QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 82.
Over de bedienaar van dit Sacrament .

Prooemium

Deinde considerandum est de ministro huius sacramenti. Et circa hoc quaeruntur decem. Primo, utrum consecrare hoc sacramentum sit proprium sacerdotis. Secundo, utrum plures sacerdotes simul possent eandem hostiam consecrare. Tertio, utrum dispensatio huius sacramenti pertineat ad solum sacerdotem. Quarto, utrum liceat sacerdoti consecranti a communione abstinere. Quinto, utrum liceat sacerdoti omnino a celebratione abstinere. Sexto, utrum sacerdos peccator possit conficere hoc sacramentum. Septimo, utrum Missa mali sacerdotis minus valeat quam boni. Octavo, utrum haeretici, schismatici vel excommunicati possint conficere hoc sacramentum. Nono, utrum degradati. Decimo, utrum peccent a talibus communionem recipientes. (IIIa q. 82 pr.)

Vervolgens moet gesproken worden over de bedienaar van dit Sacrament. Daaromtrent stellen wij tien vragen. 1. Is het consacreren van dit Sacrament eigen aan de priester? 2. Kunnen verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren? 3. Komt het toedienen van dit Sacrament alleen aan de priester toe? 4. Mag de priester, die consecreert, zich van de communie onthouden? 5. Kan een zondig priester dit Sacrament tot stand brengen? 6. Heeft de mis van een slecht priester minder waarde dan die van een goed priester? 7. Kunnen ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament tot stand brengen? 8. Kunnen gedegradeerde priesters het? 9. Zondigen zij, die van dergelijke mensen de communie ontvangen? 10. Mag de priester zich geheel onthouden van het consacreren der Eucharistie?

Articulus 1.
Is de consecratie van dit Sacrament eigen aan den priester?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod consecratio huius sacramenti non proprie sit sacerdotis. Dictum est enim supra quod hoc sacramentum consecratur virtute verborum quae sunt forma huius sacramenti. Sed illa verba non mutantur sive dicantur a sacerdote sive a quocumque alio. Ergo videtur quod non solus sacerdos, sed etiam quilibet alius possit hoc sacramentum consecrare. (IIIa q. 82 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de consecratie van dit Sacrament niet eigen is aan de priester. Boven (78e Kw. 4e Art.) toch is gezegd, dat dit Sacrament geconsacreerd wordt door de kracht van de woorden, die de vorm zijn van dit Sacrament. Maar aan deze woorden verandert niets of zij gezegd worden door een priester of door een ander. Daarom schijnt niet alleen een priester maar ook iedere ander dit Sacrament te kunnen consacreren.

Praeterea, sacerdos hoc sacramentum conficit in persona Christi. Sed laicus sanctus est unitus Christo per caritatem. Ergo videtur quod etiam laicus possit hoc sacramentum conficere. Unde et Chrysostomus dicit, super Matth., quod omnis sanctus est sacerdos. (IIIa q. 82 a. 1 arg. 2)

2 — De priester brengt dit sacrament tot stand in de persoon van Christus. Maar een heilige leek is met Christus verbonden door de liefde. Dus kan ook een leek dit sacrament tot stand brengen. Vandaar dan ook zegt Chrysostomus: « Elke heilige is priester ».

Praeterea, sicut Baptismus ordinatur ad hominum salutem, ita et hoc sacramentum, ut ex supra dictis patet. Sed etiam laicus potest baptizare, ut supra habitum est. Ergo non est proprium sacerdotis conficere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 1 arg. 3)

3 — Evenals het doopsel gericht is op het heil van de mensen, zo ook dit sacrament, wat blijkt uit hetgeen boven (74° Kw. 1° Art.; 79° Kw. 2° Art.) gezegd werd. Maar dopen kan ook een leek, zoals vroeger (67° Kw. 3° Art.) geleerd werd. Dus is het niet alleen de priester, die dit sacrament tot stand kan brengen.

Praeterea, hoc sacramentum perficitur in consecratione materiae. Sed alias materias consecrare, scilicet chrisma et oleum sanctum et oleum benedictum, pertinet ad solum episcopum, quarum tamen consecratio non est tantae dignitatis sicut consecratio Eucharistiae, in qua est totus Christus. Ergo non est proprium sacerdotis, sed solius episcopi, hoc sacramentum conficere. (IIIa q. 82 a. 1 arg. 4)

4 — Dit Sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof. Nu komt de consecratie van andere stoffen, zoals van chrisma, heilige olie en gewijde olie, uitsluitend toe aan de bisschop en is toch niet van zoveel waarde als de consecratie van de Eucharistie, waarin de hele Christus vervat is. Dus is het niet eigen aan de priester, maar alleen aan de bisschop dit Sacrament tot stand te brengen.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in quadam epistola, et habetur in decretis, dist. XXV, ad presbyterum pertinet sacramentum corporis et sanguinis domini in altari Dei conficere. (IIIa q. 82 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Isidorus zegt en wat ook een Decretaal leert: « Het tot stand brengen van het Sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren behoort aan de priester ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, hoc sacramentum tantae est dignitatis quod non conficitur nisi in persona Christi. Quicumque autem aliquid agit in persona alterius, oportet hoc fieri per potestatem ab illo concessam. Sicut autem baptizato conceditur a Christo potestas sumendi hoc sacramentum, ita sacerdoti, cum ordinatur, confertur potestas hoc sacramentum consecrandi in persona Christi, per hoc enim ponitur in gradu eorum quibus dictum est a domino, hoc facite in meam commemorationem. Et ideo dicendum est quod proprium est sacerdotum conficere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 1 co.)

Gelijk boven (78° Kw. 1° en 4° Art.) gezegd is, is dit Sacrament zo verheven, dat het niet tot stand gebracht wordt, tenzij in de persoon van Christus. Wie echter iets doet in de persoon van een ander, kan het alleen door de volmacht, welke die andere hem geschonken heeft. Evenals nu een gedoopte van Christus de macht krijgt dit Sacrament te ontvangen, zo wordt aan de priester bij zijn wijding de macht verleend om dit Sacrament in de persoon van Christus te consacreren. Door de wijding immers wordt hij opgenomen onder het getal van hen, tot wie Christus sprak: «Doet dit tot Mijnen gedachtenis». En dus moeten wij zeggen, dat het de priesters eigen is dit Sacrament tot stand te brengen.

Ad primum ergo dicendum quod virtus sacramentalis in pluribus consistit, et non in uno tantum, sicut virtus Baptismi consistit et in verbis et in aqua. Unde et virtus consecrativa non solum consistit in ipsis verbis, sed etiam in potestate sacerdoti tradita in sua consecratione vel ordinatione, cum ei dicitur ab episcopo, accipe potestatem offerendi sacrificium in Ecclesia tam pro vivis quam pro mortuis. Nam et virtus instrumentalis in pluribus instrumentis consistit, per quae agit principale agens. (IIIa q. 82 a. 1 ad 1)

1 — De kracht van een sacrament ligt in verschillende dingen en niet slechts in één: zo ligt de kracht van het doopsel in de woorden maar óók in het water. Op gelijke wijze ligt de kracht om te consacreren niet alleen in de woorden, maar ook in de macht aan de priester verleend bij zijn consecratie of wijding, als de bisschop tot hem zegt: «Ontvang de macht het Offer op te dragen in de Kerk voor levenden en voor doden». Immers ook de werktuigelijke kracht ligt in de verschillende werktuigen waarmee de hoofdwerker werkt.

Ad secundum dicendum quod laicus iustus unitus est Christo unione spirituali per fidem et caritatem, non autem per sacramentalem potestatem. Et ideo habet spirituale sacerdotium ad offerendum spirituales hostias, de quibus dicitur in Psalmo, sacrificium Deo spiritus contribulatus, et Rom. XII, exhibeatis corpora vestra hostiam viventem. Unde et I Petri II dicitur, sacerdotium sanctum offerre spirituales hostias. (IIIa q. 82 a. 1 ad 2)

2 — Een leek in staat van genade is met Christus verbonden door de geestelijke band van geloof en liefde, echter niet van sacramentale volmacht. Daarom heeft hij een geestelijk priesterschap om geestelijke offers op te dragen, waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 50. 19) gezegd wordt: « Een rouwmoedige ziel is een offer voor God », en in de Brief aan de Romeinen (12. 1): « Biedt uw lichamen aan als een levende offerande ». Vandaar ook lezen wij in de Eerste Brief van Petrus (2. 5): « Een heilig priesterschap dat geestelijke offers brengt ».

Ad tertium dicendum quod perceptio huius sacramenti non est tantae necessitatis sicut perceptio Baptismi, ut ex supra dictis patet. Et ideo, licet in necessitatis articulo laicus possit baptizare, non tamen potest hoc sacramentum conficere. (IIIa q. 82 a. 1 ad 3)

3 — Het ontvangen van dit sacrament is niet zo noodzakelijk, als het ontvangen van het doopsel, zoals blijkt uit hetgeen vroeger (65° Kw. 3° en 4° Art.; 80° Kw. 11° Art. 2° Antw.) gezegd is. Al kan dus een leek in geval van nood dopen, daarom kan hij nog niet dit sacrament tot stand brengen.

Ad quartum dicendum quod episcopus accipit potestatem ut agat in persona Christi supra corpus eius mysticum, idest super Ecclesiam, quam quidem potestatem non accipit sacerdos in sua consecratione, licet possit eam habere ex episcopi commissione. Et ideo ea quae non pertinent ad dispositionem corporis mystici, non reservantur episcopo, sicut consecratio huius sacramenti. Ad episcopum vero pertinet non solum tradere populo, sed etiam sacerdotibus, ea ex quibus possunt propriis officiis uti. Et quia benedictio chrismatis et olei sancti et olei infirmorum, et aliorum quae consecrantur, puta altaris, Ecclesiae, vestium et vasorum, praestat quandam idoneitatem ad sacramenta perficienda quae pertinent ad officium sacerdotum, ideo tales consecrationes episcopo reservantur, tanquam principi totius ecclesiastici ordinis. (IIIa q. 82 a. 1 ad 4)

4 — De bisschop ontvangt de macht om in de persoon van Christus werkingen te verrichten ten opzichte van diens mystiek Lichaam d.w.z. de Kerk. Deze macht ontvangt de priester niet bij zijn wijding, al kan hij ze krijgen door opdracht van de bisschop. Daarom is wat niet behoort tot de beschikkingen over het mystiek Lichaam, ook niet voorbehouden aan de bisschop, zoals de consecratie van dit Sacrament. Aan de bisschop komt echter toe niet alleen aan het volk maar ook aan de priester te geven, datgene waarmee zij hun taak kunnen volbrengen. En omdat de zegening van het chrisma en de heilige olie en de ziekenolie en van al het andere wat geconsacreerd wordt, zoals altaar, kerkgewaden en vaatwerk, aan deze een zekere geschiktheid geeft om ermee de sacramenten te voltrekken, wat tot de taak van de priesters behoort, daarom zijn dergelijke consecraties voorbehouden aan de bisschop als aan het hoofd van de gehele kerkelijke rangorde.

