QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 49.
Over de integrerende of onontbeerlijke delen der verstandigheid afzonderlijk .

Prooemium

Deinde considerandum est de singulis prudentiae partibus quasi integralibus. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, de memoria. Secundo, de intellectu vel intelligentia. Tertio, de docilitate. Quarto, de solertia. Quinto, de ratione. Sexto, de providentia. Septimo, de circumspectione. Octavo, de cautione. (IIa-IIae q. 49 pr.)

Nu zullen de integrerende delen der verstandigheid afzonderlijk bestudeerd worden (Vgl. 48e Kw. Inl.). Hieromtrent worden acht vragen gesteld: 1. Over de ervaring. 2. Over het inzicht. 3. Over de ontvankelijkheid. 4. Over de vindingrijkheid. 5. Over de redeneerkracht. 6. Over de vooruitziendheid. 7. Over de omzichtigheid. 8. Over de behoedzaamheid.

Articulus 1.
Is de ervaring een onderdeel der verstandigheid?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod memoria non sit pars prudentiae. Memoria enim, ut probat philosophus, est in parte animae sensitiva. Prudentia autem est in ratiocinativa; ut patet in VI Ethic. Ergo memoria non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de ervaring geen deel is der verstandigheid. De ervaring zetelt, zoals de wijsgeer aantoont, in het zinnelijke deel van de ziel. De verstandigheid is echter een verstandsdeugd, zoals blijkt uit de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, prudentia per exercitium acquiritur et proficit. Sed memoria inest nobis a natura. Ergo memoria non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 1 arg. 2)

2 — Verstandigheid wordt door oefening verkregen en versterkt. Maar herinnering is een natuurlijke eigenschap van de mens. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, memoria est praeteritorum. Prudentia autem futurorum operabilium, de quibus est consilium, ut dicitur in VI Ethic. Ergo memoria non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 1 arg. 3)

3 — Ervaring gaat over het verleden. Verstandigheid daarentegen gaat over toekomstige handelingen, waarover men bij zichzelf te rade gaat, zoals gezegd wordt in de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.

Sed contra est quod Tullius, in II Rhet., ponit memoriam inter partes prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Tullius de ervaring onder de onderdelen van de verstandigheid noemt.

Respondeo dicendum quod prudentia est circa contingentia operabilia, sicut dictum est. In his autem non potest homo dirigi per ea quae sunt simpliciter et ex necessitate vera, sed ex his quae ut in pluribus accidunt, oportet enim principia conclusionibus esse proportionata, et ex talibus talia concludere, ut dicitur in VI Ethic. Quid autem in pluribus sit verum oportet per experimentum considerare, unde et in II Ethic. philosophus dicit quod virtus intellectualis habet generationem et augmentum ex experimento et tempore. Experimentum autem est ex pluribus memoriis; ut patet in I Metaphys. Unde consequens est quod ad prudentiam requiritur plurium memoriam habere. Unde convenienter memoria ponitur pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 1 co.)

De verstandigheid strekt zich uit over de wisselvallige handelingen, zoals vroeger werd uiteengezet (47° Kw. 5° Art.). Daarin kan de mens niet geleid worden door hetgeen zonder meer en noodzakelijk waar is, maar wel door hetgeen in de meeste gevallen zo geschiedt. Want de conclusies moeten evenredig zijn aan de beginselen en « naar de aard der beginselen moet men gelijksoortige conclusies afleiden », naar het gezegde in de Ethica. Wat nu in de meeste gevallen zo geschiedt, kan men slechts door ervaring achterhalen: daarom zegt de Wijsgeer, dat « de scherpte van het verstand ontstaat en groeit door ervaring en tijd ». Ervaring nu ontstaat door de veelheid van herinneringen, zoals blijkt uit de Metaphysica. Vandaar de gevolgtrekking, dat voor de verstandigheid de ervaring uit een veelheid van afzonderlijke gevallen noodzakelijk is. En daarom moet men de ervaring rekenen onder de onderdelen der verstandigheid.

Ad primum ergo dicendum quod quia, sicut dictum est, prudentia applicat universalem cognitionem ad particularia, quorum est sensus, inde multa quae pertinent ad partem sensitivam requiruntur ad prudentiam. Inter quae est memoria. (IIa-IIae q. 49 a. 1 ad 1)

1 — Veel dingen, die vallen onder de zintuigelijke kennis van de mens, zijn nodig voor de verstandigheid, omdat, naar het gezegde uit de 47° Kw. het 3° Art., de verstandigheid een algemene kennis moet toepassen op afzonderlijke gevallen, die immers het terrein der zintuigen uitmaken. Daaronder behoort ook de ervaring.

Ad secundum dicendum quod sicut prudentia aptitudinem quidem habet ex natura, sed eius complementum est ex exercitio vel gratia ita etiam, ut Tullius dicit, in sua rhetorica, memoria non solum a natura proficiscitur, sed etiam habet plurimum artis et industriae. Et sunt quatuor per quae homo proficit in bene memorando. Quorum primum est ut eorum quae vult memorari quasdam similitudines assumat convenientes, nec tamen omnino consuetas, quia ea quae sunt inconsueta magis miramur, et sic in eis animus magis et vehementius detinetur; ex quo fit quod eorum quae in pueritia vidimus magis memoremur. Ideo autem necessaria est huiusmodi similitudinum vel imaginum adinventio, quia intentiones simplices et spirituales facilius ex anima elabuntur nisi quibusdam similitudinibus corporalibus quasi alligentur, quia humana cognitio potentior est circa sensibilia. Unde et memorativa ponitur in parte sensitiva. Secundo, oportet ut homo ea quae memoriter vult tenere sua consideratione ordinate disponat, ut ex uno memorato facile ad aliud procedatur. Unde philosophus dicit, in libro de Mem., a locis videntur reminisci aliquando, causa autem est quia velociter ab alio in aliud veniunt. Tertio, oportet ut homo sollicitudinem apponat et affectum adhibeat ad ea quae vult memorari, quia quo aliquid magis fuerit impressum animo, eo minus elabitur. Unde et Tullius dicit, in sua rhetorica, quod sollicitudo conservat integras simulacrorum figuras. Quarto, oportet quod ea frequenter meditemur quae volumus memorari. Unde philosophus dicit, in libro de Mem., quod meditationes memoriam salvant, quia, ut in eodem libro dicitur, consuetudo est quasi natura; unde quae multoties intelligimus cito reminiscimur, quasi naturali quodam ordine ab uno ad aliud procedentes. (IIa-IIae q. 49 a. 1 ad 2)

