QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 55.
Over de ondeugden tegen de verstandigheid, die een zekere gelijkenis met haar vertonen .

Prooemium

Deinde considerandum est de vitiis oppositis prudentiae quae habent similitudinem cum ipsa. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum prudentia carnis sit peccatum. Secundo, utrum sit peccatum mortale. Tertio, utrum astutia sit peccatum speciale. Quarto, de dolo. Quinto, de fraude. Sexto, de sollicitudine temporalium rerum. Septimo, de sollicitudine futurorum. Octavo, de origine horum vitiorum. (IIa-IIae q. 55 pr.)

Vervolgens moeten wij de ondeugden tegen de verstandigheid beschouwen die een zekere gelijkenis met haar vertonen. Hieromtrent worden acht vragen gesteld: 1. Is de verstandigheid des vleses zonde? 2. Is zij doodzonde? 3. Is de sluwheid een afzonderlijke zonde? 4. Over de listigheid. 5. Over de bedrieglijkheid. 6. Over de bezorgdheid voor tijdelijke zaken. 7. Over de bezorgdheid omtrent de toekomst. 8. Over de oorsprong dezer ondeugden.

Articulus 1.
Is de verstandigheid des vlees zonde?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod prudentia carnis non sit peccatum. Prudentia enim est nobilior virtus quam aliae virtutes morales, utpote omnium regitiva. Sed nulla iustitia vel temperantia est peccatum. Ergo etiam neque aliqua prudentia est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid des vleses geen zonde is. De verstandigheid is van edeler gehalte dan de andere zedelijke deugden, omdat zij alle anderen leiding geeft. Geen enkel soort van gerechtigheid of matigheid is zonde. Dus kan geen enkele vorm van verstandigheid zonde zijn.

Praeterea, prudenter operari ad finem qui licite amatur non est peccatum. Sed caro licite amatur, nemo enim unquam carnem suam odio habuit, ut habetur ad Ephes. V. Ergo prudentia carnis non est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 1 arg. 2)

2 — Verstandig handelen is geen zonde, wanneer het gericht is op het bereiken van een doel, dat men mag beminnen. Maar het is geoorloofd het lichaam te beminnen: « Niemand heeft ooit tegen zijn lichaam haat gevoesterd », zoals geschreven staat in de Brief aan de Ephesiërs (5.29). Dus is de verstandigheid des vleses geen zonde.

Praeterea, sicut homo tentatur a carne, ita etiam tentatur a mundo, et etiam a Diabolo. Sed non ponitur inter peccata aliqua prudentia mundi, vel etiam Diaboli. Ergo neque debet poni inter peccata aliqua prudentia carnis. (IIa-IIae q. 55 a. 1 arg. 3)

3 — De mens wordt niet alleen bekoord in het vlees, maar ook door de wereld en de duivel. Maar onder de zonden zoekt men tevergeefs naar een verstandigheid van de wereld of zelfs van de duivel. Daarom mag men onder de zonden ook niet spreken van een verstandigheid des vleses.

Sed contra, nullus est inimicus Deo nisi propter iniquitatem, secundum illud Sap. XIV, simul odio sunt Deo impius et impietas eius. Sed sicut dicitur ad Rom. VIII, prudentia carnis inimica est Deo. Ergo prudentia carnis est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 1 s. c.)

Daartegenover echter staat dat niemand vijand is van God, tenzij omwille van een misdaad, naar het woord uit het Boek der Wijsheid (14.9): « God draagt eenzelfden haat tegen de goddeloze en zijn goddeloosheid ». Maar in de Brief aan de Romeinen (8.7) staat: « De verstandigheid des vleses staat vijandig tegenover God ». Dus is de verstandigheid des vleses zonde.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, prudentia est circa ea quae sunt ad finem totius vitae. Et ideo prudentia carnis proprie dicitur secundum quod aliquis bona carnis habet ut ultimum finem suae vitae. Manifestum est autem quod hoc est peccatum, per hoc enim homo deordinatur circa ultimum finem, qui non consistit in bonis corporis, sicut supra habitum est. Et ideo prudentia carnis est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 1 co.)

In de 47° Kw. 13° Art. werd aangetoond, dat de verstandigheid gericht is op het einddoel van heel het menselijk leven. Men spreekt daarom in eigenlijke zin van verstandigheid des vleses, wanneer iemand de goederen des vleses voor het laatste doel houdt. Dit is klaarblijkelijk zonde, omdat men zich daardoor afwendt van het laatste doel, dat niet bestaat in de goederen des vleses, zoals boven werd aangetoond (I. II. 2° Kw. 5° Art.). Daarom is de verstandigheid des vleses zonde.

Ad primum ergo dicendum quod iustitia et temperantia in sui ratione important id unde virtus laudatur, scilicet aequalitatem et concupiscentiarum refrenationem, et ideo nunquam accipiuntur in malo. Sed nomen prudentiae sumitur a providendo, sicut supra dictum est, quod potest etiam ad mala extendi. Et ideo, licet prudentia simpliciter dicta in bono accipiatur, aliquo tamen addito potest accipi in malo. Et secundum hoc dicitur prudentia carnis esse peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 1 ad 1)

1 — Rechtvaardigheid en matigheid bevatten uiteraard iets wat deugd genoemd kan worden, nl. het evenwicht, en de beheersing der zinnelijke lusten, en daarom kunnen zij nooit als iets kwaads opgevat worden. Maar verstandigheid betekent: het uitzien van het verstand, wat ook kan plaats hebben ten opzichte van het kwaad. Ofschoon nu de verstandigheid in gewone zin opgevat wordt als iets goeds, kan zij in bijzondere zin zich uitstrekken tot het kwaad. En in deze betekenis zegt men dat de verstandigheid des vleses zonde is.

Ad secundum dicendum quod caro est propter animam sicut materia propter formam et instrumentum propter principale agens. Et ideo sic licite diligitur caro ut ordinetur ad bonum animae sicut ad finem. Si autem in ipso bono carnis constituatur ultimus finis, erit inordinata et illicita dilectio. Et hoc modo ad amorem carnis ordinatur prudentia carnis. (IIa-IIae q. 55 a. 1 ad 2)

2 — Het vlees is er om de ziel, zoals de materie om de vorm en het werktuig om de werker. Daarom wordt het lichaam op geoorloofde wijze bemind, opdat het gericht zou worden op het welzijn der ziel als op zijn doel. Wanneer men echter zijn hoogste doel stelt in het welzijn van het lichaam, wordt de liefde onge-regeld en ongeoorloofd. En op die wijze is de verstandigheid des vleses gericht op een ongeoorloofde liefde.

