Deinde considerandum est de decimis. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum
homines teneantur ad solvendas decimas ex necessitate praecepti. Secundo, de quibus
rebus sint decimae dandae. Tertio, quibus debeant dari. Quarto, quibus competat eas
dare. (IIa-IIae q. 87 pr.)
Vervolgens moeten wij de tienden bespreken, en hierover stellen wij ons vier vragen
(zie 85e Kw. Inl.) : 1. Zijn de mensen krachtens een gebod noodzakelijk verplicht
tienden op te brengen? 2. Van welke zaken moet men tienden geven? 3. Aan wie moeten
zij gegeven worden? 4. Wie komt het toe ze te geven?
Articulus 1. Zijn de mensen krachtens een gebod noodzakelijk verplicht tienden op te brengen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod homines non teneantur dare decimas ex necessitate
praecepti. Praeceptum enim de solutione decimarum in lege veteri datur, ut patet Levit.
XXVII, omnes decimae terrae, sive de frugibus sive de pomis arborum, domini sunt;
et infra, omnium decimarum ovis et bovis et caprae, quae sub pastoris virga transeunt,
quidquid decimum venerit, sanctificabitur domino. Non autem potest computari hoc inter
praecepta moralia, quia ratio naturalis non magis dictat quod decima pars debeat magis
dari quam nona vel undecima. Ergo vel est praeceptum iudiciale, vel caeremoniale.
Sed sicut supra habitum est, tempore gratiae non obligantur homines neque ad praecepta
caeremonialia neque ad iudicialia veteris legis. Ergo homines nunc non obligantur
ad solutionem decimarum. (IIa-IIae q. 87 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de mensen niet krachtens een gebod noodzakelijk verplicht zijn tienden
op te brengen. Want het gebod over het opbrengen van de tienden wordt in de Oude Wet
gegeven, zoals blijkt uit het Boek Leviticus (27, 30) : « Alle tienden van de grond,
hetzij van de vruchten van de aarde of van de boomen, behoren aan de Heer toe, » en
verder (v. 32) : « Alle tienden van schapen en runderen en van de bokken, die onder
de staf van de herder doorgaan, wat het tiende komt, zal aan de Heer worden toegeheiligd.
» Nu kan dit niet onder de voorschriften van de zedenwet worden gerekend, omdat het
natuurlijke verstand niet méér voorschrijft dat het tiende gedeelte moet worden gegeven,
dan het negende of het elfde. Dus is het of een gebod over de rechtspraak of over
de plechtigheden. Nu zijn, zoals vroeger uiteengezet is (I. II. 103e Kw. 3e Art.;
104 Kw. 3e Art.), de mensen in het tijdperk van de genade niet verplicht tot het onderhouden
van de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden, noch van die over de rechtspraak.
Dus zijn de mensen nu niet verplicht om de tienden op te brengen.
Praeterea, illa sola homines observare tenentur tempore gratiae quae a Christo per
apostolos sunt mandata, secundum illud Matth. ult., docentes eos servare omnia quaecumque
mandavi vobis; et Paulus dicit, Act. XX, non enim subterfugi quominus annuntiarem
vobis omne consilium Dei. Sed neque in doctrina Christi neque in doctrina apostolorum
aliquid continetur de solutione decimarum, nam quod dominus de decimis dicit, Matth.
XXIII, haec oportuit facere, ad tempus praeteritum legalis observantiae referendum
videtur; ut dicit Hilarius, super Matth., decimatio illa olerum, quae in praefigurationem
futurorum erat utilis, non debebat omitti. Ergo homines tempore gratiae non tenentur
ad decimarum solutionem. (IIa-IIae q. 87 a. 1 arg. 2)
2 — In het tijdperk van de genade behoeven de mensen alleen datgene te onderhouden, wat
door toedoen van de Apostelen door Christus is voorgeschreven volgens Mattheus (28,
20) : « Leert hen onderhouden alles, wat we U bevolen heb »; en Paulus zegt in de
Handelingen der Apostelen (20, 27) : « Want ik heb niet nagelaten het gehele raadsbesluit
van de Heer U bekend te maken. » Nu is er noch in de leer van Christus, noch in die
van de Apostelen iets vervat over het opbrengen van tienden; want wat de Heer over
de tienden zegt bij Mattheus (23, 23) : « Dit moest men doen, » schijnt op de voorbijgegane
tijd van het onderhouden van de Wet te slaan, zoals Hilarius zegt: « Het geven van
tienden van de kruiden, wat als voorafbeelding van het toekomstige nut had, moest
niet worden nagelaten. » Daarom zijn de mensen in het tijdperk van de genade niet
verplicht om tienden op te brengen.
Praeterea, homines tempore gratiae non magis tenentur ad observantiam legalium quam
ante legem. Sed ante legem non dabantur decimae ex praecepto, sed solum ex voto, legitur
enim Gen. XXVIII quod Iacob vovit votum dicens, si fuerit Deus mecum et custodierit
me in via qua ambulo, etc., cunctorum quae dederis mihi decimas offeram tibi. Ergo
etiam neque tempore gratiae tenentur homines ad decimarum solutionem. (IIa-IIae q. 87 a. 1 arg. 3)
3 — Ten tijde van de genade zijn de mensen niet méér verplicht om de Wet te onderhouden
dan vóór het geven van de Wet. Nu werden vóór de Wet de tienden niet krachtens een
gebod, maar krachtens een gelofte gegeven, want in het Boek der Schepping (28, 20)
lezen wij: « Jacob deed een gelofte en zei: Als de Heer met mij zal zijn op de weg,
die ik ga, enz., zal ik van alles, wat Hij mij geeft, U tienden opdragen. » Dus zijn
de mensen in het tijdperk van de genade ook niet verplicht om tienden op te brengen.
Praeterea, in veteri lege tenebantur homines ad triplices decimas solvendas. Quarum
quasdam solvebant Levitis, dicitur enim Num. XVIII, Levitae decimarum oblatione contenti
erunt, quas in usus eorum et necessaria separavi. Erant quoque et aliae decimae, de
quibus legitur Deut. XIV, decimam partem separabis de cunctis fructibus tuis qui nascuntur
in terra per annos singulos, et comedes in conspectu domini Dei tui in loco quem elegerit
Deus. Erant quoque et aliae decimae, de quibus ibidem subditur, anno tertio separabis
aliam decimam ex omnibus quae nascuntur tibi eo tempore, et repones intra ianuas tuas,
venietque Levites, qui aliam non habet partem neque possessionem tecum, et peregrinus
ac pupillus et vidua qui intra portas tuas sunt, et comedent et saturabuntur. Sed
ad secundas et tertias decimas homines non tenentur tempore gratiae. Ergo neque ad
primas. (IIa-IIae q. 87 a. 1 arg. 4)
4 — Onder de Oude Wet moesten de mensen een drievoudige tiende opbrengen. Een daarvan
brachten zij aan de Levieten, want in het Boek der Getallen (18, 24) wordt gezegd:
« De Levieten zullen met het aanbieden van de tienden tevreden zijn, die Ik voor hun
gebruik en voor wat zij nodig hebben, heb afgezonderd. » Ook waren er andere tienden,
waarvan wij in het Boek Deuteronomium (4, 22,23) lezen: « Gij zult het tiende gedeelte
afzonderen van al uw vruchten, die ieder jaar groeien op het land, en gij zult ze
eten voor het aangezicht van de Heer uw God in de plaats, die God uitgekozen heeft.