2 — De menselijke natuur heeft wel enigen aanleg tot verstandigheid, maar de voltooiing van deze deugd ontstaat door oefening en genade. Eveneens bezitten wij naar het woord van Tullius de herinnering wel van nature, maar zij moet door oefening en ijver vervolmaakt worden; en er zijn vier hulpmiddelen, waardoor de mens het gemak verkrijgt van zich iets goed te kunnen herinneren. Het eerste is, dat hij zich van de dingen, die hij moet onthouden, een gelijkenis vormt. Maar geen afgesleten gelijkenis, daar wij ons meer verwonderen over het ongewone, en de ziel er dus meer en sterker door geboeid blijft. Hier is ook de reden, waarom we de voorvallen uit onze jeugd beter vasthouden. Die gelijkenissen of beelden worden vooral daarom vereist, omdat de eerste en geestelijke indrukken zeer gemakkelijk uit de ziel verdwijnen, wanneer zij niet als het ware vastgebonden worden door lichamelijke beelden. Want 's mensen herinnering is krachtiger bij de zinnelijk-waarneembare dingen. Daarom behoort de herinnering tot het zinnelijk deel der menselijke natuur. Het tweede middel is dit: wanneer men iets wil onthouden, dan moet men het bij de beschouwing zo ordelijk rangschikken, dat uit de herinnering van het ene gemakkelijk het andere voorkomt. Daarom ook zegt de Wijsgeer: « Dikwijls herinnert men zich iets naar de plaatselijke rangschikking. De reden hiervan is, dat men dan gemakkelijker van het ene tot het andere komt ». Het derde middel is: belangstelling te hebben voor de zaken, die men wil onthouden, want hoe meer iets indruk gemaakt heeft op de ziel, des te moeilijker zal het uitgewischt worden. Daarom zegt Tullius: « De zorg bewaart de beelden der gelijkenissen ongerept ». Het vierde middel is de herhaaldelijke overdenking van hetgeen men wil onthouden. Daarom zegt de Wijsgeer, dat « de herhaaldelijke overweging de herinnering levendig houdt », omdat, naar hij zegt in hetzelfde werk, « de gewoonte een tweede natuur is ». Daarom herinneren we ons spoedig die zaken, waar we dikwijls over denken, doordat we dan door een haast ingeboren orde van het ene op het andere komen.

Ad tertium dicendum quod ex praeteritis oportet nos quasi argumentum sumere de futuris. Et ideo memoria praeteritorum necessaria est ad bene consiliandum de futuris. (IIa-IIae q. 49 a. 1 ad 3)

3 — Uit het verleden moeten we als 't ware een bewijs halen voor de toekomst. Daarom is de ervaring, uit voorbije gebeurtenissen opgedaan, noodzakelijk voor een goede beraadslaging over de toekomst.

Articulus 2.
Is het inzicht een deel der verstandigheid?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod intellectus non sit pars prudentiae. Eorum enim quae ex opposito dividuntur unum non est pars alterius. Sed intellectus ponitur virtus intellectualis condivisa prudentiae, ut patet in VI Ethic. Ergo intellectus non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het inzicht geen onderdeel is van de verstandigheid. Twee dingen, die in een verdeling als tegengestelden tegenover elkaar staan, kunnen geen delen van elkaar zijn. Maar het inzicht wordt als verstandelijke kracht in dezelfde verdeling tegenover de verstandigheid gesteld, zoals blijkt uit de Ethica. Dus kan men het inzicht niet beschouwen als een onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, intellectus ponitur inter dona spiritus sancti, et correspondet fidei, ut supra habitum est. Sed prudentia est alia virtus a fide, ut per supradicta patet. Ergo intellectus non pertinet ad prudentiam. (IIa-IIae q. 49 a. 2 arg. 2)

2 — Inzicht of verstand wordt genoemd onder de gaven van de H. Geest, en het staat dan in verband met het geloof, zoals vroeger werd uiteengezet (8° Kw. 1° en 8° Art.). Maar de verstandigheid is een heel andere deugd dan het geloof, zoals uit het boven gezegde blijkt (4° Kw. 5° Art. en I. II. 62° Kw. 2° Art.). Dus behoort het inzicht niet tot de verstandigheid.

Praeterea, prudentia est singularium operabilium, ut dicitur in VI Ethic. Sed intellectus est universalium cognoscitivus et immaterialium; ut patet in III de anima. Ergo intellectus non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 2 arg. 3)

3 — De verstandigheid moet zich bezig houden met iedere handeling afzonderlijk, zoals gezegd wordt in de Ethica. Maar het inzicht betekent kennis van het algemene en onstoffelijke, zoals blijkt uit De Anima. Dus is het inzicht geen onderdeel van de verstandigheid.

Sed contra est quod Tullius ponit intelligentiam partem prudentiae, et Macrobius intellectum, quod in idem redit. (IIa-IIae q. 49 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Tullius zegt dat het inzicht een deel van de verstandigheid is. Eveneens Macrobius.

Respondeo dicendum quod intellectus non sumitur hic pro potentia intellectiva, sed prout importat quandam rectam aestimationem alicuius extremi principii quod accipitur ut per se notum, sicut et prima demonstrationum principia intelligere dicimur. Omnis autem deductio rationis ab aliquibus procedit quae accipiuntur ut prima. Unde oportet quod omnis processus rationis ab aliquo intellectu procedat. Quia igitur prudentia est recta ratio agibilium, ideo necesse est quod totus processus prudentiae ab intellectu derivetur. Et propter hoc intellectus ponitur pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 2 co.)

Het woord « intellectus » moet in deze materie niet verstaan worden als « verstand » of « denkvermogen », maar als het goede begrip van een eerste beginsel, dat bij de eerste kennismaking noodzakelijk begrepen en uit zichzelf gekend wordt. Eveneens zeggen we, dat we de eerste beginselen van een bewijsvoering vanzelf inzien. Nu gaat echter iedere deductie of afleiding van het verstand uit van enige waarheden, die worden aangenomen als de eerste uitgangspunten. Omdat nu de verstandigheid is: het juiste begrip van wat gedaan moet worden, zal het hele denkproces bij de verstandigheid moeten uitgaan van een « inzicht ». En daarom moet ieder denkproces uitgaan van een « inzicht ». En daarom is het inzicht een onderdeel van de verstandigheid.

Ad primum ergo dicendum quod ratio prudentiae terminatur, sicut ad conclusionem quandam, ad particulare operabile, ad quod applicat universalem cognitionem, ut ex dictis patet. Conclusio autem singularis syllogizatur ex universali et singulari propositione. Unde oportet quod ratio prudentiae ex duplici intellectu procedat. Quorum unus est qui est cognoscitivus universalium. Quod pertinet ad intellectum qui ponitur virtus intellectualis, quia naturaliter nobis cognita sunt non solum universalia principia speculativa, sed etiam practica, sicut nulli esse malefaciendum, ut ex dictis patet. Alius autem intellectus est qui, ut dicitur in VI Ethic., est cognoscitivus extremi, idest alicuius primi singularis et contingentis operabilis, propositionis scilicet minoris, quam oportet esse singularem in syllogismo prudentiae, ut dictum est. Hoc autem primum singulare est aliquis singularis finis, ut ibidem dicitur. Unde intellectus qui ponitur pars prudentiae est quaedam recta aestimatio de aliquo particulari fine. (IIa-IIae q. 49 a. 2 ad 1)

