QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 89.
Over de Eed .

Prooemium

Deinde considerandum est de actibus exterioribus latriae quibus aliquid divinum ab hominibus assumitur, quod est vel sacramentum aliquod, vel ipsum nomen divinum. Sed de sacramenti assumptione locus erit tractandi in tertia huius operis parte. De assumptione autem nominis divini nunc agendum est. Assumitur autem divinum nomen ab homine tripliciter, uno modo, per modum iuramenti, ad propria verba confirmanda; alio modo, per modum adiurationis, ad alios inducendum; tertio modo, per modum invocationis, ad orandum vel laudandum. Primo ergo de iuramento agendum est. Circa quod quaeruntur decem. Primo, quid sit iuramentum. Secundo, utrum sit licitum. Tertio, qui sint comites iuramenti. Quarto, cuius virtutis sit actus. Quinto, utrum sit appetendum et frequentandum, tanquam utile et bonum. Sexto, utrum liceat iurare per creaturam. Septimo, utrum iuramentum sit obligatorium. Octavo, quae sit maior obligatio, utrum iuramenti vel voti. Nono, utrum in iuramento possit dispensari. Decimo, quibus et quando liceat iurare. (IIa-IIae q. 89 pr.)

Vervolgens moeten wij over de uiterlijke daden van de godsverering spreken, waardoor de mensen van iets goddelijks gebruik maken; en dat goddelijke is ofwel een Sacrament, ofwel Gods naam zelf. Nu zal er in het derde deel van dit werk gelegenheid zijn om te spreken over het ontvangen van een Sacrament; maar het gebruik maken van Gods naam moeten wij hier behandelen. Gods naam wordt echter door de mensen op drie manieren gebruikt: ten eerste bij de eed, om eigen woorden te bevestigen; ten tweede als een bezwering, om anderen tot iets te brengen; ten derde als aanroeping om te bidden of te prijzen (90 en 91 Kw.). Eerst moeten wij dus over de eed spreken; en daarover stellen wij ons tien vragen: 1. Wat is een eed? 2. Is deze geoorloofd? 3. Wat behoort er bij de eed? 4. Van welke deugd is hij een daad? 5. Moet men ernaar verlangen te zweren en het dikwijls doen, als iets nuttigs en goeds? 6. Is het geoorloofd bij een schepsel te zweren? 7. Is de eed verplicht? 8. Wat geeft een grotere verplichting, een eed of een gelofte? 9. Kan er in een eed worden gedispenseerd? 10. Wie en wanneer mogen wij zweren?

Articulus 1.
Is zweren God aanroepen als Getuige?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod iurare non sit testem Deum invocare. Quicumque enim inducit auctoritatem sacrae Scripturae inducit Deum in testimonium, cuius verba proponuntur in sacra Scriptura. Si ergo iurare est testem Deum invocare, quicumque inducit auctoritatem sacrae Scripturae iuraret. Hoc autem est falsum. Ergo et primum. (IIa-IIae q. 89 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat zweren niet is God als getuige aanroepen. Want iedereen, die een tekst uit de H. Schrift aanhaalt, roept God als getuige aan, omdat Zijn woorden in de H. Schrift opgetekend staan. Als zweren dus was God als getuige aanroepen, zou iedereen, die een tekst uit de H. Schrift aanhaalde, zweren. Maar dat is onjuist. Dus ook het eerste.

Praeterea, ex hoc quod aliquis inducit aliquem in testem, nihil ei reddit. Sed ille qui per Deum iurat aliquid Deo reddit, dicitur enim Matth. V, reddes domino iuramenta tua; et Augustinus dicit quod iurare est ius veritatis Deo reddere. Ergo iurare non est Deum testem invocare. (IIa-IIae q. 89 a. 1 arg. 2)

2 — Wie iemand als getuige aanhaalt, geeft hem niets. Maar wie bij God zweert, geeft iets aan God, want bij Mattheus (5, 33) staat: « Houdt Uw eden tegenover de Heer, » en Augustinus zegt, dat zweren is « het recht van de waarheid aan God geven. » Dus is zweren niet God als getuige aanroepen.

Praeterea, aliud est officium iudicis, et aliud testis, ut ex supradictis patet. Sed quandoque iurando implorat homo divinum iudicium, secundum illud Psalm., si reddidi retribuentibus mihi mala, decidam merito ab inimicis meis inanis. Ergo iurare non est testem Deum invocare. (IIa-IIae q. 89 a. 1 arg. 3)

3 — Zoals uit het vroeger gezegde (67e en 70e Kw.) blijkt, is er verschil tussen het ambt van rechter en van getuige. Nu roept een mens soms bij een eed het goddelijk gerecht af naar het psalmwoord: « Als ik aan die mij kwaad deden het vergold, zou ik verdienen zonder buit van mijn vijanden terug te keren. » (Ps. 7, 5) Dus is zweren niet God als getuige aanroepen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in quodam sermone de periurio, quid est, per Deum, nisi, testis est Deus? (IIa-IIae q. 89 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt. « Wat betekent: bij God, anders dan: God is getuige? »

Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, ad Heb. VI, iuramentum ad confirmationem ordinatur. Confirmatio autem in scibilibus per rationem fit, quae procedit ex aliquibus naturaliter notis, quae sunt infallibiliter vera. Sed particularia facta contingentia hominum non possunt per rationem necessariam confirmari. Et ideo ea quae de his dicuntur solent confirmari per testes. Sed humanum testimonium non est sufficiens ad huiusmodi confirmandum, propter duo. Primo quidem, propter defectum veritatis humanae, quia plurimi in mendacium labuntur, secundum illud Psalm., os eorum locutum est mendacium. Secundo, propter defectum cognitionis, quia homines non possunt cognoscere neque futura, neque cordium occulta, vel etiam absentia; de quibus tamen homines loquuntur, et expedit rebus humanis ut certitudo aliqua de his habeatur. Et ideo necessarium fuit recurrere ad divinum testimonium, quia Deus neque mentiri potest, neque eum aliquid latet. Assumere autem Deum in testem dicitur iurare, quia quasi pro iure introductum est ut quod sub invocatione divini testimonii dicitur pro vero habeatur. Divinum autem testimonium quandoque inducitur ad asserendum praesentia vel praeterita, et hoc dicitur iuramentum assertorium. Quandoque autem inducitur divinum testimonium ad confirmandum aliquid futurum, et hoc dicitur iuramentum promissorium. Ad ea vero quae sunt necessaria et per rationem investiganda non inducitur iuramentum, derisibile enim videretur si quis in disputatione alicuius scientiae vellet propositum per iuramentum probare. (IIa-IIae q. 89 a. 1 co.)

De Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (6, 16), dat een eed « tot bevestiging » dient. Dingen nu, die men kan weten worden bevestigd door het verstand, dat van enige waarheden, die van nature gekend worden en onfeilbaar waar zijn, uitgaat. Bijzondere en toevallig geschiedende feiten echter kunnen niet door een noodzakelijk geldende reden worden bevestigd; en daarom wordt, wat daarover wordt gezegd, gewoonlijk door getuigen bevestigd. Maar om twee redenen is het getuigenis van mensen onvoldoende om dergelijke dingen te bevestigen. En wel ten eerste om het gebrek aan waarheid bij de mensen, omdat zeer velen tot liegen vervallen, naar het psalmwoord: « Hun mond heeft leugens gesproken. » (Ps. 16, 10) Ten tweede om gebrek aan kennis, omdat de mensen noch het toekomstige, noch de hartsgeheimen, noch wat in hun afwezigheid gebeurt kunnen kennen; maar toch spreken de mensen daarover en is het voor de samenleving goed, dat men daar enige zekerheid over heeft. En daarom is het nodig zijn toevlucht te nemen tot het getuigenis van God, omdat God niet kan liegen en Hem ook niets verborgen is. Nu noemt men het God tot getuige nemen zweren (jurare), omdat het als het ware als een recht (jus) is ingevoerd om wat onder aanroeping van de goddelijke getuigenis wordt gezegd, als waar te beschouwen. Nu wordt de getuigenis van God soms ingeroepen om iets tegenwoordigs of verledens te bevestigen; en dat noemt men een belofte-eed. — Bij wat noodzakelijk is en door het verstand onderzocht moet worden, wordt geen eed gebruikt, want het zou belachelijk zijn, als iemand bij het redetwisten over een wetenschap zijn bewering met een eed zou willen bewijzen.

Ad primum ergo dicendum quod aliud est testimonio Dei uti iam dato, quod fit cum aliquis auctoritatem sacrae Scripturae inducit, et aliud est testimonium Dei implorare ut exhibendum, quod fit in iuramento. (IIa-IIae q. 89 a. 1 ad 1)

1 — Er is verschil tussen het gebruik maken van Gods reeds gegeven getuigenis, wat gebeurt bij het aanhalen van een tekst uit de H. Schrift; en een getuigenis van God afsmeken, dat nog gegeven moet worden, zoals bij de eed geschiedt.

Ad secundum dicendum quod dicitur aliquis reddere iuramenta Deo ex hoc quod implet illud quod iurat. Vel quia in hoc ipso quod invocat Deum testem, recognoscit eum habere omnium cognitionem et infallibilem veritatem. (IIa-IIae q. 89 a. 1 ad 2)

2 — Men zegt hierom, dat iemand zijn eed tegenover God houdt, dat hij vervult wat hij gezworen heeft. Of omdat hij juist door het feit, dat hij God als getuige aanroept, erkent, dat Hij kennis van alles en de onfeilbare waarheid bezit.

Ad tertium dicendum quod alicuius testimonium invocatur ad hoc quod testis invocatus veritatem manifestet circa ea quae dicuntur. Deus autem manifestat an verum sit quod dicitur, dupliciter. Uno modo, simpliciter revelando veritatem, vel per internam inspirationem; vel etiam per facti denudationem, dum scilicet producit in publicum ea quae erant occulta. Alio modo, per poenam mentientis, et tunc simul est iudex et testis, dum puniendo mendacem manifestat mendacium. Et ideo duplex est modus iurandi. Unus quidem per simplicem Dei contestationem, sicut cum aliquis dicit, est mihi Deus testis; vel, coram Deo loquor; vel, per Deum, quod idem est, ut dicit Augustinus. Alius modus iurandi est per execrationem, dum scilicet aliquis se, vel aliquid ad se pertinens, ad poenam obligat nisi sit verum quod dicitur. (IIa-IIae q. 89 a. 1 ad 3)

3 — Iemands getuigenis wordt hierom aangeroepen, dat de ingeroepen getuige de waarheid bekend maakt over wat gezegd wordt. Nu maakt God op twee manieren bekend of wat gezegd is de waarheid bevat. Ten eerste door zonder meer de waarheid te openbaren, hetzij door innerlijke ingeving, of ook wel door onthulling van het feit, als Hij nl. wat verborgen was openbaar maakt. En op een andere manier door de leugenaar te straffen; en dan is Hij tegelijk getuige en rechter, als Hij door de leugen te straffen haar bekend maakt. En daarom zijn er twee manieren om te zweren. Een door eenvoudig God als getuige aan te roepen, zoals wanneer iemand zegt: God is mij getuige, of: Ik zeg voor het aangezicht van God, of: bij God, wat hetzelfde is, zoals Augustinus zegt. — Een andere manier om te zweren is die door zelfverwensing, als nl. iemand zichzelf of iets wat hem toebehoort een straf oplegt, als wat hij zegt niet waar is.

