Secunda Secundae. Quaestio 96. Over de bijgelovige gebruiken .
Prooemium
Deinde considerandum est de superstitionibus observantiarum. Et circa hoc quaeruntur
quatuor. Primo, de observantiis ad scientiam acquirendam, quae traduntur in arte notoria.
Secundo, de observantiis quae ordinantur ad aliqua corpora immutanda. Tertio, de observantiis
quae ordinantur ad coniecturas sumendas fortuniorum vel infortuniorum. Quarto, de
suspensionibus sacrorum verborum ad collum. (IIa-IIae q. 96 pr.)
Vervolgens moeten wij over de bijgelovige gebruiken spreken; en hierover stellen wij
ons vier vragen: 1. Over de praktijken, die dienen om wetenschap te krijgen en die
in de z.g. ars notona worden geleerd. 2. Over de gebruiken, die het veranderen van
lichamen als doel hebben. 3. Over de gebruiken, die dienen om gissingen te doen over
geluk en ongeluk. 4. Over het om de hals hangen van heilige woorden.
Articulus 1. Is het toepassen van de praktijken van de z.g. ars notoria ongeoorloofd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod uti observantiis artis notoriae non sit illicitum.
Dupliciter enim est aliquid illicitum, uno modo, secundum genus operis, sicut homicidium
vel furtum; alio modo, ex eo quod ordinatur ad malum finem, sicut cum quis dat eleemosynam
propter inanem gloriam. Sed ea quae observantur in arte notoria secundum genus operis
non sunt illicita, sunt enim quaedam ieiunia et orationes ad Deum. Ordinantur etiam
ad bonum finem, scilicet ad scientiam acquirendam. Ergo uti huiusmodi observationibus
non est illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het toepassen van de praktijken van de z. g. ars notoria niet ongeoorloofd
is. Want om twee redenen is iets ongeoorloofd; ten eerste, om de aard van wat men
doet, zoals doodslag en diefstal; ten tweede, omdat men ergens een verkeerd doel aan
geeft, zoals wanneer iemand een aalmoes geeft om ijdele roem te verkrijgen. Maar de
gebruiken van de ars notoria zijn naar de aard van wat men doet niet ongeoorloofd;
want het is vasten en gebed tot God. Ook hebben zij een goed doel, nl. het verkrijgen
van kennis. Dus schijnt het toepassen van dergelijke praktijken niet ongeoorloofd.
Praeterea, Dan. I legitur quod pueris abstinentibus dedit Deus scientiam et disciplinam
in omni libro et sapientia. Sed observantiae artis notoriae sunt secundum aliqua ieiunia
et abstinentias quasdam. Ergo videtur quod divinitus sortiatur ars illa effectum.
Non ergo illicitum est ea uti. (IIa-IIae q. 96 a. 1 arg. 2)
2 — Bij Daniël (1, 17) lezen wij, dat God aan de jongelingen, die vastten, « wetenschap
en onderricht in alle boeken en wijsheid gaf. » Nu bestaan de praktijken van de ars
notoria in vasten en onthouding. Dus schijnt die kunst door God haar resultaten te
bereiken. Dus is het niet ongeoorloofd haar in toepassing te brengen.
Praeterea, ideo videtur esse inordinatum a Daemonibus inquirere de futuris quia ea
non cognoscunt, sed hoc est proprium Dei, ut dictum est. Sed veritates scientiarum
Daemones sciunt, quia scientiae sunt de his quae sunt ex necessitate et semper, quae
subiacent humanae cognitioni, et multo magis Daemonum, qui sunt perspicaciores, ut
Augustinus dicit. Ergo non videtur esse peccatum uti arte notoria, etiam si per Daemones
sortiatur effectum. (IIa-IIae q. 96 a. 1 arg. 3)
3 — De duivels naar de toekomst te vragen schijnt hierom ongeoorloofd te zijn, omdat zij
deze niet kennen, maar dat aan God eigen is, zoals vroeger is gezegd (95e Kw., 1e
Art.). Nu kennen de duivels de wetenschappelijke waarheden wel, omdat de wetenschappen
gaan over wat noodzakelijkerwijze en altijd gebeurt; en dat valt onder het bereik
van de menselijke kennis en nog veel meer onder die van de duivels, die een scherper
verstand hebben, zoals Augustinus zegt. Dus schijnt het toepassen van de ars notoria
niet ongeoorloofd te zijn, ook al zou zij door duivels haar resultaat bereiken.
Sed contra est quod dicitur Deut. XVIII, non inveniatur in te qui quaerat a mortuis
veritatem, quae quidem inquisitio innititur auxilio Daemonum. Sed per observantias
artis notoriae inquiritur cognitio veritatis per quaedam pacta significationum cum
Daemonibus inita. Ergo uti arte notoria non est licitum. (IIa-IIae q. 96 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat het woord van het Boek Deuteronomium (18, 10,11): « Laat
er niemand onder U zijn, die doden naar de waarheid vraagt; » want dit vragen steunt
op hulp van de duivel. Nu zoekt men door de praktijken van de ars notoria de waarheid
te kennen door « een met de duivel aangegaan verbond over de betekenis van sommige
dingen. » Dus is het in toepassing brengen ervan ongeoorloofd.