Articulus 2.
Kunnen verschillende priesters een en dezelfde hostie consecreren?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod plures sacerdotes non possunt unam et eandem hostiam consecrare. Dictum est enim supra quod plures non possunt unum baptizare. Sed non minor vis est sacerdotis consecrantis quam hominis baptizantis. Ergo etiam non possunt simul plures unam hostiam consecrare. (IIIa q. 82 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat verschillende priesters niet tegelijk een en dezelfde hostie kunnen consacreren. Boven (67° Kw. 6° Art.) is immers gezegd, dat verschillende personen niet tegelijk één mens kunnen dopen. Maar de macht om te consacreren is niet kleiner dan die om te dopen. Zo kunnen dus evenmin verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren.

Praeterea, quod potest fieri per unum, superflue fit per multos. In sacramentis autem Christi nihil debet esse superfluum. Cum igitur unus sufficiat ad consecrandum, videtur quod plures non possunt unam hostiam consecrare. (IIIa q. 82 a. 2 arg. 2)

2 — Het is iets overbodigs, wanneer verschillende mensen datgene doen, waarvoor één man voldoende is. Maar bij de sacramenten van Christus mag niet iets overbodigs voorkomen. Daar nu één priester volstaat om te consacreren, zullen verschillenden dus niet tegelijk eenzelfde hostie kunnen consacreren.

Praeterea, sicut Augustinus dicit, super Ioan., hoc sacramentum est sacramentum unitatis. Sed contrarium unitati videtur esse multitudo. Ergo non videtur conveniens esse huic sacramento quod plures sacerdotes eandem hostiam consecrent. (IIIa q. 82 a. 2 arg. 3)

3 — Zoals Augustinus zegt, is dit Sacrament “het Sacrament van de eenheid”. Aan de eenheid is echter tegengesteld de veelheid. Het is daarom minder passend dat verschillende priesters dezelfde hostie consacreren.

Sed contra est quod, secundum consuetudinem quarundam Ecclesiarum, sacerdotes, cum de novo ordinantur, concelebrant episcopo ordinanti. (IIIa q. 82 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter de gewoonte van sommige Kerken dat de pasgewijde priesters tegelijk met de bisschop die hen wijdde, de Mis opdragen.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, sacerdos, cum ordinatur, constituitur in gradu eorum qui a domino acceperunt potestatem consecrandi in cena. Et ideo, secundum consuetudinem quarundam Ecclesiarum, sicut apostoli Christo cenanti concenaverunt, ita novi ordinati episcopo ordinanti concelebrant. Nec per hoc iteratur consecratio super eandem hostiam, quia, sicut Innocentius III dicit, omnium intentio debet ferri ad idem instans consecrationis. (IIIa q. 82 a. 2 co.)

Boven (1e Art.) is gezegd, dat de priester door zijn wijding gerangschikt wordt onder degenen, die bij het Avondmaal van Christus de macht om te consacreren ontvingen. En zo is het gebruik in sommige Kerken, dat de pasgewijden met hun bisschop tegelijk de Mis opdragen, evenals de Apostelen met Christus te zamen het Avondmaal vierden. Hierdoor wordt echter niet de consecratie over eenzelfde hostie herhaald, omdat zoals Innocentius III zegt «aller bedoeling gericht moet zijn op éénzelfde ogenblik van consacreren».

Ad primum ergo dicendum quod Christus non legitur simul baptizasse cum apostolis quando iniunxit eis officium baptizandi. Et ideo non est similis ratio. (IIIa q. 82 a. 2 ad 1)

1 — Men vindt nergens dat Christus tegelijk met de apostelen gedoopt heeft, toen Hij hun de macht verleende om te dopen. Dus gaat de vergelijking niet op.

Ad secundum dicendum quod, si quilibet sacerdotum operaretur in virtute propria, superfluerent alii celebrantes, uno sufficienter celebrante. Sed quia sacerdos non consecrat nisi in persona Christi, multi autem sunt unum in Christo, ideo non refert utrum per unum vel per multos hoc sacramentum consecraretur, nisi quod oportet ritum Ecclesiae servari. (IIIa q. 82 a. 2 ad 2)

2 — Indien elke priester uit eigen kracht zou handelen, zouden zij overbodig zijn, die met hem de Mis opdragen, omdat hij zou volstaan. Maar nu de priester alleen maar in de persoon van Christus consecreert en allen één zijn in Christus, maakt het geen verschil uit of één of verschillenden tegelijk dit Sacrament consecreren; alleen moet de ritus van de Kerk gehandhaafd blijven.

Ad tertium dicendum quod Eucharistia est sacramentum unitatis ecclesiasticae, quae attenditur secundum hoc quod multi sunt unum in Christo. (IIIa q. 82 a. 2 ad 3)

3 — De Eucharistie is het sacrament van de kerkelijke eenheid, welke hierin bestaat dat allen één zijn in Christus.

Articulus 3.
Komt het alleen aan de priester toe dit Sacrament toe te dienen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non pertineat solum ad sacerdotem dispensatio huius sacramenti. Sanguis enim Christi non minus pertinet ad hoc sacramentum quam corpus. Sed sanguis Christi dispensatur per diacones, unde et beatus Laurentius dixit beato Sixto, experire utrum idoneum ministrum elegeris, cui commisisti dominici sanguinis dispensationem. Ergo, pari ratione, dispensatio dominici corporis non pertinet ad solos sacerdotes. (IIIa q. 82 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet alleen aan de priester toekomt dit Sacrament toe te dienen. Het Bloed van Christus behoort immer evenzeer tot dit Sacrament als het Lichaam. Maar het Bloed van Christus wordt uitgereikt door diakens; vandaar dan ook zei de zalige Laurentius tot de zalige Sixtus: « Ziet nu of gij een geschikte bedienaar uitgekozen hebt, waaraan gij de bediening van het Bloed des Heren toevertrouwde ». Om dezelfde reden dus komt ook het toedienen van het Lichaam des Heren niet uitsluitend aan de priesters toe.

Praeterea, sacerdotes constituuntur ministri sacramentorum. Sed hoc sacramentum perficitur in consecratione materiae, non in usu, ad quem pertinet dispensatio. Ergo videtur quod non pertineat ad sacerdotem corpus domini dispensare. (IIIa q. 82 a. 3 arg. 2)

2 — De priesters worden aangesteld tot bedienaars van de sacramenten. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof en niet door het gebruik, waarbij het toedienen behoort. Daarom komt het niet aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen.

Praeterea, Dionysius dicit, in libro Eccles. Hier., quod hoc sacramentum habet perfectivam virtutem, sicut et chrisma. Sed signare chrismate baptizatos non pertinet ad sacerdotem, sed ad episcopum. Ergo etiam dispensare hoc sacramentum pertinet ad episcopum, non ad sacerdotem. (IIIa q. 82 a. 3 arg. 3)

3 — Dionysius zegt, dat dit Sacrament vervolmakende kracht bezit evenals het chrisma. Het komt echter niet aan de priester maar aan de bisschop toe hen die gedoopt zijn met chrisma te zalven. Evenzeer komt het dus aan de bisschop, en niet aan de priester toe, dit Sacrament toe te dienen.

Sed contra est quod dicitur de Consecr., dist. II, pervenit ad notitiam nostram quod quidam presbyteri laico aut feminae corpus domini tradunt ad deferendum infirmis. Ergo interdicit synodus ne talis praesumptio ulterius fiat, sed presbyter per semetipsum infirmos communicet. (IIIa q. 82 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in een Decretaal: « Het is ons ter oor gekomen, dat sommige priesters het Lichaam des Heren aan een leek of een vrouw geven om het naar de zieken te brengen. Daarom verbiedt de synode in het vervolg dit misbruik. De priester moet zelf de communie brengen aan de zieken ».

Respondeo dicendum quod ad sacerdotem pertinet dispensatio corporis Christi, propter tria. Primo quidem quia, sicut dictum est, ipse consecrat in persona Christi. Ipse autem Christus, sicut consecravit corpus suum in cena, ita et aliis sumendum dedit. Unde, sicut ad sacerdotem pertinet consecratio corporis Christi, ita ad eum pertinet dispensatio. Secundo, quia sacerdos constituitur medius inter Deum et populum. Unde, sicut ad eum pertinet dona populi Deo offerre, ita ad eum pertinet dona sanctificata divinitus populo tradere. Tertio quia, in reverentiam huius sacramenti, a nulla re contingitur nisi consecrata, unde et corporale et calix consecrantur, similiter et manus sacerdotis, ad tangendum hoc sacramentum. Unde nulli alii tangere licet, nisi in necessitate puta si caderet in terram, vel in aliquo alio necessitatis casu. (IIIa q. 82 a. 3 co.)

Het komt aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen en wel om drie redenen. Vooreerst omdat hij, zoals gezegd is (1e Art.) in de persoon van Christus consecraat. Christus nu heeft, evenals Hij Zelf bij het Avondmaal zijn Lichaam consecratieerde, zo ook Zelf het aan de anderen te eten gegeven. Evenals daarom de consecratie van het Lichaam van Christus, aan de priester toekomt, zo ook de toediening ervan. Vervolgens, omdat de priester aangesteld is tot middelaar tussen God en het volk. Evenals hij dus de gaven van het volk aan God moet opdragen, zo moet hij ook de door God geheiligde gaven aan het volk meedelen. Ten derde, omdat uit eerbied voor dit Sacrament alleen maar wat geconsacreerd is ermee in beroering mag komen; vandaar worden het corporaal en de kelk geconsacreerd; en zo ook de handen van de priester, om dit Sacrament te mogen aanraken. Daarom mag niemand anders het aanraken tenzij in geval van nood, als het bijvoorbeeld op de grond zou vallen of er een andere dwingende reden is.

