QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 80.
Over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament in het algemeen .

Prooemium

Deinde considerandum est de usu sive sumptione huius sacramenti. Et primo, in communi; secundo, quomodo Christus est usus hoc sacramento. Circa primum quaeruntur duodecim. Primo, utrum sint duo modi manducandi hoc sacramentum, scilicet sacramentaliter et spiritualiter. Secundo, utrum soli homini conveniat manducare spiritualiter. Tertio, utrum solius hominis iusti sit manducare sacramentaliter. Quarto, utrum peccator manducans sacramentaliter peccet. Quinto, de quantitate huius peccati. Sexto, utrum peccator accedens ad hoc sacramentum sit repellendus. Septimo, utrum nocturna pollutio impediat hominem a sumptione huius sacramenti. Octavo, utrum sit solum a ieiunis sumendum. Nono, utrum sit exhibendum non habentibus usum rationis. Decimo, utrum sit quotidie sumendum. Undecimo, utrum liceat omnino abstinere. Duodecimo, utrum liceat percipere corpus sine sanguine. (IIIa q. 80 pr.)

Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament en wel vooreerst in het algemeen; dan hoe Christus dit Sacrament heeft gebruikt. Omtrent het eerste stellen wij twaalf vragen. 1. Zijn er twee wijzen om dit Sacrament te eten nl. sacramenten en geestelijk? 2. Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te eten? 3. Is het alleen iets van de rechtvaardige sacramenten te eten? 4. Doet de zondaar, als hij sacramenten eet, een zonde? 5. Over de grootte van deze zonde. 6. Moet men een zondaar, die tot dit Sacrament nadert, afwijzen? 7. Is nachtelijke bevlekking voor de mens een beletsel dit Sacrament te gebruiken? 8. Mag het alleen maar gebruikt worden door hen, die nuchter zijn? 9. Mag men het toedienen aan hen, die niet het gebruik van het verstand hebben? 10. Mag men het dagelijks nuttigen? 11. Mag men er zich geheel van onthouden? 12. Mag men het Lichaam nuttigen zonder het Bloed?

Articulus 1.
Moet men twee wijzen onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non debeant distingui duo modi manducandi corpus Christi, scilicet spiritualiter et sacramentaliter. Sicut enim Baptismus est spiritualis regeneratio, secundum illud Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto etc., ita etiam hoc sacramentum est cibus spiritualis, unde dominus, loquens de hoc sacramento, dicit, Ioan. VI, verba quae ego locutus sum vobis, spiritus et vita sunt. Sed circa Baptismum non distinguitur duplex modus sumendi, scilicet sacramentalis et spiritualis. Ergo neque circa hoc sacramentum debet haec distinctio adhiberi. (IIIa q. 80 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men niet twee wijzen moet onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten, nl. sacramentieel en geestelijk. Want evenals het doopsel een geestelijke wedergeboorte is volgens Joannes (3. 5): « Indien iemand niet herboren wordt uit water en de Heilige Geest » enz., zo is dit Sacrament een geestelijke spijs. Vandaar dat bij Joannes (6. 64) de Heer, over dit Sacrament sprekend, zegt: « De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven ». Nu onderscheidt men bij het doopsel geen tweevoudige wijze van ontvangen, nl. sacramenteel en geestelijk. Dus moet men ook bij dit Sacrament deze onderscheiding niet aanwenden.

Praeterea, ea quorum unum est propter alterum, non debent ad invicem dividi, quia unum ab alio speciem trahit. Sed sacramentalis manducatio ordinatur ad spiritualem sicut ad finem. Non ergo debet sacramentalis manducatio contra spiritualem dividi. (IIIa q. 80 a. 1 arg. 2)

2 — Dingen, waarvan het een om het ander is, moet men niet tegen elkaar indelen, aangezien het ene soortelijk bepaald wordt door het andere. Welnu, het sacramenteel eten is gericht op het geestelijk eten als op zijn doel. Dus moet men het sacramenteel eten niet tegen het geestelijk indelen.

Praeterea, ea quorum unum non potest esse sine altero, non debent contra se dividi. Sed videtur quod nullus possit manducare spiritualiter nisi etiam sacramentaliter manducet, alioquin antiqui patres hoc sacramentum spiritualiter manducassent. Frustra etiam esset sacramentalis manducatio, si sine ea spiritualis esse posset. Non ergo convenienter distinguitur duplex manducatio, scilicet sacramentalis et spiritualis. (IIIa q. 80 a. 1 arg. 3)

3 — Dingen, waarvan het een niet kan zijn zonder het ander, moeten niet tegen elkaar worden ingedeeld. Nu schijnt niemand geestelijk te kunnen eten zonder ook sacramenteel te eten; anders zouden de oude Vaders dit sacrament geestelijk gegeten hebben. Het sacramenteel eten zou ook geen zin hebben, als zonder dat het geestelijk eten mogelijk zou zijn. Dus is het niet redelijk dat men bij dit sacrament een tweevoudig eten onderscheidt, namelijk sacramenteel en geestelijk.

Sed contra est quod, super illud I Cor. XI, qui manducat et bibit indigne etc., dicit Glossa, duos dicimus esse modos manducandi, unum sacramentalem, et alium spiritualem. (IIIa q. 80 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 29): « Wie onwaardig eet en drinkt » enz. de Glossa zegt: « Wij zeggen dat er twee wijzen van eten zijn, een sacramentale wijze en een geestelijke ».

Respondeo dicendum quod in sumptione huius sacramenti duo sunt consideranda, scilicet ipsum sacramentum, et effectus ipsius, de quorum utroque supra iam dictum est. Perfectus igitur modus sumendi hoc sacramentum est quando aliquis ita hoc sacramentum suscipit quod percipit eius effectum. Contingit autem quandoque, sicut supra dictum est, quod aliquis impeditur a percipiendo effectum huius sacramenti, et talis sumptio huius sacramenti est imperfecta. Sicut igitur perfectum contra imperfectum dividitur, ita sacramentalis manducatio, per quam sumitur solum sacramentum sine effectu ipsius, dividitur contra spiritualem manducationem, per quam aliquis percipit effectum huius sacramenti quo spiritualiter homo Christo coniungitur per fidem et caritatem. (IIIa q. 80 a. 1 co.)

Bij het gebruik van dit Sacrament moet men twee zaken beschouwen, namelijk het Sacrament zelf en het uitwerksel ervan, over welke twee zaken reeds boven is gesproken (73° Kw. — 79° Kw.). De volmaakte wijze om dit Sacrament te gebruiken heeft men dus, wanneer iemand dat Sacrament zo ontvangt, dat hij deelachtig wordt aan zijn uitwerksel. Maar soms gebeurt het, zoals boven gezegd is (79° Kw. 3° en 8° Art.), dat iemand verhinderd wordt aan het uitwerksel van dit Sacrament deelachtig te worden; en zulk een gebruik van dit Sacrament is onvolmaakt. Zoals derhalve het volmaakte tegenover het onvolmaakte wordt afgedeeld, zo wordt het sacramenteel eten, waardoor men het Sacrament alleen zonder het uitwerksel ontvangt, ingedeeld tegen het geestelijk eten, waardoor men deel heeft aan het uitwerksel van dit Sacrament, dat de mens geestelijker wijze door het geloof en de liefde met Christus verenigt.

Ad primum ergo dicendum quod etiam circa Baptismum, et alia huiusmodi sacramenta, similis distinctio adhibetur, nam quidam suscipiunt tantum sacramentum, quidam vero sacramentum et rem sacramenti. Hic tamen differt quia, cum alia sacramenta perficiantur in usu materiae, percipere sacramentum est ipsa perfectio sacramenti, hoc autem sacramentum perficitur in consecratione materiae, et ideo uterque usus est consequens hoc sacramentum. In Baptismo autem, et aliis sacramentis characterem imprimentibus, illi qui accipiunt sacramentum, recipiunt aliquem spiritualem effectum, scilicet characterem, quod non accidit in hoc sacramento. Et ideo magis in hoc sacramento distinguitur usus sacramentalis a spirituali quam in Baptismo. (IIIa q. 80 a. 1 ad 1)

1 — Ook bij het doopsel en andere dergelijke sacramenten wordt zulk een onderscheiding aangewend. Want sommigen ontvangen alleen het sacrament, sommigen echter het sacrament en de werkelijkheid van het sacrament. Maar hierin is er verschil dat, daar de andere sacramenten tot stand komen bij het gebruik van de stof, het ontvangen van het sacrament samenvalt met het tot stand komen ervan; daarentegen komt dit Sacrament tot stand bij de consecratie van de stof, zodat het tweevoudig gebruik ten opzichte van dit Sacrament iets gevolgelijks is. Verder wordt door de ontvangers van het doopsel en van de andere sacramenten, die een merkteken indrukken, altijd een geestelijk uitwerksel gekregen, namelijk het merkteken, hetgeen bij dit Sacrament niet gebeurt. Dus is er bij dit Sacrament méér reden dan bij het doopsel om het sacramenteel gebruik te onderscheiden van het geestelijk.

Ad secundum dicendum quod sacramentalis manducatio quae pertingit ad spiritualem, non dividitur contra spiritualem, sed includitur ab ea. Sed illa sacramentalis manducatio contra spiritualem dividitur quae effectum non consequitur, sicut imperfectum quod non pertingit ad perfectionem speciei, dividitur contra perfectum. (IIIa q. 80 a. 1 ad 2)

2 — Het sacramenteel eten, dat tevens geestelijk is, wordt niet ingedeeld tegen het geestelijke, maar is er bij ingesloten; dit sacramenteel eten wordt ingedeeld tegenover het geestelijke, wat geen uitwerking heeft — op de wijze, waarop het onvolmaakte, dat niet reikt tot aan de volmaaktheid aan de soort eigen, afgedeeld wordt tegenover het volmaakte.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, effectus sacramenti potest ab aliquo percipi, si sacramentum habeatur in voto, quamvis non habeatur in re. Et ideo, sicut aliqui baptizantur Baptismo flaminis, propter desiderium Baptismi, antequam baptizentur Baptismo aquae; ita etiam aliqui manducant spiritualiter hoc sacramentum antequam sacramentaliter sumant. Sed hoc contingit dupliciter. Uno modo, propter desiderium sumendi ipsum sacramentum, et hoc modo dicuntur baptizari et manducare spiritualiter et non sacramentaliter, illi qui desiderant sumere haec sacramenta iam instituta. Alio modo, propter figuram, sicut dicit apostolus, I Cor. X, quod antiqui patres baptizati sunt in nube et in mari, et quod spiritualem escam manducaverunt et spiritualem potum biberunt. Nec tamen frustra adhibetur sacramentalis manducatio, quia plenius inducit sacramenti effectum ipsa sacramenti susceptio quam solum desiderium, sicut supra circa Baptismum dictum est. (IIIa q. 80 a. 1 ad 3)

3 — Zoals boven is gezegd (68° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 3° Art.), kan iemand deelachtig worden aan het uitwerksel van een sacrament zonder het metterdaad te ontvangen, indien hij het begeert te ontvangen. Zoals er dus zijn die wegens hun verlangen gedoopt worden met het doopsel van begeerte vóór ze gedoopt worden met het doopsel des waters, zo zijn er ook die dit sacrament geestelijk eten, vóór ze het sacramenteel gebruiken. Dit gebeurt evenwel op twee manieren. Vooreerst als iemand het sacrament zelf wenst te ontvangen, en zóó spreekt men van geestelijk — niet sacramenteel gedoopt worden en eten bij hen, die deze sacramenten begeren te ontvangen, wanneer zij reeds zijn ingesteld. Vervolgens op een figuurlijke manier, volgens het woord van de Apostel (I Cor. 10. 2 vv.) dat de oude Vaders « gedoopt zijn in de wolk en in de zee » en dat zij « een geestelijke spijs hebben gegeten en een geestelijke drank hebben gedronken ». Met dat al behoudt het sacramenteel eten zijn zin, aangezien het eigenlijk ontvangen van dit sacrament op een meer volwaardige wijze het uitwerksel van het sacrament meedeelt dan alleen maar de begeerte, gelijk boven gezegd is met betrekking tot het doopsel (69e Kw. 4e Art. 2e Antw.).

Articulus 2.
Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te gebruiken?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non solius hominis sit hoc sacramentum sumere spiritualiter, sed etiam Angelorum. Quia super illud Psalmi, panem Angelorum manducavit homo, dicit Glossa, idest, corpus Christi, qui est vere cibus Angelorum. Sed hoc non esset si Angeli spiritualiter Christum non manducarent. Ergo Angeli spiritualiter Christum manducant. (IIIa q. 80 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet alleen iets van de mens is dit Sacrament geestelijk te gebruiken maar ook iets van de engelen. Want bij het psalmwoord: «De mens heeft de spijs der engelen gegeten» (Ps. 77. 25) zegt de Glossa: «t.w. het Lichaam van Christus, die de ware spijs der engelen is». Maar dat zou niet waar zijn, als de engelen Christus niet geestelijkerwijs aten. Dus eten de engelen Christus geestelijkerwijs.

Praeterea, Augustinus dicit, super Ioan., hunc cibum et potum societatem vult intelligi corporis et membrorum suorum, quod est Ecclesia in praedestinatis. Sed ad istam societatem non solum pertinent homines, sed etiam sancti Angeli. Ergo etiam sancti Angeli spiritualiter manducant. (IIIa q. 80 a. 2 arg. 2)

2 — Augustinus zegt: «Met deze spijs en drank wil Hij verstaan hebben de gemeenschap van Zijn Lichaam en Zijn ledematen d. i. de Kerk der voorbestemden». Maar tot die gemeenschap behoren niet alleen mensen maar ook de goede engelen. Dus eten ook de engelen op geestelijke wijze.