Respondeo dicendum quod ars notoria et illicita est, et inefficax. Illicita quidem
est, quia utitur quibusdam ad scientiam acquirendam quae non habent secundum se virtutem
causandi scientiam, sicut inspectione quarundam figurarum, et prolatione quorundam
ignotorum verborum, et aliis huiusmodi. Et ideo huiusmodi ars non utitur his ut causis,
sed ut signis. Non autem ut signis divinitus institutis, sicut sunt sacramentalia
signa. Unde relinquitur quod sint supervacua signa, et per consequens pertinentia
ad pacta quaedam significationum cum Daemonibus placita atque foederata. Et ideo ars
notoria penitus est repudianda et fugienda Christiano, sicut et aliae artes nugatoriae
vel noxiae superstitionis, ut Augustinus dicit, in II de Doct. Christ. Est etiam huiusmodi
ars inefficax ad scientiam acquirendam. Cum enim per huiusmodi artem non intendatur
acquisitio scientiae per modum homini connaturalem, scilicet adinveniendo vel addiscendo,
consequens est quod iste effectus vel expectetur a Deo, vel a Daemonibus. Certum est
autem aliquos a Deo sapientiam et scientiam per infusionem habuisse, sicut de Salomone
legitur, III Reg. III, et II Paral. I. Dominus etiam discipulis suis dicit, Luc. XXI,
ego dabo vobis os et sapientiam, cui non poterunt resistere et contradicere omnes
adversarii vestri. Sed hoc donum non datur quibuscumque, aut cum certa observatione,
sed secundum arbitrium spiritus sancti, secundum illud I ad Cor. XII, alii quidem
datur per spiritum sermo sapientiae, alii sermo scientiae secundum eundem spiritum;
et postea subditur, haec omnia operatur unus atque idem spiritus, dividens singulis
prout vult. Ad Daemones autem non pertinet illuminare intellectum, ut habitum est
in prima huius operis parte. Acquisitio autem scientiae et sapientiae fit per illuminationem
intellectus. Et ideo nullus unquam per Daemones scientiam acquisivit. Unde Augustinus
dicit, in X de Civ. Dei, Porphyrium fateri quod theurgicis teletis, in operationibus
Daemonum, intellectuali animae nihil purgationis accidit quod eam facit idoneam ad
videndum Deum suum, et perspicienda ea quae vera sunt, qualia sunt omnia scientiarum
theoremata. Possent tamen Daemones, verbis hominibus colloquentes, exprimere aliqua
scientiarum documenta, sed hoc non quaeritur per artem notoriam. (IIa-IIae q. 96 a. 1 co.)
De ars notoria is ongeoorloofd en krachteloos. En wel ongeoorloofd, omdat zij tot
het verkrijgen van wetenschap middelen gebruikt, die uit zichzelf geen kracht bezitten
om kennis te veroorzaken, zoals het bezien van figuren en het uitspreken van onbekende
woorden en dergelijke dingen. En daarom gebruikt deze kunst ze niet als oorzaken,
maar als tekens. Niet echter als door God ingestelde tekens zoals de sacramentele
tekens. Er blijft dus over, dat het overbodige tekens zijn en zij dus vallen onder
« een met de duivels aangegaan en gesloten verbond over de betekenis van iets. » En
daarom « moet een Christen de ars notoria geheel en al verwerpen en zich er buiten
houden », zoals ook bij de andere « beuzelachtige en schadelijk bijgelovige gunsten,
» zoals Augustinus zegt. Deze kunst heeft ook de kracht niet om wetenschap te verkrijgen.
Omdat zij nl. de wetenschap niet wil krijgen op een bij de natuur van de mens passende
manier, nl. door uit te denken of aan te leren, volgt dat men de resultaten ofwel
van God of van de duivels verwacht. Nu is hel zeker, dat enige mensen van God wijsheid
en wetenschap ingestort gekregen hebben, zoals wij van Salomon lezen (3 Kon. 3, 11
en 2. Par. 1, 11). Ook zeide de Heer tot zijn leerlingen bij Lucas (21, 13): « Ik
zal U woorden en wetenschap geven, waaraan al Uw tegenstanders niet zullen kunnen
weerstaan en tegenspreken. » Maar deze gave wordt niet aan iedereen gegeven of naar
een vasten regel, maar naar het oordeel van de H. Geest volgens de Eerste Brief aan
de Korinthiërs (12, 8): « En aan sommigen wordt door de Geest een woord van wijsheid
gegeven, aan anderen een woord van wetenschap volgens dezelfde Geest; » en later volgt:
« Dat alles bewerkt één en dezelfde Geest, aan ieder uitdelend zoals Hij wil. » Den
duivels komt het echter niet toe het verstand te verlichten, zoals in het Eerste Deel
(109e Kw. 3e Art.) uiteengezet is. Nu krijgt men wetenschap en wijsheid door verlichting
van het verstand. En dus krijgt nooit iemand door de duivels wetenschap. Volgens Augustinus
« bekent daarom Porphyrius, dat niemand door « theurgische teleta, » d. w. z. door
duivelswerk, « een zuivering verkrijgt van de verstandelijke ziel, die haar geschikt
maakt om haar God te zien en wat waar is te doorzien, » en daaronder vallen alle stellingen
van de wetenschappen. — Als de duivels echter met woorden tot de mensen spraken,
zouden zij enige gegevens van de wetenschap kunnen meedelen, maar dat zoekt men niet
in de ars notoria.
