QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 95.
Over het bijgeloof in de Waarzeggerij .

Prooemium

Deinde considerandum est de superstitione divinativa. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum divinatio sit peccatum. Secundo, utrum sit species superstitionis. Tertio, de speciebus divinationis. Quarto, de divinatione quae fit per Daemones. Quinto, de divinatione quae fit per astra. Sexto, de divinatione quae fit per somnia. Septimo, de divinatione quae fit per auguria et alias huiusmodi observationes. Octavo, de divinatione quae fit per sortes. (IIa-IIae q. 95 pr.)

Vervolgens moeten wij spreken over het bijgeloof in de waarzeggerij. En hierover stellen wij ons acht vragen: 1. Is waarzeggerij zonde? 2. Is het een soort bijgeloof? 3. Over de soorten van waarzeggerij. 4. Over de waarzeggerij door middel van de duivelen. 5. Over de waarzeggerij uit de sterren. 6. Over de waarzeggerij uit dromen. 7. Over de waarzeggerij uit voortekens en dergelijke handelingen. 8. Over de waarzeggerij uit het werpen van het lot.

Articulus 1.
Is waarzeggerij zonde?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod divinatio non sit peccatum. Divinatio enim ab aliquo divino nominatur. Sed ea quae sunt divina magis ad sanctitatem pertinent quam ad peccatum. Ergo videtur quod divinatio non est peccatum. (IIa-IIae q. 95 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat waarzeggerij geen zonde is. Want zij heeft haar naam (divinatio) van iets goddelijks (divinum). Wat echter iets goddelijks is, behoort eerder tot de heiligheid dan tot de zonde. Dus schijnt waarzeggerij geen zonde te zijn.

Praeterea, Augustinus dicit, in libro de Lib. Arbit., quis audeat dicere disciplinam esse malum? Et iterum, nullo modo dixerim aliquam intelligentiam malam esse posse. Sed aliquae artes sunt divinativae, ut patet per philosophum, in libro de memoria. Videtur etiam ipsa divinatio ad aliquam intelligentiam veritatis pertinere. Ergo videtur quod divinatio non sit peccatum. (IIa-IIae q. 95 a. 1 arg. 2)

2 — Augustinus zegt: « Wie zou durven zeggen, dat onderricht iets slechts was? » En nogmaals: « Ik zou geenszins willen zeggen, dat enig inzicht verkeerd zou kunnen zijn. » Nu zijn er middelen om te voorzeggen, zoals de Wijsgeer bewijst. Dus schijnt ook het waarzeggen zelf tot een begrijpen van de waarheid teruggebracht te worden. Dus schijnt de waarzeggerij geen zonde te zijn.

Praeterea, naturalis inclinatio non est ad aliquod malum, quia natura non inclinat nisi ad simile sibi. Sed ex naturali inclinatione homines sollicitantur praenoscere futuros eventus, quod pertinet ad divinationem. Ergo divinatio non est peccatum. (IIa-IIae q. 95 a. 1 arg. 3)

3 — Er is geen natuurlijke neiging tot iets verkeerds, omdat de natuur alleen geneigd is tot wat haar gelijkt. Nu worden de mensen door een natuurlijke neiging geprikkeld om de toekomstige gebeurtenissen te kennen, wat tot de waarzeggerij behoort. Dus is dit geen zonde.

Sed contra est quod dicitur Deut. XVIII, non sit qui Pythones consulat, neque divinos. Et in decretis, XXVI, qu. V, dicitur, qui divinationes expetunt, sub regulis quinquennii iaceant, secundum gradus poenitentiae definitos. (IIa-IIae q. 95 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Deuteronomium (18, 11) wordt gezegd: « Laat er niemand zijn, die waarzeggers of zieners raadpleegt. » En in de Decretaliën staat: « Die om waarzeggerijen vragen, vallen onder de regels van de vijf jaren volgens de vastgestelde regels over de straffen. »

Respondeo dicendum quod in nomine divinationis intelligitur quaedam praenuntiatio futurorum. Futura autem dupliciter praenosci possunt, uno quidem modo, in suis causis; alio modo, in seipsis. Causae autem futurorum tripliciter se habent. Quaedam enim producunt ex necessitate et semper suos effectus. Et huiusmodi effectus futuri per certitudinem praenosci possunt et praenuntiari ex consideratione suarum causarum, sicut astrologi praenuntiant eclipses futuras. Quaedam vero causae producunt suos effectus non ex necessitate et semper, sed ut in pluribus, raro tamen deficiunt. Et per huiusmodi causas possunt praenosci futuri effectus, non quidem per certitudinem, sed per quandam coniecturam, sicut astrologi per considerationem stellarum quaedam praenoscere et praenuntiare possunt de pluviis et siccitatibus, et medici de sanitate vel morte. Quaedam vero causae sunt quae, si secundum se considerentur, se habent ad utrumlibet, quod praecipue videtur de potentiis rationalibus, quae se habent ad opposita, secundum philosophum. Et tales effectus, vel etiam si qui effectus ut in paucioribus casu accidunt ex naturalibus causis, per considerationem causarum praenosci non possunt, quia eorum causae non habent inclinationem determinatam ad huiusmodi effectus. Et ideo effectus huiusmodi praenosci non possunt nisi in seipsis considerentur. Homines autem in seipsis huiusmodi effectus considerare possunt solum dum sunt praesentes, sicut cum homo videt Socratem currere vel ambulare. Sed considerare huiusmodi in seipsis antequam fiant, est Dei proprium, qui solus in sua aeternitate videt ea quae futura sunt quasi praesentia, ut in primo habitum est, unde dicitur Isaiae XLI, annuntiate quae futura sunt in futurum, et sciemus quoniam dii estis vos. Si quis ergo huiusmodi futura praenoscere aut praenuntiare quocumque modo praesumpserit, nisi Deo revelante, manifeste usurpat sibi quod Dei est. Et ex hoc aliqui divini dicuntur, unde dicit Isidorus, in libro Etymol., divini dicti quasi Deo pleni, divinitate enim se plenos simulant, et astutia quadam fraudulentiae hominibus futura coniectant. Divinatio ergo non dicitur si quis praenuntiet ea quae ex necessario eveniunt vel ut in pluribus, quae humana ratione praenosci possunt. Neque etiam si quis futura alia contingentia, Deo revelante, cognoscat, tunc enim non ipse divinat, idest, quod divinum est facit, sed magis quod divinum est suscipit. Tunc autem solum dicitur divinare quando sibi indebito modo usurpat praenuntiationem futurorum eventuum. Hoc autem constat esse peccatum. Unde divinatio semper est peccatum. Et propter hoc Hieronymus dicit, super Michaeam, quod divinatio semper in malam partem accipitur. (IIa-IIae q. 95 a. 1 co.)

In de naam waarzeggerij ligt het vooraf aankondigen van het toekomstige opgesloten. Nu kan het toekomstige op twee manieren van te voren worden gekend: op een manier in zijn oorzaken, op een andere manier in zichzelf. Maar nu zijn er drie soorten van oorzaken van iets toekomstigs. Sommigen nl. brengen noodzakelijkerwijze en altijd hun gevolgen voort. En deze toekomstige gevolgen kan men met zekerheid van te voren kennen en aankondigen door het beschouwen van hun oorzaken; zoals de sterrenkundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. — Andere oorzaken echter brengen hun gevolgen niet uit een noodzakelijkheid en altijd voort in de meeste gevallen, en zij schieten zelden te kort. En uit deze oorzaken kunnen de toekomstige gevolgen van te voren worden gekend, wel niet met zekerheid, maar door een soort gissen; zoals sterrenkundigen door het bestuderen van de sterren iets van te voren kunnen weten en aankondigen over regens en droogten, en dokters over gezondheid en ziekte. Er zijn echter ook oorzaken, die op zichzelf beschouwd beide kanten op kunnen gaan, wat vooral het geval schijnt bij redelijke vermogens, die tegengestelde dingen als hun voorwerp hebben volgens de Wijsgeer. En deze gevolgen, alsmede die, welke in het minste aantal gevallen, bij toeval, uit natuur-oorzaken voorkomen, kunnen van te voren uit het bestuderen van de oorzaken niet worden gekend, omdat hun oorzaken geen bepaalden aanleg op die gevolgen hebben. Daarom kunnen deze gevolgen niet van te voren worden gekend tenzij zij in zichzelf worden gezien. Nu kunnen de mensen dergelijke gevolgen alleen in zichzelf waarnemen, wanneer ze er zijn, zoals wanneer een mens Socrates ziet hollen of wandelen. Het kennen van dergelijke dingen in zichzelf is eigen aan God, die alleen in Zijn eeuwig toekomstige tegenwoordig ziet, zoals in het Eerste Deel (14e Kw. 13e Art.) behandeld is; daarom wordt bij Isaïas (41, 23) gezegd: « Deelt mee, wat in de toekomst zal geschieden, en wij zullen weten, dat gij goden zijt. » Als iemand zich dus hoe dan ook zou vermeten om dergelijke toekomstige dingen van te voren te weten of te vertellen, tenzij op een openbaring van God, dan matigt hij zich duidelijk aan wat God toekomt. En daarom worden sommigen divini (waarzeggers) genoemd, zodat Isidorus zegt: « Zij worden divini genoemd als vol van God; want zij veinzen vol van God te zijn en met een sluw bedrog gissen zij voor de mensen over de toekomst. » Men spreekt dus niet van waarzeggerij, als iemand wat noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen gebeurt van te voren vermeldt, omdat het menselijk verstand dit van te voren kan kennen. En ook niet als iemand andere toekomstige dingen, die toevallig zijn, door een openbaring van God kent, want dan divineert hij niet, d.w. z. doet niet, wat God toekomt, maar ontvangt eerder iets goddelijks. Maar men spreekt alleen dan van waarzeggerij, als iemand zich op een verkeerde manier het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen aanmatigt. Nu is het zeker, dat dit zonde is. Daarom is waarzeggerij altijd zonde. En daarom zegt Hieronymus bij Micheas (3, 9), dat « waarzeggerij altijd als iets verkeerds wordt opgevat. »

Ad primum ergo dicendum quod divinatio non dicitur ab ordinata participatione alicuius divini, sed ab indebita usurpatione, ut dictum est. (IIa-IIae q. 95 a. 1 ad 1)

1 — Zoals is gezegd, spreekt men niet van waarzeggerij om een ordelijk deelhebben aan iets goddelijks, maar om een ongeoorloofde aanmatiging.

Ad secundum dicendum quod artes quaedam sunt ad praecognoscendum futuros eventus qui ex necessitate vel frequenter proveniunt, quod ad divinationem non pertinet. Sed ad alios futuros eventus cognoscendos non sunt aliquae verae artes seu disciplinae, sed fallaces et vanae, ex deceptione Daemonum introductae; ut dicit Augustinus, in XXI de Civ. Dei. (IIa-IIae q. 95 a. 1 ad 2)

2 — Er zijn middelen om de toekomstige gebeurtenissen, die noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen geschieden, van te voren te kennen; maar dat behoort niet tot de waarzeggerij. Maar om sommige toekomstige feiten te kennen zijn er geen echte vaardigheden of wetenschappen, maar alleen bedrieglijke en ijdele, die van het bedrog van de duivels komen, zoals Augustinus zegt.

