Deinde considerandum est de voto, per quod aliquid Deo promittitur. Et circa hoc quaeruntur
duodecim. Primo, quid sit votum. Secundo, quid cadat sub voto. Tertio, de obligatione
voti. Quarto, de utilitate vovendi. Quinto, cuius virtutis sit actus. Sexto, utrum
magis meritorium sit facere aliquid ex voto quam sine voto. Septimo, de solemnitate
voti. Octavo, utrum possint vovere qui sunt potestati alterius subiecti. Nono, utrum
pueri possint voto obligari ad religionis ingressum. Decimo, utrum votum sit dispensabile
vel commutabile. Undecimo, utrum in solemni voto continentiae possit dispensari. Duodecimo,
utrum requiratur in dispensatione voti superioris auctoritas. (IIa-IIae q. 88 pr.)
Vervolgens moeten wij over de gelofte spreken, waardoor iets aan God wordt beloofd.
(Zie 85e Kw. Inl.) En hierover stellen wij ons twaalf vragen: 1. Wat is een gelofte?
2. Waarover kan een gelofte worden gedaan? 3. Over het verplichtend zijn van de gelofte.
4. Over het nut van het afleggen van een gelofte. 3. Van welke deugd is de gelofte
een daad? 6. Is het verdienstelijker iets krachtens een gelofte te doen dan zonder
een gelofte? 7. Over het plechtig zijn van een gelofte. 8. Kunnen zij, die onder de
macht van een ander staan, geloften afleggen? 9. Kunnen kinderen door een gelofte
verplicht worden in het klooster te treden? 10. Kan men van een gelofte ontslagen
worden, of kan ze veranderd worden? 11. Kan men van de plechtige gelofte van onthouding
ontslagen, worden? 12. Is het gezag van de overste vereist om van een gelofte te ontheffen?
Articulus 1. Bestaat een gelofte alleen in een voornemen van den wil?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod votum consistat in solo proposito voluntatis.
Quia secundum quosdam, votum est conceptio boni propositi, animi deliberatione firmata,
qua quis ad aliquid faciendum vel non faciendum se Deo obligat. Sed conceptio boni
propositi, cum omnibus quae adduntur, potest in solo motu voluntatis consistere. Ergo
votum in solo proposito voluntatis consistit. (IIa-IIae q. 88 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat een gelofte alleen in een voornemen van de wil bestaat. Want volgens
sommigen is een gelofte « het maken van een goed voornemen, door overleg versterkt,
waardoor iemand zich tegenover God verplicht om iets te doen of niet te doen. » Maar
het maken van een goed voornemen, met alles wat daarbij wordt gevoegd, kan in een
wilsdaad alleen bestaan. Dus bestaat een gelofte alleen in een voornemen van de wil.
Praeterea, ipsum nomen voti videtur a voluntate assumptum, dicitur enim aliquis proprio
voto facere quae voluntarie facit. Sed propositum est actus voluntatis, promissio
autem rationis. Ergo votum in solo actu voluntatis consistit. (IIa-IIae q. 88 a. 1 arg. 2)
2 — De naam gelofte (votum) zelf schijnt van de wil (voluntas) afgeleid te zijn; want
men zegt, dat iemand uit eigen beweging (voto) doet, wat hij vrijwillig doet. Nu is
een voornemen een daad van de wil, maar een belofte van het verstand. Dus bestaat
een gelofte alleen uit een wilsdaad.
Praeterea, dominus dicit, Luc. IX, nemo mittens manum ad aratrum et aspiciens retro
aptus est regno Dei. Sed aliquis ex hoc ipso quod habet propositum bene faciendi mittit
manum ad aratrum. Ergo, si aspiciat retro, desistens a bono proposito, non est aptus
regno Dei. Ex solo igitur bono proposito aliquis obligatur apud Deum, etiam nulla
promissione facta. Et ita videtur quod in solo proposito voluntatis votum consistat. (IIa-IIae q. 88 a. 1 arg. 3)
3 — De Heer zegt bij Lucas (9, 62) : « Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en dan
omziet, is geschikt voor het Rijk van God. » Maar als iemand het voornemen maakt om
iets goeds te doen, dan slaat hij daardoor alleen reeds de hand aan de ploeg. Ziet
hij dus om, d. w. z. laat hij het goede voornemen varen, dan is hij niet geschikt
voor het Rijk van God. Door het maken van een goed voornemen alleen heeft iemand dus
al verplichtingen tegenover God, ook al belooft hij niets. En daarom schijnt de gelofte
alleen in het voornemen van de wil te bestaan.
Sed contra est quod dicitur Eccle. V, si quid vovisti Deo, ne moreris reddere, displicet
enim ei infidelis et stulta promissio. Ergo vovere est promittere, et votum est promissio. (IIa-IIae q. 88 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat de Prediker (5, 3) zegt: « Als gij aan God een gelofte
hebt gedaan, talmt dan niet met die uit te voeren; want een dwaze belofte, waaraan
men niet getrouw is, mishaagt Hem. » Dus is een gelofte doen beloven, en is een gelofte
een belofte.
Respondeo dicendum quod votum quandam obligationem importat ad aliquid faciendum vel
dimittendum. Obligat autem homo se homini ad aliquid per modum promissionis, quae
est rationis actus, ad quam pertinet ordinare, sicut enim homo imperando vel deprecando
ordinat quodammodo quid sibi ab aliis fiat, ita promittendo ordinat quid ipse pro
alio facere debeat. Sed promissio quae ab homine fit homini, non potest fieri nisi
per verba vel quaecumque exteriora signa. Deo autem potest fieri promissio per solam
interiorem cogitationem, quia ut dicitur I Reg. XVI, homines vident ea quae parent,
sed Deus intuetur cor. Exprimuntur tamen quandoque verba exteriora vel ad sui ipsius
excitationem, sicut circa orationem dictum est, vel ad alios contestandum, ut non
solum desistat a fractione voti propter timorem Dei, sed etiam propter reverentiam
hominum. Promissio autem procedit ex proposito faciendi. Propositum autem aliquam
deliberationem praeexigit, cum sit actus voluntatis deliberatae. Sic igitur ad votum
tria ex necessitate requiruntur, primo quidem, deliberatio; secundo, propositum voluntatis;
tertio, promissio, in qua perficitur ratio voti. Superadduntur vero quandoque et alia
duo, ad quandam voti confirmationem, scilicet pronuntiatio oris, secundum illud Psalm.,
reddam tibi vota mea, quae distinxerunt labia mea; et iterum testimonium aliorum.
Unde Magister dicit, XXXVIII dist. IV Lib. Sent., quod votum est testificatio quaedam
promissionis spontaneae, quae Deo et de his quae sunt Dei fieri debet, quamvis testificatio
possit ad interiorem testificationem proprie referri. (IIa-IIae q. 88 a. 1 co.)
De gelofte sluit een verplichting in om iets wel of niet te doen. Nu verplicht een
mens zich tegenover een ander mens tot iets door een belofte, wat een daad van het
verstand is, omdat het daaraan toekomt de dingen te ordenen; want zoals een mens door
bevelen of verzoeken verordent, dat iets voor hem door anderen geschiedt, zo ordent
hij door te beloven wat hij voor anderen moet doen. Een belofte echter, die een mens
aan een ander doet, kan niet gebeuren tenzij door woorden of door andere uitwendige
tekens. Maar aan God kan men een belofte doen door de inwendige gedachte alleen al,
want zoals in het Eerste Boek der Koningen (16, 7) wordt gezegd, « zien de mensen,
wat zich uiterlijk toont, maar God ziet het hart. » Soms wordt het echter uiterlijk
door woorden uitgedrukt, hetzij om zichzelf meer op te wekken, zoals bij het gebed
is gezegd (83e Kw. 12e Art.), hetzij om anderen tot getuigen te nemen, zodat men het
breken van de gelofte niet alleen uit vrees voor God nalaat, maar ook uit ontzag voor
de mensen. Een belofte nu volgt uit het voornemen om iets te doen. Maar een voornemen
vereist een voorafgaand overleg, want het is een daad van de rijp beraden wil. Zo
moeten er dus noodzakelijk drie dingen bij een gelofte aanwezig zijn: ten eerste overleg,
ten tweede het voornemen van de wil, en ten derde een belofte, waardoor de gelofte
haar volmaakten aard krijgt. Soms echter worden daar nog twee dingen bijgevoegd als
een soort bevestiging van de gelofte: nl. het uitspreken met de mond, naar het psalmwoord:
« Ik zal mijn geloften, die mijn lippen hebben uitgesproken, tegenover U houden. »
(Ps. 65, 13) en dan het getuige zijn van anderen. Daarom zegt de Magister: « De gelofte
is het bekend maken van een vrijwillige belofte, die aan God moet worden gedaan en
over dingen, die met God in verband staan. » Maar het getuigenis geven kan men op
het innerlijk getuigen laten slaan.
Ad primum ergo dicendum quod conceptio boni propositi non firmatur ex animi deliberatione
nisi promissione deliberationem consequente. (IIa-IIae q. 88 a. 1 ad 1)
1 — Het maken van een goed voornemen wordt hier niet bevestigd door zielsoverleg, als
er geen belofte op het overleg volgt.
Ad secundum dicendum quod voluntas movet rationem ad promittendum aliquid circa ea
quae eius voluntati subduntur. Et pro tanto votum a voluntate accepit nomen quasi
a primo movente. (IIa-IIae q. 88 a. 1 ad 2)
2 — ’s Mensen wil beweegt het verstand om iets te beloven over wat onder de wil valt.
En wat dat betreft kreeg de gelofte haar naam van de wil als van het eerste, wat beweegt.
Ad tertium dicendum quod ille qui mittit manum ad aratrum iam facit aliquid. Sed ille
qui solum proponit nondum aliquid facit. Sed quando promittit, iam incipit se exhibere
ad faciendum, licet nondum impleat quod promittit, sicut ille qui ponit manum ad aratrum
nondum arat, iam tamen apponit manum ad arandum. (IIa-IIae q. 88 a. 1 ad 3)
3 — Wie de hand aan de ploeg slaat, doet al iets. Maar wie alleen een voornemen maakt,
doet nog niets. Maar als hij belooft, toont hij zich al bereid om iets te doen, al
brengt hij nog niet, wat hij belooft, tot uitvoering; zoals hij, die de hand aan de
ploeg slaat, nog met ploegt, maar toch reeds zijn hand uitsteekt om te gaan ploegen.
Articulus 2. Moet een gelofte altijd over iets beters gaan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod votum non semper debeat fieri de meliori
bono. Dicitur enim melius bonum quod ad supererogationem pertinet. Sed votum non solum
fit de his quae sunt supererogationis, sed etiam de his quae pertinent ad salutem.
Nam et in Baptismo vovent homines abrenuntiare Diabolo et pompis eius, et fidem servare,
ut dicit Glossa, super illud Psalm., vovete et reddite domino Deo vestro. Iacob etiam
vovit quod esset ei dominus in Deum, ut habetur Gen. XXVIII, hoc autem est maxime
de necessitate salutis. Ergo votum non solum fit de meliori bono. (IIa-IIae q. 88 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat een gelofte niet altijd over iets beters moet gaan. Want men noemt
beter, wat onder de dingen valt, die niet meer verplicht zijn. Nu doet men niet alleen
geloften over wat boven het verplichte uitgaat, maar ook over wat voor de zaligheid
nodig is. Want « bij het doopsel beloven de mensen de duivel te verzaken en zijn verleidingen
en het geloof te bewaren, » zoals de Glossa bij het psalmwoord: « Doet geloften en
volbrengt ze de Heer Uw God.» (Ps. 75, 12) zegt. Ook deed Jacob de gelofte, dat «
de Heer hem tot God zou zijn, » zoals wij in het Boek der Schepping (28, 21) lezen;
maar dat zijn allemaal dingen die noodzakelijk zijn ter zaligheid. Dus gaat de gelofte
niet alleen over iets beters.
Praeterea, Iephte in catalogo sanctorum ponitur, ut patet Heb. XI. Sed ipse filiam
innocentem occidit propter votum, ut habetur Iudic. XI. Cum igitur occisio innocentis
non sit melius bonum, sed sit secundum se illicitum, videtur quod votum fieri possit
non solum de meliori bono, sed etiam de illicitis. (IIa-IIae q. 88 a. 2 arg. 2)
2 — Jephte wordt bij de lijst van de Heiligen opgenoemd, zoals uit de Brief aan de Hebreeën
(11, 32) blijkt. Maar hij doodde zijn onschuldige dochter om een gelofte, zoals wij
in het Boek der Rechters (11, 39) lezen. Omdat nu het doden van een onschuldige niet
iets beters, maar op zichzelf ongeoorloofd is, schijnt men niet alleen een gelofte
over iets beters, maar ook over iets ongeoorloofds te kunnen doen.
Praeterea, ea quae redundant in detrimentum personae, vel quae ad nihil sunt utilia,
non habent rationem melioris boni. Sed quandoque fiunt aliqua vota de immoderatis
vigiliis et ieiuniis, quae vergunt in periculum personae. Quandoque etiam fiunt aliqua
vota de aliquibus indifferentibus et ad nihil valentibus. Ergo non semper votum est
melioris boni. (IIa-IIae q. 88 a. 2 arg. 3)
3 — Wat voor onze persoon nadelig of voor niemand nuttig is, kan men niet iets beters
noemen. Nu doet men soms geloften over bovenmatig nachtwaken of vasten, wat op een
gevaar voor de persoon neerkomt. Ook doet men soms geloften over onverschillige en
voor niets nuttige dingen. Dus gaat een gelofte niet altijd over iets beters.
Sed contra est quod dicitur Deut. XXIII, si nolueris polliceri, absque peccato eris. (IIa-IIae q. 88 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat in het Boek Deuteronomium (23, 22) wordt gezegd: « Als
gij geen gelofte wilt doen, zult gij toch zonder zonde zijn. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, votum est promissio Deo facta. Promissio
autem est alicuius quod quis pro aliquo voluntarie facit. Non enim esset promissio,
sed comminatio, si quis diceret se contra aliquem facturum. Similiter vana esset promissio
si aliquis alicui promitteret id quod ei non esset acceptum. Et ideo, cum omne peccatum
sit contra Deum; nec aliquod opus sit Deo acceptum nisi sit virtuosum, consequens
est quod de nullo illicito, nec de aliquo indifferenti debeat fieri votum, sed solum
de aliquo actu virtutis. Sed quia votum promissionem voluntariam importat, necessitas
autem voluntatem excludit, id quod est absolute necessarium esse vel non esse nullo
modo cadit sub voto, stultum enim esset si quis voveret se esse moriturum, vel se
non esse volaturum. Illud vero quod non habet absolutam necessitatem, sed necessitatem
finis, puta quia sine eo non potest esse salus, cadit quidem sub voto inquantum voluntarie
fit, non autem inquantum est necessitatis. Illud autem quod neque cadit sub necessitate
absoluta neque sub necessitate finis, omnino est voluntarium. Et ideo hoc propriissime
cadit sub voto. Hoc autem dicitur esse maius bonum in comparatione ad bonum quod communiter
est de necessitate salutis. Et ideo, proprie loquendo, votum dicitur esse de bono
meliori. (IIa-IIae q. 88 a. 2 co.)
Zoals is gezegd, is een gelofte een aan God gedane belofte. Nu gaat een belofte over
iets, wat men uit eigen beweging voor een ander doet. Want het zou geen belofte, maar
een bedreiging zijn, als men zei, dat men iets tegen een ander zou doen. Ook zou een
belofte nutteloos zijn, als men iets aan een ander zou beloven, wat hem niet aangenaam
was. En dus volgt, omdat iedere zonde tegen God ingaat en God geen werk aangenaam
is, als het geen werk is van deugd, dat men geen gelofte mag doen over iets ongeoorloofds
en ook niet over iets onverschilligs, maar alleen over een daad van deugd. Daar een
gelofte echter een belofte uit eigen beweging insluit en noodzakelijkheid de eigen
beweging uitsluit, valt datgene, wat er absoluut noodzakelijk moet zijn of niet zijn,
niet onder een gelofte; want het zou dwaas zijn, als iemand een gelofte deed te zullen
sterven of niet te zullen vliegen. Wat niet absoluut, maar wel om een doel noodzakelijk
is, zoals wat voor de zaligheid niet kan worden gemist, valt onder een gelofte, in
zover het vrijwillig gebeurt, niet in zover het noodzakelijk is. Maar wat niet absoluut,
noch om een doel noodzakelijk is, is geheel en al vrijwillig; en dat valt in de meest
eigenlijke zin onder een gelofte. En dat wordt iets beters genoemd in vergelijking
met het goede, wat in hel algemeen voor de zaligheid noodzakelijk is. En daarom zegt
men in eigenlijke zin, dat een gelofte over iets beters gaat.