Ad primum ergo dicendum quod acquirere scientiam bonum est, sed acquirere eam modo
indebito non est bonum. Et hunc finem intendit ars notoria. (IIa-IIae q. 96 a. 1 ad 1)
1 — Wetenschap verkrijgen is goed, maar niet haar op een verkeerde manier krijgen. En
daarnaar streeft de ars notoria.
Ad secundum dicendum quod pueri illi non abstinebant secundum vanam observantiam artis
notoriae, sed secundum auctoritatem legis divinae, nolentes inquinari cibis gentilium.
Et ideo merito obedientiae consecuti sunt a Deo scientiam, secundum illud Psalm.,
super senes intellexi, quia mandata tua quaesivi. (IIa-IIae q. 96 a. 1 ad 2)
2 — Deze jongelingen vastten niet naar een ijdel gebruik van de ars notoria, maar op het
gezag van Gods Wet, omdat zij door de spijzen van de heidenen niet verontreinigd wilden
worden. En daarom verdienden zij van God wetenschap te krijgen door hun gehoorzaamheid
naar het psalmwoord: « Ik had meer begrip dan de grijsaards, omdat ik Uw geboden zocht.
» (Ps. 118, 100)
Ad tertium dicendum quod exquirere cognitionem futurorum a Daemonibus non solum est
peccatum propter hoc quod ipsi futura non cognoscunt, sed propter societatem cum eis
initam, quae etiam in proposito locum habet. (IIa-IIae q. 96 a. 1 ad 3)
3 — Van de duivels kennis van de toekomst willen verkrijgen is niet alleen zonde, omdat
zij de toekomst niet kennen, maar ook omdat men met hen in gemeenschap treedt, wat
ook hier het geval is.
Articulus 2. Zijn de gebruiken, die dienen om lichamen te veranderen, b.v. om gezond te worden
en dergelijke dingen, geoorloofd?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod observationes ordinatae ad corporum immutationem,
puta ad sanitatem vel ad aliquid huiusmodi, sint licitae. Licitum enim est uti naturalibus
virtutibus corporum ad proprios effectus inducendos. Res autem naturales habent quasdam
virtutes occultas, quarum ratio ab homine assignari non potest, sicut quod adamas
trahit ferrum, et multa alia quae Augustinus enumerat, XXI de Civ. Dei. Ergo videtur
quod uti huiusmodi rebus ad corpora immutanda non sit illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de gebruiken, die lichaamsveranderingen, b.v. de gezondheid en dergelijke
dingen als doel hebben, geoorloofd zijn. Want men mag de natuurlijke krachten van
een lichaam gebruiken om het eigen effect daarvan teweeg te brengen. Nu hebben de
natuurdingen geheime krachten, wier aard de mens niet kan aangeven, zoals het feit,
dat de magneet ijzer aantrekt en vele andere, dingen, die Augustinus opsomt. Dus schijnt
het gebruik maken van dergelijke dingen voor lichaamsveranderingen niet ongeoorloofd.
Praeterea, sicut corpora naturalia subduntur corporibus caelestibus, ita etiam corpora
artificialia. Sed corpora naturalia sortiuntur quasdam virtutes occultas, speciem
consequentes, ex impressione caelestium corporum. Ergo etiam corpora artificialia,
puta imagines, sortiuntur aliquam virtutem occultam a corporibus caelestibus ad aliquos
effectus causandos. Ergo uti eis, et aliis huiusmodi, non est illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 2 arg. 2)
2 — Zoals de natuurdingen de invloed van de hemellichamen ondergaan, zo ook de door de
kunst gemaakte dingen. Nu krijgen de natuurdingen door de werking van de hemellichamen
geheime krachten, die bij hun soort passen. Dus krijgen ook kunstmatige dingen zoals
beelden een geheime kracht van de hemellichamen om iets uit te werken. Dus is het
niet ongeoorloofd van deze en dergelijke dingen gebruik te maken.
Praeterea, Daemones etiam multipliciter possunt corpora transmutare, ut dicit Augustinus,
III de Trin. Sed eorum virtus a Deo est. Ergo licet uti eorum virtute ad aliquas huiusmodi
immutationes faciendas. (IIa-IIae q. 96 a. 2 arg. 3)
3 — De duivels kunnen ook op veel manieren lichamen veranderen, zoals Augustinus zegt.
Nu komt hun kracht van God. Dus mag men van hun kracht gebruik maken om dergelijke
veranderingen teweeg te brengen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in II de Doct. Christ., quod ad superstitionem
pertinent molimina magicarum artium, et ligaturae, et remedia quae medicorum quoque
medicina condemnat, sive in praecantationibus, sive in quibusdam notis, quas characteres
vocant, sive in quibuscumque rebus suspendendis atque insignandis. (IIa-IIae q. 96 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat wat Augustinus zegt, dat onder bijgeloof ook vallen « de
voorschriften van toverkunsten en de gebruiken en geneesmiddelen, die de kunst van
de geneesheren ook veroordeelt, en die hetzij in betoveringen hetzij in tekens, die
zij letters noemen, hetzij in het omhangen of zich tekenen met welke dingen ook bestaan.