Ad tertium dicendum quod homo habet naturalem inclinationem ad cognoscendum futura secundum modum humanum, non autem secundum indebitum divinationis modum. (IIa-IIae q. 95 a. 1 ad 3)

3 — De mens is van nature geneigd om de toekomst op een menselijke manier te kennen, maar niet op de ongeoorloofde manier der waarzeggerij.

Articulus 2.
Is waarzeggerij een soort bijgeloof?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod divinatio non sit species superstitionis. Idem enim non potest esse species diversorum generum. Sed divinatio videtur esse species curiositatis; ut Augustinus dicit, in libro de vera Relig. Ergo videtur quod non sit species superstitionis. (IIa-IIae q. 95 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat waarzeggerij geen soort bijgeloof is. Want hetzelfde kan geen soort dat tot verschillende klassen behoort, zijn. Nu is waarzeggerij een soort nieuwsgierigheid, zoals Augustinus zegt. Dus schijnt het geen soort bijgeloof te zijn.

Praeterea, sicut religio est cultus debitus, ita superstitio est cultus indebitus. Sed divinatio non videtur ad aliquem cultum indebitum pertinere. Ergo divinatio non pertinet ad superstitionem. (IIa-IIae q. 95 a. 2 arg. 2)

2 — Zoals de godsdienstigheid de ware godsverering is, is het bijgeloof de verkeerde. Nu schijnt waarzeggerij niet tot een verkeerde verering te behoren. Dus valt het niet onder de bijgelovigheid.

Praeterea, superstitio religioni opponitur. Sed in vera religione non invenitur aliquid divinationi per contrarium respondens. Ergo divinatio non est species superstitionis. (IIa-IIae q. 95 a. 2 arg. 3)

3 — Bijgeloof staat tegenover godsdienstigheid. Nu vindt men in de ware godsdienstigheid niets tegengestelds, dat aan de waarzeggerij beantwoordt. Dus is de waarzeggerij geen soort bijgeloof.

Sed contra est quod Origenes dicit, in periarchon, est quaedam operatio Daemonum in ministerio praescientiae, quae artibus quibusdam ab his qui se Daemonibus mancipaverunt, nunc per sortes, nunc per auguria, nunc ex contemplatione umbrarum comprehendi videtur. Haec autem omnia operatione Daemonum fieri non dubito. Sed sicut Augustinus dicit, in II de Doct. Christ., quidquid procedit ex societate Daemonum et hominum superstitiosum est. Ergo divinatio est species superstitionis. (IIa-IIae q. 95 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Origenes zegt: « Er is een werkzaamheid van de duivels, die de toekomst doet voorzien, wat door de kunstgrepen van sommigen, die zich aan de duivels hebben overgegeven, nu eens door het lot te werpen, dan door voortekenen, dan door het bestuderen van schaduwen beheerst schijnt te worden. Ik twijfel echter niet, dat dit alles door duivelswerk gebeurt. » Maar zoals Augustinus zegt, is alles wat uit een gemeenschap tussen duivels en mensen voortkomt bijgeloof. Dus is waarzeggerij een soort bijgeloof.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, superstitio importat indebitum cultum divinitatis. Ad cultum autem Dei pertinet aliquid dupliciter. Uno modo, cum aliquid Deo offertur, vel sacrificium, vel oblatio, vel aliquid huiusmodi. Alio modo, cum aliquid divinum assumitur, sicut dictum est supra de iuramento. Et ideo ad superstitionem pertinet non solum cum sacrificium Daemonibus offertur per idololatriam, sed etiam cum aliquis assumit auxilium Daemonum ad aliquid faciendum vel cognoscendum. Omnis autem divinatio ex operatione Daemonum provenit, vel quia expresse Daemones invocantur ad futura manifestanda; vel quia Daemones se ingerunt vanis inquisitionibus futurorum, ut mentes hominum implicent vanitate; de qua vanitate in Psalm. dicitur, non respexit in vanitates et insanias falsas. Vana autem inquisitio futurorum est quando aliquis futurum praenoscere tentat unde praenosci non potest. Unde manifestum est quod divinatio species superstitionis est. (IIa-IIae q. 95 a. 2 co.)

Zoals vroeger (92e Kw. 1e Art.) werd gezegd, sluit bijgeloof een verkeerd eren van de godheid in. Nu behoort iets op twee manieren tot het vereren van God. Op één manier als iets aan God wordt aangeboden, hetzij een offer of een geschenk of dergelijken. Op een tweede manier, als men iets goddelijks. gebruikt, zoals vroeger (89e Kw. Inl.) over de eed is gezegd. En daarom valt het niet alleen onder bijgeloof, als door afgoderij aan de duivels een offer wordt opgedragen, maar ook als iemand de hulp van de duivels gebruikt om iets te doen of te weten. Nu komt alle waarzeggerij uit duivelswerk voort; ofwel omdat de duivels uitdrukkelijk worden aangeroepen om de toekomst bekend te maken; ofwel omdat de duivels zich mengen in ijdel vorsen naar de toekomst om de zielen van de mensen met ijdelheden te vervullen; en over deze ijdelheden zegt het psalmwoord: « Hij heeft niet gelet op ijdelheden en valse dwaasheden. » (Ps. 39, 5) Nu is het een nutteloos onderzoek van de toekomst als iemand de voorkennis ervan daarvandaan wil halen, waar zij niet te verkrijgen is. Daarom is het duidelijk, dat waarzeggerij een soort bijgeloof is.

Ad primum ergo dicendum quod divinatio pertinet ad curiositatem quantum ad finem intentum, qui est praecognitio futurorum. Sed pertinet ad superstitionem quantum ad modum operationis. (IIa-IIae q. 95 a. 2 ad 1)

1 — Waarzeggerij valt onder de nieuwsgierigheid wat het beoogde doel, de voorkennis van de toekomst betreft. Maar wat de manier om dat te bewerken betreft, valt zij onder bijgeloof.

Ad secundum dicendum quod huiusmodi divinatio pertinet ad cultum Daemonum, inquantum aliquis utitur quodam pacto tacito vel expresso cum Daemonibus. (IIa-IIae q. 95 a. 2 ad 2)

2 — Dit soort waarzeggerij valt onder duivelverering, in zover men daarbij uitdrukkelijk of stilzwijgend op een verbond met met duivels steunt.

Ad tertium dicendum quod in nova lege mens hominis arcetur a temporalium sollicitudine, et ideo non est in nova lege aliquid institutum ad praecognitionem eventuum futurorum de temporalibus rebus. In veteri autem lege, quae promittebat terrena, erant consultationes de futuris ad religionem pertinentes, unde dicitur Isaiae VIII, et cum dixerint ad vos, quaerite a Pythonibus et a divinis, qui strident incantationibus suis, subdit, quasi responsionem, numquid non populus a Deo suo requiret visionem pro vivis et mortuis? Fuerunt tamen in novo testamento etiam aliqui prophetiae spiritum habentes, qui multa de futuris eventibus praedixerunt. (IIa-IIae q. 95 a. 2 ad 3)

3 — Onder het Nieuwe Verbond wordt de geest van de mens van tijdelijke beslommeringen afgehouden; en daarom is er onder de Nieuwe Wet niets ingesteld om toekomstige gebeurtenissen. in verband met tijdelijke belangen van te voren te kennen. Maar onder de Oude Wet, die aardse goederen beloofde, bestond er binnen het kader van de godsdienst een raadplegen over de toekomst; daarom zegt Isaïas (8, 19): « En als zij tot U zeggen: Vraagt de zieners en waarzeggers, die rumoer maken bij hun toverijen, » en hij voegt er als antwoord bij : « Zal het volk niet van zijn God een gezicht vragen over levenden en doden? » Er waren evenwel ook onder het Nieuwe Verbond verschillenden, die de geest der profetie hadden en vele voorzeggingen deden over de toekomst.

Articulus 3.
Kan men meerdere soorten waarzeggerij aangeven?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit determinare plures divinationis species. Ubi enim est una ratio peccandi, non videntur esse plures peccati species. Sed in omni divinatione est una ratio peccandi, quia scilicet utitur aliquis pacto Daemonum ad cognoscendum futura. Ergo divinationis non sunt diversae species. (IIa-IIae q. 95 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men niet meerdere soorten waarzeggerij kan aangeven. Want waar er maar een reden van zondigheid is, schijnen er niet meerdere soorten van zonden te zijn. Nu is er maar een reden van zondigheid bij alle waarzeggerij: dat men nl. een verbond met de duivels gebruikt om de toekomst te kennen. Dus zijn er geen verschillende soorten van waarzeggerij.

Praeterea, actus humanus speciem sortitur ex fine, ut supra habitum est. Sed omnis divinatio ordinatur ad unum finem, scilicet ad praenuntiationem futurorum. Ergo omnis divinatio est unius speciei. (IIa-IIae q. 95 a. 3 arg. 2)

2 — Menselijke handelingen krijgen, zoals vroeger gezegd is (I-II. 1e Kw. 3e Art.), hun aard van het doel. Nu heeft alle waarzeggerij maar één doel, nl. van te voren de toekomst te verkondigen. Dus behoort alle waarzeggerij tot één soort.

Praeterea, signa non diversificant speciem peccati, sive enim aliquis detrahat verbis, vel scripto vel nutu, est eadem peccati species. Sed divinationes non videntur differre nisi secundum diversa signa ex quibus accipitur praecognitio futurorum. Ergo non sunt diversae divinationis species. (IIa-IIae q. 95 a. 3 arg. 3)

3 — Tekens brengen geen soortverschil mee in de zonde, want of iemand door woorden kwaadspreekt of door geschrift of door tekens, het is hetzelfde soort zonde. Nu schijnt er bij de waarzeggerijen alleen verschil te bestaan in de tekens, waaruit men de voorkennis van de toekomst haalt. Dus zijn er geen verschillende soorten waarzeggerij.