1 — De redenering van de verstandigheid vindt haar eindpunt in de particuliere handeling als een soort gevolgtrekking; hierop past zij de algemene kennis toe, zoals blijkt uit het gezegde in de 47° Kw. het 3° en 6° Art. Een particuliere conclusie wordt echter door een syllogisme afgeleid uit een algemene en uit een particuliere stelling. Dus moet ook de redenering der verstandigheid uitgaan van een tweevoudig inzicht. Het eerste van deze twee is het inzicht, dat kennis geeft van het algemene, en dit behoort tot het inzicht als denkvermogen, hetwelk ons niet alleen het natuurlijke inzicht verschaft van de algemene principes in de speculatieve orde, maar ook in de praktische orde, als b.v. het beginsel, dat niemand kwaad mag worden aangedaan, zoals duidelijk is uit het gezegde in de 47° Kw. het 6° Art. Het tweede inzicht verschaft ons, gelijk gezegd wordt in de Ethica, de kennis van een beginsel van beperkter omvatting, nl. van iets, dat het eerste is in de orde van het particuliere, óf een stelling, die het beginsel inhoudt van een wisselvallige handeling. Deze stelling noemt men « minor », en zij moet in het syllogisme van de verstandigheid iets particuliers zijn, zoals gezegd werd in de 47° Kw. het 3° en 6° Art. Dit beperkte beginsel is een of ander particulier doel, zoals t.a.p. werd uiteengezet. Daarom is het inzicht, dat genoemd wordt als onderdeel van de verstandigheid, een juist begrip van een of ander particulier doel.

Ad secundum dicendum quod intellectus qui ponitur donum spiritus sancti est quaedam acuta perspectio divinorum, ut ex supradictis patet. Aliter autem ponitur intellectus pars prudentiae, ut dictum est. (IIa-IIae q. 49 a. 2 ad 2)

2 — De gave van verstand (of inzicht), die behoort onder de gaven van de H. Geest, is 'n zeker scherp inzicht in de goddelijke dingen, zoals vroeger gebleken is (8e Kw. 1e en 2e Art.). Maar onder het inzicht bij de verstandigheid verstaat men iets anders, zoals bleek uit de Leerstelling.

Ad tertium dicendum quod ipsa recta aestimatio de fine particulari et intellectus dicitur, inquantum est alicuius principii; et sensus, inquantum est particularis. Et hoc est quod philosophus dicit, in VI Ethic., horum, scilicet singularium, oportet habere sensum, hic autem est intellectus. Non autem hoc est intelligendum de sensu particulari quo cognoscimus propria sensibilia, sed de sensu interiori quo de particulari iudicamus. (IIa-IIae q. 49 a. 2 ad 3)

3 — Het juiste begrip van een particulier doel wordt zowel « inzicht » « doorzicht » genoemd, in zoverre het gaat over een beperkt beginsel, als « gevoelen », in zoverre het iets particuliers is. Dit bedoelt de Wijsgeer, wanneer hij zegt: « Hiervan », nl. van het particuliere, « moet men een juist gevoelen hebben, wat gelijk staat met inzicht ». Men mag dit echter niet verstaan in de betekenis van « zintuig » of « gevoel », waarmee wij de zintuigelijk-kenbare dingen kennen, maar van het inwendig gevoelen, waarmee wij oordelen over het particuliere.

Articulus 3.
Mag men de ontvankelijkheid rekenen als onderdeel der verstandigheid?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod docilitas non debeat poni pars prudentiae. Illud enim quod requiritur ad omnem virtutem intellectualem non debet appropriari alicui earum. Sed docilitas necessaria est ad quamlibet virtutem intellectualem. Ergo non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de ontvankelijkheid geen deel kan zijn van de verstandigheid. Wat vereist wordt voor iedere verstandelijke vaardigheid mag men niet als afzonderlijke eigenschap aan een van hen toeschrijven. Ontvankelijkheid is nodig voor iedere verstandelijke vaardigheid. Dus is zij geen onderdeel van de verstandigheid afzonderlijk.

Praeterea, ea quae ad virtutes humanas pertinent sunt in nobis, quia secundum ea quae in nobis sunt laudamur vel vituperamur. Sed non est in potestate nostra quod dociles simus, sed hoc ex naturali dispositione quibusdam contingit. Ergo non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 3 arg. 2)

2 — Alle onderdelen van menselijke deugd moeten binnen het bereik onzer krachten liggen, want we worden alleen geprezen of gelaakt om hetgeen we door eigen kracht bezitten. Ontvankelijkheid kunnen we niet door eigen kracht veroveren: slechts enkelen bezitten die door een natuurlijke aanleg. Dus is de ontvankelijkheid geen onderdeel der verstandigheid.

Praeterea, docilitas ad discipulum pertinet. Sed prudentia, cum sit praeceptiva, magis videtur ad magistros pertinere, qui etiam praeceptores dicuntur. Ergo docilitas non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 3 arg. 3)

3 — Ontvankelijkheid is een eigenschap van leerlingen. Maar verstandigheid moet eerder een eigenschap van leermeesters zijn, omdat zij voorschriften geeft, wat eerder de taak is van een leermeester, omdat die te bevelen heeft. Daarom kan de ontvankelijkheid geen onderdeel van de verstandigheid zijn.

Sed contra est quod Macrobius, secundum sententiam Plotini, ponit docilitatem inter partes prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de mening van Plotinus volgt, de leerzaamheid rekent onder de delen der verstandigheid.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, prudentia consistit circa particularia operabilia. In quibus cum sint quasi infinitae diversitates, non possunt ab uno homine sufficienter omnia considerari, nec per modicum tempus, sed per temporis diuturnitatem. Unde in his quae ad prudentiam pertinent maxime indiget homo ab alio erudiri, et praecipue ex senibus, qui sanum intellectum adepti sunt circa fines operabilium. Unde philosophus dicit, in VI Ethic., oportet attendere expertorum et seniorum et prudentium indemonstrabilibus enuntiationibus et opinionibus non minus quam demonstrationibus, propter experientiam enim vident principia. Unde et Prov. III dicitur, ne innitaris prudentiae tuae; et Eccli. VI dicitur, in multitudine presbyterorum, idest seniorum, prudentium sta, et sapientiae illorum ex corde coniungere. Hoc autem pertinet ad docilitatem, ut aliquis sit bene disciplinae susceptivus. Et ideo convenienter ponitur docilitas pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 3 co.)

Boven (vorig Art. 1° Antw. 47° Kw. 3° en 6° Art.) werd aangetoond, dat de verstandigheid zich uitstrekt tot de afzonderlijke handelingen. Daar er hierin een bijna oneindige verscheidenheid heerst, is het voor één mens ondoenlijk, alle mogelijkheden te beschouwen; dit gaat niet in een enkel ogenblik, doch eist 'n langdurig tijdsverloop. Daarom is de mens op het gebied der verstandigheid aangewezen op de onderrichting van anderen, die zich reeds een juist inzicht omtrent de doeleinden van bepaalde handelingen hebben verworven. Vandaar het woord van de Wijsgeer: « Men moet evenzeer letten op de onbewezen uitspraken en meningen van oude en ondervindingrijke mensen als op bewijsvoeringen, want zij kennen de beginselen uit ervaring ». En in het Boek der Spreuken (3.5) wordt gezegd: « Steun niet op uw eigen inzicht ». En in het Boek Ecclesiasticus (6.35): « Verblijf in de vergadering der wijze presbyters », d.i. der ouderen, « en verenig u van harte met hun wijsheid ». Tot de ontvankelijkheid nu behoort, dat iemand gemakkelijk openstaat voor onderricht, en daarom wordt zij terecht onder de onderdelen der verstandigheid gerekend.