»
Respondeo dicendum quod in his quae fiunt ad aliquos effectus corporales inducendos,
considerandum est utrum naturaliter videantur posse tales effectus causare. Sic enim
non erit illicitum, licet enim causas naturales adhibere ad proprios effectus. Si
autem naturaliter non videantur posse tales effectus causare, consequens est quod
non adhibeantur ad hos effectus causandos tanquam causae, sed solum quasi signa. Et
sic pertinent ad pacta significationum cum Daemonibus inita. Unde Augustinus dicit,
XXI de Civ. Dei, illiciuntur Daemones per creaturas, quas non ipsi, sed Deus condidit,
delectabilibus pro sua diversitate diversis, non ut animalia cibis, sed ut spiritus
signis, quae cuiusque delectationi congruunt, per varia genera lapidum, herbarum,
lignorum, animalium, carminum, rituum. (IIa-IIae q. 96 a. 2 co.)
Bij wat men doet om in lichamen iets teweeg te brengen, moet men erop letten of deze
dingen van nature dergelijke gevolgen schijnen te kunnen voortbrengen. Want zo zal
het niet verboden zijn, omdat men natuurlijke oorzaken mag gebruiken om hun gevolgen
voort te brengen. — Schijnen zij echter van nature niet in staat om dergelijke gevolgen
voort te brengen, dan volgt, dat zij niet als oorzaken daarvoor worden gebruikt, maar
alleen als tekens. En zo vallen zij onder « een met de duivel aangegaan verbond over
de betekenis van iets. » Daarom zegt Augustinus: « De duivels worden door de schepsels,
die niet zij, maar God geschapen heeft, aangelokt door iets aangenaams, wat voor ieder
van hen verschilt, niet als dieren door voedsel, maar als geesten door tekens, die
bij ieders voorkeur passen, door verschillende soorten stenen, kruiden, houtsoorten,
dieren, gezangen en plechtigheden. »
Ad primum ergo dicendum quod si simpliciter adhibeantur res naturales ad aliquos effectus
producendos ad quos putantur naturalem habere virtutem, non est superstitiosum neque
illicitum. Si vero adiungantur vel characteres aliqui, vel aliqua nomina, vel aliae
quaecumque variae observationes, quae manifestum est naturaliter efficaciam non habere,
erit superstitiosum et illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 2 ad 1)
1 — Als natuurdingen zonder meer worden gebruikt om gevolgen voort te brengen, waarvan
men meent, dat zij een natuurlijke kracht ertoe hebben, is het noch bijgeloof noch
verboden. Worden daar echter geschriften bijgevoegd of namen of verschillende andere
gebruiken, die duidelijk geen natuurlijke kracht hebben, dan is het bijgeloof en ongeoorloofd.
Ad secundum dicendum quod virtutes naturales corporum naturalium consequuntur eorum
formas substantiales, quas sortiuntur ex impressione caelestium corporum, et ideo
ex eorundem impressione sortiuntur quasdam virtutes activas. Sed corporum artificialium
formae procedunt ex conceptione artificis, et cum nihil aliud sint quam compositio,
ordo et figura, ut dicitur in I Physic., non possunt habere naturalem virtutem ad
agendum. Et inde est quod ex impressione caelestium corporum nullam virtutem sortiuntur
inquantum sunt artificialia, sed solum secundum materiam naturalem. Falsum est ergo
quod Porphyrio videbatur, ut Augustinus dicit, X de Civ. Dei, herbis et lapidibus
et animantibus, et sonis certis quibusdam ac vocibus, et figurationibus atque figmentis
quibusdam etiam observatis in caeli conversione motibus siderum, fabricari in terra
ab hominibus potestates idoneas siderum variis effectibus exequendis, quasi effectus
magicarum artium ex virtute caelestium corporum provenirent. Sed sic ut Augustinus
ibidem subdit, totum hoc ad Daemones pertinet, ludificatores animarum sibi subditarum.
Unde etiam imagines quas astronomicas vocant, ex operatione Daemonum habent effectum.
Cuius signum est quod necesse est eis inscribi quosdam characteres, qui naturaliter
ad nihil operantur, non enim est figura actionis naturalis principium. Sed in hoc
distant astronomicae imagines a nigromanticis, quod in nigromanticis fiunt expressae
invocationes et praestigia quaedam, unde pertinent ad expressa pacta cum Daemonibus
inita, sed in aliis imaginibus sunt quaedam tacita pacta per quaedam figurarum seu
characterum signa. (IIa-IIae q. 96 a. 2 ad 2)
2 — De natuurlijke krachten van natuurdingen komen uit hun zelfstandigheidsvormen voort,
die zij krijgen door de invloed van hemellichamen, en daarom krijgen zij door die
invloed vermogens om iets te doen. De vormen van kunstmatige dingen komen uit de opvatting
van de kunstenaar voort, en omdat zij niets anders zijn dan een schikking, orde en
figuur, zoals in de Physica staat, kunnen zij geen natuurlijke kracht hebben om iets
te doen. En daarvandaan komt het, dat zij door de inwerking van de hemellichamen geen
kracht krijgen, voor zover zij iets kunstmatigs zijn, maar alleen krachtens hun tot
de natuur behorende stof. Het is dus onjuist, wat Porphyrius, zoals Augustinus zegt,
meende, « dat de mensen op aarde door kruiden en stenen en bezielde dingen en sommige
geluiden en tonen en door het vormen van figuren en ook door het waarnemen ervan in
de bewegingen van de sterren bij het draaien van de hemel, geschikte krachten samenstellen
om de verschillende gevolgen, die de sterren uitwerken, voort te brengen. » Alsof
de resultaten van magische kunsten van de kracht van de hemellichamen komen. Maar
zoals Augustinus zegt, « komt dat alles van de duivels, die de bedriegers van de hun
onderworpen zielen zijn. » Daarom hebben ook de z.g. astronomische afbeeldingen hun
resultaten door de werking van de duivels. En een teken daarvan is, dat men er bijzondere
letters op moet schrijven, die van nature niets uitwerken; want een figuur is geen
natuurlijk beginsel van een werking. Maar de astronomische afbeeldingen verschillen
hierin van die van de zwarte kunst, dat er bij de laatsten uitdrukkelijke aanroepingen
en betoveringen plaats hebben, zodat zij onder een uitdrukkelijk verbond met de duivel
vallen; terwijl er bij de andere afbeeldingen een stilzwijgend verbond bestaat door
de tekens van figuren en letters.