Sed contra est quod Isidorus, in libro Etymol., enumerat diversas species divinationis. (IIa-IIae q. 95 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Isidorus verschillende soorten waarzeggerij opsomt.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, omnis divinatio utitur ad praecognitionem futuri eventus aliquo Daemonum consilio et auxilio. Quod quidem vel expresse imploratur, vel praeter petitionem hominis, se occulte Daemon ingerit ad praenuntiandum quaedam futura quae hominibus sunt ignota, eis autem cognita per modos de quibus in primo dictum est. Daemones autem expresse invocati solent futura praenuntiare multipliciter. Quandoque quidem praestigiosis quibusdam apparitionibus se aspectui et auditui hominum ingerentes ad praenuntiandum futura. Et haec species vocatur praestigium, ex eo quod oculi hominum praestringuntur. Quandoque autem per somnia. Et haec vocatur divinatio somniorum. Quandoque vero per mortuorum aliquorum apparitionem vel locutionem. Et haec species vocatur nigromantia, quia, ut Isidorus dicit, in libro Etymol., nigrum Graece mortuus, mantia divinatio nuncupatur, quia quibusdam praecantationibus, adhibito sanguine, videntur resuscitati mortui divinare et ad interrogata respondere. Quandoque vero futura praenuntiant per homines vivos, sicut in arreptitiis patet. Et haec est divinatio per Pythones, et ut Isidorus dicit, Pythones a Python Apolline sunt dicti, qui dicebatur esse auctor divinandi. Quandoque vero futura praenuntiant per aliquas figuras vel signa quae in rebus inanimatis apparent. Quae quidem si appareant in aliquo corpore terrestri, puta in ligno vel ferro aut lapide polito, vocatur geomantia; si autem in aqua, hydromantia; si autem in aere, aeromantia; si autem in igne, pyromantia; si autem in visceribus animalium immolatorum in aris Daemonum, vocatur aruspicium. Divinatio autem quae fit absque expressa Daemonum invocatione, in duo genera dividitur. Quorum primum est cum ad praenoscendum futura aliquid consideramus in dispositionibus aliquarum rerum. Et si quidem aliquis conetur futura praenoscere ex consideratione situs et motus siderum, hoc pertinet ad astrologos; qui et geneatici dicuntur, propter natalium considerationes dierum. Si vero per motus vel voces avium, seu quorumcumque animalium; sive per sternutationes hominum, vel membrorum saltus; hoc pertinet generaliter ad augurium, quod dicitur a garritu avium, sicut auspicium ab inspectione avium, quorum primum pertinet ad aures, secundum ad oculos; in avibus enim huiusmodi praecipue considerari solent. Si vero huiusmodi consideratio fiat circa verba hominum alia intentione dicta, quae quis retorquet ad futurum quod vult praenoscere, hoc vocatur omen. Et sic ut maximus Valerius dicit, ominum observatio aliquo contractu religioni innexa est. Quoniam non fortuito motu, sed divina providentia constare creditur quae fecit, ut, Romanis deliberantibus utrum ad alium locum migrarent, forte eo tempore centurio quidam exclamavit, signifer, statue signum, hic optime manebimus; quam vocem auditam pro omine acceperunt, transeundi consilium omittentes. Si autem considerentur aliquae dispositiones figurarum in aliquibus corporibus visui occurrentes, erit alia divinationis species. Nam ex lineamentis manus consideratis divinatio sumpta chiromantia vocatur, quasi divinatio manus, chiros enim Graece dicitur manus. Divinatio vero ex quibusdam figuris in spatula alicuius animalis apparentibus, spatulimantia vocatur. Ad secundum autem divinationis genus quae est sine expressa Daemonum invocatione, pertinet divinatio quae fit ex consideratione eorum quae eveniunt ex quibusdam quae ab hominibus serio fiunt ad aliquid occultum inquirendum, sive per protractionem punctorum (quod pertinet ad artem geomantiae); sive per considerationem figurarum quae proveniunt ex plumbo liquefacto in aquam proiecto; sive ex quibusdam cedulis, scriptis vel non scriptis, in occulto repositis, dum consideratur quis quam accipiat; vel etiam ex festucis inaequalibus propositis, quis maiorem vel minorem accipiat; vel etiam ex taxillorum proiectione, quis plura puncta proiiciat; vel etiam dum consideratur quid aperienti librum occurrat. Quae omnia sortium nomen habent. Sic igitur patet triplex esse divinationis genus. Quorum primum est per manifestam Daemonum invocationem, quod pertinet ad nigromanticos. Secundum autem est per solam considerationem dispositionis vel motus alterius rei, quod pertinet ad augures. Tertium est dum facimus aliquid ut nobis manifestetur aliquid occultum, quod pertinet ad sortes. Sub quolibet autem horum multa continentur, ut patet ex dictis. (IIa-IIae q. 95 a. 3 co.)

Zoals in het vorig artikel is gezegd, maakt iedere waarzeggerij van een raad of hulp van duivels gebruik om toekomstige dingen van te voren te kennen. En daarom wordt ofwel uitdrukkelijk gevraagd; ofwel de duivel mengt er zich buiten een verzoek van de mensen om in om iets toekomstigs aan te kondigen, dat aan de mensen onbekend, maar de duivel bekend is op de in het Eerste Deel (57e Kw. 3e Art.) genoemde manieren. Worden de duivels uitdrukkelijk aangeroepen, dan voorspellen zij gewoonlijk op vele manieren de toekomst. Soms vertonen zij zich door toverachtige verschijnselen in het gezicht of gehoor der mensen ten einde de toekomst te voorspellen. En dit soort noemt men toverij (praestigium), omdat de ogen van de mensen erdoor verblind (praestringere) worden. — Soms ook door dromen. En dit noemt met waarzeggerij door dromen. - Soms door het verschijnen of spreken van doden. En dat noemt men zwarte kunst, omdat, zoals Isidorus zegt, « nigrum in het Grieks dode, mantia waarzeggen betekent, omdat de door tovermiddelen met gebruik van bloed opgewekte doden schijnen waar te zeggen en op de vragen te antwoorden. » — Soms ook voorspellen zij de toekomst door levende mensen, zoals wij bij de geestvervoeringen zien. En dat is waarzeggerij door zieners (pythones), en zoals Isidorus zegt, « worden zij pythones genoemd naar de Pythische Apollo, die naar men zeide de oorzaak van het waarzeggen was. » — Soms voorspellen zij de toekomst door figuren en tekens, die in onbezielde dingen verschijnen. Verschijnen dezen in een ding van het element aarde, b. v. in hout of ijzer of een gepolijste steen, dan noemt men het aardwichelarij; in het vuur, dan vuurwichelarij; in het water, dan waterwichelarij; in de lucht, dan luchtwichelarij; in de ingewanden van op de altaren van duivels geofferde dieren, dan waarzeggerij uit de ingewanden. Waarzeggerij daarentegen, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van de duivels plaats heeft, wordt in twee soorten verdeeld. De eerste daarvan is, als wij op de onderlinge schikking van sommige dingen letten om de toekomst te kennen. En als iemand nu de toekomst wil kennen uit het waarnemen van de plaats en beweging der sterren, behoort dat bij de sterrenwichelaars; dezen worden ook geneatici (geboortevoorspellers) genoemd, omdat zij de geboortedagen bestuderen. — Gaat het door middel van de vlucht of de geluiden van vogels of van welke dieren ook, of door het niezen van mensen of schokken in de lichaamsdelen, dan valt dat in het algemeen onder het augurium, welk woord van het schreeuwen van vogels (garritus avium) is afgeleid, zoals auspicium van het zien van vogels (inspectio avium) ; het eerste van deze twee is iets van de oren, het tweede van de ogen; want op deze dingen let men vooral bij de vogels. — Gaat men echter letten op wat de mensen met een andere bedoeling zeggen, maar wat men laat slaan op het toekomstige, dat men van te voren wil kennen, dan noemt men dat een voorteken (omen). En zoals Valerius Maximus zegt, « behoort het letten op omina tot het terrein van de godsdienst. Want men gelooft, dat wat iemand doet, niet van toevallige bewegingen, maar van de goddelijke voorzienigheid komt; zoals toen de Romeinen beraadslaagden of zij naar een andere plaats zouden doormarcheren, een ceniurio toevallig op dat ogenblik riep: Veldtekendrager, plaatst hier het teken; want het is het beste dat wij hier blijven; dit woord, dat zij hoorden, werd als een omen aanvaard en zij zagen van het plan om verder te gaan af. » — Zou men echter gaan letten op de plaatsing van figuren op sommige lichamen, die men te zien krijgt, dan is het weer een ander soort waarzeggerij. Want een aan de lijnen van de hand ontleende waarzeggerij noemt men chiromantie of waarzeggerij uit de hand; omdat hand in het Grieks chiros heet. En de waarzeggerij uit de figuren, die men in de aderen van sommige dieren ziet, heet spatulamantie. Tot het andere soort waarzeggerij, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van duivels plaats heeft, behoort de waarzeggerij uit het waarnemen van de resultaten van iets, wat de mens in ernst doet om iets verborgens te weten te komen; hetzij door het trekken van lijnen door punten (wat bij de aardwichelarij thuis behoort), hetzij door het letten op figuren, die zich vormen in op het water gegoten gesmolten lood; hetzij uit beschreven of onbeschreven stukjes papier, die men verborgen houdt, terwijl men ziet, wat men trekt; hetzij uit het kiezen uit ongelijke stukjes hout, wie het grootste of kleinste krijgt; hetzij uit het werpen van dobbelstenen, als men ziet, wie de meeste punten krijgt; of ook als men ziet, wat men het eerste leest bij het openen van een boek. En dat alles noemt men het lot. Zo blijkt er een driedubbel soort waarzeggerij te zijn. De eerste geschiedt door duidelijk duivels aan te roepen; en dat doen de beoefenaars van de zwarte kunst (nigromantici). Het tweede door alleen te letten op de plaatsing of beweging van een ding, en dat doen de waarzeggers (augures). De derde, als wij iets doen opdat ons iets verborgens bekend wordt gemaakt, en dat valt onder het lot. Maar zoals uit het gezegde blijkt vallen onder ieder van deze drie meerdere dingen.

Ad primum ergo dicendum quod in omnibus praedictis est eadem ratio generalis peccandi, sed non eadem specialis. Multo enim gravius est Daemones invocare quam aliqua facere quibus dignum sit ut se Daemones ingerant. (IIa-IIae q. 95 a. 3 ad 1)

1 — Bij al het opgesomde is het wel dezelfde algemene, maar niet dezelfde bijzondere reden van zondigheid. Want het is veel erger duivels aan te roepen dan iets te doen, dat waard is, dat de duivel er zich in mengt.

Ad secundum dicendum quod cognitio futurorum vel occultorum est ultimus finis, ex quo sumitur generalis ratio divinationis. Distinguuntur autem diversae species secundum propria obiecta sive materias, prout scilicet in diversis rebus occultorum cognitio consideratur. (IIa-IIae q. 95 a. 3 ad 2)

2 — Het kennen van wat toekomstig of verborgen is, is het einddoel, dat aan de waarzeggerij haar algemene aard geeft; maar men onderscheidt verschillende soorten naar hun eigen voorwerp of stof, naargelang men het kennen van verborgenheden in verschillende dingen beschouwt.

Ad tertium dicendum quod res quas divinantes attendunt considerantur ab eis non sicut signa quibus exprimant quod iam sciunt, sicut accidit in detractione, sed sicut principia cognoscendi. Manifestum est autem quod diversitas principiorum diversificat speciem, etiam in scientiis demonstrativis. (IIa-IIae q. 95 a. 3 ad 3)

3 — De waarzeggers beschouwen de dingen waarop zij letten niet als tekens om uit te drukken wat zij al weten, zoals bij kwaadspreken, maar als beginselen van weten. En het is duidelijk, dat een verschil in beginselen een soortverschil geeft, ook bij wetenschappen, die bewijzen.

Articulus 4.
Is waarzeggerij door het aanroepen van duivels ongeoorloofd?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per invocationes Daemonum non sit illicita. Christus enim nihil illicitum commisit, secundum illud I Pet. II, qui peccatum non fecit. Sed dominus a Daemone interrogavit, quod tibi nomen est? Qui respondit, legio, multi enim sumus, ut habetur Marc. V. Ergo videtur quod liceat a Daemonibus aliquid occultum interrogare. (IIa-IIae q. 95 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat waarzeggerij door het aanroepen van duivels niet ongeoorloofd is. Want Christus deed niets ongeoorloofds naar de Eerste Brief van Petrus (2, 22) : « Die geen zonde heeft gedaan. » Maar de Heer ondervroeg de duivel: « Hoe is Uw naam? » en deze antwoordde: « Legioen; want wij zijn met velen, » zoals bij Marcus (5, 9) staat. Dus schijnt men de duivel iets verborgens te mogen vragen.