» Ook waren er nog andere tienden waarvan wij op dezelfde plaats lezen (v. 28, 29)
: « In het derde jaar zult gij een andere tiende afzonderen van alles wat dat jaar
groeit en het leggen aan Uw deur; en de Leviet, die geen ander deel en bezitting met
U heeft, zal komen en de vreemdeling en de wees en de weduwe, die binnen Uw poorten
wonen; en zij zullen eten en verzadigd worden. » Nu zijn de mensen in het tijdperk
van de genade niet tot de tweede en derde tiende verplicht. Dus ook niet tot de eerste.
Praeterea, quod sine determinatione temporis debetur, nisi statim solvatur, obligat
ad peccatum. Si ergo homines tempore gratiae obligarentur ex necessitate praecepti
ad decimas solvendas, in terris in quibus decimae non solvuntur omnes essent in peccato
mortali, et per consequens etiam ministri Ecclesiae dissimulando, quod videtur inconveniens.
Non ergo homines tempore gratiae ex necessitate tenentur ad solutionem decimarum. (IIa-IIae q. 87 a. 1 arg. 5)
5 — Als men zonder tijdsbepaling tot iets verplicht is, komt er zondeschuld, als het niet
aanstonds wordt gedaan. Als dus de mensen tijdens het tijdperk van de genade krachtens
een gebod noodzakelijk tot het opbrengen van tienden verplicht zouden zijn, zouden
allen in landen, waar de tienden niet worden opgebracht, in staat van doodzonde zijn,
en dientengevolge de dienaars der Kerk ook, door dat nl. te verbergen; en dat schijnt
toch wel te erg te zijn. Dus zijn de mensen in het tijdperk van de genade niet verplicht
om tienden op te brengen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, et habetur XVI, qu. I, decimae ex debito requiruntur,
et qui eas dare noluerint, res alienas invadunt. (IIa-IIae q. 87 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt: « Men vraagt U tienden krachtens Uw
verplichting; en wie ze dus niet wil geven, vergrijpt zich aan het bezit van een ander.
»
Respondeo dicendum quod decimae in veteri lege dabantur ad sustentationem ministrorum
Dei, unde dicitur Malach. III, inferte omnem decimationem in horreum meum, ut sit
cibus in domo mea. Unde praeceptum de solutione decimarum partim quidem erat morale,
inditum naturali rationi, partim autem erat iudiciale, ex divina institutione robur
habens. Quod enim eis qui divino cultui ministrabant ad salutem populi totius, populus
necessaria victus ministraret, ratio naturalis dictat, sicut et his qui communi utilitati
invigilant, scilicet principibus et militibus et aliis huiusmodi, stipendia victus
debentur a populo. Unde et apostolus hoc probat, I ad Cor. IX, per humanas consuetudines,
dicens, quis militat suis stipendiis unquam? Quis plantat vineam et de fructibus eius
non edit? Sed determinatio certae partis exhibendae ministris divini cultus non est
de iure naturali, sed est introducta institutione divina secundum conditionem illius
populi cui lex dabatur; qui cum in duodecim tribus esset divisus, duodecima tribus,
scilicet levitica, quae tota erat divinis ministeriis mancipata, possessiones non
habebat, unde convenienter institutum est ut reliquae undecim tribus decimam partem
suorum proventuum Levitis darent, ut honorabilius viverent, et quia etiam aliqui per
negligentiam erant transgressores futuri unde quantum ad determinationem decimae partis,
erat iudiciale, sicut et alia multa specialiter in illo populo instituta erant ad
aequalitatem inter homines ad invicem conservandam secundum populi illius conditionem,
quae iudicialia praecepta dicuntur; licet ex consequenti aliquid significarent in
futurum, sicut et omnia eorum facta, secundum illud I ad Cor. X, omnia in figuram
contingebant illis; in quo conveniebant cum caeremonialibus praeceptis, quae principaliter
instituta erant ad significandum aliquid futurum. Unde et praeceptum de decimis persolvendis
hic significat aliquid in futurum, qui enim decimam dat, quae est perfectionis signum
(eo quod denarius est quodammodo numerus perfectus, quasi primus limes numerorum,
ultra quem numerum non procedunt, sed reiterantur ab uno), novem sibi partibus reservatis,
protestatur quasi in quodam signo ad se pertinere imperfectionem, perfectionem vero,
quae erat futura per Christum, esse expectandam a Deo. Nec tamen propter hoc est caeremoniale
praeceptum, sed iudiciale, ut dictum est. Est autem haec differentia inter caeremonialia
et iudicialia legis praecepta, ut supra diximus, quod caeremonialia illicitum est
observare tempore legis novae, iudicialia vero, etsi non obligent tempore gratiae,
tamen possunt observari absque peccato, et ad eorum observantiam aliqui obligantur
si statuatur auctoritate eorum quorum est condere legem. Sicut praeceptum iudiciale
veteris legis est quod qui furatus fuerit ovem, reddat quatuor oves, ut legitur Exod.
XXII, quod, si ab aliquo rege statuatur, tenentur eius subditi observare. Ita etiam
determinatio decimae partis solvendae est auctoritate Ecclesiae tempore novae legis
instituta secundum quandam humanitatem, ut scilicet non minus populus novae legis
ministris novi testamenti exhiberet quam populus veteris legis ministris veteris testamenti
exhibebat; cum tamen populus novae legis ad maiora obligetur, secundum illud Matth.
V, nisi abundaverit iustitia vestra plus quam Scribarum et Pharisaeorum, non intrabitis
in regnum caelorum; et cum ministri novi testamenti sint maioris dignitatis quam ministri
veteris testamenti, ut probat apostolus, II ad Cor. III. Sic ergo patet quod ad solutionem
decimarum homines tenentur, partim quidem ex iure naturali, partim etiam ex institutione
Ecclesiae, quae tamen, pensatis opportunitatibus temporum et personarum, posset aliam
partem determinare solvendam. (IIa-IIae q. 87 a. 1 co.)