Articulus 2.
Is het geoorloofd te zweren?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit licitum iurare. Nihil enim quod prohibetur in lege divina est licitum. Sed iuramentum prohibetur Matth. V, ego dico vobis, non iurare omnino, et Iac. V dicitur, ante omnia, fratres mei, nolite iurare. Ergo iuramentum est illicitum. (IIa-IIae q. 89 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet geoorloofd is om te zweren. Want niets, wat door een wet van God verboden is, is geoorloofd. Nu wordt de eed verboden bij Mattheus (5, 34) : « Ik echter zeg U in het geheel niet te zweren » en in de Brief aan Jacobus (5, 12) : « Voor alles, broeders, zweert niet. » Dus is de eed ongeoorloofd.

Praeterea, id quod est a malo videtur esse illicitum, quia, ut dicitur Matth. VII, non potest arbor mala fructus bonos facere. Sed iuramentum est a malo, dicitur enim Matth. V, sit autem sermo vester, est, est; non, non. Quod autem his abundantius est a malo est. Ergo iuramentum videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 89 a. 2 arg. 2)

2 — Wat van iets verkeerds komt, schijnt ongeoorloofd te zijn, omdat naar Mattheus (7, 18) « een kwade boom geen goede vruchten kan voortbrengen. » Nu komt de eed van iets verkeerds, want bij Mattheus (5, 37) wordt gezegd: « Uw woord zij, ja, ja, neen, neen. Wat daarbij komt, is uit de boze. » Dus schijnt de eed ongeoorloofd te zijn.

Praeterea, exquirere signum divinae providentiae est tentare Deum, quod est omnino illicitum, secundum illud Deut. VI, non tentabis dominum Deum tuum. Sed ille qui iurat videtur exquirere signum divinae providentiae, dum petit divinum testimonium, quod est per aliquem evidentem effectum. Ergo videtur quod iuramentum sit omnino illicitum. (IIa-IIae q. 89 a. 2 arg. 3)

3 — Een teken vragen van de goddelijke voorzienigheid is God op de proef stellen, wat helemaal verboden is volgens het Boek Deuteronomium (6, 16) : « Gij zult de Heer Uw God niet op de proef stellen. » Nu schijnt wie zweert een teken van de goddelijke voorzienigheid te vragen, als hij Gods getuigenis vraagt, wat door duidelijk iets te doen wordt gegeven. Dus schijnt de eed geheel en al ongeoorloofd te zijn.

Sed contra est quod dicitur Deut. VI, dominum Deum tuum timebis, et per nomen eius iurabis. (IIa-IIae q. 89 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Deuteronomium staat (6, 13) : « Gij zult de Heer Uw God vrezen en bij Zijn naam zweren. »

Respondeo dicendum quod nihil prohibet aliquid esse secundum se bonum quod tamen cedit in malum eius qui non utitur eo convenienter, sicut sumere Eucharistiam est bonum, et tamen qui indigne sumit sibi iudicium manducat et bibit, ut dicitur I ad Cor. XI. Sic ergo in proposito dicendum est quod iuramentum secundum se est licitum et honestum. Quod patet ex origine et ex fine. Ex origine quidem, quia iuramentum est introductum ex fide qua homines credunt Deum habere infallibilem veritatem et universalem omnium cognitionem et provisionem. Ex fine autem, quia iuramentum inducitur ad iustificandum homines, et ad finiendum controversias, ut dicitur ad Heb. VI. Sed iuramentum cedit in malum alicui ex eo quod male utitur eo, idest sine necessitate et cautela debita. Videtur enim parvam reverentiam habere ad Deum qui eum ex levi causa testem inducit, quod non praesumeret etiam de aliquo viro honesto. Imminet etiam periculum periurii, quia de facili homo in verbo delinquit, secundum illud Iac. III, si quis in verbo non offendit, hic perfectus est vir. Unde et Eccli. XXIII dicitur, iurationi non assuescat os tuum, multi enim casus in illa. (IIa-IIae q. 89 a. 2 co.)

Er is niets op tegen, dat iets op zichzelf goed is en zich toch ten nadele van hem keert, die er een verkeerd gebruik van maakt, zoals het goed is de H. Eucharistie te ontvangen, en toch « eet en drinkt hij, » die dit onwaardig nuttigt, « het zich ten oordeel, » zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 29) staat. Zo moet ook in het onderhavige geval gezegd worden, dat de eed op zichzelf geoorloofd en goed is. Dat blijkt uit zijn oorsprong en doel. En wel uit zijn oorsprong, omdat ontstaan is uit het geloof van de mensen, dat God de onfeilbare waarheid en een algemene kennis en bestuur van alles bezit. En uit het doel, omdat de eed is ontstaan om de mensen te rechtvaardigen en aan twisten een eind te maken, zoals in de Brief aan de Hebreeën (6, 16) gezegd wordt. Maar hij strekt tot nadeel van wie er een verkeerd gebruik van maakt, d.w.z. zonder noodzakelijkheid en de nodige omzichtigheid. Want wie God om een kleine reden als getuige aanroept, schijnt weinig eerbied voor Hem te hebben, want dat zou hij ook niet van een achtbaar mens durven vragen. Ook is er gevaar voor meineed, omdat de mens gemakkelijk door woorden zondigt volgens Jacobus: « Als iemand niet met te spreken misdoet, is hij een volmaakt mens. » (Jac. 3, 2) Daarom ook staat er in het Boek Ecclesiasticus (23w 9) : « Went Uw mond er niet aan te zweren, want men kan daarin dikwijls vallen. »

Ad primum ergo dicendum quod Hieronymus, super Matth., dicit, considera quod salvator non per Deum iurare prohibuerit, sed per caelum et terram. Hanc enim per elementa iurandi pessimam consuetudinem habere Iudaei noscuntur. Se ista responsio non sufficit, quia Iacobus addit, neque per aliud quodcumque iuramentum. Et ideo dicendum est quod, sicut Augustinus dicit, in libro de mendacio, quod apostolus, in epistolis suis iurans, ostendit quomodo accipiendum esset quod dictum est, dico vobis non iurare omnino, ne scilicet iurando ad facilitatem iurandi veniatur, ex facilitate iurandi ad consuetudinem, a consuetudine in periurium decidatur. Et ideo non invenitur iurasse nisi scribens, ubi consideratio cautior non habet linguam praecipitem. (IIa-IIae q. 89 a. 2 ad 1)

1 — Hieronymus zegt: « Bedenkt, dat de Heet niet verbood bij God te zweren, maar bij hemel en aarde; want het is bekend, dat de Joden de slechte gewoonte hadden bij de elementen te zweren. » Maar dit antwoord is niet voldoende, omdat Jacobus erbij voegt: « Noch met enige andere eed. » En daarom moet men met Augustinus zeggen, dat « de Apostel, die in zijn brieven zweert, ons laat zien, hoe wij dat woord: Ik zeg U in het geheel niet te zweren, moeten opvatten; dat wij nl. door te zweren niet tot een gemak van zweren moeten komen, van het gemak tot de gewoonte, en van de gewoonte tot de meineed. En daarom blijkt dat hij slechts heeft gezworen als hij scheef, waar voorzichtiger overleg is en geen loslippigheid. »

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, si iurare cogeris, scias de necessitate venire infirmitatis eorum quibus aliquid suades, quae utique infirmitas malum est. Itaque non dixit, quod amplius est malum est; tu enim non malum facis qui bene uteris iuratione, ut alteri persuadeas quod utiliter persuades, sed, a malo est illius cuius infirmitate iurare cogeris. (IIa-IIae q. 89 a. 2 ad 2)

2 — Zoals Augustinus zegt, « moeten wij, als wij gedwongen Worden een eed te doen, weten, dat de noodzakelijkheid ervan wordt teweeggebracht door de zwakheid van hen, die wij iets willen bijbrengen; en deze zwakheid is ongetwijfeld iets verkeerds. Daarom zegt Hij niet: wat erbij komt, is verkeerd; want gij doet niet verkeerd, als gij een goed gebruik maakt van de eed, om een ander iets bij te brengen, als dat nuttig is; maar: het is uit de boze; nl. uit de verkeerdheid van hem, door wiens zwakheid gij gedwongen wordt te zweren. »

Ad tertium dicendum quod ille qui iurat non tentat Deum, quia non implorat divinum auxilium absque utilitate et necessitate; et praeterea non exponit se alicui periculo si Deus testimonium adhibere noluerit in praesenti. Adhibebit autem pro certo testimonium in futuro, quando illuminabit abscondita tenebrarum et manifestabit consilia cordium, ut dicitur I ad Cor. IV. Et illud testimonium nulli iuranti deficiet, vel pro eo vel contra eum. (IIa-IIae q. 89 a. 2 ad 3)

3 — Wie zweert, stelt God niet op de proef, omdat hij Gods hulp niet zonder nut en noodzakelijkheid vraagt; en bovendien stelt hij zich niet in gevaar, als God op het ogenblik geen getuigenis wil geven. Hij zal echter zeker in de toekomst getuigenis afleggen, als Hij « de verborgenheden van de duisternis zal aan het licht brengen en de geheimen van de harten openbaren, » zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 5) staat. En niemand, die zweert, zal dat getuigenis missen, hetzij vóór of tegen hem.

Articulus 3.
Is het goed, dat als de drie vereisten voor een eed worden opgegeven: gerechtigheid, oordeel en waarheid?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod inconvenienter ponantur tres comites iuramenti iustitia, iudicium et veritas. Ea enim quorum unum includitur in altero non sunt connumeranda tanquam diversa. Sed horum trium unum includitur in altero, quia veritas pars iustitiae est, secundum Tullium; iudicium autem est actus iustitiae, ut supra habitum est. Ergo inconvenienter numerantur tres comites iuramenti. (IIa-IIae q. 89 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet goed is als vereisten voor een eed op te geven: gerechtigheid, oordeel en waarheid. Want die dingen, waarvan het ene in het andere ligt opgesloten, moeten niet als verschillend naast elkaar worden opgesomd. Dit is bij deze drie het geval; want volgens Tullius is waarheid een deel van de rechtvaardigheid, en zoals vroeger (60e Kw. 1e Art.) is gezegd, is het oordeel een daad van gerechtigheid. Dus is het niet goed deze drie als vereisten op te geven.

Praeterea, multa alia requiruntur ad iuramentum, scilicet devotio, et fides, per quam credamus Deum omnia scire et mentiri non posse. Ergo videtur quod insufficienter enumerentur tres comites iuramenti. (IIa-IIae q. 89 a. 3 arg. 2)

2 — Vele andere dingen worden voor een eed vereist, als toewijding en geloof, waardoor wij geloven, dat God alles weet en niet liegt. Dus is deze opsomming van drie vereisten onvoldoende.

Praeterea, haec tria in quolibet opere humano inquirenda sunt, nihil enim debet fieri contra iustitiam aut veritatem, aut sine iudicio, secundum illud I ad Tim. V, nihil facias sine praeiudicio, idest sine praecedenti iudicio. Ergo haec tria non magis debent associari iuramento quam aliis humanis actibus. (IIa-IIae q. 89 a. 3 arg. 3)

3 — Deze drie dingen zijn bij iedere menselijke daad vereist, want niets moet tegen waarheid en gerechtigheid gebeuren of zonder oordeel, naar de Eerste Brief aan Timoteüs (3, 21) : « Doe niets zonder praejudicium, » d. w. z. zonder voorafgaand oordeel. Deze drie vereisten moet men dus niet meer voor een eed vorderen dan voor andere menselijke daden.

