Deinde considerandum est de oratione. Et circa hoc quaeruntur decem et septem. Primo,
utrum oratio sit actus appetitivae virtutis vel cognitivae. Secundo, utrum conveniens
sit orare. Tertio, utrum oratio sit actus religionis. Quarto, utrum solus Deus sit
orandus. Quinto, utrum in oratione sit aliquid determinate petendum. Sexto, utrum
orando debeamus temporalia petere. Septimo, utrum pro aliis orare debeamus. Octavo,
utrum debeamus orare pro inimicis. Nono, de septem petitionibus orationis dominicae.
Decimo, utrum orare sit proprium rationalis creaturae. Undecimo, utrum sancti in patria
orent pro nobis. Duodecimo, utrum, oratio debeat esse vocalis. Tertiodecimo, utrum
attentio requiratur ad orationem. Quartodecimo, utrum oratio debeat esse diuturna.
Quintodecimo, utrum oratio sit efficax ad impetrandum quod petitur. Sextodecimo, utrum
sit meritoria. Septimodecimo, de speciebus orationis. (IIa-IIae q. 83 pr.)
Vervolgens moet het gebed worden besproken (zie 82e Kw. Inl.) , en daarover stellen
wij ons zeventien vragen: 1. Is het gebed een daad van een streefdeugd of van een
kendeugd ? 2. Is het gepast te bidden? 3. Is het gebed een daad van godsdienstigheid?
4. Moet men alleen tot God bidden? 5. Moet men in het gebed iets bepaalds vragen?
6. Moeten wij in het gebed om tijdelijke zaken vragen? 7. Moeten wij voor anderen
bidden? 8. Moeten wij voor onze vijanden bidden? 9. Over de zeven vragen van het Gebed
des Heeren. 10. Is bidden aan het redelijke schepsel eigen? 11. Bidden de Heiligen
in het hemels vaderland voor ons? 12. Moet het gebed met de mond worden uitgesproken?
13. Is aandacht voor het gebed vereist? 14. Moet het gebed lang duren? 15. Heeft het
gebed kracht om, wat gevraagd wordt, te verkrijgen? 16. Krijgen de zondaars, als zij
bidden, iets van God? 17. Over de soorten van gebed.
Articulus 1. Is het gebed een daad van een streefdeugd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod oratio sit actus appetitivae virtutis. Orationis
enim est exaudiri. Sed desiderium est quod exauditur a Deo, secundum illud Psalm.,
desiderium pauperum exaudivit dominus. Ergo oratio est desiderium. Sed desiderium
est actus appetitivae virtutis. Ergo et oratio. (IIa-IIae q. 83 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het gebed een daad van een streefdeugd is. Want het komt aan het
gebed toe verhoord te worden. Nu is het juist het verlangen, dat door God wordt verhoord
naar het psalmwoord: « Het verlangen van de armen verhoort de Heer » (Ps. 9. 38).
Het gebed is dus een verlangen. En het verlangen is een daad van een streefvermogen.
Dus ook het gebed.
Praeterea, Dionysius dicit, in III cap. de Div. Nom., ante omnia ab oratione incipere
est utile, sicut Deo nosipsos tradentes et unientes. Sed unio ad Deum per amorem fit,
qui pertinet ad vim appetitivam. Ergo oratio ad vim appetitivam pertinet. (IIa-IIae q. 83 a. 1 arg. 2)
2 — Dionysius zegt: « Het is nuttig alles met gebed te beginnen omdat we dan als 't ware
onszelf aan God geven en ons met Hem verenigen. » Nu geschiedt de vereniging met God
door de liefde, die tot het streefvermogen behoort. Dus komt bidden aan het streefvermogen
toe.
Praeterea, philosophus, in III de anima, ponit duas operationes intellectivae partis,
quarum prima est indivisibilium intelligentia, per quam scilicet apprehendimus de
unoquoque quid est; secunda vero est compositio et divisio, per quam scilicet apprehenditur
aliquid esse vel non esse. Quibus tertia additur ratiocinari, procedendo scilicet
de notis ad ignota. Sed oratio ad nullam istarum operationum reducitur. Ergo non est
actus intellectivae virtutis, sed appetitivae. (IIa-IIae q. 83 a. 1 arg. 3)
3 — De Wijsgeer zegt, dat het verstandelijke gedeelte in ons twee daden stelt; de eerste
hiervan is het begrijpen van de ondeelbare dingen, waardoor wij nl. van elk ding begrijpen
wat het is; de tweede is het samenvoegen en scheiden, waardoor nl. gekend wordt dat
iets is of niet is. Als derde wordt daaraan toegevoegd het redeneren, waardoor wij
nl. van het bekende naar het onbekende gaan. Nu kan bidden tot geen van deze daden
worden herleid. Dus is het geen daad van het begrijpend vermogen, maar van het streefvermogen.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro Etymol., quod orare idem est quod dicere.
Sed dictio pertinet ad intellectum. Ergo oratio non est actus appetitivae virtutis,
sed intellectivae. (IIa-IIae q. 83 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Isidorus zegt, dat "bidden hetzelfde is als spreien.
» Nu valt spreken onder het verstand. Dus is het gebed geen daad van een streefdeugd,
maar van een verstandsdeugd.
Respondeo dicendum quod, secundum Cassiodorum, oratio dicitur quasi oris ratio. Ratio
autem speculativa et practica in hoc differunt quod ratio speculativa est apprehensiva
solum rerum; ratio vero practica est non solum apprehensiva, sed etiam causativa.
Est autem aliquid alterius causa dupliciter. Uno quidem modo, perfecte, necessitatem
inducendo, et hoc contingit quando effectus totaliter subditur potestati causae. Alio
vero modo, imperfecte, solum disponendo, quando scilicet effectus non subditur totaliter
potestati causae. Sic igitur et ratio dupliciter est causa aliquorum. Uno quidem modo,
sicut necessitatem imponens, et hoc modo ad rationem pertinet imperare non solum inferioribus
potentiis et membris corporis, sed etiam hominibus subiectis, quod quidem fit imperando.
Alio modo, sicut inducens et quodammodo disponens, et hoc modo ratio petit aliquid
fieri ab his qui ei non subiiciuntur, sive sint aequales sive sint superiores. Utrumque
autem horum, scilicet imperare et petere sive deprecari, ordinationem quandam important,
prout scilicet homo disponit aliquid per aliud esse faciendum. Unde pertinent ad rationem,
cuius est ordinare, propter quod philosophus dicit, in I Ethic., quod ad optima deprecatur
ratio. Sic autem nunc loquimur de oratione, prout significat quandam deprecationem
vel petitionem, secundum quod Augustinus dicit, in libro de Verb. Dom., quod oratio
petitio quaedam est; et Damascenus dicit, in III libro, quod oratio est petitio decentium
a Deo. Sic ergo patet quod oratio de qua nunc loquimur, est rationis actus. (IIa-IIae q. 83 a. 1 co.)
Volgens Cassiodorus « spreekt men van gebed (oratio) als van rede van de mond (oris
ratio) ». Nu ligt het verschil tussen de beschouwende en de op het doen gerichte rede
hierin, dat de beschouwende alleen de dingen in zich opneemt, terwijl de op het doen
gerichte ze niet alleen waarneemt, maar ook veroorzaakt. Nu is iets op twee manieren
oorzaak van iets anders. En wel vooreerst volmaakt door het noodzakelijk te maken;
en dat gebeurt, als het gevolg geheel aan de macht van de oorzaak onderworpen is.
Op een andere manier onvolmaakt door alleen voor te bereiden, als nl. het gevolg niet
geheel en al aan de macht van de oorzaak onderworpen is. Zo ook is de rede op twee
manieren oorzaak van andere dingen. Ten eerste door ze noodzakelijk te maken; en zo
komt het aan de rede niet alleen toe over de lagere vermogens en de ledematen te heersen,
maar ook over onderworpen mensen; en dat gebeurt door het geven van bevelen. Op een
andere manier door aan te zetten en als het ware voor te bereiden; en zo vraagt de
rede aan wie haar niet onderworpen zijn, hetzij gelijken of meerderen, dat iets gebeuren
mag. Beide dingen echter, nl. bevelen en vragen of afsmeken sluiten een zekere ordening
in, in zover de mens regelt, dat iets door een ander geschiedt. Daarom vallen zij
onder het verstand, waaraan het ordenen toekomt; en daarom zegt de Wijsgeer, dat "de
rede tot het hoogste haar verzoek richt." In deze zin nu spreken wij over het gebed,
in zover het een verzoek of afsmeken betekent, naar wat Augustinus zegt, dat « het
gebed een verzoek is, » en Damascenus, dat "het gebed het vragen van gepaste dingen
aan God is. » Zo blijkt, dat het gebed, waarover wij nu spreken, een daad van de rede
is.
Ad primum ergo dicendum quod desiderium pauperum dicitur dominus exaudire, vel quia
desiderium est causa petendi, cum petitio sit quodammodo desiderii interpres. Vel
hoc dicitur ad ostendendum exauditionis velocitatem, quia scilicet dum adhuc aliquid
in desiderio pauperum est, Deus exaudit, antequam orationem proponant; secundum illud
Isaiae LXV, eritque, antequam clament, ego exaudiam. (IIa-IIae q. 83 a. 1 ad 1)
1 — Men zegt van God, dat Hij het verlangen van de armen verhoort, ofwel omdat verlangen
oorzaak van vragen is, daar het verzoek in zekeren zin de tolk van het verlangen is;
ofwel om te wijzen op de snelheid, waarmee het vervuld wordt, omdat nl. God verhoort,
terwijl iets nog maar in het verlangen van de armen bestaat, voordat zij het in het
gebed voorstellen, naar het woord van Isaias (65, 24): "En het zal zijn, dat eer zij
roepen, Ik verhoren zal. »
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, voluntas movet rationem ad suum
finem. Unde nihil prohibet, movente voluntate, actum rationis tendere in finem caritatis,
qui est Deo uniri. Tendit autem oratio in Deum quasi a voluntate caritatis mota, dupliciter.
Uno quidem modo, ex parte eius quod petitur, quia hoc praecipue est in oratione petendum,
ut Deo uniamur; secundum illud Psalm., unam petii a domino, hanc requiram, ut inhabitem
in domo domini omnibus diebus vitae meae. Alio modo, ex parte ipsius petentis, quem
oportet accedere ad eum a quo petit, vel loco, sicut ad hominem; vel mente, sicut
ad Deum. Unde dicit ibidem quod, quando orationibus invocamus Deum, revelata mente
adsumus ipsi. Et secundum hoc etiam Damascenus dicit quod oratio est ascensus intellectus
in Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 1 ad 2)
2 — Zoals vroeger (I. 82e Kw. 4e Art.; I-II. 9e Kw. 1e Art. 3e Antw.) is gezegd, beweegt
de wil het verstand naar zijn doel. Daarom is er niets tegen, dat onder beweging
van de wil een daad van het verstand zich op het doel van de liefde, nl. verenigd
te worden met God, richt. Maar het gebed, door de liefde in de wil bewogen, richt
zich op een dubbele manier op God. Vooreerst bezien van de kant van wat gevraagd wordt,
omdat wij dit vooral in het gebed moeten vragen, dat wij met God worden verenigd,
volgens het psalmwoord: "Om één ding heb ik God gesmeekt, en dat zal ik vragen, dat
ik al de dagen van mijn leven in het huis van de Heer mag wonen." (Ps. 26, 4). Vervolgens
echter, bezien van de kant van hem die vraagt: want deze nl. moet naderen tot hem,
aan wie hij iets vraagt; hetzij plaatselijk als het tot een mens, hetzij in de geest,
als het tot God is. Daarom zegt Dionysius op dezelfde plaats, dat « als wij God door
gebeden aanroepen, wij met open geest in Zijn tegenwoordigheid zijn. » En in deze
zin zegt Damascenus ook, dat "het gebed een opstijgen van het verstand tot God is.
»
Ad tertium dicendum quod illi tres actus pertinent ad rationem speculativam. Sed ulterius
ad rationem practicam pertinet causare aliquid per modum imperii vel per modum petitionis,
ut dictum est. (IIa-IIae q. 83 a. 1 ad 3)
3 — Deze drie daden vallen onder het beschouwende verstand. Maar verder behoort het nog
tot het op handelen gerichte verstand iets te veroorzaken door te bevelen of te vragen,
zoals (in de Leerst.) gezegd is.
Articulus 2. Is het gepast te bidden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit conveniens orare. Oratio enim videtur
esse necessaria ad hoc quod intimemus ei a quo petimus id quo indigemus. Sed, sicut
dicitur Matth. VI, scit pater vester quia his indigetis. Ergo non est conveniens Deum
orare. (IIa-IIae q. 83 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet gepast is te bidden. Want hiertoe schijnt bidden nodig te
zijn, om hem, aan wie wij iets vragen, bekend te maken, waaraan wij behoefte hebben.
Nu "weet uw Vader, dat gij dat nodig hebt,» zoals bij Mattheus (6, 32) wordt gezegd.
Dus is het niet gepast tot God te bidden.
Praeterea, per orationem flectitur animus eius qui oratur ut faciat quod ab eo petitur.
Sed animus Dei est immutabilis et inflexibilis, secundum illud I Reg. XV, porro triumphator
in Israel non parcet, nec poenitudine flectetur. Ergo non est conveniens quod Deum
oremus. (IIa-IIae q. 83 a. 2 arg. 2)
2 — Door het gebed wordt de ziel van hem tot wie gebeden wordt bewogen om te doen wat
van hem wordt gevraagd. Nu is Gods geest onveranderlijk en onbuigzaam naar het woord
uit het Eerste Boek der Koningen (15, 29) : « Ook zal de overwinnaar in Israël niet
sparen en niet door berouw bewogen worden. » Dus is het niet gepast, dat wij tot God
bidden.
Praeterea, liberalius est dare aliquid non petenti quam dare petenti, quia, sicut
Seneca dicit, nulla res carius emitur quam quae precibus empta est. Sed Deus est liberalissimus.
Ergo non videtur esse conveniens quod Deum oremus. (IIa-IIae q. 83 a. 2 arg. 3)
3 — Het is vrijgeviger iets te schenken aan wie niet vraagt dan aan wie vraagt, omdat
zoals Seneca zegt, « niets duurder wordt gekocht dan wat door gebeden wordt gekocht.
» Nu is God in de hoogste maat vrijgevig. Dus schijnt het niet gepast, dat wij tot
God bidden.
Sed contra est quod dicitur Luc. XVIII, oportet orare, et non deficere. (IIa-IIae q. 83 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (18, 1) wordt gezegd: « Men moet bidden en
niet ophouden. »
Respondeo dicendum quod triplex fuit circa orationem antiquorum error. Quidam enim
posuerunt quod res humanae non reguntur divina providentia. Ex quo sequitur quod vanum
sit orare, et omnino Deum colere. Et de his dicitur Malach. III, dixistis, vanus est
qui servit Deo. Secunda fuit opinio ponentium omnia, etiam in rebus humanis, ex necessitate
contingere, sive ex immutabilitate divinae providentiae, sive ex necessitate stellarum,
sive ex connexione causarum. Et secundum hos etiam excluditur orationis utilitas.
Tertia fuit opinio ponentium quidem res humanas divina providentia regi, et quod res
humanae non proveniunt ex necessitate, sed dicebant similiter dispositionem divinae
providentiae variabilem esse, et quod orationibus et aliis quae ad divinum cultum
pertinent dispositio divinae providentiae immutatur. Haec autem omnia in primo libro
improbata sunt. Et ideo oportet sic inducere orationis utilitatem ut neque rebus humanis,
divinae providentiae subiectis, necessitatem imponamus; neque etiam divinam dispositionem
mutabilem aestimemus. Ad huius ergo evidentiam, considerandum est quod ex divina providentia
non solum disponitur qui effectus fiant, sed etiam ex quibus causis et quo ordine
proveniant. Inter alias autem causas sunt etiam quorundam causae actus humani. Unde
oportet homines agere aliqua, non ut per suos actus divinam dispositionem immutent,
sed ut per actus suos impleant quosdam effectus secundum ordinem a Deo dispositum.
Et idem etiam est in naturalibus causis. Et simile est etiam de oratione. Non enim
propter hoc oramus ut divinam dispositionem immutemus, sed ut id impetremus quod Deus
disposuit per orationes sanctorum esse implendum; ut scilicet homines postulando mereantur
accipere quod eis omnipotens Deus ante saecula disposuit donare, ut Gregorius dicit,
in libro dialogorum. (IIa-IIae q. 83 a. 2 co.)
Bij de ouden bestond er een drievoudige dwaling over het gebed. Sommigen nl. beweerden,
dat het leven van de mensen niet door Gods voorzienigheid wordt bestuurd. Daaruit
volgt, dat bidden en in het algemeen God dienen nutteloos is. En van hen zegt Malachias
(3, 14) : "Dwaas is hij, die God dient, hebt gij gezegd. » Daarnaast bestond de mening
van hen, die beweerden, dat alles, ook wat de mens doet, noodzakelijkerwijze gebeurt,
hetzij om de onveranderlijkheid van de goddelijke voorzienigheid, hetzij om de noodzakelijk
werkenden invloed van de sterren, hetzij om de samenhang tussen de oorzaken. En ook
voor hen is nut van het gebed uitgesloten. De derde mening is die van hen, die wel
hielden, dat wat met de mensen gebeurt door Gods voorzienigheid wordt geleid en niet
alles met de mensen noodzakelijkerwijs geschiedt, maar die daarbij zeiden, dat de
regeling van de goddelijke voorzienigheid veranderd kan worden, en dat de beschikking
van de goddelijke voorzienigheid door gebeden en wat verder tot de godsverering behoort
gewijzigd wordt. — Al deze meningen zijn echter in het Eerste Deel (22e Kw. 2e en
4e Art.; 115e Kw. 6e Art.; 116e Kw. 3e Art.) weerlegd. En daarom moeten wij het nut
van het gebed zo vaststellen, dat wij geen noodzakelijk gebeuren toekennen aan wat
met de mensen geschiedt en wat aan de goddelijke voorzienigheid onderworpen is, en
evenmin menen, dat de goddelijke beschikking veranderd kan worden. Om dit duidelijk
in te zien, moet men bedenken, dat door de goddelijke voorzienigheid niet alleen wordt
vastgesteld, welke gevolgen er moeten plaats hebben, maar ook uit welke oorzaken en
in welke orde zij moeten voortkomen. Tussen de andere oorzaken nu zijn ook de menselijke
handelingen oorzaken van iets. Daarom moeten de mensen iets doen, niet om door hun
handelingen de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om door hun handelingen
gevolgen teweeg te brengen naar de door God vastgestelde orde. En het zelfde geldt
ook voor de natuurlijk werkende oorzaken. En evenzo is het met het gebed. Want wij
bidden niet met het doel de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om dat te
verkrijgen, waarvan God heeft vastgesteld, dat het door de gebeden der Heiligen zou
geschieden, dat nl. "de mensen door gebeden verdienen te verkrijgen, wat de almachtige
God voor de eeuwen vaststelde te zullen geven, » zoals Gregorius zegt.
Ad primum ergo dicendum quod non est necessarium nos Deo preces porrigere ut ei nostras
indigentias vel desideria manifestemus, sed ut nosipsi consideremus in his ad divinum
auxilium esse recurrendum. (IIa-IIae q. 83 a. 2 ad 1)
1 — Het is niet nodig onze gebeden tot God te richten om Hem onze noden of verlangens
bekend te maken, maar om zelf te bedenken, dat wij in deze dingen tot Gods hulp onze
toevlucht moeten nemen.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, oratio nostra non ordinatur ad immutationem
divinae dispositionis, sed ut obtineatur nostris precibus quod Deus disposuit. (IIa-IIae q. 83 a. 2 ad 2)
2 — Zoals (in de Leerst.) werd gezegd, heeft ons gebed niet tot doel Gods beschikkingen
te veranderen, maar om door onze gebeden te verkrijgen wat God heeft vastgesteld.
Ad tertium dicendum quod Deus multa nobis praestat ex sua liberalitate etiam non petita.