Ad primum ergo dicendum quod diaconus, quasi propinquus ordini sacerdotali, aliquid participat de eius officio, ut scilicet dispenset sanguinem, non autem corpus, nisi in necessitate, iubente episcopo vel presbytero. Primo quidem, quia sanguis Christi continetur in vase. Unde non oportet quod tangatur a dispensante, sicut tangitur corpus Christi. Secundo, quia sanguis designat redemptionem a Christo in populum derivatam, unde et sanguini admiscetur aqua, quae significat populum. Et quia diaconi sunt inter sacerdotem et populum, magis convenit diaconibus dispensatio sanguinis quam dispensatio corporis. (IIIa q. 82 a. 3 ad 1)

1 — Dicht genaderd tot de priesterlijke waardigheid, heeft de diaken enigszins deel in de taak van de priester, voor zover hij namelijk het Bloed mag toedienen; echter niet het Lichaam, tenzij, in geval van nood, de bisschop of priester het toelaat. Dit vooreerst omdat het Bloed van Christus zich in de kelk bevindt, zodat het bij het toedienen niet aangeraakt behoeft te worden, zoals het Lichaam van Christus aangeraakt moet worden. — Vervolgens, omdat het Bloed de verlossing aanduidt als van Christus uit op het volk toegepast; vandaar wordt dan ook water bij het Bloed gedaan, om het volk te verzinnebeelden. Omdat nu de diakens staan tussen de priester en het volk, komt hun meer toe het Bloed toe te dienen dan het Lichaam.

Ad secundum dicendum quod eiusdem est hoc sacramentum dispensare et consecrare, ratione iam dicta. (IIIa q. 82 a. 3 ad 2)

2 — Om de reeds gegeven reden (in de Leerst.) komt het toedienen en het consecreren toe aan een en dezelfde persoon.

Ad tertium dicendum quod, sicut diaconus in aliquo participat illuminativam virtutem sacerdotis, inquantum dispensat sanguinem; ita sacerdos participat perfectivam dispensationem episcopi, inquantum dispensat hoc sacramentum, quo perficitur homo secundum se per coniunctionem ad Christum. Aliae autem perfectiones, quibus homo perficitur per comparationem ad alios, episcopo reservantur. (IIIa q. 82 a. 3 ad 3)

3 — Zoals de diaken enigszins deel heeft in de lichtspreidende kracht van de priester, voorzover hij het Bloed toedient, zo heeft de priester ook deel in de vervolmakende bediening van de bisschop, voorzover hij dit Sacrament toedient, waardoor de mens door de vereniging met Christus in zichzelf vervolmaakt wordt. De vervolmakingen, waardoor de mens met betrekking tot anderen vervolmaakt wordt, zijn voorbehouden aan de bisschop.

Articulus 4.
Moet de priester, die consecreert, het Sacrament ook nuttigen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod sacerdos consecrans non teneatur sumere hoc sacramentum. In aliis enim consecrationibus ille qui consecrat materiam, non utitur ea, sicut episcopus consecrans chrisma non linitur eodem. Sed hoc sacramentum consistit in consecratione materiae. Ergo sacerdos perficiens hoc sacramentum non necesse habet uti eodem, sed potest licite a sumptione eius abstinere. (IIIa q. 82 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de priester, die consecreert, dit sacrament niet behoeft te nuttigen. Wie immers bij de andere consecraties de stof wijdt, maakt er geen gebruik van; zo zalft de bisschop zich niet met het chrisma, dat hij geconsecreerd heeft. Dit sacrament nu bestaat juist in de consecratie van de stof. Dus is het niet nodig, dat de priester, die dit sacrament voltrekt, daarvan gebruik maakt, maar mag hij van de nuttiging afzien.

Praeterea, in aliis sacramentis minister non praebet sacramentum sibi ipsi, nullus enim baptizare seipsum potest, ut supra habitum est. Sed, sicut Baptismus ordinate dispensatur, ita et hoc sacramentum. Ergo sacerdos perficiens hoc sacramentum non debet ipsum sumere a seipso. (IIIa q. 82 a. 4 arg. 2)

2 — Bij de andere sacramenten dient de bedienaar het sacrament nooit aan zichzelf toe: niemand toch kan zichzelf dopen, zoals boven (66e Kw. 5e Art. 4e Antw.) uiteengezet is. Maar evenzo als het doopsel moet ook dit sacrament ordelijk toegediend worden. Daarom moet de priester, die dit sacrament voltrekt, het zelf niet nuttigen.

Praeterea, contingit quandoque quod miraculose corpus Christi in altari apparet sub specie carnis, et sanguis sub specie sanguinis. Quae non sunt apta cibo vel potui, unde, sicut supra dictum est, propter hoc sub alia specie traduntur, ne sint horrori sumentibus. Ergo sacerdos consecrans non semper tenetur sumere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 4 arg. 3)

3 — Het gebeurt soms dat door een wonder op het altaar het Lichaam van Christus verschijnt onder de gedaante van vlees, en het Bloed onder de gedaante van bloed. Dan echter is het niet meer geschikt om het te eten of te drinken. Daarom ook worden zoals vroeger (75° Kw. 5° Art.) gezegd is, het Lichaam en Bloed onder een andere gedaante aangeboden, opdat zij, die het moeten nuttigen, er niet van zouden walgen. Het is dus niet altijd nodig, dat de priester die consecreert, dit Sacrament ook nuttigt.

Sed contra est quod in Concilio Toletano legitur, et habetur de Consecr., dist. II, cap. relatum, modis omnibus tenendum est ut, quotiescumque sacrificans corpus et sanguinem domini nostri Iesu Christi in altario immolat, toties perceptione corporis et sanguinis participem se praebeat. (IIIa q. 82 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat men in de Kerkvergadering van Toledo voorschreef, zoals men het ook kan vinden in een Decretaal: « In iedere geval moet eraan vastgehouden worden, dat telkens wanneer iemand het Lichaam en Bloed van Jezus-Christus op het altaar slachtoffert, hij eraan deel moet nemen door de nuttiging van het Lichaam en het Bloed ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Eucharistia non solum est sacramentum, sed etiam sacrificium. Quicumque autem sacrificium offert, debet fieri sacrificii particeps. Quia exterius sacrificium quod offert, signum est interioris sacrificii quo quis seipsum offert Deo, ut Augustinus dicit, X de Civ. Dei. Unde per hoc quod participat sacrificio, ostendit ad se sacrificium interius pertinere. Similiter etiam per hoc quod sacrificium populo dispensat, ostendit se esse dispensatorem divinorum populo. Quorum ipse primo debet esse particeps, sicut Dionysius dicit, in libro Eccles. Hier. Et ideo ipse ante sumere debet quam populo dispenset. Unde in praedicto capite legitur, quale est sacrificium cui nec ipse sacrificans particeps esse dignoscitur? Per hoc autem fit particeps quod de sacrificio sumit, secundum illud apostoli, I Cor. X, nonne qui edunt hostias, participes sunt altaris? Et ideo necesse est quod sacerdos, quotiescumque consecrat, sumat hoc sacramentum integre. (IIIa q. 82 a. 4 co.)

Zoals boven (79° Kw. 5° en 7° Art.) gezegd is, is de Eucharistie niet alleen sacrament, maar is zij ook offer. Wie echter een offer opdraagt, moet daaraan ook deelnemen. Het uiterlijke offer, dat opgedragen wordt, is immers een teken van het innerlijke offer, waardoor iemand zichzelf aan God opdraagt, zoals Augustinus zegt. Door dus deel te nemen aan het offer, geeft iemand te kennen, dat ook het innerlijke offer bij hem gevonden wordt. Eveneens toont men door het offer toe te dienen aan het volk, dat men voor dat volk de uitdeeler is van goddelijke gaven. Aan deze gaven moet men zelf eerst deel hebben zoals Dionysius zegt. Daarom moet de priester eerst zelf nuttigen voor hij uitdeelt aan het volk. Vandaar staat in een Decretaal: «Wat is dat voor een offer waaraan zelfs die het opdraagt, niet blijkt deel te nemen?» Hierdoor nu neemt men deel, dat men van het offer eet, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 18): «Nemen zij geen deel aan het altaar, die de offer-spijzen eten?» Zo is het dus nodig, dat de priester zo dikwijls hij consecreert, dit sacrament op volledige wijze nuttigt.

Ad primum ergo dicendum quod consecratio chrismatis, vel cuiuscumque alterius materiae, non est sacrificium, sicut consecratio Eucharistiae. Et ideo non est similis ratio. (IIIa q. 82 a. 4 ad 1)

1 — De consecratie van het chrisma en elke andere stof, is niet een offer zoals de consecratie van de Eucharistie. En dus gaat de vergelijking niet op.

Ad secundum dicendum quod sacramentum Baptismi perficitur in ipso usu materiae. Et ideo nullus potest baptizare seipsum, quia in sacramento non potest esse idem agens et patiens. Unde nec in hoc sacramento sacerdos consecrat seipsum, sed panem et vinum, in qua consecratione conficitur hoc sacramentum. Usus autem sacramenti est consequenter se habens ad hoc sacramentum. Et ideo non est simile. (IIIa q. 82 a. 4 ad 2)

2 — Het sacrament des doopseels wordt voltrokken door het gebruik van de stof. Daarom kan niemand zichzelf dopen, omdat niemand tegelijk een sacrament kan uitwerken en ontvangen. Vandaar consecreert de priester dan ook niet zichzelf bij dit sacrament, maar het brood en de wijn, door welke consecratie het sacrament voltrokken wordt. Het nuttigen van het sacrament komt pas na dit sacrament. Dus is er geen gelijkheid.

Ad tertium dicendum quod, si miraculose corpus Christi in altari sub specie carnis appareat, aut sanguis sub specie sanguinis, non est sumendum. Dicit enim Hieronymus, super Levit., de hac quidem hostia quae in Christi commemoratione mirabiliter fit, de illa vero quam Christus in ara crucis obtulit secundum se, nulli edere licet. Nec propter hoc sacerdos transgressor efficitur, quia ea quae miraculose fiunt, legibus non subduntur. Consulendum tamen esset sacerdoti quod iterato corpus et sanguinem domini consecraret et sumeret. (IIIa q. 82 a. 4 ad 3)

3 — Indien op wonderdadige wijze het Lichaam van Christus verschijnt op het altaar onder de gedaante van vlees, of het Bloed onder de gedaante van bloed, moet men het niet nuttigen. Hieronymus zegt immers: « Van dat offerlam, dat op wonderbare wijze tot stand komt ter gedachtenis aan Christus, mag men eten, niet echter van datgene, wat Christus op het altaar des Kruises in eigen gedaante opdroeg ». Toch begaat de priester, als hij het desondanks nuttigt, geen overtreding, omdat wat wonderdadig gebeurt, niet aan wetten onderworpen is. Het is echter aan te raden, dat de priester in zulk een geval opnieuw het Lichaam en Bloed des Heren consecreert en het dan nuttigt.