Ad tertium dicendum quod Diabolus nos tentat non per modum appetibilis, sed per modum suggerentis. Et ideo, cum prudentia importet ordinem ad aliquem finem appetibilem, non ita dicitur prudentia Diaboli sicut prudentia respectu alicuius mali finis, sub cuius ratione tentat nos mundus et caro, inquantum scilicet proponuntur nobis ad appetendum bona mundi vel carnis. Et ideo dicitur prudentia carnis, et etiam prudentia mundi, secundum illud Luc. XVI, filii huius saeculi prudentiores sunt in generatione sua et cetera. Apostolus autem totum comprehendit sub prudentia carnis, quia etiam exteriores res mundi appetimus propter carnem. Potest tamen dici quod quia prudentia quodammodo dicitur sapientia, ut supra dictum est, ideo secundum tres tentationes potest intelligi triplex prudentia. Unde dicitur Iac. III sapientia esse terrena, animalis, diabolica, ut supra expositum est cum de sapientia ageretur. (IIa-IIae q. 55 a. 1 ad 3)

3 — De duivel bekoort ons niet door zelf een begerenswaardig voorwerp te zijn, maar door ons iets als begerenswaardig op te dringen. Daar nu de verstandigheid gericht is op een begerenswaardig goed, kan men niet spreken van een verstandigheid des duivels. Men kan echter wel spreken van een verstandigheid der wereld en des vleses: deze zijn gericht op een verkeerd doel, voor zover de goederen van de wereld of van het vlees ons als begerenswaardig worden voorgesteld. Van de verstandigheid der wereld en des vleses spreekt ons de Heer bij Lucas (16.8) wanneer Hij zegt: « De kinderen van deze wereld zijn verstandiger in hun belangen dan de kinderen van het licht ». De apostel vat echter alles samen onder het ene woord: « verstandigheid des vleses », daar wij ook de uiterlijke goederen dezer wereld begeren omwille van het vlees. Toch kan men bij voornoemde drievoudige bekoring wel spreken van een drievoudige verstandigheid. Want daar de verstandigheid in zekere zin wijsheid is, zoals vroeger werd gezegd (47° Kw. 2° Art. 1° Antw.), kan men met Jacobus (3.15) spreken van een aardsche, een vleselijke en een duivelsche wijsheid, zoals boven bij de behandeling der wijsheid wordt uiteengezet (45° Kw. 1° Art. 1° Antw.).

Articulus 2.
Is de verstandigheid des vlees doodzonde?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod prudentia carnis sit peccatum mortale. Rebellare enim divinae legi est peccatum mortale quia per hoc dominus contemnitur. Sed prudentia carnis non est subiecta legi Dei, ut habetur Rom. VIII. Ergo prudentia carnis est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 55 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de verstandigheid des vleses doodzonde is. Opstand tegen Gods wet is doodzonde, omdat hierdoor God veracht wordt. Welnu, in de Brief aan de Romeinen (8.7) staat geschreven: « De verstandigheid des vleses is niet onderworpen aan Gods wet ». Dus is de verstandigheid des vleses doodzonde.

Praeterea, omne peccatum in spiritum sanctum est peccatum mortale. Sed prudentia carnis videtur esse peccatum in spiritum sanctum, non enim potest esse subiecta legi Dei, ut dicitur Rom. VIII; et ita videtur esse peccatum irremissibile, quod est proprium peccati in spiritum sanctum. Ergo prudentia carnis est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 55 a. 2 arg. 2)

2 — Iedere zonde tegen de H. Geest is doodzonde. De verstandigheid des vleses is een zonde tegen de H. Geest, want zij kan niet onderworpen zijn aan Gods wet, zoals de Brief aan de Romeinen (8. 7) zegt, en daarom is zij een onvergeeflijke zonde, wat het eigen karakter is van de zonden tegen de H. Geest. Dus is de verstandigheid des vleses doodzonde.

Praeterea, maximo bono opponitur maximum malum; ut patet in VIII Ethic. Sed prudentia carnis opponitur prudentiae quae est praecipua inter virtutes morales. Ergo prudentia carnis est praecipuum inter peccata moralia. Et ita est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 55 a. 2 arg. 3)

3 — Tegenover het hoogste goed staat het ergste kwaad, zoals blijkt uit de Ethica. De verstandigheid des vleses nu, is tegengesteld aan de deugd van verstandigheid, die de hoogste is onder de zedelijke deugden. En daarom is zij doodzonde.

Sed contra, illud quod diminuit peccatum non importat de se rationem peccati mortalis. Sed caute prosequi ea quae pertinent ad curam carnis, quod videtur ad prudentiam carnis pertinere, diminuit peccatum. Ergo prudentia carnis de sui ratione non importat peccatum mortale. (IIa-IIae q. 55 a. 2 s. c.)

Daartegenover echter staat dat datgene wat de zonde vermindert zelf geen doodzonde kan zijn. Maar behoedzaam handelen in de zorgen voor het lichaam, wat tot verstandigheid des vleses schijnt te behoren, vermindert de zonde. Dus heeft de verstandigheid des vleses uiteraard niets van doodzonde.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, prudens dicitur aliquis dupliciter, uno modo, simpliciter, scilicet in ordine ad finem totius vitae; alio modo, secundum quid, scilicet in ordine ad finem aliquem particularem, puta sicut dicitur aliquis prudens in negotiatione vel in aliquo huiusmodi. Si ergo prudentia carnis accipiatur secundum absolutam prudentiae rationem, ita scilicet quod in cura carnis constituatur ultimus finis totius vitae, sic est peccatum mortale, quia per hoc homo avertitur a Deo, cum impossibile sit esse plures fines ultimos, ut supra habitum est. Si vero prudentia carnis accipiatur secundum rationem particularis prudentiae, sic prudentia carnis est peccatum veniale. Contingit enim quandoque quod aliquis inordinate afficitur ad aliquod delectabile carnis absque hoc quod avertatur a Deo per peccatum mortale, unde non constituit finem totius vitae in delectatione carnis. Et sic adhibere studium ad hanc delectationem consequendam est peccatum veniale, quod pertinet ad prudentiam carnis. Si vero aliquis actu curam carnis referat in finem honestum, puta cum aliquis studet comestioni propter corporis sustentationem, non vocatur prudentia carnis, quia sic utitur homo cura carnis ut ad finem. (IIa-IIae q. 55 a. 2 co.)

Vroeger werd reeds uiteengezet (47° Kw. 2° Art. 1° Antw. en 13° Art.) dat iemand op twee wijzen verstandig genoemd wordt: Eerstens, in iedere opzicht, d.w.z. met betrekking tot het laatste doel van 's mensen leven; vervolgens, in een bepaald opzicht, nl. met betrekking tot een of ander bijzonder doel, b.v. wanneer iemand een verstandige koopman of iets dergelijks genoemd wordt. Wanneer nu de verstandigheid des vleses genomen wordt in de zin van verstandig in iedere opzicht, dus in de absolute zin van het woord, zoodanig dat in de zorg voor het lichaam het laatste doel van het menselijk leven gezocht wordt, dan is zij doodzonde. Want hierdoor keert de mens zich af van God, daar er niet meerdere laatste doeleinden tegelijk kunnen zijn, zoals boven werd aangetoond (I. II. 1e Kw. 5e Art.). Indien echter de verstandigheid des vleses wordt genomen in beperkten zin, is zij slechts dagelijkse zonde. Want het gebeurt somtijds dat iemand zich ongeregeld laat aantrekken door een of andere lichamelijke genieting. Wanneer hij dan uitziet naar de mogelijkheid om zich deze genieting te verschaffen, bedrijft hij een dagelijkse zonde, die valt onder de verstandigheid des vleses. Wanneer iemand echter door zijn daad, de zorg voor het lichamelijke richt op een eerbaar doel, b.v. wanneer iemand uitziet naar voedsel om zijn lichaam in stand te houden, kan er geen sprake zijn van verstandigheid des vleses, omdat men in dit geval de zorg voor het lichamelijke ordent tot het einddoel.

Ad primum ergo dicendum quod apostolus loquitur de prudentia carnis secundum quod finis totius vitae humanae constituitur in bonis carnis. Et sic est peccatum mortale. (IIa-IIae q. 55 a. 2 ad 1)

1 — De Apostel spreekt hier van de verstandigheid des vleses in die zin, dat het doel van heel het menselijk leven gezocht wordt in de goederen des lichaams. In deze zin is zij doodzonde.