Ad primum ergo dicendum quod hoc modo sub voto baptizatorum cadit abrenuntiare pompis
Diaboli et fidem Christi servare, quia voluntarie fit, licet sit de necessitate salutis.
Et similiter potest dici de voto Iacob. Quamvis etiam possit intelligi quod Iacob
vovit se habere dominum in Deum per specialem cultum, ad quem non tenebatur, sicut
per decimarum oblationem, et alia huiusmodi quae ibi subduntur. (IIa-IIae q. 88 a. 2 ad 1)
1 — Het verzaken aan de verleidingen van de duivel en het bewaren van het geloof van Christus
valt onder de gelofte van de gedoopten, in zover het vrijwillig geschiedt, al is het
ook voor de zaligheid noodzakelijk. En hetzelfde kan men van de gelofte van Jacob
zeggen. Men kan dit echter ook zo opvatten dat Jacob een gelofte deed om de Heer als
God te beschouwen met een bijzondere verering, waar toe hij niet verplicht was, zoals
door het aanbieden van tienden en dergelijken, die er daar bij worden gevoegd.
Ad secundum dicendum quod quaedam sunt quae in omnem eventum sunt bona, sicut opera
virtutis et alia quae absolute possunt cadere sub voto. Quaedam vero in omnem eventum
sunt mala, sicut ea quae secundum se sunt peccata. Et haec nullo modo possunt sub
voto cadere. Quaedam vero sunt quidem in se considerata bona, et secundum hoc possunt
cadere sub voto, possunt tamen habere malum eventum, in quo non sunt observanda. Et
sic accidit in voto Iephte, qui ut dicitur Iudic. XI, votum vovit domino, dicens,
si tradideris filios Ammon in manus meas, quicumque primus egressus fuerit de foribus
domus meae mihique occurrerit revertenti in pace, eum offeram holocaustum domino.
Hoc enim poterat malum eventum habere, si occurreret ei aliquod animal non immolativum,
sicut asinus vel homo, quod et accidit. Unde, ut Hieronymus dicit, in vovendo fuit
stultus, quia discretionem non adhibuit, et in reddendo impius. Praemittitur tamen
ibidem quod factus est super eum spiritus domini, quia fides et devotio ipsius, ex
qua motus est ad vovendum, fuit a spiritu sancto. Propter quod ponitur in catalogo
sanctorum, et propter victoriam quam obtinuit; et quia probabile est eum poenituisse
de facto iniquo, quod tamen aliquod bonum figurabat. (IIa-IIae q. 88 a. 2 ad 2)
2 — Sommige dingen zijn in alle gevallen goed, zoals de daden van deugd; en deze dingen
kunnen zonder voorbehoud onder een gelofte vallen. — Andere dingen zijn in alle gevallen
verkeerd, zoals wat in zichzelf zonde is; en dat kan op geen enkele manier onder een
gelofte vallen. — Weer andere dingen zijn op zichzelf beschouwd wel goed, en kunnen
in dit opzicht wel voorwerp van een gelofte zijn; maar zij kunnen een verkeerd gevolg
hebben, en dan mag men ze niet houden. En zo geschiedde het met de gelofte van Jephte,
die zoals in het Boek der Rechters (11, 30) wordt gezegd, u de Heer een gelofte deed,
zeggend: als Gij de zonen van Ammon in mijn handen levert, zal ik de eerste, die uit
mijn huis komt en mij tegemoet gaat als ik in vrede terugkom, de Heer als brandoffer
aanbieden. » Want dat zou een verkeerd gevolg kunnen hebben, als hem iets tegemoet
kwam, wat niet geofferd mocht worden, zoals b. v. een ezel of een mens; en dat gebeurde
ook. Daarom was hij, zoals Hieronymus zegt, « dwaas in het doen van de gelofte, »
omdat hij geen onderscheid maakte, « en goddeloos in het houden ervan. » Er gaat echter
aan vooraf, dat « de geest des Heeren over hem kwam, » (11, 29) omdat zijn geloof
en godsdienstigheid, waardoor hij werd aangezet tot het doen van de gelofte, van de
H. Geest kwamen. Daarom staat hij in de lijst van de Heiligen, en ook om de overwinning
die hij behaalde; en omdat het waarschijnlijk is, dat hij berouw heeft gehad over
zijn misdaad, die toch een teken was van iets goeds.
Ad tertium dicendum quod maceratio proprii corporis, puta per vigilias et ieiunia,
non est Deo accepta nisi inquantum est opus virtutis, quod quidem est inquantum cum
debita discretione fit, ut scilicet concupiscentia refrenetur et natura non nimis
gravetur. Et sub tali tenore possunt huiusmodi sub voto cadere. Propter quod et apostolus,
Rom. XII, postquam dixerat, exhibeatis corpora vestra hostiam viventem, sanctam, Deo
placentem, addidit, rationabile obsequium vestrum. Sed quia in his quae ad seipsum
pertinent de facili fallitur homo in iudicando, talia vota congruentius secundum arbitrium
superioris sunt vel servanda vel praetermittenda. Ita tamen quod si ex observatione
talis voti magnum et manifestum gravamen sentiret, et non esset facultas ad superiorem
recurrendi, non debet homo tale votum servare. Vota vero quae sunt de rebus vanis
et inutilibus sunt magis deridenda quam servanda. (IIa-IIae q. 88 a. 2 ad 3)
3 — Het pijnigen van het eigen lichaam, b. v. door nachtwaken en vasten, is God niet aangenaam,
tenzij in zover het een daad van deugd is; en dat is het, als het met de nodige voorzichtigheid
geschiedt, zodat nl. de begeerlijkheid wordt bedwongen en het de natuur toch niet
te moeilijk wordt gemaakt. En tot zover kan men over deze dingen een gelofte doen.
Daarom voegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (12, 1), na gezegd te hebben:
« Draagt Uw lichamen aan God als een levend, heilig en Hem behaaglijk offer op, »
eraan toe: « uw redelijke eredienst. » — Maar omdat de mens zich in zijn oordeel gemakkelijk
vergist in dingen, die hem zelf betreffen, moet men dergelijke geloften liever naar
het oordeel van de overste houden of nalaten. Maar dit zo, dat als iemand duidelijk
veel hinder zou ondervinden van het onderhouden van een dergelijke gelofte en zich
niet tot zijn overste zou kunnen wenden, hij een dergelijke gelofte niet zou moeten
houden. — Geloften echter over ijdele en nutteloze dingen moet men eerder bespotten
dan houden.
Articulus 3. Brengt ieder gelofte de verplichting mee haar te houden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non omne votum obliget ad sui observationem.
Homo enim magis indiget his quae per alium hominem fiunt quam Deus, qui bonorum nostrorum
non eget. Sed promissio simplex homini facta non obligat ad servandum, secundum institutionem
legis humanae, quod videtur esse institutum propter mutabilitatem humanae voluntatis.
Ergo multo minus simplex promissio Deo facta, quae dicitur votum, obligat ad observandum. (IIa-IIae q. 88 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat niet iedere gelofte de verplichting meebrengt haar te houden. Want
een mens heeft meer dan God behoefte aan wat door een ander mens wordt gedaan, omdat
« Hij onze goederen niet nodig heeft. » (Ps. 13, 2) Nu brengt een gewone aan een mens
gedane belofte niet de verplichting mee haar te houden volgens de bepalingen van de
menselijke wetten; en dat schijnt zo bepaald te zijn om de veranderlijkheid van de
menselijke wil. Dus brengt een eenvoudige aan God gedane belofte, die een gelofte
wordt genoemd, nog veel minder de verplichting mee haar te houden.
Praeterea, nullus obligatur ad impossibile. Sed quandoque illud quod quis vovit fit
ei impossibile, vel quia dependet ex alieno arbitrio, sicut cum quis vovet aliquod
monasterium intrare cuius monachi eum nolunt recipere; vel propter emergentem defectum,
sicut mulier quae vovit virginitatem servare et postea corrumpitur, vel vir qui vovet
pecuniam dare et postea amittit pecuniam. Ergo non semper votum est obligatorium. (IIa-IIae q. 88 a. 3 arg. 2)
2 — Niemand is verplicht het onmogelijke te doen. Nu gebeurt het soms, dat iets, waarover
iemand een gelofte heeft gedaan, hem onmogelijk is, hetzij omdat het van de beslissing
van anderen afhangt, zoals wanneer iemand de gelofte doet om in een klooster te gaan,
waarvan de monniken hem echter niet willen opnemen; of om een gebrek, dat later ontstaat,
zoals bij een vrouw, die de gelofte heeft gedaan de maagdelijkheid te bewaren en die
later verliest; of bij een man, die de gelofte doet van geld ergens aan te geven,
maar dat geld verliest. Daarom brengt een gelofte niet altijd een verplichting mee.
Praeterea, illud ad cuius solutionem est aliquis obligatus, statim solvere tenetur.
Sed aliquis non statim solvere tenetur illud quod vovit, praecipue cum sub conditione
futura vovet. Ergo votum non semper est obligatorium. (IIa-IIae q. 88 a. 3 arg. 3)
3 — Wat iemand verplicht is te vervullen, moet hij onmiddellijk vervullen. Maar iemand
behoeft datgene, waarover hij een gelofte gedaan heeft, niet onmiddellijk ten uitvoer
te brengen, en vooral niet, als hij bij de gelofte een voorwaarde over iets toekomstigs
heeft gevoegd. Dus is een gelofte niet altijd verplichtend.
Sed contra est quod dicitur Eccle. V, quodcumque voveris, redde. Multoque melius est
non vovere quam post votum promissa non reddere. (IIa-IIae q. 88 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat de Prediker zegt (3, 3,4) : « De geloften, die gij gedaan
hebt, vervult die terstond. Want het is beter geen geloften te doen, dan daarna het
beloofde niet ten uitvoer te brengen. »
Respondeo dicendum quod ad fidelitatem hominis pertinet ut solvat id quod promisit,
unde secundum Augustinum, fides dicitur ex hoc quod fiunt dicta. Maxime autem debet
homo Deo fidelitatem, tum ratione dominii; tum etiam ratione beneficii suscepti. Et
ideo maxime obligatur homo ad hoc quod impleat vota Deo facta, hoc enim pertinet ad
fidelitatem quam homo debet Deo, fractio autem voti est quaedam infidelitatis species.
Unde Salomon rationem assignat quare sint vota reddenda. Quia displicet Deo infidelis
promissio. (IIa-IIae q. 88 a. 3 co.)
De trouw van een mens eist, dat hij doet, wat hij belooft heeft, en daarom spreekt
men volgens Augustinus « hierom van trouw, omdat wat gezegd is geschiedt. » Nu moet
de mens vooral tegenover God trouw zijn, zowel om Zijn heerschappij als om de ontvangen
weldaden. Daarom dan heeft de mens boven alles de plicht om de aan God gedane geloften
te vervullen, want dat valt onder de trouw, waartoe de mens tegenover God verplicht
is; maar het breken van geloften is als een soort ontrouw. Daarom geeft Salomon als
reden, waarom men geloften vervullen moet, op, dat « een belofte, waaraan men niet
getrouw is, de Heer mishaagt. »
Ad primum ergo dicendum quod secundum honestatem ex qualibet promissione homo homini
obligatur, et haec est obligatio iuris naturalis. Sed ad hoc quod aliquis obligetur
ex aliqua promissione obligatione civili, quaedam alia requiruntur. Deus autem etsi
bonis nostris non egeat, ei tamen maxime obligamur. Et ita votum ei factum est maxime
obligatorium. (IIa-IIae q. 88 a. 3 ad 1)
1 — Om zijn eer heeft een mens tegenover een ander verplichtingen krachtens iedere belofte;
en dat is een verplichting van het natuurrecht. Maar om een verplichting krachtens
de burgerlijke wet te hebben door een belofte, is iets meer vereist. Al heeft nu God
geen behoefte aan onze goederen, toch hebben wij tegenover Hem de grootste verplichtingen.
En zo is een Hem gedane gelofte in de hoogste maat verplichtend.
Ad secundum dicendum quod si illud quod quis vovit ex quacumque causa impossibile
reddatur, debet homo facere quod in se est, ut saltem habeat promptam voluntatem faciendi
quod potest. Unde ille qui vovit monasterium aliquod intrare debet dare operam quam
potest ut ibi recipiatur. Et si quidem intentio sua fuit se obligare ad religionis
ingressum principaliter, et ex consequenti elegit hanc religionem vel hunc locum quasi
sibi magis congruentem, tenetur, si non potest ibi recipi, aliam religionem intrare.
Si autem principaliter intendit se obligare ad hanc religionem vel ad hunc locum,
propter specialem complacentiam huius religionis vel loci, non tenetur aliam religionem
intrare si illi eum recipere nolunt. Si vero incidit in impossibilitatem implendi
votum ex propria culpa, tenetur insuper de propria culpa praeterita poenitentiam agere.
Sicut mulier quae vovit virginitatem, si postea corrumpatur, non solum debet servare
quod potest, scilicet perpetuam continentiam, sed etiam de eo quod admisit peccando
poenitere. (IIa-IIae q. 88 a. 3 ad 2)
2 — Als iets, waartoe iemand zich bij gelofte verplicht heeft, hem om welke reden ook
onmogelijk is geworden, moet hij doen, wat hij kan; zodat hij minstens bereidwillig
is om te doen, wat hij kan. Wie dus de gelofte van in een klooster te treden heeft
gedaan, moet zich de hem mogelijke moeite geven om daar aangenomen te worden. En als
het vooral zijn bedoeling is geweest zich te verplichten om kloosterling te worden,
en hij dientengevolge deze kloosterorde of deze plaats kiest, omdat die hem beter
past, is hij verplicht om als hij daar niet kan intreden in een andere orde te gaan.
Wilde hij zich echter op de eerste plaats verplichten om in deze orde of in dit klooster
te treden, omdat deze orde of dit klooster hem beter beviel, dan is hij, als men hem
daar niet wil opnemen, niet verplicht in een andere orde te treden. Komt hij echter
door eigen schuld in de onmogelijkheid om zijn gelofte ten uitvoer te brengen, dan
moet hij bovendien boete doen voor eigen schuld van vroeger. Zo moet een vrouw, die
de gelofte van maagdelijkheid heeft gedaan en die later verliest, niet alleen onderhouden,
wat zij kan, nl. blijvende onthouding, maar ook boete doen voor de bedreven zonde.