Praeterea, Augustinus, in libro de verbis domini, dicit, spiritualiter manducandus est Christus, quomodo ipse dicit, qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem, in me manet et ego in eo. Sed hoc convenit non solum hominibus, sed etiam sanctis Angelis, in quibus per caritatem est Christus, et ipsi in eo. Ergo videtur quod spiritualiter manducare non solum sit hominum, sed etiam Angelorum. (IIIa q. 80 a. 2 arg. 3)

3 — Augustinus zegt: «Christus moet geestelijk gegeten worden, want Hij Zelf zegt: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem». Maar dat laatste heeft men niet alleen bij mensen maar ook bij de goede engelen, in wie Christus verblijft door de liefde, zoals zij in Hem. Dus is geestelijk eten niet iets uitsluitends van mensen, maar is het ook iets van engelen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, super Ioan., panem de altari spiritualiter manducate, innocentiam ad altare portate. Sed Angelorum non est accedere ad altare, tanquam aliquid inde sumpturi. Ergo Angelorum non est spiritualiter manducare. (IIIa q. 80 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Eet het brood van het altaar op geestelijke wijze; brengt onschuld mee naar het altaar ». Maar engelen naderen niet tot het altaar om daarvan iets te nuttigen. Dus is het geestelijk eten niet iets van engels.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento continetur ipse Christus, non quidem in specie propria, sed in specie sacramenti. Dupliciter ergo contingit manducare spiritualiter. Uno modo, ipsum Christum prout in sua specie consistit. Et hoc modo Angeli spiritualiter manducant ipsum Christum, inquantum ei uniuntur fruitione caritatis perfectae et visione manifesta (quem panem expectamus in patria), non per fidem, sicut nos hic ei unimur. Alio modo contingit spiritualiter manducare Christum prout est sub speciebus huius sacramenti, inquantum scilicet aliquis credit in Christum cum desiderio sumendi hoc sacramentum. Et hoc non solum est manducare Christum spiritualiter, sed etiam spiritualiter manducare hoc sacramentum. Quod non competit Angelis. Et ideo Angeli, etsi spiritualiter manducent Christum, non convenit tamen eis spiritualiter manducare hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 2 co.)

In dit Sacrament is Christus Zelf vervat, wel niet in eigen gedaante maar in de gedaante van het Sacrament. Dus kan men op twee manieren Christus Zelf geestelijk eten. Vooreerst in diens eigen gedaante en op deze manier eten de engelen Christus Zelf geestelijkerwijs, voorzover zij met Hem verenigd zijn in het genot van de volmaakte liefde en de klare aanschouwing (welk brood wij in het Vaderland hopen te ontvangen), niet door het geloof, zoals wij hier met Hem verenigd zijn. Vervolgens kan men Christus geestelijk eten, voorzover Hij tegenwoordig is onder de gedaanten van dit Sacrament, wanneer namelijk iemand, in Christus gelovend, begeert dit Sacrament te ontvangen; en dit is niet alleen Christus geestelijk eten, maar ook dit Sacrament geestelijk eten. Dat komt niet toe aan de engelen. Hoewel dus de engelen Christus geestelijk eten, komt het hun niet toe dit Sacrament geestelijk te eten.

Ad primum ergo dicendum quod sumptio Christi sub hoc sacramento ordinatur, sicut ad finem, ad fruitionem patriae, qua Angeli eo fruuntur. Et quia ea quae sunt ad finem, derivantur a fine, inde est quod ista manducatio Christi qua eum sumimus sub hoc sacramento, quodammodo derivatur ab illa manducatione qua Angeli fruuntur Christo in patria. Et ideo dicitur homo manducare panem Angelorum, quia primo et principaliter est Angelorum, qui eo fruuntur in propria specie; secundario autem est hominum, qui Christum sub sacramento accipiunt. (IIIa q. 80 a. 2 ad 1)

1 — De nuttiging van Christus onder dit Sacrament is als op haar doel gericht op het zalig bezit in het Vaderland, zoals de engelen zich in Hem verlustigen. En omdat het op het doel gerichte afhankelijk is van het doel, daarom is dit eten van Christus, zoals wij Hem nuttigen onder het Sacrament, afhankelijk van het andere eten, dat eigen is aan de engelen, die Christus bezitten in het vaderland. Om die reden zegt men, dat de mens het brood der engelen eet, daar het immers op de eerste en voornaamste plaats iets is van de engelen, die Christus in eigen gedaante bezitten, terwijl het slechts op de tweede plaats iets is van de mensen, die Christus onder het Sacrament ontvangen.

Ad secundum dicendum quod ad societatem corporis mystici pertinent quidem et homines per fidem, Angeli autem per manifestam visionem. Sacramenta autem proportionantur fidei, per quam veritas videtur in speculo et in aenigmate. Et ideo hic, proprie loquendo, non Angelis, sed hominibus proprie convenit manducare spiritualiter hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 2 ad 2)

2 — Tot de gemeenschap van het mystiek Lichaam behoren inderdaad mensen en engelen, maar mensen door het geloof, engelen echter door de klare aanschouwing. Nu zijn de sacramenten aangepast aan het geloof, waardoor de waarheid in spiegel en raadsel wordt gezien. En het is daarom dat, om eigenlijk te spreken, niet engelen maar mensen dit Sacrament geestelijk kunnen eten.

Ad tertium dicendum quod Christus manet in hominibus secundum praesentem statum per fidem, sed in Angelis beatis est per manifestam visionem. Et ideo non est simile, sicut dictum est. (IIIa q. 80 a. 2 ad 3)

3 — Christus verblijft in de mensen, volgens de tegenwoordige staat der dingen, door het geloof, maar in de zalige engelen door de klare aanschouwing. En dus gaat de vergelijking niet op, gelijk gezegd is (2e Antw.).

Articulus 3.
Kan alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel eten?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod nullus possit manducare Christum sacramentaliter nisi homo iustus. Dicit enim Augustinus, in libro de remedio poenitentiae ut quid paras dentem et ventrem? Crede, et manducasti. Credere enim in eum, hoc est panem vivum manducare. Sed peccator non credit in eum, quia non habet fidem formatam, ad quam pertinet credere in Deum, ut in secunda parte habitum est. Ergo peccator non potest manducare hoc sacramentum, qui est panis vivus. (IIIa q. 80 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel kan eten. Augustinus immers zegt: «Wat staat gij bereid met tanden en maag? Geloof en ge hebt gegeten, want in Hem geloven, dat is een levend brood eten». Nu gelooft de zondaar niet in Hem, daar hij geen door de liefde gevormd geloof bezit, krachtens hetwelk men toch in God gelooft, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 2e Kw. 2e Art.; 4e Kw. 5e Art.). Dus kan de zondaar dit Sacrament, dat levend brood is, niet eten.

Praeterea, hoc sacramentum dicitur esse maxime sacramentum caritatis, ut supra dictum est. Sed, sicut infideles privantur fide, ita omnes peccatores sunt privati caritate. Infideles autem non videntur sacramentaliter posse sumere hoc sacramentum, cum in forma huius sacramenti dicatur, mysterium fidei. Ergo, pari ratione, nec aliquis peccatorum potest corpus Christi sacramentaliter manducare. (IIIa q. 80 a. 3 arg. 2)

2 — Dit Sacrament heet bovenal het « Sacrament van de liefde », zoals boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art.; 3e Bed.; 78e Kw. 3e Art. 6e Antw.). Evenals nu de ongelovigen het geloof missen, zo missen alle zondaars de liefde. Welnu: de ongelovigen kunnen dit Sacrament niet sacramenteel nuttigen, aangezien in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: « geheim des geloofs ». Dus kan evenmin een zondaar, wat voor dan ook, het Lichaam van Christus sacramenteel ontvangen.

Praeterea, peccator magis est abominabilis Deo quam creatura irrationalis, dicitur enim in Psalmo de homine peccatore, homo, cum in honore esset, non intellexit, comparatus est iumentis insipientibus, et similis factus est illis. Sed animal brutum, puta mus aut canis, non potest sumere hoc sacramentum, sicut etiam non potest sumere sacramentum Baptismi. Ergo videtur quod, pari ratione, neque peccatores hoc sacramentum manducent. (IIIa q. 80 a. 3 arg. 3)

3 — Een zondaar is voor God afschuwelijker dan een redeloos schepsel, want in het Boek der Psalmen (Ps. 48. 21) wordt over de zondige mens gezegd: « Toen de mens in eer was, heeft hij het niet begrepen, hij is gelijk geworden aan domme lastdieren en geworden zoals zij ». Welnu: een dier b.v. een muis of een hond kan dit sacrament niet ontvangen, evenals het het sacrament des doopsels niet kan ontvangen. Dus schijnen evenmin zondaars dit sacrament te eten.

Sed contra est quod super illud Ioan. VI, ut si quis manducaverit non moriatur, dicit Augustinus, multi de altari accipiunt, et accipiendo moriuntur, unde dicit apostolus, iudicium sibi manducat et bibit. Sed non moriuntur sumendo nisi peccatores. Ergo peccatores corpus Christi sacramentaliter manducant, et non solum iusti. (IIIa q. 80 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 49): « Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven » Augustinus aantekent: « Velen ontvangen van het altaar en dat ontvangen is hun dood, weshalve de Apostel zegt: Hij eet en drinkt zich een oordeel ». Nu zijn het alleen de zondaars, die sterven door te ontvangen. Dus eten ook de zondaars op sacramentële wijze het Lichaam van Christus, en niet alleen de rechtvaardigen.

Respondeo dicendum quod circa hoc quidam antiqui erraverunt, dicentes quod corpus Christi nec etiam a peccatoribus sacramentaliter sumitur, sed, quam cito labiis peccatoris figitur, tam cito sub speciebus sacramentalibus desinit esse corpus Christi. Sed hoc est erroneum. Derogat enim veritati huius sacramenti, ad quam pertinet, sicut supra dictum est, quod, manentibus speciebus corpus Christi sub eis esse non desinat. Species autem manent quandiu substantia panis maneret si ibi adesset, ut supra dictum est. Manifestum est autem quod substantia panis assumpta a peccatore non statim esse desinit, sed manet quandiu per calorem naturalem digeratur. Unde tandiu corpus Christi sub speciebus sacramentalibus manet a peccatoribus sumptis. Unde dicendum est quod peccator sacramentaliter corpus Christi manducare potest, et non solum iustus. (IIIa q. 80 a. 3 co.)

In deze zaak hebben sommige ouderen zich vergist, zeggende dat het Lichaam van Christus door de zondaars zelfs niet sacramenteel wordt ontvangen: zodra het Lichaam van Christus in aanraking komt met de zondaars lippen, houdt het op te zijn onder de sacramentale gedaanten. Maar dat is een dwaling, daar het te kort doet aan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke eist, zoals boven is gezegd (76° Kw. 6° Art. 3° Antw.; 77° Kw. 8° Art.), dat Christus bij het blijven van de gedaanten onder haar voortduurt. Maar de gedaanten blijven, zolang als de zelfstandigheid van het brood zou blijven, indien het aanwezig was, gelijk boven is gezegd (77° Kw. 4° Art.). Nu is het zonneklaar, dat de zelfstandigheid van brood, die een zondaar tot zich zou nemen, niet onmiddellijk ophoudt, maar blijft, totdat zij door de natuurlijke warmte verteert: dus blijft evenlang het Lichaam van Christus onder de sacramentale gedaanten, die zondaars gebruiken. Dus moet men zeggen, dat ook de zondaar het Lichaam van Christus sacramenteel kan eten en niet alleen de rechtvaardige.

Ad primum ergo dicendum quod verba illa, et similia, sunt intelligenda de spirituali manducatione, quae peccatoribus non convenit. Et ideo ex pravo intellectu horum verborum videtur praedictus error processisse, dum nescierunt distinguere inter corporalem et spiritualem manducationem. (IIIa q. 80 a. 3 ad 1)

1 — Die woorden en al dergelijke zijn te verstaan van het geestelijk eten, dat aan de zondaars ontgaat. Uit een verkeerd begrijpen derhalve van die woorden schijnt de boven aangegeven dwaling te zijn voortgekomen, voorzover zij niet wisten te onderscheiden tussen het lichamelijk en het geestelijk eten.

Ad secundum dicendum quod etiam si infidelis sumat species sacramentales, corpus Christi sub sacramento sumit. Unde manducat Christum sacramentaliter, si ly sacramentaliter determinat verbum ex parte manducati. Si autem ex parte manducantis, tunc, proprie loquendo, non manducat sacramentaliter, quia non utitur eo quod accipit ut sacramento, sed ut simplici cibo. Nisi forte infidelis intenderet recipere id quod Ecclesia confert, licet non haberet fidem veram circa alios articulos, vel circa hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 3 ad 2)

2 — Ook wanneer een ongelovige de sacramentale gedaanten nuttigt, nuttigt hij het Lichaam van Christus onder het Sacrament. Dus eet hij Christus sacramenteel, als men het woord sacramenteel laat slaan op het gegetene. Als men het echter laat slaan op degene die eet, dan moet men eigenlijk zeggen dat hij niet sacramenteel eet daar hij het ontvangen niet als Sacrament maar als gewone spijs tot zich neemt. Tenzij misschien de ongelovige zou bedoelen te ontvangen wat de Kerk uitdeelt, al zou hij dan niet rechtgelovig zijn met betrekking tot andere geloofswaarden of zelfs met betrekking tot dit Sacrament.

Ad tertium dicendum quod, etiam si mus aut canis hostiam consecratam manducet, substantia corporis Christi non desinet esse sub speciebus quandiu species illae manent, hoc est, quandiu substantia panis maneret, sicut etiam si proiiceretur in lutum. Nec hoc vergit in detrimentum dignitatis Christi, qui voluit a peccatoribus crucifigi absque diminutione suae dignitatis, praesertim cum mus aut canis non tangat ipsum corpus Christi secundum propriam speciem, sed solum secundum species sacramentales. Quidam autem dixerunt quod, statim cum sacramentum tangitur a mure vel cane, desinit ibi esse corpus Christi. Quod etiam derogat veritati sacramenti, sicut supra dictum est. Nec tamen dicendum est quod animal brutum sacramentaliter corpus Christi manducet, quia non est natum uti eo ut sacramento. Unde non sacramentaliter, sed per accidens corpus Christi manducat sicut manducaret ille qui sumeret hostiam consecratam quia nesciens eam esse consecratam. Et quia id quod est per accidens non cadit in divisione alicuius generis, ideo hic modus manducandi corpus Christi non ponitur tertius, praeter sacramentalem et spiritualem. (IIIa q. 80 a. 3 ad 3)

3 — Ook wanneer een muis of een hond een geconsacreerde hostie eet, blijft de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus onder de gedaanten, zolang die gedaanten blijven, d.i. zolang de zelfstandigheid van het brood zou blijven, even goed als wanneer het in het slijk zou worden geworpen. Dat doet niet af aan de waardigheid van het Lichaam van Christus, die zonder iets aan Zijn waardigheid te verliezen door zondaars heeft willen gekruisigd worden, temeer daar een muis of hond het Lichaam zelf van Christus in eigen gedaante niet aanraakt maar alleen in sacramentale gedaante. Sommigen hebben wel gezegd, dat Christus onder het Sacrament ophoudt, zodra dit door een muis of hond wordt aangeraakt, maar ook dit doet te kort aan de waarachtigheid van het Sacrament, gelijk boven gezegd is (in de Leerst.). Toch moet men niet zeggen, dat een dier het Lichaam van Christus sacramenteel eet: het heeft immers geen vermogen om het sacramenteel te gebruiken, maar eet het zijdelings, zoals iemand zou doen, die een geconsacreerde hostie zou nuttigen zonder te weten, dat zij geconsacreerd was. En daar het zijdelingsche bij de indeeling van een geslacht wordt verwaarloosd, daarom wordt deze wijze om het Lichaam van Christus te eten niet als derde gesteld naast de sacramentale en de geestelijke.