Articulus 5.
Kan een slecht priester de Eucharistie consecreren?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod malus sacerdos Eucharistiam consecrare non possit. Dicit enim Hieronymus, super Sophoniam, sacerdotes, qui Eucharistiae serviunt et sanguinem domini dividunt, impie agunt in legem Christi, putantes Eucharistiam precantis facere verba, non vitam; et necessariam esse solemnem orationem, et non sacerdotis merita. De quibus dicitur, sacerdos, in quocumque fuerit macula, non accedat offerre oblationes domino. Sed sacerdos peccator, cum sit maculosus, nec vitam habet nec merita huic convenientia sacramento. Ergo sacerdos peccator non potest consecrare Eucharistiam. (IIIa q. 82 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een slecht priester de Eucharistie niet kan consacreren. Hieronymus zegt nl.: « De priesters, die de bedienaars zijn van de Eucharistie en uitdeelers van het Bloed des Heren aan het volk, handelen goddeloos tegen de wet van Christus, als zij menen, dat de Eucharistie tot stand komt door de woorden van hun gebed en niet door hun gedrag; dat er van de priester geeist wordt een plechtig gebed en niet zijn verdiensten. Over hen staat geschreven: De priester, die besmet is, mag niet optreden om de Heer de gaven aan te bieden ». Maar een zondig priester heeft, omdat hij besmet is, niet het gedrag noch de verdiensten, welke passend zijn voor dit Sacrament. Daarom kan een zondig priester de Eucharistie niet consacreren.

Praeterea, Damascenus dicit, in IV libro, quod panis et vinum, per adventum sancti spiritus, supernaturaliter transit in corpus domini et sanguinem. Sed Gelasius Papa dicit, et habetur in decretis, I, qu. I, cap. sacrosancta, quomodo ad divini mysterii consecrationem caelestis spiritus invocatus adveniet, si sacerdos qui eum adesse deprecatur, criminosis plenus actionibus comprobetur? Ergo per malum sacerdotem non potest Eucharistia consecrari. (IIIa q. 82 a. 5 arg. 2)

2 — Damascenus zegt, dat « door de komst van de H. Geest, het brood en de wijn op bovennatuurlijke wijze veranderd worden in het Lichaam en Bloed des Heren ». Maar Paus Gelasius merkt op, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: « Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping bij de consecratie van dit goddelijk Geheim nederdalen, als de priester, die Hem ertoe uitnodigt, vol zonden bevonden wordt »? Derhalve kan een slecht priester de Eucharistie niet consacreren.

Praeterea, hoc sacramentum sacerdotis benedictione consecratur. Sed benedictio sacerdotis peccatoris non est efficax ad consecrationem huius sacramenti, cum scriptum sit, maledicam benedictionibus vestris. Et Dionysius dicit, in epistola ad Demophilum monachum, perfecte cecidit a sacerdotali ordine qui non est illuminatus, et audax quidem mihi videtur talis, sacerdotalibus manum apponens; et audet immundas infamias, non enim dicam orationes, super divina symbola Christiformiter enuntiare. (IIIa q. 82 a. 5 arg. 3)

3 — Dit Sacrament wordt geconsacreerd door de zegen van de priester. Maar de zegen van een zondige priester heeft geen kracht om dit Sacrament te consacreren daar er geschreven staat: « Vervloeken zal ik uw zegeningen » (Mal. 2. 2). Ook zegt Dionysius: « Volkomen verstoken van de priesterlijke macht is hij, die niet verlicht is, en overmoedig komt hij mij voor, als hij zo de hand uitstrekt naar de priesterlijke bedieningen, en zich verstout in Christus' naam onreine praat (want ik kan dat geen gebed noemen) over de goddelijke symbolen uit te spreken ».

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de corpore domini, intra Ecclesiam Catholicam, in mysterio corporis et sanguinis domini, nihil a bono maius, nihil a malo minus perficitur sacerdote, quia non in merito consecrantis, sed in verbo perficitur creatoris, et in virtute spiritus sancti. (IIIa q. 82 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: « Binnen de Katholieke Kerk wordt bij het Geheim van het Lichaam en Bloed des Heren, niets grooters voltrokken door een goede priester, noch iets geringers, door een slechte priester, daar het tot stand komt niet uit kracht van de verdienste van hem, die consecreert, maar door het woord des Scheppers en door de kracht van de Heilige Geest ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, sacerdos consecrat hoc sacramentum non in virtute propria, sed sicut minister Christi, in cuius persona consecrat hoc sacramentum. Non autem ex hoc ipso desinit aliquis esse minister Christi quod est malus, habet enim dominus bonos et malos ministros seu servos. Unde, Matth. XXIV, dominus dicit, quis, putas, est fidelis servus et prudens, etc.; et postea subdit, si autem dixerit malus ille servus in corde suo, et cetera. Et apostolus dicit, I Cor. IV, sic nos existimet homo ut ministros Christi, et tamen postea subdit, nihil mihi conscius sum, sed non in hoc iustificatus sum. Erat ergo certus se esse ministrum Christi, non tamen erat certus se esse iustum. Potest ergo aliquis esse minister Christi etiam si iustus non sit. Et hoc ad excellentiam Christi pertinet, cui, sicut vero Deo, serviunt non solum bona, sed etiam mala, quae per ipsius providentiam in eius gloriam ordinantur. Unde manifestum est quod sacerdotes, etiam si non sint iusti, sed peccatores, possunt Eucharistiam consecrare. (IIIa q. 82 a. 5 co.)

Gelijk boven (1e Art.; 2e Art. 2e Antw.; 3e Art.) gezegd is, concreet de priester dit Sacrament niet uit eigen kracht, maar als dienaar van Christus, in wiens persoon hij dit Sacrament concreet. Nu houdt iemand niet op dienaar van Christus te zijn door het feit dat hij slecht is, want de Heer heeft goede en slechte dienaars of knechten. Daarom dan ook vraagt volgens Mattheus (24. 45) de Heer: « Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht? » en spreekt hij verderop (v. 48): « Maar zo die dienaar slecht is en bij zichzelf zegt enz. ». En de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 1): « Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen », en toch voegt hij eraan toe (v. 4): « Wel ben ik mezelf niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd ». Hij was er dus zeker van Christus’ dienaar te zijn, maar niet dat hij in staat van genade was. Dus kan iemand dienaar van Christus zijn zonder in staat van genade te zijn. Dit behoort tot de verhevenheid van Christus, aan wien als waarachtig God, niet alleen het goede dienstbaar is, maar ook het slechte, dat door Zijn Voorzienigheid op Zijn verheerlijking wordt gericht. Het is dus duidelijk, dat de priesters, ook al zijn ze niet in staat van genade maar zondaars, de Eucharistie kunnen consacreren.

Ad primum ergo dicendum quod Hieronymus per illa verba improbat errorem sacerdotum qui credebant se digne posse Eucharistiam consecrare ex hoc solo quod sunt sacerdotes, etiam si sint peccatores. Quod improbat Hieronymus per hoc quod maculosi ad altare accedere prohibentur. Non tamen removetur quin, si accesserint, sit verum sacrificium quod offerunt. (IIIa q. 82 a. 5 ad 1)

1 — Hieronymus wijst door deze woorden de dwaling van de priesters af, die meenden, dat zij op waardige wijze de Eucharistie konden consacreren door het feit alleen, dat zij priester waren, ook al waren zij zondaars. En hij doet het op grond hiervan, dat het aan hen, die onrein waren, verboden was het altaar te naderen. Dit neemt echter niet weg, dat zij, als zij toch naderen, een waarachtig offer opdragen.

Ad secundum dicendum quod ante illa verba Gelasius Papa praemittit, sacrosancta religio, quae Catholicam continet disciplinam, tantam sibi reverentiam vindicat ut ad eam quilibet nisi pura conscientia non audeat pervenire. Ex quo manifeste apparet eius intentionis esse quod peccator sacerdos non debet accedere ad hoc sacramentum. Unde per hoc quod subdit, quomodo caelestis spiritus advocatus adveniet, intelligi oportet quod non advenit ex merito sacerdotis, sed ex virtute Christi, cuius verba profert sacerdos. (IIIa q. 82 a. 5 ad 2)

2 — Gelasius laat aan deze woorden voorafgaan: « De heilige godsdienstviering, welke de katholieken eredienst inhoudt, eist zulk een eerbied voor zich op, dat niemand, tenzij met een zuiver geweten, zich verstouten mag eraan deel te nemen. Hieruit blijkt duidelijk zijn bedoeling, dat een zondig priester niet tot dit sacrament mag naderen. Daarom moet hetgeen volgt: « Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping nederdalen » zo verstaan worden, dat Hij niet komt omwille van de verdienste des priesters maar uit kracht van Christus, wiens woorden de priester uitspreekt.

Ad tertium dicendum quod, sicut eadem actio, inquantum fit ex prava intentione ministri, potest esse mala, bona autem inquantum fit ex bona intentione domini; ita benedictio sacerdotis peccatoris, inquantum ab ipso indigne fit, est maledictione digna, et quasi infamia seu blasphemia, et non oratio reputatur; inquantum autem profertur ex persona Christi, est sancta et efficax. Unde signanter dicitur, maledicam benedictionibus vestris. (IIIa q. 82 a. 5 ad 3)

3 — Evenals eenzelfde handeling slecht kan zijn voor zover zij voortkomt uit de slechte bedoeling van de dienaar, en tevens goed voor zover zij voortkomt uit de goede bedoeling van de meester, zo is ook de zegen van een zondig priester, voor zover deze hem op onwaardige wijze geeft, vervloekenswaard en geldt hij als hoon en godslastering en niet als gebed, maar voor zover die zegen in naam van Christus uitgesproken wordt, is hij heilig en heilzaam. Daarom wordt ook typisch gezegd: « Uwe zegeningen zal ik vervloeken ».