Praeterea, sanctorum animae non favent illicite interrogantibus. Sed Sauli interroganti de eventu futuri belli a muliere habente spiritum Pythonis, apparuit Samuel, et ei futurum eventum praedixit, ut legitur I Reg. XXVIII. Ergo divinatio quae fit per interrogationem a Daemonibus non est illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 4 arg. 2)

2 — De zielen van de heiligen komen hun, die op ongeoorloofde manier iets vragen, niet tegemoet. Toen echter Saul een vrouw, die een zienersgeest had, over het toekomstige resultaat van de oorlog ondervroeg, verscheen hem Samuel en voorspelde hem de toekomstige gebeurtenis, zoals wij in het Eerste Boek der Koningen (28, 8) lezen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet ongeoorloofd.

Praeterea, licitum esse videtur veritatem ab aliquo sciente inquirere, quam utile est scire. Sed quandoque utile est scire aliqua occulta quae per Daemones sciri possunt, sicut apparet in inventione furtorum. Ergo divinatio quae fit per invocationem Daemonum non est illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 4 arg. 3)

3 — Het schijnt geoorloofd een waarheid, die van nut is om te weten, aan iemand, die haar weet, te vragen. Nu is het soms van nut enige verborgen dingen, die men van de duivels horen kan, te weten, zoals blijkt uit het te weten komen van diefstallen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet verboden.

Sed contra est quod dicitur Deut. XVIII, non inveniatur in te qui ariolos sciscitetur, neque Pythones consulat. (IIa-IIae q. 95 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat het woord uit het Boek Deuteronomium (18, 10) : « Laat er niemand gevonden worden, die zieners ondervraagt of wichelaars raadpleegt. »

Respondeo dicendum quod omnis divinatio quae fit per invocationes Daemonum est illicita, duplici ratione. Quarum prima sumitur ex parte principii divinationis, quod scilicet est pactum expresse cum Daemone initum per ipsam Daemonis invocationem. Et hoc est omnino illicitum. Unde contra quosdam dicitur Isaiae XXVIII, dixistis, percussimus foedus cum morte, et cum Inferno fecimus pactum. Et adhuc gravius esset si sacrificium vel reverentia Daemoni invocato exhiberetur. Secunda ratio sumitur ex parte futuri eventus. Daemon enim, qui intendit perditionem hominum, ex huiusmodi suis responsis, etiam si aliquando vera dicat, intendit homines assuefacere ad hoc quod ei credatur, et sic intendit perducere in aliquid quod sit saluti humanae nocivum. Unde Athanasius, exponens id quod habetur Luc. IV, increpavit illum, dicens, obmutesce, dicit, quamvis vera fateretur Daemon, compescebat tamen Christus eius sermonem, ne simul cum veritate etiam suam iniquitatem promulget. Ut nos etiam assuefaciat ne curemus de talibus, etsi vera loqui videantur, nefas enim est ut, cum adsit nobis Scriptura divina, a Diabolo instruamur. (IIa-IIae q. 95 a. 4 co.)

Iedere waarzeggerij door het aanroepen van duivels is om twee redenen ongeoorloofd. De eerste reden ligt in het beginsel van de waarzeggerij, wat een uitdrukkelijk door het aanroepen van de duivel zelf met hem aangegaan verbond is. En dat is absoluut verboden. Daarom zegt Isaias (28, 15) tegen sommigen: « Gij hebt gezegd: wij hebben een verbond met de dood aangegaan en een overeenkomst gesloten met de hel. » En het zou nog erger zijn, als aan de aangeroepen duivel een offer of eerbewijzen werden gebracht. De tweede reden ligt in de toekomstige gebeurtenis. Want de duivel, die de ondergang van de mensen op het oog heeft, bedoelt door deze antwoorden, ook al zegt hij soms de waarheid, de mensen eraan te wennen hem te geloven; en zo wil hij tot iets brengen, dat het heil van de mensen schaadt. Daarom zegt Athanasius bij de uitleg van het woord van Lucas (4, 35) : « Hij bedreigde hem en zei: Verstom »: « Al sprak de duivel de waarheid, toch belette Christus hem te spreken, opdat hij niet tegelijk met de waarheid zijn slechtheid zou tonen. En ook om ons eraan te wennen niet om dergelijke dingen te geven, ook al schijnt de waarheid te worden gezegd; want het is een schande, dat wij door de duivel zouden worden onderricht, als wij de H. Schrift hebben. »

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Beda dicit, Luc. VIII, non velut inscius dominus inquirit, sed ut, confessa peste quam tolerabat, virtus curantis gratior emicaret. Aliud autem est quaerere aliquid a Daemone sponte occurrente, quod quandoque licet propter utilitatem aliorum, maxime quando virtute divina potest compelli ad vera dicendum, et aliud est Daemonem invocare ad cognitionem occultorum acquirendum ab ipso. (IIa-IIae q. 95 a. 4 ad 1)

1 — Zoals Beda bij Lucas (8, 30) zegt, « vroeg de Heer niet als iemand, die het niet wist, maar opdat door het bekend worden van het verderf, waaronder hij gebulkt ging, de kracht van de geneesheer des te heerlijker zou uitschijnen. » Want er is verschil tussen het ondervragen van een duivel, die uit eigen beweging in verbinding met ons treedt; en dat mag soms tot nut van anderen, vooral als hij door goddelijke kracht gedwongen kan worden om de waarheid te zeggen; en het aanroepen van de duivel om van hem de kennis van verborgen dingen te verkrijgen.

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Simplicianum, non est absurdum credere aliqua dispensatione permissum fuisse ut, non dominante arte magica vel potentia, sed dispensatione occulta, quae pythonissam et Saulem latebat, se ostenderet spiritus iusti aspectibus regis, divina eum sententia percussurus. Vel, non vere spiritus Samuelis a requie sua excitatus est, sed aliquod phantasma et illusio imaginaria, Diaboli machinationibus facta, quam Scriptura Samuelem appellat, sicut solent imagines rerum suarum nominibus appellari. (IIa-IIae q. 95 a. 4 ad 2)

2 — Zoals Augustinus zegt, « is het niet dwaas aan te nemen, dat om een of andere reden werd toegestaan, dat, niet onder de overmacht van magische kunst of kracht, maar om een geheime reden, die aan Saul en de zieners verborgen bleef, de geest van de rechtvaardige zich de koning vertoonde om hem door de goddelijke beslissing te verpletteren. Ofwel: de ziel van Samuel is niet waarlijk uit haar rust opgewekt, maar een verschijning of verbeeldingsbedrog door duivelskunsten ontstaan; en dat noemt de H. Schrift Samuel, zoals men gewoonlijk beelden bij de namen van wat zij afbeelden noemt. »

Ad tertium dicendum quod nulla utilitas temporalis potest comparari detrimento spiritualis salutis, quod imminet ex inquisitione occultorum per Daemonum invocationem. (IIa-IIae q. 95 a. 4 ad 3)

3 — Geen tijdelijk nut kan met de schade aan het geestelijk heil worden vergeleken, die ons bedreigt bij het zoeken naar verborgen dingen door het aanroepen van de duivel.

Articulus 5.
Is de waarzeggerij uit de sterren ongeoorloofd?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per astra non sit illicita. Licitum enim est ex consideratione causarum praenuntiare effectus, sicut medici ex dispositione aegritudinis praenuntiant mortem. Sed corpora caelestia sunt causa eorum quae fiunt in hoc mundo, ut etiam Dionysius dicit, IV cap. de Div. Nom. Ergo divinatio quae fit per astra non est illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarzeggerij uit de sterren niet ongeoorloofd is. Want men mag uit de bestudering van de oorzaken de gevolgen voorspellen, zoals de doktoren uit de ziektetoestand de dood voorspellen. Nu zijn de hemellichamen de oorzaak van wat hier op aarde geschiedt, zoals ook Dionysius zegt. Dus is de waarzeggerij uit de sterren niet verboden.

Praeterea, scientia humana ex experimentis originem sumit, ut patet per philosophum, in principio Metaphys. Sed per multa experimenta aliqui compererunt ex consideratione siderum aliqua futura posse praenosci. Ergo non videtur esse illicitum tali divinatione uti. (IIa-IIae q. 95 a. 5 arg. 2)

2 — De menselijke wetenschap ontstaat door proefnemingen, zoals de Wijsgeer bewijst. Nu hebben sommigen door veel ondervinding bevonden, dat men sommige toekomstige dingen uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen. Dus schijnt de toepassing van dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.

Praeterea, divinatio dicitur esse illicita inquantum innititur pacto cum Daemonibus inito. Sed hoc non fit in divinatione quae fit per astra, sed solum consideratur dispositio creaturarum Dei. Ergo videtur quod huiusmodi divinatio non sit illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 5 arg. 3)

3 — Men zegt, dat de waarzeggerij ongeoorloofd is in zover zij steunt op een met de duivels gesloten verbond. Nu heeft zoiets bij het waarzeggen uit de sterren niet plaats, maar men let alleen op de plaatsing van schepsels van God. Dus schijnt dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in IV Confess., illos planetarios quos mathematicos vocant, consulere non desistebam, quod quasi nullum esset eis sacrificium, et nullae preces ad aliquem spiritum ob divinationem dirigerentur. Quod tamen Christiana et vera pietas expellit et damnat. (IIa-IIae q. 95 a. 5 s. c.)

Maar daartegenover staat, wat Augustinus zegt: « Ik hield niet op de planeetkundigen, die men wiskundigen noemt, te raadplegen; omdat zij geen offers kenden en geen gebeden tot een geest richtten voor wichelarij. Maar de christelijke en ware godsvrucht veroordeelt en verwerpt dat. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, divinationi quae ex opinione falsa vel vana procedit, ingerit se operatio Daemonis, ut hominum animos implicet vanitati aut falsitati. Vana autem aut falsa opinione utitur si quis ex consideratione stellarum futura velit praecognoscere quae per ea praecognosci non possunt. Est igitur considerandum quid per caelestium corporum inspectionem de futuris possit praenosci. Et de his quidem quae ex necessitate eveniunt, manifestum est quod per considerationem stellarum possunt praenosci, sicut astrologi praenuntiant eclipses futuras. Circa praecognitionem vero futurorum eventuum ex consideratione stellarum, diversi diversa dixerunt. Fuerunt enim qui dicerent quod stellae significant potius quam faciant ea quae ex earum consideratione praenuntiantur. Sed hoc irrationabiliter dicitur. Omne enim corporale signum vel est effectus eius cuius est signum, sicut fumus significat ignem, a quo causatur, vel procedit ab eadem causa, et sic, dum significat causam, per consequens significat effectum, sicut iris quandoque significat serenitatem, inquantum causa eius est causa serenitatis. Non autem potest dici quod dispositiones caelestium corporum et motus sint effectus futurorum eventuum. Nec iterum possunt reduci in aliquam superiorem causam communem quae sit corporalis. Possunt autem reduci in unam causam communem quae est providentia divina, sed alia ratione disponuntur a divina providentia motus et situs caelestium corporum, et alia ratione eventus contingentium futurorum; quia illa disponuntur secundum rationem necessitatis, ut semper eodem modo proveniant; haec autem secundum rationem contingentiae, ut variabiliter contingant. Unde non potest esse quod ex inspectione siderum accipiatur praecognitio futurorum nisi sicut ex causis praecognoscuntur effectus. Duplices autem effectus subtrahuntur causalitati caelestium corporum. Primo quidem, omnes effectus per accidens contingentes, sive in rebus humanis sive in rebus naturalibus. Quia, ut probatur in VI Metaphys., ens per accidens non habet causam, et praecipue naturalem, cuiusmodi est virtus caelestium corporum. Quia quod per accidens fit neque est ens proprie neque unum, sicut quod, lapide cadente, fiat terraemotus, vel quod, homine fodiente sepulcrum, inveniatur thesaurus; haec enim, et huiusmodi, non sunt unum, sed simpliciter multa. Operatio autem naturae semper terminatur ad aliquid unum, sicut et procedit ab uno principio, quod est forma rei naturalis. Secundo autem, subtrahuntur causalitati caelestium corporum actus liberi arbitrii, quod est facultas voluntatis et rationis. Intellectus enim, sive ratio, non est corpus nec actus organi corporei; et per consequens nec voluntas, quae est in ratione, ut patet per philosophum, in III de anima. Nullum autem corpus potest imprimere in rem incorpoream. Unde impossibile est quod corpora caelestia directe imprimant in intellectum et voluntatem, hoc enim esset ponere intellectum non differre a sensu; quod Aristoteles, in libro de anima, imponit his qui dicebant quod talis voluntas est in hominibus qualem in die inducit pater virorum deorumque, scilicet sol vel caelum. Unde corpora caelestia non possunt esse per se causa operum liberi arbitrii. Possunt tamen ad hoc dispositive inclinare, inquantum imprimunt in corpus humanum, et per consequens in vires sensitivas, quae sunt actus corporalium organorum, quae inclinant ad humanos actus. Quia tamen vires sensitivae obediunt rationi, ut patet per philosophum, in III de anima et in I Ethic., nulla necessitas ex hoc libero arbitrio imponitur, sed contra inclinationem caelestium corporum homo potest per rationem operari. Si quis ergo consideratione astrorum utatur ad praecognoscendos futuros casuales vel fortuitos eventus, aut etiam ad cognoscendum per certitudinem futura opera hominum, procedet hoc ex falsa et vana opinione. Et sic operatio Daemonis se immiscet. Unde erit divinatio superstitiosa et illicita. Si vero aliquis utatur consideratione astrorum ad praecognoscendum futura quae ex caelestibus causantur corporibus, puta siccitates et pluvias et alia huiusmodi, non erit illicita divinatio nec superstitiosa. (IIa-IIae q. 95 a. 5 co.)

