QuaestioArticulus

Secunda Secundae. Quaestio 57.
Over het recht .

Prooemium

Consequenter post prudentiam considerandum est de iustitia. Circa quam quadruplex consideratio occurrit, prima est de iustitia; secunda, de partibus eius; tertia, de dono ad hoc pertinente; quarta, de praeceptis ad iustitiam pertinentibus. Circa iustitiam vero consideranda sunt quatuor, primo quidem, de iure; secundo, de ipsa iustitia; tertio, de iniustitia; quarto, de iudicio. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum ius sit obiectum iustitiae. Secundo, utrum ius convenienter dividatur in ius naturale et positivum. Tertio, utrum ius gentium sit ius naturale. Quarto, utrum ius dominativum et paternum debeat specialiter distingui. (IIa-IIae q. 57 pr.)

Na te hebben gehandeld over de verstandigheid, moeten wij gaan spreken over de rechtvaardigheid. Daaromtrent doet een viervoudige beschouwing zich voor. Een eerste, over de rechtvaardigheid; een tweede, over de delen ervan; een derde, over de gave die ermee overeenstemt; een vierde, over de voorschriften aangaande de rechtvaardigheid. Met betrekking tot de rechtvaardigheid moeten vier punten in acht genomen worden: ten eerste, het recht; ten tweede, de rechtvaardigheid zelf; ten derde, de onrechtvaardigheid; ten vierde, het oordeel. Omtrent het eerste punt worden vier vragen gesteld: 1. Is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid? 2. Is het passend het recht te verdelen in natuurrecht en positief recht? 3. Is volkenrecht hetzelfde als natuurrecht? 4. Moet men nog een speciaal onderscheid maken tussen het recht van de heer en dat van de vader?

Articulus 1.
Is het recht het voorwerp van de rechtvaardigheid?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod ius non sit obiectum iustitiae. Dicit enim celsus iurisconsultus quod ius est ars boni et aequi. Ars autem non est obiectum iustitiae, sed est per se virtus intellectualis. Ergo ius non est obiectum iustitiae. (IIa-IIae q. 57 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid is. — 1. Immers, de Jurisconsult Celsus zegt dat « recht de kunst van het goede en het billijke is ». Kunst nu is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar op zichzelf een verstandsdeugd. Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Praeterea, lex, sicut Isidorus dicit, in libro Etymol., iuris est species. Lex autem non est obiectum iustitiae, sed magis prudentiae, unde et philosophus legispositivam partem prudentiae ponit. Ergo ius non est obiectum iustitiae. (IIa-IIae q. 57 a. 1 arg. 2)

2 — Zoals Isidorus zegt, « is de wet een soort recht ». Welnu, de wet is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar veeleer van de verstandigheid: daarom wordt door de Wijsgeer het uitvaardigen van wetten bij de verstandigheid ondergebracht. Dus is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Praeterea, iustitia principaliter subiicit hominem Deo, dicit enim Augustinus, libro de moribus Eccles., quod iustitia est amor Deo tantum serviens, et ob hoc bene imperans ceteris, quae homini subiecta sunt. Sed ius non pertinet ad divina, sed solum ad humana, dicit enim Isidorus, in libro Etymol., quod fas lex divina est, ius autem lex humana. Ergo ius non est obiectum iustitiae. (IIa-IIae q. 57 a. 1 arg. 3)

