Secunda Secundae. Quaestio 63. Over het aanzien van personen .
Prooemium
Deinde considerandum est de vitiis oppositis praedictis iustitiae partibus. Et primo,
de acceptione personarum, quae opponitur iustitiae distributivae; secundo, de peccatis
quae opponuntur iustitiae commutativae. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum
personarum acceptio sit peccatum. Secundo, utrum habeat locum in dispensatione spiritualium.
Tertio, utrum in exhibitione honorum. Quarto, utrum in iudiciis. (IIa-IIae q. 63 pr.)
Daarna moeten wij handelen over de ondeugden die aan de voornoemde delen van de rechtvaardigheid
zijn tegengesteld. En ten eerste, over het aanzien van personen, dat aan de verdeelende
rechtvaardigheid tegengesteld is; ten tweede, over de zonden, die strijdig zijn met
de ruilrechtvaardigheid. Omtrent het eerste stellen wij vier vragen: 1. Is het aanzien
van personen zonde? 2. Heeft het plaats bij het uitdelen van geestelijke goederen?
3. Bij eerbetoon? 4. Bij het oordelvellen?
Articulus 1. Is het aanzien van personen zonde?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod personarum acceptio non sit peccatum. In nomine
enim personae intelligitur personae dignitas. Sed considerare dignitates personarum
pertinet ad distributivam iustitiam. Ergo personarum acceptio non est peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het aanzien van personen geen zonde is. — 1. Onder het woord *persoon*
wordt de waardigheid van de persoon verstaan. Welnu, het in acht nemen van de waardigheid
der personen, valt onder de verdeelende rechtvaardigheid. Derhalve is het aanzien
van personen geen zonde.
Praeterea, in rebus humanis personae sunt principaliores quam res, quia res sunt propter
personas, et non e converso. Sed rerum acceptio non est peccatum. Ergo multo minus
acceptio personarum. (IIa-IIae q. 63 a. 1 arg. 2)
2 — In menselijke aangelegenheden zijn de personen belangrijker dan de zaken: want de
zaken zijn er om de personen, en niet andersom. Welnu, het aanzien van zaken is geen
zonde. Dus nog veel minder het aanzien van personen.
Praeterea, apud Deum nulla potest esse iniquitas vel peccatum. Sed Deus videtur personas
accipere, quia interdum duorum hominum unius conditionis unum assumit per gratiam,
et alterum relinquit in peccato, secundum illud Matth. XXIV, duo erunt in lecto, unus
assumetur et alius relinquetur. Ergo acceptio personarum non est peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 1 arg. 3)
3 — Bij God kan geen enkele boosheid of zonde zijn. Welnu, God schijnt de personen aan
te zien: want van twee personen, die in dezelfde omstandigheden verkeren, neemt hij
er soms een in genade aan, terwijl hij de ander in zonde achterlaat, volgens het woord
bij *Mattheus* (24. 40): « Twee zullen op één bed liggen: de een wordt opgenomen,
de ander achtergelaten ». Derhalve is het aanzien van personen geen zonde.
Sed contra, nihil prohibetur in lege divina nisi peccatum. Sed personarum acceptio
prohibetur Deut. I, ubi dicitur, non accipietis cuiusquam personam. Ergo personarum
acceptio est peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat niet wordt verboden door de goddelijke wet dan alleen
de zonde. Welnu, het aanzien van personen wordt verboden in het Boek Deuteronomium
(1. 17) waar gezegd wordt: «Gij zult iemands persoon aanzien». Dus is het aanzien
van personen zonde.
Respondeo dicendum quod personarum acceptio opponitur distributivae iustitiae. Consistit
enim aequalitas distributivae iustitiae in hoc quod diversis personis diversa tribuuntur
secundum proportionem ad dignitates personarum. Si ergo aliquis consideret illam proprietatem
personae propter quam id quod ei confertur est ei debitum, non erit acceptio personae,
sed causae, unde Glossa, super illud ad Ephes. VI, non est personarum acceptio apud
Deum, dicit quod iudex iustus causas discernit, non personas. Puta si aliquis promoveat
aliquem ad magisterium propter sufficientiam scientiae, hic attenditur causa debita,
non persona, si autem aliquis consideret in eo cui aliquid confert, non id propter
quod id quod ei datur esset ei proportionatum vel debitum, sed solum hoc quod est
iste homo, puta Petrus vel Martinus, est hic acceptio personae, quia non attribuitur
ei aliquid propter aliquam causam quae faciat eum dignum, sed simpliciter attribuitur
personae. Ad personam autem refertur quaecumque conditio non faciens ad causam propter
quam sit dignus hoc dono, puta si aliquis promoveat aliquem ad praelationem vel magisterium
quia est dives, vel quia est consanguineus suus, est acceptio personae. Contingit
tamen aliquam conditionem personae facere eam dignam respectu unius rei, et non respectu
alterius, sicut consanguinitas facit aliquem dignum ad hoc quod instituatur heres
patrimonii, non autem ad hoc quod conferatur ei praelatio ecclesiastica. Et ideo eadem
conditio personae in uno negotio considerata facit acceptionem personae, in alio autem
non facit. Sic ergo patet quod personarum acceptio opponitur iustitiae distributivae
in hoc quod praeter proportionem agitur. Nihil autem opponitur virtuti nisi peccatum.