Ad primum ergo dicendum quod etsi docilitas utilis sit ad quamlibet virtutem intellectualem, praecipue tamen ad prudentiam, ratione iam dicta. (IIa-IIae q. 49 a. 3 ad 1)

1 — Ofschoon ontvankelijkheid nuttig is voor iedere deugd, dan toch wel bijzonder voor de verstandigheid en wel om de reden, vermeld in de Leerstelling.

Ad secundum dicendum quod docilitas, sicut et alia quae ad prudentiam pertinent, secundum aptitudinem quidem est a natura, sed ad eius consummationem plurimum valet humanum studium, dum scilicet homo sollicite, frequenter et reverenter applicat animum suum documentis maiorum, non negligens ea propter ignaviam, nec contemnens propter superbiam. (IIa-IIae q. 49 a. 3 ad 2)

2 — De ontvankelijkheid is als aanleg van nature de mens eigen doch dit is met alles, wat tot de verstandigheid behoort. Maar haar volmaaktheid wordt toch hoofdzakelijk verkregen door oefening, doordat nl. de mens zorgvuldig en dikwijls en vol toewijding zijn aandacht schenkt aan de ondervindingen van oudere mensen, en ze niet uit traagheid verwaarloost, noch uit trots veracht.

Ad tertium dicendum quod per prudentiam aliquis praecipit non solum aliis, sed etiam sibi ipsi, ut dictum est. Unde etiam in subditis locum habet, ut supra dictum est, ad quorum prudentiam pertinet docilitas. Quamvis etiam ipsos maiores oporteat dociles quantum ad aliqua esse, quia nullus in his quae subsunt prudentiae sibi quantum ad omnia sufficit, ut dictum est. (IIa-IIae q. 49 a. 3 ad 3)

3 — Door de verstandigheid geeft iemand niet alleen voorschriften aan anderen, maar ook aan zichzelf, zoals gezegd werd (47° Kw. 12° Art. 3° Antw.). Daarom kan ze ook in onderdanen voorkomen, zoals bleek in het zelfde artikel, en tot hun verstandigheid behoort voornamelijk de ontvankelijkheid. Maar ook ouderen moeten in verschillende dingen ontvankelijk zijn, omdat niemand in alles, wat tot het terrein der verstandigheid behoort, zichzelf in alle opzichten voldoende kan zijn, wat bleek in de Leerstelling van dit Artikel.

Articulus 4.
Is de vindingrijkheid een onderdeel van de verstandigheid?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod solertia non sit pars prudentiae. Solertia enim se habet ad facile invenienda media in demonstrationibus; ut patet in I Poster. Sed ratio prudentiae non est demonstrativa, cum sit contingentium. Ergo ad prudentiam non pertinet solertia. (IIa-IIae q. 49 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de vindingrijkheid geen onderdeel is van de verstandigheid. Vindingrijkheid is immers het gemak, om snel het bewijzend element te vinden in een bewijsvoering, zoals gezegd wordt in de Posteriora Analytica. Maar de verstandigheid houdt zich niet bezig met bewijsvoeringen, daar zij gericht is op de wisselvallige handelingen. Dus behoort de vindingrijkheid niet tot de verstandigheid.

Praeterea, ad prudentiam pertinet bene consiliari, ut dicitur in VI Ethic. Sed in bene consiliando non habet locum solertia, quae est Eustochia quaedam, idest bona coniecturatio, quae est sine ratione et velox; oportet autem consiliari tarde; ut dicitur in VI Ethic. Ergo solertia non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 4 arg. 2)

2 — Tot de verstandigheid behoort, dat men goed weet te beraadslagen, zoals blijkt uit de Ethica. Bij goed beraadslagen kan er echter geen sprake zijn van vindingrijkheid, omdat deze een vaardigheid is in het treffen, d.w.z. een vermoeden van de juiste handelwijze, wat snel en onberedeneerd geschiedt, terwijl « beraadslagen moet langzaam geschieden », zoals gezegd wordt in de Ethica. Dus moet men de vindingrijkheid niet rekenen onder de onderdelen van de verstandigheid.

Praeterea, solertia, ut dictum est, est quaedam bona coniecturatio. Sed coniecturis uti est proprie rhetorum. Ergo solertia magis pertinet ad rhetoricam quam ad prudentiam. (IIa-IIae q. 49 a. 4 arg. 3)

3 — Vindingrijkheid is, naar gezegd werd in de vorige Bedenking, de vaardigheid der goede gissing. Maar met gissingen werken is eigen aan redenaars. Daarom kan men de vindingrijkheid beter rangschikken onder de welsprekendheid, dan onder de verstandigheid.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro Etymol., sollicitus dicitur quasi solers et citus. Sed sollicitudo ad prudentiam pertinet, ut supra dictum est. Ergo et solertia. (IIa-IIae q. 49 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat « Het woord sollicitus (zorgzaam) is samengesteld uit sollers (schrander) en citus (vlug) ». De zorgzaamheid nu behoort tot de verstandigheid, zoals vroeger bleek (47 Kw. 9 Art.). Dus ook de soliertia of vindingrijkheid.

Respondeo dicendum quod prudentis est rectam aestimationem habere de operandis. Recta autem aestimatio sive opinio acquiritur in operativis, sicut in speculativis, dupliciter, uno quidem modo, per se inveniendo; alio modo, ab alio addiscendo. Sicut autem docilitas ad hoc pertinet ut homo bene se habeat in acquirendo rectam opinionem ab alio; ita solertia ad hoc pertinet ut homo bene se habeat in acquirendo rectam existimationem per seipsum. Ita tamen ut solertia accipiatur pro Eustochia, cuius est pars. Nam Eustochia est bene coniecturativa de quibuscumque, solertia autem est facilis et prompta coniecturatio circa inventionem medii, ut dicitur in I Poster. Tamen ille philosophus qui ponit solertiam partem prudentiae, accipit eam communiter pro omni Eustochia, unde dicit quod solertia est habitus qui provenit ex repentino, inveniens quod convenit. (IIa-IIae q. 49 a. 4 co.)

Het is de verstandigen mens eigen, een juiste kijk te hebben op de handelingen. Een goede kijk of mening wordt bij handelingen, evenals in het speculatieve, verkregen op tweevoudige wijze: eerstens door eigen vinding, vervolgens door van anderen te leren. De ontvankelijkheid nu maakt, dat iemand zo gesteld is, dat hij gemakkelijk de mening van een ander aanneemt; de vindingrijkheid daarentegen maakt, dat iemand zichzelf een goed oordeel verschaft. Men moet dit zo verstaan, dat de vindingrijkheid een onderdeel is van de « eustochia » d.i. een zekere scherpzinnigheid in het gissen van het goede doel, terwijl de vindingrijkheid zelve is: de vaardigheid in het gissen van het juiste middel, zoals in de Posteriora Analytica gezegd wordt. Toch gebruikt ook die wijsgeer (nl. Andronicus) welke de vindingrijkheid opnoemt als onderdeel der verstandigheid, hetzelfde woord ook voor iedere « eustochia ». Zo zegt hij. « De vindingrijkheid is de vaardigheid om plotseling de passenden weg te vinden ».