Sed contra est quod dicitur Ierem. IV, iurabis, vivit dominus, in veritate, in iudicio et in iustitia, quod exponens Hieronymus dicit, animadvertendum est quod iusiurandum hos habet comites, scilicet veritatem, iudicium et iustitiam. (IIa-IIae q. 89 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat bij Jeremias (4, 2) wordt gezegd: « Gij zult zweren: «de Heer leeft», in waarheid, in gerechtigheid en in oordeel, » en dit uitleggend zegt Hieronymus: « Op te merken is, dat een eed dit als vereisten heeft, nl. waarheid, oordeel en gerechtigheid. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, iuramentum non est bonum nisi ei qui bene utitur iuramento. Ad bonum autem usum iuramenti duo requiruntur. Primo quidem, quod aliquis non leviter, sed ex necessaria causa et discrete iuret. Et quantum ad hoc, requiritur iudicium, scilicet discretionis ex parte iurantis. Secundo, quantum ad id quod per iuramentum confirmatur, ut scilicet neque sit falsum, neque sit aliquid illicitum. Et quantum ad hoc, requiritur veritas, per quam aliquis iuramento confirmat quod verum est; et iustitia, per quam confirmat quod licitum est. Iudicio autem caret iuramentum incautum; veritate autem iuramentum mendax; iustitia autem iuramentum iniquum sive illicitum. (IIa-IIae q. 89 a. 3 co.)

Zoals vroeger (vorig Art.) is gezegd, is een eed alleen goed voor wie er een goed gebruik van maakt. Nu zijn er twee dingen vereist om er een goed gebruik van te maken. Ten eerste dat iemand niet lichtzinnig, maar om een noodzakelijke oorzaak en bedachtzaam de eed gebruikt. En hiertoe is van de kant van wie zweert een oordeel, nl. van overleg, nodig. Ten tweede wat datgene dat door de eed wordt bevestigd betreft, moet dit nl. noch vals noch iets ongeoorloofds zijn. En wat dit aangaat is er waarheid nodig, waardoor iemand wat waar is door een eed bevestigt, en gerechtigheid, waardoor hij bevestigt wat geoorloofd is. Een ondoordachte eed mist het oordeel, een leugenachtige de waarheid, en een onrechtvaardige of ongeoorloofde de gerechtigheid.

Ad primum ergo dicendum quod iudicium non sumitur hic pro executione iustitiae, sed pro iudicio discretionis, ut dictum est. Neque etiam veritas hic accipitur secundum quod est pars iustitiae, sed secundum quod est quaedam conditio locutionis. (IIa-IIae q. 89 a. 3 ad 1)

1 — Oordeel betekent hier niet het ten uitvoer brengen van de rechtvaardigheid, maar zoals is gezegd, het oordeel van het overleg. Ook neemt men waarheid hier niet als een onderdeel van de rechtvaardigheid, maar als een nadere bepaling van wat men zegt.

Ad secundum dicendum quod et devotio et fides, et omnia huiusmodi quae exiguntur ad debitum modum iurandi, intelliguntur in iudicio. Alia enim duo pertinent ad rem de qua iuratur, ut dictum est. Quamvis posset dici quod iustitia pertinet ad causam pro qua iuratur. (IIa-IIae q. 89 a. 3 ad 2)

2 — Zowel de toewijding als het geloof als alle dergelijke dingen, die nodig zijn om op een goede manier te zweren, liggen in het oordeel vervat. Want zoals is gezegd, slaan de twee andere vereisten op de zaak, waarover men zweert. Men zou echter kunnen zeggen, dat de gerechtigheid op de oorzaak slaat, waar door men een eed aflegt.

Ad tertium dicendum quod in iuramento est magnum periculum, tum propter Dei magnitudinem, cuius testimonium invocatur; tum etiam propter labilitatem linguae humanae, cuius verba iuramento confirmantur. Et ideo huiusmodi magis requiruntur ad iuramentum quam ad alios humanos actus. (IIa-IIae q. 89 a. 3 ad 3)

3 — In de eed ligt een groot gevaar opgesloten, zowel om grootheid van God, Wiens getuigenis wordt aangeroepen, als om de zwakheid van de menselijke tong, wier woorden door de eed worden bevestigd. En daarom zijn deze drie vereisten meer nodig voor de eed dan voor andere menselijke daden.

Articulus 4.
Is zweren een daad van godsdienstigheid of godsverering?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod iuramentum non sit actus religionis sive latriae. Actus enim latriae sunt circa aliqua sacra et divina. Sed iuramenta adhibentur circa controversias humanas, ut apostolus dicit, ad Heb. VI. Ergo iurare non est actus religionis seu latriae. (IIa-IIae q. 89 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat zweren geen daad van godsdienstigheid of godsverering is. Want de daden van godsverering gaan over heilige en goddelijke dingen. Nu worden eden gebruikt bij twisten onder de mensen, zoals de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (6, 16) zegt. Dus is zweren geen daad van godsdienstigheid of godsverering.

Praeterea, ad religionem pertinet cultum Deo offerre, ut Tullius dicit. Sed ille qui iurat nihil Deo offert, sed Deum inducit in testem. Ergo iurare non est actus religionis. (IIa-IIae q. 89 a. 4 arg. 2)

2 — Tot de godsdienstigheid behoort God eerbewijzen te brengen, zoals Tullius zegt. Wie echter zweert, biedt God niets aan, maar haalt Hem aan als getuige. Dus is zweren geen daad van godsverering.

Praeterea, finis religionis seu latriae est reverentiam Deo exhibere. Hoc autem non est finis iuramenti, sed potius aliquod verbum confirmare. Ergo iurare non est actus religionis. (IIa-IIae q. 89 a. 4 arg. 3)

3 — Het doel van de godsdienstigheid of godsverering is God eerbied te tonen. Dat is echter het doel van de eed niet, maar eerder het bevestigen van een gezegde. Dus is zweren geen daad van godsdienstigheid.

Sed contra est quod dicitur Deut. VI, dominum Deum tuum timebis, et ipsi soli servies, ac per nomen illius iurabis. Loquitur autem ibi de servitute latriae. Ergo iurare est actus latriae. (IIa-IIae q. 89 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Deuteronomium (6, 13) wordt gezegd: « Den Heer Uw God zult gij vrezen en Hem alleen dienen en bij Zijn naam zweren. » Hier wordt nu gesproken van het dienen door godsverering. Dus is het zweren een daad van godsverering.

Respondeo dicendum quod, sicut ex dictis patet, ille qui iurat invocat divinum testimonium ad confirmandum ea quae dicit. Nihil autem confirmatur nisi per aliquid quod certius est et potius. Et ideo in hoc ipso quod homo per Deum iurat, profitetur Deum potiorem, utpote cuius veritas est indefectibilis et cognitio universalis, et sic aliquo modo Deo reverentiam exhibet. Unde et apostolus dicit, ad Heb. VI, quod homines per maiores se iurant. Et Hieronymus dicit, super Matth., quod qui iurat, aut veneratur aut diligit eum per quem iurat. Philosophus etiam dicit, in I Metaphys., quod iuramentum est honorabilissimum. Exhibere autem reverentiam Deo pertinet ad religionem sive latriam. Unde manifestum est quod iuramentum est actus religionis sive latriae. (IIa-IIae q. 89 a. 4 co.)

Zoals uit het gezegde (1 Art.) blijkt, roept wie een eed doet de goddelijke getuigenis aan om te bevestigen wat hij zegt. Nu wordt niets bevestigd tenzij door wat zekerder en sterker is. En door het feit zelf dus, dat iemand bij God zweert, erkent hij, dat God machtiger is, dat nl. Zijn waarheid onvergankelijk en Zijn kennis allesomvattend is; en zo toont hij enigszins eerbied voor God. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (6, 16) dat « de mensen zweren bij die groter zijn dan zij. » En Hieronymus zegt, dat « wie zweert, hem, bij wie hij zweert, of bemint of eert. » Ook de Wijsgeer zegt dat « een eed iets zeer eervols is. » Nu valt het eerbewijzen aan God onder de godsdienstigheid of godsverering. Dus is het duidelijk, dat zweren een daad van godsdienstigheid of godsverering is.

Ad primum ergo dicendum quod in iuramento duo considerantur, scilicet testimonium quod inducitur, et hoc est divinum; et id super quo inducitur testimonium, vel quod facit necessitatem testimonium inducendi, et hoc est humanum. Pertinet ergo iuramentum ad religionem ratione primi, non autem ratione secundi. (IIa-IIae q. 89 a. 4 ad 1)

1 — Bij de eed beschouwt men twee dingen, nl. het aangehaalde getuigenis, en dat is goddelijk, en dat, waarvoor dit wordt aangehaald of wat het aanhalen ervan nodig maakt; en dat is menselijk. Nu behoort de eed om het eerste en niet om het tweede tot de godsdienstigheid.

Ad secundum dicendum quod in hoc ipso quod aliquis assumit Deum in testem per modum iuramenti, profitetur eum maiorem, quod pertinet ad Dei reverentiam. Et sic aliquid offert Deo, scilicet reverentiam et honorem. (IIa-IIae q. 89 a. 4 ad 2)

2 — Juist doordat de mens door een eed God als getuige aanhaalt, erkent hij, dat Hij groter is; en dat valt onder het eren van God. En zo biedt hij God iets aan, nl. eerbied en hulde.

Ad tertium dicendum quod omnia quae facimus debemus in Dei reverentiam facere. Et ideo nihil prohibet si in hoc ipso quod intendimus hominem certificare, Deo reverentiam exhibeamus. Sic enim debemus aliquid in Dei reverentiam facere ut ex hoc utilitas proximis proveniat, quia etiam Deus operatur ad suam gloriam et nostram utilitatem. (IIa-IIae q. 89 a. 4 ad 3)

3 — Alles wat wij doen, moeten wij doen om God te eren. En daarom is er niets tegen, dat wij juist door de mensen zekerheid te willen verschaffen God eerbied betonen. Want wij moeten om God te eren zo iets doen, dat onze naasten daar nut van hebben; want ook God werkt tot Zijn eigen eer en ons nut.

Articulus 5.
Moet men ernaar verlangen te zweren en het dikwijls doen als iets nuttigs en goeds?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod iuramentum sit appetendum et frequentandum, tanquam utile et bonum. Sicut enim votum est actus latriae, ita et iuramentum. Sed facere aliquid ex voto est laudabilius et magis meritorium quia votum est actus latriae, ut supra dictum est. Ergo, pari ratione, facere vel dicere aliquid cum iuramento est laudabilius. Et sic iuramentum est appetendum tanquam per se bonum. (IIa-IIae q. 89 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men naar te zweren als iets nuttigs en goeds moet verlangen en het dikwijls doen. Want evenals de gelofte is ook een eed een daad van godsverering. Zoals nu boven is gezegd (88e Kw. 5e Art.), is het meer lofwaardig en goed om iets krachtens een gelofte te doen, omdat een gelofte een daad van godsverering is. Dus is het om dezelfde reden loffelijker om iets met een eed te zeggen of te doen. En zo moet men ernaar verlangen een eed te doen als naar iets, wat in zichzelf goed is.

Praeterea, Hieronymus dicit, super Matth., quod qui iurat, veneratur aut diligit eum per quem iurat. Sed venerari aut diligere Deum est appetendum tanquam per se bonum. Ergo et iuramentum. (IIa-IIae q. 89 a. 5 arg. 2)

2 — Hieronymus zegt, dat « wie zweert hem, bij wie hij zweert, of bemint of eert. » Nu moet men ernaar verlangen God te eren en te beminnen als iets, wat in zichzelf goed is. Dus ook naar een eed.

