Secunda Secundae. Quaestio 7. Over de uitwerkselen van het Geloof .
Prooemium
Deinde considerandum est de effectibus fidei. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo,
utrum timor sit effectus fidei. Secundo, utrum purificatio cordis sit effectus fidei. (IIa-IIae q. 7 pr.)
Daarna beschouwen we de uitwerkselen van het geloof. Daarover stellen wij twee vragen
: 1. Is de vrees een uitwerksel van het geloof? 2. Is de zuiverheid des harten een
uitwerksel van het geloof?
Articulus 1. Is de vrees een uitwerksel van het geloof?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod timor non sit effectus fidei. Effectus enim
non praecedit causam. Sed timor praecedit fidem, dicitur enim Eccli. II, qui timetis
Deum, credite illi. Ergo timor non est effectus fidei. (IIa-IIae q. 7 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de vrees geen uitwerksel is van het geloof. Een uitwerksel immers
gaat zijn oorzaak niet vooraf. Welnu de vrees gaat het geloof vooraf, zoals gezegd
wordt in Ecclesiastes (2, 8) : « Gij, die God vreest, gelooft in Hem ». Bijgevolg
is de vrees geen uitwerksel van het geloof.
Praeterea, idem non est causa contrariorum. Sed timor et spes sunt contraria, ut supra
dictum est, fides autem generat spem, ut dicitur in Glossa, Matth. I. Ergo non est
causa timoris. (IIa-IIae q. 7 a. 1 arg. 2)
2 — Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen. Welnu vrees en hoop zijn
tegengestelde dingen, zoals vroeger gezegd werd (Ia IIae, Kw. 23, Art. 2). Het geloof
baart echter de hoop, zoals de Glossa zegt op Mattheus (1, 2). Dus is het geloof de
oorzaak niet van de vrees.
Praeterea, contrarium non est causa contrarii. Sed obiectum fidei est quoddam bonum,
quod est veritas prima, obiectum autem timoris est malum, ut supra dictum est. Actus
autem habent speciem ex obiectis, secundum supradicta. Ergo fides non est causa timoris. (IIa-IIae q. 7 a. 1 arg. 3)
3 — Niets kan de oorzaak zijn van iets wat er aan tegengesteld is. Welnu het voorwerp
van het geloof is iets goeds, nl. de Eerste Waarheid, het voorwerp echter van de vrees
is iets kwaads, zoals hierboven gezegd werd (Ia IIae, Kw. 42, Art. 1). Daden echter
worden soortelijk bepaald door hun voorwerp, zoals vroeger gezegd werd (Ia IIae, Kw.
18, Art. 2). Dus is het geloof geen oorzaak van de vrees.
Sed contra est quod dicitur Iac. II, Daemones credunt et contremiscunt. (IIa-IIae q. 7 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Jacobus zegt (2, 19) : « De duivelen geloven en sidderen
van vrees ».
Respondeo dicendum quod timor est quidam motus appetitivae virtutis, ut supra dictum
est. Omnium autem appetitivorum motuum principium est bonum vel malum apprehensum.
Unde oportet quod timoris et omnium appetitivorum motuum sit principium aliqua apprehensio.
Per fidem autem fit in nobis quaedam apprehensio de quibusdam malis poenalibus quae
secundum divinum iudicium inferuntur, et per hunc modum fides est causa timoris quo
quis timet a Deo puniri, qui est timor servilis. Est etiam causa timoris filialis,
quo quis timet separari a Deo, vel quo quis refugit se Deo comparare reverendo ipsum;
inquantum per fidem hanc existimationem habemus de Deo, quod sit quoddam immensum
et altissimum bonum, a quo separari est pessimum et cui velle aequari est malum. Sed
primi timoris, scilicet servilis, est causa fides informis. Sed secundi timoris, scilicet
filialis, est causa fides formata, quae per caritatem facit hominem Deo inhaerere
et ei subiici. (IIa-IIae q. 7 a. 1 co.)
Zoals hierboven gezegd werd (Ia IIae, Kw. 42, Art. 1), is de vrees een beweging van
het streefvermogen. Welnu het beginsel van alle bewegingen van het streefvermogen
is een gekend goed of kwaad. Bijgevolg moet een zekere kennis het beginsel zijn van
de vrees en van al de andere bewegingen van het streefvermogen. Welnu door het geloof
kennen wij sommige straffen, die volgens Gods oordeel worden opgelegd, en zo is het
geloof de oorzaak van de vrees, waardoor men vreest door God gestraft te worden. Die
vrees nu is de slafelijke vrees. Het geloof is echter ook de oorzaak van de kinderlijke
vrees, waardoor men vreest van God gescheiden te worden, of waardoor men zich uit
eerbied voor God niet met Hem wil vergelijken, en het geloof is de oorzaak van die
wees in zover wij door het geloof God aanzien als het hoogste en oneindig goed, waarvan
gescheiden te worden het grootste onheil en waarmee zich gelijk te willen stellen
zonde is. Van de eerste vrees, nl. de slafelijke vrees, is het dood geloof de oorzaak,
van de tweede, nl. de kinderlijke vrees, het levend geloof, dat door de liefde de
mens er toe brengt God te hangen en Hem onderworpen te zijn.