Unde consequens est quod personarum acceptio sit peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 1 co.)
Het aanzien van personen is strijdig met de verdeelende rechtvaardigheid. De gelijkheid
immers van de verdeelende rechtvaardigheid bestaat hierin, dat aan verschillende personen
verschillende goederen worden toebedeeld, in verhouding tot de waardigheid van de
personen. Als men dus die eigenschap van het persoon in aanmerking neemt, volgens
welke datgene wat hem wordt toebedeeld hem toekomt, dan is daar geen aanzien van persoon,
maar van werkelijke grond: daarom zegt de Glossa, bij dit woord uit de Brief aan de
Ephesiërs (6. 9): «Bij God bestaat geen aanzien van personen», dat «de rechtvaardige
rechter de zaken beoordeelt en niet de personen». B.v. wanneer iemand een ander om
zijn voldoende wetenschap tot het magisteriaat verheft, wordt een vereiste grond in
't oog gehouden, en niet de persoon. Wanneer echter iemand bij hem aan wie hij iets
toekent, niet datgene in aanmerking zou nemen waardoor dat wat hem wordt toegekend
aan hem zou geëvenredigd of verschuldigd zijn, maar enkel in 't oog houdt, dat hij
deze mens is, b.v. Petrus of Martinus, dan is dat aanzien van persoon, want dan wordt
hem iets toegekend, niet om reden van een werkelijke grond, die hem waardig maakt,
maar dan wordt het aan de persoon zonder meer toegekend. Elke hoedanigheid nu, die
niet oorzaak is waarom iemand een bepaalde gave waardig is, wordt tot de persoon herleid:
b.v. wanneer iemand een ander tot de prelatuur of het magisteriaat verheft, omdat
hij rijk is of zijn bloedverwant is, dan is dat aanzien van persoon. Toch komt het
voor, dat een of andere hoedanigheid van een persoon hem wel het een, maar niet het
ander waardig maakt: zoals bloedverwantschap iemand waardig maakt om te worden erkend
als erfgenaam van een vermogen, niet echter om een kerkelijke prelatuur te ontvangen.
En daarom is eenzelfde persoonshoedanigheid in één bepaald geval oorzaak van aanzien
van persoon, en niet in een ander.
Ad primum ergo dicendum quod in distributiva iustitia considerantur conditiones personarum
quae faciunt ad causam dignitatis vel debiti. Sed in acceptione personarum considerantur
conditiones quae non faciunt ad causam, ut dictum est. (IIa-IIae q. 63 a. 1 ad 1)
1 — Bij de verdeelende rechtvaardigheid komen die persoonshoedanigheden in aanmerking,
die de waardigheid of rechtsgrond beïnvloeden. Bij het aanzien van personen echter,
worden die hoedanigheden in aanmerking genomen, die aan de werkelijke grond niets
toedoen, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod personae proportionantur et dignae redduntur aliquibus quae
eis distribuuntur, propter aliquas res quae pertinent ad conditionem personae, et
ideo huiusmodi conditiones sunt attendendae tanquam propriae causae. Cum autem considerantur
ipsae personae, attenditur non causa ut causa. Et ideo patet quod, quamvis personae
sint digniores simpliciter, non tamen sunt digniores quoad hoc. (IIa-IIae q. 63 a. 1 ad 2)
2 — Door sommige hoedanigheden, die tot de staat van een persoon behoren, worden die personen
geëvenredigd tot en waardig voor sommige dingen, die hun worden toebedeeld: en daarom
moeten dergelijke hoedanigheden worden beschouwd als eigenlijke grond. Wanneer echter
de personen zelf worden beschouwd, dan houdt men geen rekening met de grond als grond.
En zo blijkt het dat, hoewel sommige personen waardiger zijn zonder meer, zij toch
niet waardiger zijn met betrekking tot dit of dat.