Ad tertium dicendum quod ad dominium pertinet divinae maiestatis, cui Daemones subsunt,
ut eis utatur Deus ad quodcumque voluerit. Sed homini non est potestas super Daemones
commissa, ut eis licite uti possit ad quodcumque voluerit, sed est ei contra Daemones
bellum indictum. Unde nullo modo licet homini Daemonum auxilio uti per pacta tacita
vel expressa. (IIa-IIae q. 96 a. 2 ad 3)
3 — Het behoort tot de heerschappij van de goddelijke majesteit, waaraan de duivels onderworpen
zijn, dat God hen gebruikt waarvoor Hij maar wil. Maar aan mensen kan geen macht over
de duivels gegeven zijn, zodat hij hen zou kunnen gebruiken voor alles wat hij wil,
maar hem is de strijd tegen de duivels aangezegd. En daarom mag de mens op geen enkele
manier de hulp van duivels gebruiken door een uitdrukkelijk of stilzwijgend verbond.
Articulus 3. Zijn praktijken, die voorkennis van geluk of ongeluk tot doel hebben, ongeoorloofd?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod observationes quae ordinantur ad praecognoscenda
aliqua fortunia vel infortunia, non sunt illicita. Inter alia enim infortunia hominum
sunt etiam infirmitates. Sed infirmitates in hominibus quaedam signa praecedunt, quae
etiam a medicis observantur. Ergo observare huiusmodi significationes non videtur
esse illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat gebruiken, die voorkennis van geluk of ongeluk als doel hebben, niet
ongeoorloofd zijn. Want onder de verschillende dingen, die voor de mens ongelukkig
zijn, vallen ook ziekten. Nu gaan er in de mens aan ziekten tekens vooraf, waar de
geneeskundigen ook op letten. Dus schijnen praktijken met dergelijke betekenissen
niet ongeoorloofd te zijn.
Praeterea, irrationabile est negare illud quod quasi communiter omnes experiuntur.
Sed quasi omnes experiuntur quod aliqua tempora vel loca, vel verba audita, vel occursus
hominum seu animalium, aut distorti aut inordinati actus, aliquod praesagium habent
boni vel mali futuri. Ergo observare ista non videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 3 arg. 2)
2 — Het is onredelijk datgene, wat allen bijna ondervinden, te ontkennen. Nu ondervinden
bijna allen, dat er tijden of plaatsen zijn, of woorden, die men hoort of mensen of
dieren, die men tegenkomt, of verwarde en abnormale handelingen, die iets toekomstig
goeds of kwaads als het ware voorspellen. Dus schijnt het niet ongeoorloofd met die
dingen rekening te houden.
Praeterea, actus hominum et eventus ex divina providentia disponuntur secundum ordinem
quendam, ad quem pertinere videtur quod praecedentia sint subsequentium signa. Unde
ea quae antiquis patribus contigerunt signa sunt eorum quae in nobis complentur, ut
patet per apostolum, I ad Cor. X. Observare autem ordinem ex divina providentia procedentem
non est illicitum. Ergo observare huiusmodi praesagia non videtur esse illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 3 arg. 3)
3 — Daden en ondervindingen van mensen worden door de goddelijke voorzienigheid in een
zekere orde vastgesteld, waartoe schijnt te behoren, dat wat voorafgaat een teken
is van wat volgt. Daarom is wat met de oude Vaders gebeurde een teken van wat in ons
wordt vervuld, zoals de Apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs bewijst (10,
6,11). Nu is het niet ongeoorloofd rekening te houden met een uit de goddelijke voorzienigheid
ontstane orde. Dus is het niet verboden met dergelijke voortekens rekening te houden.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in II de Doct. Christ., quod ad pacta cum Daemonibus
inita pertinent millia inanium observationum, puta si membrum aliquod salierit; si
iunctim ambulantibus amicis lapis aut canis aut puer medius intervenerit; limen calcare
cum ante domum suam aliquis transit; redire ad lectum si quis, dum se calceat, sternutaverit;
redire domum si procedens offenderit; cum vestis a soricibus roditur, plus timere
superstitionem mali futuri quam praesens damnum dolere. (IIa-IIae q. 96 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt, « dat onder een met de duivel gesloten
verbond het letten op duizenden waardeloze dingen valt, b. v. als er een schok door
een van de ledematen gaat, als een steen of hond of jongen tussen twee naast elkaar
wandelende vrienden doorloopt, als men bij het voorbijgaan van zijn huis op de drempel
stapt; weer naar bed gaan, als men bij het aantreden van zijn schoenen niest; naar
huis teruggaan, als men bij het lopen struikelt; als een kleed door de spitsmuizen
wordt opgevreten, meer bang zijn voor toekomstig kwaad dan spijt hebben over de ogenblikkelijke
schade. »
Respondeo dicendum quod homines omnes huiusmodi observationes attendunt non ut quasdam
causas, sed ut quaedam signa futurorum eventuum bonorum vel malorum. Non autem observantur
sicut signa a Deo tradita, cum non sint introducta ex auctoritate divina, sed magis
ex vanitate humana, cooperante Daemonum malitia, qui nituntur animos hominum huiusmodi
vanitatibus implicare. Et ideo manifestum est omnes huiusmodi observantias esse superstitiosas
et illicitas. Et videntur esse quaedam reliquiae idololatriae, secundum quam observabantur
auguria, et quidam dies Fausti vel infausti (quod quodammodo pertinet ad divinationem
quae fit per astra, secundum quae diversificantur dies), nisi quod huiusmodi observationes
sunt sine ratione et arte; unde sunt magis vanae et superstitiosae. (IIa-IIae q. 96 a. 3 co.)