Onder de Oude Wet werden de tienden gegeven tot onderhoud van Gods dienaren; en daarom
wordt bij Malachias (3, 10) gezegd: « Brengt de gehele opbrengst van de tienden in
Mijn voorraadschuur, opdat er spijs zij in Mijn huis. » Daarom was het gebod over
het opbrengen van de tienden voor een gedeelte een gebod van de zedenleer, dat ons
natuurlijk verstand ingegeven is; voor een gedeelte was het een nadere bepaling van
de rechtvaardigheid, die door de goddelijke instelling van kracht was. Want dat het
volk aan degenen, die tot heil van geheel het volk voor de godsdienst zorgen, geeft
wat voor het levensonderhoud noodzakelijk is, wordt door het natuurlijke verstand
voorgeschreven; zoals ook zij, die over het nut van de gemeenschap waken, als vorsten
en soldaten en dergelijken van het volk een toelage voor hun levensonderhoud mogen
verwachten. Daarom ook bewijst de Apostel dit in de Eerste Brief aan de Korinthiërs
(9, 7) uit onder de mensen bestaande gewoonten, als hij zegt: « Wie dient ooit als
soldaat op eigen kosten? Wie plant een wijngaard zonder van zijn vruchten te eten?
» Het nader bepalen echter van een vast gedeelte, dat aan de bedienaars van de godsdienst
gegeven moet worden, behoort niet tot het natuurrecht, maar is krachtens goddelijke
bepaling ingesteld, waarbij rekening gehouden werd met de samenstelling van het volk,
waaraan de Wet werd gegeven. Want daar dit in twaalf stammen was verdeeld, had de
twaalfde stam, nl. die van de Levieten, die geheel en al voor het dienen van God was
bestemd, geen bezittingen; daarom was het een passende instelling, dat de overige
elf stammen het tiende deel van hun opbrengst aan de Levieten zouden geven, zodat
deze op een weinig meer eervolle manier konden leven, en ook, omdat er door nalatigheid
wel enige overtreders van dit gebod zouden zijn. Wat dus het vaststellen van het tiende
gedeelte betreft, was het een nadere rechtsbepaling, zoals er onder dat volk ook vele
andere bijzondere instellingen bestonden, die de gelijkheid onder het volk volgens
hun toestand moesten handhaven; en deze noemt men bepalingen over het recht (judicialia
praecepta) ; zij hadden echter als gevolg een betekenis voor het toekomstige, zoals
alles wat er bij hen geschiedde, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 11):
« Alles overkwam hun als een voorafbeelding. » Hierin ook kwamen deze voorschriften
overeen met die over de plechtigheden, die op de eerste plaats waren ingesteld om
iets toekomstigs af te beelden. Zo had ook het gebod om de tienden op te brengen hier
een betekenis voor iets toekomstigs; want wie het tiende deel, wat het volmaakte betekent,
gaf, (want het getal tien is in zekeren zin het volmaakte getal als de eerste grens
van de getallen, omdat zij niet verder gaan dan dit getal, maar dan weer van een af
beginnen) en negen delen voor zich hield, gaf daarmee als het ware met een teken te
kennen, dat hij onvolmaakt was, maar dat men de volmaaktheid, die door Christus komen
zou, van God moest verwachten. Daarom is het echter nog geen voorschrift over de plechtigheden,
maar zoals gezegd is, een nadere bepaling van de rechtvaardigheid. Zoals wij vroeger
hebben gezegd, (I. II. 104e Kw. 3e Art.) bestaat er dit verschil tussen de voorschriften
van de Wet over de plechtigheden en die over de nadere bepalingen van de rechtvaardigheid,
dat men de eersten niet mag onderhouden in het tijdperk van de Nieuwe Wet, maar men
de tweeden, al zijn zij ten tijde van de genade niet meer verplichtend, toch zonder
zonde kan onderhouden; en sommigen zijn daartoe gehouden, als dat wordt vastgesteld
door het gezag van diegenen, die de wetten moeten maken. Zo was het een dergelijk
voorschrift van de Oude Wet, dat « wie een schaap stal, vier schapen terug zal geven,
» zoals wij in het Boek van de Uittocht (22, 1) lezen; en als een koning dat bepaalt,
moeten zijn onderdanen dat doen. Zo is ook in het tijdperk van de Nieuwe Wet door
het gezag van de Kerk vastgesteld, dat het tiende gedeelte moet worden opgebracht,
en dat volgens wat naar de opvattingen van de mensen gepast is, zodat het volk van
de Nieuwe Wet aan de bedienaars van het Nieuwe Verbond niet minder zou geven dan het
volk van de Oude Wet de bedienaars van het Oude Verbond gaf; en toch is het volk van
de Nieuwe Wet tot meer verplicht volgens Mattheus (5, 20) : « Als Uw gerechtigheid
niet groter is dan die van de Farizeeën en Schriftgeleerden, zult gij het rijk der
hemelen niet binnengaan; » en hebben ook de bedienaars van het Nieuwe Verbond een
grotere waardigheid dan die van het Oude, zoals de Apostel in de Tweede Brief aan
de Korinthiërs bewijst (3,7). Zo blijkt, dat de mensen tot het opbrengen van tienden
verplicht zijn, gedeeltelijk krachtens de natuurwet, gedeeltelijk krachtens de Kerkelijke
bepalingen, die echter naar omstandigheden van tijden en personen, zouden kunnen voorschrijven,
dat een ander deel moest worden opgebracht.
Et per hoc patet responsio ad primum. (IIa-IIae q. 87 a. 1 ad 1)
1 — Blijkt uit de leerstelling.
Ad secundum dicendum quod praeceptum de solutione decimarum, quantum ad id quod erat
morale, datum est in Evangelio a domino ubi dicit, Matth. X, dignus est operarius
mercede sua; et etiam ab apostolo, ut patet I ad Cor. IX. Sed determinatio certae
partis est reservata ordinationi Ecclesiae. (IIa-IIae q. 87 a. 1 ad 2)
2 — Voor zover het voorschrift over het opbrengen van tienden onder de zedenwet valt,
is het in het Evangelie door de Heer gegeven, als Hij bij Mattheus (10, 10) zegt:
« De arbeider is zijn loon waard; » en ook door de Apostel, zoals uit de Eerste Brief
aan de Korinthiërs (9, 4) blijkt. Maar het vaststellen van een bepaald gedeelte is
aan de regeling van de Kerk overgelaten.