3 — De rechtvaardigheid doet de mens voornamelijk aan God onderworpen zijn. Augustinus immers zegt dat « de rechtvaardigheid liefde is die alleen God dient en daarom terecht beveelt aan de andere schepselen die de mens onderworpen zijn ». Welnu, recht heeft geen betrekking op goddelijke dingen, doch enkel op menselijke: want Isidorus zegt: «Het behoorlijke is goddelijke wet, het gerechtige daarentegen is menselijke wet». Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in eodem, quod ius dictum est quia est iustum. Sed iustum est obiectum iustitiae, dicit enim philosophus, in V Ethic., quod omnes talem habitum volunt dicere iustitiam a quo operativi iustorum sunt. Ergo ius est obiectum iustitiae. (IIa-IIae q. 57 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Isidorus zegt: «Iets wordt recht genoemd omdat het rechtvaardig is». Het rechtvaardige nu is voorwerp van de rechtvaardigheid: want de wijsgeer zegt «dat allen die hebbelijkheid, waaruit de dadigheid der rechtvaardigen ontstaat, rechtvaardigheid willen noemen». Dus is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Respondeo dicendum quod iustitiae proprium est inter alias virtutes ut ordinet hominem in his quae sunt ad alterum. Importat enim aequalitatem quandam, ut ipsum nomen demonstrat, dicuntur enim vulgariter ea quae adaequantur iustari. Aequalitas autem ad alterum est. Aliae autem virtutes perficiunt hominem solum in his quae ei conveniunt secundum seipsum. Sic igitur illud quod est rectum in operibus aliarum virtutum, ad quod tendit intentio virtutis quasi in proprium obiectum, non accipitur nisi per comparationem ad agentem. Rectum vero quod est in opere iustitiae, etiam praeter comparationem ad agentem, constituitur per comparationem ad alium, illud enim in opere nostro dicitur esse iustum quod respondet secundum aliquam aequalitatem alteri, puta recompensatio mercedis debitae pro servitio impenso. Sic igitur iustum dicitur aliquid, quasi habens rectitudinem iustitiae, ad quod terminatur actio iustitiae, etiam non considerato qualiter ab agente fiat. Sed in aliis virtutibus non determinatur aliquid rectum nisi secundum quod aliqualiter fit ab agente. Et propter hoc specialiter iustitiae prae aliis virtutibus determinatur secundum se obiectum, quod vocatur iustum. Et hoc quidem est ius. Unde manifestum est quod ius est obiectum iustitiae. (IIa-IIae q. 57 a. 1 co.)

Onder de andere deugden bestaat het eigene van de rechtvaardigheid hierin, dat zij de mens in die dingen ordent, die betrekking hebben op een ander. Want zoals de naam zelf aantoont, sluit zij een zekere gelijkheid in. Immers, het gelijk maken van dingen heet in het gewone spraakgebruik «rechtmaken» (justari). Gelijkheid nu zegt betrekking tot iets anders. De andere deugden echter vervolmaken de mens alleen in datgene wat hem past, met betrekking tot zichzelf. Zo wordt dan datgene wat gerechtig is in de daden der andere deugden — datgene waarheen de bedoeling der deugd gericht staat als naar haar eigen voorwerp —, enkel met betrekking tot de handelende persoon verstaan. Het gerechtige echter, in een daad van rechtvaardigheid, wordt in zijn aard bepaald door zijn verhouding tot een ander, ook buiten de betrekking tot de handelende persoon. Want datgene wat in onze daad beantwoordt aan iets anders, volgens een zekere gelijkheid, wordt gerechtig genoemd: b.v. de vergoeding van verschuldigd loon voor een bewezen dienst. Zo wordt dan iets gerechtig genoemd, als had het de behoorlijkheid van de rechtvaardigheid, waarop de rechtvaardige daad gericht is, ook ongeacht hoe zij door de handelende persoon wordt gesteld. Bij de andere deugden wordt niets als gerechtig gekenmerkt, tenzij voor zover het enigszins van de handelende persoon uitgaat. En hierom wordt, buiten de andere deugden, bijzonder aan de rechtvaardigheid een voorwerp bepaaldelijk toegekend, dat het gerechtige heet. En dit juist is het recht. Vandaar is recht klaarblijkelijk het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Ad primum ergo dicendum quod consuetum est quod nomina a sui prima impositione detorqueantur ad alia significanda, sicut nomen medicinae impositum est primo ad significandum remedium quod praestatur infirmo ad sanandum, deinde tractum est ad significandum artem qua hoc fit. Ita etiam hoc nomen ius primo impositum est ad significandum ipsam rem iustam; postmodum autem derivatum est ad artem qua cognoscitur quid sit iustum; et ulterius ad significandum locum in quo ius redditur, sicut dicitur aliquis comparere in iure; et ulterius dicitur etiam ius quod redditur ab eo ad cuius officium pertinet iustitiam facere, licet etiam id quod decernit sit iniquum. (IIa-IIae q. 57 a. 1 ad 1)