Ad tertium dicendum quod duplex est datio. Una quidem pertinens ad iustitiam, qua
scilicet aliquis dat alicui quod ei debetur. Et circa tales dationes attenditur personarum
acceptio. Alia est datio ad liberalitatem pertinens, qua scilicet gratis datur alicui
quod ei non debetur. Et talis est collatio munerum gratiae, per quae peccatores assumuntur
a Deo. Et in hac donatione non habet locum personarum acceptio, quia quilibet potest
absque iniustitia de suo dare quantum vult et cui vult, secundum illud Matth. XX,
an non licet mihi quod volo facere? Tolle quod tuum est, et vade. (IIa-IIae q. 63 a. 1 ad 3)
3 — Er is een dubbele schenking mogelijk. Eene, die onder de rechtvaardigheid valt, waardoor
namelijk iemand aan een ander geeft wat hem toekomt. Met betrekking tot deze manier
spreekt men over aanzien van personen. — De tweede manier valt onder de vrijgevigheid,
wanneer om niet aan iemand iets gegeven wordt, wat men hem niet verschuldigd is. Zulke
schenking is de toebedeling der genadegaven, waardoor God de zondaars tot zich trekt.
Bij deze wijze van geven kan het aanzien van personen geen plaats vinden: want gelijk
wie kan zonder onrechtvaardigheid van het zijne geven zoveel en aan wie hij wil, naar
het woord bij Mattheus (20. 14, 15): « Of staat het mij niet vrij, met het mijne te
doen wat ik wil? Neem dus het uwe en ga heen ».
Articulus 2. Heeft het aanzien van personen plaats bij het uitdelen van kerkelijke goederen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in dispensatione spiritualium locum non habeat
personarum acceptio. Conferre enim dignitatem ecclesiasticam seu beneficium alicui
propter consanguinitatem videtur ad acceptionem personarum pertinere, quia consanguinitas
non est causa faciens hominem dignum ecclesiastico beneficio. Sed hoc non videtur
esse peccatum, cum hoc ex consuetudine praelati Ecclesiae faciant. Ergo peccatum personarum
acceptionis non videtur locum habere in dispensatione spiritualium. (IIa-IIae q. 63 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat aanzien van personen geen plaats heeft bij het uitdelen van geestelijke
goederen. — 1. Aan iemand een kerkelijke waardigheid of winstgevend ambt toekennen
om reden van bloedverwantschap, lijkt wel onder het aanzien van personen te vallen:
want bloedverwantschap is geen grond, die iemand waardig maakt voor een winstgevend
kerkelijk ambt. Dit echter schijnt geen zonde te zijn: want de kerkelijke overheden
doen dit uit gewoonte. Derhalve lijkt de zonde van aanzien van personen geen plaats
te hebben bij de verdeling van geestelijke goederen.
Praeterea, praeferre divitem pauperi videtur ad acceptionem personarum pertinere,
ut patet Iac. II. Sed facilius dispensatur cum divitibus et potentibus quod contrahant
matrimonium in gradu prohibito, quam cum aliis. Ergo peccatum personarum acceptionis
non videtur locum habere circa dispensationem spiritualium. (IIa-IIae q. 63 a. 2 arg. 2)
2 — Aan een rijke de voorkeur geven boven een arme lijkt wel onder het aanzien van personen
te vallen, zoals blijkt uit de Brief van Jacobus (2, 1 vlg.). Welnu, aan rijken en
machtigen wordt gemakkelijker toestemming verleend om in een verboden graad een huwelijk
aan te gaan, dan aan anderen. Derhalve lijkt de zonde van aanzien van personen geen
plaats te hebben bij het uitdelen van geestelijke goederen.
Praeterea, secundum iura sufficit eligere bonum, non autem requiritur quod aliquis
eligat meliorem. Sed eligere minus bonum ad aliquid altius videtur ad acceptionem
personarum pertinere. Ergo personarum acceptio non est peccatum in spiritualibus. (IIa-IIae q. 63 a. 2 arg. 3)
3 — Volgens de voorschriften van het recht volstaat het een goede te verkiezen, het is
echter niet vereist de beste te kiezen. Welnu, een minder goede uitkiezen voor een
hoger ambt, lijkt wel onder het aanzien van personen te vallen. Dus is het aanzien
van personen in geestelijke aangelegenheden geen zonde.
Praeterea, secundum statuta Ecclesiae eligendus est aliquis de gremio Ecclesiae. Sed
hoc videtur ad acceptionem personarum pertinere, quia quandoque sufficientiores alibi
invenirentur. Ergo personarum acceptio non est peccatum in spiritualibus. (IIa-IIae q. 63 a. 2 arg. 4)
4 — Volgens de kerkelijke statuten moet men iemand verkiezen uit de kerkelijke gemeenschap.
Welnu, dit lijkt wel onder het aanzien van personen te vallen: want soms zouden meer
geschikte personen elders gevonden worden. Dus is het aanzien van personen in geestelijke
aangelegenheden geen zonde.