Ad primum ergo dicendum quod timor Dei non potest universaliter praecedere fidem,
quia si omnino eius ignorantiam haberemus quantum ad praemia vel poenas de quibus
per fidem instruimur, nullo modo eum timeremus. Sed supposita fide de aliquibus articulis
fidei, puta de excellentia divina, sequitur timor reverentiae, ex quo sequitur ulterius
ut homo intellectum suum Deo subiiciat ad credendum omnia quae sunt promissa a Deo.
Unde ibi sequitur, et non evacuabitur merces vestra. (IIa-IIae q. 7 a. 1 ad 1)
1 — De vreze Gods kan niet algemeen het geloof voorafgaan, want indien we in het geheel
niets afwisten van de beloningen of de straffen, die we door het geloof leren kennen,
dan zouden we Hem ook niet vrezen. Maar verondersteld, dat wij sommige artikelen des
geloofs door het geloof aanvaarden, bv. Gods verhevenheid, dan volgt de eerbiedige
vrees, waaruit verder volgt, dat de mens zijn verstand aan God onderwerpt om alles
te geloven, wat door God beloofd werd. Daarom volgen t. a. pl. de woorden : « En uw
loon zal niet verloren gaan ».
Ad secundum dicendum quod idem secundum contraria potest esse contrariorum causa,
non autem idem secundum idem. Fides autem generat spem secundum quod facit nobis existimationem
de praemiis quae Deus retribuit iustis. Est autem causa timoris secundum quod facit
nobis aestimationem de poenis quas peccatoribus infliget. (IIa-IIae q. 7 a. 1 ad 2)
2 — Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen in het zelfde opzicht,
maar wel in tegengestelde opzichten. Het geloof nu brengt de hoop voort, in zover
het ons de beloningen doet kennen, waarmee God de rechtvaardigen beloont, en het brengt
de vrees voort, in zover het ons de straffen doet kennen, waarmee Hij de zondaars
wil straffen.
Ad tertium dicendum quod obiectum fidei primum et formale est bonum quod est veritas
prima. Sed materialiter fidei proponuntur credenda etiam quaedam mala, puta quod malum
sit Deo non subiici vel ab eo separari, et quod peccatores poenalia mala sustinebunt
a Deo. Et secundum hoc fides potest esse causa timoris. (IIa-IIae q. 7 a. 1 ad 3)
3 — Het eerste en formeel voorwerp van het geloof is dat goed, wat de Eerste Waarheid
is. Maar onder de dingen, die materieel tot het geloof behoren, wordt ook wel het
een of ander kwaad te geloven voorgehouden, zoals dat het zonde is aan God niet onderworpen
te zijn, of van Hem te worden afgescheiden, en dat de zondaars door Hem zullen gestraft
worden. En op die wijze kan het geloof de oorzaak zijn van de vrees.
Articulus 2. Is de zuiverheid des harten een uitwerksel van het geloof?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod purificatio cordis non sit effectus fidei.
Puritas enim cordis praecipue in affectu consistit. Sed fides in intellectu est. Ergo
fides non causat cordis purificationem. (IIa-IIae q. 7 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de zuiverheid des harten geen uitwerksel is van het geloof. De zuiverheid
des harten immers bestaat voornamelijk in het gemoed. Het geloof daarentegen is in
het verstand. Bijgevolg brengt het geloof de zuiverheid des harten niet voort.
Praeterea, illud quod causat cordis purificationem non potest simul esse cum impuritate.
Sed fides simul potest esse cum impuritate peccati, sicut patet in illis qui habent
fidem informem. Ergo fides non purificat cor. (IIa-IIae q. 7 a. 2 arg. 2)
2 — Wat de zuiverheid des harten voortbrengt kan niet samengaan met de onzuiverheid. Welnu
het geloof kan samengaan met de onzuiverheid der zonde, zoals blijkt bij hen in wie
het geloof dood is. Dus brengt het geloof de zuiverheid des harten niet voort.