Ad secundum dicendum quod prudentia carnis non importat peccatum in spiritum sanctum. Quod enim dicitur quod non potest esse subiecta legi Dei, non sic est intelligendum quasi ille qui habet prudentiam carnis non possit converti et subiici legi Dei, sed quia ipsa prudentia carnis legi Dei non potest esse subiecta, sicut nec iniustitia potest esse iusta, nec calor potest esse frigidus, quamvis calidum posset esse frigidum. (IIa-IIae q. 55 a. 2 ad 2)

2 — De verstandigheid des vleses houdt geen zonde in tegen de H. Geest. De tekst die zegt, dat zij niet onderworpen kan zijn aan de wet Gods, moet men niet verstaan alsof iemand die verstandig is naar het vlees, zich niet kon bekeren en onderwerpen aan de wet Gods, maar in die zin dat iemand niet terzelfdertijd de verstandigheid des vleses kan bezitten en onderworpen zijn aan de wet Gods, zoals de onrechtvaardigheid niet rechtvaardig, en de hitte niet koud kan zijn, ofschoon iets heets koud kan worden.

Ad tertium dicendum quod omne peccatum opponitur prudentiae, sicut et prudentia participatur in omni virtute. Sed ideo non oportet quod quodlibet peccatum prudentiae oppositum sit gravissimum, sed solum quando opponitur prudentiae in aliquo maximo. (IIa-IIae q. 55 a. 2 ad 3)

3 — Iedere zonde gaat in tegen de verstandigheid, omdat iedere deugd deel heeft in de verstandigheid. Maar daarom hoeft niet iedere zonde die ingaat tegen de verstandigheid, de zwaarste te zijn. Dit geschiedt alleen wanneer een zonde tegenover de verstandigheid staat in een zeer zwaar geval.

Articulus 3.
Is de sluwheid een afzonderlijke zonde?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod astutia non sit speciale peccatum. Verba enim sacrae Scripturae non inducunt aliquem ad peccatum. Inducunt autem ad astutiam, secundum illud Prov. I, ut detur parvulis astutia. Ergo astutia non est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de sluwheid geen afzonderlijke zonde is. De woorden van de H. Schrift brengen nooit iemand tot zonde. Zij raden echter sluwheid aan, naar het woord uit het Boek der Spreuken (1. 4): « Dat aan de kinderen sluwheid verleend worde ». Dus is de sluwheid geen zonde.

Praeterea, Prov. XIII dicitur, astutus omnia agit cum consilio. Aut ergo ad finem bonum; aut ad finem malum. Si ad finem bonum, non videtur esse peccatum. Si autem ad finem malum, videtur pertinere ad prudentiam carnis vel saeculi. Ergo astutia non est speciale peccatum a prudentia carnis distinctum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 arg. 2)

2 — In het Boek der Spreuken (13. 16) staat: « De sluwheid verricht alles met overleg ». Dit overleg kan gericht zijn op een goed of op een verkeerd doel. Is het op een goed doel gericht dan schijnt er van zonde geen sprake te zijn. Is het op een kwaad doel gericht, dan schijnt dit te vallen onder de verstandigheid des vleses of der wereld. Dus is de sluwheid geen bijzondere zonde, onderscheiden van de verstandigheid des vleses.

Praeterea, Gregorius, X Moral., exponens illud Iob XII, deridetur iusti simplicitas, dicit, sapientia huius mundi est cor machinationibus tegere, sensum verbis velare, quae falsa sunt vera ostendere, quae vera sunt falsa demonstrare. Et postea subdit, haec prudentia usu a iuvenibus scitur, a pueris pretio discitur. Sed ea quae praedicta sunt videntur ad astutiam pertinere. Ergo astutia non distinguitur a prudentia carnis vel mundi; et ita non videtur esse speciale peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 arg. 3)

3 — In zijn verklaring van de tekst uit het Boek Job (12. 4): « De eenvoud van de rechtvaardige wordt bespot », zegt Gregorius: « Het is de wijsheid van deze wereld het innerlijke door allerlei voorwendsels te verbergen, de innerlijke mening met woorden te omhullen, wat vals is als waar voor te dragen ». Verder voegt hij er aan toe: « Deze verstandigheid leren jongelingen door het gebruik, knapen worden er in onderricht voor geld ». Dit alles schijnt tot de sluwheid te behoren. Dus is de sluwheid niet onderscheiden van de verstandigheid des vleses of der wereld, en is zij geen afzonderlijke zonde.

Sed contra est quod apostolus dicit, II ad Cor. IV, abdicamus occulta dedecoris, non ambulantes in astutia, neque adulterantes verbum Dei. Ergo astutia est quoddam peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 s. c.)

Daartegenover echter staat het gezegde van de Apostel in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (4. 2): « Wij hebben gebroken met schandelijke geheimzinnigheid, wij houden ons niet met sluwheid op, noch vervalsen Gods woord ». Dus is sluwheid een bepaalde zonde.

Respondeo dicendum quod prudentia est recta ratio agibilium, sicut scientia est recta ratio scibilium. Contingit autem contra rectitudinem scientiae dupliciter peccari in speculativis, uno quidem modo, quando ratio inducitur ad aliquam conclusionem falsam quae apparet vera; alio modo, ex eo quod ratio procedit ex aliquibus falsis quae videntur esse vera, sive sint ad conclusionem veram sive ad conclusionem falsam. Ita etiam aliquod peccatum potest esse contra prudentiam habens aliquam similitudinem eius dupliciter. Uno modo, quia studium rationis ordinatur ad finem qui non est vere bonus sed apparens, et hoc pertinet ad prudentiam carnis. Alio modo, inquantum aliquis ad finem aliquem consequendum, vel bonum vel malum, utitur non veris viis, sed simulatis et apparentibus, et hoc pertinet ad peccatum astutiae. Unde est quoddam peccatum prudentiae oppositum a prudentia carnis distinctum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 co.)

De verstandigheid is de toepassing van het gezond verstand op de handelingen, zoals de wetenschap de toepassing is van het gezond verstand op de weetbare dingen. In het speculatieve nu kan men op twee wijzen zondigen tegen het gezond verstand: eerstens, wanneer het verstand gebracht wordt tot een valse gevolgtrekking, die waar lijkt; vervolgens, wanneer het verstand zijn gevolgtrekking haalt uit valse beginselen, die waar schijnen, hetzij dan dat zij voeren tot een valse of tot een ware gevolgtrekking. Evenzo kunnen wij een tweevoudige zonde tegen de verstandigheid onderscheiden, die met de ware verstandigheid enige gelijkenis vertoont: eerstens, wanneer de arbeid van het verstand gericht is op een doel dat niet in waarheid, doch slechts in schijn goed is. En dit valt onder de verstandigheid des vleses. Vervolgens wanneer iemand om een doel — hetzij goed, hetzij kwaad — te bereiken geen ware, maar gehuichelde en schijnbaar goede wegen bewandelt. En dit valt onder de zonde van sluwheid. Daarom is de sluwheid een zonde tegen de verstandigheid, onderscheiden van de verstandigheid des vleses.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in IV contra Iulian., sicut prudentia abusive quandoque in malo accipitur, ita etiam astutia quandoque in bono, et hoc propter similitudinem unius ad alterum. Proprie tamen astutia in malo accipitur; sicut et philosophus dicit, in VI Ethic. (IIa-IIae q. 55 a. 3 ad 1)

1 — Augustinus zegt dat, evenals de verstandigheid verkeerdelijk wel eens in kwaden zin geduid wordt, aldus ook de sluwheid wel eens in goeden zin wordt genomen, van wege de gelijkenis tussen beide. In eigenlijke zin echter betekent de sluwheid iets verkeerds, zoals de Wijsgeer zegt.