Praeterea, iuramentum ordinatur ad confirmationem seu certificationem. Sed quod homo suum dictum confirmet, bonum est. Ergo iuramentum est appetendum tanquam bonum. (IIa-IIae q. 89 a. 5 arg. 3)

3 — Een eed heeft als doel te verzekeren en te bevestigen. Nu is het goed, dat een mens zijn gezegden bevestigt. Dus moet men naar het afleggen van een eed verlangen als naar iets goeds.

Sed contra est quod dicitur Eccli. XXIII, vir multum iurans replebitur iniquitate. Et Augustinus dicit, in libro de mendacio, quod praeceptum domini de prohibitione iuramenti ad hoc positum est ut, quantum in te est, non affectes, non, quasi pro bono, cum aliqua delectatione appetas iusiurandum. (IIa-IIae q. 89 a. 5 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Ecclesiasticus (23, 12) wordt gezegd: « Een man, die veel zweert, zal vol zijn van ongerechtigheid. » En Augustinus zegt, dat het verbod van de eed « hierom gegeven is, dat gij voor zover het van U afhangt, er niet van zoudt houden, en niet als naar iets goeds met welbehagen naar een eed zoudt verlangen. »

Respondeo dicendum quod id quod non quaeritur nisi ad subveniendum alicui defectui, non numeratur inter ea quae sunt per se appetenda, sed inter ea quae sunt necessaria, sicut patet de medicina, quae quaeritur ad subveniendum infirmitati. Iuramentum autem quaeritur ad subveniendum alicui defectui, quo scilicet unus homo alteri discredit. Et ideo iuramentum est habendum non inter ea quae sunt per se appetenda, sed inter ea quae sunt huic vitae necessaria, quibus indebite utitur quicumque eis utitur ultra terminos necessitatis. Unde Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, qui intelligit non in bonis, idest per se appetendis, sed in necessariis iurationem habendam, refrenat se quantum potest, ut non ea utatur nisi necessitas cogat. (IIa-IIae q. 89 a. 5 co.)

Wat men alleen verlangt om een gebrek te herstellen, valt niet onder wat in zichzelf begerenswaardig is, maar wat noodzakelijk is, zoals een medicijn, die men zoekt tegen de ziekte. Nu wordt een eed verlangd om een gebrek te verhelpen, dat nl. de ene mens de ander niet gelooft. Daarom moet men de eed niet rekenen onder de in zichzelf begerenswaardige, maar onder de voor dit leven noodzakelijke dingen; en wie hem gebruikt buiten de grenzen der noodzakelijkheid, maakt er een verkeerd gebruik van. Daarom ook zegt Augustinus: « Wie begrijpt, dat de eed niet als iets goeds, d. w. z. als op zichzelf begerenswaardig, maar als iets noodzakelijks moet worden beschouwd, beperkt zich daarin zoveel mogelijk, dat hij er geen gebruik van maakt tenzij de noodzakelijkheid dwingt. »

Ad primum ergo dicendum quod alia ratio est de voto, et de iuramento. Nam per votum aliquid in Dei reverentiam ordinamus, unde ex hoc ipso fit religionis actus. Sed in iuramento e converso reverentia divini nominis assumitur ad promissi confirmationem. Et ideo illud quod iuramento confirmatur non propter hoc fit religionis actus, quia secundum finem morales actus species sortiuntur. (IIa-IIae q. 89 a. 5 ad 1)

1 — Er is verschil tussen het wezen van de gelofte en van de eed. Want door de gelofte geven wij aan iets het doel God eer te bewijzen; en daardoor precies wordt het een daad van godsdienstigheid. Maar bij de eed wordt daarentegen de eerbied voor de goddelijke naam gebruikt om de belofte te bevestigen. En daarom wordt wat door de eed wordt bevestigd, daardoor geen daad van godsdienstigheid, omdat de zedelijke daden hun aard krijgen van het doel.

Ad secundum dicendum quod ille qui iurat utitur quidem veneratione aut dilectione eius per quem iurat, non autem ordinat iuramentum ad venerandum aut diligendum eum per quem iurat, sed ad aliquid aliud quod est necessarium praesenti vitae. (IIa-IIae q. 89 a. 5 ad 2)

2 — Wie zweert, maakt wel gebruik van de eerbied en de liefde voor hem, bij wie hij zweert, maar aan de eed geeft hij niet als doel het eren of beminnen van hem, bij wie hij zweert, maar iets anders, wat voor het tegenwoordige leven noodzakelijk is.

Ad tertium dicendum quod sicut medicina est utilis ad sanandum, et tamen quanto est virtuosior, tanto maius nocumentum inducit si non debite sumatur; ita etiam iuramentum utile quidem est ad confirmationem, tamen quanto est magis venerandum, tanto est magis periculosum nisi debite inducatur. Quia, ut dicitur Eccli. XXIII, si frustraverit, idest deceperit fratrem, delictum illius supra ipsum erit; et si dissimulaverit, quasi per simulationem iurando falsum, delinquit dupliciter (quia scilicet simulata aequitas est duplex iniquitas); et si in vanum iuraverit, idest sine debita causa et necessitate, non iustificabitur. (IIa-IIae q. 89 a. 5 ad 3)

3 — Zoals een medicijn nuttig is om te genezen en toe naargelang zij krachtiger is grotere schade teweegbrengt als zij niet op de goede manier wordt gebruikt, zo is ook de eed nuttig om te bevestigen, maar zoveel te meer hij in ere moet worden gehouden, zoveel te meer gevaar brengt hij mee bij slecht gebruik. Want zoals in het Boek Ecclesiasticus (23, 13) wordt gezegd: « Als hij zal hebben teleurgesteld, d. w. z. uw broeder bedrogen, zal zijn misdaad op hem neerkomen; en als hij ontveinsd heeft, door in veinzerij iets onwaars te bezweren, zal hij dubbel misdoen (want een schijnbare rechtvaardigheid is nl. een dubbele ongerechtigheid) ; en als hij ijdel gezworen heeft, d. w. z. zonder goede reden en noodzakelijkheid, zal hij niet gerechtvaardigd worden. »

Articulus 6.
Mag men bij schepselen zweren?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non liceat per creaturas iurare. Dicitur enim Matth. V, ego dico vobis, non iurare omnino, neque per caelum, neque per terram, neque per Ierosolymam, neque per caput tuum, quod exponens Hieronymus dicit, considera quod hic salvator non per Deum iurare prohibuerit, sed per caelum et terram, et cetera. (IIa-IIae q. 89 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men niet bij schepselen mag zweren. Want bij Mattheus (5, 34) wordt gezegd: « Ik echter zeg U in het geheel niet te zweren, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch bij Jeruzalem, noch bij Uw hoofd. » En Hieronymus zegt bij zijn uitleg hiervan: « Bedenkt, dat de Verlosser hier niet verbiedt bij God te zweren, maar bij hemel en aarde », enz.

Praeterea, poena non debetur nisi culpae. Sed iuranti per creaturas adhibetur poena, dicitur enim XXII, qu. I, clericum per creaturam iurantem acerrime obiurgandum, si perstiterit in vitio, excommunicandum placuit. Ergo illicitum est per creaturas iurare. (IIa-IIae q. 89 a. 6 arg. 2)

2 — Een straf wordt alleen bij een schuld gegeven. Maar als men bij een schepsel zweert, loopt men straf op, want er wordt gezegd: « Er is bepaald, dat een geestelijke, die bij de schepselen zweert, ernstig moet worden vermaand; blijft hij bij zijn gebrek, dan moet hij worden gebannen. » Dus is het ongeoorloofd bij de schepselen te zweren.

Praeterea, iuramentum est actus latriae, sicut dictum est. Sed cultus latriae non debetur alicui creaturae, ut patet Rom. I. Ergo non licet iurare per aliquam creaturam. (IIa-IIae q. 89 a. 6 arg. 3)

3 — Zweren is, zoals gezegd is (4e Art.), een daad van godsverering. Nu mogen de eerbewijzen van de godsverering niet aan schepselen worden gegeven, zoals uit de Brief aan de Romeinen (1, 23) blijkt. Dus mag men niet bij een schepsel zweren.

Sed contra est quod Ioseph iuravit per salutem Pharaonis, ut legitur Gen. XLII. Ex consuetudine etiam iuratur per Evangelium, et per reliquias, et per sanctos. (IIa-IIae q. 89 a. 6 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Joseph zwoer bij « het heil van Farao, » zoals wij in het Boek der Schepping (42, 13) lezen. Ook zweert men krachtens de bestaande gewoonten bij het Evangelie en de relieken en de heiligen.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, duplex est iuramentum. Unum quidem quod fit per simplicem contestationem, inquantum scilicet Dei testimonium invocatur. Et hoc iuramentum innititur divinae veritati, sicut et fides. Fides autem est per se quidem et principaliter de Deo, qui est ipsa veritas; secundario autem de creaturis, in quibus veritas Dei relucet, ut supra habitum est. Et similiter iuramentum principaliter refertur ad ipsum Deum, cuius testimonium invocatur, secundario autem assumuntur ad iuramentum aliquae creaturae non secundum se, sed inquantum in eis divina veritas manifestatur; sicut iuramus per Evangelium, idest per Deum, cuius veritas in Evangelio manifestatur; et per sanctos, qui hanc veritatem crediderunt et observaverunt. Alius autem modus iurandi est per execrationem. Et in hoc iuramento inducitur creatura aliqua ut in qua divinum iudicium exerceatur. Et sic solet homo iurare per caput suum, vel per filium suum, aut per aliquam aliam rem quam diligit. Sicut et apostolus iuravit, II ad Cor. I, dicens, ego testem Deum invoco in animam meam. Quod autem Ioseph per salutem Pharaonis iuravit, utroque modo potest intelligi, vel per modum execrationis, quasi salutem Pharaonis obligaverit Deo; vel per modum contestationis, quasi contestando veritatem divinae iustitiae, ad cuius executionem principes terrae constituuntur. (IIa-IIae q. 89 a. 6 co.)

Zoals vroeger werd gezegd (1e Art. 3e Antw.), bestaan er twee soorten van eden. Een geschiedt alleen door iemand als getuige te nemen, in zover men nl. God als getuige aanhaalt. En deze eed steunt op de goddelijke waarheid, zoals ook het geloof. Nu slaat het geloof wel uit zichzelf en voornamelijk op God, die de waarheid zelf is, maar op de tweede plaats ook op de schepselen, in wie Gods waarheid schittert, zoals vroeger is gezegd (1e Kw. 1e Art.). En evenzo slaat de eed voornamelijk op God zelf, Wiens getuigenis wordt aangeroepen, maar op de tweede plaats worden bij de eed ook schepselen aangehaald, niet op zichzelf beschouwd, maar in zover de goddelijke waarheid in hen openbaar wordt, zoals wij bij het Evangelie zweren, d. w. z. bij God, Wiens waarheid in het Evangelie openbaar wordt; en bij de heiligen, die deze waarheid geloofden en onderhielden. Een andere manier van te zweren is die door zelfverwensing. En bij deze eed wordt een schepsel aangehaald als datgene, waarin Gods oordeel zich moet uiten. Zo zijn mensen gewend bij hun hoofd te zweren of bij hun zoon of bij iets anders wat zij beminnen. En zo ook zweert de Apostel in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (1, 23) als hij zegt: « Ik roep God tot getuige aan voor mijn ziel. » Dat Joseph echter bij het heil van Farao zwoer, kan op beide manieren worden opgevat: ofwel als een verwensing, alsof hij het heil van Farao aan God als onderpand aanbood; ofwel als een tot getuige nemen, alsof hij de waarheid van de goddelijke rechtvaardigheid, die de vorsten op aarde moeten uitvoeren, tot getuige nam.