Sed contra est quod dicitur Iac. II, nolite in personarum acceptione habere fidem
domini nostri Iesu Christi. Ubi dicit Glossa Augustini, quis ferat si quis divitem
eligat ad sedem honoris Ecclesiae, contempto paupere instructiore et sanctiore? (IIa-IIae q. 63 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in de Brief van Jacobus (2, 1) gezegd wordt: « Paart
het aanzien van personen niet met het geloof in onze Heer Jezus Christus ». En daarbij
tekent de Glossa aan: « Wie zal gedogen, dat men een rijke verheft op de zetel van
eer in de Kerk, en de bekwameren en heiligeren arme versmaadt? »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, acceptio personarum est peccatum inquantum
contrariatur iustitiae. Quanto autem in maioribus aliquis iustitiam transgreditur,
tanto gravius peccat. Unde cum spiritualia sint temporalibus potiora, gravius peccatum
est personas accipere in dispensatione spiritualium quam in dispensatione temporalium.
Et quia personarum acceptio est cum aliquid personae attribuitur praeter proportionem
dignitatis ipsius, considerare oportet quod dignitas alicuius personae potest attendi
dupliciter. Uno modo, simpliciter et secundum se, et sic maioris dignitatis est ille
qui magis abundat in spiritualibus gratiae donis. Alio modo, per comparationem ad
bonum commune, contingit enim quandoque quod ille qui est minus sanctus et minus sciens,
potest maius conferre ad bonum commune, propter potentiam vel industriam saecularem,
vel propter aliquid huiusmodi. Et quia dispensationes spiritualium principalius ordinantur
ad utilitatem communem, secundum illud I ad Cor. XII, unicuique datur manifestatio
spiritus ad utilitatem; ideo quandoque absque acceptione personarum in dispensatione
spiritualium illi qui sunt simpliciter minus boni, melioribus praeferuntur, sicut
etiam et Deus gratias gratis datas quandoque concedit minus bonis. (IIa-IIae q. 63 a. 2 co.)
Zoals gezegd werd (vorig Art.), is het aanzien van personen zonde in zover het strijdig
is met de rechtvaardigheid. Naarmate men nu in grotere dingen de rechtvaardigheid
overtreedt, zondigt men zwaarder. Daar nu geestelijke goederen groter zijn dan tijdelijke,
is het aanzien van personen bij de uitdeling van geestelijke goederen zwaardere zonde,
dan bij de uitdeling van tijdelijke goederen. Daar het nu aanzien van personen is,
iets aan een persoon toe te kennen buiten de verhouding van zijn waardigheid, moet
in aanmerking worden genomen, dat de waardigheid van een persoon op twee manieren
kan beschouwd worden. Ten eerste, zonder meer en op zichzelf: op die wijze is hij
waardiger, die overvloediger genadegaven bezit. Ten tweede, met betrekking tot het
algemeen welzijn: immers, het komt soms voor dat iemand, die minder heilig is en minder
kennis bezit, meer kan bijdragen tot het algemeen welzijn, om reden van tijdelijke
macht of vaardigheid of iets dergelijks. En daar nu het uitdelen van geestelijke goederen
voornamelijk gericht is op het algemeen nut, volgens het woord uit de Eerste Brief
aan de Corinthiërs (12. 7): «Aan ieder wordt de Geestesuiting geschonken, om er nut
mee te stichten»; daarom wordt soms, bij het uitdelen van geestelijke goederen, aan
diegenen, die minder goed zijn zonder meer, de voorkeur gegeven boven de beteren,
zonder dat daarmee aanzien van personen gepaard gaat: zoals ook God soms aan de minder
goeden om niet genaden verleent.
Ad primum ergo dicendum quod circa consanguineos praelati distinguendum est. Quia
quandoque sunt minus digni et simpliciter, et per respectum ad bonum commune. Et sic
si dignioribus praeferantur, est peccatum personarum acceptionis in dispensatione
spiritualium, quorum praelatus ecclesiasticus non est dominus, ut possit ea dare pro
libito, sed dispensator, secundum illud I ad Cor. IV, sic nos existimet homo ut ministros
Christi, et dispensatores mysteriorum Dei. Quandoque vero consanguinei praelati ecclesiastici
sunt aeque digni ut alii. Et sic licite potest, absque personarum acceptione, consanguineos
suos praeferre, quia saltem in hoc praeeminent, quod de ipsis magis confidere potest
ut unanimiter secum negotia Ecclesiae tractent. Esset tamen hoc propter scandalum
dimittendum, si ex hoc aliqui exemplum sumerent, etiam praeter dignitatem, bona Ecclesiae
consanguineis dandi. (IIa-IIae q. 63 a. 2 ad 1)
1 — Met betrekking tot de bloedverwanten van een prelaat moet men onderscheid maken. Want
soms zijn zij minder waardig én zonder meer, én met betrekking tot het algemeen welzijn.