Ad secundum dicendum quod astutia potest consiliari et ad finem bonum et ad finem malum, nec oportet ad finem bonum falsis viis pervenire et simulatis, sed veris. Unde etiam astutia si ordinetur ad bonum finem, est peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 3 ad 2)

2 — De sluwheid kan overleg plegen zowel voor een goed als voor een slecht doel. Echter men moet een goed doel niet met valse en gehuichelde middelen nastreven, doch met ware. Daarom is de sluwheid, ook al is zij gericht op een goed doel, toch zonde.

Ad tertium dicendum quod Gregorius sub prudentia mundi accepit omnia quae possunt ad falsam prudentiam pertinere. Unde etiam sub hac comprehenditur astutia. (IIa-IIae q. 55 a. 3 ad 3)

3 — Gregorius verstond onder de verstandigheid dezer wereld, alles wat tot de verkeerde verstandigheid kan behoren. Daaronder valt ook de sluwheid.

Articulus 4.
Is de listigheid een zonde, behorende onder de sluwheid?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod dolus non sit peccatum ad astutiam pertinens. Peccatum enim in perfectis viris non invenitur, praecipue mortale. Invenitur autem in eis aliquis dolus, secundum illud II ad Cor. XII, cum essem astutus, dolo vos cepi. Ergo dolus non est semper peccatum. (IIa-IIae q. 55 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de listigheid geen zonde is, behorende tot de sluwheid. Zonde, en vooral doodzonde, treft men niet aan bij volmaakte mensen, maar een zekere listigheid wel, naar het woord uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (12.6): «Als sluw mens heb ik u met list misleid». Dus is listigheid niet altijd zonde.

Praeterea, dolus maxime ad linguam pertinere videtur, secundum illud Psalm., linguis suis dolose agebant. Astutia autem, sicut et prudentia, est in ipso actu rationis. Ergo dolus non pertinet ad astutiam. (IIa-IIae q. 55 a. 4 arg. 2)

2 — Listigheid schijnt in de eerste plaats iets te zijn van de tong, naar het woord van het Boek der Psalmen (5.11): «Met hun tongen waren zij listig». Maar de sluwheid is evenals de verstandigheid, iets van het verstand. Dus valt de listigheid niet onder de sluwheid.

Praeterea, Prov. XII dicitur, dolus in corde cogitantium mala. Sed non omnis malorum cogitatio pertinet ad astutiam. Ergo dolus non videtur ad astutiam pertinere. (IIa-IIae q. 55 a. 4 arg. 3)

3 — In het Boek der Spreuken (12.20) wordt gezegd: «List is in het hart van wie zinnen op kwaad». Maar niet alle plannen om kwaad te doen vallen onder de sluwheid. Derhalve schijnt de listigheid niet tot de sluwheid te behoren.

Sed contra est quod astutia ad circumveniendum ordinatur, secundum illud apostoli, ad Ephes. IV, in astutia ad circumventionem erroris. Ad quod etiam dolus ordinatur. Ergo dolus pertinet ad astutiam. (IIa-IIae q. 55 a. 4 s. c.)

Daartegenover echter staat dat sluwheid erop gericht is om te misleiden, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de Ephesiërs (4.14): « Door sluwheid tot misleidende dwaling ». Hierop nu is ook de listigheid gericht. Dus behoort de listigheid tot de sluwheid.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, ad astutiam pertinet assumere vias non veras, sed simulatas et apparentes, ad aliquem finem prosequendum vel bonum vel malum. Assumptio autem harum viarum potest dupliciter considerari. Uno quidem modo, in ipsa excogitatione viarum huiusmodi, et hoc proprie pertinet ad astutiam, sicut etiam excogitatio rectarum viarum ad debitum finem pertinet ad prudentiam. Alio modo potest considerari talium viarum assumptio secundum executionem operis, et secundum hoc pertinet ad dolum. Et ideo dolus importat quandam executionem astutiae. Et secundum hoc ad astutiam pertinet. (IIa-IIae q. 55 a. 4 co.)

Zoals in het vorige artikel geleerd werd, behoort het tot de sluwheid onware, gehuichelde en bedrieglijke wegen te bewandelen om een doel, het zij goed of kwaad, te bereiken. Het bewandelen van deze wegen kan tweevoudig zijn: Eerstens, wat betreft het uitdenken van deze wegen; en dit behoort in eigenlijke zin tot de sluwheid, zoals het uitdenken van goede wegen naar een goed doel, behoort tot de verstandigheid. Vervolgens kan men het bewandelen van deze wegen beschouwen in verband met de uitvoering van de handeling. En aldus zijn wij op het terrein van de listigheid. Daarom betekent listigheid eigenlijk het uitvoeren der sluwheid. En in deze zin behoort de listigheid tot de sluwheid.

Ad primum ergo dicendum quod sicut astutia proprie accipitur in malo, abusive autem in bono; ita etiam et dolus, qui est astutiae executio. (IIa-IIae q. 55 a. 4 ad 1)

1 — Evenals de sluwheid in eigenlijke zin gezegd wordt van iets kwaads, en verkeerdelijk van iets goeds, zo gaat het ook met de listigheid, die de uitvoering is van de sluwheid.

Ad secundum dicendum quod executio astutiae ad decipiendum primo quidem et principaliter fit per verba, quae praecipuum locum tenent inter signa quibus homo significat aliquid alteri, ut patet per Augustinum, in libro de Doct. Christ. Et ideo dolus maxime attribuitur locutioni. Contingit tamen esse dolum et in factis, secundum illud Psalm., et dolum facerent in servos eius. Est etiam et dolus in corde, secundum illud Eccli. XIX. Interiora eius plena sunt dolo. Sed hoc est secundum quod aliquis dolos excogitat, secundum illud Psalm., dolos tota die meditabantur. (IIa-IIae q. 55 a. 4 ad 2)

2 — De uitvoering der sluwheid om te misleiden, geschiedt allereerst en voornamelijk door woorden, die de eerste plaats innemen onder de tekenen waarmee de een iets aan de ander wil mededelen, zoals blijkt uit Augustinus. En daarom wordt listigheid allereerst toegeschreven aan de spraak. Maar listigheid kan ook in daden bestaan, naar het woord van het Boek der Psalmen (104. 25): « Zij handelden listig met zijn dienaren ». Ook in het hart kan er listigheid zijn, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (19. 23): « Zijn innerlijk is vol listigheid ». Maar dit geschiedt voor zover iemand listen uitdenkt, naar het woord van het Boek der Psalmen (37. 13): « Zij zonnen de hele dag op listen ».

Ad tertium dicendum quod quicumque cogitant aliquod malum facere, necesse est quod excogitent aliquas vias ad hoc quod suum propositum impleant, et ut plurimum excogitant vias dolosas, quibus facilius propositum consequantur. Quamvis contingat quandoque quod absque astutia et dolo aliqui aperte et per violentiam malum operentur. Sed hoc, quia difficilius fit, in paucioribus accidit. (IIa-IIae q. 55 a. 4 ad 3)

3 — Wie plannen bedachten om iets kwaads te doen, moeten noodzakelijk wegen bedenken om hun voornemen te kunnen uitvoeren. En meestal bedenken zij ook listige wegen, waardoor zij des te gemakkelijker hun boze opzet kunnen uitvoeren. Toch kan het soms gebeuren dat zonder sluwheid en listigheid, sommigen openlijk en met geweld het kwaad ten uitvoer brengen. Maar daar dit moeilijker is, komt het zelden voor.