Ad tertium dicendum quod obligatio voti ex propria voluntate et intentione causatur,
unde dicitur Deut. XXIII, quod semel egressum est de labiis tuis, observabis, et facies
sicut promisisti domino Deo tuo, et propria voluntate et ore tuo locutus es. Et ideo
si in intentione et voluntate voventis est obligare se ad statim solvendum, tenetur
statim solvere. Si autem ad certum tempus, vel sub certa conditione, non tenetur statim
solvere. Sed nec debet tardare ultra quam intendit se obligare, dicitur enim ibidem,
cum votum voveris domino Deo tuo, non tardabis reddere, quia requiret illud dominus
Deus tuus; et si moratus fueris, reputabitur tibi in peccatum. (IIa-IIae q. 88 a. 3 ad 3)
3 — Het verplichtend zijn van de gelofte wordt veroorzaakt door de bedoeling van de eigen
wil, en daarom wordt in het Boek Deuteronomium (23, 23) gezegd: « Wat Uw lippen eenmaal
hebben geuit, onderhoudt dat; en gij zult doen, wat gij de Heer Uw God beloofd hebt;
want gij hebt het vrijwillig met Uw eigen mond gezegd. » Ligt het dus in de bedoeling
van de wil van wie een gelofte doet zich te verplichten om het onmiddellijk te doen,
dan moet hij het onmiddellijk doen. Maar gaat het over een bepaalden tijd of onder
een bepaalde voorwaarde, dan behoeft hij het niet onmiddellijk te doen. Maar hij mag
het niet tot later uitstellen dan hij zich wilde verplichten; want op dezelfde plaats
staat: « Als gij een gelofte hebt gedaan aan de Heer Uw God, toeft dan niet die ten
uitvoer te brengen; want de Heer Uw God zal het eisen; en als gij talmt, zal Hij het
U tot zonde rekenen. » (v. 21)
Articulus 4. Is het goed een gelofte te doen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non expediat aliquid vovere. Non enim alicui
expedit ut privet se bono quod ei Deus donavit. Sed libertas est unum de maximis bonis
quae homini Deus dedit, qua videtur privari per necessitatem quam votum imponit. Ergo
non videtur expediens homini quod aliquid voveat. (IIa-IIae q. 88 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet goed is een gelofte te doen. Want het is niet goed, dat
iemand zich berooft van een goed, dat God hem gegeven heeft. Nu is de vrijheid een
van de grootste goederen, die God de mens gegeven heeft; en het schijnt, dat men zich
daarvan berooft door de noodzakelijkheid, waarin de gelofte iemand brengt. Dus schijnt
het niet goed voor de mens een gelofte te doen.
Praeterea, nullus debet se periculis iniicere. Sed quicumque vovet se periculo iniicit,
quia quod ante votum sine periculo poterat praeteriri, si non servetur post votum,
periculosum est. Unde Augustinus dicit, in epistola ad Armentarium et Paulinam, quia
iam vovisti, iam te obstrinxisti, aliud tibi facere non licet. Non talis eris si non
feceris quod vovisti, qualis mansisses si nihil tale vovisses. Minor enim tunc esses,
non peior. Modo autem, tanto, quod absit, miserior si fidem Deo fregeris, quanto beatior
si persolveris. Ergo non expedit aliquid vovere. (IIa-IIae q. 88 a. 4 arg. 2)
2 — Niemand moet zich aan gevaren blootstellen. Maar iedereen, die een gelofte aflegt,
steekt zich in gevaren; want wat men vóór de gelofte zonder gevaar kon nalaten, is
gevaarlijk geworden, als men het na de gelofte niet doet. Daarom zegt Augustinus:
« Omdat gij een gelofte hebt gedaan, hebt gij U reeds gebonden en gij moogt niets
anders doen. Als gij niet doet, wat gij beloofd hebt zult gij U niet in dezelfde toestand
bevinden, als waarin gij zoudt zijn, als gij geen gelofte had gedaan. Want dan zoudt
gij minder hoog hebben gestaan, maar niet slechter zijn geweest. Maar nu zoudt gij,
als gij, wat God verhoede, Uw trouw tegenover God zoudt breken, zoveel te erger zijn,
als gij gelukkiger zult zijn, als gij Uw gelofte volbrengt. » Dus is het niet goed
een gelofte te doen.
Praeterea, apostolus dicit, I ad Cor. IV, imitatores mei estote, sicut et ego Christi.
Sed non legitur neque Christum aliquid vovisse, nec apostolos. Ergo videtur quod non
expediat aliquid vovere. (IIa-IIae q. 88 a. 4 arg. 3)
3 — De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 16) : « Volgt mij na, zoals
ik Christus. » Nu lezen wij niet, dat Christus een gelofte heeft gedaan, noch de Apostel.
Dus schijnt het niet goed te zijn een gelofte te doen.
Sed contra est quod dicitur in Psalm., vovete et reddite domino Deo vestro. (IIa-IIae q. 88 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat het psalmwoord: « Doet geloften en volbrengt ze de Heer Uw
God. » (Ps. 75, 12)
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, votum est promissio Deo facta. Alia autem
ratione promittitur aliquid homini, et alia ratione Deo. Homini quidem promittimus
aliquid propter eius utilitatem, cui utile est et quod ei aliquid exhibeamus, et quod
eum de futura exhibitione prius certificemus. Sed promissionem Deo facimus non propter
eius utilitatem, sed propter nostram. Unde Augustinus dicit, in praedicta epistola,
benignus exactor est, non egenus, et qui non crescat ex redditis, sed in se crescere
faciat redditores. Et sicut id quod damus Deo non est ei utile, sed nobis, quia quod
ei redditur reddenti additur, ut Augustinus ibidem dicit; ita etiam promissio qua
Deo aliquid vovemus, non cedit in eius utilitatem, qui a nobis certificari non indiget;
sed ad utilitatem nostram, inquantum vovendo voluntatem nostram immobiliter firmamus
ad id quod expedit facere. Et ideo expediens est vovere. (IIa-IIae q. 88 a. 4 co.)
Zoals werd gezegd, is de gelofte een aan God gedane belofte. Nu heeft men een andere
reden om aan een mens een belofte te doen dan aan God. Want wij beloven iets aan een
mens, omdat het nuttig voor hem is; en het is zowel voor hem nuttig, dat wij iets
voor hem doen, als dat wij hem eerst zeker maken van wat wij in de toekomst voor hem
zullen doen. Maar aan God beloven wij niet iets, omdat het voor Hem, maar omdat het
voor ons nuttig is. Daarom zegt Augustinus: « Hij is iemand, die uit welwillendheid,
niet uit behoefte vraagt; en die niet groter wordt door wat men Hem geeft, maar die
de gevers zelf doet groter worden. » En zoals wat wij Hem geven niet voor Hem, maar
voor ons van nut is, omdat « Wat Hem wordt gegeven, de gever wordt toegerekend, »
zoals Augustinus zegt, zo strekt ook de belofte, waardoor wij God een gelofte doen,
niet Hem tot nut en heeft Hij er geen behoefte aan van ons een verzekering te ontvangen;
maar ons, in zover wij door een gelofte af te leggen onze wil onbeweeglijk vastzetten
op wat goed is om te doen. En daarom is het goed een gelofte af te leggen.
Ad primum ergo dicendum quod sicut non posse peccare non diminuit libertatem, ita
etiam necessitas firmatae voluntatis in bonum non diminuit libertatem, ut patet in
Deo et in beatis. Et talis est necessitas voti, similitudinem quandam habens cum confirmatione
beatorum. Unde Augustinus in eadem epistola dicit quod felix necessitas est quae in
meliora compellit. (IIa-IIae q. 88 a. 4 ad 1)
1 — Zoals het niet kunnen zondigen de vrijheid niet vermindert, zo vermindert ook de noodzakelijkheid,
als de wil onwrikbaar is in het goede, de vrijheid niet, zoals bij God en de zaligen
blijkt. En dit is de noodzakelijkheid die de gelofte geeft en welke een zekere gelijkenis
vertoont met de bevestiging van de zaligen in het goede. Daarom spreekt Augustinus
van «de gelukkige noodzakelijkheid, die tot het goede dwingt. »
Ad secundum dicendum quod quando periculum nascitur ex ipso facto, tunc illud factum
non est expediens, puta quod aliquis per pontem ruinosum transeat fluvium. Sed si
periculum immineat ex hoc quod homo deficit ab illo facto, non desinit propter hoc
esse expediens, sicut expediens est ascendere equum, quamvis periculum immineat cadenti
de equo. Alioquin oporteret ab omnibus bonis cessare quae per accidens ex aliquo eventu
possunt esse periculosa. Unde dicitur Eccle. XI, qui observat ventum non seminat,
et qui considerat nubes nunquam metet. Periculum autem voventi non imminet ex ipso
voto, sed ex culpa hominis, qui voluntatem mutat transgrediens votum. Unde Augustinus
dicit in eadem epistola, non te vovisse poeniteat. Immo gaude iam tibi sic non licere
quod cum tuo detrimento licuisset. (IIa-IIae q. 88 a. 4 ad 2)
2 — Als er uit een feit zelf gevaar ontstaat, dan is dat feit niet goed, b. v. als iemand
over een bouwvallige brug een rivier oversteekt. Maar als het gevaar hier vandaan
komt, dat een mens bij zo'n daad te kort schiet, dan houdt die daarmee niet op goed
te zijn; zoals het goed is een paard te bestijgen, ook al dreigt er gevaar voor wie
van het paard valt. Anders zou men ieder goed moeten nalaten, wat bij toeval door
een ongeval gevaarlijk zou kunnen zijn. Daarom zegt de Prediker (11, 4): « Wie altijd
maar naar de wind ziet, zaait niet, en wie altijd maar op de wolken let, oogst niet.
» Nu dreigt hem, die een gelofte aflegt, geen gevaar om de gelofte zelf, maar uit
de schuld van de mens, die van wil verandert en de gelofte breekt. Daarom zegt Augustinus:
« Hebt geen berouw over Uw gelofte. Verheugt U integendeel, dat gij zo niet meer moogt
doen, wat gij alleen tot Uw nadeel mocht. »
Ad tertium dicendum quod Christo secundum se non competebat vovere. Tum quia Deus
erat. Tum etiam quia, inquantum homo, habebat firmatam voluntatem in bono, quasi comprehensor
existens. Quamvis per quandam similitudinem ex persona eius dicatur in Psalm., secundum
Glossam, vota mea reddam in conspectu timentium eum, loquitur autem pro corpore suo,
quod est Ecclesia. Apostoli autem intelliguntur vovisse pertinentia ad perfectionis
statum quando Christum, relictis omnibus, sunt secuti. (IIa-IIae q. 88 a. 4 ad 3)
3 — Aan Christus kwam het op zichzelf beschouwd niet toe een gelofte te doen. Zowel, omdat
Hij God was, als omdat Hij als mens een wil had, die in het goede bevestigd was; want
Hij was om zo te zeggen reeds in de hemel. Wel wordt volgens de Glossa krachtens een
gelijkenis in Zijn naam gezegd: « Ik zal Mijn geloften houden voor het aangezicht
van hen, die Hem vrezen » (Ps. 21, 26). Maar daar spreekt Hij namens Zijn lichaam,
dat de Kerk is. — Men meent ook, dat de Apostelen de geloften van de staat van volmaaktheid
hebben afgelegd, toen zij « alles verlieten en Christus volgden. »
Articulus 5. Is het doen van een gelofte een daad van godsverering of godsdienstigheid?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod votum non sit actus latriae sive religionis.
Omne enim opus virtutis cadit sub voto. Sed ad eandem virtutem pertinere videtur promittere
aliquid et facere illud. Ergo votum pertinet ad quamlibet virtutem, et non specialiter
ad religionem. (IIa-IIae q. 88 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het afleggen van een gelofte geen daad van godsverering of godsdienstigheid
is. Want ieder werk van deugd kan voorwerp van een gelofte zijn. Nu schijnt het tot
dezelfde deugd te behoren iets te beloven en te doen. Dus valt het doen van een gelofte
onder alle soorten van deugden en niet bijzonder onder de godsdienstigheid.
Praeterea, secundum Tullium, ad religionem pertinet cultum et caeremoniam Deo offerre.
Sed ille qui vovet nondum aliquid Deo offert, sed solum promittit. Ergo votum non
est actus religionis. (IIa-IIae q. 88 a. 5 arg. 2)
2 — Volgens Tullius valt onder de godsdienstigheid « het aanbieden aan God van de plechtigheden
van de eredienst. » Nu biedt hij, die een gelofte aflegt, nog niet iets aan God aan,
maar belooft het alleen. Dus is dat geen daad van godsdienstigheid.
Praeterea, cultus religionis non debet exhiberi nisi Deo. Sed votum non solum fit
Deo, sed etiam sanctis et praelatis, quibus religiosi profitentes obedientiam vovent.
Ergo votum non est religionis actus. (IIa-IIae q. 88 a. 5 arg. 3)
3 — De eredienst van de godsdienstigheid mag aan niemand worden gebracht dan alleen aan
God. Nu worden geloften niet alleen aan God gedaan, maar ook aan Heiligen en aan oversten,
waaraan kloosterlingen bij hun professie de gelofte van gehoorzaamheid afleggen. Dus
is de gelofte geen daad van godsdienstigheid.
Sed contra est quod dicitur Isaiae XIX, colent eum in hostiis et muneribus, et vota
vovebunt domino et solvent. Sed colere Deum est proprie religionis sive latriae. Ergo
votum est actus latriae sive religionis. (IIa-IIae q. 88 a. 5 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij Isaïas (19, 21) wordt gezegd: « Zij zullen Hem eren
met offers en geschenken, en geloften afleggen voor de Heer en die houden. » Nu valt
het eren van God eigenlijk onder de godsdienstigheid of godsverering. Dus is het afleggen
van een gelofte een daad van godsdienstigheid of godsverering.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, omne opus virtutis ad religionem
seu latriam pertinet per modum imperii, secundum quod ad divinam reverentiam ordinatur,
quod est proprius finis latriae. Ordinare autem alios actus in manifestum est autem
ex praedictis quod votum est quaedam imperatas. Et ideo ipsa ordinatio actuum cuiuscumque
virtutis in servitium Dei est proprius actus latriae. Manifestum est autem ex praedictis
quod votum est quaedam promissio Deo facta, et quod promissio nihil est aliud quam
ordinatio quaedam eius quod promittitur in eum cui promittitur. Unde votum est ordinatio
quaedam eorum quae quis vovet in divinum cultum seu obsequium. Et sic patet quod vovere
proprie est actus latriae seu religionis. (IIa-IIae q. 88 a. 5 co.)
Zoals vroeger (81e Kw. 1e Art. 1e Antw.) is gezegd, valt iedere daad van een deugd
onder de godsdienstigheid als onder de deugd, die haar kan beheersen, in zover zij
het eren van God, wat het eigen doel van de godsverering is, tot doel krijgt. Nu komt
het aan de beheersende deugd en niet aan de overheerste deugden toe andere daden op
haar eigen doel te richten. En daarom is het richten zelf van de daden van welke deugd
ook op het dienen van God een eigen daad van de godsverering. Uit het voorafgaande
is het nu duidelijk, dat de gelofte een aan God gedane belofte is; en dat de belofte
niet anders is dan het richten van wat beloofd wordt op degene, aan wie iets beloofd
wordt. Daarom is de gelofte een richten van datgene, waarover men een gelofte doet
op het eren en dienen van God. Zo blijkt, dat het doen van een gelofte in eigenlijke
zin een daad van godsverering of godsdienstigheid is.
Ad primum ergo dicendum quod illud quod cadit sub voto quandoque quidem est actus
alterius virtutis, sicut ieiunare, continentiam servare; quandoque vero est actus
religionis, sicut sacrificium offerre vel orare. Utrorumque tamen promissio Deo facta
ad religionem pertinet, ratione iam dicta. Unde patet quod votorum quoddam pertinet
ad religionem ratione solius promissionis Deo factae, quae est essentia voti, quandoque
etiam ratione rei promissae, quae est voti materia. (IIa-IIae q. 88 a. 5 ad 1)
1 — Wat voorwerp van een gelofte is, is soms wel een daad van een andere deugd, zoals
vasten en leven in onthouding, maar in andere gevallen een daad van godsdienstigheid,
zoals het offeren of bidden. Maar de over een van beiden aan God gedane belofte behoort
om de boven gegeven reden tot de godsdienstigheid. Hieruit blijkt dus, dat sommige
geloften alleen om de aan God gedane belofte, die het wezen van de gelofte is, tot
de godsdienstigheid behoren, maar anderen ook om de beloofde zaak, die het voorwerp
van de gelofte is.