Articulus 4.
Doet de zondaar, als hij sacramenteel het Lichaam van Christus eet, een zonde?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod peccator sumens corpus Christi sacramentaliter non peccet. Non enim est maioris dignitatis Christus sub specie sacramenti quam sub specie propria. Sed peccatores tangentes corpus Christi in substantia propria non peccabant, quin immo veniam peccatorum consequebantur, sicut legitur Luc. VII de muliere peccatrice; et Matth. XIV dicitur, quicumque tetigerunt fimbriam vestimenti eius, salvi facti sunt. Ergo non peccant, sed magis salutem consequuntur, sacramentum corporis Christi sumendo. (IIIa q. 80 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een zondaar geen zonde doet, als hij het Lichaam van Christus sacramenteel eet. Want Christus onder de gedaante van het Sacrament heeft geen hogere waardigheid dan onder eigen gedaante. Toen nu zondaars het Lichaam van Christus onder eigen gedaante aanraakten, deden zij geen zonde, veeleer kregen zij vergiffenis van hun zonden, zoals men bij Lucas (7. 36 vv.) leest van de zondige vrouw; en bij Mattheus (14. 36) staat: « Alwie de zoom van Zijn kleed aanraakten werden geheeld ». Door dus het Sacrament van het Lichaam van Christus te ontvangen zondigen zij niet, maar ontvangen zij veeleer het heil.

Praeterea, hoc sacramentum, sicut et alia, est quaedam spiritualis medicina. Sed medicina datur infirmis ad salutem, secundum illud Matth. IX, non est opus valentibus medicus, sed male habentibus. Infirmi autem vel male habentes spiritualiter sunt peccatores. Ergo hoc sacramentum sumi potest absque culpa. (IIIa q. 80 a. 4 arg. 2)

2 — Dit Sacrament is evenals de andere een geestelijk geneesmiddel. Nu geeft men een geneesmiddel aan zieken, tot hun genezing, volgens Mattheus (9. 12): « De geneesheer is niet nodig voor de gezonden, maar voor wie zwak zijn ». Welnu geestelijk ziek en zwak zijn de zondaars. Dus kunnen zij dit Sacrament zonder schuld te bedrijven ontvangen.

Praeterea, hoc sacramentum, cum in se Christum contineat, est de maximis bonis. Maxima autem bona sunt, secundum Augustinum, in libro de Lib. Arbit., quibus nullus male potest uti. Nullus autem peccat nisi per abusum alicuius rei. Ergo nullus peccator sumens hoc sacramentum peccat. (IIIa q. 80 a. 4 arg. 3)

3 — Dit Sacrament hoort, als Christus in zich bevattend, onder de allergrootste goederen. Volgens Augustinus nu zijn dat de allergrootste goederen, die niemand slecht kan gebruiken. Maar niemand zondigt tenzij door het misbruik van iets. Dus doet nooit een zondaar, dat Sacrament ontvangend, zonde.

Praeterea, sicut hoc sacramentum sentitur gustu et tactu, ita et visu. Si ergo peccator peccet ex eo quod sumit hoc sacramentum gustu et tactu, videtur quod etiam peccaret videndo. Quod patet esse falsum, cum Ecclesia omnibus hoc sacramentum videndum et adorandum proponat. Ergo peccator non peccat ex hoc quod manducat hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 4 arg. 4)

4 — Dit Sacrament wordt door smaak en tastzin geraakt, maar ook door het gezicht. Als dus een zondaar zondigt door dit Sacrament te ontvangen, dan zou hij, naar het schijnt, ook zondigen door ernaar te kijken, hetgeen blijkbaar vals is, daar de Kerk dit Sacrament aan allen ter aanschouwing en ter aanbidding voorhoudt. Dus doet een zondaar geen kwaad door dit Sacrament te eten.

Praeterea, contingit quandoque quod aliquis peccator non habet conscientiam sui peccati. Nec tamen talis peccare videtur corpus Christi sumendo, quia, secundum hoc, omnes peccarent qui sumunt, quasi periculo se exponentes; cum apostolus dicit, I Cor. IV, nihil mihi conscius sum, sed non in hoc iustificatus sum. Non ergo videtur quod peccatori cedat in culpam si hoc sacramentum sumat. (IIIa q. 80 a. 4 arg. 5)

5 — Het komt wel eens voor, dat een zondaar zich van zijn zonde niet bewust is en zo iemand schijnt niet te zondigen, als hij het Lichaam van Christus nuttigt, aangezien op die manier allen zouden zondigen door roekeloos te handelen: de Apostel zegt immers (I Cor. 4. 4): « Ik ben mij van niets bewust, maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd ». Dus schijnt het de zondaar niet tot schuld te strekken, als hij dit Sacrament nuttigt.

Sed contra est quod apostolus dicit, I Cor. XI, qui manducat et bibit indigne, iudicium sibi manducat et bibit. Dicit autem Glossa ibidem, indigne manducat et bibit qui in crimine est, vel irreverenter tractat. Ergo qui est in peccato mortali, si hoc sacramentum accipiat, damnationem acquirit, mortaliter peccans. (IIIa q. 80 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van de Apostel: « Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel » (I Cor. 11. 29). Nu zegt de Glossa daarbij: « Hij eet en drinkt onwaardig, die in grote zonde is of oneerbiedig optreedt ». Derhalve haalt iemand, die in doodszonde dit Sacrament ontvangt, zich een veroordeling op de hals en bedrijft hij dus een doodszonde.

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento, sicut in aliis, id quod est sacramentum est signum eius quod est res sacramenti. Duplex autem est res huius sacramenti, sicut supra dictum est, una quidem quae est significata et contenta, scilicet ipse Christus; alia autem est significata et non contenta, scilicet corpus Christi mysticum, quod est societas sanctorum. Quicumque ergo hoc sacramentum sumit, ex hoc ipso significat se esse Christo unitum et membris eius incorporatum. Quod quidem fit per fidem formatam, quam nullus habet cum peccato mortali. Et ideo manifestum est quod quicumque cum peccato mortali hoc sacramentum sumit, falsitatem in hoc sacramento committit. Et ideo incurrit sacrilegium, tanquam sacramenti violator. Et propter hoc mortaliter peccat. (IIIa q. 80 a. 4 co.)

Evenals bij de andere sacramenten is ook hier het Sacrament het teken van de werkelijkheid van het Sacrament. Nu is, zoals boven werd gezegd (73° Kw. 6° Art.) de werkelijkheid van dit Sacrament tweevoudig: de ene is betekend en vervat, namelijk Christus Zelf, de andere is betekend maar niet vervat, namelijk het mystieke Lichaam van Christus, dat de gemeenschap der heiligen is. Alwie daarom dit Sacrament nuttigt, betekent door dat feit alleen reeds, dat hij verenigd is met Christus en ingelijfd bij zijn ledematen, hetgeen gebeurt door het gevormde geloof, dat door niemand tegelijk met de doodszonde wordt bezeten. En dus begaat iedereen, die dit Sacrament met een doodszonde ontvangt een onwaarheid tegen dit Sacrament; bijgevolg bedrijft hij, als schenner van het Sacrament, een heiligschennis en doet hij op die manier een doodszonde.

Ad primum ergo dicendum quod Christus in propria specie apparens non exhibebat se tangendum hominibus in signum spiritualis unionis ad ipsum, sicut exhibetur sumendus in hoc sacramento. Et ideo peccatores eum in propria specie tangentes non incurrebant crimen falsitatis circa divina, sicut peccatores sumentes hoc sacramentum. Et praeterea Christus adhuc gerebat similitudinem carnis peccati, et ideo convenienter se peccatoribus tangendum exhibebat. Sed, remota similitudine carnis peccati per gloriam resurrectionis se tangi prohibuit a muliere, quae defectum fidei circa ipsum patiebatur, secundum illud Ioan. XX, noli me tangere, nondum enim ascendi ad patrem meum, scilicet in corde tuo, ut Augustinus exponit. Et ideo peccatores, qui defectum fidei patiuntur formatae circa ipsum, repelluntur a contactu huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 4 ad 1)

1 — Toen Christus in eigen gedaante aan de mensen verscheen, liet Hij zich niet door de mensen aanraken als een teken van de geestelijke eenheid met Hem, zoals Hij in dit Sacrament wordt gegeven aan de ontvangers. En het is daarom dat de zondaars, die Hem in eigen gedaante aanraakten, geen misdrijf van onwaarheid begingen tegenover het goddelijke zoals de zondaars, die dit Sacrament ontvangen. Bovendien vertoonde Christus nog altijd de gelijkenis van het vlees der zonde en was het dus redelijk, dat Hij Zich door de zondaars liet aanraken. Maar toen de gelijkenis van het vlees der zonde door de glorie van de verrijzenis was weggenomen, gedoogde Hij geen aanraking door de vrouw, die te Zijn opzichte te kort schoot in geloof, volgens het woord van Joannes (20. 17): « Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet opgestegen tot de Vader » t.w. « in uw hart, » zoals Augustinus verklaart. Daarom worden de zondaars, die met betrekking tot Christus het gevormde geloof missen, van de aanraking van dit Sacrament verwijderd gehouden.

Ad secundum dicendum quod non quaelibet medicina competit secundum quemlibet statum. Nam medicina quae datur iam liberatis a febre ad confortationem, noceret si daretur adhuc febricitantibus. Ita etiam Baptismus et poenitentia sunt medicinae purgativae, quae dantur ad tollendam febrem peccati. Hoc autem sacramentum est medicina confortativa, quae non debet dari nisi liberatis a peccato. (IIIa q. 80 a. 4 ad 2)

2 — Niet elk geneesmiddel past bij elke stand van de ziekte, want het geneesmiddel, dat ter aansterking wordt gegeven aan de reeds van de koorts bevrijden, zou schaden, indien het werd gegeven aan wie nog koorts hebben. Op die manier zijn het doopsel en de biecht als reinigende geneesmiddelen, die worden gegeven om de koorts der zonde weg te nemen; dit sacrament echter is een versterkend geneesmiddel, dat alleen maar aan van de zonde bevrijden moet worden gegeven.

Ad tertium dicendum quod maxima bona ibi intelligit Augustinus virtutes animae, quibus nullus male utitur quasi principiis mali usus. Utitur tamen eis aliquis male quasi obiectis mali usus, ut patet in his qui de virtutibus superbiunt. Ita et hoc sacramentum, quantum est ex se, non est principium mali usus, sed obiectum. Unde Augustinus dicit, multi indigne accipiunt corpus domini, per quod docemur quam cavendum sit male accipere bonum. Ecce enim, factum est malum dum male accipitur bonum, sicut e contra apostolo factum est bonum cum bene accipitur malum, scilicet cum stimulus Satanae patienter portatur. (IIIa q. 80 a. 4 ad 3)

3 — Augustinus bedoelt met de allergrootste goederen de deugden van de ziel, welke niemand verkeerd gebruikt als beginselen van verkeerd gebruik; men kan ze echter verkeerd gebruiken als voorwerp van verkeerd gebruik, zoals blijkt bij hen, die zich verhoeven over hun deugden. Zo is ook dit sacrament uit zich geen beginsel van slecht gebruik maar voorwerp. Vandaar dat Augustinus zegt: « Velen ontvangen op onwaardige wijze het Lichaam van Christus, hetgeen ons leert, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want zie, hoe door het goede het slechte is gekomen, nu het goede slecht wordt ontvangen; zoals daarentegen voor de Apostel door het slechte het goede is gekomen, toen hij het slechte goed aannam » d.w.z. toen hij de prikkel van de Satan geduldig verdroeg.

Ad quartum dicendum quod per visum non accipitur ipsum corpus Christi, sed solum sacramentum eius, quia scilicet non pertingit visus ad substantiam corporis Christi, sed solum ad species sacramentales, ut supra dictum est. Sed ille qui manducat, non solum sumit species sacramentales, sed etiam Christum, qui est sub eis. Et ideo a visione corporis Christi nullus prohibetur qui sit sacramentum Christi consecutus, scilicet Baptismum, nonbaptizati autem non sunt admittendi etiam ad inspectionem huius sacramenti, ut patet per Dionysium, in libro Eccles. Hier. Sed ad manducationem non sunt admittendi nisi soli illi qui non solum sacramentaliter, sed etiam realiter sunt Christo coniuncti. (IIIa q. 80 a. 4 ad 4)

4 — Door het gezicht vat men niet het Lichaam zelf van Christus, maar alleen het sacrament ervan, aangezien het gezicht niet doordringt tot de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, maar alleen tot de sacramentale gedaanten, gelijk boven is gezegd (76° Kw. 7° Art.). Daarentegen ontvangt hij die eet niet alleen de sacramentale gedaanten maar ook de daaronder tegenwoordige Christus Zelf. Daarom houdt men niemand, die een sacrament van Christus deelachtig werd, t.w. het doopsel, af van het aanschouwen van het Lichaam van Christus. Ongedoopten echter moet men niet toestaan dit sacrament te aanschouwen, zoals blijkt uit Dionysius. Maar tot het eten moet men alleen diegenen toelaten, die niet alleen sacramenteel maar ook werkelijk met Christus zijn verbonden.

