nodig maakte. Het komt dus aan de Paus toe, door wiens gezag de conciliën worden bijeengeroepen en door wie hun uitspraak bekrachtigd wordt.

Ad tertium dicendum quod Athanaſius non compoſuit manifeſtationem fidei per modum ſymboli, ſed magis per modum cuiuſdam doctrinae, ut ex ipſo modo loquendi apparet. Sed quia integram fidei veritatem eius doctrina breviter continebat, auctoritate ſummi pontificis eſt recepta, ut quaſi regula fidei habeatur. (IIa-IIae q. 1 a. 10 ad 3)

3 — De geloofsbelijdenis van Athanasius is niet opgesteld om als Symbolum te dienen, maar, zoals uit de woorden zelf blijkt, om gebruikt te worden bij het onderricht. Doch omdat het op bondige wijze een volledige uiteenzetting gaf van het geloof, werd het door het gezag van de Paus aangenomen om te dienen als geloofsregel.