1 — Het komt veel voor dat aan woorden hun eerste betekenis wordt ontrukt om iets anders te beduiden: zoals het woord « medicina » (geneesmiddel) aanvankelijk werd aangewend om het middel te beduiden, dat ter genezing aan een zieke wordt toegediend, om dan later te worden gebruikt als benaming voor de kunst, waardoor dit geschiedt. Zo ook werd het woord « jus » (recht) aanvankelijk aangewend ter beduiding van de gerechtige zaak zelf, terwijl het later werd overgebracht op de kunst waardoor men weet wat recht is; en nog later om de plaats aan te duiden waar recht wordt gedaan, zoals men zegt, dat iemand voor het gerecht verschijnt; en ten slotte noemt men ook recht datgene wat hij doet, wiens ambt het is recht te doen, ook dan wanneer het door hem besliste onrechtvaardig is.

Ad secundum dicendum quod sicut eorum quae per artem exterius fiunt quaedam ratio in mente artificis praeexistit, quae dicitur regula artis; ita etiam illius operis iusti quod ratio determinat quaedam ratio praeexistit in mente, quasi quaedam prudentiae regula. Et hoc si in scriptum redigatur, vocatur lex, est enim lex, secundum Isidorum, constitutio scripta. Et ideo lex non est ipsum ius, proprie loquendo, sed aliqualis ratio iuris. (IIa-IIae q. 57 a. 1 ad 2)

2 — Evenals in het brein van de kunstenaar, voor al wat door de kunst naar buiten wordt gemaakt, een plan bestaat, dat dan regel van de kunst heet, evenzo bestaat er voor die gerechte daad die door de rede wordt bepaald, van tevoren een plan in de geest, als 't ware de regel van de verstandigheid. En wanneer dit op schrift wordt gesteld, wordt het wet genoemd: immers, volgens Isidorus is de wet een « schriftelijke bepaling ». En daarom is de wet, eigenlijk gesproken, niet het recht zelf, maar een plan ervan.

Ad tertium dicendum quod quia iustitia aequalitatem importat, Deo autem non possumus aequivalens recompensare, inde est quod iustum, secundum perfectam rationem, non possumus reddere Deo. Et propter hoc non dicitur proprie ius lex divina, sed fas, quia videlicet sufficit Deo ut impleamus quod possumus. Iustitia tamen ad hoc tendit ut homo, quantum potest, Deo recompenset, totaliter animam ei subiiciens. (IIa-IIae q. 57 a. 1 ad 3)

3 — Daar rechtvaardigheid gelijkheid insluit, en wij aan God niets op gelijkwaardige wijze kunnen vergelden, daarom is het dat wij aan God geen recht geven kunnen in de volmaakte zin van het woord. En hierom wordt de goddelijke wet niet recht genoemd in eigenlijke zin, maar behoorlijk, daar het voor God volstaat dat wij volbrengen wat wij kunnen. Toch streeft de rechtvaardigheid ernaar dat de mens, voor zover hem dat mogelijk is, aan God vergelding zou geven, door zijn ziel helemaal aan Hem te onderwerpen.

Articulus 2.
Is het passend het recht te verdelen in natuurrecht en positief recht?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod ius non convenienter dividatur in ius naturale et ius positivum. Illud enim quod est naturale est immutabile, et idem apud omnes. Non autem invenitur in rebus humanis aliquid tale, quia omnes regulae iuris humani in aliquibus casibus deficiunt, nec habent suam virtutem ubique. Ergo non est aliquod ius naturale. (IIa-IIae q. 57 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat het recht niet op gepaste wijze wordt verdeeld in natuurrecht en positief recht. — 1. Immers, wat behoort tot de natuur is onveranderlijk en bij allen hetzelfde. Zo iets treft men nu niet aan in menselijke aangelegenheden: want alle regels van het menselijk recht zijn in sommige omstandigheden ontoereikend, en zijn niet altijd van kracht. Derhalve is er geen natuurrecht.

Praeterea, illud dicitur esse positivum quod ex voluntate humana procedit. Sed non ideo aliquid est iustum quia a voluntate humana procedit, alioquin voluntas hominis iniusta esse non posset. Ergo, cum iustum sit idem quod ius, videtur quod nullum sit ius positivum. (IIa-IIae q. 57 a. 2 arg. 2)

2 — Datgene wordt positief genoemd, wat van de menselijke wil uitgaat. Welnu, iets is niet gerecht, omdat het uitgaat van de menselijke wil: anders zou de wil van de mens niet ongerecht kunnen zijn. Dus, daar het gerechte hetzelfde is als recht, schijnt het wel dat er geen positief recht bestaat.

