Secunda Secundae. Quaestio 53. Over de onverstandigheid .
Prooemium
Deinde considerandum est de vitiis oppositis prudentiae. Dicit autem Augustinus, in
IV contra Iulian., quod omnibus virtutibus non solum sunt vitia manifesta discretione
contraria, sicut prudentiae temeritas, verum etiam vicina quodammodo, nec veritate,
sed quadam specie fallente similia, sicut ipsi prudentiae astutia. Primo ergo considerandum
est de vitiis quae manifeste contrarietatem habent ad prudentiam, quae scilicet vitia
proveniunt ex defectu prudentiae vel eorum quae ad prudentiam requiruntur; secundo,
de vitiis quae habent quandam similitudinem falsam cum prudentia quae scilicet contingunt
per abusum eorum quae ad prudentiam requiruntur. Quia vero sollicitudo ad prudentiam
pertinet, circa primum consideranda sunt duo, primo quidem, de imprudentia; secundo,
de negligentia, quae sollicitudini opponitur. Circa primum quaeruntur sex. Primo,
de imprudentia, utrum sit peccatum. Secundo, utrum sit speciale peccatum. Tertio,
de praecipitatione, sive temeritate. Quarto, de inconsideratione. Quinto, de inconstantia.
Sexto, de origine horum vitiorum. (IIa-IIae q. 53 pr.)
Thans moeten de ondeugden behandeld worden, die tegengesteld zijn aan de verstandigheid.
Augustinus zegt dat « alle ondeugden niet steeds op rechtstreekse wijze tegengesteld
zijn aan de deugd, zoals b.v. de vermetelheid rechtstreeks tegengesteld is aan de
verstandigheid; maar dat er ook zijn, die enigszins verwant schijnen aan de deugd,
niet door een ware, maar door een bedrieglijke overeenkomst, zoals b.v. de sluwheid
verwant schijnt met de verstandigheid ». Eerstens moeten dus de ondeugden behandeld
worden die lijnrecht staan tegenover de verstandigheid, diegene namelijk die voortkomen
uit een ontbreken van de verstandigheid of uit de afwezigheid van sommige elementen
die tot de verstandigheid behoren. Vervolgens zal het onderzoek moeten gaan, omtrent
die ondeugden welke een valschen schijn van verstandigheid hebben aangenomen, en die
voortkomen uit een misbruik van datgene wat tot de verstandigheid vereist is. Wat
de eerste soort ondeugden betreft, moet vooreerst gehandeld worden over de onverstandigheid,
en vervolgens, — daar de zorgzaamheid tot de verstandigheid behoort — over de zorgeloosheid,
die tegengesteld is aan de zorgzaamheid. Omtrent de onverstandigheid kan men de volgende
zes vragen stellen: 1. Is de onverstandigheid zonde? 2. Is zij een afzonderlijke zonde?
3. Over de overhaasting. 4. Over de onnadenkendheid. 5. Over de onstandvastigheid.
6. Over de oorsprong van deze ondeugden.
Articulus 1. Is de onverstandigheid zonde?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod imprudentia non sit peccatum. Omne enim peccatum
est voluntarium, ut Augustinus dicit. Imprudentia autem non est aliquid voluntarium,
nullus enim vult esse imprudens. Ergo imprudentia non est peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de onverstandigheid geen zonde is. Zonde is iets vrijwilligs, zoals
Augustinus zegt. Onverstandigheid echter is niet iets vrijwilligs, daar niemand onverstandig
wil zijn. Dus is de onverstandigheid geen zonde.
Praeterea, nullum peccatum nascitur cum homine nisi originale. Sed imprudentia nascitur
cum homine, unde et iuvenes imprudentes sunt. Nec est originale peccatum, quod opponitur
originali iustitiae. Ergo imprudentia non est peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 1 arg. 2)
2 — De mens wordt met geen zonde geboren, tenzij met de erfzonde. Maar de mens wordt geboren
met de onverstandigheid: daarvan dat jonge mensen onverstandig zijn. En toch is de
onverstandigheid niet de erfzonde, tegengesteld aan de oorspronkelijke rechtvaardigheid.
Dus is de onverstandigheid geen zonde.
Praeterea, omne peccatum per poenitentiam tollitur. Sed imprudentia non tollitur per
poenitentiam. Ergo imprudentia non est peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 1 arg. 3)
3 — Iedere zonde kan weggenomen worden door de boetvaardigheid. De onverstandigheid echter
niet. Dus is de onverstandigheid geen zonde.
Sed contra, spiritualis thesaurus gratiae non tollitur nisi per peccatum. Tollitur
autem per imprudentiam, secundum illud Prov. XXI, thesaurus desiderabilis et oleum
in habitaculo iusti, et homo imprudens dissipabit illud. (IIa-IIae q. 53 a. 1 s. c.)
Daartegenover echter staat dat de geestelijke schat der genade enkel door de zonde
verloren wordt. Hij wordt echter verloren door de onverstandigheid, volgens het Boek
der Spreuken (21. 20): « Een begerenswaardige schat gelijk aan balsem, in het huis
van de rechtvaardige: de onverstandige mens verkwist hem ». Dus is de onverstandigheid
zonde.
Respondeo dicendum quod imprudentia dupliciter accipi potest, uno modo, privative;
alio modo, contrarie. Negative autem non proprie dicitur, ita scilicet quod importet
solam carentiam prudentiae, quae potest esse sine peccato. Privative quidem imprudentia
dicitur inquantum aliquis caret prudentia quam natus est et debet habere. Et secundum
hoc imprudentia est peccatum ratione negligentiae, qua quis non adhibet studium ad
prudentiam habendam. Contrarie vero accipitur imprudentia secundum quod ratio contrario
modo movetur vel agit prudentiae. Puta, si recta ratio prudentiae agit consiliando,
imprudens consilium spernit, et sic de aliis quae in actu prudentis observanda sunt.