De mensen houden zich niet op met dergelijke praktijken omdat zij ze beschouwen als
oorzaken, maar als teken van toekomstige goede of verkeerde gebeurtenissen. Men lette
er echter niet op als op door God ingestelde tekens, omdat zij niet door goddelijk
gezag zijn vastgesteld, maar meer door menselijke leeghoofdigheid met medewerking
van de verdorvenheid van de duivels, die de zielen van de mensen in dergelijke ijdelheden
trachten te verstrikken. En daarom is het duidelijk, dat het letten op al dergelijke
dingen bijgeloof en verboden is. En het schijnen resten van afgoderij te zijn, waarbij
men op voortekens en geluks- en ongeluksdagen lette (wat enigszins onder die vorm
van waarzeggerij valt, die van de sterren uitgaat, omdat het verschil in dagen daarvandaan
komt). Het heeft er dus wel de schijn van dat dergelijke praktijken iedere grond en
systeem missen en dus nog meer redeloos en bijgelovig zijn.
Ad primum ergo dicendum quod infirmitatum causae praecedunt in nobis, ex quibus aliqua
signa procedunt futurorum morborum, quae licite a medicis observantur. Unde et si
quis praesagium futurorum eventuum consideret ex sua causa, non erit illicitum, sicut
si servus timeat flagella videns domini iram. Et simile etiam esse posset si quis
timeret nocumentum alicui puero ex oculo fascinante, de quo dictum est in primo libro.
Sic autem non est in huiusmodi observationibus. (IIa-IIae q. 96 a. 3 ad 1)
1 — Aan ziekten gaan in ons oorzaken vooraf, en daar komen enige voortekens van toekomstige
ziekten vandaan, waar de geneesheren gerust op mogen letten. Zou iemand daarom een
voorteken van iets toekomstigs zoeken van de kant van de oorzaak ervan, dan zou dat
niet verboden zijn, zoals wanneer de slaaf de roede zou vrezen op het zien van de
toorn van zijn heer. En het zelfde zou kunnen zijn bij het vrezen van iets kwaads
voor een kind uit het boze oog, waarover in het Eerste Deel is gesproken (117e Kw.
3e Art. 2e Antw.). Maar bij het letten op dergelijke dingen is dat niet het geval.
Ad secundum dicendum quod hoc quod a principio in istis observationibus aliquid veri
homines experti sunt, casu accidit. Sed postmodum, cum homines incipiunt huiusmodi
observantiis suum animum implicare, multa secundum huiusmodi observationes eveniunt
per deceptionem Daemonum, ut his observationibus homines implicati curiosiores fiant,
et sese magis inserant multiplicibus laqueis perniciosi erroris, ut Augustinus dicit,
II de Doct. Christ. (IIa-IIae q. 96 a. 3 ad 2)
2 — Dat de mensen van het begin af aan bij het letten op dergelijke dingen iets waars
ondervonden, kwam door het toeval. Maar toen de mensen later hun zielen in dergelijke
praktijken hadden verstrikt, kwam er veel van die dingen uit door het bedrog van de
duivels, « opdat de mensen in het letten op dergelijke dingen verstrikt steeds nieuwsgieriger
zouden worden en zich meer zouden verwarren in de vele strikken van de gevaarlijke
dwaling. »
Ad tertium dicendum quod in populo Iudaeorum, ex quo Christus erat nasciturus, non
solum dicta, sed etiam facta fuerunt prophetica, ut Augustinus dicit, contra Faustum.
Et ideo licitum est illa facta assumere ad nostram instructionem, sicut signis divinitus
datis. Non autem omnia quae aguntur per divinam providentiam sic ordinantur ut sint
futurorum signa. Unde ratio non sequitur. (IIa-IIae q. 96 a. 3 ad 3)
3 — Bij het Joodse volk, waaruit Christus zou geboren worden, hadden niet alleen woorden,
maar ook daden voorspellende betekenis, zoals Augustinus zegt. En daarom mag men tot
ons onderricht deze feiten gebruiken als door God gegeven tekens. Maar door Gods voorzienigheid
wordt niet alles wat gebeurt zo geschikt, dat het een teken van de toekomst is. Daarom
gaat de redenering niet op.