Articulus 5.
Behoort de bedrieglijkheid tot de sluwheid?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod fraus ad astutiam non pertineat. Non enim est laudabile quod aliquis decipi se patiatur, ad quod astutia tendit. Est autem laudabile quod aliquis patiatur fraudem, secundum illud I ad Cor. VI, quare non magis fraudem patimini? Ergo fraus non pertinet ad astutiam. (IIa-IIae q. 55 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de bedrieglijkheid niet tot de sluwheid behoort. Het is niet prijzenswaardig zich te laten misleiden, wat het doelwit is van de sluwheid. Het is echter wel prijzenswaardig bedrog te verduren, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6. 7): « Waarom verdraagt gij niet liever bedrog? » Dus behoort de bedrieglijkheid niet tot de sluwheid.

Praeterea, fraus pertinere videtur ad illicitam acceptionem vel receptionem exteriorum rerum, dicitur enim Act. V quod vir quidam nomine Ananias, cum Saphira uxore sua, vendidit agrum et fraudavit de pretio agri. Sed illicite usurpare vel retinere res exteriores pertinet ad iniustitiam vel illiberalitatem. Ergo fraus non pertinet ad astutiam, quae opponitur prudentiae. (IIa-IIae q. 55 a. 5 arg. 2)

2 — Bedrieglijkheid schijnt eerder verband te houden met het onrechtmatig zich toeëigenen of behouden van uiterlijke zaken. In de Handelingen der Apostelen (5. 1-2) staat immers geschreven: « Een zekere man, Ananias genaamd, had met zijn vrouw Saphira een landgoed verkocht, en hield bedrieglijk iets van de prijs achter ». Maar het onrechtmatig zich toeëigenen of behouden van uiterlijke zaken valt onder de onrechtvaardigheid of onvrijgevigheid. Dus behoort de bedrieglijkheid niet tot de sluwheid, die tegengesteld is aan de verstandigheid.

Praeterea, nullus astutia utitur contra seipsum. Sed aliquorum fraudes sunt contra seipsos, dicitur enim Prov. I de quibusdam quod moliuntur fraudes contra animas suas. Ergo fraus non pertinet ad astutiam. (IIa-IIae q. 55 a. 5 arg. 3)

3 — Niemand is sluw tegen zichzelf. Maar wel kan iemand zichzelf somtijds bedriegen, want er staat in het Boek der Spreuken (1. 18): « Zij stapelen bedrieglijkheden op tegen hun eigen ziel ». Dus behoort de bedrieglijkheid niet tot de sluwheid.

Sed contra, fraus ad deceptionem ordinatur, secundum illud Iob XIII, numquid decipietur ut homo vestris fraudulentiis? Ad idem etiam ordinatur astutia. Ergo fraus ad astutiam pertinet. (IIa-IIae q. 55 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter dat bedrieglijkheid erop gericht is te misleiden, naar het woord uit het Boek Job (13. 9): « Wordt Hij (God) als een mens misleid door uw bedrieglijkheden? » Maar daarop is ook de sluwheid gericht. Dus behoort de bedrieglijkheid tot de sluwheid.

Respondeo dicendum quod sicut dolus consistit in executione astutiae, ita etiam et fraus, sed in hoc differre videntur quod dolus pertinet universaliter ad executionem astutiae, sive fiat per verba sive per facta; fraus autem magis proprie pertinet ad executionem astutiae secundum quod fit per facta. (IIa-IIae q. 55 a. 5 co.)

Listigheid bestaat in de uitvoering van de sluwheid. Dit is eveneens het geval met de bedrieglijkheid, evenwel met een onderscheid dat hierin schijnt te bestaan, dat de listigheid zich tot alle gevallen uitstrekt, waarbij de sluwheid in uiterlijke daden wordt omgezet, hetzij dit geschiedt door woorden hetzij door handelingen, terwijl de bedrieglijkheid meer uitsluitend in verband staat met uiterlijke handelingen, waardoor de sluwheid tot uiting komt.

Ad primum ergo dicendum quod apostolus non inducit fideles ad hoc quod decipiantur in cognoscendo, sed ad hoc quod effectum deceptionis patienter tolerent in sustinendis iniuriis fraudulenter illatis. (IIa-IIae q. 55 a. 5 ad 1)

1 — De Apostel wil de gelovigen niet vermanen om zich te laten bedriegen in kennis. Hij bedoelt enkel dat zij de gevolgen van het bedrog geduldig moeten dragen, wanneer hen op bedrieglijke wijze onrecht wordt aangedaan.

Ad secundum dicendum quod executio astutiae potest fieri per aliquod aliud vitium, sicut et executio prudentiae fit per virtutes. Et hoc modo nihil prohibet defraudationem pertinere ad avaritiam vel illiberalitatem. (IIa-IIae q. 55 a. 5 ad 2)

2 — De uiterlijke uitvoering van de sluwheid kan geschieden door de praktijk van een andere ondeugd, zoals de uitvoering van de handelingen, door de verstandigheid voorgeschreven, aan andere deugden wordt overgelaten. Op deze wijze is er niets op tegen dat het bedrog behoort tot de gierigheid of de onvrijgevigheid.

Ad tertium dicendum quod illi qui fraudes faciunt ex eorum intentione non moliuntur aliquid contra seipsos vel contra animas suas, sed ex iusto Dei iudicio provenit ut id quod contra alios moliuntur contra eos retorqueatur; secundum illud Psalm., incidit in foveam quam fecit. (IIa-IIae q. 55 a. 5 ad 3)

3 — Die bedrog plegen stapelen geen bedrieglijkheden op tegen zichzelf of tegen hun eigen zielen, omdat zij het aldus bedoelen; maar het rechtvaardig oordeel Gods bewerkt dat het bedrog, dat zij ten opzichte van anderen plegen zich keert tegen hun eigen zielen, naar het woord van het Boek der Psalmen (7. 16): « Hij valt in de kuil, die hij voor een ander graaft ».

Articulus 6.
Is het geoorloofd bezorgd te zijn over tijdelijke zaken?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod licitum sit sollicitudinem habere de temporalibus rebus. Ad praesidentem enim pertinet sollicitum esse de his quibus praeest, secundum illud Rom. XII, qui praeest in sollicitudine. Sed homo praeest ex divina ordinatione temporalibus rebus, secundum illud Psalm., omnia subiecisti sub pedibus eius, oves et boves et cetera. Ergo homo debet habere sollicitudinem de temporalibus rebus. (IIa-IIae q. 55 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geoorloofd is bezorgd te zijn over tijdelijke zaken. Het is de taak van de mens, bezorgd te zijn om de dingen waarover hij gebiedt, naar de tekst uit de Brief aan de Romeinen (12. 8): « Wie gebiedt, doe het met zorg ». Maar door Gods bestel gebiedt de mens over tijdelijke zaken, naar het woord van het Boek der Psalmen (8. 8): « Alles hebt gij onder zijn voeten gesteld, schapen en runderen enz. ». Dus moet de mens zorg hebben over tijdelijke zaken.