Praeterea, si fides aliquo modo purificaret cor humanum, maxime purificaret hominis
intellectum. Sed intellectum non purificat ab obscuritate, cum sit cognitio aenigmatica.
Ergo fides nullo modo purificat cor. (IIa-IIae q. 7 a. 2 arg. 3)
3 — Indien het geloof op een of andere wijze de zuiverheid des harten voortbracht, dan
zou het op de eerste plaats ’s mensen verstand zuiveren. Welnu het geloof zuivert
het verstand niet van de duisternis, daar het een duistere kennis is. Bijgevolg brengt
het geloof de zuiverheid des harten niet voort.
Sed contra est quod dicit Petrus, Act. XV, fide purificans corda eorum. (IIa-IIae q. 7 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Petrus zegt (Handelingen der Apostelen, 15, 9) : «
Hun harten zuiverend door het geloof. »
Respondeo dicendum quod impuritas uniuscuiusque rei consistit in hoc quod rebus vilioribus
immiscetur, non enim dicitur argentum esse impurum ex permixtione auri, per quam melius
redditur, sed ex permixtione plumbi vel stanni. Manifestum est autem quod rationalis
creatura dignior est omnibus temporalibus et corporalibus creaturis. Et ideo impura
redditur ex hoc quod temporalibus se subiicit per amorem. A qua quidem impuritate
purificatur per contrarium motum, dum scilicet tendit in id quod est supra se, scilicet
in Deum. In quo quidem motu primum principium est fides, accedentem enim ad Deum oportet
credere, ut dicitur Heb. XI. Et ideo primum principium purificationis cordis est fides,
quae si perficiatur per caritatem formatam, perfectam purificationem causat. (IIa-IIae q. 7 a. 2 co.)
De onzuiverheid van een ding bestaat hierin, dat het met lagere stoffen vermengd is.
Men zegt immers niet, dat zilver niet zuiver is, wanneer het vermengd is met goud,
waardoor het beter wordt, maar wel wanneer het vermengd is met lood of tin. Welnu
het is duidelijk, dat het redelijk schepsel alle tijdelijke en lichamelijke schepselen
overtreft, en daarom wordt het onzuiver wanneer het zich, door de liefde, aan het
tijdelijke onderwerpt. Van die onzuiverheid wordt het echter gezuiverd door een tegengestelde
beweging, wanneer het nl. streeft naar wat boven zich is, nl. naar God. Welnu het
eerste beginsel van die beweging is het geloof, want hij, die tot God komt, moet geloven,
wordt er gezegd in de Brief aan de Hebreeërs (11, 6). Bijgevolg is het eerste beginsel
dat het hart zuivert het geloof, waardoor de onzuiverheid der dwaling wordt weggenomen.
Wanneer echter het geloof levend gemaakt wordt door de liefde, brengt het een volmaakte
zuiverheid voort.
Ad primum ergo dicendum quod ea quae sunt in intellectu sunt principia eorum quae
sunt in affectu, inquantum scilicet bonum intellectum movet affectum. (IIa-IIae q. 7 a. 2 ad 1)
1 — Wat in het verstand is, is het beginsel van wat in het gemoed is, in zover het goed
in het verstand het gemoed beweegt.
Ad secundum dicendum quod fides etiam informis excludit quandam impuritatem sibi oppositam,
scilicet impuritatem erroris, quae contingit ex hoc quod intellectus humanus inordinate
inhaeret rebus se inferioribus, dum scilicet vult secundum rationes rerum sensibilium
metiri divina. Sed quando per caritatem formatur, tunc nullam impuritatem secum compatitur,
quia universa delicta operit caritas, ut dicitur Prov. X. (IIa-IIae q. 7 a. 2 ad 2)
2 — Ook het dood geloof sluit een zekere en er aan tegengestelde onzuiverheid uit, nl.
de onzuiverheid der dwaling, die hieruit voortkomt, dat het menselijk verstand op
ongeregelde wijze de lagere dingen aanhangt, wanneer nl. de mens de zinnelijke dingen
als maatstaf aanlegt voor het goddelijke. Wanneer echter het geloof levend wordt door
de liefde, gaat er geen enkele onzuiverheid mee samen, daar alle zonden bedekt Worden
door de liefde, zoals we lezen in het Boek der Spreuken (10, 12).
Ad tertium dicendum quod obscuritas fidei non pertinet ad impuritatem culpae, sed
magis ad naturalem defectum intellectus humani, secundum statum praesentis vitae. (IIa-IIae q. 7 a. 2 ad 3)
3 — De duisternis van het geloof is geen gevolg van de onzuiverheid der zonde, maar wel
van de natuurlijke ontoereikendheid van het menselijk verstand in onze huidige levensstaat.