Ad primum ergo dicendum quod dominus prohibuit iurare per creaturas ita quod eis adhibeatur reverentia divina. Unde Hieronymus ibidem subdit quod Iudaei, per Angelos, et cetera huiusmodi, iurantes, creaturas venerabantur Dei honore. Et eadem ratione punitur secundum canones clericus per creaturam iurans, quod ad blasphemiam infidelitatis pertinet. Unde in sequenti capitulo dicitur, si quis per capillum Dei vel caput iuraverit, vel alio modo blasphemia contra Deum usus fuerit, si in ecclesiastico ordine est, deponatur. (IIa-IIae q. 89 a. 6 ad 1)

1 — God verbood zo bij de schepselen te zweren, alsof men hun goddelijke eer bewees. Daarom voegt Hieronymus er op dezelfde plaats bij, dat « de Joden, als zij bij de Engelen (e. d.) zwoeren, schepselen met goddelijke eer eerden. » En om dezelfde reden wordt volgens het kerkelijk recht een geestelijke gestraft, die bij schepselen zweert, omdat dit onder de vloeken van de ongelovigheid valt. Daarom staat er in het volgende hoofdstuk: « Als iemand bij Gods hoofd of haar zou zweren, of op een andere manier een vloek tegenover God zou uitspreken, en hij is in de geestelijke stand, dan moet hij afgezet worden. »

Et per hoc patet responsio ad secundum. (IIa-IIae q. 89 a. 6 ad 2)

2 — Het antwoord hierop ziet men uit het voorafgaande.

Ad tertium dicendum quod cultus latriae adhibetur ei cuius testimonium iurando invocatur. Et ideo praecipitur Exod. XXIII, per nomen externorum deorum non iurabitis. Non autem exhibetur cultus latriae creaturis quae in iuramento assumuntur secundum modos praedictos. (IIa-IIae q. 89 a. 6 ad 3)

3 — De eerbewijzen van de godsverering worden aan hem gegeven, wiens getuigenis bij de eed wordt ingeroepen, En daarom wordt in het Boek van de Uittocht (23, 13) voorgeschreven: « Bij de namen van vreemde goden zult gij niet zweren. » Maar aan de schepselen, die op bovengenoemde manier bij de eed worden gebruikt, worden geen eerbewijzen van godsverering gegeven.

Articulus 7.
Heeft de eed kracht om tot iets te verplichten?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod iuramentum non habeat vim obligandi. Inducitur enim iuramentum ad confirmandum veritatem eius quod dicitur. Sed quando aliquis dicit aliquid de futuro, verum dicit etiam si non eveniat quod dicit, sicut Paulus, quamvis non iverit Corinthum, sicut dixerat, non tamen est mentitus, ut patet II Cor. I. Ergo videtur quod iuramentum non sit obligatorium. (IIa-IIae q. 89 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een eed geen kracht heeft om te verplichten. Want een eed wordt gebruikt om de waarheid te bevestigen van wat gezegd wordt. Als echter iemand over iets toekomstigs spreekt, zegt hij de waarheid, ook als wat hij zegt later niet uitkomt; zoals Paulus, al ging hij niet naar Korinthe, zoals hij gezegd had (1 Cor. 16, 5), toch niet gelogen heeft, zoals uit de Tweede Brief aan de Korinthiërs (1, 15) blijkt. Dus schijnt een eed geen verplichting op te leggen.

Praeterea, virtus non est virtuti contraria, ut dicitur in praedicamentis. Sed iuramentum est actus virtutis, ut dictum est. Quandoque autem esset contra virtutem, aut in aliquod eius impedimentum, si quis servaret id quod iuravit, sicut cum aliquis iurat se facere aliquod peccatum, vel cum iurat desistere ab aliquo opere virtutis. Ergo iuramentum non semper est obligatorium. (IIa-IIae q. 89 a. 7 arg. 2)

2 — Een deugd staat niet tegenover een andere, zoals in de Categorieën wordt gezegd. Nu is een eed een daad van een deugd, zoals (in het 4e Art.) is gezegd. Soms zou het echter tegen een deugd zijn, of een beletsel ervoor, als iemand zich hield aan wat hij gezworen had; zoals wanneer iemand zweert, dat hij geen zonde zal doen of een werk van deugd nalaten. Dus geeft een eed niet altijd een verplichting.

Praeterea, quandoque aliquis invitus compellitur ad hoc quod sub iuramento aliquid promittat. Sed tales a iuramenti nexibus sunt per Romanos pontifices absoluti, ut habetur extra, de iureiurando, cap. verum in ea quaestione et cetera. Ergo iuramentum non semper est obligatorium. (IIa-IIae q. 89 a. 7 arg. 3)

3 — Soms wordt iemand tegen zijn wil gedwongen om iets onder ede te beloven. « Maar dergelijke mensen zijn door de Pausen van de band van hun eden ontslagen, » zoals de Canones zeggen. Dus geeft een eed niet altijd een verplichting.

Praeterea, nullus potest obligari ad duo opposita. Sed quandoque oppositum est quod intendit iurans, et quod intendit ille cui iuramentum praestatur. Ergo iuramentum non potest semper esse obligatorium. (IIa-IIae q. 89 a. 7 arg. 4)

4 — Niemand kan tot twee tegenovergestelde dingen verplicht zijn. Nu bedoelt hij, die zweert, soms het tegenovergestelde van wat hij bedoelt, voor wier de eed wordt afgelegd. Dus kan de eed niet altijd verplichten.

Sed contra est quod dicitur Matth. V, reddes domino iuramenta tua. (IIa-IIae q. 89 a. 7 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat bij Mattheus (5, 33) wordt gezegd: « Houdt de Heer Uwe eden. »

Respondeo dicendum quod obligatio refertur ad aliquid quod est faciendum vel dimittendum. Unde non videtur respicere iuramentum assertorium, quod est de praesenti vel de praeterito; neque etiam iuramentum de his quae sunt per alias causas fienda, sicut si quis iuramento assereret quod cras pluvia esset futura; sed solum in his quae sunt fienda per illum qui iurat. Sicut autem iuramentum assertorium, quod est de praeterito vel de praesenti, debet habere veritatem, ita etiam et iuramentum de his quae sunt fienda a nobis in futurum. Et ideo utrumque iuramentum habet quandam obligationem, diversimode tamen. Quia in iuramento quod est de praeterito vel praesenti, obligatio est non respectu rei quae iam fuit vel est, sed respectu ipsius actus iurandi, ut scilicet iuret id quod iam verum est vel fuit. Sed in iuramento quod praestatur de his quae sunt fienda a nobis, obligatio cadit e converso super rem quam aliquis iuramento firmavit. Tenetur enim aliquis ut faciat verum esse id quod iuravit, alioquin deest veritas iuramento. Si autem est talis res quae in eius potestate non fuit, deest iuramento discretionis iudicium, nisi forte quod erat ei possibile quando iuravit, ei reddatur impossibile per aliquem eventum; puta cum aliquis iuravit se pecuniam soluturum, quae ei postmodum vi vel furto subtrahitur. Tunc enim videtur excusatus esse a faciendo quod iuravit, licet teneatur facere quod in se est, sicut etiam supra circa obligationem voti diximus. Si vero sit quidem possibile fieri, sed fieri non debeat, vel quia est per se malum, vel quia est boni impeditivum, tunc iuramento deest iustitia. Et ideo iuramentum non est servandum in eo casu quo est peccatum vel boni impeditivum, secundum enim utrumque horum vergit in deteriorem exitum. Sic ergo dicendum est quod quicumque iurat aliquid se facturum, obligatur ad id faciendum, ad hoc quod veritas impleatur, si tamen alii duo comites adsint, scilicet iudicium et iustitia. (IIa-IIae q. 89 a. 7 co.)

De verplichting slaat op iets, wat gedaan of nagelaten moet worden. Daarom schijnt dit niets te maken te hebben met de bevestigings-eed, die over het tegenwoordige of verleden gaat; en ook niet met een eed over wat door andere moet gebeuren, zoals wanneer iemand met een eed zou verzekeren, dat er morgen regen moet komen; maar alleen op wat door hem, die zweert, moet gebeuren. Zoals nu de bevestigings-eed, die over het tegenwoordige of verleden gaat waarheid moet bevatten, zo ook een eed over wat door ons in de toekomst moet gebeuren. En daarom brengen beide soorten van eed en een verplichting mee, maar op verschillende manier. Want bij een eed over het verleden of toekomstige, bestaat de verplichting niet ten opzichte van de zaak, die er al geweest is of nog is, maar ten opzichte van de daad van zweren zelf, dat hij nl. datgene bezweert wat al waar was of is. Maar bij de eed over dingen, die door ons moeten gebeuren, gaat de verplichting daarentegen over datgene, wat iemand met een eed bevestigt. Want men is verplicht waar te doen zijn, wat men bezworen heeft; anders ontbreekt de waarheid aan de eed. Gaat het echter over een zaak, die niet onder de macht van de mens, die zweert, valt, dan heeft er het oordeel van het overleg aan ontbroken; tenzij het hem misschien mogelijk was, toen hij zwoer en hem naderhand door een gebeurtenis onmogelijk is gemaakt, zoals wanneer iemand gezworen heeft geld te zullen geven, wat hem later door geweldpleging of diefstal wordt ontnomen. Dan schijnt hij vrijgesteld te zijn van te doen, wat hij bezworen had, al moet hij doen, wat hij kan, zoals wij ook over de verplichting van de gelofte hebben gezegd (88e Kw. 3e Art. 2e Antw.). Als het kan, maar niet mag gebeuren, omdat het ofwel in zichzelf verkeerd is of iets goeds belet, dan mist de eed de rechtvaardigheid. En dus moet men zijn eed niet houden in het geval, dat hij zondig is of het goede belet; want in beide gevallen « maakt hij het gevolg slechter. » Wij moeten dus zeggen, dat wie zweert iets te zullen doen, verplicht is dat te doen om de eed waar te doen zijn, maar alleen, als de twee andere vereisten, nl. het oordeel en de rechtvaardigheid, aanwezig zijn.