Ad tertium dicendum quod ante tempus veteris legis non erant determinati ministri
divini cultus, sed dicitur quod primogeniti erant sacerdotes, qui duplicem portionem
accipiebant. Et ideo etiam non erat determinata aliqua pars exhibenda ministris divini
cultus, sed ubi aliquis occurrebat, unusquisque dabat ei propria sponte quod sibi
videbatur. Sicut Abraham quodam prophetico instinctu dedit decimas Melchisedech, sacerdoti
Dei summi, ut dicitur Gen. XIV. Et similiter etiam Iacob decimas vovit se daturum,
quamvis non videatur decimas vovisse quasi aliquibus ministris exhibendas, sed in
divinum cultum, puta ad sacrificiorum consummationem; unde signanter dicit, decimas
offeram tibi. (IIa-IIae q. 87 a. 1 ad 3)
3 — Vóór het tijdperk van de Oude Wet waren geen bepaalde personen bedienaars van de goddelijke
eredienst, maar naar men zegt waren de eerstgeborenen priesters; en dezen kregen een
dubbel aandeel. En zo was er ook geen bepaald gedeelte vastgesteld, dat aan de bedienaars
van de eredienst moest worden gegeven; maar als er ergens een was, gaf iedereen hem
uit eigen beweging, wat hij meende te moeten geven. Op deze manier gaf Abraham, als
door een profetisch instinct gedreven, tienden aan Melchisedech, de priester van de
hoogste God, zoals wij in het Boek der Schepping (14, 20) lezen. Op dezelfde manier
legde Jacob de gelofte af, dat hij tienden zou geven (Gen. 28, 20) ; hij schijnt echter
niet de gelofte te hebben gedaan die tienden aan bedienaars te zullen geven, maar
voor het eren van God, b. v. door daarvoor offers op te dragen; en daarom zegt hij
uitdrukkelijk: « Ik zal U tienden opbrengen. »
Ad quartum dicendum quod secundae decimae, quae reservabantur ad sacrificia offerenda,
locum in nova lege non habent, cessantibus legalibus victimis. Tertiae vero decimae,
quas cum pauperibus comedere debebant, in nova lege augentur, per hoc quod dominus
non solum decimam partem, sed omnia superflua pauperibus iubet exhiberi, secundum
illud Luc. XI, quod superest, date eleemosynam. Ipsae etiam decimae quae ministris
Ecclesiae dantur, per eos debent in usus pauperum dispensari. (IIa-IIae q. 87 a. 1 ad 4)
4 — De tweede tienden, die bestemd waren voor het opdragen van offers, bestaan onder de
Nieuwe Wet niet meer, nu de offers van de Wet een einde hebben genomen. De derde tienden
echter, die men tezamen met de armen moest eten, zijn onder de Nieuwe Wet groter geworden,
omdat de Heer niet alleen voorschreef het tiende gedeelte, maar al het overtollige
aan de armen te geven, volgens Lucas (11, 41) : « Wat over is, geef daarvan aalmoezen.»
En ook de tienden, die aan de bedienaars van de Kerk worden gegeven, moeten door hen
ten behoeve van de armen worden besteed.
Ad quintum dicendum quod ministri Ecclesiae maiorem curam debent habere spiritualium
bonorum in populo promovendorum quam temporalium colligendorum. Et ideo apostolus
noluit uti potestate sibi a domino tradita, ut scilicet acciperet stipendia victus
ab his quibus Evangelium praedicabat, ne daretur aliquod impedimentum Evangelio Christi.
Nec tamen peccabant illi qui ei non subveniebant, alioquin apostolus eos corrigere
non omisisset. Et similiter laudabiliter ministri Ecclesiae decimas Ecclesiae non
requirunt, ubi sine scandalo requiri non possent, propter dissuetudinem vel propter
aliquam aliam causam. Nec tamen sunt in statu damnationis qui non solvunt, in locis
illis in quibus Ecclesia non petit, nisi forte propter obstinationem animi, habentes
voluntatem non solvendi etiam si ab eis peterentur. (IIa-IIae q. 87 a. 1 ad 5)
5 — De dienaars van de Kerk moeten meer zorg hebben voor het bevorderen van het geestelijk
goed onder het volk dan voor het verzamelen van tijdelijk goed. En daarom wilde de
Apostel geen gebruik maken van de hem door God gegeven macht om zijn levensonderhoud
te ontvangen van degenen, waaraan hij het Evangelie preekte om aan het Evangelie geen
beletsel te stellen. Zij evenwel, die hem niet onderhielden, zondigden niet; anders
had de Apostel niet verzuimd hen erop te wijzen. En zo is het prijzenswaardig, dat
de bedienaars van de Kerk de kerkelijke tienden niet opvorderen, als dat zonder ergernis
niet kan, omdat het geen gewoonte is of om een andere reden. Zij evenwel, die in een
streek wonen, waar de Kerk ze niet opvordert en ze dus niet opbrengen, zijn niet in
staat van doodzonde, als het niet om hardnekkigheid is, zodat zij ze niet willen opbrengen,
ook als ze van hen werden gevraagd.
Articulus 2. Moeten de mensen van alles tienden geven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non de omnibus teneantur homines decimas
dare. Solutio enim decimarum videtur esse ex veteri lege introducta. Sed in veteri
lege nullum praeceptum datur de personalibus decimis, quae scilicet solvuntur de his
quae aliquis acquirit ex proprio actu, puta de mercationibus vel de militia. Ergo
de talibus decimas solvere nullus tenetur. (IIa-IIae q. 87 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de mensen niet van alles tienden moeten geven. Want het opbrengen
van tienden schijnt uit de Oude Wet te zijn overgenomen. Nu wordt er in de Oude Wet
geen enkel gebod gegeven over persoonlijke tienden, die nl. worden opgebracht van
wat iemand door eigen arbeid verwerft, b. v. door handeldrijven of krijgsdienst. Dus
is niemand verplicht van die dingen tienden op te brengen.
Praeterea, de male acquisitis non debet fieri oblatio, ut supra dictum est. Sed oblationes,
quae immediate Deo exhibentur, videntur magis pertinere ad divinum cultum quam decimae,
quae exhibentur ministris. Ergo etiam nec decimae de male acquisitis sunt solvendae. (IIa-IIae q. 87 a. 2 arg. 2)
2 — Van wat op een slechte manier verkregen is, mag men geen offergaven brengen, zoals
vroeger is gezegd (86e Kw. 3e Art.). Nu schijnen offergaven, die onmiddellijk aan
God worden aangeboden, nauwer met de eredienst samen te hangen dan tienden, die men
aan de bedienaars geeft. Dus moet men van onwettig verkregen goed ook geen tienden
opbrengen.
Praeterea, Levit. ult. non mandatur solvi decima nisi de frugibus et pomis arborum,
et animalibus quae transeunt sub virga pastoris. Sed praeter haec sunt quaedam alia
minuta quae homini proveniunt, sicut herbae quae nascuntur in horto, et alia huiusmodi.
Ergo nec de illis homo decimas dare tenetur. (IIa-IIae q. 87 a. 2 arg. 3)
3 — In het Boek Leviticus (27, 30,31) staat alleen het gebod te geven van « de vruchten
van grond en boomen en van de dieren, die onder de staf van de herder doorgaan. »
Maar behalve dat krijgt een mens nog een paar kleinigheden, zoals het gras, dat in
de tuin groeit en dergelijken. Dus behoeven de mensen daar ook geen tienden van te
geven.
Praeterea, homo non potest solvere nisi id quod est in eius potestate. Sed non omnia
quae proveniunt homini de fructibus agrorum aut animalium remanent in eius potestate,
quia quaedam aliquando subtrahuntur per furtum vel rapinam; quaedam vero quandoque
in alium transferuntur per venditionem; quaedam etiam aliis debentur, sicut principibus
debentur tributa et operariis debentur mercedes. Ergo de his non tenetur aliquis decimas
dare. (IIa-IIae q. 87 a. 2 arg. 4)
4 — De mens kan alleen opbrengen, wat onder het bereik van zijn macht ligt. Nu blijft
niet alles, wat akkers en dieren opleveren, in de macht van de mens; want soms wordt
daaraan iets onttrokken door diefstal of roof, en ook wordt iets wel eens door verkoop
aan een ander overgedragen; en op weer iets anders hebben anderen recht, zoals vorsten
op belastingen en werklieden op loon. Dus behoeft men daar geen tienden van op te
brengen.