En wanneer dezulken boven waardiger personen worden gesteld, is dat zonde van aanzien
van personen bij het uitdelen van geestelijke goederen; een kerkelijk prelaat is er
immers geen eigenaar van, zodat hij ze naar willekeur zou mogen wegschenken, maar
enkel de beheerder, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 1):
« Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen, en beheerders van
Gods geheimenissen ». Soms echter zijn de bloedverwanten van een kerkelijk prelaat
even waardig als anderen. En dan kan hij wettig de voorkeur geven aan zijn bloedverwanten,
zonder aanzien van personen: want hierin ten minste verdienen zij de voorkeur, dat
hij meer op hen betrouwen kan, om met hen eensgezind de kerkelijke aangelegenheden
te behartigen. Ook dit zou echter moeten worden vermeden om reden van ergernis, wanneer
anderen daaraan een voorbeeld zouden nemen om kerkelijke goederen aan bloedverwanten
weg te schenken, ook zonder op hun waardigheid te letten.
Ad secundum dicendum quod dispensatio matrimonii contrahendi principaliter fieri consuevit
propter foedus pacis firmandum, quod quidem magis est necessarium communi utilitati
circa personas excellentes. Ideo cum eis facilius dispensatur absque peccato acceptionis
personarum. (IIa-IIae q. 63 a. 2 ad 2)
2 — De toestemming om een huwelijk aan te gaan werd gewoonlijk en voornamelijk gegeven
om een vredesverbond te bestendigen: en dat is meer nodig voor het algemeen welzijn
wanneer hooggeplaatste personen in kwestie zijn. Daarom wordt aan hen gemakkelijker
toestemming verleend, zonder aanzien van personen.
Ad tertium dicendum quod quantum ad hoc quod electio impugnari non possit in foro
iudiciali, sufficit eligere bonum, nec oportet eligere meliorem, quia sic omnis electio
posset habere calumniam. Sed quantum ad conscientiam eligentis, necesse est eligere
meliorem vel simpliciter, vel in comparatione ad bonum commune. Quia si potest haberi
aliquis magis idoneus erga aliquam dignitatem et alius praeferatur, oportet quod hoc
sit propter aliquam causam. Quae quidem si pertineat ad negotium, quantum ad hoc erit
ille qui eligitur magis idoneus. Si vero non pertineat ad negotium id quod consideratur
ut causa, erit manifeste acceptio personae. (IIa-IIae q. 63 a. 2 ad 3)
3 — Opdat een verkiezing niet zou kunnen betwist worden op uitwendig rechtsgebied, volstaat
het een goede te kiezen en is het niet vereist de beste te kiezen: want op die wijze
zou iedere keuze betwist kunnen worden. Wat echter het geweten van de kiezer betreft,
is het vereist de beste zonder meer te kiezen, ofwel de beste met betrekking tot het
algemeen welzijn. Want indien een geschiktere persoon voor een of andere waardigheid
in aanmerking zou kunnen komen, en men toch een ander boven hem verkiest, dan moet
daarvoor toch enige reden bestaan. Wanneer deze reden gevonden wordt in de natuur
van het ambt zelf, dan zal met betrekking hiertoe de gekozene wel de meest geschikte
zijn. Wanneer de reden echter geen betrekking heeft op het ambt, dan is er klaarblijkelijk
aanzien van personen.
Ad quartum dicendum quod ille qui de gremio Ecclesiae assumitur, ut in pluribus consuevit
esse utilior quantum ad bonum commune, quia magis diligit Ecclesiam in qua est nutritus.
Et propter hoc etiam mandatur Deut. XVII, non poteris alterius gentis facere regem,
qui non sit frater tuus. (IIa-IIae q. 63 a. 2 ad 4)
4 — Wanneer men iemand neemt uit de gemeenschap van een kerk, dan is hij in de meeste
gevallen nuttiger met betrekking tot het algemeen welzijn: want hij bemint meer de
kerk waarin hij opgevoed is. Daarom ook schrijft het Boek Deuteronomium voor (17.
15): « Gij zult geen mens van een ander volk, die niet uw broeder is, koning mogen
maken ».