Zoals vroeger werd gezegd (1e Art. 2e Antw.), mengt de werkzaamheid van de duivel zich in waarzeggerij, die van een verkeerde of ijdele opvatting uitgaat, om zo de zielen van de mensen in ijdelheid en onwaarheid te verstrikken. Nu steunt een mens op een verkeerde en ijdele mening, als hij door het beschouwen van de sterren toekomstige dingen wil leren kennen, die men daaruit niet kan kennen. Wij moeten daarom bezien, wat men door het beschouwen van de hemellichamen over de toekomst kan leren. En nu is het duidelijk, dat men wat noodzakelijkerwijze gebeurt uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen, zoals de sterrenkundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. Maar er zijn verschillende meningen geweest over de voorkennis van toekomstige feiten uit de beschouwing van de sterren. Want er waren er, die zeiden, dat de sterren eerder tekens dan oorzaken zijn van datgene, wat uit het beschouwen ervan voorspeld wordt. Dit zegt men echter tegen de rede in. Want ieder lichamelijk teken is ofwel een gevolg van datgene, waarvan het een teken is, zoals rook het vuur beduidt, waardoor hij wordt voortgebracht; of komt van dezelfde oorzaak en geeft zo, door de oorzaak aan te wijzen, ook het gevolg aan, zoals de regenboog soms helder weer aanduidt, in zover de oorzaak ervan ook de oorzaak van het heldere weer is. Maar men kan niet beweren, dat de plaatsing en beweging van de hemellichamen de gevolgen zijn van toekomstige gebeurtenissen. En ook kunnen zij niet tot een hogere lichamelijke en gemeenschappelijke oorzaak worden herleid. Wel kunnen zij tot een gemeenschappelijke oorzaak herleid worden, nl. de goddelijke voorzienigheid; maar de beweging en plaatsing van de hemellichamen worden door de goddelijke voorzienigheid op een andere manier voortgebracht dan de toevallige toekomstige gebeurtenissen; omdat de eersten noodzakelijkerwijze worden geregeld, zodat zij altijd op dezelfde manier gebeuren; maar de tweeden op toevallige manier, zodat zij op verschillende manieren geschieden. Daarom is het onmogelijk uit het bezien van de sterren tot de voorkennis van de toekomst te komen, tenzij op de manier waarop men de gevolgen uit de oorzaak kent. Nu vallen twee soorten gevolgen buiten het veroorzaakt worden door de hemellichamen. En wel ten eerste alle gevolgen, die toevallig gebeuren, hetzij in wat de mensen of wat de natuur doet. Want zoals in de Metaphysica wordt bewezen, heeft een door toeval ontstaan ding geen oorzaak en vooral geen natuuroorzaak, zoals de kracht van de hemellichamen er een is. Want wat toevallig geschiedt, is eigenlijk noch een ding noch iets eens, zoals wanneer er een aardbeving plaats heeft, als een steen valt, of wanneer een mens, als hij een graf graaft, een schat vindt. Want deze dingen e.d. zijn niet een ding, maar zonder beperking gezegd, meerdere dingen. De werking van de natuur echter is altijd tot iets eens bepaald, zoals het ook van één beginsel uitgaat, nl. de vorm van het natuurding. Maar op de tweede plaats zijn de daden van de vrije wilsbeschikking, dat een « vermogen van verstand en wil » is, aan de oorzakelijkheid van de hemellichamen onttrokken. Want de rede of het verstand is geen lichaam en geen daad van een orgaan, en dus de wil, die in het verstandelijke gedeelte is, ook niet, zoals de Wijsgeer bewijst. Nu kan geen lichaam invloed uitoefenen op een niet-lichamelijk ding. Daarom is het onmogelijk, dat hemellichamen rechtstreeks invloed uitoefenen op verstand en wil, want dan zou men aannemen, dat er tussen verstand en zintuigen geen verschil bestaat; en dat schrijft Aristoteles toe aan hen, die zeiden, dat « de mensen dat willen, wat iedere dag de Vader van mensen en goden, nl. de zon of de hemel, in hen drukt. » Daarom kunnen de hemellichamen niet krachtens zichzelf oorzaak zijn van wat de vrije wil doet. — Toch kunnen zij door geschikt te maken ergens neiging toe geven, doordat zij invloed uitoefenen op het lichaam en dientengevolge op de zinnelijke krachten, die daden van lichamelijke organen zijn en neiging geven tot menselijke daden. Maar omdat de zinnelijke krachten, zoals de Wijsgeer bewijst, aan het verstand gehoorzamen, wordt hierdoor aan de vrije wil geen noodzaak opgelegd, maar kan de mens door het verstand tegen de van de hemellichamen komende neiging in handelen. Zou dus iemand het beschouwen van de sterren benutten om toekomstige, toevallige of bijkomstige gebeurtenissen te kennen of ook de toekomstige daden van mensen met zekerheid te weten, dan zou hij van een verkeerde en dwaze mening uitgaan. En zo zal de werkzaamheid van de duivel zich erin mengen. Dus zal het een bijgelovige en verboden waarzeggerij zijn. — Benut iemand echter het waarnemen van de sterren om toekomstige dingen, die door de hemellichamen veroorzaakt worden, van voren te kennen, zoals droogte en regen e. d., dan zal het geen verboden en bijgelovige waarzeggerij zijn.

Et secundum hoc patet responsio ad primum. (IIa-IIae q. 95 a. 5 ad 1)

1 — Hierop blijkt het antwoord uit het voorafgaande.

Ad secundum dicendum quod hoc quod astrologi ex consideratione astrorum frequenter vera praenuntiant, contingit dupliciter. Uno quidem modo, quia plures hominum passiones corporales sequuntur, et ideo actus eorum disponuntur, ut in pluribus, secundum inclinationem caelestium corporum, pauci autem sunt, idest soli sapientes, qui ratione huiusmodi inclinationes moderentur. Et ideo astrologi in multis vera praenuntiant, et praecipue in communibus eventibus, qui dependent ex multitudine. Alio modo, propter Daemones se immiscentes. Unde Augustinus dicit, in II super Gen. ad Litt., fatendum est, quando a mathematicis vera dicuntur, instinctu quodam occultissimo dici, quem nescientes humanae mentes patiuntur. Quod cum ad decipiendos homines fit, spirituum immundorum et seductorum operatio est, quibus quaedam vera de temporalibus rebus nosse permittitur. Unde concludit, quapropter bono Christiano sive mathematici, sive quilibet impie divinantium, et maxime dicentes vera, cavendi sunt, ne consortio Daemoniorum animam deceptam pacto quodam societatis irretiant. (IIa-IIae q. 95 a. 5 ad 2)

2 — Het feit dat de sterrenwichelaars uit het beschouwen van de sterren dikwijls de waarheid voorspellen, komt van twee dingen. Ten eerste, omdat de meerderheid van de mensen de lichamelijke begeerten volgen en zo worden hun daden in de meeste gevallen naar de inwerking van de hemellichamen geregeld; maar er zijn er weinigen, nl. de wijzen, die deze neigingen door het verstand regelen. En daarom voorspellen de sterrenwichelaars in vele dingen de waarheid en vooral bij gebeurtenissen in de gemeenschap, die van de menigte afhankelijk zijn. Ten tweede, omdat de duivels er zich in mengen. Daarom zegt Augustinus: « Men moet bekennen, dat als door de wiskundigen de waarheid wordt gesproken, dit door een zeer geheimzinnige aandrift wordt gezegd, die de geesten van de mensen te zonder het te weten ondergaan. En als dat gebeurt om de mensen te bedriegen, is het het werk van de onreine en bedrieglijke geesten, wie wordt toegestaan iets waars over tijdelijke zaken te weten. » Daarom besluit hij: « Dus moet een goed Christen zich in acht nemen voor wiskundigen en iedere goddeloze waarzegger, en vooral als zij de waarheid zeggen, opdat zij hun ziel niet door met de duivels om te gaan laten bedriegen en verstrikken in een verbond van gemeenschap. »

Et per hoc patet responsio ad tertium. (IIa-IIae q. 95 a. 5 ad 3)

3 — Hieruit blijkt ook, wat op de derde moeilijkheid is te antwoorden.

Articulus 6.
Is waarzeggerij uit dromen ongeoorloofd?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per somnia non sit illicita. Uti enim instructione divina non est illicitum. Sed in somniis homines instruuntur a Deo, dicitur enim Iob XXXIII, per somnium in visione nocturna, quando irruit sopor super homines et dormiunt in lectulo, tunc aperit, scilicet Deus, aures virorum, et erudiens eos instruit disciplina. Ergo uti divinatione quae est per somnia non est illicitum. (IIa-IIae q. 95 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de waarzeggerij uit dromen niet geoorloofd is. Want het is niet verboden zich Gods onderrichtingen ten nutte te maken. Nu worden de mensen in dromen door God onderricht; want in het Boek Job (33. 13, 16) wordt gezegd: « Door dromen in een nachtelijk gezicht, als de sluimer de mensen bekruipt en zij in hun bed slapen, opent Hij (God) de oren van de mannen en hen lerend onderricht Hij hen door kennis. » Dus is het gebruik maken van waarzeggerij door dromen niet verboden.