Sed quod aliqua vult praestare nobis petentibus, hoc est propter nostram utilitatem,
ut scilicet fiduciam quandam accipiamus recurrendi ad Deum, et ut recognoscamus eum
esse bonorum nostrorum auctorem. Unde Chrysostomus dicit, considera quanta est tibi
concessa felicitas, quanta gloria attributa, orationibus fabulari cum Deo, cum Christo
miscere colloquia, optare quod velis, quod desideras postulare. (IIa-IIae q. 83 a. 2 ad 3)
3 — Door Zijn vrijgevigheid geeft God ons veel dingen, waarom wij niet hebben gevraagd.
Maar dat Hij ons sommige dingen op ons gebed wil geven, strekt tot ons eigen nut,
dat wij nl. vertrouwen krijgen om onze toevlucht tot God te nemen en erkennen, dat
Hij de oorzaak is van wat goed voor ons is. Daarom zegt Chrysostomus: « Bedenk welk
een geluk U is ten deel gevallen en welk een eer U is geschonken: in het gebed met
God te spreken, U met Christus te onderhouden, te wensen, wat gij wilt, te vragen,
wat gij verlangt. »
Articulus 3. Is bidden een daad van godsdienstigheid?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod oratio non sit actus religionis. Religio enim,
cum sit pars iustitiae, est in voluntate sicut in subiecto. Sed oratio pertinet ad
partem intellectivam, ut ex supradictis patet. Ergo oratio non videtur esse actus
religionis, sed doni intellectus, per quod mens ascendit in Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat bidden geen daad van godsdienstigheid is. Want de godsdienstigheid
bevindt zich als een deel der rechtvaardigheid in de wil als in haar drager. Maar
het gebed valt, zoals boven gezegd is (1e Art.), onder het redelijke kenvermogen.
Daarom schijnt het gebed geen daad van godsdienstigheid te zijn, maar van de gave
van inzicht, waardoor de geest opstijgt naar God.
Praeterea, actus latriae cadit sub necessitate praecepti. Sed oratio non videtur cadere
sub necessitate praecepti, sed ex mera voluntate procedere, cum nihil aliud sit quam
volitorum petitio. Ergo oratio non videtur esse religionis actus. (IIa-IIae q. 83 a. 3 arg. 2)
2 — Daden van godsverering zijn krachtens een gebod noodzakelijk. Bidden echter schijnt
niet krachtens een gebod noodzakelijk te zijn, maar zuiver uit de wil voort te komen,
omdat het niets anders is dan vragen wat men wil. Dus schijnt bidden geen daad van
godsdienstigheid te zijn.
Praeterea, ad religionem pertinere videtur ut quis divinae naturae cultum caeremoniamque
afferat. Sed oratio non videtur aliquid Deo afferre, sed magis aliquid obtinendum
ab eo petere. Ergo oratio non est religionis actus. (IIa-IIae q. 83 a. 3 arg. 3)
3 — Tot de godsdienstigheid schijnt het te behoren, dat iemand "aan de goddelijke natuur
door plechtigheden hulde brengt » (Tullius). Bidden schijnt echter niet iets aan God
te geven, maar eerder te vragen om iets van Hem te verkrijgen. Dus is het geen daad
van godsdienstigheid.
Sed contra est quod dicitur in Psalm., dirigatur oratio mea sicut incensum in conspectu
tuo, ubi dicit Glossa quod in huius figuram, in veteri lege incensum dicebatur offerri
in odorem suavem domino. Sed hoc pertinet ad religionem. Ergo oratio est religionis
actus. (IIa-IIae q. 83 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Psalmen (140, 2) wordt gezegd: « Moge
mijn gebed als wierook voor Uw aanschijn opstijgen, » waar de Glossa aan toevoegt,
dat "men als een beeld hiervan onder de Oude Wet zei, dat wierook werd opgedragen
als een aangename geur voor God. » Maar dat valt onder de godsdienstigheid. Dus is
bidden een daad van godsdienstigheid.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, ad religionem proprie pertinet reverentiam
et honorem Deo exhibere. Et ideo omnia illa per quae Deo reverentia exhibetur pertinent
ad religionem. Per orationem autem homo Deo reverentiam exhibet, inquantum scilicet
se ei subiicit, et profitetur orando se eo indigere sicut auctore suorum bonorum.
Unde manifestum est quod oratio est proprie religionis actus. (IIa-IIae q. 83 a. 3 co.)
Zoals vroeger (81e Kw. 2e en 4e Art.) is gezegd, behoort het eigenlijk tot de godsdienstigheid,
aan God eerbied en eerbewijzen aan te bieden. En daarom valt alles, waardoor God eerbied
wordt bewezen, onder de godsdienstigheid. Nu toont de mens door het gebed eerbied
aan God, in zover hij zichzelf aan God onderwerpt en door het gebed verklaart Hem
nodig te hebben als de oorzaak van wat goed voor hem is. Het is dus duidelijk, dat
het gebed eigenlijk een daad van godsdienstigheid is.
Ad primum ergo dicendum quod voluntas movet alias potentias animae in suum finem,
sicut supra dictum est. Et ideo religio, quae est in voluntate, ordinat actus aliarum
potentiarum ad Dei reverentiam. Inter alias autem potentias animae, intellectus altior
est et voluntati propinquior. Et ideo post devotionem, quae pertinet ad ipsam voluntatem,
oratio, quae pertinet ad partem intellectivam, est praecipua inter actus religionis,
per quam religio intellectum hominis movet in Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 3 ad 1)
1 — De wil beweegt de andere zielsvermogens naar zijn doel, zoals boven (82e Kw. 1e Art.
10 Antw.) is gezegd. En daarom richt de godsdienstigheid, die zich in de wil bevindt,
de daden van andere vermogens op het eren van God. Nu is onder de andere zielsvermogens
het verstand meer verheven en staat dichter bij de wil. Daarom is na de toewijding,
die in de wil zelf ligt, het gebed, dat tot het verstandelijk deel behoort, de voornaamste
daad van godsdienstigheid, omdat daardoor de godsdienstigheid het verstand van de
mens naar God toe beweegt.
Ad secundum dicendum quod non solum petere quae desideramus, sed etiam recte aliquid
desiderare sub praecepto cadit. Sed desiderare quidem cadit sub praecepto caritatis,
petere autem sub praecepto religionis. Quod quidem praeceptum ponitur Matth. VII,
ubi dicitur, petite, et accipietis. (IIa-IIae q. 83 a. 3 ad 2)
2 — Niet alleen valt vragen, wat wij verlangen, maar ook iets op de juiste manier verlangen
onder een gebod. Verlangen echter valt onder het gebod van de liefde, maar vragen
onder het gebod van de godsdienstigheid. En dat gebod vinden wij bij Mattheus (7,
7) waar gezegd wordt: « Vraagt en gij zult verkrijgen."
Ad tertium dicendum quod orando tradit homo mentem suam Deo, quam ei per reverentiam
subiicit et quodammodo praesentat, ut patet ex auctoritate Dionysii prius inducta.
Et ideo sicut mens humana praeeminet exterioribus vel corporalibus membris, vel exterioribus
rebus quae ad Dei servitium applicantur, ita etiam oratio praeeminet aliis actibus
religionis. (IIa-IIae q. 83 a. 3 ad 3)
3 — Al biddende geeft de mens zijn geest aan God, daar hij die dan aan Hem door eerbiedigheid
onderwerpt en in zekeren zin aanbiedt, zoals uit de vroeger aangehaalde tekst van
Dionysius blijkt (vgl. 1e Art. 2e Antw.). Zoals dus de menselijke geest uitsteekt
boven wat uitwendig is, hetzij ledematen, of uiterlijke zaken, die voor het dienen
van God worden gebruikt, zo overtreft ook het gebed de andere daden van godsdienstigheid.
Articulus 4. Moet men alleen tot God bidden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod solus Deus debeat orari. Oratio enim est actus
religionis, ut dictum est. Sed solus Deus est religione colendus. Ergo solus Deus
est orandus. (IIa-IIae q. 83 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men alleen tot God moet bidden. Want bidden is, zoals werd gezegd
(vorig Art.), een daad van godsdienstigheid. Nu moet alleen God met godsdienstigheid
worden geëerd. Dus moet men alleen tot God bidden.
Praeterea, frustra porrigitur oratio ad eum qui orationem non cognoscit. Sed solius
Dei est orationem cognoscere. Tum quia plerumque oratio magis agitur interiori actu,
quem solus Deus cognoscit, quam voce, secundum illud quod apostolus dicit, I ad Cor.
XIV, orabo spiritu, orabo et mente. Tum etiam quia, ut Augustinus dicit, in libro
de cura pro mortuis agenda, nesciunt mortui, etiam sancti, quid agant vivi, etiam
eorum filii. Ergo oratio non est nisi Deo porrigenda. (IIa-IIae q. 83 a. 4 arg. 2)
2 — Doelloos is het, het gebed tot iemand te richten, die niet weet, dat er gebeden wordt.
Nu kan God alleen het gebed kennen, zowel omdat het meer door een inwendige daad,
die God alleen kent, dan met de mond gebeurt, naar het woord van de Apostel in de
Eerste Brief aan de Korinthiërs (14, 15) : "Bidden zal ik door de geest, maar bidden
ook met mijn verstand »; alsook omdat naar het woord van Augustinus « de doden en
zelfs de heiligen niet weten, wat de mensen, zelfs hun zonen, doen. » Dus moet het
gebed alleen tot God worden gericht.
Praeterea, si aliquibus sanctis orationem porrigimus, hoc non est nisi inquantum sunt
Deo coniuncti. Sed quidam in hoc mundo viventes, vel etiam in Purgatorio existentes,
sunt multum Deo coniuncti per gratiam. Ad eos autem non porrigitur oratio. Ergo nec
ad sanctos qui sunt in Paradiso debemus orationem porrigere. (IIa-IIae q. 83 a. 4 arg. 3)
3 — Als wij ons gebed tot heiligen richten, dan is dat alleen in zover zij met God verenigd
zijn. Sommigen van hen echter, die op aarde leven of in het vagevuur zijn, zijn door
de genade innig met God verenigd. Toch worden tot hen geen gebeden gericht. Dus moeten
wij ook geen gebeden richten tot de heiligen in het paradijs.
Sed contra est quod dicitur Iob V, voca, si est qui tibi respondeat, et ad aliquem
sanctorum convertere. (IIa-IIae q. 83 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek Job (5, 1) wordt gezegd: « Roep, of er iemand
is, die u antwoordt, en richt u tot een van de heiligen. »
Respondeo dicendum quod oratio porrigitur alicui dupliciter, uno modo, quasi per ipsum
implenda; alio modo, sicut per ipsum impetranda. Primo quidem modo soli Deo orationem
porrigimus, quia omnes orationes nostrae ordinari debent ad gratiam et gloriam consequendam,
quae solus Deus dat, secundum illud Psalm., gratiam et gloriam dabit dominus. Sed
secundo modo orationem porrigimus sanctis Angelis et hominibus, non ut per eos Deus
nostras petitiones cognoscat, sed ut eorum precibus et meritis orationes nostrae sortiantur
effectum. Et ideo dicitur Apoc. VIII quod ascendit fumus aromatum, idest orationes
sanctorum, de manu Angeli coram domino. Et hoc etiam patet ex ipso modo quo Ecclesia
utitur in orando. Nam a sancta Trinitate petimus ut nostri misereatur, ab aliis autem
sanctis quibuscumque petimus ut orent pro nobis. (IIa-IIae q. 83 a. 4 co.)
Op twee manieren wordt een gebed tot iemand gericht, vooreerst als iets, wat hij vervullen,
en ten tweede als iets, wat hij verkrijgen moet. En nu richten wij alleen tot God
op de eerste manier onze gebeden, omdat al onze gebeden erop gericht moeten zijn om
de genade en de glorie te verkrijgen, die God alleen volgens het psalmwoord geeft:
« Genade en glorie zal de Heer geven » (Ps. 83, 12). Maar op de tweede manier richten
wij onze gebeden tot de heilige engelen en mensen, niet opdat God door hen onze gebeden
mag kennen, maar opdat onze gebeden door hun tussenkomst en verdiensten iets mogen
uitwerken. En daarom wordt er in het Boek der Openbaring (8, 4) gezegd: "De walm van
de reukwerken, d. w. z. de gebeden der heiligen, steeg uit de hand van de Engel voor
de Heer op." En dat blijkt ook uit de wijze waarop de Kerk bidt. Want aan de H. Drievuldigheid
vragen wij, dat zij Zich over ons ontfermt, maar aan alle andere heiligen, dat zij
voor ons bidden.
Ad primum ergo dicendum quod illi soli impendimus orando religionis cultum a quo quaerimus
obtinere quod oramus, quia in hoc protestamur eum bonorum nostrorum auctorem, non
autem eis quos requirimus quasi interpellatores nostros apud Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 4 ad 1)
1 — Bij het gebed brengen wij de verering van de godsdienstigheid alleen aan Hem, van
wie wij vragen te verkrijgen wat wij bidden, omdat wij daarmee belijden, dat Hij de
voortbrenger is van wat goed voor ons is; maar niet aan hen, aan wie wij iets vragen
als onze voorsprekers bij God.
Ad secundum dicendum quod mortui ea quae in hoc mundo aguntur, considerata eorum naturali
conditione, non cognoscunt, et praecipue interiores motus cordis. Sed beatis, ut Gregorius
dicit, in XII Moral., in verbo manifestatur illud quod decet eos cognoscere de eis
quae circa nos aguntur, etiam quantum ad interiores motus cordis. Maxime autem eorum
excellentiam decet ut cognoscant petitiones ad eos factas vel voce vel corde. Et ideo
petitiones quas ad eos dirigimus, Deo manifestante, cognoscunt. (IIa-IIae q. 83 a. 4 ad 2)
2 — Gezien de aard van hun natuurlijke toestand weten de doden niet, wat hier op aarde
geschiedt, en vooral kennen zij de innerlijke bewegingen van het hart niet. Maar,
zoals Gregorius zegt, wordt aan de zaligen in het Woord, van alles, wat er met ons
gebeurt, óók met betrekking tot de inwendige bewegingen des harten, getoond wat passend
is dat zij weten. Nu past het vooral bij hun verhevenheid, dat zij de met mond of
hart tot hen gerichte gebeden kennen. En daarom kennen zij, omdat God het hun bekend
maakt, de gebeden, die wij tot hen richten.
Ad tertium dicendum quod illi qui sunt in hoc mundo aut in Purgatorio, nondum fruuntur
visione verbi, ut possint cognoscere ea quae nos cogitamus vel dicimus. Et ideo eorum
suffragia non imploramus orando, sed a vivis petimus colloquendo. (IIa-IIae q. 83 a. 4 ad 3)
3 — Zij, die nog in deze wereld of in het vagevuur zijn, genieten nog niet de aanschouwing
van het Woord, zodat zij zouden kunnen weten, wat wij denken of zeggen. En daarom
vragen wij hun voorspraak niet door het gebed, maar van de levenden vragen wij iets
in een gesprek.
Articulus 5. Moeten wij in het gebed iets bepaalds vragen aan God?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod in oratione nihil determinate a Deo petere
debeamus. Quia, ut Damascenus dicit, oratio est petitio decentium a Deo. Unde inefficax
est oratio per quam petitur id quod non expedit, secundum illud Iac. IV, petitis et
non accipitis, eo quod male petatis. Sed sicut dicitur Rom. VIII. Nam quid oremus
sicut oportet, nescimus. Ergo non debemus aliquid orando determinate petere. (IIa-IIae q. 83 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat wij in het gebed niets bepaalds aan God moeten vragen. Want het gebed
is, zoals Damascenus zegt, « het vragen van gepaste dingen aan God.» Daarom is het
gebed, waarmee wij vragen, wat niet goed voor ons is, zonder kracht, naar het woord
van Jacobus: « Gij hebt gevraagd en niet verkregen, omdat gij verkeerd hebt gevraagd
» (Jac. 4, 3). Maar, zo staat er in de Brief aan de Romeinen (8, 26) : « Wij weten
niet, wat wij behoren te vragen. » Dus moeten wij in het gebed niet iets bepaalds
vragen.
Praeterea, quicumque aliquid determinate ab alio petit, nititur voluntatem ipsius
inclinare ad faciendum id quod ipse vult. Non autem ad hoc tendere debemus ut Deus
velit quod nos volumus, sed magis ut nos velimus quod Deus vult, ut dicit Glossa,
super illud Psalm., exultate, iusti, in domino. Ergo non debemus aliquid determinatum
a Deo petere. (IIa-IIae q. 83 a. 5 arg. 2)
2 — Wie iets bepaalds van een ander vraagt, tracht diens wil over te halen om te doen,
wat hij zelf wil. Nu mogen wij er niet naar streven, dat God zou willen, wat wij willen,
maar eerder, dat wij zullen willen, wat God wil, zoals de Glossa zegt bij het psalmwoord:
« Verheugt u, rechtvaardigen, in de Heer » (Ps. 32, 1). Dus moeten wij niet iets bepaalds
van God vragen.
Praeterea, mala a Deo petenda non sunt, ad bona autem Deus ipse nos invitat. Frustra
autem ab aliquo petitur ad quod accipiendum invitatur. Ergo non est determinate aliquid
a Deo in oratione petendum. (IIa-IIae q. 83 a. 5 arg. 3)
3 — Het kwaad moeten wij aan God niet vragen, en tot het goede nodigt God zelf ons uit.
Nu heeft het geen zin aan iemand datgene te vragen, waartoe men wordt uitgenodigd
om te ontvangen. Dus moet men in het gebed niet iets bepaalds aan God vragen.
Sed contra est quod dominus, Matth. VI et Luc. XI, docuit discipulos determinate petere
ea quae continentur in petitionibus orationis dominicae. (IIa-IIae q. 83 a. 5 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Mattheus (6, 9) en Lucas (11, 2) de leerlingen
bepaald datgene leerde vragen, wat in de vragen van het Gebed des Heeren vervat is.
Respondeo dicendum quod, sicut maximus Valerius refert, Socrates nihil ultra petendum
a diis immortalibus arbitrabatur quam ut bona tribuerent, quia hi demum scirent quid
unicuique esset utile; nos autem plerumque id votis expetere quod non impetrasse melius
foret. Quae quidem sententia aliqualiter vera est, quantum ad illa quae possunt malum
eventum habere, quibus etiam homo potest male et bene uti, sicut divitiae, quae, ut
ibidem dicitur, multis exitio fuere; honores, qui complures pessumdederunt; regna,
quorum exitus saepe miserabiles cernuntur; splendida coniugia, quae nonnunquam funditus
domos evertunt. Sunt tamen quaedam bona quibus homo male uti non potest, quae scilicet
malum eventum habere non possunt. Haec autem sunt quibus beatificamur et quibus beatitudinem
meremur. Quae quidem sancti orando absolute petunt, secundum illud, ostende faciem
tuam, et salvi erimus; et iterum, deduc me in semitam mandatorum tuorum. (IIa-IIae q. 83 a. 5 co.)
Zoals Maximus Valerius verhaalt, "meende Socrates, dat men van de onsterfelijke goden
niets anders moest vragen, dan dat zij wat goed is zouden geven; omdat zij ten slotte
weten, wat voor iedereen nuttig is; terwijl wij gewoonlijk in onze gebeden datgene
vragen, waarvan het beter is, dat wij het niet krijgen. » Deze mening is tot op zekere
hoogte waar wat de dingen betreft, die verkeerde gevolgen kunnen hebben en die de
mens ook goed en verkeerd kan gebruiken, als « rijkdommen, die » zoals daar wordt
gezegd, « velen tot ondergang hebben gestrekt; eerbewijzen, die zeer velen deden ten
onder gaan; koninkrijken, waarvan wij dikwijls de treurige ondergang zien; prachtige
huwelijken, die soms huizen geheel verwoest hebben. » Maar er zijn sommige goede dingen,
die de mens niet verkeerd kan gebruiken, die nl. geen verkeerde gevolgen kunnen hebben.