Praeterea, unusquisque sollicitus est de fine propter quem operatur. Sed licitum est hominem operari propter temporalia, quibus vitam sustentet, unde apostolus dicit, II ad Thess. III, si quis non vult operari, non manducet. Ergo licitum est sollicitari de rebus temporalibus. (IIa-IIae q. 55 a. 6 arg. 2)

2 — Eenieder is bezorgd om het doel waarvoor hij werkt. Het is de mens echter geoorloofd te arbeiden voor het tijdelijke. Vandaar zegt de Apostel in zijn Tweede Brief aan de Thessaloniciërs (3. 10): « Wie niet werken wil, zal ook niet eten ». Dus is het geoorloofd bezorgd te zijn over tijdelijke zaken.

Praeterea, sollicitudo de operibus misericordiae laudabilis est, secundum illud II ad Tim. I, cum Romam venisset, sollicite me quaesivit. Sed sollicitudo temporalium rerum quandoque pertinet ad opera misericordiae, puta cum quis sollicitudinem adhibet ad procurandum negotia pupillorum et pauperum. Ergo sollicitudo temporalium rerum non est illicita. (IIa-IIae q. 55 a. 6 arg. 3)

3 — Bezorgdheid omtrent de werken van barmhartigheid is prijzenswaardig, naar de tekst uit de Tweede Brief aan Timotheüs (1.17): « Toen hij te Rome was aangekomen heeft hij vol bezorgdheid naar mij gezocht ». Maar bezorgdheid over tijdelijke zaken kan somtijds behoren tot de werken van barmhartigheid, wanneer iemand b.v. zorg besteedt om aan wezen en armen het noodige te verschaffen. Dus is bezorgdheid over tijdelijke zaken niet ongeoorloofd.

Sed contra est quod dominus dicit, Matth. VI, nolite solliciti esse, dicentes, quid manducabimus aut quid bibemus, aut quo operiemur? Quae tamen sunt maxime necessaria. (IIa-IIae q. 55 a. 6 s. c.)

Daartegenover echter staat dat de Heer zegt bij Mattheus (6.31): «Wilt niet bezorgd zijn zeggende: Wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?» En toch zijn deze dingen aller noodzakelijkst.

Respondeo dicendum quod sollicitudo importat studium quoddam adhibitum ad aliquid consequendum. Manifestum est autem quod maius studium adhibetur ubi est timor deficiendi, et ideo ubi est securitas consequendi, minor intervenit sollicitudo. Sic ergo sollicitudo temporalium rerum tripliciter potest esse illicita. Uno quidem modo, ex parte eius de quo sollicitamur, si scilicet temporalia tanquam finem quaeramus. Unde et Augustinus dicit, in libro de operibus Monach., cum dominus dicit, nolite solliciti esse etc., hoc dicit ut non ista intueantur, et propter ista faciant quidquid in Evangelii praedicatione facere iubentur. Alio modo potest esse temporalium sollicitudo illicita propter superfluum studium quod apponitur ad temporalia procuranda, propter quod homo a spiritualibus, quibus principalius inservire debet, retrahitur. Et ideo dicitur Matth. XIII quod sollicitudo saeculi suffocat verbum. Tertio modo, ex parte timoris superflui, quando scilicet aliquis timet ne, faciendo quod debet, necessaria sibi deficiant. Quod dominus tripliciter excludit. Primo, propter maiora beneficia homini praestita divinitus praeter suam sollicitudinem, scilicet corpus et animam. Secundo, propter subventionem qua Deus animalibus et plantis subvenit absque opere humano, secundum proportionem suae naturae. Tertio, ex divina providentia, propter cuius ignorantiam gentiles circa temporalia bona quaerenda principalius sollicitantur. Et ideo concludit quod principaliter nostra sollicitudo esse debet de spiritualibus bonis, sperantes quod etiam temporalia nobis provenient ad necessitatem, si fecerimus quod debemus. (IIa-IIae q. 55 a. 6 co.)

Bezorgdheid zegt een zekere ijver om iets te verkrijgen. Het is nu duidelijk dat een grotere ijver wordt aangewend, wanneer men vreest te kort te komen. Waar dus een grotere zekerheid is dat men zal verkrijgen wat men nodig heeft, heerst ook minder bezorgdheid. Zo kan bezorgdheid om tijdelijke zaken op drievoudige wijze ongeoorloofd zijn. Eerstens, van de kant van datgene waarover wij bezorgd zijn, wanneer wij namelijk het tijdelijke zoeken als ons laatste doel. Daarom zegt Augustinus: «Wanneer de Heer zegt dat wij niet bezorgd moeten zijn enz., zegt hij dit opdat wij die dingen niet als doel zouden stellen, en niet daarom zouden leven volgens de voorschriften van het Evangelie». — Vervolgens kan de bezorgdheid om het tijdelijke ongeoorloofd zijn omwille van een overdreven ijver, waarmee men zich het tijdelijke wil verschaffen, zodanig dat de mens afgehouden wordt van de geestelijke dingen, die hij in de eerste plaats moet op het oog hebben. Daarom wordt bij *Mattheus* (13.22) gezegd dat «de zorg voor het tijdelijke het woord verstikt». — En ten derde kan die zorg verkeerd zijn omwille van een overmatige vrees, wanneer namelijk iemand vreest dat hem het noodzakelijke zal ontbreken, ook al doet hij wat hij doen moet. Dit verbiedt de Heer uit hoofde van drie dingen: Vooreerst, omdat grotere weldaden door God aan de mens worden verleend buiten zijn eigen zorg om, namelijk ziel en lichaam; ten tweede, om wille van de hulp die God aan dieren en planten verleent, zonder menselijke arbeid, enkel maar volgens de instellingen van de natuur; en ten derde om wille van de goddelijke Voorzienigheid: de heidenen kennen deze niet en zijn derhalve bovenmate bezorgd om zich de tijdelijke goederen te verschaffen. En daarom besluit de Heer dat onze bezorgdheid in de eerste plaats moet gericht zijn op geestelijke goederen, terwijl wij daarbij de hoop moeten koesteren dat de tijdelijke goederen ons zullen verleend worden, voor zover het nodig is, wanneer wij van onze kant, gedaan hebben wat wij doen moeten.

Ad primum ergo dicendum quod temporalia bona subiecta sunt homini ut eis utatur ad necessitatem, non ut in eis finem constituat, et superflue circa ea sollicitetur. (IIa-IIae q. 55 a. 6 ad 1)

1 — De tijdelijke goederen staan onder de heerschappij van de mens opdat hij ze gebruikte voor zover het nodig is. Hij mag er echter niet zijn laatste doel in stellen en er overdreven bezorgd om zijn.

Ad secundum dicendum quod sollicitudo eius qui corporali labore panem acquirit non est superflua, sed moderata. Et ideo Hieronymus dicit quod labor exercendus est, sollicitudo tollenda, superflua scilicet, animum inquietans. (IIa-IIae q. 55 a. 6 ad 2)

2 — De bezorgdheid van iemand, die door lichamelijke arbeid in zijn levensonderhoud voorziet, is niet overdreven, maar blijft binnen redelijke grenzen. Daarom zegt Hieronymus in zijn Commentaar op Mattheus (6.5) dat « de arbeid moet verricht worden, maar de bezorgdheid uitgesloten », namelijk de overdreven bezorgdheid, die de ziel beangstigt.

Ad tertium dicendum quod sollicitudo temporalium in operibus misericordiae ordinatur ad finem caritatis. Et ideo non est illicita, nisi sit superflua. (IIa-IIae q. 55 a. 6 ad 3)

3 — Bezorgdheid voor het tijdelijke is bij de werken van barmhartigheid gericht op de liefde als doel. Daarom is zij niet ongeoorloofd, tenzij zij overdreven wordt.