Sed contra est quod dicitur Gen. XXVIII, cunctorum quae dederis mihi decimas offeram
tibi. Sed omnia quae homo habet sunt ei data divinitus. Ergo de omnibus debet decimas
dare. (IIa-IIae q. 87 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat in het Boek der Schepping (28, 22) wordt gezegd: « Van
alles, wat gij mij zult geven, zal ik U tienden aanbieden. » Nu is alles, wat een
mens heeft, hem door God gegeven. Dus moet hij ook van alles tienden geven.
Respondeo dicendum quod de unaquaque re praecipue est iudicandum secundum eius radicem.
Radix autem solutionis decimarum est debitum quo seminantibus spiritualia debentur
carnalia, secundum illud apostoli, I ad Cor. IX, si nos vobis spiritualia seminavimus,
magnum est si carnalia vestra metamus? Super hoc enim debitum fundavit Ecclesia determinationem
solutionis decimarum. Omnia autem quaecumque homo possidet sub carnalibus continentur.
Et ideo de omnibus possessis decimae sunt solvendae. (IIa-IIae q. 87 a. 2 co.)
Over alles moet men op de eerste plaats oordelen naar datgene, waarop het steunt.
Nu is de grondslag van het opbrengen van tienden de plicht om tijdelijke goederen
te geven aan wie de geestelijke verspreiden volgens de Apostel: « Als wij voor U geestelijke
goederen hebben gezaaid, is het dan iets bijzonders, dat wij Uw stoffelijke goederen
maaien? » (1 Cor. 9, 2). Want op deze plicht heeft de Kerk haar bepaling over het
opbrengen van tienden gegrond. Nu valt alles, wat een mens bezit, onder tijdelijke
goederen. Dus moet men tienden opbrengen van zijn gehele bezit.
Ad primum ergo dicendum quod specialis ratio fuit quare in veteri lege non fuit datum
praeceptum de personalibus decimis, secundum conditionem populi illius, quia omnes
aliae tribus certas possessiones habebant, de quibus poterant sufficienter providere
Levitis, qui carebant possessionibus; non autem interdicebatur eis quin de aliis operibus
honestis lucrarentur, sicut et alii Iudaei. Sed populus novae legis est ubique per
mundum diffusus, quorum plurimi possessiones non habent, sed de aliquibus negotiis
vivunt, qui nihil conferrent ad subsidium ministrorum Dei, si de eorum negotiis decimas
non solverent. Ministris etiam novae legis arctius interdicitur ne se ingerant negotiis
lucrativis, secundum illud II ad Tim. II, nemo militans Deo implicat se saecularibus
negotiis. Et ideo in nova lege tenentur homines ad decimas personales, secundum consuetudinem
patriae et indigentiam ministrorum. Unde Augustinus dicit, et habetur XVI qu. I, cap.
decimae, de militia, de negotio et de artificio redde decimas. (IIa-IIae q. 87 a. 2 ad 1)
1 — Er was een bijzondere reden om in overeenstemming met de toestand van het Joodse volk
in de Oude Wet geen voorschrift te geven over persoonlijke tienden; want alle andere
stammen hadden bepaald grondbezit, waarvan zij voldoende voor de Levieten, die geen
grondbezit hadden, konden zorgen; dezen was het echter niet verboden met anderen eerlijke
arbeid te verdienen, zoals ook de andere Joden. Het volk van de Nieuwe Wet is echter
over de gehele wereld verspreid, en velen daaruit hebben geen grondbezit, maar leven
van ander werk; en als zij van hun zaken geen tienden opbrachten, zouden zij niets
bijdragen voor het onderhoud van Gods dienaars. Ook is aan de bedienaars van de Nieuwe
Wet strenger verboden zich met winstgevende zaken in te laten volgens de Tweede Brief
aan Timoteüs (2, 4) : « Niemand, die God als soldaat dient, houdt zich bezig met zaken
van de wereld. » Daarom zijn de mensen onder de Nieuwe Wet tot het opbrengen van persoonlijke
tienden verplicht volgens de gewoonten van hun vaderland en de behoeften van de bedienaars.
Daarom ook zegt Augustinus: « Geef tienden van Uw soldij, van de handel en Uw handwerk.
»
Ad secundum dicendum quod aliqua male acquiruntur dupliciter. Uno modo, quia ipsa
acquisitio est iniusta, puta quae acquiruntur per rapinam aut usuram, quae homo tenetur
restituere, non autem de eis decimas dare. Tamen si ager aliquis sit emptus de usura,
de fructu eius tenetur usurarius decimas dare, quia fructus illi non sunt ex usura,
sed ex Dei munere. Quaedam vero dicuntur male acquisita quia acquiruntur ex turpi
causa, sicut de meretricio, de histrionatu, et aliis huiusmodi, quae non tenentur
restituere. Unde de talibus tenentur decimas dare secundum modum aliarum personalium
decimarum. Tamen Ecclesia non debet eas recipere quandiu sunt in peccato, ne videatur
eorum peccatis communicare, sed postquam poenituerint, possunt ab eis de his recipi
decimae. (IIa-IIae q. 87 a. 2 ad 2)
2 — Op twee manieren kan men iets op slechte wijze verkrijgen. Ten eerste omdat het verkrijgen
zelf onrechtvaardig is, b. v. als men iets door roof, door diefstal of woeker krijgt;
en dat moet de mens teruggeven en er geen tienden van opbrengen. Is een akker echter
van woekerwinst gekocht, dan moet de woekeraar van de vruchten ervan tienden opbrengen,
omdat die vruchten niet van de woeker komen, maar een gave Gods zijn. — Andere dingen
noemt men slecht verkregen, omdat zij door een slechte oorzaak verkregen worden, b.
v. door als publieke vrouw te leven, door toneelspel en dergelijke winsten, die men
niet terug behoeft te geven. Van dergelijke winst moet men dus tienden opbrengen als
andere persoonlijke tienden. De Kerk moet ze echter niet aannemen, zolang zij, die
ze opbrengen, in zonden zijn, om niet de schijn te wekken, dat zij deel heeft aan
die zonden; maar als zij zich bekeerd hebben, kan men van hen hiervan tienden aannemen.