Praeterea, ius divinum non est ius naturale, cum excedat naturam humanam. Similiter etiam non est ius positivum, quia non innititur auctoritati humanae, sed auctoritati divinae. Ergo inconvenienter dividitur ius per naturale et positivum. (IIa-IIae q. 57 a. 2 arg. 3)

3 — Het goddelijk recht is geen natuurrecht, omdat het de natuur van de mens te boven gaat. Het is evenmin positief recht, daar het niet op menselijk maar op goddelijk gezag steunt. Derhalve is de verdeling van het recht in natuurrecht en positief recht niet passend.

Sed contra est quod philosophus dicit, in V Ethic., quod politici iusti hoc quidem naturale est, hoc autem legale, idest lege positum. (IIa-IIae q. 57 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt: « In het politisch recht is dit natuurlijk en dat wettelijk, d.w.z. door de wet vastgesteld ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, ius, sive iustum, est aliquod opus adaequatum alteri secundum aliquem aequalitatis modum. Dupliciter autem potest alicui homini aliquid esse adaequatum. Uno quidem modo, ex ipsa natura rei, puta cum aliquis tantum dat ut tantundem recipiat. Et hoc vocatur ius naturale. Alio modo aliquid est adaequatum vel commensuratum alteri ex condicto, sive ex communi placito, quando scilicet aliquis reputat se contentum si tantum accipiat. Quod quidem potest fieri dupliciter. Uno modo, per aliquod privatum condictum, sicut quod firmatur aliquo pacto inter privatas personas. Alio modo, ex condicto publico, puta cum totus populus consentit quod aliquid habeatur quasi adaequatum et commensuratum alteri; vel cum hoc ordinat princeps, qui curam populi habet et eius personam gerit. Et hoc dicitur ius positivum. (IIa-IIae q. 57 a. 2 co.)

Zoals gezegd werd (vorig Art.), is recht of het gerechte een werk dat evenredigheid teweegbrengt met betrekking tot iemand, naar een bepaalde wijze van gelijkheid. Met betrekking tot een mens kan iets op tweevoudige wijze geëvenredigd zijn: ofwel krachtens de natuur der zaak zelf, b.v. wanneer iemand zoveel geeft om evenzoveel terug te ontvangen. Dit nu wordt natuurrecht genoemd. Ofwel is iets geëvenredigd of juist toegemeten met betrekking tot iemand, krachtens afspraak of gemeenschappelijke overeenkomst; b.v. wanneer iemand ermee tevreden is wanneer hij zoveel ontvangt. Dit nu kan op twee manieren geschieden: ten eerste, door private afspraak, zoals tussen private personen iets wordt vastgesteld door overeenkomst. Ten tweede, door publieke afspraak, b.v. wanneer heel een volk ermee instemt iets voor geëvenredigd of juist toegemeten te houden met betrekking tot iets anders; ofwel wanneer de vorst, die met de zorg voor het volk is belast en het persoonlijk vertegenwoordigt, zoiets verordent. En dit wordt positief recht genoemd.

Ad primum ergo dicendum quod illud quod est naturale habenti naturam immutabilem, oportet quod sit semper et ubique tale. Natura autem hominis est mutabilis. Et ideo id quod naturale est homini potest aliquando deficere. Sicut naturalem aequalitatem habet ut deponenti depositum reddatur, et si ita esset quod natura humana semper esset recta, hoc esset semper servandum. Sed quia quandoque contingit quod voluntas hominis depravatur, est aliquis casus in quo depositum non est reddendum, ne homo perversam voluntatem habens male eo utatur, ut puta si furiosus vel hostis reipublicae arma deposita reposcat. (IIa-IIae q. 57 a. 2 ad 1)

1 — Datgene wat voor een onveranderlijke natuur natuurlijk is, moet altijd en overal hetzelfde zijn. De natuur van de mens echter is veranderlijk. En daarom kan datgene wat voor de mens natuurlijk is soms in gebreke blijven. Zo bestaat er in hem een natuurlijke evenredigheid om het ter bewaring gegeven aan de bewaargever terug te geven; en in het geval dat de menselijke natuur altijd rechtgeaard zou zijn, moest dit ook altijd worden in acht genomen. Daar het echter soms voorkomt, dat de menselijke wil naar het verderfelijke afwijkt, doet het geval zich voor dat het ter bewaring gegevene niet moet worden weergegeven, opdat de mens wiens wil verdorven is, het niet zou misbruiken: zoals b.v. wanneer een razende of een staatsvijand de wapens, die hij ter bewaring gaf, teruggeeft.