Ad primum ergo dicendum quod solertia non solum se habet circa inventionem medii in demonstrativis, sed etiam in operativis, puta cum aliquis videns aliquos amicos factos coniecturat eos esse inimicos eiusdem, ut ibidem philosophus dicit. Et hoc modo solertia pertinet ad prudentiam. (IIa-IIae q. 49 a. 4 ad 1)

1 — De vindingrijkheid heeft niet alleen tot taak bij een speculatieve bewijsvoering de middenterm te vinden, zij moet dit ook doen in de praktische orde; zo b.v. wanneer men bemerkt, dat enige personen bevriend met iemand zijn geworden, en men daaruit bij gissing besluit, dat die personen zijn vijanden waren, zoals de Wijsgeer op dezelfde plaats zegt. Op deze wijze behoort de vindingrijkheid tot de verstandigheid.

Ad secundum dicendum quod philosophus veram rationem inducit in VI Ethic. ad ostendendum quod eubulia, quae est bene consiliativa, non est Eustochia, cuius laus est in veloci consideratione eius quod oportet, potest autem esse aliquis bene consiliativus etiam si diutius consilietur vel tardius. Nec tamen propter hoc excluditur quin bona coniecturatio ad bene consiliandum valeat. Et quandoque necessaria est, quando scilicet ex improviso occurrit aliquid agendum. Et ideo solertia convenienter ponitur pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 4 ad 2)

2 — De Wijsgeer geeft de ware reden aan waarom de welberadenheid, die zorgt voor het goede overleg, niet hetzelfde is als de « eustochia », die bestaat in het snelle inzicht in de handeling, die gedaan moet worden. Immers iemand kan welberadend zijn of hij nu al snel of langzaam overleg pleegt. Hierdoor wordt echter niet uitgesloten dat een goede gissing veel bijdraagt tot een goed overleg, en somtijds is dit noodig, wanneer er namelijk iets onvoorziens gedaan moet worden. En daarom wordt de vindingrijkheid terecht genoemd als een onderdeel van de verstandigheid.

Ad tertium dicendum quod rhetorica etiam ratiocinatur circa operabilia. Unde nihil prohibet idem ad rhetoricam et prudentiam pertinere. Et tamen coniecturatio hic non sumitur solum secundum quod pertinet ad coniecturas quibus utuntur rhetores, sed secundum quod in quibuscumque dicitur homo coniicere veritatem. (IIa-IIae q. 49 a. 4 ad 3)

3 — De welsprekendheid redeneert ook over handelingen. Vandaar is er niets tegen, dat eenzelfde vaardigheid én tot de welsprekendheid én tot de verstandigheid behoort. Bovendien wordt de gissing hier niet genomen in de betekenis van de gissing, die de redenaars gebruiken, maar in alle betekenissen, waarin, zoals men zegt, iemand de waarheid tracht te gissen.

Articulus 5.
Is de redeneerkracht een deel der verstandigheid?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ratio non debeat poni pars prudentiae. Subiectum enim accidentis non est pars eius. Sed prudentia est in ratione sicut in subiecto, ut dicitur in VI Ethic. Ergo ratio non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de redeneerkracht geen onderdeel is der verstandigheid. Het subject immers van een bijkomstigheid kan niet een onderdeel van die bijkomstigheid zijn. De verstandigheid zetelt echter in de redeneerkracht van het verstand zoals staat in de Ethica. Dus kan men de redeneerkracht niet rekenen onder de onderdelen der verstandigheid.

Praeterea, illud quod est multis commune non debet alicuius eorum poni pars, vel, si ponatur, debet poni pars eius cui potissime convenit. Ratio autem necessaria est in omnibus virtutibus intellectualibus, et praecipue in sapientia et scientia, quae utuntur ratione demonstrativa. Ergo ratio non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 5 arg. 2)

2 — Wat gemeenschappelijk is aan vele dingen, kan geen onderdeel van die dingen zijn; geschiedt dit toch, dan moet het gerekend worden als onderdeel van die zaak, aan wie het het meest toekomt. Redeneerkracht nu is noodig bij alle verstandelijke vaardigheden, voornamelijk in de wetenschap en de wijsheid, die de verstandelijke bewijsvoering benutten. Dus is de redeneerkracht geen onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, ratio non differt per essentiam potentiae ab intellectu, ut prius habitum est. Si ergo intellectus ponitur pars prudentiae, superfluum fuit addere rationem. (IIa-IIae q. 49 a. 5 arg. 3)

3 — De redeneerkracht verschilt, wat het vermogen betreft, niet wezenlijk van het inzicht, zoals vroeger werd uiteengezet (I. 79° Kw. 8° Art.). Wanneer men nu het inzicht rekent als onderdeel van de verstandigheid, is het niet nodig ook nog de redeneerkracht als onderdeel te noemen.

Sed contra est quod Macrobius, secundum sententiam Plotini, rationem numerat inter partes prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de mening van Plotinus volgt, de redeneerkracht onder de delen der verstandigheid noemt.

Respondeo dicendum quod opus prudentis est esse bene consiliativum, ut dicitur in VI Ethic. Consilium autem est inquisitio quaedam ex quibusdam ad alia procedens. Hoc autem est opus rationis. Unde ad prudentiam necessarium est quod homo sit bene ratiocinativus. Et quia ea quae exiguntur ad perfectionem prudentiae dicuntur exigitivae vel quasi integrales partes prudentiae, inde est quod ratio inter partes prudentiae connumerari debet. (IIa-IIae q. 49 a. 5 co.)

Het is de taak der verstandigheid, goed te beraadslagen, zoals gezegd wordt in de Ethica. De beraadslaging nu is een soort onderzoek, dat van het bekende naar het onbekende voortgaat. Dit is echter de taak van het redenerend verstand. Daarom moet de mens goed kunnen redeneren, wil hij verstandig zijn. En omdat alles, wat vereist wordt voor de volkomenheid der verstandigheid, tot de onontbeerlijke of integrerende onderdelen gerekend wordt, volgt, dat de redeneerkracht onder de onderdelen van de verstandigheid gerangschikt hoort te worden.

Ad primum ergo dicendum quod ratio non sumitur hic pro ipsa potentia rationis, sed pro eius bono usu. (IIa-IIae q. 49 a. 5 ad 1)

1 — Het woord redeneerkracht wordt hier niet gebruikt om het redeneervermogen zelf erdoor aan te duiden, maar alleen het goede gebruik ervan.