Articulus 7.
Moet men bezorgd zijn voor de toekomst?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod aliquis debeat esse sollicitus in futurum. Dicitur enim Prov. VI, vade ad formicam, o piger, et considera vias eius, et disce sapientiam, quae cum non habeat ducem nec praeceptorem, parat in aestate cibum sibi, et congregat in messe quod comedat. Sed hoc est in futurum sollicitari. Ergo laudabilis est sollicitudo futurorum. (IIa-IIae q. 55 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men moet bezorgd zijn voor de toekomst. In het Boek der Spreuken (6.6) staat geschreven: « Ga naar de mieren, luiaard, en beschouw hunne wegen, en leer wijsheid. Want ofschoon zij geen leider of leermeester hebben, bereiden zij zich voedsel in de zomer, en verzamelen zij in de tijd van de oogst ». Maar dit is zorgen voor de toekomst. Dus is bezorgdheid voor de toekomst prijzenswaardig.

Praeterea, sollicitudo ad prudentiam pertinet. Sed prudentia praecipue est futurorum, praecipua enim pars eius est providentia futurorum, ut supra dictum est. Ergo virtuosum est sollicitari de futuris. (IIa-IIae q. 55 a. 7 arg. 2)

2 — Bezorgdheid behoort bij de verstandigheid. Maar de verstandigheid richt zich op het toekomstige, want haar voornaamste onderdeel is de voorziening van het toekomstige, zoals boven werd uiteengezet (49° Kw. 6° Art.). Dus is het deugdzaam bezorgdheid te hebben voor de toekomst.

Praeterea, quicumque reponit aliquid in posterum conservandum sollicitus est in futurum. Sed ipse Christus legitur, Ioan. XII, loculos habuisse ad aliquid conservandum, quos Iudas deferebat. Apostoli etiam conservabant pretia praediorum, quae ante pedes eorum ponebantur, ut legitur Act. IV. Ergo licitum est in futurum sollicitari. (IIa-IIae q. 55 a. 7 arg. 3)

3 — Wie iets opzij legt om het voor later te bewaren, is bezorgd voor de toekomst. Maar van Christus leest men bij Joannes (12. 6) dat hij een beurs had om iets te bewaren, waaruit Judas stal. Ook de Apostelen bewaarden het geld dat men hun als prijs voor de verkochte landgoederen voor de voeten legde, zoals men kan lezen in de Handelingen (4. 35). Dus is het geoorloofd bezorgd te zijn voor de toekomst.

Sed contra est quod dominus dicit, Matth. VI, nolite solliciti esse in crastinum. Cras autem ibi ponitur pro futuro, sicut dicit Hieronymus. (IIa-IIae q. 55 a. 7 s. c.)

Daartegenover echter staat dat de Heer zegt bij Mattheus (6. 34): « Wilt niet bezorgd zijn voor de dag van morgen ». Het woord « morgen » betekent hier de toekomst, zoals Hieronymus in zijn Commentaar op deze tekst verklaart.

Respondeo dicendum quod nullum opus potest esse virtuosum nisi debitis circumstantiis vestiatur; inter quas una est debitum tempus, secundum illud Eccle. VIII, omni negotio tempus est et opportunitas. Quod non solum in exterioribus operibus, sed etiam in interiori sollicitudine locum habet. Unicuique enim tempori competit propria sollicitudo, sicut tempori aestatis competit sollicitudo metendi, tempori autumni sollicitudo vindemiae. Si quis ergo tempore aestatis de vindemia iam esset sollicitus, superflue praeoccuparet futuri temporis sollicitudinem. Unde huiusmodi sollicitudinem tanquam superfluam dominus prohibet, dicens, nolite solliciti esse in crastinum. Unde subdit, crastinus enim dies sollicitus erit sibi ipsi, idest, suam propriam sollicitudinem habebit, quae sufficiet ad animum affligendum. Et hoc est quod subdit, sufficit diei malitia sua, idest afflictio sollicitudinis. (IIa-IIae q. 55 a. 7 co.)

Men mag een handeling niet deugdzaam noemen, als zij niet gepaard gaat met de vereiste omstandigheden, waaronder ook valt de juiste tijd, naar het woord van de Prediker (8. 6): « Voor iedere zaak is er tijd en gelegenheid ». Dit is niet alleen het geval voor de uiterlijke, maar ook voor de inwendige handelingen. Iedere tijd heeft zijn eigen zorgen. De zomer is de tijd waarin gezorgd moet worden voor de graanoogst, de herfst is de tijd van de wijnoogst. Is nu iemand in de zomer reeds bezorgd om de wijnoogst, dan laat hij zich in beslag nemen door een overdreven zorg voor de toekomst. Zulke overdreven bezorgdheid verbiedt de Heer, waar Hij zegt: « Weest niet bezorgd voor de dag van morgen ». Daarom voegt Hij er aan toe: « De dag van morgen zal bezorgd zijn voor zichzelf ». d.w.z.: hij zal zijn eigen bezorgdheid meebrengen, die meer dan genoeg de ziel zal hinderen. En daarom zegt de Heer ook nog: « Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed », d.w.z. aan het onaangename der bezorgdheid.

Ad primum ergo dicendum quod formica habet sollicitudinem congruam tempori, et hoc nobis imitandum proponitur. (IIa-IIae q. 55 a. 7 ad 1)

1 — De mieren hebben bezorgdheid op het passende tijdstip. Dit wordt ons ter navolging voorgehouden.

Ad secundum dicendum quod ad prudentiam pertinet providentia debita futurorum. Esset autem inordinata futurorum providentia vel sollicitudo si quis temporalia, in quibus dicitur praeteritum et futurum, tanquam fines quaereret; vel si superflua quaereret ultra praesentis vitae necessitatem; vel si tempus sollicitudinis praeoccuparet. (IIa-IIae q. 55 a. 7 ad 2)

2 — Het is de taak der verstandigheid voorzieningen te treffen voor de toekomst, in de mate waarin men daartoe verplicht is. Maar deze voorzienigheid of bezorgdheid is onredelijk, als men het tijdelijke, waarbij sprake is van verleden en toekomst, zoekt als een laatste doel, ofwel wanneer men overvloedige goederen zoekt, buiten het noodzakelijke levensonderhoud, ofwel wanneer men bezorgd is vóór de tijd.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, cum viderimus aliquem servum Dei providere ne ista necessaria sibi desint, non iudicemus eum de crastino sollicitum esse. Nam et ipse dominus propter exemplum loculos habere dignatus est; et in actibus apostolorum scriptum est ea quae ad victum sunt necessaria procurata esse in futurum propter imminentem famem. Non ergo dominus improbat si quis humano more ista procuret, sed si quis propter ista militet Deo. (IIa-IIae q. 55 a. 7 ad 3)

3 — Augustinus zegt: « Wanneer wij een dienaar Gods bemerken, die vooruit ziet, opdat hem de noodzakelijkheden des levens niet zouden ontbreken, veroordelen wij hem niet wegens bezorgdheid voor de dag van morgen. Want ook de Heer verwaardigde zich een beurs te bezitten, om ons een voorbeeld te geven. En in de Handelingen der Apostelen staat geschreven, dat zij het noodzakelijke levensonderhoud verschaffen voor de toekomst, bij een dreigende hongersnood. De Heer keurt niet af dat men zich op menselijke wijze het noodzakelijke aanschaft; Hij keurt het echter wel af indien men zich daarom tegen God verzet ».