Ad tertium dicendum quod ea quae ordinantur in finem sunt iudicanda secundum quod
competunt fini. Decimarum autem solutio est debita non propter se, sed propter ministros,
quorum honestati non convenit ut etiam minima exacta diligentia requirant, hoc enim
in vitium computatur, ut patet per philosophum, in IV Ethic. Et ideo lex vetus non
determinavit ut de huiusmodi minutis rebus decimae dentur, sed relinquit hoc arbitrio
dare volentium, quia minima quasi nihil computantur. Unde Pharisaei, quasi perfectam
legis iustitiam sibi adscribentes, etiam de his minutis decimas solvebant. Nec de
hoc reprehenduntur a domino, sed solum de hoc quod maiora, idest spiritualia praecepta,
contemnebant. Magis autem de hoc eos secundum se commendabiles esse ostendit, dicens,
haec oportuit facere, scilicet tempore legis, ut Chrysostomus exponit. Quod etiam
videtur magis in quandam decentiam sonare quam in obligationem. Unde et nunc de huiusmodi
minutis non tenentur homines decimas dare, nisi forte propter consuetudinem patriae. (IIa-IIae q. 87 a. 2 ad 3)
3 — Wat op een doel is gericht, moet beoordeeld worden naar zijn passen bij dat doel.
Het opbrengen nu van tienden is niet om zichzelf verplicht, maar om de bedienaars
van de godsdienst, voor wie het niet eervol zou zijn, als zij ook het geringste met
uiterste nauwkeurigheid zouden opvorderen, want dat wordt als een gebrek beschouwd,
zoals de Wijsgeer bewijst. Daarom schreef de Oude Wet niet bepaald voor, dat van deze
kleinigheden tienden moesten worden opgebracht, maar liet dit over aan het oordeel
van hen, die ze wilden geven; want kleinigheden worden als niets beschouwd. Daarom
brachten de Farizeeën, die zich de volmaakte rechtvaardigheid volgens de Wet toeschreven,
ook van deze kleine dingen tienden op. En hierom worden zij door de Heer niet berispt,
maar alleen, omdat zij het grotere, nl. de geestelijke geboden, verachtten. Hij liet
veeleer zien, dat dit op zichzelf hun tot aanbeveling strekte, als Hij zegt: « Dit
moest men doen, » nl. ten tijde van de Wet, zoals Chrysostomus het uitlegt. Dit schijnt
ook eerder als iets eervols te klinken dan als iets verplichts. Daarom zijn de mensen
ook nu niet verplicht van deze kleinigheden tienden te geven, tenzij misschien om
vaderlandse gewoonten.
Ad quartum dicendum quod de his quae furto vel rapina tolluntur ille a quo auferuntur
decimas solvere non tenetur antequam recuperet, nisi forte propter culpam vel negligentiam
suam damnum incurrerit; quia ex hoc Ecclesia non debet damnificari. Si vero vendat
triticum non decimatum, potest Ecclesia decimas exigere et ab emptore, quia habet
rem Ecclesiae debitam; et a venditore, qui, quantum est de se, fraudavit Ecclesiam.
Uno tamen solvente, alius non tenetur. Debentur autem decimae de fructibus terrae
inquantum proveniunt ex divino munere. Et ideo decimae non cadunt sub tributo, nec
etiam sunt obnoxiae mercedi operariorum. Et ideo non debent prius deduci tributa et
pretium operariorum quam solvantur decimae, sed ante omnia debent decimae solvi ex
integris fructibus. (IIa-IIae q. 87 a. 2 ad 4)
4 — Van wat door diefstal of roof is weggenomen, behoeft hij, van wie het afgenomen is,
geen tienden te geven, eer hij het teruggekregen heeft, tenzij hij door eigen schuld
of nalatigheid schade heeft geleden; want dan behoeft de Kerk er geen schade onder
te lijden. — Verkoopt hij echter koren, waarvan geen tiende is betaald, dan kan de
Kerk zowel van de koper tienden vorderen, omdat hij iets heeft, waarop de Kerk recht
bezit, als van de verkoper, die voor zover het aan hem ligt, de Kerk benadeeld heeft.
Als er echter een betaalt, is de ander er niet toe verplicht, Van de vruchten van
de grond moeten tienden worden opgebracht, in zover zij komen van een gave van God.
En daarom vallen de tienden niet onder de belasting en behoeft ervan aan de arbeiders
geen loon betaald te worden. Daarom moeten de belasting en het loon van de werklieden
er niet eerst van afgetrokken worden, voordat de tienden worden betaald; maar eerst
moeten de tienden worden opgebracht van de gehele oogst.
Articulus 3. Moeten de tienden aan de geestelijken worden gegeven?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod decimae non sint clericis dandae. Levitis
enim in veteri testamento decimae dabantur quia non habebant aliquam partem in possessionibus
populi, ut habetur Num. XVIII. Sed clerici in novo testamento habent possessiones,
et patrimoniales interdum, et ecclesiasticas. Recipiunt insuper primitias, et oblationes
pro vivis et mortuis. Superfluum igitur est quod eis decimae dentur. (IIa-IIae q. 87 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de tienden niet aan de geestelijken moeten worden gegeven. Want onder
het Oude Verbond werden de tienden aan de Levieten gegeven, omdat zij niet deelden
in de bezittingen van het volk, zoals in het Boek der Getallen (18, 23) staat. Nu
hebben de geestelijken onder het Nieuwe Verbond wel bezittingen, soms door erfenis,
en dan die van de Kerk. Bovendien ontvangen zij de eerstelingenoffers en wat voor
de levenden en doden wordt aangeboden. Het schijnt dus overbodig hun tienden te geven.
Praeterea, contingit quandoque quod aliquis habet domicilium in una parochia, et colit
agros in alia; vel aliquis pastor ducit gregem per unam partem anni in terminis unius
parochiae, et alia parte anni in terminis alterius; vel habet ovile in una parochia,
et pascit oves in alia, in quibus et similibus casibus non videtur posse distingui
quibus clericis sint decimae solvendae. Ergo non videtur quod aliquibus clericis determinate
sint solvendae decimae. (IIa-IIae q. 87 a. 3 arg. 2)
2 — Soms gebeurt het, dat iemand in een parochie woont en in een andere zijn land bebouwt;
of dat een herder zijn kudde in een deel van het jaar binnen de grenzen van een parochie
en in een ander deel binnen die van een andere parochie weidt; of zijn schaapskooi
in een parochie heeft en zijn schapen in een andere weidt; en in deze en dergelijke
gevallen kan men schijnbaar niet uitmaken, aan welke geestelijken men de tienden moet
opbrengen. Het schijnt dus niet, dat men bepaald aan sommige geestelijken de tienden
moet opbrengen.
Praeterea, generalis consuetudo habet in quibusdam terris quod milites decimas ab
Ecclesia in feudum tenent. Religiosi etiam quidam decimas accipiunt. Non ergo videtur
quod solum clericis curam animarum habentibus decimae debentur. (IIa-IIae q. 87 a. 3 arg. 3)
3 — Er bestaat een algemene gewoonte in sommige landen, dat soldaten de tienden als een
leengoed van de Kerk bezitten. Ook ontvangen sommige kloosterlingen de tienden. Dus
schijnen niet alleen geestelijken, die zielzorg bezitten, recht op de tienden te hebben.