Articulus 4. Is het verboden heilige woorden om de hals te hangen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod suspendere divina verba ad collum non sit
illicitum. Non enim divina verba minoris sunt efficaciae cum scribuntur quam cum proferuntur.
Sed licet aliqua sacra verba dicere ad aliquos effectus, puta ad sanandum infirmos,
sicut, pater noster, ave Maria, vel qualitercumque nomen domini invocetur, secundum
illud Marci ult., in nomine meo Daemonia eiicient, linguis loquentur novis, serpentes
tollent. Ergo videtur quod licitum sit aliqua sacra scripta collo suspendere in remedium
infirmitatis vel cuiuscumque nocumenti. (IIa-IIae q. 96 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet verboden is heilige woorden om de hals te hangen. Want heilige
woorden hebben niet minder kracht als zij geschreven dan wanneer zij uitgesproken
worden. Nu mag men heilige woorden uitspreken om sommige dingen te bereiken, b. v.
om zieken te genezen, zoals het Onze Vader en het Wees gegroet of hoe men Gods naam
ook aanroept naar het woord van Marcus (16, 17) : « In mijn naam zullen zij duivelen
uitdrijven, nieuwe talen spreken, slangen opnemen. » Dus schijnt het geoorloofd heilige
woorden om de hals te hangen om ziekten of welk ongeluk ook te voorkomen.
Praeterea, verba sacra non minus operantur in corporibus hominum quam in corporibus
serpentum et aliorum animalium. Sed incantationes quaedam efficaciam habent ad reprimendum
serpentes, vel ad sanandum quaedam alia animalia, unde dicitur in Psalm., sicut aspidis
surdae et obturantis aures suas, quae non exaudiet vocem incantantium, et venefici
incantantis sapienter. Ergo licet suspendere sacra verba ad remedium hominum. (IIa-IIae q. 96 a. 4 arg. 2)
2 — Heilige woorden werken op menschenlichamen niet minder uit dan op het lichaam van
slangen en andere dieren. Nu hebben bezweringen kracht om slangen weg te houden of
dieren te genezen naar het psalmwoord: « Als een dove en de oren sluitende slang,
die de woorden van de bezweerder niet hoort en van de ervaren slangenbezweerder. »
(Ps. 57, 5) Dus mag men heilige woorden om de hals hangen om mensen te helpen.
Praeterea, verbum Dei non est minoris sanctitatis quam sanctorum reliquiae, unde Augustinus
dicit quod non minus est verbum Dei quam corpus Christi. Sed reliquias sanctorum licet
homini collo suspendere, vel qualitercumque portare, ad suam protectionem. Ergo, pari
ratione, licet homini verbo vel scripto verba sacrae Scripturae ad suam tutelam assumere. (IIa-IIae q. 96 a. 4 arg. 3)
3 — Gods woord is niet minder heilig dan overblijfselen van heiligen, en daarom zegt Augustinus,
dat « Gods woord niet minder is dan Christus’ lichaam. » Nu mag men overblijfselen
van heiligen om de hals hangen of op andere manier bij zich dragen om zich te beschermen.
Dus mag een mens om dezelfde reden mondeling of schriftelijk woorden uit de H. Schrift
gebruiken om zich te beschermen.
Sed contra est quod Chrysostomus dicit, super Matth., quidam aliquam partem Evangelii
scriptam circa collum portant. Sed nonne quotidie Evangelium in Ecclesia legitur,
et auditur ab omnibus? Cui ergo in auribus posita Evangelia nihil prosunt, quomodo
eum possunt circa collum suspensa salvare? Deinde, ubi est virtus Evangelii? In figuris
litterarum, an in intellectu sensuum? Si in figuris, bene circa collum suspendis.
Si in intellectu, ergo melius in corde posita prosunt quam circa collum suspensa. (IIa-IIae q. 96 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Chrysostomus zegt: « Sommigen dragen een deel van het
Evangelie geschreven om hun hals. Maar wordt het Evangelie niet dagelijks in de Kerk
gelezen en door allen gehoord? Als iemand door het met de oren opgenomen Evangelie
niet geholpen wordt, wat zal het hem om de hals gehangen baten? En dan, waarin ligt
de kracht van het Evangelie, in de lettertekens of in het begrijpen van de zin? Lig
het in de letters, dan doet gij er goed aan ze om de hals te hangen; ligt het in het
begrijpen, dan hebt gij er meer aan ze in uw hart dan aan de hals opgehangen te dragen.
»
Respondeo dicendum quod in omnibus incantationibus vel Scripturis suspensis duo cavenda
videntur. Primo quidem, quid sit quod profertur vel scribitur. Quia si est aliquid
ad invocationes Daemonum pertinens, manifeste est superstitiosum et illicitum. Similiter
etiam videtur esse cavendum, si contineat ignota nomina, ne sub illis aliquid illicitum
lateat. Unde Chrysostomus dicit, super Matth., quod, Pharisaeorum magnificantium fimbrias
suas exemplo, nunc multi aliqua nomina Hebraica Angelorum confingunt et scribunt et
alligant, quae non intelligentibus metuenda videntur. Est etiam cavendum ne aliquid
falsitatis contineat. Quia sic eius effectus non posset expectari a Deo, qui non est
testis falsitatis deinde, secundo, cavendum est ne cum verbis sacris contineantur
ibi aliqua vana, puta aliqui characteres inscripti, praeter signum crucis. Aut si
spes habeatur in modo scribendi aut ligandi, aut in quacumque huiusmodi vanitate quae
ad divinam reverentiam non pertineat. Quia hoc iudicaretur superstitiosum. Alias autem
est licitum. Unde in decretis dicitur, XXVI, qu. V, cap. non liceat Christianis etc.,
nec in collectionibus herbarum quae medicinales sunt aliquas observationes aut incantationes
liceat attendere, nisi tantum cum symbolo divino aut oratione dominica, ut tantum
creator omnium et Deus honoretur. (IIa-IIae q. 96 a. 4 co.)