Et hoc modo imprudentia est peccatum secundum rationem propriam prudentiae. Non enim
potest hoc contingere quod homo contra prudentiam agat, nisi divertens a regulis quibus
ratio prudentiae rectificatur. Unde si hoc contingat per aversionem a regulis divinis,
est peccatum mortale, puta cum quis quasi contemnens et repudians divina documenta,
praecipitanter agit. Si vero praeter eas agat absque contemptu, et absque detrimento
eorum quae sunt de necessitate salutis, est peccatum veniale. (IIa-IIae q. 53 a. 1 co.)
Onverstandigheid kan tweevoudig gezegd worden: in beroovenden en in tegengestelden
zin. In ontkennende zin, nl in zover men het niet aanwezig zijn van de verstandigheid
zonder meer wil aanduiden, kan men eigenlijk niet van onverstandigheid spreken. In
beroovende zin spreekt men van onverstandigheid, voor zover iemand de verstandigheid
mist, die hij kan en moet bezitten. In dit opzicht is de onverstandigheid zonde, vanwege
de nalatigheid, waardoor de mens geen moeite aanwendt om de verstandigheid te bezitten.
In tegengestelde zin kan van onverstandigheid gesproken worden, voor zover het verstand
bewogen wordt of handelt tegen de verstandigheid in; aldus b.v. waar een verstand,
goed geleid door de verstandigheid, eerst overleg pleegt, zal de onverstandige ieder
overleg verachtelijk opzij zetten. Zo kan men met betrekking tot alle elementen, die
voor een verstandige handeling nodig zijn, tegengesteld te werk gaan. Op deze wijze
zondigt men eigenlijk rechtstreeks tegen de deugd van verstandigheid. Want de mens
kan niet anders tegen de verstandigheid zondigen, dan door af te wijken van de regelen,
waardoor een verstandige zich in de goede richting laat leiden. En wel: Wanneer iemand
afwijkt van de goddelijke regelen, vervalt hij in doodzonde, b.v. wanneer hij Gods
onderrichting veracht en van zich afwerpt, en aldus verblind handelt. Wanneer hij
echter handelt buiten Gods onderrichting om, zonder verachting en zonder dat wat noodzakelijk
is ter zaligheid in gevaar te brengen, maakt hij zich schuldig aan dagelijkse zonde.
Ad primum ergo dicendum quod deformitatem imprudentiae nullus vult, sed actum imprudentiae
vult temerarius, qui vult praecipitanter agere. Unde et philosophus dicit, VI Ethic.,
quod ille qui circa prudentiam peccat volens, minus acceptatur. (IIa-IIae q. 53 a. 1 ad 1)
1 — Het tekort aan verstandigheid wil eigenlijk niemand; maar de roekeloze, die zonder
overleg wil handelen, wil de onverstandige daad. Daarom zegt de wijsgeer, dat hij
die in zaken verstandigheid vrijwillig verkeerd handelt, niet voor verstandig gehouden
wordt.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit de imprudentia secundum quod sumitur
negative. Sciendum tamen quod carentia prudentiae et cuiuslibet virtutis includitur
in carentia originalis iustitiae, quae totam animam perficiebat. Et secundum hoc omnes
isti defectus virtutum possunt reduci ad originale peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 1 ad 2)
2 — Dit bewijs wordt genomen uit de ontkennende zin van de onverstandigheid. Men dient
echter te weten, dat het ontbreken van de verstandigheid, evenals van iedere andere
deugd, besloten ligt in de erfzonde, d.i. in het ontberen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid,
die de gehele ziel vervolmaakte. En zo kan het ontbreken van iedere deugd herleid
worden tot de erfzonde.
Ad tertium dicendum quod per poenitentiam restituitur prudentia infusa, et sic cessat
carentia huius prudentiae. Non tamen restituitur prudentia acquisita quantum ad habitum,
sed tollitur actus contrarius, in quo proprie consistit peccatum imprudentiae. (IIa-IIae q. 53 a. 1 ad 3)
3 — Door de boetvaardigheid wordt de ingestorte verstandigheid teruggewonnen, en zo houdt
het ontbreken van deze verstandigheid op. Maar zelfverworven verstandigheid wordt,
als hebbelijkheid, niet teruggewonnen; wel echter wordt de tegengestelde daad, waarin
de zonde van onverstandigheid bestaat, uitgewist.
Articulus 2. Is de onverstandigheid een afzonderlijke zonde?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod imprudentia non sit speciale peccatum. Quicumque
enim peccat agit contra rationem rectam, quae est prudentia. Sed imprudentia consistit
in hoc quod aliquis agit contra prudentiam, ut dictum est. Ergo imprudentia non est
speciale peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde is. Wie zondigt, handelt
tegen het juiste oordeel van het verstand, dat door de verstandigheid bewerkt wordt.
Onverstandigheid nu bestaat hierin dat iemand tegen de verstandigheid handelt, zoals
gezegd is (vorig artikel). Dus is de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde.
Praeterea, prudentia magis est affinis moralibus actibus quam scientia. Sed ignorantia,
quae opponitur scientiae, ponitur inter generales causas peccati. Ergo multo magis
imprudentia. (IIa-IIae q. 53 a. 2 arg. 2)
2 — De verstandigheid is meer verwant aan de zedelijke handelingen dan de wetenschap.
Maar de onwetendheid die tegengesteld is aan de wetenschap, noemt men onder de algemene
oorzaken der zonde. Dus meer nog is de onverstandigheid een algemene oorzaak der zonde.
Praeterea, peccata contingunt ex hoc quod virtutum circumstantiae corrumpuntur, unde
et Dionysius dicit, IV cap. de Div. Nom., quod malum contingit ex singularibus defectibus.
Sed multa requiruntur ad prudentiam, sicut ratio, intellectus, docilitas, et cetera
quae supra posita sunt. Ergo multae sunt imprudentiae species. Ergo non est peccatum
speciale. (IIa-IIae q. 53 a. 2 arg. 3)
3 — Zonde ontstaat door een fout in de omstandigheden, die tot de deugd vereist zijn.
Daarom zegt Dionysius dat het kwaad ontstaat door het ontbreken van de afzonderlijke
omstandigheden van de daad. Voor de verstandigheid nu worden vele elementen vereist,
zoals overleg, doorzicht, volgzaamheid, en andere, die reeds genoemd werden (48° en
49° Kw.). Er zijn derhalve veel soorten onverstandigheid. Dus kan men niet spreken
van een afzonderlijke zonde.