Articulus 6.
Heeft de Mis van een slecht priester minder waarde dan die van een goed priester?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod Missa sacerdotis mali non minus valeat quam Missa sacerdotis boni. Dicit enim Gregorius, in registro, heu, in quam magnum laqueum incidunt qui divina et occulta mysteria plus ab aliis sanctificata fieri posse credunt, cum unus idemque spiritus sanctus ea mysteria occulte atque invisibiliter operando sanctificet. Sed haec occulta mysteria celebrantur in Missa. Ergo Missa mali sacerdotis non minus valet quam Missa boni. (IIIa q. 82 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de Mis van een slecht priester geen geringere waarde heeft dan die van een goed priester. Gregorius zegt immers: « Wee, hoezeer zijn zij verstrikt, die menen dat de goddelijke en verborgen Geheimen door de een meer dan door de ander geheiligd kunnen worden, terwijl een en dezelfde Geest door Zijn verborgen en onzichtbare werking ze heiligt? » Maar deze verborgen Geheimen worden in de Mis gevierd. Dus heeft de Mis van een slecht priester geen geringere waarde dan die van een goed priester.

Praeterea, sicut Baptismus traditur a ministro in virtute Christi, qui baptizat, ita et hoc sacramentum, quod in persona Christi consecratur. Sed non melior Baptismus datur a meliori ministro, ut supra habitum est. Ergo neque etiam melior Missa est quae celebratur a meliori sacerdote. (IIIa q. 82 a. 6 arg. 2)

2 — Evenals het doopsel door de bedienaar toegediend wordt in de persoon van Christus die doopt, zo ook wordt dit sacrament in de persoon van Christus geconsacreerd. Maar het doopsel is niet beter, wanneer het door een betere bedienaar wordt toegediend, zoals boven (64° Kw. 1° Art. 2° Antw.) is uiteengezet. Evenmin dus zal de Mis, welke opgedragen wordt door een betere priester, beter zijn.

Praeterea, sicut merita sacerdotum differunt per bonum et melius, ita etiam differunt per bonum et malum. Si ergo Missa melioris sacerdotis est melior, sequitur quod Missa mali sacerdotis sit mala. Quod est inconveniens, quia malitia ministrorum non potest redundare in Christi mysteria; sicut Augustinus dicit, in libro de Baptismo. Ergo neque Missa melioris sacerdotis est melior. (IIIa q. 82 a. 6 arg. 3)

3 — Evenals de verdiensten van de priester onderscheiden worden naar goed en beter, zo ook naar goed en slecht. Als dus de Mis van een heilige priester beter is, moet volgen dat de Mis van een slechte priester, slecht is. Nu is dat niet te houden, omdat « de slechtheid van de bedienaar niet overslaat op de Geheimen van Christus », zoals Augustinus leert. Dus is ook de Mis van een heilige priester niet beter.

Sed contra est quod habetur I, qu. I, quanto sacerdotes fuerint digniores, tanto facilius in necessitatibus pro quibus clamant, exaudiuntur. (IIIa q. 82 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter de uitspraak van een Decretaal: « Naarmate de priesters waardiger zijn, in die mate zullen zij gemakkelijker verhoord worden voor de noden, waarvoor zij bidden ».

Respondeo dicendum quod in Missa duo est considerare; scilicet ipsum sacramentum, quod est principale; et orationes quae in Missa fiunt pro vivis et mortuis. Quantum ergo ad sacramentum, non minus valet Missa mali sacerdotis quam boni, quia utrobique idem conficitur sacramentum. Oratio etiam quae fit in Missa, potest considerari dupliciter. Uno modo, inquantum habet efficaciam ex devotione sacerdotis orantis. Et sic non est dubium quod Missa melioris sacerdotis magis est fructuosa. Alio modo, inquantum oratio in Missa profertur a sacerdote in persona totius Ecclesiae, cuius sacerdos est minister. Quod quidem ministerium etiam in peccatoribus manet, sicut supra dictum est de ministerio Christi. Unde quantum ad hoc, est fructuosa non solum oratio sacerdotis peccatoris in Missa, sed etiam omnes aliae eius orationes quas facit in ecclesiasticis officiis, in quibus gerit personam Ecclesiae. Sed orationes eius privatae non sunt fructuosae, secundum illud Proverb. XXVIII, qui declinat aurem suam ne audiat legem, oratio eius erit execrabilis. (IIIa q. 82 a. 6 co.)

Bij de Mis moeten wij twee dingen onderscheiden: namelijk het Sacrament, — en dat is het voornaamste — en de gebeden, welke in de Mis gezegd worden voor levenden en doden. Voor zover het het Sacrament aangaat, heeft de Mis van een slechte priester geen geringere waarde dan die van een goede priester, omdat in beide gevallen hetzelfde Sacrament voltrokken wordt. Eveneens kan men het gebed, dat in de Mis gezegd wordt, op een dubbele wijze beschouwen. Vooreerst in zover het van kracht is omwille van de godsvrucht, waarmee de priester bidt. En dan lijdt het geen twijfel dat de Mis van een heiliger priester vruchtbaarder is. — Vervolgens in zover bij de Mis het gebed door de priester verricht wordt in de persoon van de hele Kerk, waarvan de priester de bedienaar is, welk bedienaarschap ook in de zondaars blijft, gelijk wij boven (vorig Art.) uiteengezet hebben met betrekking tot de dienaren van Christus. In dit opzicht is dus niet alleen het gebed van de priester tijdens de Mis vruchtbaar, maar zijn het ook al de andere gebeden, welke hij doet bij kerkelijke dienstverrichtingen, waarbij hij de plaats inneemt van de Kerk. Maar zijn persoonlijke gebeden brengen geen vrucht aan naar het woord uit het Boek der Spreuken (28.9): « Afschuwelijk is het gebed van hem, die zijn oren afwendt om de Wet niet te horen ».

Ad primum ergo dicendum quod Gregorius loquitur ibi quantum ad sanctitatem divini sacramenti. (IIIa q. 82 a. 6 ad 1)

1 — Gregorius zegt dat met betrekking tot de heiligheid van het goddelijk Sacrament.

Ad secundum dicendum quod in sacramento Baptismi non fiunt solemnes orationes pro omnibus fidelibus, sicut in Missa. Et ideo quantum ad hoc non est simile. Est autem simile quantum ad effectum sacramenti. (IIIa q. 82 a. 6 ad 2)

2 — Bij het sacrament des doopsels worden geen plechtige gebeden gezegd voor al de gelovigen zoals bij de Mis. Daarom gaat onder dat opzicht de vergelijking niet op. Wel echter voor wat het uitwerksel van het sacrament betreft.

Ad tertium dicendum quod propter virtutem spiritus sancti, qui per unitatem caritatis communicat invicem bona membrorum Christi, fit quod bonum privatum quod est in Missa sacerdotis boni, est fructuosum aliis. Malum autem privatum unius hominis non potest alteri nocere, nisi per aliqualem consensum, ut Augustinus dicit, in libro contra Parmenianum. (IIIa q. 82 a. 6 ad 3)

3 — Aan de kracht van de H. Geest, die omwille van de vereniging door de liefde alle ledematen aan elkaars goederen doet deelnemen, moet het worden toegeschreven dat het persoonlijke goed, dat in de Mis van een goede priester gevonden wordt, ook anderen voordelig is. Het persoonlijke kwaad van de ene kan echter een ander niet schaden, tenzij deze op een of andere wijze ermee instemt, gelijk Augustinus zegt.

Articulus 7.
Kunnen ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden consecreren?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod haeretici et schismatici et excommunicati consecrare non possunt. Dicit enim Augustinus quod extra Ecclesiam Catholicam non est locus veri sacrificii. Et Leo Papa dicit, et habetur in decretis, I, qu. I, aliter, (scilicet quam in Ecclesia, quae corpus Christi est) nec rata sunt sacerdotia, nec vera sacrificia. Sed haeretici, schismatici et excommunicati sunt ab Ecclesia separati. Ergo non possunt verum sacrificium conficere. (IIIa q. 82 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden niet kunnen consecreren. Augustinus zegt namelijk: « Buiten de katholieke Kerk is er geen plaats voor het waarachtig Offer ». En Paus Leo leert, zoals men ook vinden kan in een Decretaal: « Daarbuiten (te weten buiten de Kerk, welke Christus’ Lichaam is) vindt men geen echt priesterschap noch waarachtige Offers ». Maar ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn van de Kerk afgescheiden. Derhalve kunnen zij niet het waarachtig Offer tot stand brengen.

Praeterea, sicut legitur ibidem, Innocentius Papa dicit, Arianos, ceterasque huiusmodi pestes, quia laicos eorum sub imagine poenitentiae suscipimus, non videntur clerici eorum cum sacerdotii aut cuiuspiam mysterii suscipiendi dignitate esse, quibus solum Baptisma ratum esse permittimus. Sed non potest aliquis consecrare Eucharistiam nisi sit cum sacerdotii dignitate. Ergo haeretici, et ceteri huiusmodi, non possunt Eucharistiam conficere. (IIIa q. 82 a. 7 arg. 2)

2 — Zoals men eveneens in een decretaal kan lezen, zegt Paus Innocentius: « Hoewel wij de leken van de Arianen en van andere ketterijen bij boeteverrichting opnemen, schijnt het toch ongeoorloofd hun geestelijken op te nemen als met priesterlijke of welke liturgische waardigheid dan ook bekleed, daar wij alleen hun doopsel erkennen ». Maar alleen hij die priesterlijke waardigheid heeft, kan de Eucharistie consacreren. Dus kunnen ketters en dergelijken de Eucharistie niet consacreren.

Praeterea, ille qui est extra Ecclesiam, non videtur aliquid posse agere in persona totius Ecclesiae. Sed sacerdos consecrans Eucharistiam hoc agit in persona totius Ecclesiae, quod patet ex hoc quod omnes orationes proponit in persona Ecclesiae. Ergo videtur quod illi qui sunt extra Ecclesiam, scilicet haeretici et schismatici et excommunicati, non possunt consecrare Eucharistiam. (IIIa q. 82 a. 7 arg. 3)

3 — Wie buiten de Kerk is, kan niet handelen in de persoon van de Kerk. De priester nu, die de Eucharistie consecreert, handelt in de persoon van de Kerk, hetgeen blijkt uit het feit, dat hij al de gebeden in de persoon van de Kerk verricht. Zo schijnt het dus, dat zij die buiten de Kerk staan, namelijk ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden, de Eucharistie niet kunnen consecreren.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in II contra Parmen., sicut Baptismus in eis, scilicet haereticis, schismaticis et excommunicatis, ita ordinatio mansit integra. Sed ex vi ordinationis sacerdos potest consecrare Eucharistiam. Ergo haeretici, schismatici et excommunicati, cum in eis maneat ordinatio integra, videtur quod possint consecrare Eucharistiam. (IIIa q. 82 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Evenals het doopsel, zo blijft ook de wijding bij hen onaangetast », namelijk bij de ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden. Nu kan een priester de Eucharistie consacreren krachtens zijn wijding. Daar dus bij ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden de wijding onaangetast blijft, schijnen zij de Eucharistie te kunnen consacreren.