Praeterea, illi qui interpretantur somnia, proprie utuntur divinatione somniorum. Sed sancti viri leguntur somnia interpretari, sicut Ioseph interpretatur somnia pincernae Pharaonis et magistri pistorum, ut legitur Gen. XL, et somnium Pharaonis, ut legitur Gen. XLI; et Daniel interpretatus est somnium regis Babylonis, ut habetur Dan. II et IV. Ergo divinatio somniorum non est illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 6 arg. 2)

2 — Zij, die dromen uitleggen, zijn de eigenlijke gebruikers van de waarzeggerij door dromen. Nu lezen wij soms van heilige mannen, dat zij dromen uitleggen, zoals Joseph de dromen van de schenker van Farao en van de overste van de bakkers uitlegde, zoals wij in het Boek der Schepping (40, 8) lezen, en de droom van Farao (41, 15); en Daniël verklaarde de dromen van de Koning van Babylon, zoals wij bij Daniël (2, 26 en 4, 5) lezen. Dus is het waarzeggen uit dromen niet ongeoorloofd.

Praeterea, illud quod communiter homines experiuntur, irrationabile est negare. Sed omnes experiuntur somnia habere aliquam significationem futurorum. Ergo vanum est negare somnia habere vim divinationis. Ergo licitum est eis intendere. (IIa-IIae q. 95 a. 6 arg. 3)

3 — Het is onredelijk te ontkennen, wat de mensen gezamenlijk ondervinden. Nu ondervinden allen, dat dromen een betekenis over de toekomst hebben. Dus is het onredelijk te ontkennen dat dromen de kracht hebben, dat men eruit kan waarzeggen. Dus is het geoorloofd zich ermee bezig te houden.

Sed contra est quod dicitur Deut. XVIII, non inveniatur in te qui observet somnia. (IIa-IIae q. 95 a. 6 s. c.)

Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek Deuteronomium (18, 10): « Laat er onder U geen zijn, die op dromen let. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, divinatio quae innititur falsae opinioni est superstitiosa et illicita. Ideo considerare oportet quid sit verum circa praecognitionem futurorum de somniis sunt autem somnia futurorum eventuum quandoque quidem causa, puta cum mens alicuius, sollicita ex his quae videt in somniis, inducitur ad aliquid faciendum vel vitandum. Quandoque vero somnia sunt signa aliquorum futurorum eventuum, inquantum reducuntur in aliquam causam communem somniis et futuris eventibus. Secundum hoc plurimum praecognitiones futurorum ex somniis fiunt. Est ergo considerandum quae sit causa somniorum; et an possit esse causa futurorum eventuum; vel ea possit cognoscere. Sciendum est ergo quod somniorum causa quandoque quidem est interius, quandoque autem exterius. Interior autem somniorum causa est duplex. Una quidem animalis, inquantum scilicet ea occurrunt hominis phantasiae in dormiendo circa quae eius cogitatio et affectio fuit immorata in vigilando. Et talis causa somniorum non est causa futurorum eventuum. Unde huiusmodi somnia per accidens se habent ad futuros eventus, et si quandoque simul concurrant, erit casuale. Quandoque vero causa intrinseca somniorum est corporalis. Nam ex interiori dispositione corporis formatur aliquis motus in phantasia conveniens tali dispositioni, sicut homini in quo abundant frigidi humores, occurrit in somniis quod sit in aqua vel nive. Et propter haec medici dicunt esse intendendum somniis ad cognoscendum interiores dispositiones. Causa autem somniorum exterior similiter est duplex, scilicet corporalis, et spiritualis. Corporalis quidem, inquantum imaginatio dormientis immutatur vel ab aere continenti vel ex impressione caelestis corporis, ut sic dormienti aliquae phantasiae appareant conformes caelestium dispositioni. Spiritualis autem causa est quandoque quidem a Deo, qui ministerio Angelorum aliqua hominibus revelat in somniis, secundum illud Num. XII, si quis fuerit inter vos propheta domini, in visione apparebo ei, vel per somnium loquar ad illum. Quandoque vero operatione Daemonum aliquae phantasiae dormientibus apparent, ex quibus quandoque aliqua futura revelant his qui cum eis habent pacta illicita. Sic ergo dicendum quod si quis utatur somniis ad praecognoscenda futura secundum quod somnia procedunt ex revelatione divina; vel ex causa naturali, intrinseca sive extrinseca, quantum se potest virtus talis causae extendere, non erit illicita divinatio. Si autem huiusmodi divinatio causetur ex revelatione Daemonum cum quibus pacta habentur expressa, quia ad hoc invocantur; vel tacita, quia huiusmodi divinatio extenditur ad quod se non potest extendere, erit divinatio illicita et superstitiosa. (IIa-IIae q. 95 a. 6 co.)

Zoals werd gezegd (2e Art.), is waarzeggerij, die op een verkeerde mening steunt, bijgeloof en ongeoorloofd. Dus moeten wij zien, wat er waar is over de voorkennis van de toekomst uit dromen. Nu zijn dromen soms wel oorzaken van toekomstige gebeurtenissen, b. v. als een mens, aangezet door wat hij in zijn dromen ziet, ertoe wordt gebracht om iets te doen of te vermijden. — Ook zijn dromen soms tekens van toekomstige gebeurtenissen, in zover zij komen van een gemeenschappelijke oorzaak van dromen en toekomstige gebeurtenissen. Op deze manier ontstaat de meeste voorkennis van het toekomstige uit dromen. Dus moeten wij zien, wat van dromen de oorzaak is; en of dat de oorzaak van toekomstige gebeurtenissen kan zijn, en of het die kan kennen. Nu moet men weten, dat de oorzaak van dromen soms van binnen en soms van buiten komt. In ons is er een dubbele oorzaak van dromen. Een nl. van de kant van de ziel, in zover tijdens de slaap van de mens die dingen in zijn verbeelding opkomen, waar zijn gedachten en gevoelens zich bij het waken mee bezig hielden. En een dergelijke oorzaak van dromen is geen oorzaak van toekomstige gebeurtenissen. Dus staan zulke dromen in een toevallige verhouding tot toekomstige gebeurtenissen; en als zij soms samenvallen, is het iets toevalligs. — Soms komt de inwendige oorzaak van dromen van het lichaam. Want door de inwendige lichaamstoestand komt er een beweging in de verbeelding, die bij die toestand past; zoals in een mens met veel koude vochten het in de droom schijnt, dat hij zich in het water of in de sneeuw bevindt. En daarom zeggen de geneesheren, dat men op dromen moet letten om de inwendige toestand te kennen. — Buiten ons staat een dubbele oorzaak van dromen. en wel een lichamelijke en een geestelijke: nl. een lichamelijke, in zover de verbeelding van de slaper de invloed ondergaat van de hem omgevende lucht of de inwerking van een hemellichaam, zodat de slaper dan beelden in zijn fantasie opkomen, die bij de toestand van de hemel passen. — De geestelijke oorzaak echter komt soms van de kant van God, die door de dienst der engelen de mensen soms iets in dromen openbaart, naar wat er geschreven staat in het Boek der Getallen (12, 6): « Als er onder U een profeet van de Heer is, zal Ik hem in een gezicht verschijnen of in een droom tot hem spreken. » Soms ook komt door de werking van duivels iets in de verbeelding van slapenden op, waardoor zij soms iets toekomstigs bekend maken aan hen, die met hen een verboden verbond hebben gesloten. Wij moeten dus zeggen, dat als iemand dromen gebruikt om de toekomst te voorzien en dat, in zover de dromen van goddelijke openbaring komen of uit een inwendige of uitwendige natuurlijke oorzaak, juist zover als de kracht van een dergelijke oorzaak zich kan uitstrekken, het geen ongeoorloofde waarzeggerij is. Wordt zulk een waarzeggerij echter veroorzaakt door openbaring van de duivels, waarmee men een uitdrukkelijk verbond heeft gesloten, omdat zij hiertoe worden aangeroepen, of een stilzwijgend verbond, omdat deze waarzeggerij tot iets wordt uitgewerkt waartoe zij zich niet kan uitstrekken, dan is het een verboden en bijgelovige waarzeggerij.

Et per hoc patet responsio ad obiecta. (IIa-IIae q. 95 a. 6 ad arg.)

1 — Uit het voorafgaande is dit duidelijk.

Articulus 7.
Is waarzeggen uit voortekens en omina en ander waarnemen van uiterlijke dingen ongeoorloofd?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae est per auguria et omina et alias huiusmodi observationes exteriorum rerum, non sit illicita. Si enim esset illicita, sancti viri ea non uterentur. Sed de Ioseph legitur quod auguriis intendebat, legitur enim Gen. XLIV quod dispensator Ioseph dixit, scyphus quem furati estis ipse est in quo bibit dominus meus, et in quo augurari solet; et ipse postea dixit fratribus suis, an ignoratis quod non sit similis mei in augurandi scientia? Ergo uti tali divinatione non est illicitum. (IIa-IIae q. 95 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat waarzeggerij door voortekens en omina en verder waarnemen van uiterlijke dingen niet ongeoorloofd is. Want als het verboden was, zouden heilige mannen het niet hebben benut. Nu lezen wij van Joseph, dat hij aan voortekens aandacht schonk; want er staat in het Boek der Schepping (44, 3) dat de huismeester van Joseph zei: « De beker, die gij gestolen hebt, is die waaruit mijn heer drinkt en waaruit hij gewoon is voorzeggingen te doen; » en hij zelf zei later tot zijn broeders: « Weet gij niet, dat ik in de kunst van voorzeggen mijn evenknie niet heb? » Dus is het niet verboden dergelijke waarzeggerij te benutten.

Praeterea, aves aliqua circa futuros temporum eventus naturaliter cognoscunt, secundum illud Ierem. VIII, milvus in caelo cognovit tempus suum, turtur et hirundo et ciconia custodierunt tempus adventus sui. Sed naturalis cognitio est infallibilis, et a Deo. Ergo uti cognitione avium ad praenoscendum futura, quod est augurari, non videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 95 a. 7 arg. 2)

2 — De vogels kennen van nature iets over de toekomst naar het woord van Jeremias (8, 7) : « De valk in de lucht kent de voor hem bestemden tijd; tortelduif en zwaluw en ooievaar letten op de tijd van hun komst. » Nu is een natuurlijke kennis onfeilbaar en komt van God. Dus is gebruik maken van de natuurlijke kennis van vogels om de toekomst te voorzien, wat hetzelfde is als waarzeggerij met vogels, schijnbaar niet ongeoorloofd.

Praeterea, Gedeon in numero sanctorum ponitur, ut patet Heb. XI. Sed Gedeon usus fuit omine ex hoc quod audivit recitationem et interpretationem cuiusdam somnii, ut legitur Iudic. VII. Et similiter Eliezer, servus Abrahae, ut legitur Gen. XXIV. Ergo videtur quod talis divinatio non sit illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 7 arg. 3)

3 — Gedeon wordt onder het getal heiligen gerekend, zoals uit de Brief aan de Hebreeën (11, 32) blijkt. Nu benutte Gedeon een omen, omdat hij luisterde naar het verhalen en uitleggen van een droom, zoals wij in het Boek der Rechters (7, 13) lezen. En hetzelfde is het geval bij Abrahams dienaar Eliëzer, zoals in het Boek der Schepping (24, 13) staat. Een dergelijke waarzeggerij schijnt dus niet ongeoorloofd te zijn.