Ad quintum dicendum quod hoc quod non habet aliquis conscientiam sui peccati, potest contingere dupliciter. Uno modo, per culpam suam, vel quia per ignorantiam iuris, quae non excusat, reputat non esse peccatum quod est peccatum, puta si aliquis fornicator reputaret simplicem fornicationem non esse peccatum mortale; vel quia negligens est in examinatione sui ipsius, contra id quod apostolus dicit, I Cor. XI, probet autem seipsum homo, et sic de pane illo edat et de calice bibat. Et sic nihilominus peccat peccator sumens corpus Christi, licet non habeat conscientiam peccati, quia ipsa ignorantia est ei peccatum. Alio modo potest contingere sine culpa ipsius, puta, cum doluit de peccato, sed non est sufficienter contritus. Et in tali casu non peccat sumendo corpus Christi, quia homo per certitudinem scire non potest utrum sit vere contritus. Sufficit tamen si in se signa contritionis inveniat, puta ut doleat de praeteritis et proponat cavere de futuris. Si vero ignorat hoc quod fecit esse actum peccati propter ignorantiam facti, quae excusat, puta si accessit ad non suam quam credebat esse suam, non est ex hoc dicendus peccator. Similiter etiam, si totaliter est peccatum oblitus, sufficit ad eius deletionem generalis contritio, ut infra dicetur. Unde iam non est dicendus peccator. (IIIa q. 80 a. 4 ad 5)

5 — Dat iemand zich van zijn zonde niet bewust is, kan op twee manieren gebeuren. Vooreerst door eigen schuld of doordat hij, de wet niet kennend (hetgeen niet vrij uitgaat), niet voor zonde aanziet, wat wel zonde is b.v. als een ontuchtige zou menen, dat eenvoudige ontucht geen doodzonde is; of doordat hij nalatig is in zijn gewetensonderzoek, tegen het woord van de Apostel: « De mens onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke dan van de kelk » (I Cor. 11. 28). In dat geval zondigt hij, die in zonde het Lichaam van Christus nuttigt, al is hij zich van zijn zonde niet bewust, en de reden is, dat die onwetendheid op zich hem tot zonde is. Vervolgens kan hetzelfde zonder zijn schuld gebeuren b.v. als hij bedroefd is geweest over zijn zonde maar het berouw niet voldoende was: in dat geval doet hij, het Lichaam van Christus nuttigend, geen zonde, daar de mens niet met zekerheid kan weten, of hij echt berouw heeft; het is voldoende, als hij in zich tekenen van berouw vindt b.v. als hij bedroefd is over het verleden en zich voorneemt op zijn hoede te zijn voor het toekomstige. Indien iemand echter niet weet dat, hetgeen hij deed, een slechte daad was, tengevolge van een onjuist oordeel over de daad (dit doet vrij uitgaan) b.v. als hij gemeenschap heeft gehad met iemand, die zijn vrouw niet was, maar door hem daarvoor werd aangezien, dan mag men hem om dit feit geen zondaar noemen. Iets dergelijks: indien iemand zijn zonde volkomen is vergeten, is een algemeen berouw tot uitdelging daarvan voldoende, zoals later gezegd zal worden (Supplement 2° Kw. 3e Art. 2e Antw.), en dus mag men hem geen zondaar meer noemen.

Articulus 5.
Is het naderen tot dit Sacrament met schuld­ bewustzijn de grootste van alle zonden?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod accedere ad hoc sacramentum cum conscientia peccati sit gravissimum omnium peccatorum. Dicit enim apostolus, I Cor. XI, quicumque manducaverit panem et biberit calicem domini indigne, reus erit corporis et sanguinis domini, Glossa ibidem, ac si Christum occiderit, punietur. Sed peccatum Christum occidentium videtur fuisse gravissimum. Ergo et hoc peccatum, quo aliquis cum conscientia peccati ad mensam domini accedit, videtur esse gravissimum. (IIIa q. 80 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden is. De Apostel zegt immers (I Cor. 11, 27): «Alwie onwaardig van dit brood eet en de kelk des Heren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren» «d. i.» aldus de Glossa «zal gestraft worden, als had hij Christus gedood». Nu schijnt de zonde van hen, die Christus doodden, de zwaarste van alle zonden geweest te zijn. Dus schijnt ook deze zonde van met schuldbewustzijn tot de tafel van Christus te naderen de allerzwaarste te zijn.

Praeterea, Hieronymus dicit, in quadam epistola, quid tibi cum feminis, qui ad altare cum domino fabularis? Dic, sacerdos, dic, clerice, qualiter cum eisdem labiis filium Dei oscularis quibus osculatus es filiam meretricis. O Iuda, osculo filium hominis tradis. Et sic videtur fornicator ad mensam Christi accedens peccare sicut Iudas peccavit, cuius peccatum fuit gravissimum. Sed multa alia peccata sunt graviora quam peccatum fornicationis, et praecipue peccatum infidelitatis. Ergo cuiuslibet peccatoris ad mensam Christi accedentis peccatum est gravissimum. (IIIa q. 80 a. 5 arg. 2)

2 — Hieronymus zegt in een brief: «Wat hebt u te doen met vrouwen, die aan het altaar met God spreekt? Zeg op, priester, zeg op, geestelijke, hoe kust u met dezelfde lippen de Zoon van God, waarmee u de lippen van de hoer hebt gekust? Verraadt u, met Judas, de Zoon des mensen door een kus?» Dus schijnt de ontuchtige, die tot de tafel van Christus nadert, te zondigen, zoals Judas zondigde — en zijn zonde was de zwaarste van allemaal. Nu zijn vele andere zonden zwaarder dan de zonde van ontucht, vooral de zonde van ongeloof. En derhalve is de zonde van welke zondaar dan ook, die tot de tafel van Christus nadert, de zwaarste van alle.

Praeterea, magis est abominabilis Deo immunditia spiritualis quam corporalis. Sed si quis proiiceret corpus Christi in lutum vel sterquilinium, gravissimum reputaretur esse peccatum. Ergo gravius peccat si ipsum sumat cum peccato, quod est immunditia spiritualis. Ergo hoc peccatum est gravissimum. (IIIa q. 80 a. 5 arg. 3)

3 — Voor God is geestelijke onreinheid afschuwelijker dan lichamelijke. Welnu, als iemand het Lichaam van Christus in het slijk of op de mesthoop wierp, zou men zijn zonde voor het allerergste aanzien. Dus doet hij groter kwaad door het te ontvangen in zonde, d.i. geestelijke onreinheid. Dus is deze zonde het allerergst.

Sed contra est quod, super illud Ioan. XV, si non venissem, et locutus eis non fuissem, peccatum non haberent, dicit Augustinus hoc esse intelligendum de peccato infidelitatis, quo retinentur cuncta peccata. Et ita videtur hoc peccatum non esse gravissimum, sed magis peccatum infidelitatis. (IIIa q. 80 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (15. 22): « Indien Ik niet was gekomen en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben » Augustinus opmerkt, dat dit te verstaan is van de zonde van ongeloof « die alle zonden insluit »: de besproken zonde schijnt dus niet de zwaarste te zijn, maar veeleer de zonde van ongeloof.

Respondeo dicendum quod, sicut in secunda parte habitum est, dupliciter aliquod peccatum potest dici gravius alio, uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, secundum rationem suae speciei, quae attenditur ex parte obiecti. Et secundum hoc, quanto id contra quod peccatur est maius, tanto peccatum est gravius. Et quia divinitas Christi est maior humanitate ipsius; et ipsa humanitas est potior quam sacramenta humanitatis, inde est quod gravissima peccata sunt quae committuntur in ipsam divinitatem, sicut est peccatum infidelitatis et blasphemiae. Secundario autem sunt gravia peccata quae committuntur in humanitatem Christi, unde Matth. XII dicitur, qui dixerit verbum contra filium hominis, remittetur ei, qui autem dixerit verbum contra spiritum sanctum, non remittetur ei neque in hoc saeculo neque in futuro. Tertio autem loco sunt peccata quae committuntur contra sacramenta, quae pertinent ad humanitatem Christi. Et post hoc sunt alia peccata, contra puras creaturas. Per accidens autem unum peccatum est gravius alio ex parte peccantis, puta, peccatum quod est ex ignorantia vel infirmitate, est levius peccato quod est ex contemptu vel ex certa scientia; et eadem ratio est de aliis circumstantiis. Et secundum hoc, illud peccatum in quibusdam potest esse gravius, sicut in his qui ex actuali contemptu cum conscientia peccati ad hoc sacramentum accedunt; in quibusdam vero minus grave, puta in his qui ex quodam timore ne deprehendantur in peccato, cum conscientia peccati ad hoc sacramentum accedunt. Sic igitur patet quod hoc peccatum est multis aliis gravius secundum suam speciem, non tamen omnium gravissimum. (IIIa q. 80 a. 5 co.)

Zoals in het Tweede Deel gezegd is (I-II 73° Kw. 3° en 6° Art. en II-II 73° Kw. 3° Art.), kan een zonde op twee manieren zwaarder zijn dan een andere: vooreerst uiteraard, vervolgens toevalligerwijs. Uiteraard naar gelang van haar natuur, welke is af te meten naar het voorwerp. Wat dit betreft is een zonde zwaarder naarmate datgene, waartegen gezondigd wordt, groter is. En aangezien de Godheid van Christus groter is dan zijn mensheid en Zijn mensheid voornamer is dan de sacramenten der mensen, daarom zijn dat de ergste zonden, die begaan worden tegen de Godheid Zelf zoals b.v. de zonde van ongeloof en godslastering. Op de tweede plaats in zwaarte komen die zonden, die begaan worden tegen de mensheid van Christus. Daarom wordt er gezegd bij Matthäus (12. 32): « Wie een woord zal gezegd hebben tegen de Zoon des mensen, aan hem zal vergeven worden, wie echter een woord zal gezegd hebben tegen de Heilige Geest, aan hem zal niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige ». Op de derde plaats komen de zonden, die begaan worden tegen de sacramenten, die verband hebben met de mensheid van Christus, en na deze komen de andere zonden tegen gewone schepselen. Toevalligerwijs echter is een zonde zwaarder dan een andere tengevolge van iets van de kant van de zondigende persoon; zo is een zonde uit onwetendheid of zwakheid lichter dan een zonde uit verachting of uit volle kennis; en hetzelfde geldt van andere omstandigheden. En wat dat betreft kan de besproken zonde bij sommigen zwaarder zijn b.v. bij hen, die heterdaad uit verachting tot dit Sacrament met schuldbewustzijn naderen, bij anderen daarentegen minder zwaar b.v. bij hen die met schuldbewustzijn tot dit Sacrament naderen uit een soort vrees, dat ze anders bekend zullen worden als zondaar. Zo blijkt dan, dat deze zonde naar haar aard zwaarder is dan vele andere, maar zij is niet de zwaarste van alle.

Ad primum ergo dicendum quod peccatum indigne sumentium hoc sacramentum comparatur peccato occidentium Christum secundum similitudinem, quia utrumque committitur contra corpus Christi, non tamen secundum criminis quantitatem. Peccatum enim occidentium Christum fuit multo gravius. Primo quidem, quia illud peccatum fuit contra corpus Christi in sua specie propria, hoc autem est contra corpus Christi in specie sacramenti. Secundo, quia illud peccatum processit ex intentione nocendi Christo, non autem hoc peccatum. (IIIa q. 80 a. 5 ad 1)

1 — De zonde van de onwaardige ontvangers van dit Sacrament wordt vergeleken met de zonde van Christus’ moordenaars naar een bepaalde overeenkomst, voorzover beide begaan worden tegen het Lichaam van Christus, niet echter naar de grootte van de misdaad. Want de zonde van Christus’ moordenaars was veel zwaarder, vooreerst omdat die zonde was tegen het Lichaam van Christus in eigen gedaante, terwijl deze zonde is tegen het Lichaam van Christus onder de gedaante van het Sacrament; ten tweede omdat die zonde voortkwam uit de bedoeling om Christus kwaad te doen, deze zonde niet.

Ad secundum dicendum quod fornicator accipiens corpus Christi comparatur Iudae Christum osculanti, quantum ad similitudinem criminis, quia uterque ex signo caritatis Christum offendit, non tamen quantum ad criminis quantitatem, sicut et prius dictum est. Haec tamen similitudo non minus competit aliis peccatoribus quam fornicatoribus, nam et per alia peccata mortalia agitur contra caritatem Christi, cuius signum est hoc sacramentum; et tanto magis quanto peccata sunt graviora. Secundum quid tamen peccatum fornicationis magis reddit hominem ineptum ad perceptionem huius sacramenti, inquantum scilicet per hoc peccatum spiritus maxime carni subiicitur, et ita impeditur fervor dilectionis, qui requiritur in hoc sacramento. Plus tamen ponderat impedimentum ipsius caritatis quam fervoris eius. Unde etiam peccatum infidelitatis, quod funditus separat hominem ab Ecclesiae unitate, simpliciter loquendo, maxime hominem ineptum reddit ad susceptionem huius sacramenti, quod est sacramentum ecclesiasticae unitatis, ut dictum est. Unde et gravius peccat infidelis accipiens hoc sacramentum quam peccator fidelis; et magis contemnit Christum secundum quod est sub hoc sacramento, praesertim si non credat Christum vere sub hoc sacramento esse, quia, quantum est in se, diminuit sanctitatem huius sacramenti, et virtutem Christi operantis in hoc sacramento, quod est contemnere ipsum sacramentum in seipso. Fidelis autem qui cum conscientia peccati sumit, contemnit hoc sacramentum non in seipso, sed quantum ad usum, indigne accipiens. Unde et apostolus, I Cor. XI, assignans rationem huius peccati, dicit, non diiudicans corpus domini, idest, non discernens ipsum ab aliis cibis, quod maxime facit ille qui non credit Christum esse sub hoc sacramento. (IIIa q. 80 a. 5 ad 2)

2 — De ontuchtige, die het Lichaam van Christus ontvangt, wordt vergeleken met Judas, die Christus kust, naar een bepaalde overeenkomst in de misdaad, voorzover beiden Christus smaad aandoen met een teken van liefde, niet echter naar de grootte van het misdrijf, gelijk boven ook reeds is gezegd (1° Art.). Maar die zekere overeenkomst in misdaad vindt men niet minder bij andere zondaars buiten de ontuchtigen. Want ook door de andere doodzonden wordt tegen de liefde tot Christus, waarvan dit Sacrament het teken is, gehandeld en des te meer, naarmate de zonden erger zijn. In zeker opzicht echter maakt de zonde van ontucht de mens meer ongeschikt tot het ontvangen van dit Sacrament, voorzover namelijk door deze zonde de geest op de sterkste wijze aan het lichaam wordt onderworpen en aldus het in dit Sacrament vereischte vuur van de liefde wordt tegengehouden. Maar het beletsel van de liefde zelf weegt toch altijd zwaarder dan dit van het vuur der liefde. En daarom maakt, strikt genomen, de zonde van ongeloof, die de mens helemaal afscheidt van de eenheid der Kerk, de mens het allersterkst ongeschikt voor het ontvangen van dit Sacrament, dat, gelijk boven gezegd is (67° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 2° Art. Tegenbed.; 4° Art.), het Sacrament van de kerkelijke eenheid is. Daarom doet bij het ontvangen van dit Sacrament een ongelovige zwaarder zonde dan een zondig gelovige, vooral als hij niet gelooft, dat Christus waarlijk in dit Sacrament tegenwoordig is: voor zover het van hem afhangt, vermindert hij immers de heiligheid van dit Sacrament en de kracht van de in dit Sacrament werkenden Christus. En dit is niets anders dan het Sacrament in zich verachten. Daarentegen veracht een met schuldbewustzijn ontvangend gelovige het Sacrament niet in zichzelf, maar wat het gebruik betreft, voorzover hij het onwaardig nuttigt. Vandaar dat de Apostel als hij deze zonde ontleedt, zegt: «het Lichaam des Heren niet onderscheidend» (1 Cor. 11. 29) d. w. z. geen onderscheid makend tusschen deze en andere spijzen, hetgeen vooral gebeurt door hem, die niet gelooft, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.