Sed contra est quod dicitur Num. XVIII, filiis levi dedi omnes decimas Israel in possessionem,
pro ministerio quo serviunt mihi in tabernaculo. Sed filiis levi succedunt clerici
in novo testamento. Ergo solis clericis decimae debentur. (IIa-IIae q. 87 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Getallen (18, 21) staat: « Aan de zonen
van Levi heb Ik alle tienden van Israël als bezit gegeven voor de dienst, waarmee
zij Mij in de tabernakel dienen. » Nu zijn de geestelijken de opvolgers van de Levieten
in het Nieuwe Verbond. Dus hebben alleen de geestelijken recht op de tienden.
Respondeo dicendum quod circa decimas duo sunt consideranda, scilicet ipsum ius accipiendi
decimas; et ipsae res quae nomine decimae dantur. Ius autem accipiendi decimas spirituale
est, consequitur enim illud debitum quo ministris altaris debentur sumptus de ministerio,
et quo seminantibus spiritualia debentur temporalia; quod ad solos clericos pertinet
habentes curam animarum. Et ideo eis solum competit hoc ius habere. Res autem quae
nomine decimarum dantur, corporales sunt. Unde possunt in usum quorumlibet cedere.
Et sic possunt etiam ad laicos pervenire. (IIa-IIae q. 87 a. 3 co.)
Wat de tienden betreft, moet men twee dingen in aanmerking nemen: ten eerste het recht
zelf om tienden te ontvangen, en dan de dingen, die onder de naam van tienden worden
gegeven. Nu is het recht om tienden te krijgen iets geestelijks, want het is een gevolg
van het recht van de bedienaars van het altaar, om van hun dienstwerk onderhouden
te worden; en van « degenen, die het geestelijke zaaien, om het tijdelijke te ontvangen.
» (1 Cor. 9, 11) En dit komt alleen aan geestelijken, die zielzorg hebben, toe. En
daarom komt hun alleen ook toe genoemd recht te hebben. — Maar wat onder de naam van
tienden wordt gegeven, is iets stoffelijks. Daarom kan het aan iedereen in gebruik
worden gegeven. En zo kan het ook bij leken terecht komen.
Ad primum ergo dicendum quod in veteri lege, sicut dictum est, speciales quaedam decimae
deputabantur subventioni pauperum. Sed in nova lege decimae clericis dantur non solum
propter sui sustentationem, sed etiam ut ex eis subveniant pauperibus. Et ideo non
superfluunt, sed ad hoc necessariae sunt et possessiones ecclesiasticae et oblationes
et primitiae, simul cum decimis. (IIa-IIae q. 87 a. 3 ad 1)
1 — Zoals werd gezegd (1e Art. 4e Antw.), waren onder de Oude Wet bijzondere tienden bestemd
voor het onderhoud van de armen. Maar onder de Nieuwe Wet worden de tienden aan de
geestelijken niet alleen voor hun eigen onderhoud gegeven, maar ook om daarmee de
armen bij te staan. En daarom zijn zij niet overbodig, maar hiervoor zijn de kerkelijke
bezittingen en de geschenken en de eerstelingen even goed als de tienden nodig.
Ad secundum dicendum quod decimae personales debentur Ecclesiae in cuius parochia
homo habitat. Decimae vero praediales rationabiliter magis videntur pertinere ad Ecclesiam
in cuius terminis praedia sita sunt. Tamen iura determinant quod in hoc servetur consuetudo
diu obtenta. Pastor autem qui diversis temporibus in duabus parochiis gregem pascit,
debet proportionaliter utrique Ecclesiae decimas solvere. Et quia ex pascuis fructus
gregis proveniunt, magis debetur decima gregis Ecclesiae in cuius territorio grex
pascitur, quam illi in cuius territorio ovile locatur. (IIa-IIae q. 87 a. 3 ad 2)
2 — Persoonlijke tienden behoren toe aan de kerk van de parochie, waarin iemand woont.
Maar het schijnt redelijker, dat de tienden van landbezit toekomen aan de kerk, binnen
wier grenzen dat goed ligt. Het recht echter bepaalt, dat lang geldende gewoonten
op dit punt van kracht moeten blijven. Een herder echter, die op verschillende tijden
zijn kudde binnen twee parochies weidt, moet naar verhouding aan beide kerken de tienden
opbrengen. En daar de opbrengst van de kudde van het weiden komt, heeft de kerk, in
wier gebied de kudde graast, meer recht op de tienden van de kudde dan die, binnen
wier grenzen de schaapskooi ligt.
Ad tertium dicendum quod sicut res nomine decimae acceptas potest Ecclesia alicui
laico tradere, ita etiam potest ei concedere ut dandas decimas ipsi accipiant, iure
accipiendi ministris Ecclesiae reservato, sive pro necessitate Ecclesiae, sicut quibusdam
militibus decimae dicuntur in feudum per Ecclesiam concessae; sive etiam ad subventionem
pauperum, sicut quibusdam religiosis laicis vel non habentibus curam animarum aliquae
decimae sunt concessae per modum eleemosynae. Quibusdam tamen religiosis competit
accipere decimas ex eo quod habent curam animarum. (IIa-IIae q. 87 a. 3 ad 3)
3 — Zoals de Kerk de onder de naam van tienden ontvangen goederen aan een leek kan geven,
kan zij ook toestaan, dat zij de te geven tienden zelf innen, terwijl het recht om
ze te ontvangen aan de dienaars van de Kerk voorbehouden blijft; hetzij omdat het
voor de Kerk nodig is, zoals men zegt dat de tienden aan sommige soldaten als leengoed
door de Kerk zijn afgestaan; hetzij om de armen te helpen, zoals aan sommige religieuzen,
die leken zijn of geen zielzorg hebben, sommige tienden als een aalmoes zijn afgestaan.
Maar sommige kloosterlingen hebben recht om tienden te ontvangen, omdat zij zielzorg
hebben.
Articulus 4. Moeten ook de geestelijken tienden opbrengen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod etiam clerici teneantur decimas dare. Quia
de iure communi Ecclesia parochialis debet recipere decimas praediorum quae in territorio
eius sunt. Contingit autem quandoque quod clerici habent in territorio alicuius parochialis
Ecclesiae aliqua praedia propria. Vel etiam aliqua alia Ecclesia habet ibi possessiones
ecclesiasticas. Ergo videtur quod clerici teneantur dare praediales decimas. (IIa-IIae q. 87 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat ook de geestelijken tienden moeten opbrengen. Want volgens het algemeen
geldende recht moet de parochiekerk tienden ontvangen van de landgoederen, die binnen
haar gebied liggen. Nu komt het soms voor, dat geestelijken eigen stukken land hebben
liggen binnen de grenzen van een parochiekerk. Of ook, dat een kerk daar kerkelijke
bezittingen heeft. Dus schijnen de geestelijken tienden van grondbezit te moeten opbrengen.
Praeterea, aliqui religiosi sunt clerici. Qui tamen tenentur dare decimas Ecclesiis
ratione praediorum quae etiam manibus propriis excolunt. Ergo videtur quod clerici
non sint immunes a solutione decimarum. (IIa-IIae q. 87 a. 4 arg. 2)
2 — Sommige kloosterlingen zijn geestelijken. Toch moeten zij aan de kerken tienden opbrengen
om het land, ook als zij het met eigen handen bebouwen. Dus schijnen de geestelijken
niet vrijgesteld te zijn van het opbrengen van tienden.