Ad secundum dicendum quod certitudo rationis est ex intellectu, sed necessitas rationis est ex defectu intellectus, illa enim in quibus vis intellectiva plenarie viget ratione non indigent, sed suo simplici intuitu veritatem comprehendunt, sicut Deus et Angeli. Particularia autem operabilia, in quibus prudentia dirigit, recedunt praecipue ab intelligibilium conditione, et tanto magis quanto minus sunt certa seu determinata. Ea enim quae sunt artis, licet sint singularia, tamen sunt magis determinata et certa, unde in pluribus eorum non est consilium, propter certitudinem, ut dicitur in III Ethic. Et ideo quamvis in quibusdam aliis virtutibus intellectualibus sit certior ratio quam prudentia, tamen ad prudentiam maxime requiritur quod sit homo bene ratiocinativus, ut possit bene applicare universalia principia ad particularia, quae sunt varia et incerta. (IIa-IIae q. 49 a. 5 ad 2)

2 — De zekerheid der rede komt van het inzicht, maar de onontbeerlijkheid der rede komt van de ontoereikendheid van het inzicht. Want de wezens, welke de volle kracht van het inzicht bezitten, behoeven geen rede, maar begrijpen in hun enkelvoudige verstandsblik de waarheid, zoals dit het geval is bij God en de Engelen. Maar de handelingen van de mens, die altijd gericht zijn op het afzonderlijke, en welke de verstandigheid regelt, staan zeer ver af van het onmiddellijk begrijpbare, en wel des te meer, naar mate zij minder zeker of bepaald zijn. In de kunst is er meer bepaaldheid en zekerheid, en daarom is op dit terrein dikwijls geen overleg nodig wegens de zekerheid, zoals in de Ethica gezegd wordt. Ofschoon derhalve bij vele andere verstandelijke vaardigheden de rede zekerder is, dan bij de verstandigheid, blijft het toch voor de verstandigheid een allereerste vereiste, dat de mens goed redeneert kan, opdat hij de algemene beginselen goed weet toe te passen op de afzonderlijke gevallen, die wisselend en onzeker zijn.

Ad tertium dicendum quod etsi intellectus et ratio non sunt diversae potentiae, tamen denominantur ex diversis actibus, nomen enim intellectus sumitur ab intima penetratione veritatis; nomen autem rationis ab inquisitione et discursu. Et ideo utrumque ponitur pars prudentiae, ut ex dictis patet. (IIa-IIae q. 49 a. 5 ad 3)

3 — Ofschoon inzicht en rede niet tot een verschillend vermogen behoren, ontvangen zij hun benaming toch van de verschillende functie, die zij aanduiden. De naam inzicht betekent immers het diepe indringen van het verstand in de waarheid; de naam rede daarentegen komt van het onderzoek en het redeneren, zoals vroeger reeds bleek (dit en het 2° artikel).

Articulus 6.
Is de vooruitziendheid een onderdeel van de verstandigheid?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod providentia non debeat poni pars prudentiae. Nihil enim est pars sui ipsius. Sed providentia videtur idem esse quod prudentia, quia ut Isidorus dicit, in libro Etymol., prudens dicitur quasi porro videns, et ex hoc etiam nomen providentiae sumitur, ut Boetius dicit, in fine de Consol. Ergo providentia non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men de vooruitziendheid niet rekenen kan bij de onderdelen der verstandigheid. Niets immers is deel van zichzelf. De vooruitziendheid schijnt echter hetzelfde te zijn, als de verstandigheid, omdat Isidorus zegt: « Verstandig (voorzichtig) heet hij, die ver vooruitziet ». Hiervan wordt ook de naam « vooruitziendheid » afgeleid, zoals Boëtius zegt. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel der verstandigheid.

Praeterea, prudentia est solum practica. Sed providentia potest etiam esse speculativa, quia visio, ex qua sumitur nomen providentiae, magis pertinet ad speculativam quam ad operativam. Ergo providentia non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 6 arg. 2)

2 — De verstandigheid is alleen in de praktische orde. Maar de vooruitziendheid kan ook in de speculatieve orde zijn, omdat het uitzien, waarvan de naam vooruitziendheid is afgeleid, eerder tot de speculatieve dan tot de praktische orde behoort. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, principalis actus prudentiae est praecipere, secundarii autem iudicare et consiliari. Sed nihil horum videtur importari proprie per nomen providentiae. Ergo providentia non est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 6 arg. 3)

3 — De voornaamste daad der verstandigheid is bevelen, de daarop volgende in rang: oordelen en redeneren. Maar strikt genomen schijnt geen van deze drie vervat te zijn in het begrip vooruitziendheid. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel der verstandigheid.

Sed contra est auctoritas Tullii et Macrobii, qui ponunt providentiam partem prudentiae, ut ex dictis patet. (IIa-IIae q. 49 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag van Tullius en Macrobius, die de vooruitziendheid noemen bij de onderdelen der verstandigheid, zoals boven gezegd is (48e Kw.).

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, prudentia proprie est circa ea quae sunt ad finem; et hoc ad eius officium proprie pertinet, ut ad finem debite ordinentur. Et quamvis aliqua necessaria sint propter finem quae subiiciuntur divinae providentiae, humanae tamen prudentiae non subiiciuntur nisi contingentia operabilia quae per hominem possunt fieri propter finem. Praeterita autem in necessitatem quandam transeunt, quia impossibile est non esse quod factum est. Similiter etiam praesentia, inquantum huiusmodi, necessitatem quandam habent, necesse est enim Socratem sedere dum sedet. Unde consequens est quod contingentia futura, secundum quod sunt per hominem in finem humanae vitae ordinabilia, pertineant ad prudentiam. Utrumque autem horum importatur in nomine providentiae, importat enim providentia respectum quendam alicuius distantis, ad quod ea quae in praesenti occurrunt ordinanda sunt. Unde providentia est pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 6 co.)

Vroeger werd aangetoond (47e Kw. 1e Art. 2e Antw.), dat de verstandigheid krachtens haar wezen gericht is op middelen tot het doel, en het is haar eigenlijke taak, de middelen goed te ordenen naar het doel. Sommige middelen zijn noodzakelijk tot het doel en onderworpen aan Gods Voorzienigheid. Aan de menselijke voorzienigheid zijn slechts die wisselvallige handelingen overgelaten, die de mens al dan niet kan doen om zijn doel te bereiken. Voorbije handelingen zijn in zekere zin noodzakelijk geworden, omdat het eenmaal gebeurde onmogelijk niet kan gebeurd zijn. Evenzo is het tegenwoordige iets noodzakelijks geworden, want het is noodzakelijk dat Socrates zit, terwijl hij zit. Hieruit volgt, dat alleen de wisselvallige toekomstige handelingen, voor zover zij door de mens kunnen gericht worden op het einddoel van zijn leven, behoren tot de verstandigheid. Maar beide functies, nl. het vooruitzien in de toekomst en het ordenen naar het doel, liggen besloten in de naam vooruitziendheid, want vooruitziendheid duidt aan een zekere betrekking op iets, wat op een afstand is, waarheen de tegenwoordige gebeurtenissen moeten geordend worden. Daarom is de vooruitziendheid een onderdeel der verstandigheid.