Ad tertium dicendum quod ille qui proiiceret hoc sacramentum in lutum, gravius peccaret quam ille qui cum conscientia peccati mortalis ad hoc sacramentum accedit. Primo quidem, quia ille hoc faceret ex intentione iniuriam inferendi huic sacramento, quod non intendit peccator indigne corpus Christi accipiens. Secundo, quia homo peccator capax est gratiae, unde etiam magis est aptus ad suscipiendum hoc sacramentum quam quaecumque alia irrationalis creatura. Unde maxime inordinate uteretur hoc sacramento qui proiiceret ipsum canibus ad manducandum, vel qui proiiceret in lutum conculcandum. (IIIa q. 80 a. 5 ad 3)

3 — Wie dit Sacrament in het slijk zou werpen, zou veel zwaarder zondigen dan degene, die met een doodzonde op zijn geweten tot dit Sacrament nadert. Vooreerst omdat hij dit zou doen met de bedoeling om dit Sacrament te onteren, hetgeen niet wordt vooropgezet door iemand, die in zonde het Sacrament ontvangt. Vervolgens omdat de zondige mens in staat is de genade in zich op te nemen en hij aldus veel meer geschikt is dit Sacrament te ontvangen dan welk redeloos schepsel ook. Daarom zou het het meest tegen alles ingaande gebruik van dit Sacrament zijn, als iemand het ter verslinding zou voorwerpen aan honden of ter vertrapping in het slijk zou werpen.

Articulus 6.
Moet de priester het Lichaam van Christus weigeren aan een erom vragende zondaar?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod sacerdos debeat denegare corpus Christi peccatori petenti. Non est enim faciendum contra Christi praeceptum propter vitandum scandalum, neque propter vitandum infamiam alicuius. Sed dominus praecepit, Matth. VII, nolite sanctum dare canibus. Maxime autem datur sanctum canibus cum hoc sacramentum peccatoribus exhibetur. Ergo neque propter vitandum scandalum, neque propter vitandam infamiam alicuius, debet hoc sacramentum peccatori petenti dari. (IIIa q. 80 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de priester het Lichaam van Christus moet weigeren aan een erom vragende zondaar. Immers om ergernis te vermijden of omwille van iemands goede naam mag men nog niet handelen tegen het gebod van Christus. Nu heeft de Heer geboden: «Wilt het heilige niet aan de honden geven» (Matth. 7. 6). En men geeft het heilige op heel erge wijze aan de honden, als men dit sacrament aan zondaars uitreikt. Dus mag men, ook niet ter vermijding van ergernis of van het verlies van iemands goede naam, dit sacrament geven aan een erom vragende zondaar.

Praeterea, de duobus malis est minus malum eligendum. Sed minus malum esse videtur si peccator infametur, vel etiam si ei hostia non consecrata detur, quam si sumens corpus Christi mortaliter peccet. Ergo videtur hoc potius eligendum, quod vel infametur peccator petens corpus Christi, vel etiam detur ei hostia non consecrata. (IIIa q. 80 a. 6 arg. 2)

2 — Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Nu schijnt het een minder kwaad dat de zondaar zijn goede naam verliest of dat hem een ongeconsacreerde hostie wordt gegeven, dan dat hij een doodszonde bedrijft door het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus moet men liever verkiezen, dat de zondaar, die om het Lichaam van Christus vraagt, zijn goede naam verliest of anders dat men hem een ongeconsacreerde hostie geeft.

Praeterea, corpus Christi interdum datur suspectis de crimine ad eorum manifestationem, legitur enim in decretis, II, qu. IV, saepe contingit ut in monasteriis monachorum furta perpetrentur. Idcirco statuimus ut, quando ipsi fratres de talibus expurgare se debent, Missa ab abbate celebretur vel ab aliquo ex praesentibus fratribus, et sic, expleta Missa, omnes communicent in haec verba, corpus Christi sit tibi hodie ad probationem. Et infra, si episcopo vel presbytero aliquod maleficium fuerit imputatum, in singulis Missa celebrari debet et communicari, et de singulis sibi imputatis innocentem se ostendere. Sed peccatores occultos non oportet manifestari, quia, si frontem verecundiae abiecerint, liberius peccabunt, ut Augustinus dicit, in libro de verbis domini. Ergo peccatoribus occultis non est corpus Christi dandum, etiam si petant. (IIIa q. 80 a. 6 arg. 3)

3 — Soms wordt het Lichaam van Christus gegeven aan mensen, verdacht van een misdrijf, opdat het misdrijf aan het licht komt. Want in een Decretaal staat geschreven: « Het gebeurt vaak, dat in kloosters van monniken diefstallen worden begaan; daarom bepalen wij dat, wanneer de broeders zelf hun onschuld daaraan hebben te bewijzen, door de abt, of op aanwijzing van de abt door een ander, de Mis worde gelezen in tegenwoordigheid van de broeders; op het einde daarvan moeten dan allen communiceren onder de woorden: het Lichaam van Christus zij mij heden tot een proef ». En verderop: « Wanneer aan een bisschop of een priester enige misdaad ten laste wordt gelegd, moet hij voor elk punt een Mis lezen en communiceren en zo voor elk hem ten laste gelegd punt zijn onschuld aantoonen». Maar men moet geheime zondaars niet aan het licht brengen, want, gelijk Augustinus zegt, hebben ze eenmaal hun schaamtegevoel verloren, dan zullen zij des te vrijer zondigen. Dus moet men het Lichaam van Christus niet geven aan geheime zondaars, zelfs al vragen zij erom.

Sed contra est quod, super illud Psalmi, manducaverunt et adoraverunt omnes pingues terrae, dicit Augustinus, non prohibeat dispensator pingues terrae, idest peccatores, mensam domini manducare. (IIIa q. 80 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij het psalmwoord: « Alle vetten der aarde hebben gegeten en aanbeden » (Ps. 21. 30). Augustinus zegt: « Hij die uitdeelt, belette de vetten der aarde » d. i. de zondaars « niet om van de tafel des Heren te eten ».

Respondeo dicendum quod circa peccatores distinguendum est. Quidam enim sunt occulti, quidam vero manifesti; scilicet per evidentiam facti, sicut publici usurarii aut publici raptores; vel etiam per aliquod iudicium ecclesiasticum vel saeculare. Manifestis ergo peccatoribus non debet, etiam petentibus, sacra communio dari. Unde Cyprianus scribit ad quendam, pro dilectione tua consulendum me existimasti quid mihi videatur de histrionibus, et mago illo qui, apud vos constitutus, adhuc in artis suae dedecore perseverat, an talibus sacra communio cum ceteris Christianis debeat dari. Puto nec maiestati divinae, nec evangelicae disciplinae congruere ut pudor et honor Ecclesiae tam turpi et infami contagione foedetur. Si vero non sunt manifesti peccatores sed occulti, non potest eis petentibus sacra communio denegari. Cum enim quilibet Christianus, ex hoc ipso quod est baptizatus, sit admissus ad mensam dominicam, non potest eis ius suum tolli nisi pro aliqua causa manifesta. Unde super illud I Cor. V, si is qui frater inter vos nominatur etc., dicit Glossa Augustini, nos a communione quemquam prohibere non possumus, nisi aut sponte confessum, aut in aliquo iudicio vel ecclesiastico vel saeculari nominatum atque convictum. Potest tamen sacerdos qui est conscius criminis, occulte monere peccatorem occultum, vel etiam in publico generaliter omnes, ne ad mensam domini accedant antequam poeniteant et Ecclesiae reconcilientur. Nam post poenitentiam et reconciliationem, etiam publicis peccatoribus non est communio deneganda, praecipue in mortis articulo. Unde in Concilio Carthaginensi legitur, scenicis atque histrionibus ceterisque huiusmodi personis, vel apostatis, conversis ad Deum reconciliatio non negetur. (IIIa q. 80 a. 6 co.)

Met betrekking tot de zondaars moet men onderscheid maken: sommigen immers zijn geheim, anderen staan bekend, hetzij door de klaarblijkelijkheid van het feit zoals openbare woekeraars of openbare rovers, hetzij tengevolge van een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak. Aan bekend staande zondaars mag men, ook op hun verzoek, de H. Communie niet uitreiken. Cyprianus schrijft dan ook aan iemand: « Uw liefde heeft mij willen vragen, wat ik denk van die tooneelspeler en die tovenaar, die onder u nog volhardt in de oneerzaamheid van zijn bedrijf of nl. aan zulke mensen met de andere christenen de H. Communie moet worden gegeven. Ik vermeen, dat het noch met Gods majesteit noch met de tucht van het Evangelie in overeenstemming is de ongereptheid en de eer van de Kerk door zo iets afschuwelijks en gemeens te laten besmetten en bevlekken». Zijn het echter geen bekend staande maar geheime zondaars, dan kan hun de H. Communie, als zij erom vragen, niet geweigerd worden. Daar immers iedere christen, door het feit alleen van zijn doopsel, tot de tafel des Heren is toegelaten, kan men hem zijn recht slechts ontnemen op grond van iets, dat bekend is. Vandaar dat bij de woorden van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): « Indien hij die onder u broeder wordt genoemd » door de Glossa van Augustinus gezegd wordt: « Wij mogen niemand van de Communie afhouden die niet ofwel vrijwillig zich heeft bekend gemaakt ofwel in een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak gedagvaard en veroordeeld is ». Wel kan de priester, die van het misdrijf weet, de geheime zondaar in het geheim vermanen of ook in het openbaar allen vermanen om niet tot de tafel des Heren te naderen vóór men boete heeft gedaan over zijn zonde en met de Kerk verzoend is. Want na volbrachte boete en na verzoening mag ook aan openbare zondaars de Communie niet geweigerd worden, vooral niet in het uur des doods. Daarom leest men bij de Derde Kerkvergadering van Carthago: « Aan acteurs en tooneelspelers en andere dergelijke personen alsook aan afvalligen weigere men de verzoening niet als zij tot God zijn teruggekeerd ».

Ad primum ergo dicendum quod sancta prohibentur dari canibus, idest peccatoribus manifestis. Sed occulta non possunt publice puniri, sed sunt divino iudicio reservanda. (IIIa q. 80 a. 6 ad 1)

1 — Het is verboden het heilige te geven aan de honden, d.w.z. de bekendstaande zondaars. Geheime dingen daarentegen kunnen niet in het openbaar gestraft worden, maar moeten aan Gods rechterstoel worden overgelaten.

Ad secundum dicendum quod, licet peius sit peccatori occulto peccare mortaliter sumendo corpus Christi quam infamari, tamen sacerdoti ministranti corpus Christi peius est peccare mortaliter infamando iniuste peccatorem occultum, quam quod ille mortaliter peccet, quia nullus debet peccatum mortale committere ut alium liberet a peccato. Unde Augustinus dicit, in libro quaestionum super Gen., periculosissime admittitur haec compensatio, ut nos faciamus aliquid mali, ne alius gravius malum faciat. Peccator tamen occultus potius deberet eligere infamari quam indigne ad mensam Christi accedere. Hostia tamen non consecrata nullo modo debet dari loco consecratae, quia sacerdos hoc faciens, quantum est in se, facit idololatrare illos qui credunt hostiam consecratam, sive alios praesentes, sive etiam ipsum sumentem; quia, ut Augustinus dicit, nemo carnem Christi manducet nisi prius adoret. Unde extra, de celebratione Missarum, cap. de homine, dicitur, licet is qui pro sui criminis conscientia reputat se indignum, peccet graviter si se ingerat, tamen gravius videtur offendere qui fraudulenter illud praesumpserit simulare. (IIIa q. 80 a. 6 ad 2)

2 — Hoewel het voor een geheime zondaar erger is een doodzonde te doen door het Lichaam van Christus te ontvangen dan zijn goede naam te verliezen, is het toch voor de dienstdoende priester erger een doodzonde te doen door tegen de rechtvaardigheid in het verlies van goede naam te bezorgen aan een geheime zondaar dan dat deze laatste een doodzonde doet, aangezien men nooit een doodzonde moet bedrijven om een ander voor een doodzonde te behouden. Vandaar dat Augustinus zegt: « Niets is gevaarlijker dan dezen ruil aan te gaan, dat wij iets kwaads doen, opdat een ander geen erger kwaad doet ». Wel moest de geheime zondaar liever zijn goede naam willen verliezen dan onwaardig tot de tafel des Heren te naderen. Een ongeconsacreerde hostie moet men evenwel in geen geval in de plaats van een geconsacreerde geven, daar de priester, die aldus te werk gaat, voorzover het van hem afhangt afgoderij laat begaan door hen, die menen dat het een geconsacreerde hostie is d.w.z. de overige aanwezigen of ook wel de ontvanger, want, zoals Augustinus zegt: « Niemand eet het Vlees van Christus zonder het eerst te aanbidden ». Daarom heet het in een Extra: « Hoewel degene, die in schuldbewustzijn zich onwaardig erkent, zwaar zondigt, als hij oneerbiediglijk nadert, lijkt toch hij zwaarder te misdoen, die zich vermeet bedrog te plegen en het Lichaam van Christus slechts schijnbaar geeft ».