Articulus 3. Heeft de zonde van aanzien van personen plaats bij het betuigen van eer en achting?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in exhibitione honoris et reverentiae non
habeat locum peccatum acceptionis personarum. Honor enim nihil aliud esse videtur
quam reverentia quaedam alicui exhibita in testimonium virtutis, ut patet per philosophum,
in I Ethic. Sed praelati et principes sunt honorandi, etiam si sint mali; sicut etiam
et parentes, de quibus mandatur Exod. XX, honora patrem tuum et matrem tuam; et etiam
domini sunt a servis honorandi, etiam si sint mali, secundum illud I ad Tim. VI, quicumque
sunt sub iugo servi, dominos suos honore dignos arbitrentur. Ergo videtur quod acceptio
personae non sit peccatum in exhibitione honoris. (IIa-IIae q. 63 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men niet kan zondigen door aanzien van personen bij het betuigen
van eer en achting. — 1. Eer immers lijkt wel niets anders te zijn dan de vereering,
die men iemand bewijst, als getuigenis voor zijn deugd: zoals blijkt uit wat de Wijsgeer
zegt. Welnu, prelaten en vorsten moeten geëerd worden, ook al zijn zij slecht; evenals
ook de ouders, waarover het Boek van de Uittocht beveelt (20. 12): « Eert uw vader
en uw moeder ». Ook moeten de meesters door de dienaars worden geëerd, al zijn zij
ook slecht, naar het woord uit de Eerste Brief aan Timotheüs (6. 1): « Allen, die
het slavenjuk torsen, moeten hun meesters hoogachten ». Derhalve blijkt, dat het aanzien
van personen bij eerbetuiging geen zonde is.
Praeterea, Levit. XIX praecipitur, coram cano capite consurge, et honora personam
senis. Sed hoc videtur ad acceptionem personarum pertinere, quia quandoque senes non
sunt virtuosi, secundum illud Dan. XIII, egressa est iniquitas a senioribus populi.
Ergo acceptio personarum non est peccatum in exhibitione honoris. (IIa-IIae q. 63 a. 3 arg. 2)
2 — In het Boek Leviticus (19. 32.) wordt voorgeschreven « Voor het grijze hoofd zult
gij opstaan, en het aangezicht van de oude eren ». Dit nu schijnt onder het aanzien
van personen te vallen: want soms zijn de ouderlingen niet deugdzaam, naar het woord
uit het Boek Daniël (13. 5.): « Ongerechtigheid ging uit van de ouderlingen van het
volk ». Dus is het aanzien van personen bij eerbetuiging geen zonde.
Praeterea, super illud Iac. II, nolite in personarum acceptione habere etc., dicit
Glossa Augustini, si hoc quod Iacobus dicit, si introierit in conventum vestrum vir
habens anulum aureum etc., intelligatur de quotidianis consessibus quis hic non peccat,
si tamen peccat? Sed haec est acceptio personarum, divites propter divitias honorare,
dicit enim Gregorius, in quadam homilia, superbia nostra retunditur, quia in hominibus
non naturam, qua ad imaginem Dei facti sunt, sed divitias honoramus; et sic, cum divitiae
non sint debita causa honoris, pertinebit hoc ad personarum acceptionem. Ergo personarum
acceptio non est peccatum circa exhibitionem honoris. (IIa-IIae q. 63 a. 3 arg. 3)
3 — Bij het woord van Jacobus (2. 1): « Paart het aanzien van personen niet » enz., merkt
de Glossa op: « Indien wat Jacobus zegt: Zo bij uw samenkomsten een man binnentreedt
met een gouden ring, enz. verstaan wordt van dagelijkse samenkomsten, wie zou hier
dan niet zondigen, indien hij toch zondigt? ». Welnu, de rijken eren om hun rijkdommen
is aanzien van personen. Gregorius immers zegt: « Onze hoogmoed is verijdeld, omdat
wij in de mensen niet de natuur eren waardoor zij gemaakt zijn naar Gods beeld, maar
de rijkdommen ». Daar nu de rijkdommen geen voldoende reden zijn tot eerbetuiging,
valt dit onder het aanzien van personen. Derhalve is het aanzien van personen bij
eerbetuiging geen zonde.
Sed contra est quod dicitur in Glossa Iac. II, quicumque divitem propter divitias
honorat, peccat. Et pari ratione, si aliquis honoretur propter alias causas quae non
faciunt dignum honore, quod pertinet ad acceptionem personarum. Ergo acceptio personarum
in exhibitione honoris est peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Glossa op de Brief aan Jacobus (2. 1.) zegt: «
Alwie de rijke eert om zijn rijkdom, bedrijft zonde ». Hetzelfde geldt wanneer men
iemand eert om andere redenen, die hem niet waardig maken voor eerbetuiging: dit valt
onder het aanzien van personen. Dus is het aanzien van personen bij eerbetuiging zonde.