Articulus 8.
Vinden dergelijke ondeugden hun oorsprong in de gierigheid?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod huiusmodi vitia non oriantur ex avaritia. Quia sicut dictum est, per luxuriam maxime ratio patitur defectum in sua rectitudine. Sed huiusmodi vitia opponuntur rationi rectae, scilicet prudentiae. Ergo huiusmodi vitia maxime ex luxuria oriuntur, praesertim cum philosophus dicat, in VII Ethic., quod Venus est dolosa, et eius corrigia est varia, et quod ex insidiis agit incontinens concupiscentiae. (IIa-IIae q. 55 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat deze ondeugden hun oorsprong niet hebben in de gierigheid. Boven werd uiteengezet (53e Kw. 6e Art.) dat de goede werking van het verstand vooral belemmerd wordt door de onkuischheid. Maar de hier opgenoemde ondeugden zijn tegengesteld aan het juist oordeelend verstand of de verstandigheid. Daarom ontstaan zij voornamelijk uit de onkuischheid, vooral daar de Wijsgeer zegt dat « Venus listig is, en haar strikken menigvuldig » en « Wie zich niet beheerst in de begeerlijkheid valt in velerlei strikken ».

Praeterea, praedicta vitia habent quandam similitudinem prudentiae, ut dictum est. Sed ad prudentiam, cum sit in ratione, maiorem propinquitatem habere videntur vitia magis spiritualia, sicut superbia et inanis gloria. Ergo huiusmodi vitia magis videntur ex superbia oriri quam ex avaritia. (IIa-IIae q. 55 a. 8 arg. 2)

2 — De hier behandelde ondeugden vertonen een zekere gelijkenis met de verstandigheid, zoals gezegd is (3° Art. en 47° Kw. 13° Art.). Maar omdat de verstandigheid zetelt in het verstand, schijnen die ondeugden eerder verwant te zijn met geestelijke ondeugden, zoals de hoogmoed en de ijdele glorie. Daarom vinden deze ondeugden eerder hun oorsprong in de hoogmoed dan in de gierigheid.

Praeterea, homo insidiis utitur non solum in diripiendis bonis alienis, sed etiam in machinando aliorum caedes, quorum primum pertinet ad avaritiam, secundum ad iram. Sed insidiis uti pertinet ad astutiam, dolum et fraudem. Ergo praedicta vitia non solum oriuntur ex avaritia, sed etiam ex ira. (IIa-IIae q. 55 a. 8 arg. 3)

3 — De mens gebruikt niet alleen hinderlagen bij het roven van andermans goed, maar ook bij het bedrijven van moord. Het eerste behoort tot de gierigheid, het tweede tot de toorn. Maar hinderlagen leggen valt onder de sluwheid, listigheid en bedrieglijkheid. Dus ontstaan deze ondeugden niet alleen uit gierigheid, maar ook uit toorn.

Sed contra est quod Gregorius, XXXI Moral., ponit fraudem filiam avaritiae. (IIa-IIae q. 55 a. 8 s. c.)

Daartegenover echter staat dat Gregorius de bedrieglijkheid vermeldt onder de dochters van de gierigheid.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, prudentia carnis et astutia, cum dolo et fraude, quandam similitudinem habent cum prudentia in aliquali usu rationis. Praecipue autem inter alias virtutes morales usus rationis rectae apparet in iustitia, quae est in appetitu rationali. Et ideo usus rationis indebitus etiam maxime apparet in vitiis oppositis iustitiae. Opponitur autem sibi maxime avaritia. Et ideo praedicta vitia maxime ex avaritia oriuntur. (IIa-IIae q. 55 a. 8 co.)

Boven werd aangetoond (3° Art. en 47° Kw. 13° Art.) dat de verstandigheid des vleses en de sluwheid, de listigheid en de bedrieglijkheid, een zekere gelijkenis vertonen met de verstandigheid, door een gelijkaardig gebruik van het verstand. Maar onder alle andere deugden treedt het goede gebruik van het verstand vooral aan het licht in de rechtvaardigheid, die zetelt in het redelijk streefvermogen. En daarom komt het verkeerde gebruik van het verstand vooral aan de dag in de ondeugden, die tegengesteld zijn aan de rechtvaardigheid. Aan de rechtvaardigheid nu is het scherpst tegengesteld de hebzucht. En daarom vinden de hier besproken ondeugden vooral hun oorsprong in de hebzucht.

Ad primum ergo dicendum quod luxuria, propter vehementiam delectationis et concupiscentiae, totaliter opprimit rationem, ne prodeat in actum. In praedictis autem vitiis aliquis usus rationis est, licet inordinatus. Unde praedicta vitia non oriuntur directe ex luxuria. Quod autem philosophus Venerem dolosam appellat, hoc dicitur secundum quandam similitudinem, inquantum scilicet subito hominem surripit, sicut et in dolis agitur; non tamen per astutias, sed magis per violentiam concupiscentiae et delectationis. Unde et subdit quod Venus furatur intellectum multum sapientis. (IIa-IIae q. 55 a. 8 ad 1)

1 — Door de heftigheid der genieting en der begeerlijkheid, overweldigt de onkuischheid het verstand zo volkomen dat het niet in werking kan treden. In de hier genoemde ondeugden is er integendeel nog wel enig gebruik van het verstand aanwezig, al is het dan een verkeerd gebruik. Daarom ontstaan deze ondeugden niet rechtstreeks uit de onkuischheid. Wanneer de Wijsgeer Venus een listig noemt, dan zegt hij dit bij wijze van vergelijking, omdat zij plotseling de mens overvalt zoals dit bij een hinderlaag geschiedt, echter niet door sluwheid, maar eerder door de heftigheid van de begeerte en de genieting. Vandaar dat hij er aan toevoegt: « Venus ontsteelt de wijze veel verstand ».

Ad secundum dicendum quod ex insidiis agere ad quandam pusillanimitatem pertinere videtur, magnanimus enim in omnibus vult manifestus esse, ut philosophus dicit, in IV Ethic. Et ideo quia superbia quandam similitudinem magnanimitatis habet vel fingit, inde est quod non directe ex superbia huiusmodi vitia oriuntur, quae utuntur fraude et dolis. Magis autem hoc pertinet ad avaritiam, quae utilitatem quaerit, parvipendens excellentiam. (IIa-IIae q. 55 a. 8 ad 2)

2 — Een overval plegen vanuit een hinderlaag is een teken van een zekere kleinmoedigheid; de grootmoedige immers wil in alles openlijk handelen, zoals de Wijsgeer zegt. Daar nu de hoogmoed een zekere gelijkenis heeft of althans voorwendt, met de grootmoedigheid, volgt dat voornoemde ondeugden niet uit de hoogmoed ontstaan, daar zij met bedrog en list handelen. Eerder zijn zij verwant met de gierigheid, die alleen het nut zoekt, en aan grootheid weinig waarde hecht.

Ad tertium dicendum quod ira habet subitum motum, unde praecipitanter agit et absque consilio; quo utuntur praedicta vitia, licet inordinate. Quod autem aliqui insidiis utantur ad caedes aliorum, non provenit ex ira, sed magis ex odio, quia iracundus appetit esse manifestus in nocendo, ut dicit philosophus, in II Rhet. (IIa-IIae q. 55 a. 8 ad 3)

3 — Toorn heeft iets plotselings in zich, waarom hij overhaast en zonder overleg handelt. Voornoemde ondeugden gebruiken wél overleg, zij het dan op verkeerde wijze. Wanneer moordenaars hinderlagen leggen, komt dit niet voort uit toorn, maar uit haat. Want de toornige mens wil openlijk schade toebrengen, zoals de Wijsgeer zegt.