Ad primum ergo dicendum quod aliud est de simplici verbo, aliud de iuramento, in quo divinum testimonium imploratur. Sufficit enim ad veritatem verbi quod aliquis dicat id quod proponit se facturum, quia hoc iam verum est in sua causa, scilicet in proposito facientis. Sed iuramentum adhiberi non debet nisi in re de qua aliquis firmiter certus est. Et ideo si iuramentum adhibeatur, propter reverentiam divini testimonii quod invocatur, obligatur homo ut faciat esse verum id quod iuravit, secundum suam possibilitatem, nisi in deteriorem exitum vergat, ut dictum est. (IIa-IIae q. 89 a. 7 ad 1)

1 — Er is verschil tussen een eenvoudig woord en een eed, waarbij men het getuigenis van God aanroept. Want voor de waarheid van een woord is genoeg, dat iemand zegt, wat hij van plan is te doen; want dat is dan al waar in zijn oorzaak, nl. het plan van wie het doet. Maar een eed moet men alleen gebruiken bij iets, waarvan men absoluut zeker is. Wordt er dus een eed bij gebruikt, dan is de mens om de eerbied voor het goddelijke getuigenis, dat hij inroept, verplicht naar zijn vermogen waar te doen zijn, wat hij gezworen heeft; tenzij het een slechter gevolg heeft, zoals is gezegd (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod iuramentum potest vergere in deteriorem exitum dupliciter. Uno modo, quia ab ipso principio habet peiorem exitum. Vel quia est secundum se malum, sicut cum aliquis iurat se adulterium patraturum. Sive quia est maioris boni impeditivum, puta cum aliquis iurat se non intraturum religionem, vel quod non fiet clericus, aut quod non accipiet praelationem in casu in quo expedit eum accipere, vel si quid aliud est huiusmodi. Huiusmodi enim iuramentum a principio est illicitum, differenter tamen. Quia si quis iuret se facturum aliquod peccatum, et peccat iurando, et peccat iuramentum servando. Si quis autem iurat se non facturum aliquod melius bonum, quod tamen facere non tenetur, peccat quidem iurando, inquantum ponit obicem spiritui sancto, qui est boni propositi inspirator, non tamen peccat iuramentum servando, sed multo melius facit si non servet. Alio modo vergit in deteriorem exitum propter aliquid quod de novo emerserat, quod fuit impraemeditatum, sicut patet in iuramento Herodis, qui iuravit puellae saltanti se daturum quod petisset. Hoc enim iuramentum poterat esse a principio licitum, intellecta debita conditione, scilicet si peteret quod dare deceret, sed impletio iuramenti fuit illicita. Unde Ambrosius dicit, in I de officiis, est contra officium nonnunquam promissum solvere sacramentum, sicut Herodes, qui necem Ioannis praestavit ne promissum negaret. (IIa-IIae q. 89 a. 7 ad 2)

2 — Op twee manieren kan een eed een slechter gevolg hebben. Ten eerste, omdat hij door het beginsel zelf een slechter gevolg heeft, hetzij omdat dit iets slechts is, zoals wanneer iemand zweert overspel te zullen plegen; of omdat het iets goeds belet, b.v. als iemand zweert niet in het klooster te zullen treden of geen geestelijke te zullen worden, of geen kerkelijk ambt te zullen aannemen, in geval het aannemen wel goed zou zijn; e. d. gevallen. Een eed over dergelijke dingen is van het begin af aan ongeoorloofd, maar op verschillende manieren. Want als iemand zweert een zonde te zullen bedrijven, zondigt hij én als hij zweert, én als hij de eed houdt; maar als iemand zweert iets beters niet te zullen doen, wat hij niet verplicht is te doen, dan zondigt hij wel door te zweren, in zover hij aan de H. Geest, die de goede voornemens ingeeft, een beletsel stelt; maar hij zondigt niet, als hij de eed houdt; wel doet hij veel beter, als hij hem niet houdt. Op een andere manier heeft hij een slechter gevolg om iets nieuws, wat erbij komt en niet voorzien was, zoals blijkt uit de eed van Herodes, die zwoer aan het dansende meisje te zullen geven wat zij zou vragen. Die eed kon van het begin af goed zijn, als men er de nodige voorwaarde bij denkt, dat zij nl. iets gepasts zou vragen; maar het houden van de eed was ongeoorloofd. Daarom zegt Ambrosius: « Soms is het tegen de plicht een heilige gelofte te houden, zoals Herodes, die de moord op Joannes pleegde om zijn belofte niet te breken. »

Ad tertium dicendum quod in iuramento quod quis coactus facit, duplex est obligatio. Una quidem qua obligatur homini cui aliquid promittit. Et talis obligatio tollitur per coactionem, quia ille qui vim intulit hoc meretur, ut ei promissum non servetur. Alia autem est obligatio qua quis Deo obligatur ut impleat quod per nomen eius promisit. Et talis obligatio non tollitur in foro conscientiae, quia magis debet damnum temporale sustinere quam iuramentum violare. Potest tamen repetere in iudicio quod solvit, vel praelato denuntiare, non obstante si contrarium iuravit, quia tale iuramentum vergeret in deteriorem exitum, esset enim contra iustitiam publicam. Romani autem pontifices ab huiusmodi iuramentis homines absolverunt non quasi decernentes huiusmodi iuramenta non esse obligatoria, sed quasi huiusmodi obligationes ex iusta causa relaxantes. (IIa-IIae q. 89 a. 7 ad 3)

3 — Bij een eed, die iemand gedwongen heeft afgelegd, bestaat een dubbele verplichting. Ten eerste tegenover de mens, waaraan iets beloofd is. En deze verplichting verdwijnt bij dwang, want wie dwang heeft aangedaan verdient, dat men hem de belofte niet houdt. Maar er is een andere verplichting tegenover God te vervullen, wat men bij Zijn naam beloofd heeft. En deze verplichting wordt tegenover het geweten niet weggenomen omdat men eerder tijdelijk verlies moet lijden dan de eed breken. Maar men kan voor het gerecht terugeisen wat men betaald heeft of het aan de overste bekend maken, niettegenstaande dat men het tegenovergestelde heeft gezworen; want een dergelijke eed zou een slechter gevolg hebben en tegen de openbare rechtvaardigheid ingaan. — De Pausen echter hebben mensen van dergelijke eden vrijgesteld, niet in die zin, dat zij uitmaakten, dat dergelijke eden geen verplichting meebrachten, maar dat zij die verplichtingen om billijke reden ophieven.

Ad quartum dicendum quod quando non est eadem iurantis intentio et eius cui iurat, si hoc provenit ex dolo iurantis, debet iuramentum servari secundum sanum intellectum eius cui iuramentum praestatur. Unde Isidorus dicit, quacumque arte verborum quis iuret, Deus tamen, qui conscientiae testis est, ita hoc accipit sicut ille cui iuratur intelligit. Et quod hoc intelligatur de doloso iuramento, patet per id quod subditur, dupliciter reus fit qui et nomen Dei in vanum assumit, et proximum dolo capit. Si autem iurans dolum non adhibeat, obligatur secundum intentionem iurantis. Unde Gregorius dicit, XXVI Moral., humanae aures talia verba nostra iudicant qualia foris sonant, divina vero iudicia talia foris audiunt qualia ex intimis proferuntur. (IIa-IIae q. 89 a. 7 ad 4)

4 — Wanneer er verschil van bedoeling is tussen wie zweert en tegenover wie gezworen wordt, en als dat voortkomt uit het listig gedrag van hem die zweert, dan moet hij zijn eed houden volgens de gezonde opvatting van hem, waaraan hij het gezworen heeft. Daarom zegt Isidorus: « Met welk woordenspel iemand ook zweert, toch vat God, die getuige van het geweten is, de eed zo op als hij, aan wie hij gezworen is. » En dat dit op een bedrieglijke eed slaat, blijkt uit wat er op volgt: « Dubbel schuldig maakt hij zich, die zowel Gods naam ijdel gebruikt als zijn naaste door list vangt. » Maar als wie zweert geen bedrog gebruikt, heeft hij verplichtingen volgens de bedoeling van wie zweert. Daarom zegt Gregorius: « Oren van mensen beoordelen zulke woorden van ons, zoals zij uitwendig klinken; maar het oordeel van God hoort die woorden uiterlijk, zoals zij uit het binnenste worden voortgebracht. »

Articulus 8.
Ontstaat er door een eed een zwaardere verplichting dan door een gelofte?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod maior sit obligatio iuramenti quam voti. Votum enim est simplex promissio. Sed iuramentum supra promissionem adhibet divinum testimonium. Ergo maior est obligatio iuramenti quam voti. (IIa-IIae q. 89 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er door een eed een zwaardere verplichting ontstaat dan door een gelofte. Want een gelofte is een eenvoudige belofte. Maar een eed haalt Gods getuigenis bij een belofte aan. Dus geeft een eed een zwaardere verplichting dan een gelofte.

Praeterea, debilius solet per fortius confirmari. Sed votum interdum confirmatur iuramento. Ergo iuramentum est fortius quam votum. (IIa-IIae q. 89 a. 8 arg. 2)

2 — Wat zwakker is, moet door wat sterker is worden versterkt. Nu wordt een gelofte soms door een eed bevestigd. Dus is een eed sterker dan een gelofte.

Praeterea, obligatio voti causatur ex animi deliberatione, ut supra dictum est. Obligatio autem iuramenti causatur ex divina veritate, cuius testimonium invocatur. Cum ergo veritas Dei excedat deliberationem humanam, videtur quod obligatio iuramenti sit fortior quam obligatio voti. (IIa-IIae q. 89 a. 8 arg. 3)

3 — De verplichting door de gelofte komt, zoals vroeger gezegd is (88e Kw. 1e Art.) van het zielsoverleg. Maar de verplichting krachtens een eed wordt door de goddelijke waarheid, wier getuigenis wordt aangeroepen, veroorzaakt. Daar dus Gods waarheid groter is dan menselijk overleg, schijnt de verplichting krachtens een eed groter te zijn dan die krachtens een gelofte.

Sed contra, per votum obligatur aliquis Deo, per iuramentum obligatur interdum homini. Magis autem obligatur homo Deo quam homini. Ergo maior est obligatio voti quam iuramenti. (IIa-IIae q. 89 a. 8 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat men door een gelofte verplichtingen heeft tegenover God, maar door een eed soms tegenover een mens. Nu heeft een mens tegenover God grotere verplichtingen dan tegenover een mens. Dus geeft een gelofte zwaardere verplichting dan de eed.

Respondeo dicendum quod utraque obligatio, scilicet voti et iuramenti, causatur ex aliquo divino, aliter tamen et aliter. Nam obligatio voti causatur ex fidelitate quam Deo debemus, ut scilicet ei promissum solvamus. Obligatio autem iuramenti causatur ex reverentia quam debemus ei, ex qua tenemur quod verificemus id quod per nomen eius promittimus. Omnis autem infidelitas irreverentiam continet, sed non convertitur, videtur enim infidelitas subiecti ad dominum esse maxima irreverentia. Et ideo votum ex ratione sua magis est obligatorium quam iuramentum. (IIa-IIae q. 89 a. 8 co.)

Beide verplichtingen, nl. van de gelofte en van de eed, komen van iets goddelijks, maar op verschillende manieren. Want de verplichting van de gelofte ontstaat door de getrouwheid, die wij tegenover God moeten hebben, dat wij nl. onze beloften aan Hem houden. Maar de verplichting van de eed komt van de eerbied, die wij voor Hem moeten hebben, waardoor wij verplicht zijn waar te maken, wat wij bij Zijn naam beloofd hebben. Nu ligt wel in iedere ongetrouwheid gebrek aan eerbied opgesloten, maar niet omgekeerd; want het schijnt, dat de ongetrouwheid van een onderdaan aan zijn heer de grootste oneerbiedigheid is. En daarom geeft een gelofte uiteraard meer verplichting dan een eed.

Ad primum ergo dicendum quod votum est promissio non quaecumque, sed Deo facta, cui infidelem esse gravissimum est. (IIa-IIae q. 89 a. 8 ad 1)

1 — Niet iedere belofte is een gelofte, maar alleen die aan God wordt gedaan; en Hem ontrouw zijn, weegt bijzonder zwaar.