Sed contra, imprudentia est contrarium prudentiae, ut dictum est. Sed prudentia est
una virtus specialis. Ergo imprudentia est unum vitium speciale. (IIa-IIae q. 53 a. 2 s. c.)
Daartegen echter kan men inbrengen dat onverstandigheid staat tegenover verstandigheid,
zoals bleek in het vorige artikel. De verstandigheid is echter een afzonderlijke deugd.
Dus is de onverstandigheid een afzonderlijke ondeugd.
Respondeo dicendum quod aliquod vitium vel peccatum potest dici generale dupliciter,
uno modo, absolute, quia scilicet est generale respectu omnium peccatorum; alio modo,
quia est generale respectu quorundam vitiorum quae sunt species eius. Primo autem
modo potest dici aliquod vitium generale dupliciter. Uno modo, per essentiam, quia
scilicet praedicatur de omnibus peccatis. Et hoc modo imprudentia non est generale
peccatum, sicut nec prudentia generalis virtus, cum sint circa actus speciales, scilicet
circa ipsos actus rationis. Alio modo, per participationem. Et hoc modo imprudentia
est generale peccatum. Sicut enim prudentia participatur quodammodo in omnibus virtutibus,
inquantum est directiva earum, ita et imprudentia in omnibus vitiis et peccatis, nullum
enim peccatum accidere potest nisi sit defectus in aliquo actu rationis dirigentis,
quod pertinet ad imprudentiam. Si vero dicatur peccatum generale non simpliciter,
sed secundum aliquod genus, quia scilicet continet sub se multas species; sic imprudentia
est generale peccatum. Continet enim sub se diversas species tripliciter. Uno quidem
modo, per oppositum ad diversas partes subiectivas prudentiae. Sicut enim distinguitur
prudentia in monasticam, quae est regitiva unius, et in alias species prudentiae quae
sunt multitudinis regitivae, ut supra habitum est; ita etiam imprudentia. Alio modo,
secundum partes quasi potentiales prudentiae, quae sunt virtutes adiunctae, et accipiuntur
secundum diversos actus rationis. Et hoc modo, quantum ad defectum consilii, circa
quod est eubulia, est praecipitatio, sive temeritas, imprudentiae species. Quantum
vero ad defectum iudicii, circa quod sunt synesis et gnome, est inconsideratio. Quantum
vero ad ipsum praeceptum, quod est proprius actus prudentiae, est inconstantia et
negligentia. Tertio modo possunt sumi per oppositum ad ea quae requiruntur ad prudentiam,
quae sunt quasi partes integrales prudentiae. Sed quia omnia illa ordinantur ad dirigendum
praedictos tres rationis actus, inde est quod omnes defectus oppositi reducuntur ad
quatuor praedictas partes. Sicut incautela et incircumspectio includitur sub inconsideratione.
Quod autem aliquis deficiat a docilitate vel memoria vel ratione, pertinet ad praecipitationem.
Improvidentia vero et defectus intelligentiae et solertiae pertinent ad negligentiam
et inconstantiam. (IIa-IIae q. 53 a. 2 co.)
Men kan iets een algemene ondeugd of zonde noemen op twee wijzen. Eerstens: absoluut,
wanneer zij algemeen is ten opzichte van alle zonden; vervolgens, wanneer zij algemeen
is ten opzichte van de zonden van eenzelfde soort. Bij de eerste wijze van spreken
is opnieuw een dubbel onderscheid te maken: Men kan een zonde algemeen noemen uit
haar wezen zelf, omdat zij van alle zonden kan gezegd worden. En op deze wijze is
de onverstandigheid geen algemene zonde, evenals de verstandigheid geen algemene deugd
is, daar beide gericht zijn op bijzondere handelingen, nl. die van het verstand. Een
zonde kan echter ook algemeen zijn door deelhebbing. En aldus is de onverstandigheid
een algemene zonde, want evenals alle deugden enigermate delen in de verstandigheid
voor zover deze aan alle leiding geeft, aldus is er ook onverstandigheid in alle ondeugden
en zonden. Want er kan geen zonde geschieden, zonder een tekort in de handeling van
het leidend verstand, welk tekort toegeschreven moet worden aan de onverstandigheid.
Wanneer men echter een zonde algemeen noemt, niet zonder meer maar in een bepaald
opzicht, nl. voor zover zij vele soorten van zonden onder zich bevat, dan kan men,
in die zin, de onverstandigheid een algemene zonde noemen. Zij bevat immers een drievoudige
reeks van zondesoorten onder zich. — Eerstens in tegenstelling tot de subjectieve
onderdelen of soorten van de verstandigheid. Hetzelfde onderscheid dat gemaakt werd
tussen de persoonlijke verstandigheid, die gericht is op de leiding van de enkeling
afzonderlijk, en de soorten van verstandigheid die gericht zijn op de leiding van
een groep, vindt men ook bij de onverstandigheid. — Vervolgens kan men onderscheid
maken naar de tekortkomingen tegen de potentiële of bijkomstige onderdelen der verstandigheid,
nl. die bijkomstige deugden welke de verschillende handelingen van het verstand vervolmaken.
En op die wijze onderscheidt men naar het gemis aan beraadslaging, waarop de deugd
van beleid gericht is, de ondeugd van overhaasting of roekeloosheid; naar het gemis
aan een juist oordeel, waarop de « synesis » en de « gnomè » gericht zijn, onderscheidt
men de onnadenkendheid; met betrekking tot het bevel zelf, waarin de eigen daad van
de verstandigheid bestaat, onderscheidt men de onstandvastigheid en de nalatigheid.