Respondeo dicendum quod quidam dixerunt quod haeretici, schismatici et excommunicati, quia sunt extra Ecclesiam, non possunt conficere hoc sacramentum. Sed in hoc decipiuntur. Quia, sicut Augustinus dicit, in II contra Parmen., aliud est aliquid omnino non habere, aliud autem non recte habere, et similiter est etiam aliud non dare, et aliud non recte dare. Illi igitur qui, intra Ecclesiam constituti, receperunt potestatem consecrandi in ordinatione sacerdotii, recte quidem habent potestatem, sed non recte ea utuntur, si postmodum per haeresim aut schisma vel excommunicationem ab Ecclesia separentur. Qui autem sic separati ordinantur, nec recte habent potestatem, nec recte utuntur. Quod tamen utrique potestatem habeant, per hoc patet quod, sicut Augustinus ibidem dicit, cum redeunt ad unitatem Ecclesiae, non reordinantur, sed recipiuntur in suis ordinibus. Et quia consecratio Eucharistiae est actus consequens ordinis potestatem, illi qui sunt ab Ecclesia separati per haeresim aut schisma vel excommunicationem, possunt quidem consecrare Eucharistiam, quae ab eis consecrata verum corpus Christi et sanguinem continet, non tamen recte hoc faciunt, sed peccant facientes. Et ideo fructum sacrificii non percipiunt, quod est sacrificium spirituale. (IIIa q. 82 a. 7 co.)

Sommigen hebben gehouden dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament niet kunnen tot stand brengen omdat zij buiten de Kerk staan. Maar zij vergissen zich, want Augustinus zegt terecht: « Het is iets anders iets in het geheel niet te hebben, iets anders het niet op behoorlijke wijze te hebben » en eveneens: « Het is iets anders iets niet te geven, iets anders het niet op behoorlijke wijze te geven ». Zij dus, die binnen de kerkelijke gemeenschap, bij hun priesterwijding de consecratiemacht hebben ontvangen, bezitten deze macht op behoorlijke wijze, maar zij gebruiken haar onbetamelijk als zij later door ketterij, scheuring of excommunicatie van de kerk gescheiden worden. Zijn ze echter gewijd, toen ze aldus afgescheiden waren, dan bezitten en gebruiken zij deze macht niet op behoorlijke wijze. Dat ze evenwel in beide gevallen de macht hebben, blijkt hieruit dat, zoals Augustinus opmerkt, zij na hun terugkeer tot de kerkelijke eenheid niet overgewijd worden, maar volgens hun wijdingsgraad opgenomen worden. Omdat nu het consecreren van de Eucharistie een daad van wijdingsmacht is, kunnen zij die van de Kerk door ketterij, scheuring of excommunicatie zijn gescheiden, wel de Eucharistie consecreren, welke door deze consecratie het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus bevat, maar zij doen het niet op passende wijze en zondigen door het te doen. Derhalve ontvangen zij niet de vrucht van het Offer, d. i. het geestelijk Offer.

Ad primum ergo dicendum quod auctoritas illa et similes intelligendae sunt quantum ad hoc quod non recte extra Ecclesiam sacrificium offertur. Unde extra Ecclesiam non potest esse spirituale sacrificium, quod est verum veritate fructus, licet sit verum veritate sacramenti, sicut etiam supra dictum est quod peccator sumit corpus Christi sacramentaliter, sed non spiritualiter. (IIIa q. 82 a. 7 ad 1)

1 — Deze uitspraak en dergelijke moeten verstaan worden in deze zin, dat buiten de Kerk het Offer niet opgedragen kan worden op behoorlijke wijze. Daarom is er buiten de Kerk geen geestelijk Offer, dat waarachtig is krachtens de waarachtigheid van de vrucht, ofschoon er wel een waarachtig Offer is krachtens de waarachtigheid van het Sacrament; evenals wij ook boven (80° Kw. 3° Art.) gezegd hebben, dat de zondaar het Lichaam van Christus ontvangt op sacramentële wijze, maar niet op geestelijke wijze.

Ad secundum dicendum quod solus Baptismus permittitur esse ratus haereticis et schismaticis, quia possunt licite baptizare in articulo necessitatis. In nullo autem casu licite possunt Eucharistiam consecrare, vel alia sacramenta conferre. (IIIa q. 82 a. 7 ad 2)

2 — Alleen het doopsel van ketters en scheurmakers wordt erkend, omdat zij in geval van nood mogen dopen. Maar in geen geval mogen zij de Eucharistie consacreren of de andere sacramenten toedienen.

Ad tertium dicendum quod sacerdos in Missa in orationibus quidem loquitur in persona Ecclesiae, in cuius unitate consistit. Sed in consecratione sacramenti loquitur in persona Christi, cuius vicem in hoc gerit per ordinis potestatem. Et ideo, si sacerdos ab unitate Ecclesiae praecisus Missam celebret, quia potestatem ordinis non amittit, consecrat verum corpus et sanguinem Christi, sed quia est ab Ecclesiae unitate separatus, orationes eius efficaciam non habent. (IIIa q. 82 a. 7 ad 3)

3 — De gebeden tijdens de Mis zegt de priester wel in de persoon van de Kerk, waarmee hij verbonden is; maar de consecratie verricht hij in de persoon van Christus, wiens plaats hij bekleedt krachtens zijn wijdingsmacht. Als dus een afgescheiden priester de Mis opdraagt, consecreert hij wel het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus, omdat hij zijn wijdingsmacht niet verloren heeft, maar omdat hij van de kerkelijke eenheid afgescheiden is, hebben zijn gebeden geen uitwerking.

Articulus 8.
Kan een priester, die gedegradeerd is, dit Sacrament tot stand brengen?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod sacerdos degradatus non possit hoc sacramentum conficere. Nullus enim conficit hoc sacramentum nisi per potestatem consecrandi quam habet. Sed degradatus non habet potestatem consecrandi, licet habeat potestatem baptizandi, ut dicit canon. Ergo videtur quod presbyter degradatus non possit Eucharistiam consecrare. (IIIa q. 82 a. 8 arg. 1)

1 — Niemand immers brengt dit Sacrament tot stand, tenzij krachtens zijn consecratiemacht. Maar « degene die gedegradeerd is, heeft geen macht om te consecreren, ofschoon hij wel de macht heeft om te dopen » zoals een rechtsregel zegt. Het schijnt dus, dat de priester, die gedegradeerd is, de Eucharistie niet kan consecreren.

Praeterea, ille qui aliquid dat, potest etiam auferre. Sed episcopus dat presbytero potestatem consecrandi ordinando ipsum. Ergo etiam potest ei auferre degradando ipsum. (IIIa q. 82 a. 8 arg. 2)

2 — Wie iets geeft, kan het ook afnemen. De bisschop nu geeft de consecratiemacht aan de priester door hem te wijden. Dus kan hij ze van hem weer afnemen door hem te degraderen.

Praeterea, sacerdos per degradationem aut amittit potestatem consecrandi, aut solam executionem. Sed non solam executionem, quia sic non plus amitteret degradatus quam excommunicatus, qui executione caret. Ergo videtur quod amittit potestatem consecrandi. Et ita videtur quod non possit conficere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 8 arg. 3)

3 — Door de degradatie verliest de priester de consecratiemacht of alleen de uitoefening ervan. Welnu, hij verliest niet alleen de uitoefening, omdat dan de gedegradeerde niet meer zou verliezen dan de geëxcommuniceerde, die ook de uitoefening mist. Het schijnt dus dat hij de consecratiemacht verliest en bijgevolg dit sacrament niet tot stand kan brengen.

Sed contra est quod Augustinus, in II contra Parmen., probat quod apostatae a fide non carent Baptismate, per hoc quod per poenitentiam redeuntibus non restituitur, et ideo non posse amitti iudicatur. Sed similiter degradatus, si reconcilietur, non est iterum ordinandus. Ergo non amisit potestatem consecrandi. Et ita sacerdos degradatus potest conficere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus bewijst dat «afvalligen het doopsel niet ontberen, aangezien dit bij hun rouwmoedige terugkeer niet overgedaan wordt, en men dus aanneemt, dat zij dit niet kunnen verliezen». Evenmin nu moet de gedegradeerde, als hij tot de verzoening wordt toegelaten, overgewijd worden. Hij verliest dus niet de consecratiemacht en kan dus dit sacrament tot stand brengen.

Respondeo dicendum quod potestas consecrandi Eucharistiam pertinet ad characterem sacerdotalis ordinis. Character autem quilibet, quia cum quadam consecratione datur, indelebilis est, ut supra dictum est, sicut et quarumcumque rerum consecrationes perpetuae sunt, nec amitti nec reiterari possunt. Unde manifestum est quod potestas consecrandi non amittitur per degradationem. Dicit enim Augustinus, in II contra Parmen., utrumque, scilicet Baptismus et ordo, sacramentum est, et quadam consecratione utrumque homini datur, et illud cum baptizatur, et illud cum ordinatur. Ideo non licet a Catholicis utrumque iterari. Et sic patet quod sacerdos degradatus potest conficere hoc sacramentum. (IIIa q. 82 a. 8 co.)

De macht om de Eucharistie te consecreren behoort tot het merkteken van het priesterschap. Elk merkteken nu is onverwoestbaar, gelijk boven (63e Kw. 5e Art.) gezegd is, evenals de consecraties van alle andere voorwerpen eeuwig duren, en niet verloren noch herhaald kunnen worden. Dus is het duidelijk, dat door de degradatie de consecratiemacht niet verloren wordt. Augustinus zegt immers: « Beide, namelijk het doopsel en de priesterwijding, zijn sacramenten en worden door een consecratie toegediend, het ene, wanneer iemand gedoopt wordt, het andere, wanneer iemand de wijding ontvangt. Daarom mogen de katholieken beide sacramenten niet een andere maal ontvangen ». En zo blijkt dat een priester, die gedegradeerd is, dit sacrament tot stand kan brengen.