Dat zijn de dingen, waardoor wij zalig worden en waardoor wij de zaligheid verdienen.
E.n dat vragen de heiligen in hun gebed onvoorwaardelijk naar het psalmwoord: « Toon
Uw aangezicht en wij zullen gered zijn; » (Ps. 79, 4) en ook: « Leidt mij op de weg
van Uw geboden. » (118, 35)
Ad primum ergo dicendum quod licet homo ex se scire non possit quid orare debeat,
spiritus tamen, ut ibidem dicitur, in hoc adiuvat infirmitatem nostram quod, inspirando
nobis sancta desideria, recte postulare nos facit. Unde dominus dicit, Ioan. IV, quod
veros adoratores adorare oportet in spiritu et veritate. (IIa-IIae q. 83 a. 5 ad 1)
1 — Al kan de mens uit zichzelf niet weten, waarom hij bidden moet, dan « helpt toch de
Geest, » zoals op de aangehaalde plaats gezegd wordt, hierin "onze zwakheid, » doordat
Hij door ons heilige verlangens in te geven, ons op de goede manier laat vragen. Daarom
zegt de Heer bij Joannes (4, 23), dat « ware aanbidders in Geest en waarheid moeten
aanbidden. »
Ad secundum dicendum quod cum orando petimus aliqua quae pertinent ad nostram salutem,
conformamus voluntatem nostram voluntati Dei, de quo dicitur, I ad Tim. II, quod vult
omnes homines salvos fieri. (IIa-IIae q. 83 a. 5 ad 2)
2 — Als wij in het gebed iets vragen, dat tot onze zaligheid strekt, maken wij onze wil
aan die van God gelijk, waarvan in de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 4) wordt gezegd,
dat "Hij wil, dat alle mensen zalig worden. »
Ad tertium dicendum quod sic ad bona Deus nos invitat quod ad ea non passibus corporis,
sed piis desideriis et devotis orationibus accedamus. (IIa-IIae q. 83 a. 5 ad 3)
3 — God nodigt ons op zo'n wijze tot het goede uit, dat wij er niet met schreden van het
lichaam, maar met vrome verlangens en toegewijde gebeden toe moeten naderen.
Articulus 6. Moet de mens in het gebed tijdelijke zaken aan God vragen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod homo non debeat temporalia petere a Deo orando.
Quae enim orando petimus, quaerimus. Sed temporalia non debemus quaerere, dicitur
enim Matth. VI, primum quaerite regnum Dei et iustitiam eius, et haec omnia adiicientur
vobis, scilicet temporalia; quae non quaerenda dicit, sed adiicienda quaesitis. Ergo
temporalia non sunt in oratione a Deo petenda. (IIa-IIae q. 83 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de mens in het gebed geen tijdelijke dingen aan God moet wagen. Want
wat wij in het gebed vragen, trachten wij te krijgen. Nu mogen wij het tijdelijke
niet nastreven, omdat bij Mattheus (6, 33) gezegd wordt: « Zoekt eerst het Rijk Gods
en zijn gerechtigheid en dit alles zal u worden toegeworpen, » nl. het tijdelijke,
waarvan hij niet zegt, dat het nagestreefd moet worden, maar dat het toegeworpen zal
worden bij wat gevraagd wordt. Dus moet men in het gebed God niet om tijdelijke dingen
vragen.
Praeterea, nullus petit nisi ea de quibus est sollicitus. Sed de temporalibus sollicitudinem
habere non debemus, secundum quod dicitur Matth. VI, nolite solliciti esse animae
vestrae, quid manducetis. Ergo temporalia petere orando non debemus. (IIa-IIae q. 83 a. 6 arg. 2)
2 — Niemand vraagt, tenzij datgene, waarover hij zich zorgen maakt. Nu mogen wij ons om
de tijdelijke dingen geen zorg maken naar het woord van Mattheus (6, 25) : « Wees
niet bekommerd voor uw leven, wat gij zult eten. » Dus moeten wij in het gebed niet
om tijdelijke zaken vragen.
Praeterea, per orationem nostram mens debet elevari in Deum. Sed petendo temporalia
descendit ad ea quae infra se sunt, contra id quod apostolus dicebat, II ad Cor. IV,
non contemplantibus nobis quae videntur, sed quae non videntur, quae enim videntur,
temporalia sunt; quae autem non videntur, aeterna. Ergo non debet homo temporalia
in oratione a Deo petere. (IIa-IIae q. 83 a. 6 arg. 3)
3 — Door ons gebed moet de geest zich verheffen tot God. Als wij echter tijdelijke dingen
vragen, daalt hij naar het lagere af, tegen het woord in van de Apostel in de Tweede
Brief aan de Korinthiërs (4, 18) : « Wij geven geen acht op het zichtbare, maar op
het onzichtbare; want het zichtbare is lijdelijk, het onzichtbare eeuwig. » Dus moet
de mens in het gebed niet om tijdelijke dingen vragen.
Praeterea, homo non debet petere a Deo nisi bona et utilia. Sed quandoque temporalia
habita sunt nociva, non solum spiritualiter, sed etiam temporaliter. Ergo non sunt
a Deo in oratione petenda. (IIa-IIae q. 83 a. 6 arg. 4)
4 — De mens moet van God alleen nuttige en goede dingen vragen. Maar soms is het bezit
van tijdelijke goederen schadelijk, niet alleen voor de geest, maar ook naar het tijdelijke.
Dus moet men er in het gebed God niet om vragen.
Sed contra est quod dicitur Prov. XXX, tribue tantum victui meo necessaria. (IIa-IIae q. 83 a. 6 s. c.)
Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek der Spreuken (30, 8) : "Geef mij alleen
wat voor mijn leven nodig is. »
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Probam, de orando Deum, hoc licet
orare quod licet desiderare. Temporalia autem licet desiderare, non quidem principaliter,
ut in eis finem constituamus; sed sicut quaedam adminicula quibus adiuvamur ad tendendum
in beatitudinem, inquantum scilicet per ea vita corporalis sustentatur, et inquantum
nobis organice deserviunt ad actus virtutum, ut etiam philosophus dicit, in I Ethic.
Et ideo pro temporalibus licet orare. Et hoc est quod Augustinus dicit, ad Probam,
sufficientiam vitae non indecenter vult quisquis eam vult et non amplius. Quae quidem
non appetitur propter seipsam, sed propter salutem corporis et congruentem habitum
personae hominis, ut non sit inconveniens eis cum quibus vivendum est. Ista ergo,
cum habentur, ut teneantur; cum non habentur, ut habeantur, orandum est. (IIa-IIae q. 83 a. 6 co.)
Zoals Augustinus zegt, « mag men vragen, wat men verlangen mag. » Nu mag men naar
tijdelijke dingen verlangen, niet als naar het voornaamste, waarin wij ons doel stellen,
maar als hulpmiddelen om naar de zaligheid te streven, in zover het leven van het
lichaam erdoor onderhouden wordt en in zover zij ons als werktuigen dienen voor daden
van deugd, zoals ook de Wijsgeer zegt. En daarom mag men om tijdelijke zaken bidden.
Dat is het ook, wat Augustinus zegt: « Wie verlangt naar wat volstaat om te kunnen
leven en niet naar meer, verlangt niets ongepasts. Dat nl. wordt niet om zichzelf
begeerd, maar tot instandhouding van het lichaam en van de stand, die bij de persoon
van iemand past, zodat men hun, met wie men leeft, niet tot last is. Men moet dus
bidden om dit te behouden, als men het heeft en te krijgen, als men het niet heeft.»
Ad primum ergo dicendum quod temporalia non sunt quaerenda principaliter, sed secundario.
Unde Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, cum dixit, illud primo quaerendum
est, scilicet regnum Dei, significavit quia hoc, scilicet temporale bonum, posterius
quaerendum est, non tempore, sed dignitate, illud tanquam bonum nostrum, hoc tanquam
necessarium nostrum. (IIa-IIae q. 83 a. 6 ad 1)
1 — Het tijdelijke moet men niet als het voornaamste zoeken, maar als wat op de tweede
plaats komt. Daarom zegt Augustinus: "Als Hij zegt, dat dit, nl. het Rijk Gods, op
de eerste plaats gezocht moet worden, laat Hij zien, dat het andere, nl. de tijdelijke
goederen, daarna gezocht moet worden, niet in orde van tijd, maar van waardigheid;
het eerste als wat goed voor ons is, het tweede als wat noodzakelijk voor ons is.
»
Ad secundum dicendum quod non quaelibet sollicitudo rerum temporalium est prohibita,
sed superflua et inordinata, ut supra habitum est. (IIa-IIae q. 83 a. 6 ad 2)
2 — Niet iedere bezorgdheid voor tijdelijke goederen is verboden, maar alleen het teveel
en het ongeregelde, zoals vroeger (55e Kw. 6e Art.) is gezegd.
Ad tertium dicendum quod quando mens nostra intendit temporalibus rebus ut in eis
quiescat, remanet in eis depressa. Sed quando intendit eis in ordine ad beatitudinem
consequendam, non ab eis deprimitur, sed magis ea elevat sursum. (IIa-IIae q. 83 a. 6 ad 3)
3 — Als onze geest zich op tijdelijk goed richt om daarop te blijven rusten, dan blijft
hij erin omlaaggedrukt. Maar houdt hij er zich mee bezig met het doel de zaligheid
te verwerven, dan wordt hij er niet door omlaaggehaald, maar heft ze veeleer omhoog.
Ad quartum dicendum quod ex quo non petimus temporalia tanquam principaliter quaesita,
sed in ordine ad aliud, eo tenore a Deo petimus ipsa ut nobis concedantur secundum
quod expediunt ad salutem. (IIa-IIae q. 83 a. 6 ad 4)
Articulus 7. Moeten wij voor anderen bidden?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod non debeamus pro aliis orare. In orando enim
sequi debemus formam quam dominus tradidit. Sed in oratione dominica petitiones pro
nobis facimus, non pro aliis, dicentes, panem nostrum quotidianum da nobis hodie,
et cetera huiusmodi. Ergo non debemus pro aliis orare. (IIa-IIae q. 83 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert, dat wij niet voor anderen moeten bidden. Want wij moeten bij het bidden
het voorbeeld volgen, dat de Heer ons gegeven heeft. Nu vragen wij in het gebed des
Heeren voor ons en niet voor anderen, als wij zeggen: « Geef ons heden ons dagelijks
brood, » e. d. Dus moeten wij niet voor anderen bidden.
Praeterea, ad hoc oratio fit quod exaudiatur. Sed una de conditionibus quae requiruntur
ad hoc quod oratio sit audibilis, est ut aliquis oret pro seipso, unde super illud
Ioan. XVI, si quid petieritis patrem in nomine meo, dabit vobis, Augustinus dicit,
exaudiuntur omnes pro seipsis, non autem pro omnibus. Unde non utcumque dictum est,
dabit, sed, dabit vobis. Ergo videtur quod non debeamus pro aliis orare, sed solum
pro nobis. (IIa-IIae q. 83 a. 7 arg. 2)
2 — Wij bidden om verhoord te worden. Maar een van de vereiste voorwaarden om verhoord
te worden, is, dat iemand voor zichzelf bidt; daarom zegt Augustinus bij het woord
van Joannes (16, 23): « Als gij de Vader iets in Mijn Naam vraagt, zal Hij het u geven
»: « Allen worden voor zichzelf verhoord, maar niet voor allen; daarom wordt er niet
zonder meer gezegd: zal Hij geven, maar: zal Hij u geven. » Het schijnt dus, dat wij
niet voor anderen moeten bidden, maar alleen voor onszelf.
Praeterea, pro aliis, si sunt mali, prohibemur orare, secundum illud Ierem. VII, tu
ergo noli orare pro populo hoc, et non obsistas mihi, quia non exaudiam te. Pro bonis
autem non oportet orare, quia ipsi pro seipsis orantes exaudiuntur. Ergo videtur quod
non debeamus pro aliis orare. (IIa-IIae q. 83 a. 7 arg. 3)
3 — Als anderen slecht zijn, wordt ons verboden voor hen te bidden naar het woord van
Jeremias (7, 16) : "Wil dus niet voor dit volk bidden en weersta Mij niet, want Ik
zal u niet verhoren. » Nu behoeven wij voor de goeden niet te bidden, omdat zij verhoord
worden, als zij voor zichzelf bidden. Het schijnt dus, dat wij niet voor anderen moeten
bidden.
Sed contra est quod dicitur Iac. V, orate pro invicem, ut salvemini. (IIa-IIae q. 83 a. 7 s. c.)
Maar daartegenover staat het woord van Jacobus: « Bidt voor elkander, dat gij zalig
moogt worden. » (Jac. 5, 16)
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, illud debemus orando petere quod debemus
desiderare. Desiderare autem debemus bona non solum nobis, sed etiam aliis, hoc enim
pertinet ad rationem dilectionis, quam proximis debemus impendere, ut ex supradictis
patet. Et ideo caritas hoc requirit, ut pro aliis oremus. Unde Chrysostomus dicit,
super Matth., pro se orare necessitas cogit, pro altero autem, caritas fraternitatis
hortatur. Dulcior autem ante Deum est oratio, non quam necessitas transmittit, sed
quam caritas fraternitatis commendat. (IIa-IIae q. 83 a. 7 co.)
Zoals (in het vorige Art.) is gezegd, moeten wij in het gebed datgene vragen, waarnaar
wij moeten verlangen. Nu moeten wij niet alleen voor onszelf het goede verlangen,
maar ook voor anderen; want dat behoort tot het wezen van de liefde, die wij voor
de naasten moeten hebben, zoals uit het vroeger gezegde (25e Kw. 1e en 12e Art.) blijkt.
En daarom eist de liefde, dat wij voor anderen bidden. Daarom zegt Chrysostomus: «
De noodzakelijkheid dwingt voor onszelf te bidden, de broederlijke liefde spoort ons
aan het voor een ander te doen. Maar voor God is niet het gebed het aangenaamst, waartoe
de noodzakelijkheid ons brengt, maar dat de broederlijke liefde aanbeveelt. »
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Cyprianus dicit, in libro de Orat. dominica, ideo
non dicimus, pater meus, sed noster; nec, da mihi, sed, da nobis, quia unitatis magister
noluit privatim precem fieri, ut scilicet quis pro se tantum precetur. Unum enim orare
pro omnibus voluit, quo modo in uno omnes ipse portavit. (IIa-IIae q. 83 a. 7 ad 1)
1 — Zoals Cyprianus zegt, « zeggen wij hierom niet: mijn, maar: onze Vader; niet: geef
mij, maar: geef ons; omdat de leermeester van de eenheid niet wilde dat er afzonderlijk
gebeden werd in deze zin, dat iemand alleen voor zichzelf zou bidden. Want Hij wilde,
dat een mens voor allen zou bidden, zoals Hij in één persoon allen had gedragen. »
Ad secundum dicendum quod pro se orare ponitur conditio orationis, non quidem necessaria
ad effectum merendi, sed sicut necessaria ad indeficientiam impetrandi. Contingit
enim quandoque quod oratio pro alio facta non impetrat, etiam si fiat pie et perseveranter
et de pertinentibus ad salutem, propter impedimentum quod est ex parte eius pro quo
oratur, secundum illud Ierem. XV, si steterit Moyses et Samuel coram me, non est anima
mea ad populum istum. Nihilominus tamen oratio meritoria erit oranti, qui ex caritate
orat, secundum illud Psalm., oratio mea in sinu meo convertetur, Glossa, idest, etsi
non eis profuit, ego tamen non sum frustratus mea mercede. (IIa-IIae q. 83 a. 7 ad 2)
2 — Voor zichzelf bidden wordt als een voorwaarde voor het gebed opgegeven, niet als iets
noodzakelijks om ermee te verdienen, maar als noodzakelijk om onverhinderd te verkrijgen.
Want af en toe krijgt men niets, als men voor anderen bidt, zelfs als het vroom en
volhardend gebeurt en gaat over dingen, die tot de zaligheid behoren, om een beletsel
van de kant van hem voor wie gebeden wordt, naar het woord van Jeremias (15, 1) :
« Al stonden Moses en Samuel voor Mij, Mijn hart gaat niet uit naar dit volk." Toch
is het gebed wel verdienstelijk voor wie bidt, als hij uit liefde bidt, naar het psalmwoord:
« Mijn gebed keert in mijn gemoed terug, » (Ps. 34, 13) en de Glossa: « d. w. z. ook
al heeft het dan voor hen geen nut, ik ben toch niet van mijn verdienste beroofd.
»
Ad tertium dicendum quod etiam pro peccatoribus orandum est, ut convertantur, et pro
iustis, ut perseverent et proficiant. Orantes tamen non pro omnibus peccatoribus exaudiuntur,
sed pro quibusdam, exaudiuntur enim pro praedestinatis, non autem pro praescitis ad
mortem. Sicut etiam correctio qua fratres corrigimus, effectum habet in praedestinatis,
non in reprobatis, secundum illud Eccle. VII, nemo potest corrigere quem Deus despexerit.
Et ideo dicitur I Ioan. V, qui scit fratrem suum peccare peccato non ad mortem, petat,
et dabitur ei vita peccanti peccatum non ad mortem. Sed sicut nulli, quandiu hic vivit,
subtrahendum est correctionis beneficium, quia non possumus distinguere praedestinatos
a reprobatis, ut Augustinus dicit, in libro de Corr. et gratia; ita etiam nulli est
denegandum orationis suffragium. Pro iustis etiam est orandum, triplici ratione. Primo
quidem, quia multorum preces facilius exaudiuntur. Unde Rom. XV, super illud, adiuvetis
me in orationibus vestris, dicit Glossa, bene rogat apostolus minores pro se orare.
Multi enim minimi, dum congregantur unanimes, fiunt magni, et multorum preces impossibile
est quod non impetrent, illud scilicet quod est impetrabile. Secundo, ut ex multis
gratia agatur Deo de beneficiis quae confert iustis, quae etiam in utilitatem multorum
vergunt, ut patet per apostolum, II ad Cor. I. Tertio, ut maiores non superbiant,
dum considerant se minorum suffragiis indigere. (IIa-IIae q. 83 a. 7 ad 3)
3 — Ook voor de zondaars moet gebeden worden, dat zij zich bekeren, en voor de rechtvaardigen,
dat zij volharden en vooruitgaan. Zij echter, die bidden, worden niet voor alle zondaars
verhoord, maar voor enigen; want zij worden verhoord voor de voorbestemden, maar niet
voor hen, van wie de (geestelijke) dood tevoren bekend is. Evenzo heeft de berisping,
waarmee wij onze broeders berispen, resultaat bij de voorbestemden, maar niet bij
de verworpenen, naar het woord van de Prediker (7, 14) : "Niemand kan hem verbeteren,
op wie God in toorn neerziet. » En daarom wordt er in de Eerste Brief van Joannes
(5, 16) gezegd: « Indien iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven, die geen doodzonde
is, dan moet hij bidden; en het leven zal gegeven worden aan hem, die niet dodelijk
zondigt. » Maar zoals niemand zolang hij hier leeft de weldaad van de berisping onthouden
moet worden, omdat wij de voorbestemden niet van de verworpenen kunnen onderscheiden,
zoals Augustinus zegt, mag men ook aan niemand de hulp van het gebed weigeren. Om
drie redenen moet ook voor de rechtvaardigen worden gebeden. Ten eerste omdat het
gebed van velen gemakkelijker wordt verhoord. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit
de Brief aan de Romeinen (15. 30) : « Helpt mij in uwe gebeden »: "Terecht vraagt
de Apostel, dat minderen voor hem bidden. Want vele kleinsten, als zij zich eensgezind
verenigen, worden groot; en het is onmogelijk, dat het gebed van velen niet zou verkrijgen
», nl. wat verkregen kan worden. Ten tweede, dat door velen God dank wordt gebracht
voor de weldaden, die aan de rechtvaardigen bewezen worden en die ook weer velen tot
nut strekken, zoals de Apostel in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (1, 11) bewijst.
Ten derde, dat de hoger staanden niet trots worden, als zij bedenken, dat zij de hulp
van het gebed van de geringeren nodig hebben.