Ad secundum dicendum quod ille qui promittit, inquantum se obligat ad dandum, iam
quodammodo dat, sicut dicitur fieri aliquid cum fit causa eius, quia effectus virtute
continetur in causa. Et inde est quod non solum danti, sed etiam promittenti gratiae
aguntur. (IIa-IIae q. 88 a. 5 ad 2)
2 — Wie belooft geeft al enigszins iets, in zover hij zich verplicht tot geven, zoals
men zegt, dat iets ontstaat, als zijn oorzaak ontstaat, omdat het gevolg wat de kracht
betreft in de oorzaak opgesloten ligt. En daarom dankt men niet alleen hem, die geeft,
maar ook die belooft.
Ad tertium dicendum quod votum soli Deo fit, sed promissio potest etiam fieri homini,
et ipsa promissio boni quae fit homini potest cadere sub voto, inquantum est quoddam
opus virtuosum. Et per hunc modum intelligendum est votum quo quis vovet aliquid sanctis
vel praelatis, ut ipsa promissio facta sanctis vel praelatis cadat sub voto materialiter,
inquantum scilicet homo vovet Deo se impleturum quod sanctis vel praelatis promittit. (IIa-IIae q. 88 a. 5 ad 3)
3 — Een gelofte wordt alleen aan God gedaan, maar een belofte kan men ook aan een mens
doen; en het beloven zelf van iets goeds aan een mens kan voorwerp van een gelofte
zijn, in zover het een daad van een deugd is. En zo moet men de gelofte beschouwen,
die iemand aan Heiligen of oversten aflegt: de aan Heiligen of oversten gedane belofte
zelf dient dan als voorwerp van een gelofte, in zover de mens aan God de gelofte doet
van te zullen volbrengen, wat hij Heiligen of oversten belooft.
Articulus 6. Is het meer lofwaardig en verdienstelijk iets zonder dan met een gelofte te doen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod magis sit laudabile et meritorium facere aliquid
sine voto quam cum voto. Dicit enim prosper, in II de vita Contempl., sic abstinere
vel ieiunare debemus ut non nos necessitati ieiunandi subdamus, ne iam non devoti,
sed inviti rem voluntariam faciamus. Sed ille qui vovet ieiunium subdit se necessitati
ieiunandi. Ergo melius esset si ieiunaret sine voto. (IIa-IIae q. 88 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het meer lofwaardig en verdienstelijk is iets zonder dan met een
gelofte te doen. Want Prosper zegt: « Wij moeten zo vasten en ons onthouden, dat wij
het ons niet noodzakelijk maken te vasten, zodat wij iets, wat vrijwillig moet geschieden,
niet meer met toewijding maar onwillig zouden doen. » Wie echter een gelofte doet
van te vasten, brengt zich in de noodzakelijkheid dat te doen. Dus zou het beter zijn,
als hij zonder een gelofte zou vasten.
Praeterea, apostolus dicit, II Cor. IX, unusquisque prout destinavit in corde suo,
non ex tristitia aut ex necessitate, hilarem enim datorem diligit Deus. Sed quidam
ea quae vovent ex tristitia faciunt, et hoc videtur procedere ex necessitate quam
votum imponit, quia necessitas contristans est, ut dicitur V Metaphys. Ergo melius
est aliquid facere sine voto quam cum voto. (IIa-IIae q. 88 a. 6 arg. 2)
2 — De Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (9, 7) : « Laat iedereen geven,
zoals hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, met met tegenzin of uit dwang, want
God heeft een blijmoedige gever lief. » Nu volbrengen sommigen hun geloften terneergeslagen
en dat schijnt van de door de gelofte opgelegde noodzakelijkheid te komen, omdat «
noodzakelijkheid bedroefd maakt, » zoals in de Metaphysica wordt gezegd. Dus is bet
beter iets zonder dan met een gelofte te doen.
Praeterea, votum necessarium est ad hoc quod firmetur voluntas hominis ad rem quam
vovet, ut supra habitum est. Sed non magis potest firmari voluntas ad aliquid faciendum
quam cum actu facit illud. Ergo non melius est facere aliquid cum voto quam sine voto. (IIa-IIae q. 88 a. 6 arg. 3)
3 — Zoals vroeger is gezegd (4e Art.), is de gelofte nodig om de wil van de mens vast
te binden aan datgene, waarover hij een gelofte doet. Nu kan de wil niet méér worden
bevestigd om iets te doen dan wanneer hij daadwerkelijk dat doet. Dus is het niet
beter iets met dan zonder een gelofte te doen.
Sed contra est quod super illud Psalm., vovete et reddite, dicit Glossa, vovere voluntati
consulitur. Sed consilium non est nisi de meliori bono. Ergo melius est facere aliquod
melius opus ex voto quam sine voto, quia qui facit sine voto, implet tantum unum consilium,
scilicet de faciendo; qui autem facit cum voto, implet duo consilia, scilicet et vovendo
et faciendo. (IIa-IIae q. 88 a. 6 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij het psalmwoord: « Doet geloften en houdt ze » (Ps.
75, 12) de Glossa zegt: « Den wil wordt de raad gegeven geloften te doen. » Nu wordt
alleen een raad gegeven over iets, wat beter is. Het is dus beter iets krachtens een
gelofte dan zonder een gelofte te doen; want wie het zonder gelofte doet, komt maar
een raad na, nl. die over het verrichten van het werk; maar wie het onder een gelofte
doet, volgt twee raadgevingen op, nl. die over het doen van een gelofte en die over
het doen van het werk.
Respondeo dicendum quod triplici ratione facere idem opus cum voto est melius et magis
meritorium quam facere sine voto. Primo quidem, quia vovere, sicut dictum est, est
actus latriae, quae est praecipua inter virtutes morales. Nobilioris autem virtutis
est opus melius et magis meritorium. Unde actus inferioris virtutis est melior et
magis meritorius ex hoc quod imperatur a superiori virtute, cuius actus fit per imperium,
sicut actus fidei vel spei melior est si imperetur a caritate. Et ideo actus aliarum
virtutum moralium, puta ieiunare, quod est actus abstinentiae, et continere, quod
est actus castitatis, sunt meliora et magis meritoria si fiant ex voto, quia sic iam
pertinent ad divinum cultum, quasi quaedam Dei sacrificia. Unde Augustinus dicit,
in libro de virginitate, quod neque ipsa virginitas quia virginitas est, sed quia
Deo dicata est, honoratur; quam fovet et servat continentia pietatis. Secundo, quia
ille qui vovet aliquid et facit, plus se Deo subiicit quam ille qui solum facit. Subiicit
enim se Deo non solum quantum ad actum sed etiam quantum ad potestatem, quia de cetero,
non potest aliud facere, sicut plus daret homini qui daret ei arborem cum fructibus
quam qui daret ei fructus tantum, ut dicit Anselmus, in libro de Similitud. Et inde
est quod etiam promittentibus gratiae aguntur, ut dictum est. Tertio, quia per votum
immobiliter voluntas firmatur in bonum. Facere autem aliquid ex voluntate firmata
in bonum pertinet ad perfectionem virtutis, ut patet per philosophum, in II Ethic.,
sicut etiam peccare mente obstinata aggravat peccatum, et dicitur peccatum in spiritum
sanctum, ut supra dictum est. (IIa-IIae q. 88 a. 6 co.)
Om drie redenen is het beter en verdienstelijker hetzelfde werk met een gelofte te
doen dan zonder. Ten eerste omdat zoals (in het vorig Art.) gezegd is, het afleggen
van een gelofte een daad van godsverering is, die de voornaamste onder de zedelijke
deugden is. Nu zijn daden van een hoger staande deugd beter en verdienstelijker. Daarom
is de daad van een lager staande deugd hierdoor beter en verdienstelijker, dat zij
beheerst wordt door een hoger staande, die door dit beheersen werkt; zoals een daad
van geloof of hoop beter is, als zij door de liefde wordt geleid. En zo zijn de daden
van andere zedelijke deugden, als vasten, wat een daad van de matigheid en onthouding
(van zinnelijke bevrediging), wat een daad van de kuisheid is, beter en verdienstelijker,
als zij krachtens een gelofte geschieden, omdat zij ook tot het eren van God behoren
als offers voor God. Daarom ook zegt Augustinus dat « de maagdelijkheid zelfs niet
hierom geprezen wordt, dat zij maagdelijkheid, maar dat zij aan God toegewijd is;
en de onthouding uit liefde versterkt en bewaart haar. » Ten tweede omdat hij, die
een gelofte aan God doet en dan iets verricht, zich meer aan God onderwerpt dan wie
alleen iets doet. Hij onderwerpt zich immers niet alleen wat het doen, maar ook wat
het kunnen betreft aan God, omdat hij in het vervolg het andere niet kan doen; evenzo
zou men meer aan een mens geven, als men hem én boom én vruchten, dan wanneer men
hem alleen de vruchten gaf, zoals Anselmus zegt. En daarom dankt men, zoals is gezegd,
ook hen die iets beloven. Ten derde omdat de wil door de gelofte onbeweeglijk op het
goede wordt vastgelegd. Nu behoort het tot de volmaaktheid van de deugd, als men iets
met een in het goede bevestigden wil doet, zoals de Wijsgeer bewijst; evenzo verzwaart
het zondigen met een hardnekkig gemoed de zonde; en dan wordt het een zonde tegen
de H. Geest genoemd, zoals vroeger (14e Kw. 2e Art.) gezegd is.
Ad primum ergo dicendum quod auctoritas illa est intelligenda de necessitate coactionis,
quae involuntarium causat et devotionem excludit. Unde signanter dicit, ne iam non
devoti, sed inviti rem voluntariam faciamus. Necessitas autem voti est per immutabilitatem
voluntatis, unde et voluntatem confirmat et devotionem auget. Et ideo ratio non sequitur. (IIa-IIae q. 88 a. 6 ad 1)
1 — Dit gezegde moet men laten slaan op de noodzakelijkheid krachtens dwang, die een onvrijwillige
daad veroorzaakt en toewijding uitsluit. Daarom wordt er uitdrukkelijk gezegd: « Zodat
wij niet meer met toewijding, maar onwillig iets doen, wat vrijwillig moet zijn. »
Maar de noodzakelijkheid door de gelofte komt van de vastheid van de wil en versterkt
dus de wil en vermeerdert de toewijding. En daarom slaat de reden niet door.
Ad secundum dicendum quod necessitas coactionis, inquantum est contraria voluntati,
tristitiam causat, secundum philosophum. Necessitas autem voti in his qui sunt bene
dispositi, inquantum voluntatem confirmat, non causat tristitiam, sed gaudium. Unde
Augustinus dicit, in epistola ad Armentarium et Paulinam, non te vovisse poeniteat,
immo gaude iam tibi sic non licere quod cum tuo detrimento licuisset. Si tamen ipsum
opus, secundum se consideratum, triste et involuntarium redderetur post votum, dum
tamen remaneat voluntas votum implendi, adhuc est magis meritorium quam si fieret
sine voto, quia impletio voti est actus religionis, quae est potior virtus quam abstinentia,
cuius actus est ieiunare. (IIa-IIae q. 88 a. 6 ad 2)
2 — In zover de noodzakelijkheid door dwang tegen de wil ingaat, veroorzaakt zij volgens
de Wijsgeer droefheid. Maar de noodzakelijkheid, die het gevolg is van een gelofte,
veroorzaakt in goed-gestemden, omdat zij de wil bevestigt, geen droefheid, maar vreugde.
En daarom zegt Augustinus: « Laat het U niet berouwen de gelofte te hebben afgelegd;
verheugt U integendeel, dat gij zo niet meer moogt, wat U alleen tot Uw nadeel vrijstond.
» Zou echter na het afleggen van de gelofte het werk op zichzelf beschouwd tot droefheid
stemmend en tegen de wil ingaand worden, terwijl toch de wil blijft bestaan om de
gelofte te vervullen, dan is het nog meer verdienstelijk dan wanneer het zonder gelofte
werd gedaan; omdat het vervullen van een gelofte een daad van godsdienstigheid is,
en deze is een hoger staande deugd dan de matigheid, waarvan het vasten een daad is.
Ad tertium dicendum quod ille qui facit aliquid sine voto habet immobilem voluntatem
respectu illius operis singularis quod facit, et tunc quando facit, non autem manet
voluntas eius omnino firmata in futurum, sicut voventis, qui suam voluntatem obligavit
ad aliquid faciendum et antequam faceret illud singulare opus, et fortasse ad pluries
faciendum. (IIa-IIae q. 88 a. 6 ad 3)
3 — Wie iets zonder een gelofte doet, heeft een vasten wil ten opzichte van het bijzondere
werk, dat hij doet en wel dan, als hij het doet; maar voor de toekomst is zijn wil
in het geheel niet sterk, zoals die van iemand, die een gelofte heeft afgelegd, want
die heeft zijn wil verplicht om iets te doen zowel voordat hij dat bepaalde werk deed
als misschien ook om het meerdere keren te doen.
Articulus 7. Wordt een gelofte tot een plechtige gemaakt door het ontvangen van een heilige wijding
of het afleggen van de professie op een bepaalde regel?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod votum non solemnizetur per susceptionem sacri
ordinis, et per professionem ad certam regulam. Votum enim, ut dictum est, promissio
Deo facta est. Ea vero quae exterius aguntur ad solemnitatem pertinentia non videntur
ordinari ad Deum, sed ad homines. Ergo per accidens se habent ad votum. Non ergo solemnitas
talis est propria conditio voti. (IIa-IIae q. 88 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert, dat een gelofte niet tot een plechtige wordt gemaakt door het ontvangen
van een heilige wijding of het afleggen van de professie op een bepaalden regel. Want
zoals (in het 1e Art.) is gezegd, is de gelofte een aan God gedane belofte. Wat echter
uiterlijk met het oog op de plechtigheid wordt gedaan, schijnt niet voor God, maar
voor de mensen bedoeld te zijn. Dus is dat voor de gelofte iets bijkomstigs. Dus zijn
dergelijke plechtigheden geen aan de gelofte eigen omstandigheid.
Praeterea, illud quod pertinet ad conditionem alicuius rei, videtur posse competere
omnibus illis in quibus res illa invenitur. Sed multa possunt sub voto cadere quae
non pertinent neque ad sacrum ordinem, neque pertinent ad aliquam certam regulam,
sicut cum quis vovet peregrinationem, aut aliquid huiusmodi. Ergo solemnitas quae
fit in susceptione sacri ordinis vel in promissione certae regulae, non pertinet ad
conditionem voti. (IIa-IIae q. 88 a. 7 arg. 2)
2 — Wat onder de nadere bepalingen van een ding valt, schijnt bij alles te kunnen voorkomen,
waarin men dat bewuste ding vindt. Nu kunnen veel dingen voorwerp van gelofte zijn,
die geen verband houden met een heilige wijding, noch met een bepaalden regel, zo
b. v. wanneer iemand de gelofte aflegt een pelgrimstocht te maken of iets dergelijks.
De plechtigheden die plaats hebben, als iemand een heilige wijding ontvangt of zijn
professie op een bepaalden regel aflegt, schijnen dus geen nadere bepaling van de
gelofte te zijn.
Praeterea, votum solemne idem videtur esse quod votum publicum. Sed multa alia vota
possunt fieri in publico quam votum quod emittitur in susceptione sacri ordinis vel
professione certae regulae, et huiusmodi etiam vota possunt fieri in occulto. Ergo
non solum huiusmodi vota sunt solemnia. (IIa-IIae q. 88 a. 7 arg. 3)
3 — Een plechtige gelofte schijnt hetzelfde te zijn als een openbare gelofte. Nu kunnen
in het openbaar vele andere geloften worden afgelegd, dan die men doet bij het ontvangen
van een heilige wijding of bij de professie op een bepaalden regel; en deze laatste
geloften kunnen ook in het verborgen worden afgelegd. Dus zijn dergelijke geloften
niet de enige plechtige.
Sed contra est quod solum huiusmodi vota impediunt matrimonium contrahendum et dirimunt
iam contractum; quod est effectus voti solemnis, ut infra dicetur in tertia huius
operis parte. (IIa-IIae q. 88 a. 7 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat alleen dergelijke geloften het sluiten van een huwelijk
beletten of een reeds gesloten ontbinden; want dat is het gevolg van een plechtige
gelofte, zoals later in het derde deel van dit werk zal worden gezegd.