— Nog op een derde wijze kan men de ondeugden tegen de verstandigheid onderscheiden,
nl. in tegenstelling tot de integrerende delen van de verstandigheid. Maar daar deze
onderdelen alle vereist worden om bovenvermelde drie daden van het verstand in juiste
banen te leiden, kunnen ook alle tekortkomingen hiertegen ondergebracht worden bij
de bovengenoemde vier ondeugden. Onbehoedszaamheid en onomzichtigheid zijn vervat
in de onberadenheid; wanneer iemand te kort schiet in volgzaamheid of ervaring, zondigt
hij door overhaasting; onvoorzienigheid en tekortkomingen tegen het doorzicht en de
vindingrijkheid behoren tot de ondeugden van nalatigheid en onstandvastigheid.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de generalitate quae est secundum
participationem. (IIa-IIae q. 53 a. 2 ad 1)
1 — Dit bewijs gaat uit van de betekenis van algemeen bij deelname.
Ad secundum dicendum quod quia scientia est magis remota a moralibus quam prudentia
secundum propriam rationem utriusque, inde est quod ignorantia non habet de se rationem
peccati moralis, sed solum ratione negligentiae praecedentis vel effectus sequentis.
Et propter hoc ponitur inter generales causas peccati. Sed imprudentia secundum propriam
rationem importat vitium morale. Et ideo magis potest poni speciale peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 2 ad 2)
2 — De wetenschap heeft minder te maken met zedelijkheid dan de verstandigheid, wanneer
wij de eigen aard van beiden beschouwen. Van daar dat onwetendheid in zich zelf geen
zedelijk laakbare daad is, doch slechts om reden van een voorafgaande nalatigheid,
of omwille van een of ander uitwerksel. En daarom wordt zij onder de algemene oorzaken
van de zonde gerekend. Maar de onverstandigheid is naar haar eigen aard zedelijk laakbaar,
en daarom kan zij eerder een afzonderlijke zonde genoemd worden.
Ad tertium dicendum quod quando corruptio diversarum circumstantiarum habet idem motivum,
non diversificatur peccati species, sicut eiusdem speciei est peccatum ut aliquis
accipiat non sua ubi non debet, et quando non debet. Sed si sint diversa motiva, tunc
essent diversae species, puta si unus acciperet unde non deberet ut faceret iniuriam
loco sacro, quod faceret speciem sacrilegii; alius quando non debet propter solum
superfluum appetitum habendi, quod esset simplex avaritia. Et ideo defectus eorum
quae requiruntur ad prudentiam non diversificant species nisi quatenus ordinantur
ad diversos actus rationis, ut dictum est. (IIa-IIae q. 53 a. 2 ad 3)
3 — Wanneer het te niet doen van de omstandigheden van de deugd voortkomt uit eenzelfde
oorzaak, is er geen soortelijk verschil van zonde; b.v. wanneer men zich andermans
bezit toeëigent op een ongeoorloofde plaats of op een tijdstip waarop men er geen
recht op heeft. Maar indien er in zo'n geval verschillende soorten beweegredenen aanwezig
waren, zouden er wel verschillende soorten van zonden ontstaan; b.v. wanneer iemand
zich iets toeëigent op een gewijde plaats met de bedoeling de gewijde plaats te schenden,
in welk geval hij heiligschennis pleegt, of op een tijdstip wanneer hij er geen recht
op heeft, enkel uit de begeerte steeds meer te bezitten, in welk geval hij zich schuldig
maakt aan gierigheid. Op dezelfde wijze maakt het ontbreken van de omstandigheden
die vereischt worden voor de verstandigheid geen soortverschil in de zonde, tenzij
voor zover zij bedoeld zijn tegen de verschillende daden van het verstand, zoals in
de Leerstelling werd aangetoond.
Articulus 3. Is de overhaasting een zonde, behorende onder de onverstandigheid?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod praecipitatio non sit peccatum sub imprudentia
contentum. Imprudentia enim opponitur virtuti prudentiae. Sed praecipitatio opponitur
dono consilii, dicit enim Gregorius, in II Moral., quod donum consilii datur contra
praecipitationem. Ergo praecipitatio non est peccatum sub imprudentia contentum. (IIa-IIae q. 53 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de overhaasting geen ondergeschikte ondeugd is van de onverstandigheid.
De onverstandigheid is tegengesteld aan de verstandigheid. De overhaasting echter
staat tegenover de gave van raad, want Gregorius zegt dat de gave van raad gegeven
wordt als geneesmiddel tegen de overhaasting. Dus is de overhaasting geen ondeugd
die onder de onverstandigheid behoort.
Praeterea, praecipitatio videtur ad temeritatem pertinere. Temeritas autem praesumptionem
importat, quae pertinet ad superbiam. Ergo praecipitatio non est vitium sub imprudentia
contentum. (IIa-IIae q. 53 a. 3 arg. 2)
2 — De overhaasting behoort tot de roekeloosheid. Deze nu heeft iets in zich van de eigendunkelijkheid,
die behoort onder de hoogmoed. Dus behoort de overhaasting als ondeugd niet onder
de onverstandigheid.
Praeterea, praecipitatio videtur importare quandam inordinatam festinationem. Sed
in consiliando non solum contingit esse peccatum per hoc quod aliquis est festinus,
sed etiam si sit nimis tardus, ita quod praetereat opportunitas operis; et etiam secundum
inordinationes aliarum circumstantiarum, ut dicitur in VI Ethic. Ergo non magis praecipitatio
debet poni peccatum sub imprudentia contentum quam tarditas, aut aliqua alia huiusmodi
ad inordinationem consilii pertinentia. (IIa-IIae q. 53 a. 3 arg. 3)
3 — Overhaasting betekent een zekere ongeregelde haast. Maar bij het beraadslagen kan
iemand niet alleen zondigen door haast maar ook door te veel te talmen, zodat het
geschikte ogenblik voor de handeling voorbijgaat; en ook door ongeregelde gedachten
tegen andere omstandigheden, zoals gezegd wordt in de Ethica. Daarom kan men met evenveel
recht niet alleen de overhaasting maar ook de traagheid en dergelijke ondeugden die
de beraadslaging hinderen, onder de onverstandigheid opnemen.
Sed contra est quod dicitur Prov. IV, via impiorum tenebrosa, nesciunt ubi corruant.
Tenebrae autem viae impietatis pertinent ad imprudentiam. Ergo corruere, sive praecipitari,
ad imprudentiam pertinet. (IIa-IIae q. 53 a. 3 s. c.)