Articulus 8. Moeten wij voor onze vijanden bidden?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod non debeamus pro inimicis orare. Quia, ut
dicitur Rom. XV, quaecumque scripta sunt, ad nostram doctrinam scripta sunt. Sed in
sacra Scriptura inducuntur multae imprecationes contra inimicos, dicitur enim in Psalm.,
erubescant et conturbentur omnes inimici mei, erubescant et conturbentur valde velociter.
Ergo et nos debemus orare contra inimicos, magis quam pro eis. (IIa-IIae q. 83 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert, dat wij niet voor onze vijanden moeten bidden. Want zoals in de Brief
aan de Romeinen (15, 4) staat: « werd alles, wat geschreven is, tot onze onderrichting
geschreven. » Nu vinden wij in de H. Schrift vele vervloekingen tegen vijanden; want
in het Boek der Psalmen wordt gezegd (6, 2) : « Mogen al mijn vijanden beschaamd en
verward worden; mogen zij zeer spoedig beschaamd en verward worden. » Dus moeten wij
ook eerder tegen dan voor onze vijanden bidden.
Praeterea, vindicari de inimicis in malum inimicorum cedit. Sed sancti vindictam de
inimicis petunt, secundum illud Apoc. VI, usquequo non vindicas sanguinem nostrum
de his qui habitant in terra? Unde et de vindicta impiorum laetantur, secundum illud
Psalm., laetabitur iustus cum viderit vindictam. Ergo non est orandum pro inimicis,
sed magis contra eos. (IIa-IIae q. 83 a. 8 arg. 2)
2 — Op zijn vijanden gewroken worden komt op iets kwaads voor de vijanden neer. Nu vragen
de heiligen om wraak op hun vijanden volgens het Boek der Openbaring (6, 10) : « Tot
wanneer wreekt Gij ons bloed niet op de bewoners der aarde? » Daarom ook verheugen
zij zich over de wraak op de goddelozen naar het psalmwoord: « De rechtvaardige zal
zich verheugen, als hij de Wraak zal zien. » (Ps. 57, 11). Dus moeten wij niet voor,
maar eerder tegen onze vijanden bidden.
Praeterea, operatio hominis et eius oratio non debent esse contraria. Sed homines
quandoque licite impugnant inimicos, alioquin omnia bella essent illicita, quod est
contra supradicta. Ergo non debemus orare pro inimicis. (IIa-IIae q. 83 a. 8 arg. 3)
3 — Tussen het handelen en het bidden van een mens mag geen tegenspraak zijn. Nu is het
soms de mensen geoorloofd hun vijanden te bestrijden, want anders zouden alle oorlogen
ongeoorloofd zijn, wat tegen het vroeger gezegde (40e Kw. 1e Art.) is. Dus moeten
wij niet bidden voor onze vijanden.
Sed contra est quod dicitur Matth. V, orate pro persequentibus et calumniantibus vos. (IIa-IIae q. 83 a. 8 s. c.)
Maar daartegenover staat het woord van Mattheus (5, 44): « Bidt voor wie u vervolgen
en lasteren."
Respondeo dicendum quod orare pro alio caritatis est, sicut dictum est. Unde eodem
modo quo tenemur diligere inimicos, tenemur pro inimicis orare. Qualiter autem teneamur
inimicos diligere supra habitum est, in tractatu de caritate, ut scilicet in eis diligamus
naturam, non culpam; et quod diligere inimicos in generali est in praecepto, in speciali
autem non est in praecepto nisi secundum praeparationem animi, ut scilicet homo esset
paratus etiam specialiter inimicum diligere et eum iuvare in necessitatis articulo,
vel si veniam peteret; sed in speciali absolute inimicos diligere et eos iuvare perfectionis
est. Et similiter necessitatis est ut in communibus nostris orationibus quas pro aliis
facimus, inimicos non excludamus. Quod autem pro eis specialiter oremus, perfectionis
est, non necessitatis, nisi in aliquo casu speciali. (IIa-IIae q. 83 a. 8 co.)
Zoals boven werd gezegd (vorig Art.) valt het bidden voor anderen onder de liefde.
Dus moeten wij precies zoals wij onze vijanden moeten beminnen, ook voor hen bidden.
Nu is vroeger in het traktaat over de liefde (25e Kw. 8C en 9e Art.) uiteengezet,
hoe wij hen moeten beminnen: dat wij nl. in hen de natuur en niet de schuld moeten
beminnen; en dat het onder het gebod valt de vijanden in het algemeen te beminnen;
maar hen afzonderlijk beminnen, valt alleen wat de zielsgesteldheid betreft onder
het gebod: de mens moet nl. bereid zijn een vijand ook bijzonder te beminnen en hem
te helpen in geval van nood of als hij om vergeving vraagt; maar hen zonder meer in
het bijzonder te beminnen en te helpen, valt onder de volmaaktheid. En zo is het ook
noodzakelijk om in onze algemene gebeden voor anderen de vijanden niet uit te sluiten.
Maar in het bijzonder voor hen te bidden, behalve in een bijzonder geval, behoort
tot de volmaaktheid, niet tot datgene, wat men moet doen.
Ad primum ergo dicendum quod imprecationes quae in sacra Scriptura ponuntur quadrupliciter
possunt intelligi. Uno modo, secundum quod prophetae solent figura imprecantis futura
praedicere, ut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte. Secundo, prout quaedam
temporalia mala peccatoribus quandoque a Deo ad correctionem immittuntur. Tertio,
quia intelliguntur petere non contra ipsos homines, sed contra regnum peccati, ut
scilicet correctione hominum peccatum destruatur. Quarto, conformando voluntatem suam
divinae iustitiae circa damnationem perseverantium in peccato. (IIa-IIae q. 83 a. 8 ad 1)
1 — De vervloekingen, die in de H. Schrift staan, kunnen op vier manieren worden opgevat.
Ten eerste in zover « de profeten gewoonlijk onder de vorm van vervloekingen de toekomst
voorzeggen », zoals Augustinus zegt. — Dan in zover tijdelijk kwaad soms door God
de zondaars wordt overgezonden ter verbetering. — Ten derde, als men het opvat, dat
zij niets tegen de mensen zelf vragen, maar tegen het rijk van de zonde, dat de zonde
nl. door de bestraffing van de mensen wordt vernietigd. — Ten vierde door hun wil
aan de goddelijke rechtvaardigheid gelijkvormig te maken wat het bestraffen betreft
van wie in zonden verhard blijven.
Ad secundum dicendum quod, sicut in eodem libro Augustinus dicit, vindicta martyrum
est ut evertatur regnum peccati, quo regnante tanta perpessi sunt. Vel, sicut dicitur
in libro de quaest. Vet. et novi Test., postulant se vindicari non voce, sed ratione,
sicut sanguis Abel clamavit de terra. Laetantur autem de vindicta non propter eam,
sed propter divinam iustitiam. (IIa-IIae q. 83 a. 8 ad 2)
2 — Zoals Augustinus zegt, « ligt de maak van de martelaars in de vernietiging van het
rijk der zonde, onder welke heerschappij zij zoveel hebben geleden. » Of, zoals hij
elders zegt, « vragen zij niet met de mond om wraak, maar uit de aard der zaak, zoals
het bloed van Abel van de aarde riep. » Over de wraak op zichzelf verheugen zij zich
echter niet, maar om de goddelijke rechtvaardigheid.
Ad tertium dicendum quod licitum est impugnare inimicos ut compescantur a peccatis,
quod cedit in bonum eorum et aliorum. Et sic etiam licet orando petere aliqua temporalia
mala inimicorum ut corrigantur. Et sic oratio et operatio non erunt contraria. (IIa-IIae q. 83 a. 8 ad 3)
3 — Vijanden bestrijden is geoorloofd om hen van het kwaad af te houden, wat hun en anderen
tot nut is. En zo mag men ook in het gebed tijdelijk kwaad voor de vijanden vragen
om hen te beteren. Zo is er geen tegenstrijdigheid tussen bidden en handelen.
Articulus 9. Worden de zeven vragen van het Gebed des Heren op gepaste manier opgegeven?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter septem petitiones orationis dominicae
assignentur. Vanum enim est petere illud quod semper est. Sed nomen Dei semper est
sanctum, secundum illud Luc. I, sanctum nomen eius. Regnum etiam eius est sempiternum,
secundum illud Psalmo, regnum tuum, domine, regnum omnium saeculorum. Voluntas etiam
Dei semper impletur, secundum illud Isaiae XLVI, omnis voluntas mea fiet. Vanum ergo
est petere quod nomen Dei sanctificetur, quod regnum eius adveniat, et quod eius voluntas
fiat. (IIa-IIae q. 83 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de zeven vragen van het Gebed des Heeren niet op gepaste manier worden
opgegeven. Want het is nutteloos te vragen om wat er altijd is. Nu is de naam van
de Heer altijd heilig naar het woord van Lucas (1, 49) : « Heilig is Zijn naam. »
Ook is Zijn Rijk eeuwig naar het psalmwoord: « Uw Rijk, o Heer, is een Rijk van alle
eeuwen. » (Ps. 144, 13). Gods wil wordt ook altijd vervuld naar het woord van Isaïas
(46, 10) : « Alles wat Ik wil zal geschieden. » Het is dus nutteloos te vragen, dat
Gods naam worde geheiligd, dat Zijn Rijk kome, en dat Zijn wil geschiede.
Praeterea, prius est recedere a malo quam consequi bonum. Inconvenienter igitur videntur
praeordinari petitiones quae pertinent ad consequendum bonum, petitionibus quae pertinent
ad amotionem mali. (IIa-IIae q. 83 a. 9 arg. 2)
2 — Afwijken van het kwaad komt vóór het bereiken van het goede. Het schijnt dus niet
gepast de vragen, die op het bereiken van enig goed slaan te plaatsen vóór de vragen,
die op het weg nemen van het kwaad betrekking hebben.
Praeterea, ad hoc aliquid petitur ut donetur. Sed praecipuum donum Dei est spiritus
sanctus, et ea quae nobis per ipsum dantur. Ergo videntur inconvenienter proponi petitiones,
cum non respondeant donis spiritus sancti. (IIa-IIae q. 83 a. 9 arg. 3)
3 — Iets wordt gevraagd, opdat het gegeven zal worden. Nu is Gods voornaamste gave de
H. Geest en wat ons door Hem gegeven wordt. Daarom schijnen de vragen niet goed opgesteld
te zijn, daar zij niet aan de gaven van de H. Geest beantwoorden.
Praeterea, secundum Lucam in oratione dominica ponuntur solum quinque petitiones,
ut patet Luc. XI. Superfluum igitur fuit quod secundum Matthaeum septem petitiones
ponuntur. (IIa-IIae q. 83 a. 9 arg. 4)
4 — Volgens Lucas (11, 2) worden maar vijf vragen van het Gebed des Heeren opgegeven.
Het schijnt daarom overbodig, dat er volgens Mattheus (6, 9) zeven worden opgesteld.
Praeterea, in vanum videtur captare benevolentiam eius qui benevolentia sua nos praevenit.
Sed Deus nos sua benevolentia praevenit, quia ipse prior dilexit nos, ut dicitur I
Ioan. IV. Superflue ergo praemittitur petitionibus, pater noster, qui es in caelis,
quod videtur ad benevolentiam captandam pertinere. (IIa-IIae q. 83 a. 9 arg. 5)
5 — Het schijnt overbodig te trachten iemands welwillendheid te winnen, die ons door zijn
welwillendheid voorkomt. Nu voorkomt God ons door Zijn welwillendheid, omdat « Hij
ons het eerst heeft bemind, » zoals in de Eerste Brief van Joannes (4, 10) staat.
Het schijnt dus overbodig aan de vragen: "Onze Vader, die in de hemel zijt, » vooraf
te laten gaan, wat dient om welwillendheid te winnen.
Sed in contrarium sufficit auctoritas Christi orationem instituentis. (IIa-IIae q. 83 a. 9 s. c.)
Maar als tegenbewijs is het gezag van Christus, die het gebed instelde, voldoende.
Respondeo dicendum quod oratio dominica perfectissima est, quia, sicut Augustinus
dicit, ad Probam, si recte et congruenter oramus, nihil aliud dicere possumus quam
quod in ista oratione dominica positum est. Quia enim oratio est quodammodo desiderii
nostri interpres apud Deum, illa solum recte orando petimus quae recte desiderare
valemus. In oratione autem dominica non solum petuntur omnia quae recte desiderare
possumus, sed etiam eo ordine quo desideranda sunt, ut sic haec oratio non solum instruat
postulare, sed etiam sit informativa totius nostri affectus. Manifestum est autem
quod primo cadit in desiderio finis; deinde ea quae sunt ad finem. Finis autem noster
Deus est. In quem noster affectus tendit dupliciter, uno quidem modo, prout volumus
gloriam Dei; alio modo, secundum quod volumus frui gloria eius. Quorum primum pertinet
ad dilectionem qua Deum in seipso diligimus, secundum vero pertinet ad dilectionem
qua diligimus nos in Deo. Et ideo prima petitio ponitur, sanctificetur nomen tuum,
per quam petimus gloriam Dei. Secunda vero ponitur, adveniat regnum tuum, per quam
petimus ad gloriam regni eius pervenire. Ad finem autem praedictum ordinat nos aliquid
dupliciter, uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, bonum quod est
utile in finem. Est autem aliquid utile in finem beatitudinis dupliciter. Uno modo,
directe et principaliter, secundum meritum quo beatitudinem meremur Deo obediendo.
Et quantum ad hoc ponitur, fiat voluntas tua, sicut in caelo, et in terra. Alio modo,
instrumentaliter, et quasi coadiuvans nos ad merendum. Et ad hoc pertinet quod dicitur,
panem nostrum quotidianum da nobis hodie, sive hoc intelligatur de pane sacramentali,
cuius quotidianus usus proficit homini, in quo etiam intelliguntur omnia alia sacramenta;
sive etiam intelligatur de pane corporali, ut per panem intelligatur omnis sufficientia
victus, sicut dicit Augustinus, ad Probam; quia et Eucharistia est praecipuum sacramentum,
et panis est praecipuus cibus, unde et in Evangelio Matthaei scriptum est, supersubstantialem,
idest praecipuum, ut Hieronymus exponit. Per accidens autem ordinamur in beatitudinem
per remotionem prohibentis. Tria autem sunt quae nos a beatitudine prohibent. Primo
quidem, peccatum, quod directe excludit a regno, secundum illud I ad Cor. VI, neque
fornicarii, neque idolis servientes, etc., regnum Dei possidebunt. Et ad hoc pertinet
quod dicitur, dimitte nobis debita nostra. Secundo, tentatio, quae nos impedit ab
observantia divinae voluntatis. Et ad hoc pertinet quod dicitur, et ne nos inducas
in tentationem, per quod non petimus ut non tentemur, sed ut a tentatione non vincamur,
quod est in tentationem induci. Tertio, poenalitas praesens, quae impedit sufficientiam
vitae. Et quantum ad hoc dicitur, libera nos a malo. (IIa-IIae q. 83 a. 9 co.)
Het Gebed des Heeren is allervolmaaktst, omdat, zoals Augustinus zegt, « wij, als
wij goed en gepast bidden, niets anders kunnen zeggen dan wat in dit Gebed des Heeren
staat. » Omdat het gebed nl. in zekeren zin de tolk van ons verlangen bij God is,
vragen wij in het gebed alleen maar goed, wat wij goed kunnen verlangen. Nu wordt
in het Gebed des Heeren niet alleen slechts datgene gevraagd, wat wij goed kunnen
verlangen, zodat dit gebed ons niet alleen leert vragen, maar ook de juiste vorm aan
al onze gevoelens geeft. Het is toch duidelijk, dat eerst het doel en dan wat tot
het doel leidt onder ons verlangen valt. Nu is God ons doel. Op twee manieren gaat
ons verlangen naar Hem uit, vooreerst in zover wij Gods verheerlijking willen, en
dan in zover wij van Zijn Heerlijkheid willen genieten. Het eerste hiervan valt onder
de liefde, waarmee wij God in Hemzelf beminnen, en het tweede tot de liefde, waarmee
wij onszelf in God beminnen. Daarom wordt als eerste vraag opgesteld: « Uw naam worde
geheiligd, » waarmee wij om Gods verheerlijking vragen; en als tweede: « Uw Rijk kome,
» waarmee wij vragen tot de heerlijkheid van Zijn Rijk te komen. Op twee manieren
nu richt iets ons op het genoemde doel: vooreerst uiteraard en ten tweede als iets
bijkomstigs. En wel uiteraard het goede, wat voor dat doel nuttig is. Nu kan iets
op twee manieren nuttig zijn voor het doel, de zaligheid. Ten eerste onmiddellijk
en als het voornaamste, naar de verdienste, waarmee wij door aan God te gehoorzamen
de zaligheid verdienen. En wat dat betreft wordt opgesteld: « Uw wil geschiede op
aarde zoals in de hemel. » Op een andere manier bij wijze van werktuig en ons als
het ware helpend om te verdienen. En hierop slaat, wat dan gezegd wordt: « Geef ons
heden ons dagelijks brood," hetzij dat nu wordt opgevat van het sacramentele brood,
waarvan het dagelijks gebruik de mens vooruithelpt en waaronder ook alle andere Sacramenten
worden begrepen; of dat het wordt verstaan van het brood van het lichaam, zodat onder
brood wordt verstaan « alles wat voor het levensonderhoud voldoende is, » zoals Augustinus
zegt. Want evenzeer is de Eucharistie het voornaamste Sacrament, als het brood het
voornaamste voedsel is; en daarom staat ook in het Evangelie van Mattheus: "meer dan
zelfstandig », d. w. z. « het voornaamste", zoals Hieronymus uitlegt. Op bijkomstige
manier worden wij op de zaligheid gericht door het wegnemen van wat in de weg staat.
Nu zijn er drie dingen, die ons van de zaligheid afhouden. En wel vooreerst de zonde,
die rechtstreeks van het Rijk uitsluit volgens de Eerste brief aan de Korinthiërs
(6, 9-10) : « Noch ontuchtigen, noch afgodendienaars, enz. zullen het Rijk Gods bezitten.
» En daarop slaat wat wordt gezegd: « Vergeef ons onze schulden. » Ten tweede de bekoring
die ons belet Gods wil te onderhouden. En daarop slaat het gezegde: « En leid ons
niet in bekoring, » waarmee wij niet vragen niet bekoord te worden, maar in de bekoring
niet overwonnen te worden, wat in bekoring geleid worden is. Ten derde de nu heersende
straf, die ons niet genoeg geeft om te leven. En wat dat betreft wordt gezegd: "Verlos
ons van het kwade. »
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte,
cum dicimus, sanctificetur nomen tuum, non hoc petitur quasi non sit sanctum Dei nomen,
sed ut sanctum ab hominibus habeatur; quod pertinet ad Dei gloriam in hominibus propagandam.
Quod autem dicitur, adveniat regnum tuum, non ita dictum est quasi Deus nunc non regnet,
sed, sicut Augustinus dicit, ad Probam, desiderium nostrum ad illud regnum excitamus,
ut nobis veniat, atque in eo regnemus. Quod autem dicitur, fiat voluntas tua, recte
intelligitur, obediatur praeceptis tuis. Sicut in caelo et in terra, idest, sicut
ab Angelis, ita ab hominibus. Unde hae tres petitiones perfecte complebuntur in vita
futura, aliae vero quatuor pertinent ad necessitatem vitae praesentis, sicut Augustinus
dicit, in Enchiridio. (IIa-IIae q. 83 a. 9 ad 1)
1 — Zoals Augustinus zegt, vragen wij, als wij zeggen: « Uw naam worde geheiligd », «
dit niet, alsof Gods naam niet heilig zou zijn, maar dat hij door de mensen als heilig
wordt beschouwd, » wat valt onder het verbreiden van Gods heerlijkheid onder de mensen.