Respondeo dicendum quod honor est quoddam testimonium de virtute eius qui honoratur,
et ideo sola virtus est debita causa honoris. Sciendum tamen quod aliquis potest honorari
non solum propter virtutem propriam, sed etiam propter virtutem alterius. Sicut principes
et praelati honorantur etiam si sint mali, inquantum gerunt personam Dei et communitatis
cui praeficiuntur, secundum illud Prov. XXVI, sicut qui immittit lapides in acervum
Mercurii, ita qui tribuit insipienti honorem. Quia gentiles rationem attribuebant
Mercurio, acervus Mercurii dicitur cumulus ratiocinii, in quo mercator quandoque mittit
unum lapillum loco centum marcarum, ita etiam honoratur insipiens, quia ponitur loco
Dei et loco totius communitatis. Et eadem ratione parentes et domini sunt honorandi,
propter participationem divinae dignitatis, qui est omnium pater et dominus. Senes
autem sunt honorandi propter signum virtutis, quod est senectus, licet hoc signum
quandoque deficiat. Unde, ut dicitur Sap. IV, senectus vere honoranda est non diuturna
neque annorum numero computata, cani autem sunt sensus hominis, et aetas senectutis
vita est immaculata. Divites autem honorandi sunt propter hoc quod maiorem locum in
communitatibus obtinent. Si autem solum intuitu divitiarum honorentur, erit peccatum
acceptionis personarum. (IIa-IIae q. 63 a. 3 co.)
Eer is een getuigenis voor de deugd van hem die vereerd wordt: en daarom is alleen
de deugd een voldoende reden tot eerbetuiging. Toch moet in acht worden genomen, dat
iemand eerbetuiging kan ontvangen, niet enkel om zijn eigen deugd, maar eveneens om
andermans deugd. Zo worden vorsten en prelaten, ook al zijn zij slecht, vereerd voor
zover zij de persoon van God en die van de gemeenschap, waarover zij werden aangesteld,
vertegenwoordigen: naar het woord van het Boek der Spreuken (26. 8.): « Die eer geeft
aan een dwaze, is als iemand die een steen zou werpen op de steenhoop van Mercurius
». Omdat de heidenen aan Mercurius de berekening toeschreven, daarom heet men hoop
van Mercurius de hoop geld waarin de koopman soms een steentje werpt in de plaats
van honderd marken: zo wordt ook de dwaas vereerd, wanneer hij in de plaats van God
en van de hele gemeenschap wordt gesteld. — Om dezelfde reden moet men eer betuigen
aan ouders en meesters, om hun deelhebbing aan de waardigheid van God, die Vader en
Heer is van allen. — Ouderlingen moet men eren om hun ouderdom, die een teken is van
deugd: hoewel dit teken soms bedriegt. Daarom zegt het Boek der Wijsheid (4. 8, 9):
« Want een achtenswaardige grijsheid is niet die van een langdurig leven, noch te
schatten naar het getal van jaren; maar ’s mensen wijsheid zijn voor hem grijze haren,
en een onbevlekt leven is voor hem hoge ouderdom ». Aan de rijken echter moet eer
bewezen worden, omdat zij een hogere plaats bekleden in de gemeenschap. Wanneer hun
echter eer betuigd wordt alleen om hun rijkdom, dan is dat zonde van aanzien van personen.
Et per hoc patet responsio ad obiecta. (IIa-IIae q. 63 a. 3 ad arg.)
1 — En hieruit blijkt het antwoord op de bedenkingen.
Articulus 4. Heeft het aanzien van personen plaats bij gerechtelijke uitspraken?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod in iudiciis locum non habeat peccatum acceptionis
personarum. Acceptio enim personarum opponitur distributivae iustitiae, ut dictum
est. Sed iudicia maxime videntur ad iustitiam commutativam pertinere. Ergo personarum
acceptio non habet locum in iudiciis. (IIa-IIae q. 63 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de zonde van aanzien van personen geen plaats heeft bij gerechtelijke
uitspraken. — 1. Zoals gezegd is (1° Art.), staat het aanzien van personen tegenover
de verdeelende rechtvaardigheid. Rechterlijke uitspraken nu, lijken helemaal onder
de ruilrechtvaardigheid te vallen. Dus heeft het aanzien van personen geen plaats
in rechterlijke uitspraken.
Praeterea, poenae secundum aliquod iudicium infliguntur. Sed in poenis accipiuntur
personae absque peccato, quia gravius puniuntur qui inferunt iniuriam in personas
principum quam qui in personas aliorum. Ergo personarum acceptio non habet locum in
iudiciis. (IIa-IIae q. 63 a. 4 arg. 2)
2 — Straffen worden opgelegd volgens een rechterlijke uitspraak. Welnu, in het opleggen
van straf kan men personen aanzien zonder te zondigen: want zij die de persoon van
vorsten beleedigen, worden zwaarder gestraft dan zij, die andere personen beleedigen.