Daartegenover echter kan men aanvoeren dat in het Boek der Spreuken (4. 19) staat:
« De wegen der goddelozen zijn duister: zij weten niet waarheen zij voortijlen ».
De duisternissen van de weg der zonde behoren echter onder de onverstandigheid. Derhalve
ook het voortijlen op deze wegen, d. i. de overhaasting.
Respondeo dicendum quod praecipitatio in actibus animae metaphorice dicitur secundum
similitudinem a corporali motu acceptam. Dicitur autem praecipitari secundum corporalem
motum quod a superiori in ima pervenit secundum impetum quendam proprii motus vel
alicuius impellentis, non ordinate incedendo per gradus. Summum autem animae est ipsa
ratio. Imum autem est operatio per corpus exercita. Gradus autem medii, per quos oportet
ordinate descendere, sunt memoria praeteritorum, intelligentia praesentium, solertia
in considerandis futuris eventibus, ratiocinatio conferens unum alteri, docilitas,
per quam aliquis acquiescit sententiis maiorum, per quos quidem gradus aliquis ordinate
descendit recte consiliando. Si quis autem feratur ad agendum per impetum voluntatis
vel passionis, pertransitis huiusmodi gradibus, erit praecipitatio. Cum ergo inordinatio
consilii ad imprudentiam pertineat, manifestum est quod vitium praecipitationis sub
imprudentia continetur. (IIa-IIae q. 53 a. 3 co.)
Overhaasting zegt men van de handelingen der ziel op metaforische wijze, in vergelijking
met de lichamelijke beweging. Men spreekt bij lichamelijke beweging van overhaasting,
wanneer iets van boven naar beneden komt uit eigen beweging, of door de stoot van
een ander, met een zeker geweld, onregelmatig en zonder trapsgewijze afdaling. Het
hoogste van de ziel is het verstand, het laagste de handeling door lichaamsbeweging
uitgevoerd; de trappen ertussen waarlangs de regelmatige afdaling plaats heeft zijn:
de ervaring uit vorige gevallen, het doorzicht van de ogenblikkelijke toestand, de
vindingrijkheid omtrent de gebeurtenissen die nog komen kunnen, het overleg waardoor
het een met het ander in overeenstemming gebracht wordt, de ontvankelijkheid waardoor
iemand zich openstelt voor de mening van anderen. En langs deze trappen daalt iemand
af door goed te beraadslagen. Wanneer men zich echter door het geweld van de wil of
van de hartstocht laat voortstoten tot de handeling, zonder deze trappen te doorlopen,
kan men spreken van overhaasting. Daar nu de tekortkomingen in het beraadslagen tot
de onverstandigheid behoren, moet men de overhaasting klaarblijkelijk rangschikken
onder de onverstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod consilii rectitudo pertinet ad donum consilii et ad virtutem
prudentiae, licet diversimode, ut supra dictum est. Et ideo praecipitatio utrique
contrariatur. (IIa-IIae q. 53 a. 3 ad 1)
1 — De juistheid der beraadslaging behoort én onder de gave van raad, én onder de verstandigheid,
ofschoon op verschillende wijze, zoals boven gezegd is (vorige Kw. 2 Art.). En daarom
is de overhaasting tegengesteld aan beide.
Ad secundum dicendum quod illa dicuntur fieri temere quae ratione non reguntur. Quod
quidem potest contingere dupliciter. Uno modo, ex impetu voluntatis vel passionis.
Alio modo, ex contemptu regulae dirigentis, et hoc proprie importat temeritas. Unde
videtur ex radice superbiae provenire, quae refugit subesse regulae alienae. Praecipitatio
autem se habet ad utrumque. Unde temeritas sub praecipitatione continetur, quamvis
praecipitatio magis respiciat primum. (IIa-IIae q. 53 a. 3 ad 2)
2 — Vermetel handelen betekent: handelen buiten de leiding van het verstand, wat op twee
wijzen kan geschieden. Eerstens, door zich mee te laten slepen door het geweld van
de wil of de hartstochten. Vervolgens uit verachting voor de voorschriften van hem
die leiding geeft. Vermetelheid nu vindt haar oorzaak in de hoogmoed, daar men weigert
te staan onder leiding van een ander. Maar overhaasting houdt verband met beide gevallen.
Daarom staat de vermetelheid onder de overhaasting, ofschoon de overhaasting meer
slaat op het eerste geval.
Ad tertium dicendum quod in inquisitione consilii multa particularia sunt consideranda,
et ideo philosophus dicit, in VI Ethic., oportet consiliari tarde. Unde praecipitatio
directius opponitur rectitudini consilii quam tarditas superflua, quae habet quandam
similitudinem recti consilii. (IIa-IIae q. 53 a. 3 ad 3)
3 — Bij het inwinnen van raad moeten vele afzonderlijke zaken in acht genomen worden.
En daarom zegt de Wijsgeer: « Men moet langzaam overleg plegen ». Daarom staat de
overhaasting meer rechtstreeks in tegenstelling met de juiste beraadslaging dan een
te grote langzaamheid, die eerder enige gelijkenis vertoont met een goed overleg.
Articulus 4. Is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod inconsideratio non sit peccatum speciale sub
imprudentia contentum. Lex enim divina ad nullum peccatum nos inducit, secundum illud
Psalm., lex domini immaculata. Inducit autem ad non considerandum, secundum illud
Matth. X, nolite cogitare quomodo aut quid loquamini. Ergo inconsideratio non est
peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde is, behorende onder de
onverstandigheid. De goddelijke wet kan ons nooit tot zonde brengen, naar het woord
van het Boek der Psalmen (118. 8): « Gods wet is onbe- vlekt ». Zij voert ons echter
tot onnadenkendheid, naar het woord van Mattheus (10. 19): « Wilt niet nadenken hoe
of wat gij zult spreken ». Dus is de onnadenkendheid geen zonde.
Praeterea, quicumque consiliatur oportet quod multa consideret. Sed per defectum consilii
est praecipitatio; et per consequens ex defectu considerationis. Ergo praecipitatio
sub inconsideratione continetur. Non ergo inconsideratio est speciale peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 arg. 2)
2 — Wie overleg pleegt, moet over veel nadenken. Maar overhaasting ontstaat uit een tekort
aan overleg en bijgevolg aan nadenken. Dus is de overhaasting in de onnadenkendheid
vervat. Dus is de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde.