Dat er gezegd wordt: « Uw Rijk kome », « is niet gezegd, alsof God nu niet zou heersen,
» maar zoals Augustinus zegt, « dat wij ons verlangen naar dat Rijk opwekken, dat
het tot ons komt en wij erin heersen. » Maar als gezegd wordt: « Uw wil geschiede,
» dan is dat goed verstaan: moge aan Uw bevelen gehoorzaamd worden, zoals in de hemel,
zo ook op aarde, d. w. z. zoals door de engelen, zo ook door de mensen. » Daarom zullen
deze drie vragen volmaakt worden vervuld in het toekomstige leven; maar de andere
vier hebben betrekking op wat voor dit leven nodig is, zoals Augustinus zegt.
Ad secundum dicendum quod, cum oratio sit interpres desiderii, ordo petitionum non
respondet ordini executionis, sed ordini desiderii sive intentionis, in quo prius
est finis quam ea quae sunt ad finem, et consecutio boni quam remotio mali. (IIa-IIae q. 83 a. 9 ad 2)
2 — Daar het gebed de tolk van het verlangen is, beantwoordt de volgorde van de vragen
niet aan de orde in het uitvoeren, maar aan de orde van het verlangen of het plan,
waarin het doel aan wat tot het doel leidt voorafgaat en het bereiken van het goede
aan het wegnemen van het kwaad.
Ad tertium dicendum quod Augustinus, in libro de Serm. Dom. in monte, adaptat septem
petitiones donis et beatitudinibus, dicens, si timor Dei est quo beati sunt pauperes
spiritu, petamus ut sanctificetur in hominibus nomen Dei timore casto. Si pietas est
qua beati sunt mites, petamus ut veniat regnum eius, ut mitescamus, nec ei resistamus.
Si scientia est qua beati sunt qui lugent, oremus ut fiat voluntas eius, quia sic
non lugebimus. Si fortitudo est qua beati sunt qui esuriunt, oremus ut panis noster
quotidianus detur nobis. Si consilium est quo beati sunt misericordes, debita dimittamus,
ut nobis nostra dimittantur. Si intellectus est quo beati sunt mundo corde, oremus
ne habeamus duplex cor, temporalia sectando, de quibus tentationes fiunt in nobis.
Si sapientia est qua beati sunt pacifici quoniam filii Dei vocabuntur, oremus ut liberemur
a malo, ipsa enim liberatio liberos nos faciet filios Dei. (IIa-IIae q. 83 a. 9 ad 3)
3 — Augustinus brengt de zeven vragen in overeenstemming met de gaven en de zaligheden,
als hij zegt: "Als het door de vreeze Gods is, dat de armen van geest zalig zijn,
laten wij dan vragen, dat door een kuise vrees Gods naam onder de mensen mag worden
geheiligd. Als het door de godsvrucht is, dat de zachtmoedigen zalig zijn, laten wij
dan vragen, dat Zijn Rijk kome waardoor wij zachtmoedig worden en Hem niet weerstaan.
Als het door de wetenschap is, dat zij die treuren zalig zijn, laten wij dan vragen,
dal Zijn wil geschiede, omdat wij dan niet zullen treuren. Als het de sterkte is,
waardoor zij, die hongeren, zalig zijn, laten wij dan bidden, dat ons dagelijks brood
ons mag worden gegeven. Als het de raad is, waardoor de barmhartigen zalig zijn, laten
wij dan de schulden vergeven, opdat de onze ons worden vergeven. Als het het inzicht
is, waardoor de zuiveren van hart zalig zijn, laten wij dan bidden, dat wij niet dubbelhartig
mogen zijn door het tijdelijke te zoeken, waarvandaan ons de bekoringen komen. Als
het de wijsheid is, waardoor de vreedzamen zalig zijn, omdat zij kinderen van God
zullen worden genoemd, laten wij vragen, dat wij van het kwaad worden verlost, omdat
de verlossing zelf ons vrije kinderen van God maakt. »
Ad quartum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in Enchirid., Lucas in oratione
dominica petitiones non septem, sed quinque complexus est. Ostendens enim tertiam
petitionem duarum praemissarum esse quodammodo repetitionem, praetermittendo eam facit
intelligi, quia scilicet ad hoc praecipue voluntas Dei tendit ut eius sanctitatem
cognoscamus, et cum ipso regnemus. Quod etiam Matthaeus in ultimo posuit, libera nos
a malo, Lucas non posuit, ut sciat unusquisque in eo se liberari a malo quod non infertur
in tentationem. (IIa-IIae q. 83 a. 9 ad 4)
4 — Zoals Augustinus zegt, « geeft Lucas in het Gebed des Heeren geen zeven, maar vijf
vragen op. Want daar hij laat zien, dat de derde in zekeren zin de herhaling van de
twee voorafgaande is, laat hij haar door haar over te slaan beter begrijpen", om
dat nl. Gods wil vooral dit bedoelt, dat wij Zijn heiligheid kennen en met Hem heersen.
« En ook Mattheus als het laatste opgeeft: Verlos ons van het Kwaad, heeft Lucas niet
genoemd, opdat iedereen zou weten, dat hij hierdoor van het kwaad wordt verlost, dat
hij niet in bekoring wordt geleid. »
Ad quintum dicendum quod oratio non porrigitur Deo ut ipsum flectamus, sed ut in nobis
ipsis fiduciam excitemus postulandi. Quae quidem praecipue excitatur in nobis considerando
eius caritatem ad nos, qua bonum nostrum vult, et ideo dicimus, pater noster; et eius
excellentiam, qua potest, et ideo dicimus, qui es in caelis. (IIa-IIae q. 83 a. 9 ad 5)
5 — Wij richten onze gebeden niet tot God om Hem van plan te doen veranderen, maar om
in onszelf vertrouwen om te vragen op te wekken. En dat wordt in ons vooral opgewekt
door Zijn liefde voor ons te beschouwen, waardoor Hij wil, wat goed voor ons is; en
daarom zeggen wij: Onze Vader; en Zijn verhevenheid, waardoor Hij het ons kan geven;
en daarom zeggen wij: Die in de hemel zijt.
Articulus 10. Is bidden aan het redelijk schepsel eigen?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod orare non sit proprium rationalis creaturae.
Eiusdem enim videtur esse petere et accipere. Sed accipere convenit etiam personis
increatis, scilicet filio et spiritui sancto. Ergo etiam eis convenit orare, nam et
filius dicit, Ioan. XIV, ego rogabo patrem; et de spiritu sancto dicit apostolus,
spiritus postulat pro nobis. (IIa-IIae q. 83 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert, dat bidden niet eigen is aan het redelijke schepsel. Want dezelfde is
het die vraagt en ontvangt. Nu komt het ook aan ongeschapen Personen toe te ontvangen,
nl. aan de Zoon en de H. Geest. Dus komt ook bidden Hun toe; want de Zoon zegt bij
Joannes (14, 16) : "Ik zal de Vader vragen, » en van de H. Geest zegt de Apostel:
« De Geest vraagt voor ons. » (Rom. 8, 26)
Praeterea, Angeli sunt supra rationales creaturas, cum sint intellectuales substantiae.
Sed ad Angelos pertinet orare, unde in Psalm. dicitur, adorate eum, omnes Angeli eius.
Ergo orare non est proprium rationalis creaturae. (IIa-IIae q. 83 a. 10 arg. 2)
2 — De Engelen staan boven de redelijke schepselen, daar zij zelfstandigheden met inzicht
zijn. Nu komt ook bidden aan de engelen toe naar het psalmwoord: « Aanbidt Hem, al
Zijn engelen. » (Ps. 96, 7) Dus is bidden niet iets eigens van het redelijke schepsel.
Praeterea, eiusdem est orare cuius est invocare Deum, quod praecipue fit orando. Sed
brutis animalibus convenit invocare Deum secundum illud Psalm., qui dat iumentis escam
ipsorum, et pullis corvorum invocantibus eum. Ergo orare non est proprium rationalis
creaturae. (IIa-IIae q. 83 a. 10 arg. 3)
3 — Bidden komt aan dezelfden toe als God aanroepen, wat vooral door het gebed gebeurt.
Nu komt het ook aan de dieren toe God aan te roepen naar het psalmwoord: "Die aan
lastdieren hun eten geeft en aan de jonge raven, die hem aanroepen." (Ps. 146, 9)
Dus is bidden niet eigen aan het redelijke schepsel.
Sed contra, oratio est actus rationis, ut supra habitum est. Sed rationalis creatura
a ratione dicitur. Ergo orare est proprium rationalis creaturae. (IIa-IIae q. 83 a. 10 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bidden, zoals vroeger gezegd is (1e Art.), een daad
is van het verstand. Nu heet het redelijke schepsel zo naar de rede. Dus is bidden
eigen aan het redelijke schepsel.
Respondeo dicendum quod, sicut ex supradictis patet, oratio est actus rationis per
quem aliquis superiorem deprecatur, sicut imperium est actus rationis quo inferior
ad aliquid ordinatur. Illi ergo proprie competit orare cui convenit rationem habere,
et superiorem quem deprecari possit. Divinis autem personis nihil est superius, bruta
autem animalia non habent rationem. Unde neque divinis personis neque brutis animalibus
convenit orare, sed proprium est rationalis creaturae. (IIa-IIae q. 83 a. 10 co.)
Zoals uit het boven gezegde (1e Art.) blijkt, is bidden een daad van de rede, waardoor
iemand een hogere iets vraagt, zoals het bevel een daad van de rede is, waar door
een lagere zijn doel krijgt. Daarom komt bidden eigenlijk aan diegene toe, die verstand
heeft en iemand die boven hem staat, waaraan hij iets vragen kan. Nu is er niets hogers
dan de goddelijke Personen, terwijl de dieren geen rede bezitten. Daarom komt bidden
noch aan de goddelijke Personen, noch aan de dieren toe, maar is eigen aan het redelijke
schepsel.
Ad primum ergo dicendum quod divinis personis convenit accipere per naturam, orare
autem est accipientis per gratiam. Dicitur autem filius rogare, vel orare, secundum
naturam assumptam, scilicet humanam, non secundum divinam. Spiritus autem sanctus
dicitur postulare, quia postulantes nos facit. (IIa-IIae q. 83 a. 10 ad 1)
1 — Aan de goddelijke Personen komt het krachtens de natuur toe te ontvangen, maar bidden
doet hij, die krachtens genade ontvangt. Van de Zoon wordt gezegd, dat Hij bidt of
vraagt krachtens de aangenomen, nl. de menselijke natuur, maar niet om de goddelijke.
Van de H. Geest wordt gezegd, dat Hij vraagt, omdat Hij ons doet vragen.
Ad secundum dicendum quod ratio et intellectus in nobis non sunt diversae potentiae,
ut in primo habitum est, differunt autem secundum perfectum et imperfectum. Et ideo
quandoque intellectuales creaturae, quae sunt Angeli, distinguuntur a rationalibus,
quandoque autem sub rationalibus comprehenduntur. Et hoc modo dicitur oratio esse
proprium rationalis creaturae. (IIa-IIae q. 83 a. 10 ad 2)
2 — Rede en verstand zijn in ons niet verschillende vermogens, zoals in het eerste deel
is uiteengezet (79e Kw. 8e Art.) ; maar zij verschillen als het volmaakte en het onvolmaakte.
En daarom maakt men soms onderscheid tussen de verstandelijke schepselen, nl. de engelen
en de redelijke, maar soms verstaat men beiden onder de term redelijk. En zo zegt
men ook, dat het gebed aan het redelijke schepsel eigen is.
Ad tertium dicendum quod pulli corvorum dicuntur Deum invocare, propter naturale desiderium
quo omnia suo modo desiderant consequi bonitatem divinam. Sic etiam bruta animalia
dicuntur Deo obedire, propter naturalem instinctum quo a Deo moventur. (IIa-IIae q. 83 a. 10 ad 3)
3 — Men zegt, dat de jonge raven God aanroepen om het natuurlijke verlangen, waarmee alle
dingen Gods goedheid op hun manier willen ontvangen. Zo zegt men ook dat de dieren
aan God gehoorzamen om het natuurlijke instinct, waardoor zij door God worden bewogen.
Articulus 11. Bidden de heiligen in het hemels vaderland voor ons?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod sancti qui sunt in patria non orent pro
nobis. Actus enim alicuius magis est meritorius sibi quam aliis. Sed sancti qui sunt
in patria non merentur sibi, nec pro se orant, quia iam sunt in termino constituti.
Ergo etiam neque pro nobis orant. (IIa-IIae q. 83 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de heiligen in het hemels vaderland niet voor ons bidden. Want een
daad van iemand heeft meer verdiensten voor hemzelf dan voor anderen. Nu verdienen
de heiligen in het hemels vaderland niet meer voor zichzelf en bidden ook niet meer
voor zichzelf, omdat zij het einddoel hebben bereikt. Dus bidden zij ook niet voor
ons.
Praeterea, sancti perfecte suam voluntatem Deo conformant, ut non velint nisi quod
Deus vult. Sed illud quod Deus vult semper impletur. Ergo frustra sancti pro nobis
orarent. (IIa-IIae q. 83 a. 11 arg. 2)
2 — De heiligen maken hun wil volkomen aan die van God gelijk, zodat zij niets anders
willen dan wat God wil. Nu gebeurt altijd wat God wil. Dus heeft het geen zin als
de heiligen voor ons zouden bidden.
Praeterea, sicut sancti qui sunt in patria sunt superiores nobis, ita et illi qui
sunt in Purgatorio, quia iam peccare non possunt. Sed illi qui sunt in Purgatorio
non orant pro nobis, sed magis nos pro eis. Ergo nec sancti qui sunt in patria pro
nobis orant. (IIa-IIae q. 83 a. 11 arg. 3)
3 — Zoals de heiligen in het vaderland boven ons staan, zo ook zij, die in het vagevuur
zijn, omdat zij niet meer kunnen zondigen. Maar zij, die in het vagevuur zijn, bidden
niet voor ons, maar wij eerder voor hen. Dus bidden ook de heiligen in de hemel niet
voor ons.
Praeterea, si sancti qui sunt in patria pro nobis orarent, superiorum sanctorum esset
efficacior oratio. Non ergo deberet implorari suffragium orationum sanctorum inferiorum,
sed solum superiorum. (IIa-IIae q. 83 a. 11 arg. 4)
4 — Als de heiligen in de hemel voor ons zouden bidden, zou het gebed van grotere heiligen
meer uitwerken. Dus zouden wij niet de hulp van de mindere heiligen moeten vragen,
maar alleen van de grotere heiligen.
Praeterea, anima Petri non est Petrus. Si ergo animae sanctorum pro nobis orarent
quandiu sunt a corpore separatae, non deberemus interpellare sanctum Petrum ad orandum
pro nobis, sed animam eius. Cuius contrarium Ecclesia facit. Non ergo sancti, ad minus
ante resurrectionem, pro nobis orant. (IIa-IIae q. 83 a. 11 arg. 5)
5 — De ziel van Petrus is Petrus niet. Als dus de zielen van de heiligen voor ons zouden
bidden, zolang zij van het lichaam gescheiden zijn, moesten wij de H. Petrus niet
aanroepen om voor ons te bidden, maar zijn ziel. Nu doet de Kerk het tegenovergestelde.
Dus bidden de heiligen minstens vóór de verrijzenis niet voor ons.
Sed contra est quod dicitur II Mach. ult., hic est qui multum orat pro populo et universa
sancta civitate, Ieremias, propheta Dei. (IIa-IIae q. 83 a. 11 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in het Tweede Boek der Machabeeën (15, 14) staat: «
Deze is het, die veel voor het volk en de gehele heilige stad bidt, Jeremias, de profeet
van God."
Respondeo dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, Vigilantii error fuit quod, dum vivimus,
mutuo pro nobis orare possumus; postquam autem mortui fuerimus, nullius sit pro alio
exaudienda oratio, praesertim cum martyres, ultionem sui sanguinis obsecrantes, impetrare
nequiverint. Sed hoc est omnino falsum. Quia cum oratio pro aliis facta ex caritate
proveniat, ut dictum est, quanto sancti qui sunt in patria sunt perfectioris caritatis,
tanto magis orant pro viatoribus, qui orationibus iuvari possunt, et quanto sunt Deo
coniunctiores, tanto eorum orationes sunt magis efficaces. Habet enim hoc divinus
ordo, ut ex superiorum excellentia in inferiora refundatur, sicut ex claritate solis
in aerem. Unde et de Christo dicitur, Heb. VII, accedens per semetipsum ad Deum ad
interpellandum pro nobis. Et propter hoc Hieronymus, contra Vigilantium, dicit, si
apostoli et martyres adhuc in corpore constituti possunt orare pro ceteris, quando
pro se adhuc debent esse solliciti; quanto magis post coronas, victorias et triumphos. (IIa-IIae q. 83 a. 11 co.)
Volgens Hieronymus was het de dwaling van Vigilantius, dat « wij, zolang wij leven,
voor elkander kunnen bidden; maar nadat wij gestorven zijn, kan niemands gebed voor
een ander worden verhoord, vooral omdat de martelaars, die wraak voor hun bloed vroegen,
dat niet konden verkrijgen. » Maar dat is geheel en al onjuist. Want daar bidden voor
anderen uit de liefde voortkomt, bidden de heiligen in de hemel naarmate zij een meer
volmaakte liefde hebben meer voor hen, die nog pelgrims zijn en door het gebed kunnen
geholpen worden; en naarmate zij meer met God verbonden zijn, heeft hun gebed meer
uitwerking. De goddelijke orde immers sluit dit in, dat de verhevenheid van hogeren
op minderen overvloeit als de glans van de zon op de lucht. Daarom wordt in de Brief
aan de Hebreeën (7, 25) van Christus gezegd: « Door Zichzelf tot God gaand om voor
ons te bidden. » Daarom zegt ook Hieronymus: « Als de apostelen en martelaars, zolang
zij nog in leven zijn, voor anderen gunnen bidden, terwijl zij nog voor zichzelf bezorgd
moeten zijn, hoeveel te meer dan na de bekroning, overwinning en zegepraal! »
Ad primum ergo dicendum quod sanctis qui sunt in patria, cum sint beati, nihil deest
nisi gloria corporis, pro qua orant. Orant autem pro nobis, quibus deest beatitudinis
ultima perfectio. Et eorum orationes habent efficaciam impetrandi ex praecedentibus
eorum meritis, et ex divina acceptatione. (IIa-IIae q. 83 a. 11 ad 1)
1 — Daar de heiligen in de hemel zalig zijn, ontbreekt hun niets meer dan de heerlijkheid
van het lichaam, waarvoor zij bidden. Maar zij bidden voor ons, die de laatste vervolmaking
van de zaligheid missen. En hun gebeden hebben het vermogen om iets te verkrijgen
door hun verdiensten van vroeger en doordat God ze aanneemt.
Ad secundum dicendum quod sancti impetrant illud quod Deus vult fieri per orationes
eorum. Et hoc petunt quod aestimant eorum orationibus implendum secundum Dei voluntatem. (IIa-IIae q. 83 a. 11 ad 2)
2 — De heiligen verkrijgen datgene, waarvan God wil, dat het door hun gebeden zal geschieden.
En datgene vragen zij, wat zij denken dat naar Gods wil door hun gebeden vervuld zal
worden.
Ad tertium dicendum quod illi qui sunt in Purgatorio, etsi sint superiores nobis propter
impeccabilitatem, sunt tamen inferiores quantum ad poenas quas patiuntur. Et secundum
hoc non sunt in statu orandi, sed magis ut oretur pro eis. (IIa-IIae q. 83 a. 11 ad 3)
3 — Al staan zij, die in het vagevuur zijn, hoger dan wij, omdat zij niet kunnen zondigen,
toch staan zij om de straffen, die zij ondergaan, weer beneden ons. En in dit opzicht
zijn zij niet in een toestand om te bidden, maar waarin eerder voor hen gebeden moet
worden.