Ad primum ergo dicendum quod canon ille non loquitur assertive, sed inquisitive, sicut ex circumstantia litterae haberi potest. (IIIa q. 82 a. 8 ad 1)

1 — Deze rechtsregel wil niet iets uitmaken, maar wil iets onderzoeken, zoals uit de samenhang blijkt.

Ad secundum dicendum quod episcopus non dat potestatem sacerdotalis ordinis propria virtute, sed instrumentaliter, sicut minister Dei, cuius effectus per hominem tolli non potest, secundum illud Matth. XIX, quos Deus coniunxit, homo non separet. Et ideo episcopus non potest hanc potestatem auferre, sicut nec ille qui baptizat potest auferre characterem baptismalem. (IIIa q. 82 a. 8 ad 2)

2 — De bisschop verleent de priesterlijke wijdingsmacht niet uit eigen kracht, maar als een werktuig, als dienaar van God, wiens werk door de mens niet tenietgedaan kan worden, volgens het gezegde bij Mattheus (19.6): « Wat God verbonden heeft, dat scheide geen mens ». Dus kan de bisschop deze macht niet meer afnemen, evenmin als hij die doopt, het merkteken van het doopsel kan wegnemen.

Ad tertium dicendum quod excommunicatio est medicinalis. Et ideo excommunicatis non aufertur executio sacerdotalis potestatis quasi in perpetuum, sed ad correctionem, usque ad tempus. Degradatis autem aufertur executio quasi in perpetuum condemnatis. (IIIa q. 82 a. 8 ad 3)

3 — De excommunicatie is als een geneesmiddel, en daarom wordt aan hen, die geëxcommuniceerd zijn, de uitoefening van de priesterlijke macht niet voor altijd ontnomen, maar voor een bepaalde tijd tot verbetering. Aan de gedegradeerden echter wordt de uitoefening ontnomen in de zin van een veroordeling voor heel het leven.

Articulus 9.
Is het geoorloofd de Communie te ontvangen van ketterse of geëxcommuniceerde of ook van zondige priesters, en hun Mis bij te wonen?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod aliquis licite possit communionem recipere a sacerdotibus haereticis vel excommunicatis, vel etiam peccatoribus, et ab eis Missam audire. Sicut enim Augustinus, contra Petilianum, dicit, neque in homine bono neque in homine malo aliquis Dei fugiat sacramenta. Sed sacerdotes, quamvis sint peccatores et haeretici vel excommunicati, verum conficiunt sacramentum. Ergo videtur quod non sit vitandum ab eis communionem accipere vel eorum Missam audire. (IIIa q. 82 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men de communie mag ontvangen van ketterse en geëxcommuniceerde of ook van zondige priesters en hun mis mag bijwonen. Zoals immers Augustinus zegt: «mag niemand Gods sacramenten schuwen noch bij een goed mens noch bij een slecht». Maar ook al is een priester een zondaar of een ketter of is hij geëxcommuniceerd, hij kan een waarachtig sacrament tot stand brengen. En daarom schijnt het, dat men niet moet vermijden van hen de communie te ontvangen of hun mis bij te wonen.

Praeterea, corpus Christi verum figurativum est corporis mystici, sicut supra dictum est. Sed a praedictis sacerdotibus verum corpus Christi consecratur. Ergo videtur quod illi qui sunt de corpore mystico, possint eorum sacrificiis communicare. (IIIa q. 82 a. 9 arg. 2)

2 — Het waarachtige Lichaam van Christus is een beeld voor het mystieke Lichaam, zoals boven (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. petuum, sed ad correctionem usque ad tempus. Degradatis autem aufertur executio quasi in perpetuum condemnatis. 1° Art. 2° Bed.) is uiteengezet. Maar door bovengenoemde priesters wordt het waarachtige Lichaam van Christus geconsacreerd. Daarom schijnt het, dat zij, die deel uitmaken van het mystieke Lichaam, aan hun offers mogen deelnemen.

Praeterea, multa peccata sunt graviora quam fornicatio. Sed non est prohibitum audire Missas sacerdotum aliter peccantium. Ergo etiam non debet esse prohibitum audire Missas sacerdotum fornicariorum. (IIIa q. 82 a. 9 arg. 3)

3 — Veel zonden zijn er, die zwaarder zijn dan ontucht. Maar het is niet verboden de mis bij te wonen van priesters, die andere zonden bedrijven. Evenmin dus moet het verboden worden de mis bij te wonen van ontuchtige priesters.

Sed contra est quod canon dicit, XXXII dist., nullus audiat Missam sacerdotis quem indubitanter concubinam novit habere. Et Gregorius dicit, in III Dialog., quod pater perfidus Arianum episcopum misit ad filium, ut ex eius manu sacrilegae consecrationis communionem acciperet, sed vir Deo devotus Ariano episcopo venienti exprobravit ut debuit. (IIIa q. 82 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat een Decretaal voorschrijft: « Niemand mag de Mis bijwonen van een priester, waarvan hij met zekerheid weet, dat hij een bijzit heeft ». En Gregorius zegt, dat « een trouweloze vader een Ariaanse bisschop naar zijn zoon gezonden had om hem uit zijn hand te laten communiceren van een heiligschennende consecratie, maar deze zoon was aan God gehecht en heeft de Ariaanse bisschop afgewezen, zoals het behoort ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, sacerdotes, si sint haeretici vel schismatici vel excommunicati, vel etiam peccatores, quamvis habeant potestatem consecrandi Eucharistiam, non tamen ea recte utuntur, sed peccant utentes. Quicumque autem communicat alicui in peccato, ipse particeps peccati efficitur, unde et in secunda canonica Ioannis legitur quod qui dixerit ei, ave, scilicet haeretico, communicat operibus illius malignis. Et ideo non licet a praedictis communionem accipere aut eorum Missam audire. Differt tamen inter praedictas sectas. Nam haeretici et schismatici et excommunicati sunt per sententiam Ecclesiae executione consecrandi privati. Et ideo peccat quicumque eorum Missam audit vel ab eis accipit sacramenta. Sed non omnes peccatores sunt per sententiam Ecclesiae executione huius potestatis privati. Et sic, quamvis sint suspensi quantum est ex sententia divina, non tamen quantum ad alios ex sententia Ecclesiae. Et ideo, usque ad sententiam Ecclesiae, licet ab eis communionem accipere et eorum Missam audire. Unde super illud I Cor. V, cum huiusmodi nec cibum sumere, dicit Glossa Augustini, hoc dicendo, noluit hominem ab homine iudicari ex arbitrio suspicionis, vel etiam extraordinario usurpato iudicio, sed potius ex lege Dei, secundum ordinem Ecclesiae, sive ultro confessum, vel accusatum et convictum. (IIIa q. 82 a. 9 co.)

Zoals boven (5° Art. 1° Antw.; 7° Art.) gezegd is, hebben de priesters als ze ketters, scheurmakers, geëxcommuniceerd of ook zondaars zijn, wel de macht om de Eucharistie te consecreren, maar maken zij er geen goed gebruik van en zondigen zij aldus doende. Wie echter met iemand omgaat bij diens zonde, wordt zelf deelgenoot van de zonde; daarom staat er dan ook in de Tweede Brief van Joannes (v. 11): « Wie een groet tot hem — d. w. z. tot een ketter — richt, neemt deel aan zijn boze werken ». Derhalve is het niet geoorloofd van bovengenoemden de communie te ontvangen en hun mis bij te wonen. Er is echter onderscheid te maken tussen genoemde sekten. Want ketters, en scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn door een veroordeling van de Kerk, uitgesloten van het uitoefenen der consecratie. Derhalve zondigt iedereen, die hun mis bijwoont of van hen sacramenten ontvangt. Maar niet alle zondaars zijn door de veroordeling van de Kerk uitgesloten van de uitoefening dezer macht. En zo zijn ze op zich wel geschorst door een goddelijke veroordeling, maar niet tengevolge van een kerkelijke uitspraak, die geldt ten opzichte van anderen. Daarom is het geoorloofd van hen de communie te ontvangen en hun mis te horen tot aan de kerkelijke veroordeling. Daarom staat er bij het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): « Met zulken zelfs niet te eten » in de Glossa van Augustinus: « Door dit te zeggen, wil de Apostel niet, dat de ene mens door de andere geoordeeld wordt op grond van vermoedens of ook van een onregelmatige en wederrechtelijke uitspraak, maar veeleer naar goddelijk gebod en kerkelijk voorschrift door middel van een zelfbekentenis of door een aanklacht met overtuigende bewijzen ».

Ad primum ergo dicendum quod in hoc quod refugimus audire talium sacerdotum Missam aut ab eis communionem recipere, non refugimus Dei sacramenta, sed potius ea veneramur, unde hostia a talibus sacerdotibus consecrata est adoranda, et, si reservetur, licite potest sumi a sacerdote legitimo. Sed refugimus culpam indigne ministrantium. (IIIa q. 82 a. 9 ad 1)

1 — Door te vermijden de Mis van zulke priesters bij te wonen of van hen de communie te ontvangen, schuwen wij Gods sacramenten niet, maar hebben er veeleer eerbied voor; daarom moet de hostie, die door zulke priesters is geconsacreerd, aanbeden worden en mag ze, in geval van bewaring, uit de hand van een wettige priester genuttigd worden. Maar wij schuwen de schuld van hen, die op onwaardige wijze consacreren.

Ad secundum dicendum quod unitas corporis mystici est fructus corporis veri percepti. Illi autem qui indigne percipiunt vel ministrant, privantur fructu, ut supra dictum est. Et ideo non est sumendum ex eorum dispensatione sacramentum ab eis qui sunt in unitate Ecclesiae. (IIIa q. 82 a. 9 ad 2)

2 — De eenheid van het mystieke Lichaam is de vrucht van het ontvangen van het waarachtige Lichaam. Wie echter op onwaardige wijze hieraan deelnemen of het bedienen, blijven verstoken van de vrucht, zoals boven (7° Art.; 80° Kw. 4° Art.) gezegd is. Daarom moeten zij die verenigd zijn met de Kerk geen door zulke mensen toegediende sacramenten ontvangen.