Ad secundum dicendum quod voluntas humana ex communi condicto potest aliquid facere iustum in his quae secundum se non habent aliquam repugnantiam ad naturalem iustitiam. Et in his habet locum ius positivum. Unde philosophus dicit, in V Ethic., quod legale iustum est quod ex principio quidem nihil differt sic vel aliter, quando autem ponitur, differt. Sed si aliquid de se repugnantiam habeat ad ius naturale, non potest voluntate humana fieri iustum, puta si statuatur quod liceat furari vel adulterium committere. Unde dicitur Isaiae X, vae qui condunt leges iniquas. (IIa-IIae q. 57 a. 2 ad 2)

2 — In zaken, die uiteraard niet strijdig zijn met de natuurlijke rechtvaardigheid, kan de menselijke wil, krachtens gemeenschappelijke afspraak, iets rechtvaardigs doen. En hierin krijgt het positief recht zijn plaats. Daarom zegt de Wijsgeer dat het wettenrecht: « datgene is wat in zich niet insluit dat iets zo of anders wordt gedaan, wel echter wanneer het werd vastgesteld ». Wanneer echter iets uiteraard strijdig is met het natuurrecht, kan het door de menselijke wil niet tot iets rechtvaardigs worden gemaakt: b.v. indien zou worden vastgesteld dat stelen of overspel bedrijven geoorloofd is. Daarom wordt bij Isaïas (10. 1) gezegd: « Wee hen, die onrechtvaardige wetten maken ».

Ad tertium dicendum quod ius divinum dicitur quod divinitus promulgatur. Et hoc quidem partim est de his quae sunt naturaliter iusta, sed tamen eorum iustitia homines latet, partim autem est de his quae fiunt iusta institutione divina. Unde etiam ius divinum per haec duo distingui potest, sicut et ius humanum. Sunt enim in lege divina quaedam praecepta quia bona, et prohibita quia mala, quaedam vero bona quia praecepta, et mala quia prohibita. (IIa-IIae q. 57 a. 2 ad 3)

3 — Wat door God wordt afgekondigd wordt goddelijk recht genoemd. En dit slaat gedeeltelijk op de dingen die van nature uit rechtvaardig zijn, maar waarvan de rechtvaardigheid voor de mensen verborgen blijft; gedeeltelijk echter op die dingen die rechtvaardig worden uit kracht van hun goddelijke instelling. Vandaar kan ook het goddelijk recht, evenals het menselijk recht, in die twee soorten worden onderscheiden. Immers, in de goddelijke wet zijn sommige dingen voorgeschreven omdat zij goed zijn, en verboden omdat zij slecht zijn; andere echter zijn goed omdat zij voorgeschreven, en kwaad omdat zij verboden zijn.

Articulus 4.
Moet een speciaal onderscheid gemaakt worden tussen het recht van de vader en dat van de heer?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non debeat specialiter distingui ius paternum et dominativum. Ad iustitiam enim pertinet reddere unicuique quod suum est; ut dicit Ambrosius, in I de officiis. Sed ius est obiectum iustitiae, sicut dictum est. Ergo ius ad unumquemque aequaliter pertinet. Et sic non debet distingui specialiter ius patris et domini. (IIa-IIae q. 57 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat het recht van de vader niet op speciale wijze moet worden onderscheiden van dat van de heer. — 1. Zoals Ambrosius zegt, komt het aan de rechtvaardigheid toe «aan iedere het zijne te geven». Welnu, het recht is voorwerp van de rechtvaardigheid, zoals gezegd is (1° Art.). Derhalve staat het recht in gelijke verhouding tot eenieder. En zo moet men niet op speciale wijze het recht van de vader en dat van de heer onderscheiden.