Ad quartum dicendum quod Deus vult inferiora per omnia superiora iuvari. Et ideo oportet
non solum superiores, sed etiam inferiores sanctos implorare. Alioquin esset solius
Dei misericordia imploranda. Contingit tamen quandoque quod imploratio inferioris
sancti efficacior est, vel quia devotius implorantur; vel quia Deus vult eorum sanctitatem
declarare. (IIa-IIae q. 83 a. 11 ad 4)
4 — God wil, dat het lagere door al het hogere wordt geholpen. En daarom moeten niet
alleen de grotere, maar ook de minder heiligen bidden. Anders zou men alleen Gods
barmhartigheid moeten aanroepen. Soms gebeurt het echter, dat het aanroepen van een
minder heilige meer uitwerking heeft, hetzij omdat zij met meer toewijding worden
aangeroepen, of omdat God hun heiligheid bekend wil maken.
Ad quintum dicendum quod quia sancti viventes meruerunt ut pro nobis orarent, ideo
eos invocamus nominibus quibus hic vocabantur, quibus etiam nobis magis innotescunt.
Et iterum propter fidem resurrectionis insinuandam, sicut legitur Exod. III, ego sum
Deus Abraham, et cetera. (IIa-IIae q. 83 a. 11 ad 5)
5 — Daar de heiligen bij hun leven verdiend hebben voor ons te bidden, roepen wij hen
aan met de namen, die zij hier droegen, waaronder zij ons ook meer bekend zijn. En
ook om het geloof in de verrijzenis aan te geven, zoals wij in het Boek van de Uittocht
(3, 6) lezen: « Ik ben de God van Abraham, » enz.
Articulus 12. Moet het gebed een mondgebed zijn?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod oratio non debeat esse vocalis. Oratio
enim, sicut ex dictis patet, principaliter Deo porrigitur. Deus autem locutionem cordis
cognoscit. Frustra igitur vocalis oratio adhibetur. (IIa-IIae q. 83 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het gebed geen mondgebed moet zijn. Want zoals uit het gezegde (4e
Art.) blijkt, richten wij het gebed vooral tot God. Nu kent God de woorden van ons
hart. Dus heeft het geen nut mondgebeden te gebruiken.
Praeterea, per orationem mens hominis debet in Deum ascendere, ut dictum est. Sed
voces retrahunt homines ab ascensu contemplationis in Deum, sicut et alia sensibilia.
Ergo in oratione non est vocibus utendum. (IIa-IIae q. 83 a. 12 arg. 2)
2 — Zoals werd gezegd (1e Art. 2e Antw.), moet de geest van de mens door het gebed tot
God opstijgen. Nu trekken woorden evenals al het zintuiglijke de mensen ervan af in
de beschouwing omhoog te stijgen naar God. Dus moet men bij het bidden geen woorden
gebruiken.
Praeterea, oratio debet offerri Deo in occulto, secundum illud Matth. VI, tu autem
cum oraveris, intra in cubiculum, et clauso ostio, ora patrem tuum in abscondito.
Sed per vocem oratio publicatur. Ergo non debet oratio esse vocalis. (IIa-IIae q. 83 a. 12 arg. 3)
3 — Het gebed moet in het verborgen God worden aangeboden naar het woord van Mattheus
(6, 6) : « Doch gij, als gij bidt, ga in uw binnenkamer en doe uw deur dicht en bid
tot uw Vader in het verborgen. » Nu wordt het gebed door woorden openbaar gemaakt.
Dus moet het gebed geen mondgebed zijn.
Sed contra est quod dicitur in Psalm., voce mea ad dominum clamavi, voce mea ad dominum
deprecatus sum. (IIa-IIae q. 83 a. 12 s. c.)
Maar daartegenover staat het psalmwoord: « Met mijn stem heb ik tot God geroepen,
met mijn stem tot de Heer gesmeekt. » (Ps. 141, 2)
Respondeo dicendum quod duplex est oratio, communis, et singularis. Communis quidem
oratio est quae per ministros Ecclesiae in persona totius fidelis populi Deo offertur.
Et ideo oportet quod talis oratio innotescat toti populo, pro quo profertur. Quod
non posset fieri nisi esset vocalis. Et ideo rationabiliter institutum est ut ministri
Ecclesiae huiusmodi orationes etiam alta voce pronuntient, ut ad notitiam omnium possit
pervenire. Oratio vero singularis est quae offertur a singulari persona cuiuscumque
sive pro se sive pro aliis orantis. Et de huiusmodi orationis necessitate non est
quod sit vocalis. Adiungitur tamen vox tali orationi triplici ratione. Primo quidem,
ad excitandum interiorem devotionem, qua mens orantis elevetur in Deum. Quia per exteriora
signa, sive vocum sive etiam aliquorum factorum, movetur mens hominis et secundum
apprehensionem, et per consequens secundum affectionem. Unde Augustinus dicit, ad
Probam, quod verbis et aliis signis ad augendum sanctum desiderium nosipsos acrius
excitamus. Et ideo in singulari oratione tantum est vocibus et huiusmodi signis utendum
quantum proficit ad excitandum interius mentem. Si vero mens per hoc distrahatur,
vel qualitercumque impediatur, est a talibus cessandum. Quod praecipue contingit in
illis quorum mens sine huiusmodi signis est sufficienter ad devotionem parata. Unde
Psalmista dicebat, tibi dixit cor meum, exquisivit te facies mea; et de Anna legitur,
I Reg. I, quod loquebatur in corde suo. Secundo, adiungitur vocalis oratio quasi ad
redditionem debiti, ut scilicet homo Deo serviat secundum totum illud quod ex Deo
habet, idest non solum mente, sed etiam corpore. Quod praecipue competit orationi
secundum quod est satisfactoria. Unde dicitur Osee ult., omnem aufer iniquitatem,
et accipe bonum, et reddemus vitulos labiorum nostrorum. Tertio, adiungitur vocalis
oratio ex quadam redundantia ab anima in corpus ex vehementi affectione, secundum
illud Psalm., laetatum est cor meum, et exultavit lingua mea. (IIa-IIae q. 83 a. 12 co.)
Er zijn twee soorten gebed: gemeenschappelijk en persoonlijk. Het gemeenschappelijke
is dat, wat door de dienaars van de Kerk in naam van geheel het gelovige volk aan
God wordt opgedragen. En daarom moet het aan het gehele volk, waarvoor het wordt opgedragen,
bekend zijn; wat onmogelijk is, tenzij het een mondgebed is. En daarom is het een
heel verstandige instelling, dat de dienaars van de Kerk deze gebeden zelfs met luider
stem moeten uitspreken, zodat allen het kunnen weten. Het persoonlijke gebed echter
is datgene, dat door ieder op zichzelf wordt opgedragen, hetzij voor zichzelf hetzij
voor anderen. En het is niet noodzakelijk, dat zo'n gebed een mondgebed is. Maar om
drie redenen komt ook bij dit gebed het uitspreken van woorden. Ten eerste om de innerlijke
toewijding, waardoor de geest van wie bidt zich tot God verheft, op te wekken. Want
door uitwendige tekens, hetzij woorden of anders iets, wordt de geest van de mens
bewogen, zowel wat de kennis als dientengevolge wat de gevoelens betreft. Daarom zegt
Augustinus, dat « wij onszelf door woorden en andere tekens sterker opwekken om het
heilige verlangen groter te maken. » En daarom moeten wij bij het persoonlijke gebed
alleen in zover woorden en andere tekens gebruiken, als goed is om innerlijk onze
geest op te wekken. Wordt de geest daardoor echter afgeleid of op een andere manier
belemmerd, dan moet men daarvan afzien. En dit zal vooral het geval zijn bij hen,
wier geest zonder deze tekens genoeg tot toewijding is voorbereid. Daarom zei de psalmist:
« Tot U heeft mijn hart gesproken: mijn aangezicht heeft naar U verlangd. » (Ps. 26,
8) en van Anna wordt in het Eerste Boek der Koningen (1, 13) gezegd, dat « zij in
haar hart sprak. » Ten tweede wordt er mondgebed bij gevoegd om ons als het ware van
onze schuld te kwijten, dat de mens nl. God dient met alles, wat hij van God heeft;
en dat is niet alleen met de geest, maar ook met het lichaam. Dat komt aan het gebed
vooral toe, in zover het voldoening geeft. Daarom staat bij Osee (14, 3): « Neem alle
ongerechtigheid weg en ontvang wat goed is, en wij zullen de offerdieren van onze
lippen geven. » Ten derde komt er mondgebed bij, doordat er door de hevigheid van
het gevoel iets van de ziel op het lichaam overvloeit, naar het psalmwoord: « Mijn
hart heeft zich verblijd en mijn tong gejubeld. » (Ps. 15, 9)
Ad primum ergo dicendum quod vocalis oratio non profertur ad hoc quod aliquid ignotum
Deo manifestetur, sed ad hoc quod mens orantis vel aliorum excitetur in Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 12 ad 1)
1 — Het gebed wordt met mondeling uitgesproken om God iets onbekends bekend te maken,
maar om de geest van wie bidt of een ander tot God te verheffen.
Ad secundum dicendum quod verba ad aliud pertinentia distrahunt mentem, et impediunt
devotionem orantis. Sed verba significantia aliquid ad devotionem pertinens excitant
mentes, praecipue minus devotas. (IIa-IIae q. 83 a. 12 ad 2)
2 — Woorden die op iets anders slaan leiden de geest af en belemmeren de toewijding van
wie bidt. Maar woorden, die iets wat met toewijding te maken heeft betekenen, wekken
de geesten, vooral de minder toegewijde, op.
Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., eo proposito dominus
vetat in conventu orare ut a conventu videatur. Unde orans nihil novum facere debet
quod aspiciant homines, vel clamando vel pectus percutiendo vel manus expandendo.
Nec tamen, ut Augustinus dicit, in libro de Serm. Dom. in monte, videri ab hominibus
nefas est, sed ideo haec agere ut ab hominibus videaris. (IIa-IIae q. 83 a. 12 ad 3)
3 — Zoals Chrysostomus zegt « verbiedt de Heer in een vergadering te bidden als de bedoeling
voorzit om er door gezien te worden. Daarom moet wie bidt niets opvallends doen, opdat
de mensen het zien: hij moet niet gaan schreeuwen, om door anderen gehoord te worden,
zijn borst floppen of zijn handen uitstrekken, om door velen gezien te worden. » «
En toch, » zegt Augustinus, « is het geen zonde door de mensen te worden gezien, maar
dit te doen, om door de mensen gezien te worden. »
Articulus 13. Is het voor het gebed noodzakelijk, dat het aandachtig is?
Ad tertiumdecimum sic proceditur. Videtur quod de necessitate orationis sit quod sit
attenta. Dicitur enim Ioan. IV, spiritus est Deus, et eos qui adorant eum, in spiritu
et veritate adorare oportet. Sed oratio non est in spiritu si non sit attenta. Ergo
de necessitate orationis est quod sit attenta. (IIa-IIae q. 83 a. 13 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het voor het gebed noodzakelijk is, dat het aandachtig is. Want bij
Joannes (4, 24) wordt gezegd: "God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten in geest
en waarheid aanbidden. » Nu geschiedt een gebed, dat niet aandachtig gebeurt, niet
in de geest. Dus is het voor het gebed noodzakelijk, dat het aandachtig is.
Praeterea, oratio est ascensus intellectus in Deum. Sed quando oratio non est attenta,
intellectus non ascendit in Deum. Ergo de necessitate orationis est quod sit attenta. (IIa-IIae q. 83 a. 13 arg. 2)
2 — « Het gebed is een opstijgen van de geest naar God." (Damascenus) Als het gebed echter
niet aandachtig is, stijgt de geest niet naar God op. Daarom is aandachtigheid voor
het gebed noodzakelijk.
Praeterea, de necessitate orationis est quod careat omni peccato. Sed non est absque
peccato quod aliquis orando evagationem mentis patiatur, videtur eum deridere Deum,
sicut et si alicui homini loqueretur et non attenderet ad ea quae ipse proferret.
Unde Basilius dicit, est divinum auxilium implorandum non remisse, nec mente huc illuc
evagante, eo quod talis non solum non impetrabit quod petit, sed et magis Deum irritabit.
Ergo de necessitate orationis esse videtur quod sit attenta. (IIa-IIae q. 83 a. 13 arg. 3)
3 — Voor het gebed is het noodzakelijk, dat het van iedere zonde vrij is. Nu kan iemand
bij het bidden niet zonder zonde aan verstrooiing lijden, want het schijnt, dat hij
God uitlacht als iemand, die tot een ander zou spreken en niet zou letten op wat hij
zei. Daarom ook zegt Basilius: « De goddelijke hulp moet noch lusteloos, noch met
een heen en weer zwervende geest worden gevraagd, want zo iemand zal niet alleen niet
krijgen, wat hij vraagt, maar veeleer God vertoornen. » Dus schijnt aandacht voor
het gebed noodzakelijk te zijn.
Sed contra est quod etiam sancti viri quandoque orantes evagationem mentis patiuntur,
secundum illud Psalm., cor meum dereliquit me. (IIa-IIae q. 83 a. 13 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat ook heilige mannen soms bij het gebed aan verstrooiingen
lijden, naar het psalmwoord: « Mijn hart verliet mij. » (Ps. 39, 13)
Respondeo dicendum quod quaestio haec praecipue locum habet in oratione vocali. Circa
quam sciendum est quod necessarium dicitur aliquid dupliciter. Uno modo, per quod
melius pervenitur ad finem. Et sic attentio absolute orationi necessaria est. Alio
modo dicitur aliquid necessarium sine quo res non potest consequi suum effectum. Est
autem triplex effectus orationis. Primus quidem communis omnibus actibus caritate
informatis, quod est mereri. Et ad hunc effectum non ex necessitate requiritur quod
attentio adsit orationi per totum, sed vis primae intentionis qua aliquis ad orandum
accedit, reddit totam orationem meritoriam, sicut in aliis meritoriis actibus accidit.
Secundus autem effectus orationis est ei proprius, quod est impetrare. Et ad hunc
etiam effectum sufficit prima intentio, quam Deus principaliter attendit. Si autem
prima intentio desit, oratio nec meritoria est nec impetrativa, illam enim orationem
Deus non audit cui ille qui orat non intendit, ut Gregorius dicit. Tertius autem effectus
orationis est quem praesentialiter efficit, scilicet quaedam spiritualis refectio
mentis. Et ad hoc de necessitate requiritur in oratione attentio. Unde dicitur I Cor.
XIV, si orem lingua, mens mea sine fructu est. Sciendum tamen quod est triplex attentio
quae orationi vocali potest adhiberi. Una quidem qua attenditur ad verba, ne quis
in eis erret. Secunda qua attenditur ad sensum verborum. Tertia qua attenditur ad
finem orationis, scilicet ad Deum et ad rem pro qua oratur, quae quidem est maxime
necessaria. Et hanc etiam possunt habere idiotae. Et quandoque intantum abundat haec
intentio, qua mens fertur in Deum, ut etiam omnium aliorum mens obliviscatur, sicut
dicit Hugo de sancto Victore. (IIa-IIae q. 83 a. 13 co.)
Deze vraag komt vooral ter sprake bij het mondgebed. En wat dit betreft, moet men
weten, dat iets op twee manieren noodzakelijk wordt genoemd. Ten eerste als datgene,
waarmee men beter het doel bereikt. En zo is aandacht zonder voorbehoud noodzakelijk
voor het gebed. — Ten tweede noemt men iets noodzakelijk, als iets zonder dat zijn
doel niet kan bereiken. Nu heeft het gebed een driedubbel gevolg. Het eerste is gemeen
aan alle door de liefde gevormde daden, nl. verdienen. En voor dit gevolg is het geen
noodzakelijke vereiste, dat er bij het gehele gebed aandacht is, maar de kracht van
de eerste bedoeling, waarmee iemand begon te bidden, maakt het gehele gebed verdienstelijk,
zoals ook bij de andere verdienstelijke handelingen gebeurt. Het tweede gevolg van
het gebed is er aan eigen, nl. iets verkrijgen. En ook voor dit gevolg is de eerste
bedoeling, waarop God vooral let, voldoende. Ontbreekt echter de eerste bedoeling,
dan heeft het gebed noch verdiensten, noch verkrijgt het iets, want « dat gebed verhoort
God niet, waar hij die bidt, niet op let, » zoals Gregorius zegt. Het derde gevolg
van het gebed is echter, wat het onmiddellijk uitwerkt, nl. een geestelijke verkwikking
van de geest. En hiervoor is aandacht bij het gebed noodzakelijk. Daarom staat in
de Eerste Brief aan de Korinthiërs (14, 14) : « Als ik met de tong bid, blijft mijn
geest zonder vrucht. » Men moet echter weten, dat er bij het mondgebed drie soorten
aandacht kunnen zijn. Één gericht op de woorden om zich daarin niet te vergissen.
De tweede op de betekenis van de woorden. De derde op het doel van het gebed, nl.
op God en de dingen, waarvoor men bidt; en deze vooral is het meest noodzakelijk.
En deze kunnen ook ongeletterden hebben. En soms is er zo'n overvloed van dit soort
aandacht, waarmee de geest zich op God richt, dat de geest al het andere vergeet,
zoals Hugo van Sint Victor zegt.
Ad primum ergo dicendum quod in spiritu et veritate orat qui ex instinctu spiritus
ad orandum accedit, etiam si ex aliqua infirmitate mens postmodum evagetur. (IIa-IIae q. 83 a. 13 ad 1)
1 — In geest en waarheid bidt hij, die aangedreven door de Geest gaat bidden, ook als
de geest door zwakheid naderhand verstrooid raakt.
Ad secundum dicendum quod mens humana, propter infirmitatem naturae, diu in alto stare
non potest, pondere enim infirmitatis humanae deprimitur anima ad inferiora. Et ideo
contingit quod quando mens orantis ascendit in Deum per contemplationem, subito evagetur
ex quadam infirmitate. (IIa-IIae q. 83 a. 13 ad 2)
2 — De menselijke geest kan door de zwakheid van zijn natuur niet lang bij het hoge blijven;
want door het gewicht van de menselijke zwakheid wordt de ziel omlaag gedrukt. En
daarom komt het voor, dat als de geest van wie bidt door de beschouwing naar God omhoog
stijgt, hij plotseling door zwakheid verstrooid wordt.
Ad tertium dicendum quod si quis ex proposito in oratione mente evagetur, hoc peccatum
est, et impedit orationis fructum. Et contra hoc Augustinus dicit, in regula, Psalmis
et hymnis cum oratis Deum, hoc versetur in corde quod profertur in ore. Evagatio vero
mentis quae fit praeter propositum, orationis fructum non tollit. Unde Basilius dicit,
si vero, debilitatus a peccato, fixe nequis orare, quantumcumque potes teipsum cohibeas,
et Deus ignoscit, eo quod non ex negligentia, sed ex fragilitate non potes, ut oportet,
assistere coram eo. (IIa-IIae q. 83 a. 13 ad 3)
3 — Als iemand met opzet onder het gebed met zijn geest afgeleid wordt, is dat zonde en
een beletsel voor de vrucht van het gebed. En daartegen zegt Augustinus: « Als gij
God bidt met psalmen en lofzangen, overweegt dan in uw hart, wat uw mond uitspreekt.
» Maar geestesverstrooiing, die zonder opzet plaats heeft, neemt de vrucht van het
gebed niet weg. Daarom zegt Basilius: « Als gij echter door de zonde verzwakt niet
zonder verstrooiing kunt bidden, beheers dan uzelf, zoveel ge kunt, en God vergeeft
het; omdat gij niet door nalatigheid, maar door zwakheid niet voor Hem kunt staan
zoals het behoort. »
Articulus 14. Moet het gebed langdurig zijn?
Ad quartumdecimum sic proceditur. Videtur quod oratio non debeat esse diuturna. Dicitur
enim Matth. VI, orantes nolite multum loqui. Sed oportet multum loqui diu orantem,
praesertim si oratio sit vocalis. Ergo non debet esse oratio diuturna. (IIa-IIae q. 83 a. 14 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het gebed niet langdurig moet zijn. Want bij Mattheus (6, 7) wordt
gezegd: "Wilt niet veel zeggen, als gij bidt. » Maar als iemand lang bidt, moet hij
veel zeggen, vooral als het een mondgebed is. Dus moet het gebed niet langdurig zijn.