Praeterea, prudentia consistit in actibus rationis practicae, qui sunt consiliari,
iudicare de consiliatis, et praecipere. Sed considerare praecedit omnes istos actus,
quia pertinet etiam ad intellectum speculativum. Ergo inconsideratio non est speciale
peccatum sub imprudentia contentum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 arg. 3)
3 — De verstandigheid bestaat in de daden van het praktische verstand zoals overleggen,
oordelen over de zaken die men in beraad hield, en bevelen. Maar het nadenken staat
hoger dan al deze daden, daar het ook bij het beschouwende verstand behoort. Derhalve
is de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid.
Sed contra est quod dicitur Prov. IV, oculi tui videant recta, et palpebrae tuae praecedant
gressus tuos, quod pertinet ad prudentiam. Sed contrarium huius agitur per inconsiderationem.
Ergo inconsideratio est speciale peccatum sub imprudentia contentum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 s. c.)
Daartegenover kan men echter stellen dat in het Boek der Spreuken (4. 25) geschreven
staat: « Dat uw ogen het rechte zien, en uw blikken uw schreden vooruitgaan ». Dit
behoort tot de verstandigheid. Tegengesteld hieraan handelt men door onnadenkendheid.
Daarom is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid.
Respondeo dicendum quod consideratio importat actum intellectus veritatem rei intuentis.
Sicut autem inquisitio pertinet ad rationem, ita iudicium pertinet ad intellectum,
unde et in speculativis demonstrativa scientia dicitur iudicativa, inquantum per resolutionem
in prima principia intelligibilia de veritate inquisitorum diiudicatur. Et ideo consideratio
maxime pertinet ad iudicium. Unde et defectus recti iudicii ad vitium inconsiderationis
pertinet, prout scilicet aliquis in recte iudicando deficit ex hoc quod contemnit
vel negligit attendere ea ex quibus rectum iudicium procedit. Unde manifestum est
quod inconsideratio est peccatum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 co.)
Nadenken is een daad van het verstand dat de waarheid van een zaak onderzoekt. Evenals
het onderzoek de taak is van het redeneervermogen, zo behoort het oordeel tot het
verstandelijk inzicht. Daarom zegt men in de speculatieve orde van een bewijsvoerende
wetenschap dat zij oordeelt, voor zover zij haar oordeel over de waarheid van de onderzochte
stof fundeert door terugvoering op de eerste beginselen die in zichzelf ingezien worden.
Daarom is voor een goed oordeel nadenken een allereerste vereiste. En daarom ook behoort
een tekort in het juiste oordeel tot de ondeugd van onnadenkendheid, voorzover men
namelijk tekortschiet in het juiste oordeel, doordat men veracht of verwaarloost datgene
te bezien waaruit een juist oordeel voortkomt. Hieruit blijkt dat onnadenkendheid
een zonde is.
Ad primum ergo dicendum quod dominus non prohibet considerare ea quae sunt agenda
vel dicenda, quando homo habet opportunitatem. Sed dat fiduciam discipulis in verbis
inductis ut, deficiente sibi opportunitate vel propter imperitiam vel quia subito
praeoccupantur, in solo divino confidant consilio, quia cum ignoramus quid agere debeamus,
hoc solum habemus residui, ut oculos nostros dirigamus ad Deum, sicut dicitur II Paral.
XX. Alioquin, si homo praetermittat facere quod potest, solum divinum auxilium expectans,
videtur tentare Deum. (IIa-IIae q. 53 a. 4 ad 1)
1 — De Heer verbiedt ons niet na te denken over wat wij doen of zeggen moeten, wanneer
daartoe gelegenheid is. Maar in de aangehaalde woorden geeft hij de leerlingen het
vertrouwen, dat zij, in geval die gelegenheid ontbreekt, of onkunde hen belemmert,
of een plotselinge moeilijkheid hen overvalt, steunen mogen op Gods raadgevingen.
Want in het Tweede Boek Paralipomenon (20.12) wordt gezegd: « Daar wij niet weten
wat wij moeten doen, blijft ons slechts deze toevlucht dat wij onze ogen wenden tot
God ». Maar van de andere kant, wanneer de mens nalaat te doen wat hij kan, en alles
alleen laat aankomen op Gods hulp, schijnt hij God op de proef te willen stellen.
Ad secundum dicendum quod tota consideratio eorum quae in consilio attenduntur ordinatur
ad recte iudicandum, et ideo consideratio in iudicio perficitur. Unde etiam inconsideratio
maxime opponitur rectitudini iudicii. (IIa-IIae q. 53 a. 4 ad 2)
2 — Heel het nadenken over datgene wat men in de beraadslaging betrekt is gericht op het
vormen van een goed oordeel. En daarom bereikt het nadenken zijn voltooiing in het
oordeel. Daarom ook staat de onnadenkendheid het meest in tegenstelling tot de juistheid
van het oordeel.
Ad tertium dicendum quod inconsideratio hic accipitur secundum determinatam materiam,
idest secundum agibilia humana, in quibus plura sunt attendenda ad recte iudicandum
quam etiam in speculativis; quia operationes sunt in singularibus. (IIa-IIae q. 53 a. 4 ad 3)
3 — Onnadenkendheid wordt hier genomen in een beperkte betekenis, d.w.z. met betrekking
tot de menselijke handelingen. In dit opzicht is nadenken een nog grotere vereiste
dan in de speculatieve orde, omdat bij de menselijke handelingen zich een grote verscheidenheid
van afzonderlijke gevallen voordoet.
Articulus 5. Is de onstandvastigheid een ondeugd, behorende onder de onverstandigheid?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod inconstantia non sit vitium sub imprudentia
contentum. Inconstantia enim videtur in hoc consistere quod homo non persistat in
aliquo difficili. Sed persistere in difficilibus pertinet ad fortitudinem. Ergo inconstantia
magis opponitur fortitudini quam prudentiae. (IIa-IIae q. 53 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de onstandvastigheid geen ondeugd is behorende onder de onverstandigheid.