Praeterea, ratio iusti est lex, ut dictum est. Sed lex respicit commune bonum civitatis et regni, ut supra habitum est, non autem respicit bonum privatum unius personae, aut etiam unius familiae. Non ergo debet esse aliquod speciale ius vel iustum dominativum vel paternum, cum dominus et pater pertineant ad domum, ut dicitur in I Polit. (IIa-IIae q. 57 a. 4 arg. 2)

2 — De regel van het rechtvaardige is de wet, zoals gezegd is (1° Art. 2° Antw.). Welnu, de wet beoogt het algemeen welzijn van de gemeenschap en van het rijk, zoals vroeger gezegd werd (I. II. 90° Kw. 2° Art.); niet echter het private welzijn van een persoon of zelfs van een familie. Derhalve moet er geen speciaal recht van heer en vader bestaan, daar heer en vader betrekking hebben tot het gezin, zoals in de Politica wordt gezegd.

Praeterea, multae aliae sunt differentiae graduum in hominibus, ut puta quod quidam sunt milites, quidam sacerdotes, quidam principes. Ergo ad eos debet aliquod speciale iustum determinari. (IIa-IIae q. 57 a. 4 arg. 3)

3 — Onder de mensen bestaan nog veel andere graadverschillen: zo zijn sommigen soldaten, anderen priesters, weer anderen vorsten. Dus moet ook voor iedere van hen een bijzonder recht worden bepaald.

Sed contra est quod philosophus, in V Ethic., specialiter a iusto politico distinguit dominativum et paternum, et alia huiusmodi. (IIa-IIae q. 57 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer het recht van de vader, het recht van de meester en dergelijke, van het landsrecht onderscheidt.

Respondeo dicendum quod ius, sive iustum dicitur per commensurationem ad alterum. Alterum autem potest dici dupliciter. Uno modo, quod simpliciter est alterum, sicut quod est omnino distinctum, sicut apparet in duobus hominibus quorum unus non est sub altero, sed ambo sunt sub uno principe civitatis. Et inter tales, secundum philosophum, in V Ethic., est simpliciter iustum. Alio modo dicitur aliquid alterum non simpliciter, sed quasi aliquid eius existens. Et hoc modo in rebus humanis filius est aliquid patris, quia quodammodo est pars eius, ut dicitur in VIII Ethic.; et servus est aliquid domini, quia est instrumentum eius, ut dicitur in I Polit. Et ideo patris ad filium non est comparatio sicut ad simpliciter alterum, et propter hoc non est ibi simpliciter iustum, sed quoddam iustum, scilicet paternum. Et eadem ratione nec inter dominum et servum, sed est inter eos dominativum iustum. Uxor autem, quamvis sit aliquid viri, quia comparatur ad eam sicut ad proprium corpus, ut patet per apostolum, ad Ephes. V; tamen magis distinguitur a viro quam filius a patre vel servus a domino, assumitur enim in quandam socialem vitam matrimonii. Et ideo, ut philosophus dicit, inter virum et uxorem plus est de ratione iusti quam inter patrem et filium, vel dominum et servum. Quia tamen vir et uxor habent immediatam relationem ad domesticam communitatem, ut patet in I Polit.; ideo inter eos non est etiam simpliciter politicum iustum, sed magis iustum oeconomicum. (IIa-IIae q. 57 a. 4 co.)

Recht of het rechtvaardige noemt men datgene wat evenredig is aan een ander. « Ander » nu kan op twee manieren worden verstaan: ofwel, als « ander » zonder meer, als iets wat helemaal onderscheiden is: zoals blijkt bij twee mensen waarvan de een niet ondergeschikt is aan de ander, maar beiden aan het ene opperhoofd van de gemeenschap. Tussen dezulken bestaat recht zonder meer, volgens de Wijsgeer. Ofwel wordt iets niet zonder meer « ander » genoemd, maar als 't ware een deel van iets. Op die wijze is de zoon, met betrekking tot menselijke aangelegenheden, iets van de vader, omdat hij op enigerlei wijze een deel van hem is zoals in de Ethica gezegd wordt; en de slaaf is iets van de meester, daar hij zijn werktuig is, zoals gezegd wordt in de Politica. Daarom verhoudt de vader zich niet tot de zoon als tot iets « anders » zonder meer, en hierom bestaat daar ook geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een zekere rechtvaardigheid, nl. het vaderlijk recht. En om dezelfde reden ook niet tussen heer en slaaf: maar tussen hen bestaat er dominatief recht. Ofschoon nu de vrouw iets van de man is, daar hij zich tot haar verhoudt als tot zijn eigen lichaam, zoals blijkt bij de Apostel in de Brief aan de Ephesiërs (5. 28), toch is zij meer onderscheiden van de man, dan de zoon van de vader of de slaaf van de meester: want zij werd opgenomen in het sociale leven van het huwelijk. En hierom is er, zoals de Wijsgeer zegt in de Politica, meer recht in eigenlijke zin tussen man en vrouw, dan wel tussen vader en zoon of tussen heer en slaaf. Omdat echter man en vrouw zich onmiddellijk verhouden tot de huiselijke gemeenschap, zoals blijkt uit de Politica, bestaat er tussen hen ook geen politiek recht zonder meer, maar eerder gezinsrecht.