Ad primum ergo dicendum quod quandocumque multa requiruntur ad unum, necesse est unum eorum esse principale, ad quod omnia alia ordinantur. Unde et in quolibet toto necesse est esse unam partem formalem et praedominantem, a qua totum unitatem habet. Et secundum hoc providentia est principalior inter omnes partes prudentiae, quia omnia alia quae requiruntur ad prudentiam ad hoc necessaria sunt ut aliquid recte ordinetur ad finem. Et ideo nomen ipsius prudentiae sumitur a providentia, sicut a principaliori sua parte. (IIa-IIae q. 49 a. 6 ad 1)

1 — Wanneer meerdere zaken nodig zijn voor een, dan moet noodzakelijk die ene zaak de voornaamste zijn, waartoe de anderen geordend zijn. Daarom moet er in ieder geheel noodzakelijk een onderdeel zijn, dat de vorm geeft en boven de anderen staat, waaruit de anderen hun eenheid verkrijgen. Uitgaande van dit beginsel is de vooruitziendheid het voornaamste onderdeel der verstandigheid, omdat al het andere, wat vereist wordt voor de verstandigheid, noodzakelijk is, opdat een handeling juist gericht wordt op het doel. Daarom wordt dat andere woord voor verstandigheid, nl. voorzichtigheid, afgeleid van vooruitziendheid, omdat deze haar voornaamste deel is.

Ad secundum dicendum quod speculatio est circa universalia et circa necessaria, quae secundum se non sunt procul, cum sint ubique et semper, etsi sint procul quoad nos, inquantum ab eorum cognitione deficimus. Unde providentia non proprie dicitur in speculativis, sed solum in practicis. (IIa-IIae q. 49 a. 6 ad 2)

2 — De speculatieve orde heeft betrekking op de algemene en noodzakelijke dingen, die op zich genomen niet op een afstand staan, omdat zij overal en altijd aanwezig zijn. Wel kunnen zij voor ons verwijderd zijn, in zover wij in de kennis ervan tekort schieten. Vandaar kan men in de speculatieve orde eigenlijk niet spreken van vooruitziendheid, wel in de praktische.

Ad tertium dicendum quod in recta ordinatione ad finem, quae includitur in ratione providentiae, importatur rectitudo consilii et iudicii et praecepti, sine quibus recta ordinatio ad finem esse non potest. (IIa-IIae q. 49 a. 6 ad 3)

3 — De juiste ordening der handelingen op het doel, die besloten is in het wezen der verstandigheid, houdt in een goed overleg, een juist oordeel en een goed bevel. Zonder deze kan geen goede ordening tot het doel plaatsvinden.

Articulus 7.
Is de omzichtigheid een onderdeel der verstandigheid?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod circumspectio non possit esse pars prudentiae. Circumspectio enim videtur esse consideratio quaedam eorum quae circumstant. Huiusmodi autem sunt infinita, quae non possunt comprehendi ratione, in qua est prudentia. Ergo circumspectio non debet poni pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de omzichtigheid geen onderdeel van de verstandigheid kan zijn. De omzichtigheid is immers een soort uitzien naar de omstandigheden. Deze zijn oneindig in aantal en kunnen daarom niet bevat worden door het verstand, dat de zetel is van de verstandigheid. Dus kan men de omzichtigheid niet rekenen als onderdeel van de verstandigheid.

Praeterea, circumstantiae magis videntur pertinere ad virtutes morales quam ad prudentiam. Sed circumspectio nihil aliud esse videtur quam respectus circumstantiarum. Ergo circumspectio magis videtur pertinere ad morales virtutes quam ad prudentiam. (IIa-IIae q. 49 a. 7 arg. 2)

2 — De omstandigheden vallen eerder onder de zedelijke deugden dan onder de verstandigheid. De omzichtigheid nu is in wezen niets anders dan een beschouwing der omstandigheden. Dus behoort de omzichtigheid veeleer tot de zedelijke deugden dan tot de verstandigheid.

Praeterea, qui potest videre quae procul sunt multo magis potest videre quae circa sunt. Sed per providentiam homo est potens prospicere quae procul sunt. Ergo ipsa sufficit ad considerandum ea quae circumstant. Non ergo oportuit, praeter providentiam, ponere circumspectionem partem prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 7 arg. 3)

3 — Wie het verre kan zien, is zeker in staat te zien wat rondom hem is. De vooruitziendheid stelt de mens in staat ver vooruit te zien. Daarom is het niet nodig naast de vooruitziendheid ook nog de omzichtigheid te onderscheiden als onderdeel van de verstandigheid.

Sed contra est auctoritas Macrobii, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 49 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag van Macrobius, dat in de voorafgaande kwestie werd aangehaald.

Respondeo dicendum quod ad prudentiam, sicut dictum est, praecipue pertinet recte ordinare aliquid in finem. Quod quidem recte non fit nisi et finis sit bonus, et id quod ordinatur in finem sit etiam bonum et conveniens fini. Sed quia prudentia, sicut dictum est, est circa singularia operabilia, in quibus multa concurrunt, contingit aliquid secundum se consideratum esse bonum et conveniens fini, quod tamen ex aliquibus concurrentibus redditur vel malum vel non opportunum ad finem. Sicut ostendere signa amoris alicui, secundum se consideratum, videtur esse conveniens ad alliciendum eius animum ad amorem, sed si contingat in animo illius superbia vel suspicio adulationis, non erit hoc conveniens ad finem. Et ideo necessaria est circumspectio ad prudentiam, ut scilicet homo id quod ordinatur in finem comparet etiam cum his quae circumstant. (IIa-IIae q. 49 a. 7 co.)

In het voorgaande artikel werd uiteengezet, dat de taak der verstandigheid is, een handeling goed te ordenen naar het doel. Dit is onmogelijk tenzij en het doel goed is en de handeling, die naar het doel gericht wordt, juist en in overeenstemming met dat doel. De verstandigheid nu strekt zich uit tot de afzonderlijke handelingen, zoals reeds werd aangetoond (3e Art.), waarbij zich vele en wisselende gevallen voordoen. Daarom kan het gebeuren, dat iets, wat op zichzelf goed is en overeenkomstig het doel, door sommige zich voordoende omstandigheden slecht wordt of ongeschikt voor dat doel. Zo is het op zichzelf beschouwd goed, iemand door tekenen zijn liefde te tonen om zijn ziel ook tot liefde op te wekken; maar wanneer in zijn ziel hoogmoed of verdenking van vleierij gewekt worden, is het geven van zulke liefdebewijzen niet geschikt voor het doel. Daarom is de omzichtigheid nodig voor de verstandigheid, opdat de mens de handelingen, die hij richt op een doel, ook in overeenstemming weet te brengen met de omstandigheden.

Ad primum ergo dicendum quod licet ea quae possunt circumstare sint infinita, tamen ea quae circumstant in actu non sunt infinita, sed pauca quaedam sunt quae immutant iudicium rationis in agendis. (IIa-IIae q. 49 a. 7 ad 1)

1 — De omstandigheden die zich kunnen voordoen, zijn zeker oneindig in aantal, maar de omstandigheden die zich inderdaad voordoen en het oordeel van het verstand kunnen wijzigen, zijn gewoonlijk slechts klein in getal.