Respondeo dicendum quod unicuique rei solemnitas adhibetur secundum illius rei conditionem,
sicut alia est solemnitas novae militiae, scilicet in quodam apparatu equorum et armorum
et concursu militum; et alia solemnitas nuptiarum, quae consistit in apparatu sponsi
et sponsae et conventu propinquorum. Votum autem est promissio Deo facta. Unde solemnitas
voti attenditur secundum aliquid spirituale, quod ad Deum pertineat, idest secundum
aliquam spiritualem benedictionem vel consecrationem, quae ex institutione apostolorum
adhibetur in professione certae regulae, secundo gradu post sacri ordinis susceptionem,
ut Dionysius dicit, VI cap. Eccles. Hier. Et huius ratio est quia solemnitates non
consueverunt adhiberi nisi quando aliquis totaliter mancipatur alicui rei, non enim
solemnitas nuptialis adhibetur nisi in celebratione matrimonii, quando uterque coniugum
sui corporis potestatem alteri tradit. Et similiter voti solemnitas adhibetur quando
aliquis per susceptionem sacri ordinis divino ministerio applicatur; et in professione
certae regulae, quando per abrenuntiationem saeculi et propriae voluntatis aliquis
statum perfectionis assumit. (IIa-IIae q. 88 a. 7 co.)
Bij iedere zaak komen plechtigheden, die passen hij de omstandigheden van die zaak;
zoals er verschil in plechtigheden is bij het inlijven van een nieuwe lichting, die
in een vertoon van paarden en wapenen en een parade van soldaten bestaan, — en bij
een huwelijk, die in de tooi van bruidegom en bruid en het bijeenkomen van verwanten
bestaan. Nu is een gelofte een aan God gedane belofte; en dus moet men de plechtigheid
van de gelofte in iets geestelijks zoeken, wat met God in verband staat, nl. in een
geestelijken zegen of toewijding, die men krachtens instelling van de Apostelen gebruikt
bij het afleggen van de professie op een bepaalden regel en op de tweede plaats na
het ontvangen van een heilige wijding, zoals Dionysius zegt. En de reden hiervan is,
dat men niet gewoon was plechtigheden te houden tenzij wanneer iemand geheel en al
aan iets werd toegewijd; want de huwelijksplechtigheden worden niet gevierd tenzij
bij het sluiten van het huwelijk, als beide echtgenoten aan elkander de macht over
hun lichaam geven. En zo worden er plechtigheden bij een gelofte gevierd, als iemand
door het ontvangen van een heilige wijding aan het dienen van God wordt toegewijd;
en bij het afleggen de professie op een bepaalden regel, als iemand door aan de wereld
en de eigen wil te verzaken de staat van volmaaktheid intreedt.
Ad primum ergo dicendum quod huiusmodi solemnitas pertinet non solum ad homines, sed
ad Deum, inquantum habet aliquam spiritualem consecrationem seu benedictionem, cuius
Deus est auctor, etsi homo sit minister, secundum illud Num. VI, invocabunt nomen
meum super filios Israel, et ego benedicam eis. Et ideo votum solemne habet fortiorem
obligationem apud Deum quam votum simplex; et gravius peccat qui illud transgreditur.
Quod autem dicitur quod votum simplex non minus obligat apud Deum quam solemne, intelligendum
est quantum ad hoc quod utriusque transgressor peccat mortaliter. (IIa-IIae q. 88 a. 7 ad 1)
1 — Deze plechtigheden zijn niet alleen voor de mensen bedoeld, maar ook voor God, in
zover zij een geestelijken zegen of toewijding bevatten, waarvan God de gever is,
al is een mens de bedienaar, volgens het Boek der Getallen (6, 27) : « Zij zullen
Mijn naam aanroepen over de zonen van Israël en Ik zal hen zegenen. » Daarom geeft
een plechtige gelofte tegenover God een zwaardere verplichting dan een eenvoudige;
en wie haar overtreedt, zondigt zwaarder. Als echter wordt gezegd, dat « een eenvoudige
gelofte tegenover God niet minder verplicht dan een plechtige, » dan moet men dit
hierop laten slaan, dat de overtreders van beiden een doodzonde bedrijven.
Ad secundum dicendum quod particularibus actibus non consuevit solemnitas adhiberi,
sed assumptioni novi status, ut dictum est. Et ideo cum quis vovet aliqua particularia
opera, sicut aliquam peregrinationem vel aliquod speciale ieiunium, tali voto non
congruit solemnitas, sed solum voto quo aliquis totaliter se subiicit divino ministerio
seu famulatui; in quo tamen voto, quasi universali, multa particularia opera comprehenduntur. (IIa-IIae q. 88 a. 7 ad 2)
2 — Men was niet gewoon bij afzonderlijke daden plechtigheden te vieren, maar wel, zoals
is gezegd, bij het aannemen van een nieuwen staat. Doet iemand dus een gelofte over
een bijzonder werk, b. v. over een pelgrimstocht of een bijzonder vasten, dan passen
daar geen plechtigheden bij; maar wel bij die, waardoor iemand zich geheel geeft aan
het eren en dienen van God, al omvat deze als iets algemeens vele bijzondere werken.
Ad tertium dicendum quod vota ex hoc quod fiunt in publico possunt habere quandam
solemnitatem humanam, non autem solemnitatem spiritualem et divinam, sicut habent
vota praemissa, etiam si coram paucis fiant. Unde aliud est votum esse publicum, et
aliud esse solemne. (IIa-IIae q. 88 a. 7 ad 3)
3 — Omdat geloften in het openbaar geschieden, kunnen er menselijke plechtigheden bij
komen, maar niet de geestelijke en goddelijke plechtigheid als bovengenoemde geloften
eigen is, ook al geschieden zij maar ten overstaan van weinigen. Daarom is er verschil
tussen een openbare en een plechtige gelofte.
Articulus 8. Zijn wij, die onder de macht van een ander staan, verhinderd een gelofte af te leggen?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod illi qui sunt alterius potestati subiecti
non impediantur a vovendo. Minus enim vinculum superatur a maiori. Sed obligatio qua
quis subiicitur homini est minus vinculum quam votum, per quod aliquis obligatur Deo.
Ergo illi qui sunt alienae potestati subiecti non impediuntur a vovendo. (IIa-IIae q. 88 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert, dat zij, die onder de macht van een ander staan, niet verhinderd zijn
een gelofte af te leggen. Want een zwakkere band moet wijken voor een sterkeren.
Nu is de verplichting, die van de onderwerping aan een ander komt, een zwakkere band
vergeleken met een gelofte, waardoor iemand verplichtingen heeft tegenover God. Dus
zijn zij, die onder de macht van een ander staan, niet verhinderd om een gelofte af
te leggen.
Praeterea, filii sunt in potestate patris. Sed filii possunt profiteri in aliqua religione
etiam sine voluntate parentum. Ergo non impeditur aliquis a vovendo per hoc quod est
subiectus potestati alterius. (IIa-IIae q. 88 a. 8 arg. 2)
2 — Zonen staan onder de macht van hun vader. Toch kunnen zonen, ook tegen de wil van
de ouders, hun professie doen in een kloosterorde. Dus is het feit, dat iemand aan
de macht van een ander onderworpen is, geen beletsel voor het doen van een gelofte.
Praeterea, maius est facere quam promittere. Sed religiosi qui sunt sub potestate
praelatorum possunt aliqua facere sine licentia suorum praelatorum, puta dicere aliquos
Psalmos, vel facere aliquas abstinentias. Ergo videtur quod multo magis possunt huiusmodi
vovendo Deo promittere. (IIa-IIae q. 88 a. 8 arg. 3)
3 — Doen staat hoger dan beloven. Nu kunnen kloosterlingen, die onder de macht van hun
oversten staan, sommige dingen doen zonder verlof van hun oversten, b. v. psalmen
zeggen of zich van iets onthouden. Dus schijnen zij zoveel te eerder nog dergelijke
dingen in een gelofte aan God te kunnen beloven.
Praeterea, quicumque facit quod de iure facere non potest, peccat. Sed subditi non
peccant vovendo, quia hoc nunquam invenitur prohibitum. Ergo videtur quod de iure
possunt vovere. (IIa-IIae q. 88 a. 8 arg. 4)
4 — Wie doet wat hij rechtens niet kan doen, zondigt. Nu doen ondergeschikten geen zonde
door een gelofte af te leggen, want dat vindt men nergens verboden. Dus schijnen zij
rechtens een gelofte te kunnen afleggen.
Sed contra est quod Num. XXX mandatur quod, si mulier in domo patris sui, et adhuc
in puellari aetate, aliquid voverit, non tenetur rea voti nisi pater eius consenserit.
Et idem dicit de muliere habente virum. Ergo, pari ratione, nec aliae personae alterius
potestati subiectae possunt se voto obligare. (IIa-IIae q. 88 a. 8 s. c.)
Maar daartegenover staat het voorschrift van het Boek der Getallen (30, 4), volgens
welk « een vrouw in het huis van haar vader en nog in de kinderlijke leeftijd, als
zij een gelofte heeft gedaan, » niet verplicht is die te houden, tenzij de vader toegestemd
heeft. Dus kunnen om dezelfde reden geen personen, die onder de macht van een ander
staan, door een gelofte verplichtingen op zich nemen.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, votum est promissio quaedam Deo facta.
Nullus autem potest per promissionem se firmiter obligare ad id quod est in potestate
alterius, sed solum ad id quod est omnino in sua potestate. Quicumque autem est subiectus
alicui, quantum ad id in quo est subiectus, non est suae potestatis facere quod vult,
sed dependet ex voluntate alterius. Et ideo non potest se per votum firmiter obligare,
in his in quibus alteri subiicitur, sine consensu sui superioris. (IIa-IIae q. 88 a. 8 co.)
Zoals vroeger is gezegd (1e Art.), is een gelofte een aan God gedane belofte. Nu kan
niemand zich door een belofte vast verplichten tot iets, wat in de macht van een ander
ligt, maar alleen tot wat geheel en al in zijn eigen macht ligt. Voor zover nu iemand
aan de macht van een ander onderworpen is, heeft hij het niet in zijn macht te doen,
wat hij wil, maar dat hangt af van de wil van een ander. En daarom kan hij in datgene,
waarin hij onderworpen is, zich niet vast door een gelofte verplichten, tenzij met
goedkeuring van wie boven hem staat.
Ad primum ergo dicendum quod sub promissione Deo facta non cadit nisi quod est virtuosum,
ut supra dictum est. Est autem contra virtutem ut id quod est alterius homo offerat
Deo, ut supra dictum est. Et ideo non potest omnino salvari ratio voti, cum quis in
potestate constitutus vovet id quod est in potestate alterius, nisi sub conditione
si ille ad cuius potestatem pertinet non contradicat. (IIa-IIae q. 88 a. 8 ad 1)
1 — Onder een aan God gedane belofte valt alleen wat deugdzaam is, zoals vroeger (2e Art.)
is gezegd. Nu is het, zoals reeds eerder gezegd is (86e Kw. 3e Art.), tegen de deugd
om God aan te bieden, wat van een ander is. En dus kan er geen eigenlijke gelofte
zijn, als een ondergeschikte een gelofte doet over wat onder de macht van een ander
valt, tenzij onder voorwaarde, dat hij, onder wiens macht het valt, zich niet verzet.
Ad secundum dicendum quod ex quo homo venit ad annos pubertatis, si sit liberae conditionis,
est suae potestatis quantum ad ea quae pertinent ad suam personam, puta quod obliget
se religioni per votum, vel quod matrimonium contrahat. Non autem est suae potestatis
quantum ad dispensationem domesticam. Unde circa hoc non potest aliquid vovere quod
sit ratum, sine consensu patris. Servus autem, quia est in potestate domini etiam
quantum ad personales operationes, non potest se voto obligare ad religionem, per
quam ab obsequio domini sui abstraheretur. (IIa-IIae q. 88 a. 8 ad 2)
2 — Zodra een mens de puberteitsjaren bereikt heeft, kan hij, als hij een vrije is, zelf
beslissen over wat zijn eigen persoon betreft, b. v. dat hij zich door een gelofte
aan een kloosterorde bindt of een huwelijk sluit. Maar hij staat niet op zichzelf,
wat de regeling van het huishouden aangaat. En daarom kan hij wat dat betreft geen
gelofte doen die van kracht is, zonder instemming van zijn vader. — Een slaaf echter,
die ook wat zijn persoonlijk werk betreft onder de macht van zijn heer staat, kan
zich niet door gelofte aan een kloosterorde binden, omdat hij zich zo aan het dienen
van zijn heer zou onttrekken.
Ad tertium dicendum quod religiosus subditus est praelato quantum ad suas operationes
secundum professionem regulae. Et ideo etiam si aliquis ad horam aliquid facere possit
quando ad alia non occupatur a praelato, quia tamen nullum tempus est exceptum in
quo praelatus non possit eum circa aliquid occupare, nullum votum religiosi est firmum
nisi sit de consensu praelati. Sicut nec votum puellae existentis in domo, nisi sit
de consensu patris, nec uxoris, nisi de consensu viri. (IIa-IIae q. 88 a. 8 ad 3)
3 — Een kloosterling is aan zijn overste onderworpen, voor zover het zijn werk volgens
de professie van de regel betreft. En al zou daarom iemand voor een tijd iets kunnen
doen, als hij door zijn overste niet met iets anders wordt beziggehouden, dan is,
omdat er geen tijd uitgezonderd is, waarin zijn overste hem geen werk te doen kan
geven, een gelofte van een kloosterling toch niet van kracht, tenzij met goedvinden
van de overste. Evenmin als de geloften van een meisje, dat nog thuis is, tenzij met
goedvinden van de vader, of van een vrouw, tenzij met goedvinden van haar man, van
kracht zijn.
Ad quartum dicendum quod licet votum eorum qui sunt alterius potestati subiecti non
sit firmum sine consensu eorum quibus subiiciuntur, non tamen peccant vovendo, quia
in eorum voto intelligitur debita conditio, scilicet si suis superioribus placuerit,
vel non renitantur. (IIa-IIae q. 88 a. 8 ad 4)
4 — Al zijn de geloften van wie onder de macht van een ander staan, niet van kracht tenzij
met de goedkeuring van hen, onder wie zij staan, dan doen zij toch geen zonde door
een gelofte af te leggen; want men moet in hun geloften het nodige voorbehoud als
ingesloten beschouwen, dat hun oversten het nl. goedvinden of zich niet verzetten.
Articulus 9. Kunnen kinderen zich door gelofte verplichten in het klooster te treden?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod pueri non possint voto se obligare ad religionis
ingressum. Cum enim ad votum requiratur animi deliberatio, non competit vovere nisi
illis qui habent usum rationis. Sed hoc deficit in pueris, sicut et in amentibus vel
furiosis. Sicut ergo amentes et furiosi non possunt se ad aliquid voto adstringere,
ita etiam nec pueri, ut videtur, possunt se voto obligare religioni. (IIa-IIae q. 88 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert, dat kinderen zich niet door gelofte kunnen verplichten in het klooster
te gaan. Omdat er nl. overleg wordt vereist voor een gelofte, kunnen alleen zij er
een afleggen, die het gebruik van hun verstand hebben. Maar dat missen kinderen, evenals
krankzinnigen en razenden. Zoals dus krankzinnigen en razenden zich niet door een
gelofte tot iets kunnen verbinden, schijnen kinderen zich evenmin door een gelofte
te kunnen binden om in het klooster te treden.
Praeterea, illud quod rite potest ab aliquo fieri, non potest ab alio irritari. Sed
votum religionis a puero vel puella factum ante annos pubertatis potest a parentibus
revocari, vel a tutore, ut habetur XX, qu. II, cap. puella. Ergo videtur quod puer
vel puella, ante quatuordecim annos, non possit rite vovere. (IIa-IIae q. 88 a. 9 arg. 2)
2 — Wat door iemand op behoorlijke wijze kan gedaan worden, kan door een ander niet weer
ongedaan worden gemaakt. Nu kan een gelofte om in het klooster te treden, die door
een jongen of meisje vóór de puberteitsjaren wordt afgelegd, door de ouders of de
voogd worden herroepen, zoals in de Decretalen staat. Dus schijnen een jongen of meisje
niet op de goede manier een gelofte te kunnen afleggen, voordat zij veertien jaar
zijn.