Ad primum ergo dicendum quod ad iustitiam pertinet reddere ius suum unicuique, supposita tamen diversitate unius ad alterum, si quis enim sibi det quod sibi debetur, non proprie vocatur hoc iustum. Et quia quod est filii est patris, et quod est servi est domini, ideo non est proprie iustitia patris ad filium, vel domini ad servum. (IIa-IIae q. 57 a. 4 ad 1)

1 — Het komt aan de rechtvaardigheid toe ieder het zijne te geven, in de veronderstelling dat de een van de ander onderscheiden is. Want indien iemand aan zichzelf geeft wat hem toekomt, wordt dit niet in eigenlijke zin rechtvaardig genoemd. En aangezien datgene wat van de zoon is, van de vader, en wat van de slaaf, van de meester is, bestaat er geen eigenlijke rechtvaardigheid van vader tot zoon en van heer tot slaaf.

Ad secundum dicendum quod filius, inquantum filius, est aliquid patris; et similiter servus, inquantum servus, est aliquid domini. Uterque tamen prout consideratur ut quidam homo, est aliquid secundum se subsistens ab aliis distinctum. Et ideo inquantum uterque est homo, aliquo modo ad eos est iustitia. Et propter hoc etiam aliquae leges dantur de his quae sunt patris ad filium, vel domini ad servum. Sed inquantum uterque est aliquid alterius, secundum hoc deficit ibi perfecta ratio iusti vel iuris. (IIa-IIae q. 57 a. 4 ad 2)

2 — De zoon, als zoon, is iets van de vader, en de slaaf, als slaaf, iets van de meester. Voor zover beiden echter beschouwd worden als mens, zijn zij iets op zichzelf bestaands, van anderen onderscheiden. En bijgevolg, voor zover beiden mens zijn, bestaat er tegenover hen een zekere rechtvaardigheid. En hierom bestaan er ook sommige wetten met betrekking tot de verhoudingen van vader tot zoon en van heer tot slaaf. Maar voor zover beiden iets van de ander zijn, in zover ontbreekt hier het volmaakte begrip van recht of rechtvaardigheid.

Ad tertium dicendum quod omnes aliae diversitates personarum quae sunt in civitate, habent immediatam relationem ad communitatem civitatis et ad principem ipsius. Et ideo ad eos est iustum secundum perfectam rationem iustitiae. Distinguitur tamen istud iustum secundum diversa officia. Unde et dicitur ius militare vel ius magistratuum aut sacerdotum, non propter defectum a simpliciter iusto, sicut dicitur ius paternum et dominativum, sed propter hoc quod unicuique conditioni personae secundum proprium officium aliquid proprium debetur. (IIa-IIae q. 57 a. 4 ad 3)

3 — Alle andere verschillen tussen personen die in de staat zijn, staan in onmiddellijk verband met de staatsgemeenschap en met haar opperhoofd. En daarom bestaat er met betrekking tot hen recht overeenkomstig het volmaakte begrip van rechtvaardigheid. Toch wordt echter dit recht onderscheiden overeenkomstig de onderscheiden ambten. En daarom spreekt men van soldatenrecht, magistratenrecht en priesterrecht, niet omdat zij afwijken van het recht zonder meer, zoals het vaderrecht en het meesterrecht, maar omdat men aan iedere persoon, overeenkomstig zijn eigen ambt, iets bijzonders verschuldigd is.