Praeterea, sicut Num. XVIII praecipitur quod Levitae a populo decimas accipiant, ita
etiam praecipitur quod ipsi dent decimas summo sacerdoti. Ergo, qua ratione laici
debent dare decimas clericis, eadem ratione clerici debent dare decimas summo pontifici. (IIa-IIae q. 87 a. 4 arg. 3)
3 — Zoals in het Boek der Getallen (18, 21) wordt bepaald, dat de Levieten de tienden
van het volk moeten ontvangen, wordt ook voorgeschreven (v. 26), dat zij zelf tienden
geven aan de Hogepriester. Om dezelfde reden dus, dat de leken aan de geestelijken
tienden moeten opbrengen, moeten de geestelijken tienden opbrengen voor de Paus.
Praeterea, sicut decimae debent cedere in sustentationem clericorum, ita etiam debent
cedere in subventionem pauperum. Si ergo clerici excusantur a solutione decimarum,
pari ratione excusantur et pauperes. Hoc autem est falsum. Ergo et primum. (IIa-IIae q. 87 a. 4 arg. 4)
4 — Zoals de tienden moeten dienen voor het onderhoud van de geestelijken, moeten zij
ook dienen om de armen te helpen. Zouden dus de geestelijken van het opbrengen van
tienden vrijgesteld zijn, dan waren de armen om dezelfde reden vrij. Het tweede nu
is niet waar, en dus ook het eerste niet.
Sed contra est quod dicit decretalis paschalis Papae, novum genus exactionis est ut
clerici a clericis decimas exigant. (IIa-IIae q. 87 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat een Decretaal van Paus Paschalis zegt: « Het is een
nieuwe vorm van afpersing, dat geestelijken van geestelijken tienden eisen. »
Respondeo dicendum quod idem non potest esse causa dandi et recipiendi, sicut nec
causa agendi et patiendi, contingit autem ex diversis causis, et respectu diversorum,
eundem esse dantem et recipientem, sicut agentem et patientem. Clericis autem inquantum
sunt ministri altaris spiritualia populo seminantes, decimae a fidelibus debentur.
Unde tales clerici, inquantum clerici sunt, idest inquantum possessiones habent ecclesiasticas,
decimas solvere non tenentur. Ex alia vero causa, scilicet propter hoc quod possident
proprio iure, vel ex successione parentum, vel ex emptione, vel quocumque huiusmodi
modo, sunt ad decimas solvendas obligati. (IIa-IIae q. 87 a. 4 co.)
Dezelfde reden kan geen oorzaak van geven en krijgen zijn, evenmin als oorzaak van
werken en ondergaan; maar het kan gebeuren, dat om verschillende oorzaken en in verschillend
opzicht het een en dezelfde is, die geeft en ontvangt, evenals wie werkt en ondergaat.
Nu hebben de geestelijken, in zover zij als dienaars van het altaar het geestelijke
goed onder het volk zaaien, recht om tienden van de gelovigen te ontvangen. En dus
zijn dergelijke geestelijken, in zover zij geestelijken zijn, d. w. z. in zover zij
kerkelijke bezittingen hebben, niet verplicht om tienden op te brengen. — Maar om
andere redenen, nl. omdat zij zelf bezittingen hebben, hetzij door van de ouders te
erven of door koop of op welke manier ook, zijn zij verplicht tienden op te brengen.
Unde patet responsio ad primum. Quia clerici de propriis praediis tenentur solvere
decimas parochiali Ecclesiae sicut et alii, etiam si ipsi sint eiusdem Ecclesiae clerici,
quia aliud est habere aliquid ut proprium, aliud ut commune. Praedia vero Ecclesiae
non sunt ad decimas solvendas obligata, etiam si sint infra terminos alterius parochiae. (IIa-IIae q. 87 a. 4 ad 1)
1 — Het antwoord hierop blijkt uit de leerstelling. Want geestelijken moeten als anderen
aan de parochiekerk tienden opbrengen van eigen bezittingen, ook al zijn zij aan diezelfde
kerk verbonden, want er is verschil tussen eigen en gemeenschappelijk bezit. Maar
het landbezit van de kerk is niet tiendplichtig, ook al ligt het binnen de grenzen
van een andere parochie.
Ad secundum dicendum quod religiosi qui sunt clerici, si habeant curam animarum spiritualia
populo dispensantes, non tenentur decimas dare, sed possunt eas recipere. De aliis
vero religiosis, etiam si sint clerici, qui non dispensant populo spiritualia, est
alia ratio. Ipsi enim tenentur de iure communi decimas dare, habent tamen aliquam
immunitatem secundum diversas concessiones eis a sede apostolica factas. (IIa-IIae q. 87 a. 4 ad 2)
2 — Als kloosterlingen, die geestelijken zijn, zielzorg hebben en geestelijk goed aan
het volk geven, behoeven zij geen tienden op te brengen, maar kunnen ze ontvangen.
Maar het is anders met andere kloosterlingen, ook al zijn zij geestelijken, die geen
geestelijk goed aan het volk geven. Want zij moeten volgens het gewone recht tienden
opbrengen, maar hebben enige vrijstellingen volgens verschillende hun door de Apostolische
Stoel geschonken gunsten.
Ad tertium dicendum quod in veteri lege primitiae debebantur sacerdotibus, decimae
autem Levitis, et quia sub sacerdotibus Levitae erant, dominus mandavit ut ipsi, loco
primitiarum, solverent summo sacerdoti decimam decimae. Unde nunc, eadem ratione,
tenentur clerici summo pontifici decimam dare, si exigeret. Naturalis enim ratio dictat
ut illi qui habet curam de communi multitudinis statu, provideatur unde possit exequi
ea quae pertinent ad communem salutem. (IIa-IIae q. 87 a. 4 ad 3)
3 — In de Oude Wet hadden de priesters recht op de eerstelingen en de Levieten op de tienden,
en waar de Levieten onder de priesters stonden, beval de Heer, dat zij in plaats van
de eerstelingen, aan de Hogepriester de tiend van de tienden gaven. Nu zouden de geestelijken
dus ook om dezelfde reden aan de Paus tienden moeten opbrengen als hij dat vroeg.
Want de natuurlijke rede schrijft voor, dat wie zorgen moet voor het algemeen nut
van de gehele menigte, voorzien wordt van wat hij nodig heeft om uit te voeren, wat
voor het heil van allen nodig is.
Ad quartum dicendum quod decimae debent cedere in subventionem pauperum per dispensationem
clericorum. Et ideo pauperes non habent causam accipiendi decimas, sed tenentur eas
dare. (IIa-IIae q. 87 a. 4 ad 4)
4 — De tienden moeten dienen voor het onderhoud van de armen volgens door de geestelijken
gemaakte verdeling. En daarom hebben de armen geen reden om tienden te ontvangen,
maar zij moeten ze wel opbrengen.