Ad secundum dicendum quod circumstantiae pertinent ad prudentiam quidem sicut ad determinandum eas, ad virtutes autem morales inquantum per circumstantiarum determinationem perficiuntur. (IIa-IIae q. 49 a. 7 ad 2)

2 — De omstandigheden vallen wel onder de verstandigheid en zijn van invloed op haar beslissing, maar zij behoren evenzeer tot de zedelijke deugden, die haar bepaling van de omstandigheden ontvangen.

Ad tertium dicendum quod sicut ad providentiam pertinet prospicere id quod est per se conveniens fini, ita ad circumspectionem pertinet considerare an sit conveniens fini secundum ea quae circumstant. Utrumque autem horum habet specialem difficultatem. Et ideo utrumque eorum seorsum ponitur pars prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 7 ad 3)

3 — Is het de taak der vooruitziendheid, uit te zien naar wat op zichzelf genomen nuttig is voor een doel, het is taak der omzichtigheid er op te letten of iets in zijn omstandigheden beschouwd voor een doel geschikt is. Beide functies nu hebben hun eigen moeilijkheden, en daarom worden beiden als aparte onderdelen der verstandigheid beschouwd.

Articulus 8.
Is de behoedzaamheid een onderdeel der verstandigheid?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod cautio non debeat poni pars prudentiae. In his enim in quibus non potest malum esse non est necessaria cautio. Sed virtutibus nemo male utitur, ut dicitur in libro de Lib. Arb. Ergo cautio non pertinet ad prudentiam, quae est directiva virtutum. (IIa-IIae q. 49 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de behoedzaamheid niet gerekend kan worden als onderdeel van de verstandigheid. Behoedzaamheid is overbodig, wanneer geen kwaad te vrezen is. De deugd nu “ wordt door niemand verkeerd gebruikt ”, zegt Augustinus. Dus behoort de behoedzaamheid zeker niet bij de verstandigheid, die de leidsvrouw is van alle andere deugden.

Praeterea, eiusdem est providere bona et cavere mala, sicut eiusdem artis est facere sanitatem et curare aegritudinem. Sed providere bona pertinet ad providentiam. Ergo etiam cavere mala. Non ergo cautio debet poni alia pars prudentiae a providentia. (IIa-IIae q. 49 a. 8 arg. 2)

2 — Wie zorgt voor het goede, heeft tevens tot taak, te waken tegen het kwaad. Zo behoort de zorg voor de gezondheid en het genezen van de ziekte tot eenzelfde kunst. De taak van de verstandigheid is, te voorzien in het goede, dus tevens ook te waken tegen het kwade. Derhalve kan de behoedzaamheid niet gerekend worden onder de onderdelen van de verstandigheid.

Praeterea, nullus prudens conatur ad impossibile. Sed nullus potest praecavere omnia mala quae possunt contingere. Ergo cautio non pertinet ad prudentiam. (IIa-IIae q. 49 a. 8 arg. 3)

3 — Een verstandig mens is nooit gedwongen tot het onmogelijke. Maar niemand kan alle kwaad voorkomen, dat zich kan voordoen. Dus behoort de behoedzaamheid niet tot de verstandigheid.

Sed contra est quod apostolus dicit, ad Ephes. V, videte quomodo caute ambuletis. (IIa-IIae q. 49 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (5.15): «Ziet toe dat gij behoedzaam wandelt».

Respondeo dicendum quod ea circa quae est prudentia sunt contingentia operabilia, in quibus, sicut verum potest admisceri falso, ita et malum bono, propter multiformitatem huiusmodi operabilium, in quibus bona plerumque impediuntur a malis, et mala habent speciem boni. Et ideo necessaria est cautio ad prudentiam, ut sic accipiantur bona quod vitentur mala. (IIa-IIae q. 49 a. 8 co.)

Het voorwerp van de verstandigheid zijn de handelingen, die altijd aan wisselvalligheden onderhevig zijn. En evenals het ware zich vermengen kan met het valse, zo ook het goede met het kwade, omdat wegens de velerlei vormen van die handelingen dikwijls het goede door het kwade wordt belemmerd en het kwade de schijn van het goede aanneemt. Daarom behoort de behoedzaamheid noodzakelijk tot de verstandigheid, opdat het goede zo geschiede, dat het kwade vermeden wordt.

Ad primum ergo dicendum quod cautio non est necessaria in moralibus actibus ut aliquis sibi caveat ab actibus virtutum, sed ut sibi caveat ab eis per quae actus virtutum impediri possunt. (IIa-IIae q. 49 a. 8 ad 1)

1 — Bij zedelijk goede handelingen is geen behoedzaamheid nodig: men behoeft zich immers niet te behoeden tegen een deugddaad. Wel is behoedzaamheid nodig tegen verkeerde daden, waardoor de deugd belemmerd kan worden.

Ad secundum dicendum quod opposita mala cavere eiusdem rationis est et prosequi bona. Sed vitare aliqua impedimenta extrinseca, hoc pertinet ad aliam rationem. Et ideo cautio distinguitur a providentia, quamvis utrumque pertineat ad unam virtutem prudentiae. (IIa-IIae q. 49 a. 8 ad 2)

2 — Het nastreven van een bepaald goed behoort tot dezelfde orde als het zich behoeden tegen het tegenovergestelde kwaad. Maar het vermijden van andere hindernissen, die tot een andere orde behoren, vereist een afzonderlijke deugd. En daarom wordt de behoedzaamheid gerekend als een afzonderlijk onderdeel van de verstandigheid naast de vooruitziendheid.

Ad tertium dicendum quod malorum quae homini vitanda occurrunt quaedam sunt quae ut in pluribus accidere solent. Et talia comprehendi ratione possunt. Et contra haec ordinatur cautio, ut totaliter vitentur, vel ut minus noceant. Quaedam vero sunt quae ut in paucioribus et casualiter accidunt. Et haec, cum sint infinita, ratione comprehendi non possunt, nec sufficienter homo potest ea praecavere, quamvis per officium prudentiae homo contra omnes fortunae insultus disponere possit ut minus laedatur. (IIa-IIae q. 49 a. 8 ad 3)

3 — Van het kwaad, dat de mens te vermijden heeft, kan een gedeelte teruggebracht worden tot enkele meest voorkomende gevallen, die het verstand dus kan overzien. Het is nu de taak der behoedzaamheid, dit kwaad ofwel geheel te vermijden, of te zorgen, dat het zo min mogelijk schade berokkent. Dan is er nog kwaad, dat slechts zelden en als bij toeval voorkomt. Hierin heerst een oneindige verscheidenheid, zodat het verstand hiervan geen overzicht kan hebben en de mens er zich niet voldoende tegen kan beveiligen. Toch kan de mens zich met behulp van de verstandigheid zo wapenen tegen al de sprongen van het noodlot, dat hij er minder door benadeeld wordt.