Praeterea, religionem intrantibus annus probationis conceditur, secundum regulam beati
Benedicti et secundum statutum Innocentii IV, ad hoc quod probatio obligationem voti
praecedat. Ergo illicitum videtur esse quod pueri voto obligentur ad religionem ante
probationis annum. (IIa-IIae q. 88 a. 9 arg. 3)
3 — Aan hen, die in het klooster treden, wordt volgens de Regel van de H. Benedictus en
de bepaling van Innocentius IV een proefjaar gegeven, opdat de ondervinding vóór de
verplichting door de gelofte komt. Daarom schijnt het ongeoorloofd, dat kinderen zich
door een gelofte verbinden om in het klooster te treden vóór het proefjaar.
Sed contra, illud quod non est rite factum non est validum, etiam si a nullo revocetur.
Sed votum puellae, etiam ante annos pubertatis emissum, validum est si infra annum
a parentibus non revocetur, ut habetur XX, qu. II, cap. puella. Ergo licite et rite
possunt pueri voto obligari ad religionem, etiam ante annos pubertatis. (IIa-IIae q. 88 a. 9 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat wat niet op de goede manier geschied is, niet geldig
is, ook al wordt het door niemand herroepen. Nu is een door een meisje, ook vóór de
puberteitsjaren, gedane gelofte geldig, als deze door de ouders niet binnen het jaar
herroepen is, zoals in de Decretalen staat. Daarom kunnen kinderen zich op geoorloofde
en geldige manier door een gelofte verplichten in het klooster te treden, ook voordat
zij de puberteitsjaren bereikt hebben.
Respondeo dicendum quod, sicut ex praedictis patet, duplex est votum, scilicet simplex,
et solemne. Et quia solemnitas voti in quadam spirituali benedictione et consecratione
consistit, ut dictum est, quae fit per ministerium Ecclesiae; ideo solemnizatio voti
sub dispensatione Ecclesiae cadit. Votum autem simplex efficaciam habet ex deliberatione
animi, qua quis se obligare intendit. Quod autem talis obligatio robur non habeat,
dupliciter potest contingere. Uno quidem modo, propter defectum rationis, sicut patet
in furiosis et amentibus, qui se voto non possunt obligare ad aliquid, dum sunt in
furia vel amentia. Alio modo, quia ille qui vovet est alterius potestati subiectus,
ut supra dictum est. Et ista duo concurrunt in pueris ante annos pubertatis, quia
et patiuntur rationis defectum, ut in pluribus; et sunt naturaliter sub cura parentum,
vel tutorum, qui sunt eis loco parentum. Et ideo eorum vota ex duplici causa robur
non habent. Contingit tamen, propter naturae dispositionem, quae legibus humanis non
subditur, in aliquibus, licet paucis, accelerari rationis usum, qui ob hoc dicuntur
doli capaces. Nec tamen propter hoc in aliquo eximuntur a cura parentum, quae subiacet
legi humanae respicienti ad id quod frequentius accidit. Est ergo dicendum quod si
puer vel puella, ante pubertatis annos, nondum habeat usum rationis, nullo modo potest
se ad aliquid voto obligare. Si vero ante annos pubertatis attigerit usum rationis,
potest quidem, quantum in ipso est, se obligare, sed votum eius potest irritari per
parentes, quorum curae remanet adhuc subiectus. Quantumcumque tamen sit doli capax,
ante annos pubertatis non potest obligari voto solemni religionis, propter Ecclesiae
statutum, quod respicit id quod in pluribus accidit. Post annos autem pubertatis,
possunt iam se voto religionis obligare, vel simplici vel solemni, absque voluntate
parentum. (IIa-IIae q. 88 a. 9 co.)
Zoals uit het vroeger gezegde (7e Art.) blijkt, zijn er twee soorten van geloften,
nl. eenvoudige en plechtige. Omdat nu, zoals is gezegd, de plechtigheid van een gelofte
in een geestelijke zegening en toewijding bestaat, die door de bediening van de Kerk
geschiedt, behoort het plechtig maken van een gelofte tot het terrein van de werkzaamheid
van de Kerk. Een eenvoudige gelofte heeft haar kracht door het overleg, waardoor iemand
de bedoeling krijgt zich te verplichten. Maar nu kan een dergelijke verplichting om
twee redenen krachteloos zijn. Ten eerste uit gebrek aan verstand, zoals blijkt bij
razenden en krankzinnigen, die zich niet door een gelofte tot iets kunnen verplichten,
wanneer zij een aanval van razernij of krankzinnigheid hebben. Dan ook, omdat wie
een gelofte doet, onder de macht van een ander staat, zoals is gezegd. Nu doen beide
redenen zich voor bij kinderen vóór hun puberteitsjaren; want in het algemeen genomen
hebben zij het gebruik van hun verstand niet, en van nature staan zij onder de zorg
van de ouders of van voogden, die de plaats van de ouders innemen. En daarom zijn
hun geloften om twee redenen niet van kracht. — Het kan echter bij sommige ofschoon
maar weinige kinderen, om hun natuurlijke aanleg, die aan geen mensenwetten gebonden
is, voorkomen, dat zij vlugger het gebruik van hun verstand hebben; en daarom noemt
men hen « tot bedrog in staat. » Maar daarom komen zij niet vrij van de zorg van de
ouders; want deze is door mensenwetten geregeld en die houden rekening met wat in
de meeste gevallen gebeurt. Men moet dus zeggen, dat als een jongen of meisje vóór
de puberteitsjaren, het gebruik van het verstand nog niet heeft, zij zich op geen
enkele manier door een gelofte tot iets kunnen verplichten. Krijgen zij echter vóór
de puberteitsjaren het gebruik van het verstand, dan kunnen zij op zichzelf beschouwd
zich door een gelofte een verplichting opleggen; maar die gelofte kan door de ouders,
onder wier zorg zij nog blijven staan, krachteloos worden gemaakt. Maar hoezeer zij
ook « tot bedrog in staat » zouden zijn, toch kunnen zij, vóór de puberteitsjaren,
zich niet door een plechtige gelofte aan het kloosterleven verbinden wegens de bepalingen
van de Kerk, die slaan op wat in de meeste gevallen gebeurt. Maar zodra zij de puberteitsleeftijd
hebben bereikt, kunnen zij zich ook buiten de wil van hun ouders om met een eenvoudige
of plechtige gelofte aan het kloosterleven binden.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de pueris qui nondum attigerunt usum
rationis, quorum vota sunt invalida, ut dictum est. (IIa-IIae q. 88 a. 9 ad 1)
1 — Dit argument slaat op kinderen, die het gebruik van hun verstand nog niet hebben gekregen;
en hun geloften zijn, zoals in de leerstelling gezegd is, ongeldig.
Ad secundum dicendum quod vota eorum qui sunt in potestate aliorum habent conditionem
implicitam, scilicet si non revocentur a superiori, ex qua licita redduntur, et valida
si conditio extat, ut dictum est. (IIa-IIae q. 88 a. 9 ad 2)
2 — In de geloften van hen, die onder de macht van anderen staan, ligt een voorwaarde
opgesloten, dat zij nl. door wie over hen staan niet worden herroepen; en door die
voorwaarde zijn zij geoorloofd en, zoals gezegd is (8e Art. 1e Antw.) geldig, als
die voorwaarde wordt vervuld.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de voto solemni quod fit per professionem. (IIa-IIae q. 88 a. 9 ad 3)
3 — Dit argument gaat uit van de plechtige gelofte, die in de professie wordt afgelegd.
Articulus 10. Kan men van een gelofte ontslagen worden?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod in voto dispensari non possit. Minus enim
est commutari votum quam in eo dispensari. Sed votum non potest commutari, dicitur
enim Levit. XXVII, animal quod immolari potest domino, si quis voverit, sanctum erit,
et mutari non poterit, nec melius malo nec peius bono. Ergo multo minus potest dispensari
in voto. (IIa-IIae q. 88 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men van een gelofte niet kan ontslagen worden. Want een gelofte veranderen
is minder dan ervan te ontslaan. Nu kan een gelofte niet veranderd worden, want in
het Boek Leviticus (27, 9,10) wordt gezegd: « Als iemand een dier, dat aan de Heer
geofferd kan worden, door een gelofte daartoe bestemd heeft zal het heilig zijn en
niet veranderd kunnen worden, noch een beter voor een slecht, noch een slecht voor
een goed. » Dus kan men veel minder nog van een gelofte ontslagen worden.
Praeterea, in his quae sunt de lege naturae et in praeceptis divinis non potest per
hominem dispensari, et praecipue in praeceptis primae tabulae, quae ordinantur directe
ad dilectionem Dei, quae est ultimus praeceptorum finis. Sed implere votum est de
lege naturae; et est etiam praeceptum legis divinae, ut ex supra dictis patet; et
pertinet ad praecepta primae tabulae, cum sit actus latriae. Ergo in voto dispensari
non potest. (IIa-IIae q. 88 a. 10 arg. 2)
2 — Van de voorschriften der natuurwet en die van God kan geen mens ontslaan; en vooral
niet van de voorschriften van de eerste tafel, die onmiddellijk de liefde tot God,
wat het laatste doel der geboden is, tot doel hebben. Nu valt het vervullen van een
gelofte onder de natuurwet; en het is ook een gebod van de goddelijke wet, zoals uit
het vroeger gezegde (3e Art.) blijkt; en het behoort tot de voorschriften van de eerste
tafel, omdat het een daad van godsverering is. Dus kan men van een gelofte niet ontslagen
worden.
Praeterea, obligatio voti fundatur super fidelitatem quam homo debet Deo, ut dictum
est. Sed in hac nullus potest dispensare. Ergo nec in voto. (IIa-IIae q. 88 a. 10 arg. 3)
3 — De verplichting van de gelofte berust op de getrouwheid, die een mens tegenover God
moet hebben, zoals is gezegd. (3e Art.) Nu kan niemand daarvan ontslaan. Dus ook niet
van de gelofte.
Sed contra, maioris firmitatis esse videtur quod procedit ex communi voluntate quam
quod procedit ex singulari voluntate alicuius personae. Sed in lege, quae habet robur
ex communi voluntate, potest per hominem dispensari. Ergo videtur quod etiam in voto
per hominem dispensari possit. (IIa-IIae q. 88 a. 10 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat wat voortkomt uit de wil van allen, grotere vastheid
schijnt te bezitten dan wat komt van de afzonderlijke wil van een enkeling. Nu kan
men door een mens worden ontslagen van een wet, die door de wil van allen kracht heeft.
Dus schijnt men ook door een mens van een gelofte te kunnen worden ontslagen.
Respondeo dicendum quod dispensatio voti intelligenda est ad modum dispensationis
quae fit in observantia alicuius legis. Quia, ut supra dictum est, lex ponitur respiciendo
ad id quod est ut in pluribus bonum, sed quia contingit huiusmodi in aliquo casu non
esse bonum, oportuit per aliquem determinari in illo particulari casu legem non esse
servandam. Et hoc proprie est dispensare in lege, nam dispensatio videtur importare
commensuratam quandam distributionem vel applicationem communis alicuius ad ea quae
sub ipso continentur, per quem modum dicitur aliquis dispensare cibum familiae. Similiter
autem ille qui vovet quodammodo sibi statuit legem, obligans se ad aliquid quod est
secundum se et in pluribus bonum. Potest tamen contingere quod in aliquo casu sit
vel simpliciter malum, vel inutile, vel maioris boni impeditivum, quod est contra
rationem eius quod cadit sub voto, ut ex praedictis patet. Et ideo necesse est quod
determinetur in tali casu votum non esse servandum. Et si quidem absolute determinetur
aliquod votum non esse servandum, dicitur esse dispensatio voti. Si autem pro hoc
quod servandum erat aliquid aliud imponatur, dicitur commutatio voti. Unde minus est
votum commutare quam in voto dispensare. Utrumque tamen in potestate Ecclesiae consistit. (IIa-IIae q. 88 a. 10 co.)
Men moet zich het ontslaan van een gelofte denken volgens de manier, waarop men ontslagen
wordt van het onderhouden van een wet. Want zoals vroeger is gezegd (I-II. 96e Kw.
6e Art.), wordt een wet gemaakt met het oog op wat in de meeste gevallen goed is;
maar omdat het kan voorkomen, dat zo iets in een bepaald geval niet goed is, moest
door iemand worden uitgemaakt, dat men in dat bijzondere geval de wet niet behoefde
te onderhouden. En dat is in eigenlijke zin van de wet ontslaan (dispensare) ; want
« dispensatio » schijnt in te sluiten een afgemeten verdeling of toepassing van iets
algemeens op wat daaronder vervat is, zoals men spreekt van iemand, die onder zijn
huisgezin voedsel verdeelt (dispensare). Evenzo stelt wie een gelofte doet zich enigszins
een wet, waardoor hij zich verplicht tot wat op zichzelf en in de meeste gevallen
goed is. Nu kan het gebeuren, dat het in een bepaald geval zonder meer kwaad of nutteloos
of een beletsel voor een groter goed is; en dan strijdt het met de aard van wat voorwerp
van een gelofte kan zijn, zoals vroeger (2e Art.) gezegd is. En daarom moet noodzakelijkerwijze
in zo'n geval worden vastgesteld, dat men de gelofte niet moet houden. Wordt nu zonder
meer bepaald, dat de gelofte met gehouden moet worden, dan heet dat ontslaan. Wordt
in plaats van wat onderhouden moet worden iets anders opgelegd, dan heet het verandering
van de gelofte. Het is dus minder een gelofte te veranderen dan ervan te ontslaan,
maar beide dingen vallen onder de macht van de Kerk.
Ad primum ergo dicendum quod animal quod immolari poterat, ex hoc ipso quod vovebatur,
sanctum reputabatur, quasi divino cultui mancipatum, et haec erat ratio quare non
poterat commutari; sicut nec modo posset aliquis rem quam vovit, iam consecratam,
puta calicem vel domum, commutare in melius vel in peius. Animal autem quod non poterat
sanctificari quia non erat immolatitium, redimi poterat et debebat, sicut ibidem lex
dicit. Et ita etiam nunc commutari possunt vota si consecratio non interveniat. (IIa-IIae q. 88 a. 10 ad 1)
1 — Een dier, dat geofferd kon worden, werd juist omdat het door een gelofte ertoe werd
bestemd als heilig beschouwd, als bestemd voor het eren van God; en dat was de reden,
waarom het niet omgewisseld kon worden, zoals men evenmin een ding, waarover men een
gelofte heeft gedaan en dat al gewijd is, b. v. een kelk, met iets beters of slechters
kan verruilen. Maar een dier, dat niet geofferd kon worden, omdat het daartoe niet
geschikt was, kon en moest vrijgekocht worden, zoals de Wet zegt. En zo kunnen ook
nu nog geloften veranderd worden als er geen wijding bij gekomen is.
Ad secundum dicendum quod sicut ex iure naturali et praecepto divino tenetur homo
implere votum, ita etiam tenetur ex eisdem obedire superiorum legi vel mandato. Et
tamen cum dispensatur in aliqua lege humana, non fit ut legi humanae non obediatur,
quod est contra legem naturae et mandatum divinum, sed fit ut hoc quod erat lex, non
sit lex in hoc casu. Ita etiam auctoritate superioris dispensantis fit ut hoc quod
continebatur sub voto, non contineatur, inquantum determinatur in hoc casu hoc non
esse congruam materiam voti. Et ideo cum praelatus Ecclesiae dispensat in voto, non
dispensat in praecepto iuris naturalis vel divini, sed determinat id quod cadebat
sub obligatione deliberationis humanae, quae non potuit omnia circumspicere. (IIa-IIae q. 88 a. 10 ad 2)
2 — Zoals de mens krachtens de natuurwet en een goddelijk gebod zijn geloften moet houden,
moet hij ook om dezelfde redenen aan een wet of voorschrift van zijn oversten gehoorzamen.