Sed contra est quod dicitur Deut. XVIII, non inveniatur in te qui observet auguria. (IIa-IIae q. 95 a. 7 s. c.)

Maar daartegenover staat het woord van het Boek Deuteronomium (18, 10) : « Laat er geen onder U zijn, die op voortekens let. »

Respondeo dicendum quod motus vel garritus avium, vel quaecumque dispositiones huiusmodi in rebus consideratae, manifestum est quod non sunt causa futurorum eventuum, unde ex eis futura cognosci non possunt sicut ex causis. Relinquitur ergo quod si ex eis aliqua futura cognoscantur, hoc erit inquantum sunt effectus aliquarum causarum quae etiam sunt causantes vel praecognoscentes futuros eventus. Causa autem operationum brutorum animalium est instinctus quidam quo moventur in modum naturae, non enim habent dominium sui actus. Hic autem instinctus ex duplici causa potest procedere. Uno quidem modo, ex causa corporali. Cum enim bruta animalia non habeant nisi animam sensitivam, cuius omnes potentiae sunt actus corporalium organorum, subiacet eorum anima dispositioni continentium corporum, et primordialiter caelestium. Et ideo nihil prohibet aliquas eorum operationes esse futurorum signa, inquantum conformantur dispositionibus corporum caelestium et aeris continentis, ex qua proveniunt aliqui futuri eventus. In hoc tamen duo considerari oportet. Primum quidem, ut huiusmodi operationes non extendantur nisi ad praecognoscenda futura quae causantur per motus caelestium corporum, ut supra dictum est. Secundo, ut non extendantur nisi ad ea quae aliqualiter possunt ad huiusmodi animalia pertinere. Consequuntur enim per caelestia corpora cognitionem quandam naturalem et instinctum ad ea quae eorum vitae sunt necessaria, sicut sunt immutationes quae fiunt per pluvias et ventos, et alia huiusmodi. Alio modo instinctus huiusmodi causantur ex causa spirituali. Scilicet vel ex Deo, ut patet in columba super Christum descendente, et in corvo qui pavit Eliam, et in cete qui absorbuit et eiecit Ionam. Vel etiam ex Daemonibus, qui utuntur huiusmodi operationibus brutorum animalium ad implicandas animas vanis opinionibus. Et eadem ratio videtur esse de omnibus aliis accipiuntur pro omine, non subduntur dispositioni stellarum. Huiusmodi, praeterquam de ominibus. Quia verba humana, quae disponuntur tamen secundum divinam providentiam; et quandoque secundum Daemonum operationem. Sic igitur dicendum quod omnis huiusmodi divinatio, si extendatur ultra id ad quod potest pertingere secundum ordinem naturae vel divinae providentiae, est superstitiosa et illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 7 co.)

Het is duidelijk, dat de bewegingen en geluiden van vogels en verdere dergelijke schikkingen in dingen, waar men op let, geen oorzaak zijn van toekomstige gebeurtenissen; en daarom kan men daaruit de toekomst niet als uit haar oorzaak kennen. Er blijft dus over, dat als men er iets toekomstigs uit kent, dit is in zover zij zijn voortgebracht door oorzaken, die ook ofwel toekomstige gebeurtenissen teweeg brengen of die van te voren kennen. Nu worden de handelingen van redeloze dieren door een instinct veroorzaakt, waardoor zij als natuurdingen worden bewogen; want zij missen de heerschappij over wat zij doen. Nu kan dit instinct uit een dubbele oorzaak voortkomen. Ten eerste uit een oorzaak met een lichaam. Want omdat de redeloze dieren alleen een zinnelijke ziel hebben, waarvan alle vermogens actualiteiten van lichaamsorganen zijn, staat hun ziel onder de invloed van de toestand der lichamen, die hen omgeven, en op de eerste plaats van de hemellichamen. En daarom is er niets op tegen, dat iets wat zij doen een teken is van een toekomstige gebeurtenis, in zover dit past bij de toestand van de hemellichamen en de lucht, die hen omringt; en sommige toekomstige feiten hebben ook daarin hun oorzaak. — Maar daarbij moet men op twee dingen letten. En wel ten eerste hierop, dat deze handelingen alleen dienen om toekomstige dingen te kennen, die door de beweging van de hemellichamen worden veroorzaakt, zoals boven (5e Art.) is gezegd. Ten tweede, dat zij zich alleen uitstrekken tot datgene, wat enigszins met die dieren in verband kan staan. Want zij krijgen van de hemellichamen een zekere natuurlijke kennis en een instinct ten opzichte van wat voor hun leven noodzakelijk is, zoals de veranderingen door regens en winden en dergelijke dingen. Daarnaast vindt dit instinct zijn oorzaak in iets geestelijks. En nl. ofwel in God, zoals blijkt uit de duif, die op Christus neerdaalde (Mt. 3, 16), en de raaf, die Elias spijzigde (3 Reg. 17,4), en de vis, die Jonas verzwolg en uitwierp (Jon. 2, 1). Ofwel ook in de duivels, die wat deze redeloze dieren doen gebruiken om de zielen in ijdele gedachten te verstrikken. En hetzelfde schijnt van alle dergelijke dingen op te gaan, behalve van de omina. Want woorden van een mens, die men als omen opvat, zijn niet aan de invloed van de sterren onderworpen. Maar zij worden door de goddelijke voorzienigheid geregeld en soms door duivelswerk. Wij moeten dus zeggen, dat al dergelijke waarzeggerij bijgeloof en ongeoorloofd is, als zij zich buiten datgene uitstrekt, waartoe deze dingen kunnen reiken naar de orde van de natuur of de goddelijke voorzienigheid.

Ad primum ergo dicendum quod hoc quod Ioseph dixit, non esse aliquem sibi similem in scientia augurandi, secundum Augustinum, ioco dixit, non serio, referens forte hoc ad id quod vulgus de eo opinabatur. Et sic etiam dispensator eius locutus est. (IIa-IIae q. 95 a. 7 ad 1)

1 — Volgens Augustinus zei Joseph dat wat hij vertelde, dat er niemand hem in de kunst van waarzeggen gelijk was, in scherts en niet in ernst; en hij liet het misschien slaan op wat het volk van hem dacht. En zo sprak ook zijn hofmeester.

Ad secundum dicendum quod illa auctoritas loquitur de cognitione avium respectu eorum quae ad eas pertinent. Et ad haec praecognoscenda considerare earum voces et motus non est illicitum, puta si quis ex hoc quod cornicula frequenter crocitat, praedicat pluviam cito esse futuram. (IIa-IIae q. 95 a. 7 ad 2)

2 — Deze tekst spreekt over het kennen van de vogels met betrekking tot datgene wat met ze te maken heeft. En het is niet verboden op hun geschreeuw en bewegingen te letten om dat te voren te weten; b. v. als iemand uit het feit, dat een kraai herhaaldelijk krast, voorspelt dat het spoedig zal gaan regenen.

Ad tertium dicendum quod Gedeon observavit recitationem et expositionem somnii accipiens ea pro omine, quasi ordinata ad sui instructionem a divina providentia. Et similiter Eliezer attendit verba puellae, oratione praemissa ad Deum. (IIa-IIae q. 95 a. 7 ad 3)

3 — Gedeon lette op het vertellen en uitleggen van een droom en nam dat als een omen aan, omdat het door de goddelijke voorzienigheid bedoeld was om hem te onderrichten. — En evenzo lette Eliëzer op de woorden van het meisje, na te voren tot God gebeden te hebben.

Articulus 8.
Is waarzeggerij uit het lot ongeoorloofd?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod divinatio sortium non sit illicita. Quia super illud Psalm., in manibus tuis sortes meae, dicit Glossa Augustini, sors non est aliquid mali, sed res, in humana dubitatione, divinam indicans voluntatem. (IIa-IIae q. 95 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat waarzeggerij uit het lot niet ongeoorloofd is. Want bij het psalmwoord: « In Uw handen ligt mijn lot, » (Ps. 30, 16) zegt de Glossa van Augustinus: « Het lot is niets kwaads, maar iets wat Gods wil aangeeft, als de mens twijfelt. »

Praeterea, ea quae a sanctis in Scripturis observata leguntur non videntur esse illicita. Sed sancti viri, tam in veteri quam in novo testamento, inveniuntur sortibus usi esse. Legitur enim Iosue VII, quod Iosue, ex praecepto domini, iudicio sortium punivit Achar, qui de anathemate surripuerat. Saul etiam sorte deprehendit filium suum Ionatham mel comedisse, ut habetur I Reg. XIV. Ionas etiam, a facie domini fugiens, sorte deprehensus, est in mare deiectus, ut legitur Ionae I. Zacharias etiam sorte exiit ut incensum poneret, ut legitur Luc. I. Matthias etiam est sorte ab apostolis in apostolatum electus, ut legitur Act. I. Ergo videtur quod divinatio sortium non sit illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 8 arg. 2)

2 — Datgene, waarvan wij in de Schrift lezen, dat heilige mannen het gedaan hebben, schijnt niet verboden te zijn. Nu bevinden wij, dat zowel in het Oude als het Nieuwe Verbond heilige mannen het lot hebben geworpen. Want in het Boek Josuë (7, 13) lezen wij, dat Josuë volgens het gebod van de Heer na het oordeel door het lot Achar doodde, die iets van wat gebannen was had geroofd. Ook kwam Saul door het lot te weten, dat zijn zoon Jonathan honig had gegeten, zoals wij in het Eerste Boek der Koningen (14, 38) lezen. En toen Jonas voor het aangezicht van de Heer vluchtte, werd hij door het lot gevonden en in zee geworpen, zoals wij bij Jonas (1, 7) lezen. Ook ging « Zacharias volgens hel lot naar binnen om wierook op het altaar te leggen, » zoals bij Lucas (1, 9) staat. Ook is Mathias door de Apostelen door het lot tot het apostolaat uitgekozen, zoals wij in de Handelingen der Apostelen (1, 26) zien. Dus schijnt waarzeggerij door het lot niet ongeoorloofd.

Praeterea, pugna pugilum quae monomachia dicitur, idest singularis concertatio, et iudicia ignis et aquae, quae dicuntur vulgaria, videntur ad sortes pertinere, cum per huiusmodi aliqua exquirantur occulta. Sed huiusmodi non videntur esse illicita, quia et David legitur cum Philisthaeo singulare iniisse certamen, ut legitur I Reg. XVII. Ergo videtur quod divinatio sortium non sit illicita. (IIa-IIae q. 95 a. 8 arg. 3)

3 — De strijd van kampvechters, die tweegevecht wordt genoemd, d. w. z. het gevecht van enkelingen, en het oordeel door vuur of water, dat men volksoordeel noemt, schijnen onder het lot te vallen, omdat men daarmee verborgen dingen zoekt te weten. En deze dingen schijnen niet ongeoorloofd te zijn, want wij lezen ook van David, dat hij met de Filistijn een tweegevecht aanging, zoals in het Eerste Boek der Koningen (17, 32) staat. Dus schijnt het waarzeggen door het lot niet ongeoorloofd te zijn.