Bij alle bezweringen en omhangen van geschriften schijnt men voor twee dingen te moeten
oppassen. En wel ten eerste voor wat men zegt of schrijft. Is dat iets van een aanroeping
van duivels, dan is het duidelijk bijgelovig en ongeoorloofd. — Ook schijnt men op
te moeten passen, dat er geen onbekende woorden bij zijn, dat er nl. niets verbodens
onder verborgen is. Daarom zegt Chrysostomus, dat « op het voorbeeld van de Farizeeën,
die de boorden van hun kleden groot maakten, nu velen Hebreeuwse namen van engelen
verzinnen en opschrijven en ombinden; en mij dunkt, dat zij, die ze niet begrijpen,
daar bang voor moeten zijn. » Ook moet men oppassen, dat er niets onwaars in staat.
Want zo zal men er geen resultaat van kunnen verwachten bij God, die geen getuige
van onwaarheid is. Dan moet men op de tweede plaats oppassen, dat er niet tegelijk
met heilige woorden iets waardeloos in te lezen staat, b. v. enige lettertekens behalve
het teken van het Kruis. Of dat met zijn hoop zou stellen op de manier van schrijven
of ombinden of in welke dergelijke ijdelheid ook, die met eerbied voor God niets te
maken heeft. Want dat zou men bijgelovig moeten noemen. Maar anders is het geoorloofd.
Daarom lezen wij in de Decretaal: « Het is Christenen niet geoorloofd, enz. »: « Ook
mag men bij het verzamelen van geneeskrachtige kruiden geen praktijken of bezweringen
gebruiken, tenzij alleen, dat men het onder de goddelijke geloofsbelijdenis of het
gebed des Heeren doet, zodat men alleen de Schepper en Heer van alles eert. »
Ad primum ergo dicendum quod etiam proferre divina verba, aut invocare divinum nomen,
si respectus habeatur ad solam Dei reverentiam, a qua expectatur effectus, licitum
erit, si vero habeatur respectus ad aliquid aliud vane observatum, erit illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 4 ad 1)
1 — Ook het uitspreken van Gods woorden of het aanroepen van Gods naam, is geoorloofd
als men alleen God, van Wie men iets verwacht, wil eren.
Ad secundum dicendum quod etiam in incantationibus serpentum vel quorumcumque animalium,
si respectus habeatur solum ad verba sacra et ad virtutem divinam, non erit illicitum.
Sed plerumque tales praecantationes habent illicitas observantias, et per Daemones
sortiuntur effectum, et praecipue in serpentibus, quia serpens fuit primum Daemonis
instrumentum ad hominem decipiendum. Unde dicit Glossa, ibidem, notandum quia non
laudatur a Scriptura undecumque datur in Scriptura similitudo, ut patet de iniquo
iudice qui rogantem viduam vix audivit. (IIa-IIae q. 96 a. 4 ad 2)
2 — Ook het bezweren van slangen of andere dieren is niet ongeoorloofd, als men alleen
let op de heilige woorden en Gods kracht. Maar meestal komen er bijgelovige praktijken
bij dergelijke bezweringen en hebben zij resultaat door middel van duivels, en dat
vooral bij slangen, omdat de slang het eerste werktuig van de duivel was om de mens
te bedriegen. Daarom zegt de Glossa op dezelfde plaats: « Men moet erop letten, dat
in de Schrift niet alles, waaraan een vergelijking wordt ontleend, geprezen wordt,
zoals duidelijk blijkt bij de onrechtvaardige rechter, die nauwelijks naar het vragen
van de weduwe luisterde. »
Ad tertium dicendum quod eadem etiam ratio est de portatione reliquiarum. Quia si
portentur ex fiducia Dei et sanctorum quorum sunt reliquiae, non erit illicitum, si
autem circa hoc attenderetur aliquid aliud vanum, puta quod vas esset triangulare,
aut aliquid aliud huiusmodi quod non pertineret ad reverentiam Dei et sanctorum, esset
superstitiosum et illicitum. (IIa-IIae q. 96 a. 4 ad 3)
3 — Dezelfde redenering gaat ook op bij het dragen van overblijfselen van heiligen. Worden
die gedragen uit vertrouwen op God en de heiligen, waarvan het overblijfselen zijn,
dan is het niet ongeoorloofd; maar als men daarbij op iets waardeloos zou letten,
b. v. dat het driehoekig is of iets dergelijks, dat met eerbied voor God en de heiligen
niets te maken heeft, dan is het bijgeloof en verboden.
Ad quartum dicendum quod Chrysostomus loquitur quando respectus habetur magis ad figuras
scriptas quam ad intellectum verborum. (IIa-IIae q. 96 a. 4 ad 4)
4 — (Het tegenargument). Chrysostomus spreekt hier over het geval, dat men meer let op
de geschreven tekens dan op het begrijpen van de woorden.