En als er nu in een menselijke wet wordt gedispenseerd, dan is dat niet om aan een
menselijke wet niet te laten gehoorzamen: wat tegen de natuurwet en Gods bevel zou
zijn; maar om wat wet was, in dit geval geen wet te laten zijn. Zo gebeurt het ook
krachtens het gezag van de overste, die van de gelofte ontslaat, dat wat voorwerp
van een gelofte was, dit nu niet meer is, omdat wordt vastgesteld, dat het daartoe
in dit geval niet geschikt is. Ontslaat dus een kerkelijke overste van een gelofte,
dan ontslaat hij niet van een voorschrift van God of de natuurwet, maar bepaalt datgene
nader, wat door het menselijke overleg, dat niet aan alles kan denken, verplicht was
geworden.
Ad tertium dicendum quod ad fidelitatem Deo debitam non pertinet quod homo faciat
id quod ad vovendum est malum, vel inutile, vel maioris boni impeditivum, ad quod
tendit voti dispensatio. Et ideo dispensatio voti non est contra fidelitatem Deo debitam. (IIa-IIae q. 88 a. 10 ad 3)
3 — De getrouwheid, die men aan God schuldig is, gaat niet zo ver, dat een mens zou moeten
doen, wat voor een gelofte ongeschikt is, of nutteloos of een beletsel voor een groter
goed; en dat heeft het ontslaan van een gelofte op het oog. En daarom is het ontslaan
van een gelofte niet tegen de getrouwheid, die wij tegenover God moeten hebben.
Articulus 11. Kan er in de plechtige gelofte van zuiverheid gedispenseerd worden?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod in voto solemni continentiae possit fieri
dispensatio. Una enim ratio dispensandi in voto est si sit impeditivum melioris boni,
sicut dictum est. Sed votum continentiae, etiam si sit solemne, potest esse impeditivum
melioris boni, nam bonum commune est divinius quam bonum unius; potest autem per continentiam
alicuius impediri bonum totius multitudinis, puta si quando per contractum matrimonii
aliquarum personarum quae continentiam voverunt, posset pax patriae procurari. Ergo
videtur quod in solemni voto continentiae possit dispensari. (IIa-IIae q. 88 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in een plechtige gelofte van zuiverheid gedispenseerd kan worden.
— Want een van de redenen om van een gelofte te ontslaan is, zoals gezegd is, als
deze een groter goed zou beletten. Nu kan een gelofte van zuiverheid, en zelfs ook
een plechtige, aan een groter goed in de weg staan; want « het algemeen belang is
goddelijker dan dat van een eenling, » en nu kan iemands zuiverheid iets in de weg
staan, wat voor de gehele massa goed is, b. v. als door het aangaan van een huwelijk
door personen, die gelofte van zuiverheid hebben gedaan, de vrede in het vaderland
zou worden hersteld. Dus schijnt het mogelijk, dat ook in de plechtige gelofte van
zuiverheid wordt gedispenseerd.
Praeterea, latria est nobilior virtus quam castitas. Sed si quis voveat aliquem actum
latriae, puta offerre Deo sacrificium, potest in illo voto dispensari. Ergo multo
magis potest dispensari in voto continentiae, quod est de actu castitatis. (IIa-IIae q. 88 a. 11 arg. 2)
2 — Godsverering staat als deugd boven de zuiverheid. Nu kan iemand van een gelofte om
een daad van godsverering te stellen, b. v. aan God een offer op te dragen, ontslagen
worden. Dus kan men veel eerder van de gelofte van zuiverheid ontslagen worden, die
over een daad van de zuiverheid gaat.
Praeterea, sicut votum abstinentiae observatum potest vergere in periculum personae,
ita etiam observatio voti continentiae. Sed in voto abstinentiae, si vergat in corporale
periculum voventis, potest fieri dispensatio. Ergo etiam, pari ratione, in voto continentiae
potest dispensari. (IIa-IIae q. 88 a. 11 arg. 3)
3 — Zoals het houden van een gelofte van te vasten voor de persoon nadelig kan zijn, zo
kan dat ook als men de gelofte van zuiverheid onderhoudt. Maar als een gelofte om
te vasten lichamelijk nadeel meebrengt voor wie haar aflegde, dan kan erin gedispenseerd
worden. Om dezelfde reden kan men het dus ook bij de gelofte van zuiverheid.
Praeterea, sicut sub professione religionis, ex qua votum solemnizatur, continetur
votum continentiae, ita etiam et votum paupertatis et obedientiae. Sed in voto paupertatis
et obedientiae potest dispensari, sicut patet in illis qui post professionem ad episcopatum
assumuntur. Ergo videtur quod in solemni voto continentiae possit dispensari. (IIa-IIae q. 88 a. 11 arg. 4)
4 — Evenals de gelofte van zuiverheid, die erdoor plechtig wordt gemaakt, vallen ook die
van armoede en gehoorzaamheid onder de religieuze professie. Nu kan er in de geloften
van armoede en gehoorzaamheid gedispenseerd worden, zoals blijkt bij hen, die na hun
professie bisschop worden. Dus schijnt ook dispensatie in de gelofte van zuiverheid
mogelijk.
Sed contra est quod dicitur Eccli. XXVI, omnis ponderatio non est digna animae continentis. (IIa-IIae q. 88 a. 11 s. c. 1)
Maar daartegenover staat, dat in het Boek Ecclesiasticus (26, 20) wordt gezegd: «
Niets kan vergeleken worden bij een zuivere ziel. » Bovendien staat op het eind van
de Decretaal: « Als iemand naar het klooster »: « Het afstand doen van eigendom is
evenals het bewaren van de zuiverheid zo met de monnikenregel verbonden, dat zelfs
de Paus daar zijn dispensatie niet tegenover kan stellen. »
Praeterea, extra, de statu Monach., in fine illius decretalis, cum ad monasterium,
dicitur, abdicatio proprietatis, sicut etiam custodia castitatis, adeo est annexa
regulae monachali ut contra eam nec summus pontifex possit indulgere. (IIa-IIae q. 88 a. 11 s. c. 2)
Respondeo dicendum quod in solemni voto continentiae tria possunt considerari, primo
quidem, materia voti, scilicet ipsa continentia; secundo, perpetuitas voti, cum scilicet
aliquis voto se adstringit ad perpetuam observantiam continentiae; tertio, ipsa solemnitas
voti. Dicunt ergo quidam quod votum solemne est indispensabile ratione ipsius continentiae,
quae non recipit condignam recompensationem, ut patet ex auctoritate inducta. Cuius
rationem quidam assignant quia per continentiam homo triumphat de domestico inimico,
vel quia per continentiam homo perfecte conformatur Christo, secundum puritatem animae
et corporis. Sed hoc non videtur efficaciter dici. Quia bona animae, utpote contemplatio
et oratio, sunt multo meliora bonis corporis, et magis nos Deo conformant, et tamen
potest dispensari in voto orationis vel contemplationis. Unde non videtur esse ratio
quare non possit dispensari in voto continentiae, si respiciatur absolute ad ipsam
continentiae dignitatem. Praesertim cum apostolus, I ad Cor. VII, ad continentiam
inducat propter contemplationem, dicens quod mulier innupta cogitat quae Dei sunt,
finis autem potior est his quae sunt ad finem. Et ideo alii rationem huius assignant
ex perpetuitate et universalitate huius voti. Dicunt enim quod votum continentiae
non potest praetermitti nisi per id quod est omnino contrarium, quod nunquam licet
in aliquo voto. Sed hoc est manifeste falsum. Quia sicut uti carnali copula est continentiae
contrarium, ita comedere carnes vel bibere vinum est contrarium abstinentiae a talibus,
et tamen in huiusmodi votis potest dispensari. Et ideo aliis videtur quod in voto
solemni continentiae possit dispensari propter aliquam communem utilitatem seu necessitatem,
ut patet in exemplo praemisso de pacificatione terrarum ex aliquo matrimonio contrahendo.
Sed quia decretalis inducta expresse dicit quod nec summus pontifex potest contra
custodiam castitatis monacho licentiam dare, ideo aliter videtur dicendum, quod, sicut
supra dictum est, et habetur Levit. ult., illud quod semel sanctificatum est domino,
non potest in alios usus commutari. Non autem potest facere aliquis Ecclesiae praelatus
ut id quod est sanctificatum sanctificationem amittat, etiam in rebus inanimatis,
puta quod calix consecratus desinat esse consecratus, si maneat integer. Unde multo
minus hoc potest facere aliquis praelatus, ut homo Deo consecratus, quandiu vivit,
consecratus esse desistat. Solemnitas autem voti consistit in quadam consecratione
seu benedictione voventis, ut dictum est. Et ideo non potest fieri per aliquem praelatum
Ecclesiae quod ille qui votum solemne emisit desistat ab eo ad quod est consecratus,
puta quod ille qui est sacerdos non sit sacerdos, licet possit praelatus ob aliquam
causam executionem ordinis inhibere. Et simili ratione, Papa non potest facere quod
ille qui est professus religionem non sit religiosus, licet quidam iuristae ignoranter
contrarium dicant. Est ergo considerandum utrum continentia sit essentialiter annexa
ei ad quod votum solemnizatur, quia si non est ei essentialiter annexa, potest manere
solemnitas consecrationis sine debito continentiae; quod non potest contingere si
sit essentialiter annexum ei ad quod votum solemnizatur. Non est autem essentialiter
annexum debitum continentiae ordini sacro, sed ex statuto Ecclesiae. Unde videtur
quod per Ecclesiam possit dispensari in voto continentiae solemnizato per susceptionem
sacri ordinis. Est autem debitum continentiae essentiale statui religionis, per quem
homo abrenuntiat saeculo, totaliter Dei servitio mancipatus; quod non potest simul
stare cum matrimonio, in quo incumbit necessitas procurandae uxoris et prolis et familiae,
et rerum quae ad hoc requiruntur. Unde apostolus dicit, I ad Cor. VII, quod qui est
cum uxore sollicitus est quae sunt mundi, quomodo placeat uxori, et divisus est. Unde
nomen monachi ab unitate sumitur, per oppositum ad divisionem praedictam. Et ideo
in voto solemnizato per professionem religionis non potest per Ecclesiam dispensari,
et rationem assignat decretalis, quia castitas est annexa regulae monachali. (IIa-IIae q. 88 a. 11 co.)
Bij de plechtige gelofte van zuiverheid kan men drie dingen in aanmerking nemen, en
wel vooreerst het voorwerp ervan, nl. de zuiverheid zelf; dan de eeuwigheid ervan,
als iemand zich nl. door een gelofte bindt tot eeuwige onderhouding van de zuiverheid;
en ten derde de plechtigheid ervan. Sommigen zeggen daarom, dat er in deze plechtige
gelofte niet gedispenseerd kan worden om de zuiverheid zelf, waar geen gelijkwaardig
ding tegenover staat, zoals uit de aangehaalde tekst blijkt. Als reden ervan geven
sommigen op, dat de mens door de zuiverheid een vijand overwint, die hij als een huisgenoot
bij zich heeft; of dat de mens door de zuiverheid volmaakt gelijkvormig wordt met
Christus, wat reinheid van ziel en lichaam betreft. — Deze redenering schijnt echter
niet door te slaan. Want wat voor de ziel goed is, als beschouwing en gebed, is veel
beter dan wat voor het lichaam goed is en maakt ons meer aan God gelijk; en toch kan
men ontslaan worden van een gelofte om te bidden of te beschouwen. Daarom schijnt
de reden, waarom in de gelofte van zuiverheid niet gedispenseerd kan worden, niet
gevonden te worden, als men zonder meer op de waardigheid van de zuiverheid let. Vooral
ook, omdat de Apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (7, 34) tot de zuiverheid
aanspoort om de beschouwing; want hij zegt, dat « een ongehuwde vrouw denkt aan wat
op God betrekking heeft, » en het doel staat hoger dan wat ernaar leidt. Daarom zoeken
anderen de reden in de eeuwigheid en algemeenheid van deze gelofte. Want zij zeggen,
dat de gelofte van zuiverheid alleen door precies het tegenovergestelde te doen kan
te niet gedaan worden; en dat mag nooit bij een gelofte. — Maar dit is heel duidelijk
vals. Want zoals tegenover de zuiverheid de vleselijke gemeenschap staat, staat het
eten van vlees en drinken van wijn tegenover het zich hiervan onthouden; en toch kan
in dergelijke geloften worden gedispenseerd. Daarom beweren anderen, dat om iets,
wat voor het algemeen nuttig of noodzakelijk is, in de plechtige gelofte van zuiverheid
gedispenseerd kan worden, zoals uit het aangehaalde voorbeeld over het vredestichten
tussen landen door het sluiten van een huwelijk blijkt (vgl. 1e Bed.). Omdat echter
de aangehaalde Decretaal uitdrukkelijk zegt, dat zelfs de Paus aan een kloosterling
geen verlof kan geven om iets tegen het bewaren van de zuiverheid te doen, schijnt
men anders te moeten redeneren: en wel dat datgene wat eenmaal aan de Heer is gewijd,
zoals vroeger is gezegd (vorig Art.), en ook uit het Boek Leviticus (27, 9) blijkt,
niet meer voor een ander doel van bestemming kan worden veranderd. Nu kan een prelaat
van de Kerk niet maken, dat wat gewijd is de wijding verliest, zelfs niet bij dode
dingen, b. v. dat een geconsacreerde kelk ophoudt geconsacreerd te zijn, als die niet
gebroken wordt. Daarom kan een prelaat nog veel minder dit tot stand brengen, dat
een mens, die aan God is toegewijd, zolang hij leeft ophoudt aan God gewijd te zijn.
Nu bestaat zoals gezegd is (7e Art.), de plechtigheid van de gelofte in een zegening
of wijding van wie de gelofte aflegt. En daarom kan een prelaat van de Kerk niet maken,
dat wie een plechtige gelofte heeft gedaan, datgene mag verlaten, waartoe hij gewijd
is, b. v. dat hij, die priester is, geen priester meer is, al kan de prelaat hem om
een of andere reden de uitoefening van zijn ambt beletten. En om dezelfde reden kan
de Paus niet maken, dat wie de kloostergeloften heeft afgelegd geen kloosterling meer
is, al zeggen enige juristen uit onwetendheid iets anders. Men moet dus onderzoeken,
of de zuiverheid wezenlijk verbonden is met datgene, waarvoor de gelofte plechtig
wordt gemaakt; want als het daarmee niet wezenlijk verbonden is, kan de plechtige
toewijding blijven bestaan zonder de plicht van zuiverheid, wat niet zou kunnen gebeuren,
als zij wezenlijk met datgene verbonden is, waarvoor de gelofte plechtig wordt gemaakt.
Nu is de plicht van zuiverheid niet wezenlijk, maar krachtens kerkelijke bepaling
met de heilige wijding verbonden. En daarom schijnt de Kerk te kunnen ontslaan van
de gelofte van zuiverheid, die plechtig is geworden door het ontvangen van een heilige
wijding. — Maar de plicht van zuiverheid is wel wezenlijk verbonden met de religieuze
staat, waardoor de mens de wereld verzaakt en geheel voor het dienen van God wordt
bestemd; en dat is niet met het huwelijk te verenigen, omdat men daarin moet zorgen
voor vrouw en kinderen en huisgezin en de dingen die daartoe vereist worden. Daarom
zegt de Apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (7, 33) dat « wie een vrouw
heeft, zorg heeft voor wereldse dingen, hoe hij aan zijn vrouw zal behagen, en hij
is verdeeld. » Daarom komt de naam: monnik van: eenheid, in tegenstelling met bovengenoemde
verdeeldheid. Daarom kan door de Kerk in een gelofte, die door de religieuze professie
plechtig is gemaakt, niet gedispenseerd worden; en de reden hiervan geeft de Decretaal,
dat « de zuiverheid aan de kloosterregel verbonden is. »
Ad primum ergo dicendum quod periculis rerum humanarum est obviandum per res humanas,
non autem per hoc quod res divinae convertantur in usum humanum. Professi autem religionem
mortui sunt mundo et vivunt Deo. Unde non sunt revocandi ad vitam humanam occasione
cuiuscumque eventus. (IIa-IIae q. 88 a. 11 ad 1)
1 — De gevaren, die van de mensen komen, moet men bestrijden met menselijke middelen,
maar niet door dingen, die aan God toebehoren, voor menselijk gebruik te bestemmen.