Ad tertium dicendum quod, licet fornicatio non sit gravior ceteris peccatis, tamen ad eam sunt homines proniores, propter carnis concupiscentiam. Et ideo specialiter hoc peccatum a sacerdotibus prohibitum est ab Ecclesia, ne aliquis audiat Missam concubinarii sacerdotis. Sed hoc intelligendum est de notorio, vel per sententiam quae fertur in convictum, vel confessionem in iure factam, vel quando non potest peccatum aliqua tergiversatione celari. (IIIa q. 82 a. 9 ad 3)

3 — Ofschoon ontucht niet zwaarder is dan de overige zonden, zijn toch de mensen daartoe meer geneigd, vanwege de begeerlijkheid des vleses. Daarom is deze zonde op bijzondere wijze door de Kerk aan de priesters verboden, zodat niemand de Mis van een ontuchtig priester mag bijwonen. Dit moet echter verstaan worden van een, die als zodanig bekend is, ofwel tengevolge van een uitspraak, die gedaan wordt na geleverd bewijs, of door een rechterlijk vastgelegde bekentenis ofwel door de klaarlijkheid van het feit, wanneer het namelijk onmogelijk is de zonde met behulp van welke uitvlucht dan ook te verhelen.

Articulus 10.
Mag een priester zich geheel onthouden van de consecratie der Eucharistie?

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod liceat sacerdoti omnino a consecratione Eucharistiae abstinere. Sicut enim ad officium sacerdotis pertinet Eucharistiam consecrare, ita etiam baptizare et in aliis sacramentis ministrare. Sed sacerdos non tenetur ministrare in aliis sacramentis, nisi propter curam animarum susceptam. Ergo videtur quod nec etiam teneatur Eucharistiam consecrare, si curam non habeat animarum. (IIIa q. 82 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de priester zich geheel mag onthouden van de consecratie van de Eucharistie. Evenals het immers tot de taak van een priester behoort de Eucharistie te consecreren, zo behoort het ook tot zijn taak te dopen en de andere sacramenten toe te dienen. Maar de priester is niet verplicht de andere sacramenten toe te dienen, als hij geen zielzorg heeft aangenomen. Daarom schijnt het, dat hij evenmin verplicht is de Eucharistie te consecreren, als hij geen zielzorg heeft.

Praeterea, nullus tenetur facere quod sibi non licet, alioquin esset perplexus. Sed sacerdoti peccatori, vel etiam excommunicato, non licet Eucharistiam consecrare, ut ex supra dictis patet. Ergo videtur quod tales non teneantur ad celebrandum. Et ita nec alii, alioquin ex sua culpa commodum reportarent. (IIIa q. 82 a. 10 arg. 2)

2 — Niemand is verplicht tot iets wat hij niet mag doen, want dan zou hij niet weten wat te doen. Maar een zondig en ook een geëxcommuniceerd priester mag niet de Eucharistie conserveren, zoals blijkt uit wat boven (5e Art. 1° Antw.; 7e Art.) gezegd is. Het schijnt dus dat zulken niet verplicht zijn de Mis op te dragen. Maar dan zijn ook de anderen niet ertoe verplicht: anders toch zouden de eersten voordeel hebben van hun schuld.

Praeterea, dignitas sacerdotalis non perditur per subsequentem infirmitatem, dicit enim Gelasius Papa, et habetur in decretis, dist. LV, praecepta canonum sicut non patiuntur venire ad sacerdotium debiles corpore, ita, si quis in eo fuerit constitutus ac tunc fuerit sauciatus, amittere non potest quod tempore suae sinceritatis accepit. Contingit autem quandoque quod ordinati in sacerdotes incurrunt aliquos defectus ex quibus a celebratione impediuntur, sicut est lepra, vel morbus caducus, vel aliquid huiusmodi. Non ergo videtur quod sacerdotes ad celebrandum teneantur. (IIIa q. 82 a. 10 arg. 3)

3 — De priesterlijke waardigheid wordt niet te niet gedaan door een later optredende ongesteldheid. Immers Paus Gelasius zegt, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: « Evenals de canonieke voorschriften niet toestaan dat zij, die te zwak van lichaam zijn, priester gewijd worden, zo kan hij die reeds gewijd is en dan ziek wordt, niet verliezen wat hij tijdens zijn gezondheid ontvangen heeft ». Het gebeurt echter soms, dat zij, die priester gewijd zijn, bepaalde ziekten oplopen, waardoor zij niet in staat zijn de Mis op te dragen, bijvoorbeeld melaatsheid of vallende ziekte of iets dergelijks. Daarom schijnt het dat de priesters niet verplicht zijn de Mis op te dragen.

Sed contra est quod Ambrosius dicit, in quadam oratione, grave est quod ad mensam tuam mundo corde et manibus innocentibus non venimus, sed gravius est si, dum peccata metuimus, etiam sacrificium non reddamus. (IIIa q. 82 a. 10 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « Het is erg, dat wij niet tot Uw tafel komen met rein hart en onschuldige handen, maar erger is het wanneer wij uit vrees voor de zonden U zelfs het offer niet opdragen ».

Respondeo dicendum quod quidam dixerunt quod sacerdos potest omnino licite a consecratione abstinere, nisi teneatur ex cura sibi commissa celebrare pro populo et sacramenta praebere. Sed hoc irrationabiliter dicitur. Quia unusquisque tenetur uti gratia sibi data cum fuerit opportunum, secundum illud II Cor. VI, hortamur vos ne in vacuum gratiam Dei recipiatis. Opportunitas autem sacrificium offerendi non solum attenditur per comparationem ad fideles Christi, quibus oportet sacramenta ministrari, sed principaliter per comparationem ad Deum, cui in consecratione huius sacramenti sacrificium offertur. Unde sacerdoti, etiam si non habeat curam animarum, non licet omnino a celebratione cessare, sed saltem videtur quod celebrare tenetur in praecipuis festis, et maxime in illis diebus in quibus fideles communicare consueverunt. Et hinc est quod II Machab. IV dicitur contra quosdam sacerdotes quod iam non circa altaris officia dediti erant, contempto templo et sacrificiis neglectis. (IIIa q. 82 a. 10 co.)

Sommigen hebben geleerd, dat een priester zich geheel mag onthouden van het consacreren der Eucharistie, behalve wanneer hij krachtens hem opgedragen zielzorg verplicht is de Mis te lezen voor het volk en de sacramenten toe te dienen. Maar het is onredelijk dat te houden. Iedereen toch is verplicht de hem geschonken genade te gebruiken naar gelang het te pas komt, overeenkomstig het woord uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 1): « Wij vermanen u om Gods genade niet vruchteloos te ontvangen ». Of het nu te pas komt het Misoffer op te dragen wordt niet alleen afgerekend naar de gelovige christenen, waaraan men de sacramenten moet toedienen, maar hoofdzakelijk naar God, aan wien door de consecratie van dit Sacrament een offer wordt opgedragen. Daarom mag een priester ook al heeft hij geen zielzorg, zich niet geheel onttrekken aan het opdragen van de Mis; en minstens schijnt hij ertoe verplicht op de voornaamste feesten en vooral op die dagen, waarop de gelovigen gewoonlijk te communie gaan. Daarom staat er ook geschreven in het Tweede Boek van de Machabeeën (4. 14) tegen sommige priesters: « dat zij niet meer zich wijdden aan de dienst van het altaar, de tempel verachtend en de offers verwaarlozend ».

Ad primum ergo dicendum quod alia sacramenta perficiuntur in usu fidelium. Et ideo in illis ministrare non tenetur nisi ille qui super fideles suscipit curam. Sed hoc sacramentum perficitur in consecratione Eucharistiae, in qua sacrificium Deo offertur, ad quod sacerdos obligatur ex ordine iam suscepto. (IIIa q. 82 a. 10 ad 1)

1 — De andere sacramenten komen tot stand bij het gebruik van de gelovigen. Daarom moet alleen hij die de zorg over de gelovigen op zich genomen heeft, deze sacramenten toedienen. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de Eucharistie, waardoor aan God het offer opgedragen wordt. En daartoe is iedere priester verplicht vanwege de wijding, die hij ontvangen heeft.

Ad secundum dicendum quod sacerdos peccator, si per sententiam Ecclesiae sit executione ordinis privatus vel simpliciter vel ad tempus, redditus est impotens ad sacrificium offerendum, et ideo obligatio tollitur. Hoc autem cedit sibi in detrimentum spiritualis fructus, magis quam in emolumentum. Si vero non sit privatus potestate celebrandi, non solvitur obligatio. Nec tamen est perplexus, quia potest de peccato poenitere et celebrare. (IIIa q. 82 a. 10 ad 2)

2 — Als een zondig priester door de uitspraak van de Kerk de uitoefening van de wijding wordt ontzegd, hetzij voor altijd of voor een bepaalde tijd, is hij onbekwaam om het Offer op te dragen en daarmee wordt zijn verplichting opgeheven. Dit is echter eerder in zijn geestelijk nadeel dan in zijn voordeel. Wordt hij echter niet beroofd van de offermacht, dan houdt de verplichting niet op. Echter is hij dan niet zo, dat hij niet weet wat te doen, omdat hij over zijn zonden berouw kan verwekken en dan de Mis opdragen.

Ad tertium dicendum quod debilitas vel aegritudo superveniens ordini sacerdotali ordinem non tollit, executionem tamen ordinis impedit quantum ad consecrationem Eucharistiae. Quandoque quidem propter impossibilitatem executionis, sicut si privetur oculis aut digitis, aut usu linguae. Quandoque autem propter periculum, sicut patet de eo qui patitur morbum caducum, vel etiam quamcumque alienationem mentis. Quandoque propter abominationem, sicut patet de leproso, qui non debet publice celebrare. Potest tamen dicere Missam occulte, nisi lepra adeo invaluerit quod per corrosionem membrorum eum ad hoc reddiderit impotentem. (IIIa q. 82 a. 10 ad 3)

3 — Ziekte of zwakheid, die iemand na zijn priesterwijding overkomt, heft deze wijding niet op, maar belet de uitoefening ervan wat betreft de consecratie van de Eucharistie. Soms omdat de uitoefening onmogelijk geworden is zoals door het verlies van ogen, vingers of van de spraak. Soms omdat ze gevaarlijk wordt, zoals blijkt bij hem, die aan vallende ziekte of geestverbijsteringen lijdt. Soms omdat de ziekte afstotelijk is zoals bij een melaatse, die daarom niet openlijk de Mis moet opdragen. Hij kan het in het verborgen doen, tenzij de melaatsheid zo is verergerd, dat zij door wegtering van de ledematen hem daartoe onbekwaam heeft gemaakt.