Praeterea, oratio est explicativa desiderii. Sed desiderium tanto est sanctius quanto
magis ad unum restringitur, secundum illud Psalm., unam petii a domino, hanc requiram.
Ergo et oratio tanto est Deo acceptior quanto est brevior. (IIa-IIae q. 83 a. 14 arg. 2)
2 — Het gebed legt het verlangen uit. Nu is het verlangen zoveel te heiliger, naarmate
het zich meer op één ding samentrekt, naar het psalmwoord: « Één ding heb ik van de
Heer gevraagd, hierom zal ik smeken. » (Ps. 26, 4) Dus is het gebed God aangenamer,
naarmate het korter is.
Praeterea, illicitum videtur esse quod homo transgreditur terminos a Deo praefixos,
praecipue in his quae pertinent ad cultum divinum, secundum illud Exod. XIX, contestare
populum, ne forte velit transcendere propositos terminos ad videndum dominum, et pereat
ex eis plurima multitudo. Sed a Deo praefixus est nobis terminus orandi per institutionem
orationis dominicae, ut patet Matth. VI. Ergo non licet ultra orationem protendere. (IIa-IIae q. 83 a. 14 arg. 3)
3 — Het schijnt de mens verboden de grenzen te overschrijden, die God gesteld heeft, vooral
als het de verering van God betreft, naar het Boek van de Uittocht (19, 21) : "Bezweer
dit volk, dat het misschien de vastgestelde grenzen niet zou willen overschrijden
om de Heer te zien, zodat een zeer grote menigte van hen zou omkomen. » Nu zijn ons
door God grenzen gesteld voor het gebed, door de instelling van het Gebed des Heeren,
zoals bij Mattheus (6, 9) blijkt. Dus mag men het gebed niet langer maken.
Sed contra, videtur quod continue sit orandum. Quia dominus dicit, Luc. XVIII, oportet
semper orare, et non deficere. Et I ad Thess. V, sine intermissione orate. (IIa-IIae q. 83 a. 14 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat men schijnbaar voortdurend moet bidden. Want de Heer
zegt bij Lucas (18, 1) : « Men moet altijd bidden en niet ophouden. » En in de Eerste
Brief aan de Thessalonicensen (5, 17) staat: "Bidt zonder ophouden. »
Respondeo dicendum quod de oratione dupliciter loqui possumus, uno modo, secundum
seipsam; alio modo, secundum causam suam. Causa autem orationis est desiderium caritatis,
ex quo procedere debet oratio. Quod quidem in nobis debet esse continuum vel actu
vel virtute, manet enim virtus huius desiderii in omnibus quae ex caritate facimus;
omnia autem debemus in gloriam Dei facere, ut dicitur I ad Cor. X. Et secundum hoc
oratio debet esse continua. Unde Augustinus dicit, ad Probam, in ipsa fide, spe et
caritate continuato desiderio semper oramus. Sed ipsa oratio secundum se considerata
non potest esse assidua, quia oportet aliis operibus occupari. Sed, sicut Augustinus
ibidem dicit, ideo per certa intervalla horarum et temporum etiam verbis rogamus Deum,
ut illis rerum signis nosipsos admoneamus; quantumque in hoc desiderio profecerimus,
nobis ipsis innotescamus; et ad hoc agendum nosipsos acrius excitemus. Uniuscuiusque
autem rei quantitas debet esse proportionata fini, sicut quantitas potionis sanitati.
Unde et conveniens est ut oratio tantum duret quantum est utile ad excitandum interioris
desiderii fervorem. Cum vero hanc mensuram excedit, ita quod sine taedio durare non
possit, non est ulterius oratio protendenda. Unde Augustinus dicit, ad Probam, dicuntur
fratres in Aegypto crebras quidem habere orationes, sed eas tamen brevissimas, et
raptim quodammodo iaculatas, ne illa vigilanter erecta, quae oranti plurimum necessaria
est, per productiores moras evanescat atque hebetetur intentio. Ac per hoc etiam ipsi
satis ostendunt hanc intentionem, sicut non esse obtundendam si perdurare non potest,
ita, si perduraverit, non cito esse rumpendam. Et sicut hoc est attendendum in oratione
singulari per comparationem ad intentionem orantis, ita etiam in oratione communi
per comparationem ad populi devotionem. (IIa-IIae q. 83 a. 14 co.)
Op twee manieren kunnen wij over het gebed spreken, ten eerste op zichzelf, ten tweede
in zijn oorzaak beschouwd. Nu is het verlangen van de liefde, waaruit het gebed moet
voortkomen, de oorzaak van het gebed. En dat moet in ons ofwel daadwerkelijk of wat
zijn nawerking aangaat onafgebroken bestaan, omdat de werking van dit verlangen in
alles, wat wij uit liefde doen, blijft; want wij moeten « alles doen tot eer van God,
» zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 31) staat. En in dit opzicht moet
het gebed onafgebroken zijn. Daarom zegt Augustinus: « In geloof, hoop en liefde zelf
bidden wij met een steeds voortdurend verlangen. » Het gebed op zichzelf beschouwd
daarentegen kan niet onafgebroken zijn, omdat wij ons ook met ander werk moeten bezighouden.
Maar, zoals Augustinus zegt, « de reden, waarom wij bij vaste tussenpozen van uren
en tijden God ook met woorden uitdrukkelijk iets vragen is, om door die tekens van
dingen onszelf te vermanen; om zelf te zien, hoeveel wij in dat verlangen vooruit
zijn gegaan, en om onszelf tot groter verlangen ijveriger op te wekken. » Nu moet
de hoeveelheid van ieder ding aan zijn doel beantwoorden, zoals de hoeveelheid drank
aan de gezondheid. Het is daarom goed, dat het gebed zo lang duurt als nuttig is
om het vuur van het inwendige verlangen op te wekken. Gaat het echter boven deze maat,
zodat het zonder verveling niet kan voortduren, dan moet het gebed niet langer worden
voortgezet. Daarom zegt Augustinus: « Men zegt, dat de broeders in Egypte wel veelvuldige
gebeden hebben, maar ze zijn zeer kort, en als het ware snel opgezonden, opdat de
waakzaam opgewekte aandacht, die voor wie bidt hoogst noodzakelijk is, door te lange
duur niet verdwijnt en afstompt. En hierdoor laten zij ook zien, dat zoals de aandacht
niet afgemat worden moet, als zij niet kan voortduren, zij ook niet vlug afgebroken
moet worden, als zij voortduurt. » En zoals men dit bij het persoonlijke gebed moet
regelen in verhouding tot de bedoeling van wie bidt, zo moet dat ook bij het algemene
gebed in verhouding tot de toewijding van het volk.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Probam, non est hoc orare
in multiloquio, si diutius oretur. Aliud est sermo multus; aliud diuturnus affectus.
Nam et de ipso domino scriptum est quod pernoctaverit in orando, et quod prolixius
oraverit, ut nobis praeberet exemplum. Et postea subdit, absit ab oratione multa locutio,
sed non desit multa precatio, si fervens perseverat intentio. Nam multum loqui est
in orando rem necessariam superfluis agere verbis. Plerumque autem hoc negotium plus
gemitibus quam sermonibus agitur. (IIa-IIae q. 83 a. 14 ad 1)
1 — Zoals Augustinus zegt, "is dat nog niet direct bidden met veel woorden, als er langdurig
gebeden wordt. Want er is verschil tussen veel praten en een langdurend gevoel. Van
de Heer zelf wordt immers ook gezegd, dat Hij de nacht in gebed doorbracht en dat
Hij langduriger bad, om ons een voorbeeld te geven. » En verderop voegt hij eraan
toe: « Laten er niet veel woorden bij het gebed zijn, maar laai het niet aan veel
bidden ontbreken, als de vurige aandacht blijft. Want veel spreken betekent dat bij
het bidden het noodzakelijke met overbodige woorden wordt naar voren gebracht. Maar
men doet dat meestal meer met verzuchtingen dan met woorden.
Ad secundum dicendum quod prolixitas orationis non consistit in hoc quod multa petantur,
sed in hoc quod affectus continuetur ad unum desiderandum. (IIa-IIae q. 83 a. 14 ad 2)
2 — Het voortduren van het gebed bestaat niet hierin, dat er veel dingen worden gevraagd,
maar dat het gevoel, waarmee men naar een ding verlangt, voortduurt.
Ad tertium dicendum quod dominus non instituit hanc orationem ut his solis verbis
uti debeamus in orando, sed quia ad haec sola impetranda debet tendere nostrae orationis
intentio, qualitercumque ea proferamus vel cogitemus. (IIa-IIae q. 83 a. 14 ad 3)
3 — De Heer stelde dit gebed niet in opdat wij alleen deze woorden bij het bidden zouden
moeten gebruiken; maar dat de bedoeling van ons gebed er alleen naar moet uitgaan
deze dingen te verkrijgen, hoe wij het ook uitdrukken of denken.
Ad quartum dicendum quod aliquis continue orat, vel propter continuitatem desiderii,
ut dictum est. Vel quia non intermittit quin temporibus statutis oret. Vel propter
effectum, sive in ipso orante, qui etiam post orationem remanet magis devotus; sive
etiam in alio, puta cum aliquis suis beneficiis provocat alium ut pro se oret, etiam
quando ipse ab orando quiescit. (IIa-IIae q. 83 a. 14 ad 4)
4 — (Het tegenbewijs.) Iemand bidt voortdurend, ofwel omdat zijn verlangen voortduurt,
zoals is gezegd (in de leerst.); ofwel omdat hij niet ophoudt op vastgestelde tijden
te bidden; ofwel om het gevolg, hetzij in de bidder zelf, die ook na het gebed meer
toegewijd blijft, hetzij in een ander, b.v. als iemand door zijn weldaden een ander
aanzet om voor hem te bidden, ook als hijzelf ophoudt met bidden en rust.
Articulus 15. Is bidden verdienstelijk?
Ad quintumdecimum sic proceditur. Videtur quod oratio non sit meritoria. Omne enim
meritum procedit a gratia. Sed oratio praecedit gratiam, quia etiam ipsa gratia per
orationem impetratur, secundum illud Luc. XI, pater vester de caelo dabit spiritum
bonum petentibus se. Ergo oratio non est actus meritorius. (IIa-IIae q. 83 a. 15 arg. 1)
1 — Men beweert, dat bidden niet verdienstelijk is. Want alle verdiensten komen van de
genade. Maar het bidden komt vóór de genade, omdat ook de genade zelf door het gebed
wordt verkregen naar het woord van Lucas (11, 13) : « Uw vader zal uit de hemel de
goede geest geven aan wie Hem vragen. » Dus is het gebed geen verdienstelijke daad.
Praeterea, si oratio aliquid meretur, maxime videtur mereri illud quod orando petitur.
Sed hoc non semper meretur, quia multoties etiam sanctorum orationes non exaudiuntur;
sicut Paulus non est exauditus petens removeri a se stimulum carnis. Ergo oratio non
est actus meritorius. (IIa-IIae q. 83 a. 15 arg. 2)
2 — Als het gebed iets verdient, schijnt vooral dat verdiend te worden, wat in het gebed
wordt gevraagd. Maar dat wordt niet altijd verdiend, omdat dikwijls zelfs de gebeden
van Heiligen niet worden verhoord, zoals Paulus niet werd verhoord, toen hij vroeg,
dat de prikkel van het vlees van hem zou worden weggenomen. (2 Cor. 12, 7) Dus is
bidden geen verdienstelijke daad.
Praeterea, oratio praecipue fidei innititur, secundum illud Iac. I, postulet autem
in fide, nihil haesitans. Fides autem non sufficit ad merendum, ut patet in his qui
habent fidem informem. Ergo oratio non est actus meritorius. (IIa-IIae q. 83 a. 15 arg. 3)
3 — Het gebed steunt vooral op het geloof naar het woord van Jacobus: « Hij vrage met
geloof zonder te twijfelen. » (Jac. 1, 6) Nu is het geloof echter niet voldoende om
te verdienen, zoals blijkt bij hen, die een niet door de liefde gevormd geloof hebben.
Dus is bidden geen verdienstelijke daad.
Sed contra est quod super illud Psalm., oratio mea in sinu meo convertetur, dicit
Glossa, etsi eis non profuit, ego tamen non sum frustratus mea mercede. Merces autem
non debetur nisi merito. Ergo oratio habet rationem meriti. (IIa-IIae q. 83 a. 15 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij het psalmwoord: « Mijn gebed keert in mijn hart
terug, » (Ps. 34, 13) de Glossa zegt: « Ook al had het voor hen geen voordeel, ik
heb toch mijn loon niet gemist. » Nu komt loon alleen aan verdienste toe. Dus geeft
het gebed uiteraard verdiensten.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, oratio, praeter effectum spiritualis consolationis
quam praesentialiter affert, duplicem habet virtutem respectu futuri effectus, scilicet
virtutem merendi, et virtutem impetrandi. Oratio autem, sicut et quilibet alius actus
virtutis, habet efficaciam merendi inquantum procedit ex radice caritatis, cuius proprium
obiectum est bonum aeternum, cuius fruitionem meremur. Procedit tamen oratio a caritate
mediante religione, cuius est actus oratio ut dictum est; concomitantibus etiam quibusdam
aliis virtutibus quae ad bonitatem orationis requiruntur, scilicet humilitate et fide.
Ad religionem enim pertinet ipsam orationem Deo offerre. Ad caritatem vero pertinet
desiderium rei cuius complementum oratio petit. Fides autem est necessaria ex parte
Dei, quem oramus, ut scilicet credamus ab eo nos posse obtinere quod petimus. Humilitas
autem est necessaria ex parte ipsius petentis, qui suam indigentiam recognoscit. Est
etiam et devotio necessaria, sed haec ad religionem pertinet, cuius est primus actus,
necessarius ad omnes consequentes, ut supra dictum est. Efficaciam autem impetrandi
habet ex gratia Dei, quem oramus, qui etiam nos ad orandum inducit. Unde Augustinus
dicit, in libro de Verb. Dom., non nos hortaretur ut peteremus, nisi dare vellet.
Et Chrysostomus dicit, nunquam oranti beneficia denegat qui ut orantes non deficiant
sua pietate instigat. (IIa-IIae q. 83 a. 15 co.)
Zoals (in het 13e Art.) is gezegd, heeft het gebed behalve voor het gevolg van de
geestelijke troost, die het onmiddellijk meebrengt, kracht met betrekking tot een
dubbel toekomstig gevolg: nl. kracht om te verdienen en kracht om te verkrijgen. Nu
werkt het gebed als iedere andere daad van deugd verdienste uit, in zover het voortspruit
uit de wortel van de liefde, waar het eeuwige goed, dat wij verdienen te genieten,
het voorwerp van is. Nu komt het gebed door de godsdienstigheid, waarvan bidden, zoals
gezegd is (3e Art.) een daad is, uit de liefde voort, terwijl er nog enige andere
deugden, die voor een goed gebed vereist worden, bij komen, nl. nederigheid en geloof.
Want het behoort tot de godsdienstigheid het gebed zelf aan God aan te bieden. Tot
de liefde behoort het verlangen naar de zaak, waarvan het gebed de vervulling vraagt.
Het geloof is echter nodig bezien van de kant van God, tot wie wij bidden; het is
nl. nodig dat wij geloven van Hem te kunnen krijgen wat wij vragen. Maar nederigheid
is nodig van de kant van wie vraagt zelf, die zijn hulpbehoevendheid erkent. Ook is
nog toewijding nodig, maar die valt onder de godsdienstigheid, waarvan zij de eerste
daad is, nodig voor alle volgenden, zoals boven (82e Kw. Art. 1 en 2) gezegd is. Kracht
om te verkrijgen heeft het echter door de genade van God, die wij bidden en die ons
ook tot bidden brengt. Daarom zegt ook Augustinus: « Hij zou ons niet aansporen om
te vragen, als Hij niet wilde geven. » En Chrysostomus zegt: « Nooit weigert Hij aan
wie bidt Zijn weldaden, Die door Zijn liefde aanzet om bij het bidden niet te bezwijken.
»
Ad primum ergo dicendum quod oratio quae est sine gratia gratum faciente meritoria
non est, sicut nec aliquis alius actus virtuosus. Et tamen etiam oratio quae impetrat
gratiam gratum facientem procedit ex aliqua gratia, quasi ex gratuito dono, quia ipsum
orare est quoddam donum Dei, ut Augustinus dicit, in libro de perseverantia. (IIa-IIae q. 83 a. 15 ad 1)
1 — Gebed zonder heiligmakende genade is niet verdienstelijk, zoals geen enkele andere
daad van deugd. En toch komt ook het gebed, dat om de heiligmakende genade vraagt,
uit een genade voort als uit een om niet gegeven gave, omdat het bidden zelf een «
gift van God is, » zoo als Augustinus zegt.
Ad secundum dicendum quod ad aliud principaliter respicit meritum orationis quandoque
quam ad id quod petitur, meritum enim praecipue ordinatur ad beatitudinem; sed petitio
orationis directe se extendit quandoque ad aliqua alia, ut ex dictis patet. Si ergo
illud aliud quod petit aliquis pro seipso, non sit ei ad beatitudinem utile, non meretur
illud, sed quandoque hoc petendo et desiderando meritum amittit, puta si petat a Deo
complementum alicuius peccati, quod est non pie orare. Quandoque vero non est necessarium
ad salutem, nec manifeste saluti contrarium. Et tunc, licet orans possit orando mereri
vitam aeternam, non tamen meretur illud obtinere quod petit. Unde Augustinus dicit,
in libro sententiarum prosperi, fideliter supplicans Deo pro necessitatibus huius
vitae, et misericorditer auditur, et misericorditer non auditur. Quid enim infirmo
sit utile magis novit medicus quam aegrotus. Et propter hoc etiam Paulus non est exauditus
petens amoveri stimulum carnis, quia non expediebat. Si vero id quod petitur sit utile
ad beatitudinem hominis, quasi pertinens ad eius salutem, meretur illud non solum
orando, sed etiam alia bona opera faciendo. Et ideo indubitanter accipit quod petit,
sed quando debet accipere, quaedam enim non negantur, sed ut congruo dentur tempore,
differuntur, ut Augustinus dicit, super Ioan. Quod tamen potest impediri, si in petendo
non perseveret. Et propter hoc dicit Basilius, ideo quandoque petis et non accipis,
quia perperam postulasti, vel infideliter vel leviter, vel non conferentia tibi, vel
destitisti. Quia vero homo non potest alii mereri vitam aeternam ex condigno, ut supra
dictum est; ideo per consequens nec ea quae ad vitam aeternam pertinent potest aliquando
aliquis ex condigno alteri mereri. Et propter hoc non semper ille auditur qui pro
alio orat, ut supra habitum est. Et ideo ponuntur quatuor conditiones, quibus concurrentibus,
semper aliquis impetrat quod petit, ut scilicet pro se petat, necessaria ad salutem,
pie et perseveranter. (IIa-IIae q. 83 a. 15 ad 2)
2 — Soms slaat de verdienste van het gebed op iets anders, dan op wat gevraagd wordt;
want de verdienste is vooral op de zaligheid gericht, maar het vragen van wie bidt
slaat soms rechtstreeks op iets anders, zoals uit het gezegde (6e Art.) blijkt. Als
dus dat andere wat iemand voor zichzelf vraagt, hem niet voor de zaligheid van nut
is, verdient hij dat niet; maar soms verliest hij de verdienste door dat te vragen
en te verlangen, b. v. als iemand van God het volbrengen van een zonde vraagt, wat
goddeloos bidden is. — Soms echter is het niet noodzakelijk voor de zaligheid, noch
duidelijk daarmee in strijd. En al kan iemand, die bidt, dan door te bidden het eeuwige
leven verdienen, toch verdient hij niet te verkrijgen wat hij vraagt. Daarom zegt
Augustinus: « Wie getrouw God smeedt om wat voor dit leven nodig is, wordt met barmhartigheid
verhoord en niet verhoord. Want wat voor een zieke nuttig is, weet de geneesheer beter
dan de zieke. » Daarom is zelfs Paulus niet verhoord, toen hij vroeg, dat de prikkel
van het vlees zou worden weggenomen, omdat het voor hem niet goed was. — Is echter
wat gevraagd wordt nuttig voor de zaligheid van de mens, omdat het daartoe behoort,
dan wordt het niet alleen door bidden verdiend, maar ook door het doen van andere
goede werken. En daarom krijgt hij zonder twijfel wat hij vraagt, maar als hij het
moet krijgen: « Want sommige dingen worden niet geweigerd, maar uitgesteld om op een
geschikten tijd te worden gegeven », zoals Augustinus zegt. Dat kan echter verhinderd
worden, als hij in het vragen niet volhardt. En daarom zegt Basilius: « De reden Waarom
gij soms bidt en niets verkrijgt is, omdat gij verkeerd hebt gevraagd, of ongetrouw
of lichtzinnig, of wat niet goed voor u was, of gij hebt ermee opgehouden. » Daar
de mens echter het eeuwige leven voor een ander niet gelijkwaardig verdienen kan,
zoals vroeger (I-II. 114e Kw. 6e Art.) gezegd is, kan dientengevolge ook niemand voor
een ander dat wat bij het eeuwige leven hoort gelijkwaardig verdienen. Daarom wordt
wie voor een ander bidt, ook niet altijd verhoord, zoals boven (7e Art. 2e en 3e Antw.)
uiteengezet is. En daarom worden er vier voorwaarden opgegeven, en als die tegelijk
worden vervuld, krijgt iemand altijd, wat hij vraagt, dat hij nl. voor zichzelf, wat
voor de zaligheid nodig is, godvruchtig en volhardend vraagt.