Ad secundum dicendum quod iuramentum non adhibetur voto quasi aliquid firmius, sed ut per duas res immobiles maior firmitas adhibeatur. (IIa-IIae q. 89 a. 8 ad 2)

2 — Een eed wordt niet als iets sterkers bij een gelofte gebruikt; maar om meer sterkte te geven « door twee onwrikbare dingen. »

Ad tertium dicendum quod deliberatio animi dat firmitatem voto quantum ex parte voventis est. Habet tamen maiorem firmitatis causam ex parte Dei, cui votum offertur. (IIa-IIae q. 89 a. 8 ad 3)

3 — Het geestesoverleg geeft kracht aan de gelofte, voor zover er kracht komt van de kant van wie de gelofte aflegt. Maar van Gods kant, aan Wie de gelofte wordt aangeboden, is er een grotere reden van zekerheid.

Articulus 9.
Kan iemand van een eed ontslaan?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod nullus possit dispensare in iuramento. Sicut enim veritas requiritur ad iuramentum assertorium, quod est de praeterito vel praesenti, ita ad iuramentum promissorium, quod est de futuro. Sed nullus potest cum aliquo dispensare quod de praeteritis vel praesentibus iuret contra veritatem. Ergo etiam nullus potest dispensare quod non faciat aliquis esse verum id quod cum iuramento in futurum promisit. (IIa-IIae q. 89 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niemand van een eed kan ontslaan. Want zoals er waarheid vereist wordt voor een bevestigings-eed, die over iets tegenwoordigs of verledens gaat, zo ook voor de belofte-eed, die over iets toekomstigs gaat. Nu kan niemand een mens vrij toestaan om over het verleden of tegenwoordige tegen de waarheid in te zweren. Dus kan evenmin iemand er van vrij stellen om datgene, wat men met een eed over de toekomst heeft beloofd, waar te doen zijn.

Praeterea, iuramentum promissorium inducitur ad utilitatem eius cui fit promissio. Sed ille, ut videtur, non potest relaxare, quia est contra divinam reverentiam. Ergo multo minus per aliquem potest super hoc dispensari. (IIa-IIae q. 89 a. 9 arg. 2)

2 — Een belofte-eed dient tot nut van hem, aan wie hij gedaan wordt. Deze echter kan hem naar het schijnt niet doen ophouden, omdat het met de eerbied tegenover God strijdt. Dus kan een ander daar nog veel minder van vrijstellen.

Praeterea, in voto quilibet episcopus potest dispensare, exceptis quibusdam votis quae soli Papae reservantur, ut supra habitum est. Ergo, pari ratione, in iuramento, si esset dispensabile, quilibet episcopus posset dispensare. Quod tamen videtur esse contra iura. Non ergo videtur quod in iuramento possit dispensari. (IIa-IIae q. 89 a. 9 arg. 3)

3 — Iedere bisschop kan van een gelofte ontslaan, een paar geloften slechts uitgezonderd, die aan de Paus alleen voorbehouden zijn, zoals boven gezegd is (88e Kw. 12e Art. 3e Antw.). Daarom zou om dezelfde reden, als erin gedispenseerd kan worden, iedere bisschop in de eed kunnen dispenseren. Maar dat is in strijd met het recht. Daarom schijnt het onmogelijk van een eed te ontslaan.

Sed contra est quod votum est maioris obligationis quam iuramentum, ut supra dictum est. Sed in voto potest dispensari. Ergo in iuramento. (IIa-IIae q. 89 a. 9 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat zoals boven (vorig Art.) gezegd is, een gelofte een grotere verplichting meebrengt dan een eed. Toch kan men van een gelofte ontslagen worden. Dus ook van een eed.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, necessitas dispensationis tam in lege quam in voto est propter hoc quod id quod in se, vel universaliter consideratum, est utile et honestum, secundum aliquem particularem eventum potest esse inhonestum et nocivum, quod non potest cadere nec sub lege nec sub voto. Quod autem aliquid sit inhonestum vel noxium, repugnat his quae debent attendi in iuramento, nam si sit inhonestum, repugnat iustitiae; si sit noxium, repugnat iudicio. Et ideo, pari ratione, etiam in iuramento dispensari potest. (IIa-IIae q. 89 a. 9 co.)

Zoals vroeger (88e Kw. 10e Art.) gezegd is, komt de noodzakelijkheid van dispensatie, zowel in de wet als in de gelofte hiervandaan, dat wat in zichzelf en in het algemeen genomen nuttig en goed is, toch in bepaalde gevallen verkeerd en schadelijk kan worden, en zo geen voorwerp van wet of gelofte meer kan zijn. Dat echter iets slecht en schadelijk zou zijn, strijdt met de voor een eed gestelde eisen, want is het slecht, dan strijdt het met de rechtvaardigheid, is het schadelijk, dan met het oordeel. En daarom kan men om dezelfde reden ook van een eed worden ontslagen.

Ad primum ergo dicendum quod dispensatio quae fit in iuramento non se extendit ad hoc quod aliquid contra iuramentum fiat, hoc enim est impossibile, cum observatio iuramenti cadat sub praecepto divino, quod est indispensabile. Sed ad hoc se extendit dispensatio iuramenti ut id quod sub iuramento cadebat, sub iuramento non cadat, quasi non existens debita materia iuramenti, sicut et de voto supra diximus. Materia autem iuramenti assertorii, quod est de praeterito vel praesenti, in quandam necessitatem iam transiit, et immutabilis facta est, et ideo dispensatio non referretur ad materiam, sed referretur ad ipsum actum iuramenti; unde talis dispensatio directe esset contra praeceptum divinum. Sed materia iuramenti promissorii est aliquid futurum, quod variari potest, ita scilicet quod in aliquo eventu potest esse illicitum vel nocivum, et per consequens non esse debita materia iuramenti. Et ideo dispensari potest in iuramento promissorio, quia talis dispensatio respicit materiam iuramenti, et non contrariatur praecepto divino de iuramenti observatione. (IIa-IIae q. 89 a. 9 ad 1)

1 — De vrijstelling, die van een eed wordt verleend, gaat niet zo ver, dat er iets tegen de eed zou gebeuren; dat immers is onmogelijk, omdat het houden van de eed onder een goddelijk gebod valt, waarvan men niet vrijgesteld kan worden. Maar de vrijstelling van de eed gaat zo ver, dat wat eerst wel onder de eed viel, er nu niet meer onder valt, omdat het geen geschikt voorwerp voor een eed meer is, zo als wij vroeger (88e Kw. 10e Art. 2e Antw.) van de gelofte hebben gezegd. Het voorwerp van een bevestigings-eed daarentegen, die over het verleden en tegenwoordige gaat, heeft een zekere noodzakelijkheid en onveranderlijkheid gekregen; en zo zou de vrijstelling niet meer op het voorwerp slaan, maar op de daad zelf van zweren; en zo zou een dergelijke vrijstelling rechtstreeks tegen het goddelijke gebod ingaan. Maar het voorwerp van een belofte-eed is iets toekomstigs, dat veranderen kan, zodat het nl. in een bepaald geval slecht en schadelijk kan worden, en dus geen goed voorwerp voor een eed meer kan zijn. En daarom kan men van een belofte-eed worden ontslagen; omdat deze dispensatie op het voorwerp van de eed slaat en niet met het goddelijke gebod om de eed te houden in strijd komt.

Ad secundum dicendum quod homo potest alteri promittere aliquid sub iuramento dupliciter. Uno modo, quasi pertinens ad utilitatem ipsius, puta si sub iuramento promittat se serviturum ei, vel pecuniam daturum. Et a tali promissione potest absolvere ille cui promissio facta est, intelligitur enim iam ei solvisse promissum quando facit de eo secundum eius voluntatem. Alio modo promittit aliquis alteri quod pertinet ad honorem Dei vel utilitatem aliorum, puta si aliquis iuramento promittat alicui se intraturum religionem, vel aliquod opus pietatis facturum. Et tunc ille cui promittitur non potest absolvere promittentem, quia promissio non est facta ei principaliter, sed Deo, nisi forte sit interposita conditio, scilicet, si illi videbitur cui promittit, vel aliquid aliud tale. (IIa-IIae q. 89 a. 9 ad 2)

2 — Op twee wijzen kan een mens een ander iets onder ede beloven. Ten eerste als iets, wat voor hem nuttig is, b. v. als hij onder ede belooft hem te zullen dienen of hem geld te zullen geven. En van die belofte kan hij, aan wie ze gedaan is, hem ontslaan; want men beschouwt de belofte als gehouden, als men ermee doet volgens de wil van hem, aan wie ze gedaan is. Op een andere manier belooft iemand aan een ander wat dient om God te eren of tot nut van een ander, b. v. als iemand onder ede belooft in het klooster te zullen treden of een godvruchtig werk te verrichten. En dan kan hij, aan wie die belofte gedaan is, hem die belooft er niet van vrij stellen, omdat de belofte niet hem, maar voornamelijk aan God is gedaan, tenzij er misschien een voorwaarde bij opgenomen is, nl. als hij. aan wie hij het belooft, het goedkeurt, of iets dergelijks.

Ad tertium dicendum quod quandoque illud quod cadit sub iuramento promissorio est manifeste repugnans iustitiae, vel quia est peccatum, sicut cum aliquis iurat se facturum homicidium; vel quia est maioris boni impeditivum, sicut cum aliquis iurat se non intraturum religionem. Et tale iuramentum dispensatione non indiget, sed in primo casu tenetur aliquis tale iuramentum non servare; in secundo autem casu licitum est et servare et non servare, ut supra dictum est. Quandoque vero aliquid sub iuramento promittitur de quo dubium est utrum sit licitum vel illicitum, proficuum vel nocivum, aut simpliciter aut in aliquo casu. Et in hoc potest quilibet episcopus dispensare quandoque vero sub iuramento promittitur aliquid quod est manifeste licitum et utile. Et in tali iuramento non videtur habere locum dispensatio, sed commutatio, si aliquid melius faciendum occurrat ad communem utilitatem, quod maxime videtur pertinere ad potestatem Papae, qui habet curam universalis Ecclesiae; vel etiam absoluta relaxatio, quod etiam ad Papam pertinet, in omnibus generaliter quae ad dispensationem rerum ecclesiasticarum pertinent, super quas habet plenitudinem potestatis; sicut et ad unumquemque pertinet irritare iuramentum quod a sibi subditis factum est circa ea quae eius potestati subduntur; sicut pater potest irritare iuramentum puellae et vir uxoris, ut dicitur Num. XXX, sicut et supra de voto dictum est. (IIa-IIae q. 89 a. 9 ad 3)

3 — Soms is het voorwerp van een belofte-eed duidelijk in strijd met de rechtvaardigheid, of omdat het zonde is, zoals wanneer iemand zweert een moord te zullen plegen, of omdat het iets beters belet, b. v. als iemand zweert niet in het klooster te zullen treden. En bij een dergelijken eed is geen vrijstelling nodig, omdat men in het eerste geval verplicht is de eed niet te houden en in het tweede geval de eed zowel niet als wel mag houden, zoals boven (7e Art. 2e Antw.) gezegd is. Soms is echter iets voorwerp van een belofte-eed, waarvan het twijfelachtig is, of het geoorloofd of ongeoorloofd, voordelig of nadelig is, hetzij op zichzelf hetzij in een bepaald geval. En hierin kan iedere bisschop dispenseren. Soms echter wordt iets onder ede beloofd, wat duidelijk geoorloofd en nuttig is. En bij een dergelijken eed schijnt er geen gelegenheid tot vrijstelling te zijn, maar alleen om hem te veranderen, als er iets beters gedaan kan worden tot het algemeen welzijn; en dat komt vooral aan de Paus toe, die de zorg heeft voor de gehele Kerk; ofwel voor algehele opheffing, wat ook aan de Paus toekomt in het algemeen bij alle gevallen, die onder het bestuur der kerkelijke aangelegenheden vallen, waarover hij de macht bezit; zoals iedereen een eed ongedaan kan maken van zijn ondergeschikten over dingen, waarover hij macht heeft, zoals een vader een eed van een meisje, en een man een eed van zijn vrouw ongedaan kan maken, gelijk in het Boek der Getallen (30, 6) en boven over de gelofte (88e Kw. 8e Art.) gezegd is.