Derhalve heeft het aanzien van personen geen plaats bij rechterlijke uitspraken.
Praeterea, Eccli. IV dicitur, in iudicando esto pupillis misericors. Sed hoc videtur
accipere personam pauperis. Ergo acceptio personae in iudiciis non est peccatum. (IIa-IIae q. 63 a. 4 arg. 3)
3 — In het Boek Ecclesiasticus (4. 10) wordt gezegd: « Wees barmhartig voor de wezen als
gij oordeelt ». Dit nu schijnt wel de persoon aanzien van de arme. Dus is het aanzien
van personen bij rechterlijke uitspraken geen zonde.
Sed contra est quod dicitur Prov. XVIII, accipere personam in iudicio non est bonum. (IIa-IIae q. 63 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Spreuken (18. 5) gezegd wordt: « Bij
het oordeel is het aanzien van personen niet goed ».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, iudicium est actus iustitiae, prout
iudex ad aequalitatem iustitiae reducit ea quae inaequalitatem oppositam facere possunt.
Personarum autem acceptio inaequalitatem quandam habet, inquantum attribuitur alicui
personae praeter proportionem suam, in qua consistit aequalitas iustitiae. Et ideo
manifestum est quod per personarum acceptionem iudicium corrumpitur. (IIa-IIae q. 63 a. 4 co.)
Zoals boven gezegd werd (60° Kw. 1° Art.), is het oordeel een daad van de rechtvaardigheid
voor zover de rechter datgene wat tot ongelijkheid aanleiding geeft, tot de gelijkheid
van de rechtvaardigheid terugvoert. Het aanzien van personen nu sluit een zekere ongelijkheid
in, voor zover men iets toeschrijft aan een persoon buiten alle evenredigheid, waarin
juist de gelijkheid van de rechtvaardigheid bestaat. En daarom is het klaarlijkend,
dat door het aanzien van personen het oordeel ontaardt.
Ad primum ergo dicendum quod iudicium dupliciter potest considerari. Uno modo, quantum
ad ipsam rem iudicatam. Et sic iudicium se habet communiter ad commutativam et ad
distributivam iustitiam, potest enim iudicio definiri qualiter aliquid commune sit
distribuendum in multos, et qualiter unus alteri restituat quod ab eo accepit. Alio
modo potest considerari quantum ad ipsam formam iudicii, prout scilicet iudex, etiam
in ipsa commutativa iustitia, ab uno accipit et alteri dat. Et hoc pertinet ad distributivam
iustitiam. Et secundum hoc in quolibet iudicio locum habere potest personarum acceptio. (IIa-IIae q. 63 a. 4 ad 1)
1 — Men kan het oordeel op twee manieren beschouwen. Ten eerste, van de kant van de beoordeelde
zaak. En op die wijze valt het oordeel tegelijk onder de ruilrechtvaardigheid en onder
de verdeelende rechtvaardigheid: door het oordeel immers kan worden beslecht hoe een
gemeenschappelijk goed moet worden verdeeld onder velen, en hoe de een aan de ander
teruggeeft wat hij van hem ontving. — Ten tweede kan men het oordeel beschouwen naar
zijn vorm zelf, voor zover namelijk de rechter, ook in de ruilrechtvaardigheid, van
de een ontvangt en aan de ander geeft. Dit nu valt onder de verdeelende rechtvaardigheid.
En in die zin kan in elk oordeel het aanzien van personen plaats vinden.
Ad secundum dicendum quod cum punitur gravius aliquis propter iniuriam in maiorem
personam commissam, non est personarum acceptio, quia ipsa diversitas personae facit,
quantum ad hoc, diversitatem rei, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 63 a. 4 ad 2)
2 — Wanneer iemand zwaarder wordt gestraft om een beleediging, die hij een waardiger persoon
aandeed, is dat geen aanzien van persoon: want het verschil zelf van persoon stelt,
wat dit betreft, een zaakverschil daar, zoals gezegd is (58° Kw. 10° Art. 3° Antw.;
61° Kw. 2° Art. 3° Antw.).
Ad tertium dicendum quod homo in iudicio debet pauperi subvenire quantum fieri potest,
tamen sine laesione iustitiae. Alioquin habet locum illud quod dicitur Exod. XXIII,
pauperis quoque non misereberis in iudicio. (IIa-IIae q. 63 a. 4 ad 3)
3 — De mens moet, in het oordeel, de arme tegemoet komen voor zover dat mogelijk is, hoewel
zonder schennis van de rechtvaardigheid. Anders gebeurt niet wat in het Boek van de
Uittocht (23. 3) wordt gezegd: « Over de arme ook zult gij u niet ontfermen in het
gerecht ».