Ad tertium dicendum quod decreta illa sunt abrogata per contraria documenta Romanorum pontificum. Dicit enim Stephanus Papa, ferri candentis vel aquae ferventis examinatione confessionem extorqueri a quolibet sacri canones non concedunt. Spontanea enim confessione, vel testium approbatione publicata, delicta commissa sunt regimini nostro iudicare, occulta vero et incognita illi sunt relinquenda qui solus novit corda filiorum hominum. Et idem habetur extra, de purgationibus, cap. ex tuarum. In omnibus enim talibus videtur Dei esse tentatio, unde sine peccato fieri non possunt. Et gravius videretur si in hoc sacramento, quod est institutum ad remedium salutis, aliquis incurreret iudicium mortis. Unde nullo modo corpus Christi debet dari alicui suspecto de crimine quasi ad examinationem. (IIIa q. 80 a. 6 ad 3)

3 — Die besluiten zijn afgeschaft door tegengestelde documenten van de Romeinse Opperpriesters. Zo zegt Paus Stephanus: « De heilige rechtsregels veroorloven niet van iemand bekentenis af te dwingen door hem te onderwerpen aan de proef van gloeiend ijzer of kokend water; want het is door een vrijwillige bekentenis of door de verklaring van getuigen, dat openbare misdrijven onder onze rechtspraak vallen; daarentegen zijn geheime en onbekende misdrijven over te laten aan Hem, die alleen de harten der mensen kent ». En hetzelfde vindt men in een Extra. Al dergelijke dingen schijnen immers een verzoek van God in te houden, weshalve zij niet kunnen gebeuren zonder zonde. En het geval zou wel erger zijn, als iemand in dit voor ons heil ingesteld Sacrament een oordeel des doods zou inlopen. Daarom is het nooit geoorloofd het Lichaam van Christus bij wijze van proef te geven aan iemand, die van een misdrijf verdacht wordt.

Articulus 7.
Is een nachtelijke bevlekking voor iemand een beletsel dit Sacrament te ontvangen?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod nocturna pollutio non impediat aliquem a sumptione corporis Christi. Nullus enim impeditur a sumptione corporis Christi nisi propter peccatum. Sed nocturna pollutio accidit sine peccato, dicit enim Augustinus, XII super Gen. ad Litt., ipsa phantasia quae fit in cogitatione sermocinantis, cum expressa fuerit in visione somniantis, ut inter illam et veram coniunctionem corporum non discernatur, continue movetur caro et sequitur quod eum motum sequi solet, cum hoc tam sine peccato fiat quam sine peccato a vigilantibus dicitur quod, ut diceretur, procul dubio cogitatum est. Ergo nocturna pollutio non impedit hominem ab huius sacramenti perceptione. (IIIa q. 80 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een nachtelijke bevleking voor iemand geen beletsel is het Lichaam van Christus te ontvangen. Niets immers behalve de zonde belet iemand het Lichaam van Christus te ontvangen. Nu heeft een nachtelijke bevleking zonder zonde plaats, aangezien Augustinus zegt: «Wanneer de fantasievoorstelling, welke ook optreedt bij het denken als men spreekt, in het beeld van de dromer zo uitdrukkelijk is geworden, dat er tussen haar en de werkelijke vereniging van de lichamen geen verschil wordt waargenomen, komt onmiddellijk het lichaam in beweging en volgt wat op die beweging pleegt te volgen, hetgeen niet minder zonder zonde gebeurt dan er zonder zonde in waaktoestand over gesproken wordt, waaraan toch zonder twijfel de gedachte moet zijn voorafgegaan ». Dus wordt de mens door een nachtelijke bevleking niet belet dit Sacrament te ontvangen.

Praeterea, Gregorius dicit, in epistola ad Augustinum episcopum Anglorum, si quis sua coniuge, non cupidine voluptatis raptus, sed tantum creandorum liberorum gratia utitur, ille profecto, sive de ingressu Ecclesiae seu de sumendo corporis dominici mysterio, suo est iudicio relinquendus, quia prohiberi a nobis non debet accipere qui, in igne positus, nescit ardere. Ex quo patet quod carnalis pollutio etiam vigilantis, si sit sine peccato, non prohibet hominem a sumptione corporis Christi. Multo igitur minus prohibet nocturna pollutio dormientis. (IIIa q. 80 a. 7 arg. 2)

2 — Gregorius zegt: « Als iemand niet als gevangene van lustbegeerte maar alleen om kinderen voort te brengen tot zijn vrouw ingaat, moet men hem in zake van kerkbezoek of van het ontvangen van het Geheim van 's Heren Lichaam aan zijn eigen oordeel overlaten, want iemand, die in het vuur geplaatst van geen branden weet, heeft van ons geen afwijzing af te wachten ». Hieruit blijkt, dat een lichamelijke bevlekking zelfs in waaktoestand, mits zij maar zonder zonde is, de mens niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Veel minder vormt dus een beletsel de nachtelijke bevlekking in slaaptoestand.

Praeterea, nocturna pollutio videtur solam immunditiam corporalem habere. Sed aliae immunditiae corporales, quae secundum legem impediebant ab ingressu sanctorum, in nova lege non impediunt a sumptione corporis Christi, sicut de muliere pariente, vel menstruata, vel fluxum sanguinis patiente, scribit beatus Gregorius Augustino Anglorum episcopo. Ergo videtur quod neque etiam nocturna pollutio impediat hominem a sumptione huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 7 arg. 3)

3 — Een nachtelijke bevlekking schijnt alleen maar een lichamelijke onreinheid te behelzen. Nu zijn andere lichamelijke onreinheden, die volgens de Wet beletten het Heilige binnen te gaan, in de Nieuwe Wet geen beletsel dit Sacrament te ontvangen, zoals de Zalige Gregorius aan Augustinus, de bisschop der Engelschen schrijft aangaande een vrouw die zwanger is of de maandstonden heeft of aan bloedvloeiing lijdt. Dus schijnt ook een nachtelijke bevlekking de mens niet te beletten dit Sacrament te ontvangen.

Praeterea, peccatum veniale non impedit hominem a sumptione huius sacramenti, sed nec etiam peccatum mortale post poenitentiam sed, dato quod nocturna pollutio provenerit ex aliquo peccato praecedenti sive crapulae sive turpium cogitationum, plerumque tale peccatum est veniale, et, si aliquando sit mortale, potest contingere quod de mane poenitet et peccatum suum confitetur. Ergo videtur quod non debeat impediri a sumptione huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 7 arg. 4)

4 — Een dagelijkse zonde belet de mens niet dit sacrament te ontvangen, evenmin een doodzonde na gedane boete. Welnu, aangenomen dat de nachtelijke bevlekking zou zijn voortgekomen uit een voorafgaande zonde b.v. een roes of oneerbare gedachten, dan is zulk een zonde toch meestal een dagelijkse; en als het een keer doodzonde mocht zijn, kan het gebeuren, dat men de volgende morgen berouw heeft en zijn zonde biecht. En dus schijnt zo iemand geen beletsel te hebben dit sacrament te ontvangen.

Praeterea, gravius peccatum est homicidii quam fornicationis. Sed si aliquis de nocte somniet homicidium perpetrare aut furtum, vel quodcumque aliud peccatum, non propter hoc impeditur a sumptione corporis Christi. Ergo videtur quod multo minus fornicatio somniata, cum pollutione subsequente, impediat a susceptione huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 7 arg. 5)

5 — De zonde van moord is erger dan die van ontucht. Welnu, wanneer iemand ’s nachts droomt, dat hij een moord bedrijft of een diefstal of welke andere zonde ook, wordt hij daardoor niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus is nog veel minder gedroomde ontucht met daarop volgende bevlekking een beletsel dit sacrament te ontvangen.

Sed contra est quod Levit. XV dicitur, vir a quocumque egreditur semen coitus, immundus erit usque ad vesperam. Sed immundis non patet aditus ad sacramenta. Ergo videtur quod propter pollutionem nocturnam aliquis impeditur a sumptione huius sacramenti, quod est maximum sacramentum. (IIIa q. 80 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Leviticus (15. 16) gezegd wordt: « De man, uit wien het zaad der samenleving zal uitgaan, zal onrein zijn tot de avond ». Onreinen hebben echter geen toegang tot de sacramenten. Dus schijnt nachtelijke bevlekking iemand te beletten dit allergrootste onder de sacramenten te ontvangen.

Respondeo dicendum quod circa pollutionem nocturnam duo possunt considerari, unum quidem ratione cuius ex necessitate impedit hominem a sumptione huius sacramenti; aliud autem ratione cuius non ex necessitate impedit hominem, sed ex quadam congruentia. Ex necessitate quidem impedit hominem ab huius sacramenti perceptione solum mortale peccatum. Et quamvis ipsa nocturna pollutio, secundum se considerata, peccatum mortale esse non possit, nihilominus tamen, ratione suae causae, quandoque habet peccatum mortale annexum. Et ideo consideranda est causa pollutionis nocturnae. Quandoque enim provenit ex causa extrinseca spirituali, scilicet Daemonum illusione, qui, sicut in prima parte habitum est, phantasmata commovere possunt, ex quorum apparitione pollutio interdum subsequitur. Quandoque vero provenit pollutio ex causa intrinseca spirituali, scilicet ex praecedentibus cogitationibus. Aliquando autem ex causa intrinseca corporali, seu ex superfluitate sive debilitate naturae; seu etiam ex superfluitate cibi et potus. Quaelibet autem harum trium causarum potest et sine peccato, et cum peccato veniali vel mortali existere. Et si quidem sit sine peccato, vel cum peccato veniali, non ex necessitate impedit sumptionem huius sacramenti, ita scilicet quod homo sumendo sit reus corporis et sanguinis domini. Si vero sit cum peccato mortali impedit ex necessitate. Illusio enim Daemonum quandoque provenit ex praecedenti negligentia praeparationis ad devotionem, quae potest esse vel mortale vel veniale peccatum. Quandoque vero provenit ex sola nequitia Daemonum volentium impedire hominem a sumptione huius sacramenti. Unde legitur in collationibus patrum quod, cum quidam pollutionem pateretur semper in festis in quibus erat communicandum, seniores, comperto quod nulla causa ab ipso praecesserat, decreverunt quod propter hoc a communione non cessaret, et ita cessavit illusio Daemonum. Similiter etiam praecedentes cogitationes lascivae quandoque possunt esse omnino sine peccato, puta cum aliquis causa lectionis vel disputationis cogitur de talibus cogitare. Et si hoc sit sine concupiscentia et delectatione, non erunt cogitationes immundae, sed honestae, ex quibus tamen pollutio sequi potest, sicut patet ex auctoritate Augustini inducta. Quandoque vero praecedentes cogitationes sunt cum concupiscentia et delectatione et, si adsit consensus, peccatum mortale erit, sin autem, veniale. Similiter etiam et causa corporalis quandoque est sine peccato, puta cum est ex infirmitate naturae, unde et quidam vigilando absque peccato fluxum seminis patiuntur; vel etiam si sit ex superfluitate naturae, sicut enim contingit sanguinem superfluere absque peccato, ita et semen, quod est superfluitas sanguinis, secundum philosophum. Quandoque vero est cum peccato, puta cum provenit ex superfluitate cibi vel potus. Et hoc etiam potest esse peccatum veniale vel mortale, licet frequentius peccatum mortale accidat circa turpes cogitationes, propter facilitatem consensus, quam circa sumptionem cibi et potus. Unde Gregorius, scribens Augustino Anglorum episcopo, dicit cessandum esse a communione quando ex turpibus cogitationibus provenit, non autem quando provenit ex superfluitate cibi et potus, praesertim si necessitas adsit. Sic igitur ex causa pollutionis considerari potest utrum nocturna pollutio ex necessitate impediat sumptionem huius sacramenti. Ex quadam vero congruentia impedit quantum ad duo. Quorum unum semper accidit, scilicet quaedam foeditas corporalis, cum qua, propter reverentiam sacramenti, non decet ad altare accedere, unde et volentes tangere aliquid sacrum manus lavant; nisi forte talis immunditia perpetua sit vel diuturna, sicut est lepra vel fluxus sanguinis vel aliquid huiusmodi. Aliud autem est evagatio mentis, quae sequitur pollutionem nocturnam, praecipue quando cum turpi imaginatione contingit. Hoc tamen impedimentum quod ex congruitate provenit, postponi debet propter aliquam necessitatem, puta, ut Gregorius dicit, cum fortasse aut festus dies exigit, aut exhibere ministerium, pro eo quod sacerdos alius deest, ipsa necessitas compellit. (IIIa q. 80 a. 7 co.)

Met betrekking tot de nachtelijke bevlekking kan men twee punten in oogenschouw nemen: vooreerst datgene wat de mens dwingend belet dit sacrament te ontvangen, vervolgens datgene wat de mens niet dwingend, maar krachtens een zekere gevoeligheid belet dit sacrament te nuttigen. Alleen de doodzonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te nuttigen. Hoewel nu de nachtelijke bevlekking op zich beschouwd geen doodzonde kan zijn, heeft zij soms toch uit hoofde van haar oorzaak een doodzonde aan zich verbonden. En dus moet men zien naar de oorzaak van de nachtelijke bevlekking. Soms dan ontstaat zij tengevolge van een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk door een voorspiegeling van de duivels, die zoals in het Eerste Deel gezegd is (111° Kw. 3° Art.), fantasiebeelden kunnen oproepen, uit wier optreden bij tijd en wijle een bevlekking volgt. Soms echter ontstaat de bevlekking uit een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk uit voorafgaande gedachten. Soms ook wel uit een inwendige lichamelijke oorzaak, d.w.z. uit overtolligheid of zwakte van de natuur, of ook uit overtolligheid van eten en drinken. Iedere van deze drie oorzaken kan zich voordoen zonder zonde en ook met dagelijkse zonde of doodzonde. Als zij zich voordoet zonder zonde of met een dagelijkse zonde, is zij geen dwingend beletsel voor het ontvangen van dit sacrament in die zin, dat men door het te ontvangen schuldig zou zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren. Doet zij zich echter met een doodzonde voor, dan is zij een dwingend beletsel. Een voorspiegeling van duivelswege ontstaat immers nu eens uit een voorafgaande nalatigheid in de voorbereiding tot de juiste gesteldheid, wat doodzonde en dagelijkse zonde kan zijn, dan weer uit niets anders dan de boosheid van de duivels, die de mens willen verhinderen dit sacrament te ontvangen. Vandaar dat in de Gesprekken met de Vaders geschreven staat, dat toen een broeder altijd op de feesten, waarop men placht te communiceren, aan een bevlekking onderhevig was, de ouderen, na vastgesteld te hebben dat hij zelf volstrekt geen oorzaak was, hebben bepaald, dat hij zich daarom niet van de communie zou afhouden en zo hield de voorspiegeling des duivels op. Zo kunnen ook voorafgaande onreine gedachten geheel zonder zonde zijn, b.v. wanneer iemand van wege de les of het dispuut over dergelijke dingen moet denken: als dit zonder begeerte en lust gebeurt, heeft men geen verkeerde gedachten maar goede; en toch kan daaruit een bevlekking volgen, gelijk blijkt uit het boven aangehaalde bewijsstuk uit Augustinus (in de 1e Bed.). Soms echter komen die voorafgaande gedachten van begeerte en lust en dan heeft men doodzonde bij toestemming en bij afwezigheid van toestemming dagelijkse zonde. Zo is ook de lichamelijke oorzaak soms zonder zonde, b.v. wanneer zij komt van zwakte van de natuur: vandaar dat sommigen ook in waaktoestand zonder zonde lijden aan zaadafvloeiing; of ook wanneer zij komt van overtolligheid van de natuur: want zoals er zonder zonde bloedvloeiing kan zijn, zo ook afvloeiing van het zaad, dat volgens de wijsgeer een overtolligheid van het bloed is. Maar zij kan ook wel met zonde verbonden zijn, b.v. wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken; ook dit kan dagelijkse zonde en doodzonde zijn, al zal dan een doodzonde vaker optreden bij onreine gedachten wegens het gemak van toestemmen, dan bij het gebruiken van spijs en drank. Daarom zegt Gregorius in zijn schrijven aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, dat men moet afzien van de communie, wanneer de bevlekking voortkomt uit onreine gedachten, niet echter wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken, vooral niet als er een dwingende reden is. Naar de oorzaak der bevlekking is derhalve af te meten of een nachtelijke bevlekking het gebruik van dit sacrament dwingend belet. Krachtens een zekere gevoeligheid evenwel vormt zij om twee redenen een beletsel; een daarvan is altijd aanwezig, namelijk een soort lichamelijke onzindelijkheid, die het om de aan het sacrament verschuldige eerbied onpassend maakt tot het altaar te naderen (daarom ook wasst men de handen, als men iets heiligs wil aanraken); een uitzondering is, wanneer zulk een onreinheid altijddurend of langdurig is, b.v. maatschijnd of bloedvloeiing of iets dergelijks. De andere reden is een onrustigheid van de geest, welke op een nachtelijke bevlekking volgt, vooral als deze gepaard gaat met onreine voorstellingen. Wel te verstaan is dit op gevoeligheid berustend beletsel te verwaarlozen, als iets anders tot het tegenovergestelde dwingt, b.v. om met Gregorius te spreken: «wanneer het feest het mocht eischen of tengevolge van de afwezigheid van een andere priester de noodzaak gebiedt dienstwerk te verrichten».