Sed contra est quod in decretis, XXVI, qu. V, dicitur, sortes quibus cuncta vos vestris discriminatis provinciis, quas patres damnaverunt, nihil aliud quam divinationes et maleficia decernimus. Quamobrem volumus omnino illas damnari, et ultra inter Christianos nolumus nominari, et ne exerceantur, anathematis interdicto prohibemus. (IIa-IIae q. 95 a. 8 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in de Decretaliën wordt gezegd: « Wij bepalen, dat de lotsbeslissingen, waardoor gij in Uw provincies alles voor U laat beslissen en die door de Vaders verboden zijn, niets anders dan waarzeggerijen en toverkunsten zijn. Daarom verlangen wij, dat die dingen volledig worden veroordeeld en willen niet, dat zij verder nog onder christenen worden genoemd; en wij verbieden onder bedreiging met de ban, dat zij niet meer worden beoefend. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, sortes proprie dicuntur cum aliquid fit ut, eius eventu considerato, aliquid occultum innotescat. Et si quidem quaeratur iudicio sortium quid cui sit exhibendum, sive illud sit res possessa, sive sit honor seu dignitas, seu poena, aut actio aliqua, vocatur sors divisoria. Si autem inquiratur quid agere oporteat, vocatur sors consultoria. Si vero quaeratur quid sit futurum, vocatur sors divinatoria. Actus autem hominum, qui requiruntur ad sortes, non subduntur dispositioni stellarum, nec etiam eventus ipsorum. Unde si quis ea intentione sortibus utatur quasi huiusmodi actus humani, qui requiruntur ad sortes, secundum dispositionem stellarum sortiantur effectum, vana et falsa est opinio, et per consequens non carens Daemonum ingestione. Ex quo talis divinatio erit superstitiosa et illicita. Hac autem causa remota, necesse est quod sortialium actuum expectetur eventus vel ex fortuna, vel ex aliqua spirituali causa dirigente. Et si quidem ex fortuna, quod locum habere potest solum in divisoria sorte, non videtur habere nisi forte vitium vanitatis sicut si aliqui non valentes aliquid concorditer dividere, velint sortibus ad divisionem uti, quasi fortunae exponentes quis quam partem accipiat. Si vero ex spirituali causa expectetur sortium iudicium, quandoque quidem expectatur ex Daemonibus, sicut legitur Ezech. XXI, quod rex Babylonis stetit in bivio, in capite duarum viarum, commiscens sagittas, interrogavit idola, exta consuluit. Et tales sortes sunt illicitae, et secundum canones prohibentur. Quandoque vero expectatur a Deo, secundum illud Prov. XVI. Sortes mittuntur in sinum, sed a domino temperantur. Et talis sors secundum se non est malum, ut Augustinus dicit. Potest tamen in hoc quadrupliciter peccatum incidere. Primo quidem, si absque ulla necessitate ad sortes recurratur, hoc enim videtur ad Dei tentationem pertinere. Unde Ambrosius dicit, super Lucam, qui sorte eligitur, humano iudicio non comprehenditur. Secundo, si quis, etiam in necessitate, absque reverentia sortibus utatur. Unde, super actus Apost., dicit Beda, si qui, necessitate aliqua compulsi, Deum putant sortibus, exemplo apostolorum, esse consulendum, videant hoc ipsos apostolos non nisi collecto fratrum coetu, et precibus ad Deum fusis, egisse. Tertio, si divina oracula ad terrena negotia convertantur. Unde Augustinus dicit, ad inquisitiones Ianuarii, his qui de paginis evangelicis sortes legunt, etsi optandum sit ut id potius faciant quam ad Daemonia consulenda concurrant, tamen ista mihi displicet consuetudo, ad negotia saecularia et ad vitae huius vanitatem divina oracula velle convertere. Quarto, si in electionibus ecclesiasticis, quae ex spiritus sancti inspiratione fieri debent, aliqui sortibus utantur. Unde, sicut Beda dicit, super actus Apost., Matthias, ante Pentecosten ordinatus, sorte quaeritur, quia scilicet nondum erat plenitudo spiritus sancti in Ecclesia effusa, septem autem diaconi postea non sorte, sed electione discipulorum sunt ordinati. Secus autem est in temporalibus dignitatibus, quae ad terrena disponenda ordinantur; in quarum electione plerumque homines sortibus utuntur, sicut et in temporalium rerum divisione. Si vero necessitas immineat, licitum est, cum debita reverentia, sortibus divinum iudicium implorare. Unde Augustinus dicit, in epistola ad Honoratum, si inter Dei ministros sit disceptatio qui eorum persecutionis tempore maneant, ne fuga omnium, et qui eorum fugiant, ne morte omnium deseratur Ecclesia, si haec disceptatio aliter non potuerit terminari, quantum mihi videtur, qui maneant et qui fugiant sorte legendi sunt. Et in I de Doct. Christ. dicit, si tibi abundaret aliquid, quod oporteret dari ei qui non haberet, nec duobus dari potuisset; si tibi occurrerent duo, quorum neuter alium vel indigentia vel erga te aliqua necessitate superaret; nihil iustius faceres quam ut sorte legeres cui dandum esset quod dari utrique non posset. (IIa-IIae q. 95 a. 8 co.)

Zoals vroeger (3e Art.) is gezegd, spreekt men in eigenlijke zin van het lot, als er iets gebeurt om uit het bezien van het resultaat iets verborgens te weten te komen. En als men door een lotsbeslissing zoekt te weten te komen, wie men iets moet geven, hetzij een bezit, hetzij eer of waardigheid of een een straf of wie men iets moet laten doen, dan heet dat een verdelend lot. Zoekt men te weten, wat men moet doen, dan spreekt men van een raadgevend lot. Zoekt men echter te weten, wat gebeuren zal, dan noemt men dat een waarzeggend lot. Nu zijn de handelingen van de mensen, die voor het loten nodig zijn, niet aan de schikking van de sterren onderworpen en ook de uitkomst ervan niet. Zou dus iemand van het lot met deze bedoeling gebruik maken, alsof de daarvoor nodige menselijke handelingen wel van de toestand van de sterren afhingen, dan zou het een verkeerde en ijdele mening zijn en de duivel zou niet nalaten zich erin te mengen. En daarom is zo'n waarzeggerij bijgeloof en verboden. Sluit men echter deze oorzaak uit, dan moet men de uitslag van de handelingen, waarin het werpen van het lot bestaat, ofwel van het toeval verwachten of van de leiding van een geestelijke oorzaak. En moet het van het toeval komen, wat alleen bij het werpen van het verdelend lot kan voorkomen, dan kan als gebrek alleen, en als iets bijkomstigs, de nutteloosheid in aanmerking komen; b. v. als enige mensen die niet in staat zijn om eensgezind iets te verdelen, het werpen van het lot gebruiken, en het zo aan het lot overlaten welk deel iedereen krijgt. Verwacht men de beslissing van het lot echter van een geest als oorzaak, dan is dat soms de duivel, zoals wij bij Ezechiel (21, 21) lezen, dat « de koning van Babylon op een tweesprong stond, aan het begin van twee wegen en pijlen door elkander schudde, de afgoden ondervroeg en de ingewanden raadpleegde. » En dit loten is ongeoorloofd en door het recht verboden. Soms echter verwacht men het lot van God naar het woord uit het Boek der Spreuken (16, 33) : « Men verbergt het lot in de schoot, maar het wordt door de Heer geregeld. » En een dergelijk loten is op zichzelf niet verkeerd, zoals Augustinus zegt. Maar op vier manieren kan zich hierbij een zonde voordoen. En wel ten eerste, als men zonder enige noodzaak tot het lot zijn toevlucht neemt; want dat schijnt een soort beproeven van God te zijn. Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (1, 8): « Wat door het lot wordt gekozen, ligt buiten het bereik van het menselijk oordeel. » — Ten tweede, als men ook in geval van noodzaak, zonder eerbied het lot werpt. En daarom zegt Beda: « Als iemand door noodzaak gedwongen meent God op het voorbeeld van de Apostelen door het lot te moeten raadplegen, laten zij dan inzien, dat de Apostelen zelf dat alleen na het bijeenroepen van de broeders en het storten van gebeden gedaan hebben. » — Ten derde, als de goddelijke openbaringen voor wereldlijke zaken worden gebruikt. En daarom zegt Augustinus: « Al is het te hopen, dat zij die het lot werpen door de bladzijden van het Evangelie dat liever doen dan de duivels gaan raadplegen, toch heb ik daar dit op tegen, dat het een gewoonte is om Gods woord voor wereldse zaken en ijdelheden van dit leven te gebruiken. » Ten vierde, als men bij het kiezen van geestelijken, wat door ingeving van de H. Geest moet gebeuren, het lot gebruikt. Zoals Beda daarom zegt, « is Mathias, die vóór Pinksteren aangewezen is, door het lot gekozen, » omdat nl. de volheid van de H. Geest toen nog niet over de Kerk was uitgestort, « maar later zijn de zeven diakens niet door het lot maar door de verkiezing van de leerlingen aangewezen. » Het is echter bij wereldse ambten anders, omdat die het regelen van tijdelijke dingen tot doel hebben; en bij het verkiezen daartoe maken de mensen dikwijls van het lot gebruik, zoals ook bij het verdelen van tijdelijke bezittingen. Als echter de noodzakelijkheid dwingt, mag men met gepaste eerbied Gods oordeel door het lot vragen. Daarom zegt Augustinus: « Als er onder Gods dienaren onenigheid ontstaat, wie van hen in tijden van vervolging moeten vluchten en wie blijven, opdat de Kerk niet door de vlucht of de dood van allen verlaten zou achterblijven, en kan aan die onenigheid op geen andere manier een einde worden gemaakt, dan zouden wat mij betreft door het lot aangewezen moeten worden, wie moeten vluchten en wie blijven. » En elders zegt hij: « Als gij iets over zoudt hebben, wat ge zoudt moeten geven aan iemand, die het niet heeft; en gij zoudt het niet aan twee kunnen geven, en toch met twee te maken krijgen, Waarvan geen een boven de ander zou staan in gebrekkigheid of in zijn verhouding tot U, dan zoudt gij niets meer rechtvaardig doen dan door het lot te kiezen aan wie gij moet geven, wat gij aan beiden niet geven kunt. »

Et per hoc patet responsio ad primum et secundum. (IIa-IIae q. 95 a. 8 ad 1)

1 — Uit het gezegde blijkt het antwoord op de 1e en 2e moeilijkheid.

Ad tertium dicendum quod iudicium ferri candentis vel aquae ferventis ordinatur quidem ad alicuius peccati occulti inquisitionem per aliquid quod ab homine fit, et in hoc convenit cum sortibus, inquantum tamen expectatur aliquis miraculosus effectus a Deo, excedit communem sortium rationem. Unde huiusmodi iudicium illicitum redditur, tum quia ordinatur ad iudicandum occulta, quae divino iudicio reservantur; tum etiam quia huiusmodi iudicium non est auctoritate divina sancitum. Unde II, qu. V, in decreto Stephani Papae, dicitur, ferri candentis vel aquae ferventis examinatione confessionem extorqueri a quolibet, sacri non censent canones, et quod sanctorum patrum documento sancitum non est, superstitiosa adinventione non est praesumendum. Spontanea enim confessione vel testium approbatione publicata delicta, habito prae oculis Dei timore, concessa sunt nostro regimini iudicare. Occulta vero et incognita illi sunt relinquenda qui solus novit corda filiorum hominum. Et eadem ratio videtur esse de lege duellorum, nisi quod plus accedit ad communem rationem sortium, inquantum non expectatur ibi miraculosus effectus; nisi forte quando pugiles sunt valde impares virtute vel arte. (IIa-IIae q. 95 a. 8 ad 3)