Nu zijn zij, die in een kloosterorde hun professie hebben gedaan, dood voor de wereld
en leven voor God. Daarom moeten zij niet om welke reden ook tot het menselijk leven
worden teruggeroepen.
Ad secundum dicendum quod in voto temporalis continentiae dispensari potest, sicut
et in voto temporalis orationis vel temporalis abstinentiae. Sed quod in voto continentiae
per professionem solemnizato non possit dispensari, hoc non est inquantum est actus
castitatis, sed inquantum incipit ad latriam pertinere per professionem religionis. (IIa-IIae q. 88 a. 11 ad 2)
2 — In de gelofte van tijdelijke zuiverheid kan gedispenseerd worden, zoals in een gelofte
om voor een tijd lang te bidden of zich van spijzen te onthouden. Dat echter in een
gelofte van zuiverheid, die door de professie plechtig is gemaakt, niet gedispenseerd
kan worden, komt niet hiervan, dat het een daad van kuisheid is, maar omdat het door
de kloosterprofessie tot de godsverering is gaan behoren.
Ad tertium dicendum quod cibus directe ordinatur ad conservationem personae, et ideo
abstinentia cibi directe potest vergere in periculum personae. Unde ex hac ratione
recipit votum abstinentiae dispensationem. Sed coitus non ordinatur directe ad conservationem
personae, sed ad conservationem speciei. Unde nec directe abstinentia coitus per continentiam
vergit in periculum personae. Sed si per accidens ex ea aliquod periculum personale
accidat, potest aliter subveniri, scilicet per abstinentiam, vel alia corporalia remedia. (IIa-IIae q. 88 a. 11 ad 3)
3 — Spijs heeft als onmiddellijk doel het onderhouden van de eigen persoon; en daarom
kan het onthouden van spijs onmiddellijk gevaar voor de persoon meebrengen. Om deze
reden wordt er in de gelofte om te vasten gedispenseerd. De vleselijke gemeenschap
echter dient niet onmiddellijk voor het in stand houden van de persoon, maar van de
soort. Daarom brengt de onthouding van de geslachtelijke gemeenschap geen onmiddellijk
gevaar voor de persoon mee. Maar als er bij toeval een gevaar voor de persoon uit
voortkomt, kan dat op een andere manier verholpen worden, nl. door te vasten en door
andere lichamelijke middelen.
Ad quartum dicendum quod religiosus qui fit episcopus, sicut non absolvitur a voto
continentiae, ita nec a voto paupertatis, quia nihil debet habere tanquam proprium,
sed sicut dispensator communium bonorum Ecclesiae. Similiter etiam non absolvitur
a voto obedientiae, sed per accidens obedire non tenetur, si superiorem non habeat,
sicut et abbas monasterii, qui tamen non est a voto obedientiae absolutus. (IIa-IIae q. 88 a. 11 ad 4)
4 — Zoals een kloosterling, die bisschop wordt, niet van de gelofte van zuiverheid wordt
gedispenseerd, zo ook evenmin van die van armoede; want hij moet niets als zijn eigendom
bezitten, maar het is van hem als verdeler van de voor allen bestemde goederen der
Kerk. Evenmin wordt hij ook vrijgesteld van de gelofte van gehoorzaamheid, maar toevalligerwijze
behoeft hij niet te gehoorzamen, als hij geen overste heeft, zoals ook de abt van
een klooster, die ook niet van de gelofte van gehoorzaamheid wordt gedispenseerd.
De tekst uil het Boek Ecclesiasticus die als tegenargument werd aangehaald, moet men
hierop laten slaan, dat noch vruchtbaarheid naar het vlees, noch een ander lichamelijk
goed met de zuiverheid kan vergeleken worden, omdat deze onder de goederen van de
ziel wordt gerekend, zoals ook Augustinus zegt. Daarom wordt er uitdrukkelijk gesproken
van een zuivere ziel, niet van zuiver vlees.
Auctoritas vero Ecclesiastici quae in contrarium obiicitur, intelligenda est quantum
ad hoc quod nec fecunditas carnis, nec aliquod corporale bonum est comparandum continentiae,
quae inter bona animae computatur, ut Augustinus dicit, in libro de sancta virginitate.
Unde signanter dicitur, animae continentis, non, carnis continentis. (IIa-IIae q. 88 a. 11 ad 5)
Articulus 12. Is het gezag van een overste nodig om een gelofte te veranderen of erin te dispenseren?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod ad commutationem vel dispensationem voti
non requiratur praelati auctoritas. Aliquis enim potest intrare religionem absque
auctoritate alicuius superioris praelati. Sed per introitum religionis absolvitur
homo a votis in saeculo factis, etiam a voto terrae sanctae. Ergo voti commutatio
vel dispensatio potest esse absque auctoritate superioris praelati. (IIa-IIae q. 88 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er geen gezag van een overste voor vereist wordt om een gelofte te
veranderen of erin te dispenseren. Want men kan in een kloosterorde treden zonder
toestemming van een hogere prelaat. Nu wordt een mens door in het klooster te treden
van de in de wereld gedane geloften ontslagen, zelfs van die om naar het H. Land te
gaan. Dus kan er verandering of ontheffing van een gelofte plaats hebben buiten het
gezag van een hogere prelaat om.
Praeterea, dispensatio voti in hoc consistere videtur quod determinatur in quo casu
votum non sit observandum. Sed si praelatus male determinet, non videtur esse vovens
absolutus a voto, quia nullus praelatus potest dispensare contra praeceptum divinum
de implendo voto, ut dictum est. Similiter etiam si aliquis propria auctoritate recte
determinet in quo casu votum non sit implendum, non videtur voto teneri, quia votum
non obligat in casu in quo habet peiorem eventum, ut dictum est. Ergo dispensatio
voti non requirit auctoritatem alicuius praelati. (IIa-IIae q. 88 a. 12 arg. 2)
2 — Het ontslaan van een gelofte schijnt hierin te bestaan, dat wordt vastgesteld in welke
gevallen men een gelofte met behoeft te houden. Als nu een prelaat een verkeerde beslissing
neemt, schijnt hij, die een gelofte gedaan heeft, daarvan niet vrijgesteld te zijn
omdat geen enkele prelaat een vrijstelling kan geven tegen het goddelijke gebod om
de geloften te houden in, zoals gezegd is. (10e Art. 2e Antw.; vorig Art.). Evenzo
schijnt iemand, die op eigen gezag terecht zou uitmaken, in welk geval men een gelofte
niet behoeft te vervullen, van die gelofte ontslagen te zijn, omdat zoals gezegd is
(2e Art.) een gelofte niet verplicht in het geval, waarin zij een slechter gevolg
zou hebben. Dus is het gezag van een prelaat niet nodig om van een gelofte te ontslaan.
Praeterea, si dispensare in voto pertinet ad potestatem praelatorum, pari ratione
pertineret ad omnes. Sed non pertinet ad omnes dispensare in quolibet voto. Ergo non
pertinet ad potestatem praelatorum dispensatio voti. (IIa-IIae q. 88 a. 12 arg. 3)
3 — Als het ontslaan van een gelofte onder de macht van de prelaten viel, zou het aan
allen om gelijke redenen toekomen. Nu kunnen niet allen in alle geloften dispenseren.
Dus valt het ontslaan van een gelofte niet onder de macht van de prelaten.
Sed contra, sicut lex obligat ad aliquid faciendum, ita et votum. Sed ad dispensandum
in praecepto legis requiritur superioris auctoritas, ut supra dictum est. Ergo, pari
ratione, etiam in dispensatione voti. (IIa-IIae q. 88 a. 12 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de gelofte evenals de wet verplicht om iets te doen.
Nu is er, zoals vroeger gezegd is, (I-II 97e Kw. 4e Art.) de macht van een overheid
voor nodig om van een voorschrift van een wet te ontslaan. Dus om dezelfde reden ook
voor het ontslaan van een gelofte.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, votum est promissio Deo facta de
aliquo quod sit Deo acceptum. Quid sit autem in aliqua promissione acceptum ei cui
promittitur, ex eius pendet arbitrio. Praelatus autem in Ecclesia gerit vicem Dei.
Et ideo in commutatione vel dispensatione votorum requiritur praelati auctoritas,
quae in persona Dei determinat quid sit Deo acceptum, secundum illud II ad Cor. II,
nam et ego propter vos donavi in persona Christi. Et signanter dicit, propter vos,
quia omnis dispensatio petita a praelato debet fieri ad honorem Christi, in cuius
persona dispensat; vel ad utilitatem Ecclesiae, quae est eius corpus. (IIa-IIae q. 88 a. 12 co.)
Zoals vroeger is gezegd (2e Art.), is een gelofte een aan God gedane belofte over
iets, wat God aangenaam is. Wat echter in een belofte aangenaam is aan wie het beloofd
wordt, hangt van diens beslissing af. Nu neemt een prelaat in de Kerk, Gods plaats
in. En daarom is het gezag van een prelaat nodig voor het veranderen of het ontslaan
van een gelofte, omdat die dan in Gods naam beslist, wat aan God aangenaam is volgens
de Tweede Brief aan de Korinthiërs (2, 10): « Want ook ik heb om Uwentwil vergeven
in Christus’ naam. » En hij zegt uitdrukkelijk: om Uwentwil; omdat iedere van een
prelaat gevraagde vrijstelling moet geschieden tot eer van Christus, in Wiens naam
hij ontslaat; ofwel tot nut van de Kerk, die Zijn lichaam is.
Ad primum ergo dicendum quod omnia alia vota sunt quorundam particularium operum,
sed per religionem homo totam vitam suam Dei obsequio deputat. Particulare autem in
universali includitur. Et ideo decretalis dicit quod reus fracti voti non habetur
qui temporale obsequium in perpetuam religionis observantiam commutat. Nec tamen in
religionem ingrediens tenetur implere vota vel ieiuniorum vel orationum vel aliorum
huiusmodi, quae existens in saeculo fecit, quia religionem ingrediens moritur priori
vitae; et etiam singulares observantiae religioni non competunt; et religionis onus
satis hominem onerat, ut alia superaddere non oporteat. (IIa-IIae q. 88 a. 12 ad 1)
1 — Alle andere geloften gaan over bijzondere werken, maar door het kloosterleven bestemt
de mens geheel zijn leven voor het dienen van God. Nu is het bijzondere in het algemene
ingesloten. En daarom zegt een Decretaal, dat « wie het lijdelijk dienen in een voortdurend
onderhouden van een kloosterregel verandert, niet als schuldig aan het breken van
gelofte wordt beschouwd. » Toch behoeft wie in het klooster treedt, niet de geloften
over vasten en gebeden e. d., die hij in de wereld gedaan heeft, te houden; want wie
in het klooster treedt, sterft aan het vorige leven; en bij het kloosterleven past
het onderhouden van bijzondere dingen niet; en de last van het kloosterleven is voor
de mens al zwaar genoeg, zodat hij daar niet nog meer bij moet voegen.
Ad secundum dicendum quod quidam dixerunt quod praelati possunt in votis pro libito
dispensare, quia in quolibet voto includitur conditionaliter voluntas praelati superioris,
sicut supra dictum est quod in votis subditorum, puta servi vel filii, intelligitur
conditio, si placuerit patri vel domino, vel, si non renitantur. Et sic subditus absque
omni remorsu conscientiae posset votum praetermittere, quandocumque sibi a praelato
diceretur. Sed praedicta positio falso innititur. Quia cum potestas praelati spiritualis,
qui non est dominus sed dispensator, sit in aedificationem data, et non in destructionem,
ut patet II ad Cor. X; sicut praelatus non potest imperare ea quae secundum se Deo
displicent, scilicet peccata, ita non potest prohibere ea quae secundum se Deo placent,
scilicet virtutis opera. Et ideo absolute potest homo ea vovere. Ad praelatum tamen
pertinet diiudicare quid sit magis virtuosum et Deo magis acceptum. Et ideo in manifestis
dispensatio praelati non excusaret a culpa, puta si praelatus dispensaret cum aliquo
super voto de ingressu religionis, nulla apparenti causa obstante. Si autem esset
causa apparens, per quam saltem in dubium verteretur, posset stare iudicio praelati
dispensantis vel commutantis. Non tamen iudicio proprio, quia ipse non gerit vicem
Dei, nisi forte in casu in quo id quod vovit esset manifeste illicitum, et non posset
opportune ad superiorem recurrere. (IIa-IIae q. 88 a. 12 ad 2)
2 — Sommigen zeggen, dat prelaten naar believen in geloften kunnen dispenseren, omdat
in iedere gelofte de wil van de hogere prelaat als voorwaarde ligt opgesloten; zoals
vroeger is gezegd (8e Art.), dat men bij geloften van ondergeschikten, b. v. slaven
en kinderen, de voorwaarde moet denken: als de vader of de heer het goedvinden of
zich niet verzetten. En zo zou een onderdaan zonder gewetensangst een gelofte kunnen
breken, zo dikwijls hem dit door een prelaat werd gezegd. Maar deze bewering steunt
op een vergissing. Want omdat de macht van een geestelijken overste, die geen heer,
maar bestuurder is, « tot opbouw en niet tot afbraak is gegeven, » zoals blijkt uit
de Tweede Brief aan de Korinthiërs (10, 8), kan een prelaat, evenmin als hij kan voorschrijven,
wat op zichzelf God mishaagt, nl. zonden, ook niet beletten, wat op zichzelf God welgevallig
is, nl. daden van deugd. Dus kan een mens die zonder voorbehoud beloven. Maar een
prelaat heeft te beoordelen, wat deugdzamer en God aangenamer is. Daarom zou bij duidelijke
dingen een dispensatie van een prelaat niet van schuld vrijpleiten, als b. v. een
prelaat iemand zonder reden zou ontheffen van de gelofte om in het klooster te gaan.
Was er echter schijnbaar een reden, waardoor het minstens twijfelachtig werd, dan
kon men zich houden aan het oordeel van de prelaat, die verandert of dispenseert.
Maar niet naar eigen oordeel, omdat dit Gods plaats niet inneemt, tenzij in het geval,
dat men over iets, wat duidelijk ongeoorloofd is, een gelofte deed en er bezwaren
zouden zijn zich tot de overste te wenden.
Ad tertium dicendum quod quia summus pontifex gerit plenarie vicem Christi in tota
Ecclesia, ipse habet plenitudinem potestatis dispensandi in omnibus dispensabilibus
votis. Aliis autem inferioribus praelatis committitur dispensatio in votis quae communiter
fiunt et indigent frequenti dispensatione, ut habeant de facili homines ad quem recurrant,
sicut sunt vota peregrinationum et ieiuniorum et aliorum huiusmodi. Vota vero maiora,
puta continentiae et peregrinationis terrae sanctae, reservantur summo pontifici. (IIa-IIae q. 88 a. 12 ad 3)
3 — Omdat de Paus volledig Christus plaats bekleedt in geheel de Kerk, kan hij volledig
dispenseren in alle geloften, waarin dat mogelijk is. Maar aan lagere prelaten wordt
het dispenseren toevertrouwd in geloften, die gewoonlijk worden gedaan en waarin dikwijls
moet worden gedispenseerd, zodat de mensen gemakkelijk iemand vinden, tot wie zij
zich kunnen wenden, als bij geloften om te vasten of een pelgrimstocht te doen e.
d. Maar grotere geloften, als van zuiverheid en van een pelgrimstocht naar het H.
Land, zijn aan de Paus voorbehouden.