Ad primum ergo dicendum quod ex necessitate quidem non impeditur homo a sumptione huius sacramenti nisi propter peccatum mortale, sed ex quadam congruentia potest homo impediri propter alias causas, sicut dictum est. (IIIa q. 80 a. 7 ad 1)

1 — Alleen de doodszonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te ontvangen; maar andere zaken kunnen de mens volgens een zekere wenselijkheid beletten, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod coitus coniugalis, si sit sine peccato, puta si fiat causa prolis generandae vel causa reddendi debitum, non alia ratione impedit sumptionem sacramenti nisi sicut dictum est de pollutione nocturna quae accidit sine peccato scilicet propter immunditiam corporalem et mentis distractionem. Ratione cuius Hieronymus dicit, super Matth., si panes propositionis ab his qui uxores tetigerant comedi non poterant, quanto magis panis qui de caelo descendit, non potest ab his qui coniugalibus paulo ante haesere amplexibus, violari atque contingi. Non quod nuptias condemnemus, sed quod, eo tempore quo carnes agni manducaturi sumus, vacare a carnalibus operibus debeamus. Sed quia hoc secundum congruitatem, et non secundum necessitatem est intelligendum, Gregorius dicit quod talis est suo iudicio relinquendus. Si vero non amor procreandae sobolis sed voluptas dominatur in opere, ut ibidem Gregorius subdit, tunc prohiberi debet ne accedat ad hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 7 ad 2)

2 — Als de echtelijke samenleving zonder zonde gebeurt, namelijk als zij gebeurt om kroost voort te brengen of om aan het recht van de medepartij te voldoen, belet zij het ontvangen van dit sacrament op geen andere grond dan die werd aangegeven (in de Leerst.) met betrekking tot de nachtelijke bevlekking, welke zonder zonde gebeurt, d.w.z. de lichamelijke onreinheid en de verstrooidheid van de geest, op grond waarvan Hieronymus zegt: « Als de toonbroeden niet mochten worden gegeten door hen, die hun vrouwen hadden aangeraakt, hoeveel te minder mag dan dit van de hemel nedergedaalde brood bezoedeld en betast worden door hen, die zo juist nog in de armen van hun vrouwen lagen? Niet dat wij het huwelijk veroordelen, neen, wij bedoelen alleen dat wij ons moeten onthouden van vleselijke werken in de tijd, waarin wij het Vlees van het Lam gaan eten ». Maar daar dit in de zin van wenselijkheid, niet in de zin van noodzakelijkheid moet worden verstaan, zegt Gregorius dat « zo iemand is over te laten aan zijn eigen oordeel ». Wanneer echter « niet de begeerte om kroost te verwekken, maar de lust bij de samenlevingsdaad overheerst », zoals Gregorius aldaar laat volgen, dan moet men aan zo iemand niet veroorloven tot dit sacrament te naderen.

Ad tertium dicendum quod, sicut Gregorius dicit, in epistola supra dicta ad Augustinum Anglorum episcopum, in veteri testamento aliqui polluti dicebantur figuraliter, quod populus novae legis spiritualiter intelligit. Unde huiusmodi corporales immunditiae, si sint perpetuae vel diuturnae, non impediunt sumptionem huius sacramenti salutaris sicut impediebant accessum ad sacramenta figuralia. Si vero cito transeunt, sicut immunditia pollutionis nocturnae, ex quadam congruentia impedit sumptionem huius sacramenti per illum diem quo hoc accidit. Unde et Deut. XXIII dicitur, si fuerit inter vos homo qui nocturno pollutus sit somnio, egredietur extra castra, et non revertetur priusquam ad vesperam lavetur aqua. (IIIa q. 80 a. 7 ad 3)

3 — Zoals Gregorius in de boven vermelde brief aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, zegt, werden in het Oude Verbond de mensen soms op een figuurlijke wijze bevlekt genoemd, wat dan het volk van de Nieuwe Wet geestelijk opvat. Dergelijke lichamelijke onreinheden beletten daarom, indien zij altijddurend of langdurig zijn, de ontvangst van dit heilbrengende Sacrament niet, zoals zij wel de toegang tot de figuurlijke sacramenten beletten; indien zij echter gauw voorbijgaan zoals de onreinheid van de nachtelijke bevlekking, dan beletten zij volgens een zekere wenselijkheid de ontvangst van dit Sacrament voor de dag, waarop het feit heeft plaats gehad. In het Boek Deuteronomium (23, 10, 11) heet het dan ook: « Als er onder u een man is, die 's nachts in een droom is bevlekt, zal hij buiten de legerplaats gaan en niet terugkeren vóór hij zich 's avonds met water afwascht ».

Ad quartum dicendum quod, licet per contritionem et confessionem auferatur reatus culpae, non tamen aufertur corporalis immunditia et distractio mentis ex pollutione consecuta. (IIIa q. 80 a. 7 ad 4)

4 — Hoewel door berouw en belijdenis de zondeschuld wordt weggenomen, wordt toch niet weggenomen de uit de bevlekking voortgekomen lichamelijke onreinheid en verstrooidheid des geestes.

Ad quintum dicendum quod somnium homicidii non inducit corporalem immunditiam, nec etiam tantam distractionem mentis sicut fornicatio, propter intensionem delectationis. Si tamen somnium homicidii proveniat ex causa quae est peccatum, praesertim mortale, impedit a sumptione huius sacramenti ratione suae causae. (IIIa q. 80 a. 7 ad 5)

5 — Over een moord dromen bezorgt geen lichamelijke onreinheid en ook niet zulk een verstrooidheid des geestes als een droom van ontucht, die zo'n sterke wellust meebrengt; toch belet een moorddroom op grond van zijn oorzaak het ontvangen van dit sacrament, als hij voortkomt van een oorzaak, die zonde is, vooral als het om een doodzonde gaat.

Articulus 8.
Is vooraf genuttigde spijs of drank een beletsel voor het ontvangen van dit Sacrament?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod cibus vel potus praeassumptus non impediat sumptionem huius sacramenti. Hoc enim sacramentum est a domino institutum in cena. Sed dominus, postquam cenavit, hoc sacramentum discipulis tradidit, sicut patet Luc. XXII et I Cor. XI. Ergo videtur quod etiam post alios cibos assumptos nos debeamus sumere hoc sacramentum. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat vooraf genuttigde spijs of drank het ontvangen van dit Sacrament niet belet. Dit Sacrament is door de Heer immers ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Nu heeft de Heer dit Sacrament aan Zijn leerlingen uitgedeeld, nadat Hij van dat Avondmaal gegeten had, zoals blijkt in *Lucas* (22. 20) en in de *Eerste Brief aan de Corinthiërs* (11. 25). Dus schijnen ook wij dit Sacrament te moeten ontvangen na eerst andere spijzen te hebben gebruikt.

Praeterea, I Cor. XI dicitur, cum convenitis ad manducandum, scilicet corpus domini, invicem expectate, si quis autem esurit, domi manducet. Et ita videtur quod, postquam aliquis domi manducavit, possit in Ecclesia corpus Christi manducare. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 2)

2 — In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11, 33, 34) wordt gezegd: « Wanneer gij samenkomt om (het Lichaam des Heren) te eten, wacht dan op elkaar; als iemand honger heeft, dat hij thuis eet ». En dus schijnt men in de kerk het Lichaam des Heren te kunnen eten, nadat men thuis reeds gegeten heeft.

Praeterea, in Concilio Carthaginensi legitur, et habetur de Consecr., dist. I, sacramenta altaris non nisi a ieiunis hominibus celebrentur, excepto uno die anniversario quo cena domini celebratur. Ergo saltem illo die potest corpus Christi aliquis post alios cibos sumere. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 3)

3 — In de Derde Kerkvergadering van Carthago heet het: « Het Sacrament des Altaars mag slechts gevierd worden door hen, die nog nuchter zijn, behalve op de dag, waarop men de verjaardag viert van ’s Heren Avondmaal ». Dus schijnt men althans op die dag het Lichaam van Christus te mogen eten na andere spijzen.

Praeterea, sumptio aquae vel medicinae, vel alterius cibi vel potus in minima quantitate, vel etiam reliquiarum cibi in ore remanentium, neque ieiunium Ecclesiae solvit, neque sobrietatem tollit, quae exigitur ad hoc quod aliquis reverenter hoc sacramentum sumat. Ergo per praedicta non impeditur aliquis a sumptione huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 4)

4 — Dat iemand water gebruikt of een geneesmiddel of een andere spijs of drank in zeer kleine hoeveelheid of dat iemand overblijfselen van spijzen in de mond heeft, is niet strijdig met de kerkelijke vasten noch met de soberheid, welke gevorderd wordt voor het met eerbied ontvangen van dit Sacrament. Dus beletten die dingen niet dit Sacrament te ontvangen.

Praeterea, quidam de nocte profunda comedunt aut bibunt, aut forte totam noctem insomnem ducentes, de mane percipiunt sacra mysteria, nondum plene digesti. Minus autem impediretur sobrietas hominis si in mane parum comederet, et postea circa nonam sumeret hoc sacramentum, cum etiam sit quandoque maior distantia temporis. Ergo videtur quod talis cibi praeassumptio non impediat hominem ab hoc sacramento. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 5)

5 — Sommigen eten of drinken nog laat in de nacht, brengen misschien de hele nacht slapeloos door en ontvangen dan vroeg in de morgen de heilige Geheimen, terwijl de vertering nog niet helemaal is afgelopen. Voorwaar zou iemands soberheid minder in het gedrang komen, als hij vroeg in de morgen een kleinigheid zou eten en dan omstreeks het negende uur dit Sacrament zou ontvangen, terwijl in dat geval ook het verschil van tijd soms groter zou zijn. Dus schijnt op die manier van tevoren spijs gebruiken de mens van dit Sacrament niet uit te sluiten.

Praeterea, non minor reverentia debetur huic sacramento iam sumpto quam ante sumptionem. Sed, sumpto sacramento, licet cibum aut potum sumere. Ergo et ante sumptionem. (IIIa q. 80 a. 8 arg. 6)

6 — Men is geen minder eerbied aan dit Sacrament na het gebruik dan vóór het gebruik verschuldigd. Nu is het geoorloofd spijs of drank te gebruiken na het gebruik van het Sacrament. Dus ook vóór het gebruik.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro responsionum ad Ianuarium, placuit spiritui sancto ut, in honorem tanti sacramenti, prius in os Christiani dominicum corpus intraret quam ceteri cibi. (IIIa q. 80 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: « Het is tot eer van zulk een sacrament aan de H. Geest goed voorgekomen, dat het Lichaam des Heren in de mond van de christen zou voorafgaan aan de andere spijzen ».

Respondeo dicendum quod aliquid impedit sumptionem huius sacramenti dupliciter. Uno modo, secundum se, sicut peccatum mortale, quod habet repugnantiam ad significatum huius sacramenti, ut supra dictum est. Alio modo, propter prohibitionem Ecclesiae. Et sic impeditur aliquis a sumptione huius sacramenti post cibum vel potum assumptum, triplici ratione. Primo quidem, sicut Augustinus dicit, in honorem huius sacramenti, ut scilicet in os hominis intret nondum aliquo cibo vel potu infectum. Secundo, propter significationem, ut scilicet detur intelligi quod Christus, qui est res huius sacramenti, et caritas eius, debet primo fundari in cordibus nostris; secundum illud Matth. VI, primo quaerite regnum Dei. Tertio, propter periculum vomitus et ebrietatis, quae quandoque contingunt ex hoc quod homines inordinate cibis utuntur, sicut et apostolus dicit, I Cor. XI, alius quidem esurit, alius vero ebrius est. Ab hac tamen generali regula excipiuntur infirmi, qui statim communicandi sunt, etiam post cibum, si de eorum periculo dubitetur ne sine communione decedant, quia necessitas legem non habet. Unde dicitur de Consecr., dist. II, presbyter infirmum statim communicet, ne sine communione moriatur. (IIIa q. 80 a. 8 co.)