Ad tertium dicendum quod oratio innititur principaliter fidei non quantum ad efficaciam
merendi, quia sic innititur principaliter caritati, sed quantum ad efficaciam impetrandi.
Quia per fidem habet homo notitiam omnipotentiae divinae et misericordiae, ex quibus
oratio impetrat quod petit. (IIa-IIae q. 83 a. 15 ad 3)
3 — Het gebed steunt niet wat de kracht om te verdienen betreft, voornamelijk op het geloof,
omdat het onder dat opzicht op de liefde steunt, maar wat het vermogen om iets te
verkrijgen betreft. Want de mens heeft door het geloof enig begrip van Gods almacht
en barmhartigheid, waarvan het gebed, dat wat het vraagt verkrijgt.
Articulus 16. Krijgen de zondaars als ze bidden iets van God?
Ad sextumdecimum sic proceditur. Videtur quod peccatores orando non impetrent aliquid
a Deo. Dicitur enim Ioan. IX, scimus quia peccatores Deus non audit. Quod consonat
ei quod dicitur Prov. XXVIII, qui declinat aures suas ne audiat legem, oratio eius
erit execrabilis, oratio autem execrabilis non impetrat aliquid a Deo. Ergo peccatores
non impetrant aliquid a Deo. (IIa-IIae q. 83 a. 16 arg. 1)
1 — Men beweert, dat zondaars door te bidden niets van God verkrijgen. Want bij Joannes
(9, 31) staat geschreven: « Wij weten, dat God zondaars niet hoort. » En dat komt
overeen met wat in het Boek der Spreuken (28, 9) gezegd wordt: « Van hem, die zijn
oren afwendt om de Wet niet te horen, is het gebed verfoeilijk. » Maar een verfoeilijk
gebed verkrijgt niets van God. Dus verkrijgen de zondaars niets van God.
Praeterea, iusti impetrant a Deo illud quod merentur, ut supra habitum est. Sed peccatores
nihil possunt mereri, quia gratia carent, et etiam caritate, quae est virtus pietatis,
ut dicit Glossa, II ad Tim. III, super illud, habentes quidem speciem pietatis, virtutem
autem eius abnegantes; et ita non pie orant, quod requiritur ad hoc quod oratio impetret,
ut supra dictum est. Ergo peccatores nihil impetrant orando. (IIa-IIae q. 83 a. 16 arg. 2)
2 — Rechtvaardigen krijgen van God wat zij verdienen, zoals vroeger (vorig Art.) is gezegd.
Nu kunnen zondaars niets verdienen omdat zij de genade missen, en ook de liefde, die
de deugd van godsvrucht is, zoals de Glossa zegt bij de Tweede Brief aan Timoteüs
(3, 5) : « Die de schijn van godsvrucht wel hebben, maar er de kracht van verworpen
hebben, » en zo bidden zij niet godsvruchtig, wat nodig is om het gebed iets te laten
verkrijgen, zoals boven (vorig Art.) gezegd is. Dus verkrijgen de zondaars door het
gebed niets.
Praeterea, Chrysostomus dicit, super Matth., pater non libenter exaudit orationem
quam filius non dictavit. Sed in oratione quam Christus dictavit dicitur, dimitte
nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostris, quod peccatores
non faciunt. Ergo vel mentiuntur hoc dicentes, et sic non sunt exauditione digni,
vel, si non dicant, non exaudiuntur, quia formam orandi a Christo institutam non servant. (IIa-IIae q. 83 a. 16 arg. 3)
3 — Chrysostomus zegt: « De Vader hoort niet graag het gebed, dat de Zoon niet ingegeven
heeft. » Nu wordt in het door Christus ingegeven gebed gezegd: « Vergeef ons onze
schulden, zoals wij aan anderen hun schuld vergeven, » en dat doen de zondaars niet.
Dus ofwel liegen zij, en dan zijn zij niet waardig verhoord te worden; of als zij
dit niet zeggen, worden zij niet verhoord, omdat zij de door Christus ingestelde vorm
van gebed niet in acht nemen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, super Ioan., si peccatores non exaudiret Deus,
frustra publicanus dixisset, domine, propitius esto mihi peccatori. Et Chrysostomus
dicit, super Matth., omnis qui petit accipit, idest, sive iustus sit sive peccator. (IIa-IIae q. 83 a. 16 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt: « Als God de zondaars niet verhoorde,
zou de tollenaar tevergeefs hebben gezegd: Heer, wees mij zondaar genadig. » En Chrysostomus
zegt: "Iedereen, die vraagt, verkrijgt, d. w .z. hetzij rechtvaardige of zondaar.
»
Respondeo dicendum quod in peccatore duo sunt consideranda, scilicet natura, quam
diligit Deus; et culpa, quam odit. Si ergo peccator orando aliquid petit inquantum
peccator, idest secundum desiderium peccati, hoc a Deo non auditur ex misericordia,
sed quandoque auditur ad vindictam, dum Deus permittit peccatorem adhuc amplius ruere
in peccata, Deus enim quaedam negat propitius quae concedit iratus, ut Augustinus
dicit. Orationem vero peccatoris ex bono naturae desiderio procedentem Deus audit,
non quasi ex iustitia, quia peccator hoc non meretur, sed ex pura misericordia, observatis
tamen quatuor praemissis conditionibus, ut scilicet pro se petat, necessaria ad salutem,
pie et perseveranter. (IIa-IIae q. 83 a. 16 co.)
In een zondaar kan men twee dingen beschouwen, nl. de natuur, die God liefheeft, en
de schuld, die Hij haat. Vraagt dus een zondaar in het gebed iets als zondaar, d.
i. iets wat in overeenstemming is met het verlangen naar de zonde, dan verhoort God
dit niet uit barmhartigheid, maar soms verhoort Hij dit tot straf, als God toelaat,
dat de zondaar zich nog verder in de zonde stort, want « God weigert sommige dingen
uit goedheid, die Hij uit toorn wel geeft, » zoals Augustinus zegt. God verhoort
echter het gebed van een zondaar, dat uit het goede natuurlijke verlangen voortkomt,
niet alsof Hij dat uit rechtvaardigheid deed, omdat de zondaar dat niet verdient;
maar uit zuivere barmhartigheid; maar alleen als de vier bovengenoemde voorwaarden
(vorig Art. 2e Antw.), vervuld zijn, dat hij nl. voor zichzelf, godvruchtig, en volhardend
vraagt, wat voor de zaligheid noodzakelijk is.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., illud verbum est
caeci adhuc inuncti, idest nondum perfecte illuminati. Et ideo non est ratum. Quamvis
possit verificari si intelligatur de peccatore inquantum est peccator. Per quem etiam
modum oratio eius dicitur execrabilis. (IIa-IIae q. 83 a. 16 ad 1)
1 — Zoals Augustinus zegt, is het aangehaalde woord gezegd door de blinde, "toen hij nog
niet gezalfd, » d. w. z. nog niet volkomen verlicht was. En daarom moet men er niet
mee instemmen. — Toch zou het waarheid kunnen bevatten, als men het verstond van een
zondaar precies als zondaar. Op deze manier wordt zijn gebed ook verfoeilijk genoemd.
Ad secundum dicendum quod peccator non potest pie orare quasi eius oratio ex habitu
virtutis informetur. Potest tamen eius oratio esse pia quantum ad hoc quod petit aliquid
ad pietatem pertinens, sicut ille qui non habet habitum iustitiae, potest aliquid
iustum velle, ut ex supradictis patet. Et quamvis eius oratio non sit meritoria, potest
tamen esse impetrativa, quia meritum innititur iustitiae, sed impetratio gratiae. (IIa-IIae q. 83 a. 16 ad 2)
2 — Een zondaar kan niet godvruchtig bidden in die zin, dat zijn gebed door die deugd
wordt bezield. Maar zijn gebed kan in zover godvruchtig zijn, dat hij iets wat met
de godsvrucht verband houdt vraagt, zoals hij, die de deugd van rechtvaardigheid nog
niet heeft, toch wel iets rechtvaardigs kan willen, zoals vroeger (59e Kw. 2e Art.)
gezegd is. En al is zijn gebed niet verdienstelijk, toch kan het iets verkrijgen,
omdat de verdienste op de rechtvaardigheid steunt, maar het verkrijgen op goedgunstigheid.
Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, oratio dominica profertur ex persona communi
totius Ecclesiae. Et ideo si aliquis nolens dimittere debita proximo dicat orationem
dominicam, non mentitur, quamvis hoc quod dicit non sit verum quantum ad suam personam,
est enim verum quantum ad personam Ecclesiae. Extra quam est merito, et ideo fructu
orationis caret. Quandoque tamen aliqui peccatores parati sunt debitoribus suis remittere.
Et ideo ipsi orantes exaudiuntur, secundum illud Eccli. XXVIII, relinque proximo tuo
nocenti te, et tunc deprecanti tibi peccata solventur. (IIa-IIae q. 83 a. 16 ad 3)
3 — Zoals werd gezegd (7e Art. 1e Antw.), wordt het Gebed des Heeren gebeden uit naam
van de gehele Kerk. En als daarom iemand, die zijn naaste niet wil vergeven, het Gebed
des Heeren bidt, liegt hij niet, al is dat wat hij zegt niet waar wat zijn eigen persoon
betreft want het is waar, wat de persoonlijkheid van de Kerk betreft. Maar terecht
staat hij daarbuiten, en daarom heeft hij van zijn gebed geen vrucht. — Soms zijn
zondaars ook wel bereid om aan anderen hun schuld tegenover hen te vergeven, daarom
worden zij bij het bidden verhoord naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (28,
2) : "Vergeef aan uw naaste, die u schade toebrengt, en dan zullen op uw gebed uw
zonden worden vergeven. »
Articulus 17. Kan men goed zeggen, dat de onderdelen van het gebed zijn: bezweringen, gebeden, verzoeken
en dankzeggingen?
Ad septimumdecimum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter dicantur esse orationis
partes obsecrationes, orationes, postulationes, gratiarum actiones. Obsecratio enim
videtur esse quaedam adiuratio. Sed, sicut Origenes dicit, super Matth., non oportet
ut vir qui vult secundum Evangelium vivere, adiuret alium, si enim iurare non licet,
nec adiurare. Ergo inconvenienter ponitur obsecratio orationis pars. (IIa-IIae q. 83 a. 17 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet goed is te zeggen, dat de onderdelen van het gebed zijn
: bezweringen, gebeden, verzoeken en dankzeggingen. Want de obsecratio schijnt een
soort bezwering te zijn. Zoals echter Origenes zegt, « mag een mens, die volgens het
Evangelie wil leven, een ander niet bezweren; want als men niet mag zweren, dan ook
niet bezweren. » Dus gaat het niet aan bezweringen als een onderdeel van het gebed
op te geven.
Praeterea, oratio, secundum Damascenum, est petitio decentium a Deo. Inconvenienter
ergo orationes contra postulationes dividuntur. (IIa-IIae q. 83 a. 17 arg. 2)
2 — Volgens Damascenus is het gebed "het vragen van gepaste dingen aan God. » Het is dus
niet juist gebeden van verzoeken te onderscheiden.
Praeterea, gratiarum actiones pertinent ad praeterita, alia vero ad futura. Sed praeterita
sunt priora futuris. Inconvenienter ergo gratiarum actiones post alia ponuntur. (IIa-IIae q. 83 a. 17 arg. 3)
3 — Dankzeggingen slaan op het verleden en de rest op de toekomst. Nu komt het verleden
vóór de toekomst en dus is het niet in orde de dankzeggingen na de anderen op te geven.
In contrarium est auctoritas apostoli, I ad Tim. II. (IIa-IIae q. 83 a. 17 s. c.)
Maar daartegenover staat het gezag van de Apostel (1 Tim. 2, 1)
Respondeo dicendum quod ad orationem tria requiruntur. Quorum primum est ut orans
accedat ad Deum, quem orat. Quod significatur nomine orationis, quia oratio est ascensus
intellectus in Deum. Secundo, requiritur petitio, quae significatur nomine postulationis,
sive petitio proponatur determinate, quod quidem nominant quidam proprie postulationem;
sive indeterminate, ut cum quis petit iuvari a Deo, quod nominant supplicationem;
sive solum factum narretur, secundum illud Ioan. XI, ecce, quem amas infirmatur, quod
vocant insinuationem. Tertio, requiritur ratio impetrandi quod petitur. Et hoc vel
ex parte Dei, vel ex parte petentis. Ratio quidem impetrandi ex parte Dei est eius
sanctitas, propter quam petimus exaudiri, secundum illud Dan. IX, propter temetipsum
inclina, Deus meus, aurem tuam. Et ad hoc pertinet obsecratio, quae est per sacra
contestatio, sicut cum dicimus, per nativitatem tuam, libera nos, domine. Ratio vero
impetrandi ex parte petentis est gratiarum actio, quia de acceptis beneficiis gratias
agentes, meremur accipere potiora, ut in collecta dicitur. Et ideo dicit Glossa, I
ad Tim. II, quod in Missa obsecrationes sunt quae praecedunt consecrationem, in quibus
quaedam sacra commemorantur; orationes sunt in ipsa consecratione, in qua mens maxime
debet elevari in Deum; postulationes autem sunt in sequentibus petitionibus; gratiarum
actiones in fine. In pluribus etiam Ecclesiae collectis haec quatuor possunt attendi.
Sicut in collecta Trinitatis, quod dicitur, omnipotens, sempiterne Deus, pertinet
ad orationis ascensum in Deum; quod dicitur, qui dedisti famulis tuis etc., pertinet
ad gratiarum actionem; quod dicitur, praesta, quaesumus etc., pertinet ad postulationem;
quod in fine ponitur, per dominum nostrum etc., pertinet ad obsecrationem. In collationibus
autem patrum dicitur quod obsecratio est imploratio pro peccatis; oratio, cum aliquid
Deo vovemus; postulatio, cum pro aliis petimus. Sed primum melius est. (IIa-IIae q. 83 a. 17 co.)
Drie dingen worden voor het gebed vereist. Vooreerst, dat wie bidt opstijgt naar God,
tot Wie hij bidt. En dat wordt met de naam gebed aangegeven, omdat bidden « een opstijgen
van de geest naar God » is. Ten tweede wordt er een vragen vereist, wat met de naam
verzoeken wordt aangeduid, of nu de vraag bepaald wordt gesteld, wat sommigen verzoeken
in eigenlijke zin noemen, of onbepaald, zoals wanneer iemand vraagt door God te worden
geholpen, wat ze smekingen noemen, of alleen het feit wordt verhaald volgens Johannes
(11, 3) : « Heer, die Gij liefhebt, is ziek; » wat aanduidingen heet. Ten derde wordt
een reden om te verkrijgen wat men vraagt, vereist. En dat ofwel van de kant van
God, ofwel van de kant van wie vraagt. Van Gods kant is Zijn heiligheid de reden om
iets te verkrijgen, en om haar vragen wij verhoord te worden naar het woord van Daniël
(9, 17-18) : « Luister, mijn God, om wille van U zelf. » En hieronder valt de bezwering,
wat betekent het tot getuige nemen van iets heiligs, zoals wanneer wij zeggen, om
Uw geboorte, verlos ons, Heer. Van de kant van wie vraagt is dankzegging de reden
om iets te verkrijgen, omdat wij « door voor verkregen weldaden dank te brengen, verdienen
meer te ontvangen, » zoals in een Collecte wordt gezegd. Daarom zegt de Glossa bij
de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 1), « dat er in de H. Mis bezweringen gevonden worden,
vóór de Consecratie, » waarbij wij aan heilige dingen herinneren, « gebeden bij de
Consecratie zelf, » waarbij de ziel zich vooral tot God moet verheffen, « verzoeken
bij de daarop volgende vragen, en dankzeggingen aan het eind. » Ook kan men in meerdere
Collecten van de Kerk deze vier dingen vinden. Zo b. v. in de Collecte van de H. Drievuldigheid.
Hierin wordt gezegd: almachtige, eeuwige God; en dit is het opstijgen van het gebed
naar God; die aan Uw dienaren hebt gegeven: dit is de dankzegging; geef, bidden wij,
is het verzoeken, en aan het eind: door onze Heer, is de bezwering. In de Collationes
(van Cassianus) lezen wij, dat « de smeking het vergiffenis vragen voor de zonden
is; het gebed, als wij iets aan God beloven; het vragen, als wij iets voor anderen
verzoeken; de dankzegging, die de geest in overstelpende mate God aanbiedt, enz. »
Het eerste is echter beter.
Ad primum ergo dicendum quod obsecratio non est adiuratio ad compellendum, quae prohibetur,
sed ad misericordiam implorandum. (IIa-IIae q. 83 a. 17 ad 1)
1 — De obsecratio is geen bezwering om iemand ergens toe te dwingen, wat verboden is,
maar om barmhartigheid af te smeken.
Ad secundum dicendum quod oratio communiter sumpta includit omnia quae hic dicuntur.
Sed secundum quod contra alia dividitur, importat proprie ascensum in Deum. (IIa-IIae q. 83 a. 17 ad 2)
2 — Gebed in algemene zin genomen omvat al het hier genoemde. Maar als van het andere
onderscheiden, sluit het eigenlijk een opstijgen van de geest naar God in.
Ad tertium dicendum quod in diversis praeterita praecedunt futura, sed aliquid unum
et idem prius est futurum quam sit praeteritum. Et ideo gratiarum actio de aliis beneficiis
praecedit postulationem aliorum beneficiorum, sed idem beneficium prius postulatur,
et ultimo, cum acceptum fuerit, de eo gratiae aguntur. Postulationem autem praecedit
oratio, per quam acceditur ad eum a quo petimus. Orationem autem praecedit obsecratio,
quia ex consideratione divinae bonitatis ad eum audemus accedere. (IIa-IIae q. 83 a. 17 ad 3)
3 — Bij verschillende dingen gaat het verleden aan het toekomstige vooraf. Maar een en
hetzelfde ding is toekomstig voordat het verleden is. Daarom gaat het dankzeggen voor
weldaden aan het vragen van andere weldaden vooraf, maar een en dezelfde weldaad wordt
eerst gevraagd, en op het laatst, als ze ontvangen is, wordt daarvoor dank gezegd.
Het vragen echter gaat het opstijgen van de geest naar Hem, van Wie wij iets vragen,
vooraf. Aan dat opstijgen gaat het bezweren vooraf, omdat wij door het beschouwen
van Gods goedheid tot Hem durven opstijgen.