Onverstandigheid immers betekent, dat de mens geen stand houdt in moeilijke gevallen.
Maar stand houden in moeilijke gevallen behoort tot de sterkte. Dus is de onstandvastigheid
eerder het tegenovergestelde van de sterkte dan van de verstandigheid.
Praeterea, Iac. III dicitur, ubi zelus et contentio, ibi inconstantia et omne opus
pravum. Sed zelus ad invidiam pertinet. Ergo inconstantia non pertinet ad imprudentiam,
sed magis ad invidiam. (IIa-IIae q. 53 a. 5 arg. 2)
2 — In de Brief van Jacobus (3.16) staat: « Waar naijver en twist heerschen, daar zijn
onstandvastigheid en alle boze werken ». Maar naijver behoort tot de nijd. Dus behoort
ook de onstandvastigheid niet tot de onverstandigheid, maar tot de nijd.
Praeterea, ille videtur esse inconstans qui non perseverat in eo quod proposuerat.
Quod quidem pertinet in delectationibus ad incontinentem, in tristitiis autem ad mollem
sive delicatum, ut dicitur VII Ethic. Ergo inconstantia non pertinet ad imprudentiam. (IIa-IIae q. 53 a. 5 arg. 3)
3 — Onvastig is iemand die niet volhardt in zijn voornemen. Waar het gaat om het aangename,
valt dit onder de onmatigheid, bij het onaangename onder de werkelijkheid, zoals wij
vinden in de Ethica. Dus behoort de onvastigheid niet tot de onverstandigheid.
Sed contra est quod ad prudentiam pertinet praeferre maius bonum minus bono. Ergo
desistere a meliori pertinet ad imprudentiam. Sed hoc est inconstantia. Ergo inconstantia
pertinet ad imprudentiam. (IIa-IIae q. 53 a. 5 s. c.)
Daartegenover echter staat dat het de verstandigheid is aan het hogere goed de voorrang
te geven boven het lagere. Afwijken van het betere valt dus onder de onverstandigheid.
Dus valt de onstandvastigheid onder de onverstandigheid.
Respondeo dicendum quod inconstantia importat recessum quendam a bono proposito definito.
Huiusmodi autem recessus principium quidem habet a vi appetitiva, non enim aliquis
recedit a priori bono proposito nisi propter aliquid quod sibi inordinate placet.
Sed iste recessus non consummatur nisi per defectum rationis, quae fallitur in hoc
quod repudiat id quod recte acceptaverat, et quia, cum possit resistere impulsui passionis,
si non resistat, hoc est ex debilitate ipsius, quae non tenet se firmiter in bono
concepto. Et ideo inconstantia, quantum ad sui consummationem, pertinet ad defectum
rationis. Sicut autem omnis rectitudo rationis practicae pertinet aliqualiter ad prudentiam,
ita omnis defectus eiusdem pertinet ad imprudentiam. Et ideo inconstantia, secundum
sui consummationem, ad imprudentiam pertinet. Et sicut praecipitatio est ex defectu
circa actum consilii, et inconsideratio circa actum iudicii, ita inconstantia circa
actum praecepti, ex hoc enim dicitur aliquis esse inconstans quod ratio deficit in
praecipiendo ea quae sunt consiliata et iudicata. (IIa-IIae q. 53 a. 5 co.)
Onstandvastigheid sluit een terugkomen in, op een eerst genomen goed besluit. Dit
terugkomen vindt wel zijn oorsprong in het begeervermogen, omdat niemand terugkomt
op zijn vorig goed besluit, tenzij hem iets op ongeregelde wijze mishaagt. Maar het
wordt voltooid door een tekortkoming van het verstand, dat faalt door af te zien van
iets wat het eerst als goed had aanvaard, en omdat het geen weerstand biedt aan de
drang der hartstochten ofschoon het daartoe in staat is. Dit geschiedt uit oorzaak
van een zekere wankelbaarheid, waardoor het zich niet staande weet te houden in een
goed voornemen. En daarom is de onstandvastigheid in haar voltooiing een tekortkoming
van het verstand. Daar nu alle juistheid van het practisch verstand enigszins behoort
tot de verstandigheid, behoren ook al de gebreken er van tot de onverstandigheid.
En daarom valt ook de onstandvastigheid in haar voltooiing onder de onverstandigheid.
Zoals de overhaasting voortkomt uit een gebrek in het overleg, en de onnadenkendheid
uit een gebrek in het oordeel, aldus komt de onstandvastigheid voort uit een gebrek
in het bevel. Want daarom juist is men onstandvastig, omdat het verstand te kort schiet
in het bevelen van wat beraamd en goed geoordeeld werd.
Ad primum ergo dicendum quod bonum prudentiae participatur in omnibus virtutibus moralibus,
et secundum hoc persistere in bono pertinet ad omnes virtutes morales. Praecipue tamen
ad fortitudinem, quae patitur maiorem impulsum ad contrarium. (IIa-IIae q. 53 a. 5 ad 1)
1 — De invloed van de verstandigheid vindt men terug in alle zedelijke deugden. Daarom
behoort de volharding in het goede tot alle zedelijke deugden, maar voornamelijk toch
tot de sterkte, die aan een grotere drang in verkeerde richting weet te weerstaan.
Ad secundum dicendum quod invidia et ira, quae est contentionis principium, faciunt
inconstantiam ex parte appetitivae virtutis, ex qua est principium inconstantiae,
ut dictum est. (IIa-IIae q. 53 a. 5 ad 2)
2 — Nijd en toorn als beginsel van twist veroorzaken onstandvastigheid van de zijde van
het begeervermogen, waarin de onstandvastigheid haar oorsprong vindt, zoals in de
leerstelling werd uiteengezet.