Articulus 10.
Is een omstandigheid van persoon of tijd een beletsel voor een eed?

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod iuramentum non impediatur per aliquam conditionem personae vel temporis. Iuramentum enim ad confirmationem inducitur, ut patet per apostolum, ad Heb. VI. Sed cuilibet convenit confirmare dictum suum, et quolibet tempore. Ergo videtur quod iuramentum non impediatur propter aliquam conditionem personae vel temporis. (IIa-IIae q. 89 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een omstandigheid van persoon of tijd geen beletsel voor een eed is. Want een eed dient om te bevestigen, zoals de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (6, 16) laat zien. Nu kan iedereen zijn woorden bevestigen, en dat altijd. Dus schijnt een omstandigheid van plaats of tijd geen beletsel voor een eed te zijn.

Praeterea, maius est iurare per Deum quam per Evangelia, unde Chrysostomus dicit, si aliqua causa fuerit, modicum videtur facere qui iurat per Deum, qui autem iurat per Evangelium, maius aliquid fecisse videtur. Quibus dicendum est, stulti, Scripturae propter Deum factae sunt, non Deus propter Scripturas. Sed cuiuslibet conditionis personae, et quolibet tempore, in communi locutione consueverunt iurare per Deum. Ergo multo magis licitum est eis iurare per Evangelia. (IIa-IIae q. 89 a. 10 arg. 2)

2 — Het is meer bij God te zweren dan bij de Evangeliën; en daarom zegt Chrysostomus: « Als er een geding is, schijnt wie bij God zweert, weinig te doen, maar wie bij de Evangeliën zweert, meer. Hun, die dit denken, moet men zeggen: Dwazen, de Schriften zijn om God gemaakt en niet God om de Schriften. » Nu zijn mensen uit allerlei omstandigheden en in alle tijden gewend bij God te zweren in het gewone gesprek. Dus mogen zij nog veel meer bij de Evangeliën zweren.

Praeterea, idem non causatur ex contrariis causis, quia contrariae causae sunt contrariorum. Sed aliqui excluduntur a iuramento propter defectum personae, sicut pueri ante quatuordecim annos, et etiam illi qui semel fuerunt periuri. Non ergo videtur quod aliqui prohibeantur iurare vel propter dignitatem, sicut clerici; aut etiam propter temporis solemnitatem. (IIa-IIae q. 89 a. 10 arg. 3)

3 — Tegenovergestelde oorzaken brengen niet hetzelfde teweeg, omdat tegengestelde dingen oorzaken zijn van tegengestelde gevolgen. Nu zijn sommigen om een gebrek in hun persoon ervan uitgesloten een eed af te leggen, zoals kinderen vóór hun veertiende jaar en zij, die eenmaal een meineed hebben gedaan. Dus schijnt het niemand verboden te zijn de eed af te leggen om zijn waardigheid zoals geestelijken, of ook om de plechtigheid van het tijdstip.

Praeterea, nullus homo vivens in hoc mundo est tantae dignitatis sicut Angeli, dicitur enim Matth. XI quod qui minor est in regno caelorum maior est illo, scilicet Ioanne Baptista adhuc in mundo vivente. Sed Angelo convenit iurare, dicitur enim Apoc. X quod Angelus iuravit per viventem in saecula saeculorum. Ergo nullus homo propter dignitatem debet excusari a iuramento. (IIa-IIae q. 89 a. 10 arg. 4)

4 — Geen mens, die op aarde leeft, staat zo hoog in waardigheid als de engelen, want bij Mattheus (11, 11) wordt gezegd: « Wie geringer is in het rijk der hemelen, is groter dan hij, » nl. dan Joannes de Dooper, die nog op aarde leefde. Maar een engel kan zweren, want in het Boek der Openbaring (10, 6) staat dat « de Engel zwoer bij Hem, die in de eeuwen der eeuwen leeft. » Dus mag geen enkel mens om zijn waardigheid van de eed worden vrijgesteld.

Sed contra est quod habetur II, qu. V, presbyter, vice iuramenti, per sanctam consecrationem interrogetur. Et XXII, qu. V, dicitur, nullus ex ecclesiastico ordine cuiquam laico quidquam super sancta Evangelia iurare praesumat. (IIa-IIae q. 89 a. 10 s. c.)

Maar daartegenover staat in het canonieke recht: « Een priester moet men, in plaats van onder ede, bij zijn heilige wijding ondervragen, » en elders staat: « Niemand uit de geestelijke stand wage het iets aan een leek op de H. Evangeliën te bezweren. »

Respondeo dicendum quod in iuramento duo sunt consideranda. Unum quidem ex parte Dei, cuius testimonium inducitur. Et quantum ad hoc, debetur iuramento maxima reverentia. Et propter hoc a iuramento excluduntur et pueri ante annos pubertatis, qui non coguntur ad iurandum, quia nondum habent perfectum usum rationis, quo possint cum reverentia debita iuramentum praestare, et iterum periuri, qui ad iuramentum non admittuntur, quia ex retroactis praesumitur quod debitam reverentiam iuramento non exhibebunt. Et propter hoc etiam, ut iuramento debita reverentia exhibeatur, dicitur XXII, qu. V, honestum est ut qui in sanctis audet iurare, hoc ieiunus faciat, cum omni honestate et timore Dei. Aliud autem est considerandum ex parte hominis, cuius dictum iuramento confirmatur. Non enim indiget dictum hominis confirmatione nisi quia de eo dubitatur. Hoc autem derogat dignitati personae, ut dubitetur de veritate eorum quae dicit. Et ideo personis magnae dignitatis non convenit iurare. Propter quod dicitur II, qu. V, cap. si quis presbyter, quod sacerdotes ex levi causa iurare non debent. Tamen pro aliqua necessitate, vel magna utilitate, licitum est eis iurare, et praecipue pro spiritualibus negotiis. Pro quibus etiam iuramenta competit praestare in solemnibus diebus, quibus est spiritualibus rebus vacandum, non autem tunc sunt iuramenta praestanda pro rebus temporalibus, nisi forte ex magna necessitate. (IIa-IIae q. 89 a. 10 co.)

Bij de eed moet men twee dingen in aanmerking nemen. Ten eerste kan men hem bezien van Gods kant, Wiens getuigenis wordt aangehaald. En wat dit betreft, moet men de eed zeer veel eerbied bewijzen. Daarom zijn kinderen vóór de puberteitsjaren van het afleggen van de eed uitgesloten; en zij worden niet tot zweren verplicht, omdat zij het volmaakte gebruik van hun verstand nog niet hebben, zodat zij de eed met de vereiste eerbied zouden kunnen afleggen; en evenzo meinedigen, die niet tot het afleggen van de eed worden toegelaten, omdat men om hun vroeger gedrag aanneemt, dat zij de eed de verschuldigde eerbied niet bewijzen. En om dezelfde reden, om de eed de nodige eerbied te bewijzen, staat er in het recht bepaald: « Het is goed, dat wie in het heiligdom de eed durft af te leggen, dit nuchter doet in alle eerbaarheid en vrees voor God. » Van de kant van de mens, wiens woorden door de eed worden bevestigd, moet men iets anders in aanmerking nemen. Want het woord van een mens heeft alleen bevestiging nodig, omdat men eraan twijfelt. Men doet echter tekort aan de waardigheid van een persoon, als men twijfelt aan de waarheid van wat hij zegt. En daarom past het personen van hoge waardigheid niet te zweren; en zegt het kerkelijk recht in het hoofdstuk: Als een priester, dat « een priester om een geringe reden niet moet zweren. » Maar zij mogen zweren, als het nodig is of zeer nuttig en vooral met het oog op geestelijke zaken. — Het past ook om op plechtige feestdagen, als men zich met geestelijke dingen moet bezighouden, hiervoor de eed af te leggen; maar dan niet voor tijdelijke zaken, tenzij misschien om een dringende noodzakelijkheid.

Ad primum ergo dicendum quod quidam sunt qui dictum suum confirmare non possunt propter eorum defectum, et quidam sunt quorum dictum adeo debet esse certum quod confirmatione non egeat. (IIa-IIae q. 89 a. 10 ad 1)

1 — Er zijn er, die om een gebrek hun woorden niet kunnen bevestigen; en anderen, wier woorden zo vast moeten zijn, dat zij geen bevestiging nodig hebben.

Ad secundum dicendum quod iuramentum, secundum se consideratum, tanto sanctius est et magis obligat quanto maius est id per quod iuratur, ut Augustinus dicit, ad Publicolam. Et secundum hoc, maius est iurare per Deum quam per Evangelia. Sed potest esse e converso propter modum iurandi, utpote si iuramentum quod fit per Evangelia, fiat cum quadam deliberatione et solemnitate; iuramentum autem quod fit per Deum, fiat leviter et absque deliberatione. (IIa-IIae q. 89 a. 10 ad 2)

2 — Op zichzelf beschouwd is een eed heiliger en meer verplichtend naargelang men bij iets groters zweert, zoals Augustinus zegt. En wat dit betreft is het iets groters bij God te zweren, dan bij de Evangeliën. Het tegengestelde kan echter waar zijn om de manier, waarop men zweert: als men de eed op de Evangeliën met overleg en plechtig aflegt, maar een eed bij God gemakkelijk en zonder overleg wordt afgelegd.

Ad tertium dicendum quod nihil prohibet aliquid tolli ex contrariis causis per modum superabundantiae et defectus. Et hoc modo aliqui impediuntur a iuramento quia sunt maioris auctoritatis quam quod eos iurare deceat, aliqui vero quia sunt minoris auctoritatis quam quod eorum iuramento stetur. (IIa-IIae q. 89 a. 10 ad 3)

3 — Er is niets tegen, dat iets van tegenstrijdige oorzaken komt als een teveel en te kort. En zo worden sommigen verhinderd te zweren, omdat hun waardigheid te groot is om hun het zweren toe te staan; maar anderen hebben te weinig gezag, dan dat men hun eed zou aannemen.

Ad quartum dicendum quod iuramentum Angeli inducitur non propter defectum ipsius, quasi non sit eius simplici dicto credendum, sed ad ostendendum id quod dicitur ex infallibili Dei dispositione procedere. Sicut etiam et Deus aliquando in Scripturis iurans inducitur, ad ostendendum immobilitatem eius quod dicitur, sicut apostolus dicit, ad Heb. VI. (IIa-IIae q. 89 a. 10 ad 4)

4 — De eed van de engel wordt niet aangehaald om een gebrek in hem, alsof men hem niet zonder meer op zijn woord moest geloven; maar om aan te tonen, dat wat hij zegt uit Gods onfeilbare beslissing voortkomt. Zo wordt ook wel van God in de Schriften gezegd, dat Hij zweert om de onveranderlijkheid van wat gezegd wordt te laten zien, zoals de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (6, 17) zegt.