Ad tertium dicendum quod continentia et perseverantia non videntur esse in vi appetitiva,
sed solum in ratione. Continens enim patitur quidem perversas concupiscentias, et
perseverans graves tristitias, quod designat defectum appetitivae virtutis, sed ratio
firmiter persistit, continentis quidem contra concupiscentias, perseverantis autem
contra tristitias. Unde continentia et perseverantia videntur esse species constantiae
ad rationem pertinentis, ad quam etiam pertinet inconstantia. (IIa-IIae q. 53 a. 5 ad 3)
3 — Zelfbeheersing en volharding zetelen niet in het begeervermogen, doch alleen in het
verstand. Immers, hij die zichzelf beheerst lijdt nog onder verkeerde lustpassies,
en iemand die volhardt heeft nog last van onlustpassies, wat op een gebrek in het
begeervermogen wijst. Maar het verstand laat zich er niet door beheersen of meeslepen,
zodat de zelfbeheersing en volharding beide een soort verstandigheid zijn.
Articulus 6. Ontstaan voornoemde ondeugden uit de onkuisheid?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod praedicta vitia non oriantur ex luxuria. Inconstantia
enim oritur ex invidia, ut dictum est. Sed invidia est vitium distinctum a luxuria.
Ergo praedicta vitia non oriuntur ex luxuria. (IIa-IIae q. 53 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat deze ondeugden niet ontstaan uit de onkuischheid. Zoals gezegd is
vindt de onstandvastigheid haar oorzaak in de nijd (vorig Art. 2° Antw.). Maar nijd
is als ondeugd onderscheiden van de onkuischheid. Dus ontstaan voornoemde ondeugden
niet uit de onkuischheid.
Praeterea, Iac. I dicitur, vir duplex animo inconstans est in omnibus viis suis. Sed
duplicitas non videtur ad luxuriam pertinere, sed magis ad dolositatem, quae est filia
avaritiae, secundum Gregorium, XXXI Moral. Ergo praedicta vitia non oriuntur ex luxuria. (IIa-IIae q. 53 a. 6 arg. 2)
2 — In de Brief van Jacobus (1.8) staat geschreven: « Een dubbelhartig mens is ongestadig
in zijn gedrag ». Dubbelhartigheid echter valt niet onder de onkuischheid, maar veeleer
onder de bedrieglijkheid. Die een dochter is van de gierigheid, naar het woord van
Gregorius. Dus ontstaan voornoemde ondeugden niet uit de onkuischheid.
Praeterea, praedicta vitia pertinent ad defectum rationis. Sed vitia spiritualia propinquiora
sunt rationi quam vitia carnalia. Ergo praedicta vitia magis oriuntur ex vitiis spiritualibus
quam ex vitiis carnalibus. (IIa-IIae q. 53 a. 6 arg. 3)
3 — Voornoemde ondeugden ontstaan uit een tekortkoming van het verstand. Maar de geestelijke
ondeugden staan nader bij het verstand dan de vleselijke. Dus vinden voornoemde ondeugden
veeleer hun oorsprong in geestelijke ondeugden dan in vleselijke.
Sed contra est quod Gregorius, XXXI Moral., ponit praedicta vitia ex luxuria oriri. (IIa-IIae q. 53 a. 6 s. c.)
Daartegenover echter staat de bewering van Gregorius dat voornoemde ondeugden ontstaan
uit de onkuischheid.
Respondeo dicendum quod, sicut philosophus dicit, in VI Ethic., delectatio maxime
corrumpit existimationem prudentiae, et praecipue delectatio quae est in venereis,
quae totam animam absorbet et trahit ad sensibilem delectationem; perfectio autem
prudentiae, et cuiuslibet intellectualis virtutis, consistit in abstractione a sensibilibus.
Unde cum praedicta vitia pertineant ad defectum prudentiae et rationis practicae,
sicut habitum est, sequitur quod ex luxuria maxime oriantur. (IIa-IIae q. 53 a. 6 co.)
De Wijsgeer zegt dat de zinnelijke lust ten zeerste schaadt aan het verstandige oordeel.
Dit geldt vooral van de geslachtelijke wellust, die de gehele ziel in beslag neemt
en ze bindt aan de zinnelijke genietingen. De volmaaktheid nu van de verstandigheid
en van iedere verstandelijke deugd bestaat in het loszijn van het zinnelijke. Daar
nu voornoemde ondeugden een tekortkoming betekenen van de verstandigheid en het praktische
verstand, zoals werd vastgesteld (2e en 5e Art.), volgt dat zij allereerst in de onkuischheid
hun oorsprong hebben.
Ad primum ergo dicendum quod invidia et ira causant inconstantiam pertrahendo rationem
ad aliud, sed luxuria causat inconstantiam totaliter extinguendo iudicium rationis.
Unde philosophus dicit, in VII Ethic., quod incontinens irae audit quidem rationem,
sed non perfecte, incontinens autem concupiscentiae totaliter eam non audit. (IIa-IIae q. 53 a. 6 ad 1)
1 — Nijd en toorn veroorzaken onstandvastigheid door het verstand naar andere dingen af
te leiden. Maar de onkuischheid veroorzaakt onstandvastigheid door het oordeel van
het verstand geheel te vernietigen. Vandaar zegt de Wijsgeer dat « iemand die de perken
te buiten gaat door toorn, nog wel naar het verstand luistert, doch slechts ten halve;
wie zich echter niet weet te beheersen op het gebied der zinnelijke lusten, luistert
in het geheel niet meer naar het verstand ».
Ad secundum dicendum quod etiam duplicitas animi est quoddam consequens ad luxuriam,
sicut et inconstantia, prout duplicitas animi importat vertibilitatem animi ad diversa.
Unde et Terentius dicit, in eunucho, quod in amore est bellum, et rursus pax et indutiae. (IIa-IIae q. 53 a. 6 ad 2)
2 — Ook dubbelhartigheid is enigszins het gevolg van onkuischheid evenals onstandvastigheid,
voor zover namelijk dubbelhartigheid een wankelbaarheid van ziel naar verschillende
uitersten inhoudt. Vandaar zegt Terentius dat « in de liefde oorlog heerst, en dan
weer vrede en hinderlagen ».
Ad tertium dicendum quod vitia carnalia intantum magis extinguunt iudicium rationis
inquantum longius abducunt a ratione. (IIa-IIae q. 53 a. 6 ad 3)
3 — De vleesgelijke ondeugden vernietigen des te meer het oordeel van het verstand, naarmate
zij iemand verder wegvoeren van het verstand.