Iets kan op twee manieren het ontvangen van dit Sacrament beletten. Vooreerst op zich, en dat geldt van de doodzonde, welke, zoals boven is gezegd (4e Art.), strijdt met de betekenis van dit Sacrament. Vervolgens krachtens verbod van de Kerk, en op die manier is men van het ontvangen van dit Sacrament uitgesloten tengevolge van het gebruik van spijs en drank en wel om drie redenen. Op de eerste plaats, zoals Augustinus zegt, « tot eer van dit Sacrament », opdat het namelijk in een nog niet door enige spijs of drank bezoedelde mond kome. Op de tweede plaats vanwege de betekenis, opdat namelijk te verstaan gegeven worde, dat Christus, die de werkelijkheid is van dit Sacrament, en Zijn liefde de eerste grondslag moet vormen in onze harten, volgens het gezegde van Matiheus (6. 33) : « Zoekt eerst het Rijk Gods ». Op de derde plaats vanwege het gevaar van braking en dronkenschap, welke wel eens voorkomen, doordat de mensen spijs gebruiken op een ongeordende wijze, zoals ook de Apostel aangeeft: « De een heeft honger, terwijl de andere dronken is ». Een uitzondering echter op deze algemene regel vormen de zieken, die, wanneer zij in zo'n ernstigen toestand zijn, dat men vreest voor een sterven zonder Communie, onmiddellijk moeten communiceren, ook wanneer zij gegeten mochten hebben. Want nood breekt wet. Daarom heet het in een Decretaal: « De priester moet de zieke onmiddellijk de Communie geven, opdat deze niet sterve zonder gecommuniceerd te hebben ».

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus in eodem libro dicit, neque, quia post cibum dominus dedit, propterea pransi aut cenati fratres ad hoc sacramentum accipiendum convenire debeant, aut mensis suis miscere, sicut faciebant quos apostolus arguit et emendat. Namque salvator, quo vehementius commendaret mysterii illius altitudinem, ultimum hoc voluit infigere cordibus et memoriae discipulorum. Et ideo non praecepit ut deinceps tali ordine sumeretur, ut apostolis, per quos Ecclesias dispositurus erat, servaret hunc locum. (IIIa q. 80 a. 8 ad 1)

1 — Terecht zegt Augustinus: « Omdat de Heer dit Sacrament gaf na de maaltijd, daarom moeten de broeders nog niet tot ontvangst ervan samenkomen na eerst hun middag- of avondmaal gebruikt te hebben of het verbinden aan hun maaltijden, zoals zij deden, die de Apostel berispt en recht zet. Onze Heiland immers heeft, om de hoogheid van dit Geheim des te sterker aan te bevelen, het op het laatste ogenblik zo krachtig mogelijk in de harten en de herinnering van de leerlingen willen inprenten; daarom heeft Hij geen bevel gegeven om in de toekomst dit Sacrament in deze volgorde te ontvangen, maar heeft Hij aan de Apostelen, door wie Hij de gebruiken der kerken zou regelen, deze zaak overgelaten ».

Ad secundum dicendum quod illud verbum in Glossa sic exponitur, si quis esurit, et impatiens non vult expectare alios, manducet domi suos cibos, idest, pane terreno pascatur, nec post Eucharistiam sumat. (IIIa q. 80 a. 8 ad 2)

2 — Dat gezegde wordt in de Glossa zo uitgelegd: « Als iemand honger heeft en in zijn ongeduld niet op de anderen wil wachten, laat hij dan thuis zijn maal gebruiken d.w.z. het aardse brood eten en daarna niet meer de Eucharistie ».

Ad tertium dicendum quod capitulum illud loquitur secundum consuetudinem aliquando apud aliquos observatam, ut, in repraesentationem dominicae cenae, illo die a non ieiunis corpus Christi sumeretur. Sed nunc hoc est abrogatum. Nam, sicut Augustinus in libro praedicto dicit, per universum orbem mos iste servatur, ut scilicet corpus Christi a ieiunis sumatur. (IIIa q. 80 a. 8 ad 3)

3 — Die Kerkvergadering spreekt volgens de eens bij sommigen onderhouden gewoonte om ter uitbeelding van het Laatste Avondmaal op die dag het Lichaam van Christus te nuttigen zonder nuchter te zijn. Maar dat is nu afgeschaft, want Augustinus zegt: « In heel de wereld wordt dat gebruik in acht genomen ». dat men namelijk het Lichaam van Christus in staat van nuchterheid ontvangt.

Ad quartum dicendum quod, sicut in secunda parte habitum est, duplex est ieiunium. Primum est ieiunium naturae, quod importat privationem cuiuscumque praeassumpti per modum cibi vel potus. Et tale ieiunium requiritur ad hoc sacramentum, propter praedicta. Et ideo neque post assumptionem aquae vel alterius cibi aut potus vel etiam medicinae, in quantumcumque parva quantitate, licet accipere hoc sacramentum. Nec refert utrum aliquid huiusmodi nutriat vel non nutriat, aut per se aut cum aliis, dummodo sumatur per modum cibi vel potus. Reliquiae tamen cibi remanentes in ore, si casualiter transglutiantur, non impediunt sumptionem huius sacramenti, quia non traiiciuntur per modum cibi, sed per modum salivae. Et eadem ratio est de reliquiis aquae vel vini quibus os abluitur, dummodo traiiciantur non in magna quantitate, sed permixtae salivae, quod vitari non potest. Aliud autem est ieiunium Ecclesiae, quod instituitur ad carnis macerationem. Et tale ieiunium per praedicta non impeditur, quia praedicta non multum nutriunt, sed magis ad alterandum sumuntur. (IIIa q. 80 a. 8 ad 4)

4 — Zoals in het Tweede Deel gezegd is (II-II 147° Kw. 6° Art. 2° Antw.), is er een dubbele vasten. Vooreerst is er het natuurlijke vasten, dat hierin bestaat, dat men zich tevoren onthoudt van iets, wat dan ook, bij wijze van spijs of drank te gebruiken; dit vasten is om de boven aangegeven redenen (in de Leerst.) voor dit Sacrament verplichtend. En daarom is het niet geoorloofd dit Sacrament te ontvangen, als men eerst in welke kleine hoeveelheid dan ook, water heeft gebruikt of een andere spijs of drank of zelfs een geneesmiddel. Het komt er ook niet op aan of zo iets voedt of niet voedt, hetzij apart of in verbinding met wat anders, als het maar gebruikt wordt bij wijze van spijs of drank. Overblijfselen van de spijs echter die in de mond achterblijven en mogelijk worden ingeslikt, beletten de ontvangst van dit Sacrament niet, daar zij niet bij wijze van spijs worden binnengehaald, maar als speeksel; en hetzelfde geldt van het achterblijvende van het water of de wijn, waarmee men de mond spoelt, mits zij niet in grote hoeveelheid worden binnengehaald maar gemengd met het speeksel, iets wat niet kan vermeden worden. Vervolgens heeft men de kerkelijke vasten, die is ingesteld tot versterving van het vlees; en deze vasten wordt door de opgenoemde dingen niet uitgesloten, aangezien die dingen niet veel voedingswaarde hebben en eerder bij wijze van opfrissing gebruikt worden.

Ad quintum dicendum quod, cum dicitur, hoc sacramentum prius quam alii cibi debet mitti in os Christiani, non est intelligendum absolute respectu totius temporis, alioquin qui semel comedisset et bibisset, nunquam postea posset hoc sacramentum accipere. Sed est intelligendum quantum ad eundem diem. Et licet principium diei secundum diversos diversimode sumatur, nam quidam a meridie, quidam ab occasu, quidam a media nocte, quidam ab ortu solis diem incipiunt; Ecclesia tamen, secundum Romanos, diem a media nocte incipit. Et ideo, si post mediam noctem aliquis sumpserit aliquid per modum cibi vel potus, non potest eadem die hoc sumere sacramentum, potest vero si ante mediam noctem. Nec refert utrum post cibum vel potum dormierit, aut etiam digestus sit, quantum ad rationem praecepti. Refert autem quantum ad perturbationem mentis quam patiuntur homines propter insomnietatem vel indigestionem, ex quibus si mens multum perturbetur, homo redditur ineptus ad sumptionem huius sacramenti. (IIIa q. 80 a. 8 ad 5)

5 — Wanneer gezegd wordt, dat dit Sacrament vóór andere spijzen in de mond van de christen moet binnentreden, moet men dit niet in volstrekte zin t.w. met betrekking tot allen tijd verstaan, anders zou iemand, die éénmaal gegeten of gedronken had, daarna nooit meer dit Sacrament kunnen ontvangen. Men moet het verstaan met betrekking tot die dag; en al wordt nu het begin van de dag door verschillenden verschillend genomen (want sommigen beginnen de dag, als de zon het hoogste staat, anderen bij zonsondergang, anderen te middernacht, anderen bij zonsopgang), de Romeinse Kerk begint de dag te middernacht. Wanneer derhalve iemand na middernacht iets bij wijze van spijs of drank gebruikt heeft, kan hij die dag dit Sacrament niet ontvangen, wel als hij het vóór middernacht heeft gedaan. Het doet er niet toe of hij na die spijs of drank gebruikt te hebben nog heeft geslapen of dat het al is verteerd, tenminste wat het gebod als zodanig betreft. Wel doet dat er aan toe wat betreft de onrustigheid van de geest, waaraan de mensen lijden, als zij niet geslapen hebben of het eten niet is verteerd: dat immers maakt, bij erge verstoring van de geest, de mens ongeschikt om dit Sacrament te ontvangen.

Ad sextum dicendum quod maxima devotio requiritur in ipsa sumptione sacramenti, quia tunc percipitur sacramenti effectus. Quae quidem devotio magis impeditur per praecedentia quam per sequentia. Et ideo magis est institutum quod homines ieiunent ante sumptionem huius sacramenti quam post. Debet tamen esse aliqua mora inter sumptionem huius sacramenti et reliquos cibos. Unde et in Missa oratio gratiarum actionis post communionem dicitur; et communicantes etiam suas privatas orationes dicunt. Secundum tamen antiquos canones statutum fuit a Papa Clemente, ut habetur de Consecr., dist. II, si mane dominica portio editur, usque ad sextam ieiunent ministri qui eam sumpserunt, et si tertia vel quarta acceperint, ieiunent usque ad vesperum. Antiquitus enim rarius Missarum solemnia celebrabantur, et cum maiori praeparatione. Nunc autem, quia oportet frequentius sacra mysteria celebrare, non posset de facili observari. Et ideo per contrariam consuetudinem est abrogatum. (IIIa q. 80 a. 8 ad 6)

6 — De grootste eerbied is vereischt op het eigen ogenblik van het ontvangen van dit Sacrament, want dan wordt men deelachtig aan het uitwerksel van het Sacrament. Deze eerbied nu wordt meer gehinderd door wat voorafgaat dan door wat volgt. En daarom heeft men meer bepaald, dat de mensen zouden vasten vóór de ontvangst van dit Sacrament dan erna. Toch moet er enige tijd voorbijgaan tussen de ontvangst van dit Sacrament en andere spijzen. Daarom wordt er in de Mis na de communie een gebed van dankzegging gedaan en zeggen ook zij, die gecommuniceerd hebben, hun eigen gebeden. Toch was in de oude rechtsregels door Paus Clemens I voorgeschreven: « Als 's Heren gave in de vroege morgen wordt gegeten, moeten de bedienaren, die haar hebben genuttigd, nuchter blijven tot het zesde uur; hebben zij haar ontvangen in het derde of vierde uur, dan moeten zij nuchter blijven tot de middag ». Vroeger werden immers de Misplechtigheden zeldzamer en met grotere voorbereiding gevierd. Maar aangezien men tegenwoordig de heilige geheimen vaker moet vieren, zou men dat voorschrift niet gemakkelijk kunnen onderhouden en daarom is het door een tegenovergestelde gewoonte afgeschaft.

Articulus 9.
Mogen zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit Sacrament ontvangen?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod non habentes usum rationis non debeant hoc sacramentum accipere. Requiritur enim quod aliquis ad hoc sacramentum cum devotione et praecedenti sui examinatione accedat, secundum illud I Cor. XI, probet autem seipsum homo, et sic de pane illo edat et de calice bibat. Sed hoc non potest esse in his qui carent usu rationis. Ergo non debet eis hoc sacramentum dari. (IIIa q. 80 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert, dat zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit sacrament niet mogen ontvangen. Het is immers een vereiste, dat men met godsvrucht en na voorafgaand gewetensonderzoek tot dit sacrament nadere, overeenkomstig het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 28): « Dat de mens zichzelf op de proef stelle en dan eerst van dit brood ete en van de kelk drinke ». Maar dat is onmogelijk bij hen, die het gebruik van het verstand missen. Dus moet men hun dit sacrament niet geven.

Praeterea, inter alios qui carent usu rationis, sunt etiam arreptitii, qui energumeni dicuntur. Sed tales etiam ab inspectione huius sacramenti arcentur, secundum Dionysium, in libro Eccles. Hier. Ergo carentibus usu rationis hoc sacramentum dari non debet. (IIIa q. 80 a. 9 arg. 2)

2 — Tot degenen die het gebruik van het verstand missen, behoren ook de bezetenen, energumenen genaamd. Nu worden volgens Dionysius zulk soort mensen zelfs belet om dit Sacrament te aanschouwen. Dus moet men dit Sacrament niet geven aan hen die het gebruik van het verstand missen.

Praeterea, inter alios carentes usu rationis maxime pueri videntur esse innocentes. Sed pueris hoc sacramentum non exhibetur. Ergo multo minus aliis carentibus usu rationis. (IIIa q. 80 a. 9 arg. 3)

3 — Van al degenen, die het gebruik van het verstand missen, schijnen kinderen toch wel het meest onschuldig te zijn. Welnu, aan kinderen wordt dit sacrament niet gegeven. Dus nog veel minder aan de overigen, die het gebruik van het verstand missen.

Sed contra est quod legitur in Concilio Arausico, et habetur in decretis, XXVI, qu. VI, amentibus quaecumque sunt pietatis, sunt conferenda. Et ita est conferendum hoc sacramentum, quod est sacramentum pietatis. (IIIa q. 80 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Kerkvergadering van Orange gezegd wordt: «Aan krankzinnigen moet men alles geven, wat der vroomheid is». Dus moet men hun dit sacrament, dat het sacrament der vroomheid is, toedienen.

Respondeo dicendum quod aliqui dicuntur non habere usum rationis dupliciter. Uno modo, quia habent debilem usum rationis, sicut dicitur non videns qui male videt. Et quia tales possunt aliquam devotionem concipere huius sacramenti, non est eis hoc sacramentum denegandum. Alio modo dicuntur aliqui non habere totaliter usum rationis. Aut igitur nunquam habuerunt usum rationis, sed sic a nativitate permanserunt, et sic talibus non est hoc sacramentum exhibendum, quia in eis nullo modo praecessit huius sacramenti devotio. Aut non semper caruerunt usu rationis. Et tunc, si prius, quando erant suae mentis compotes, apparuit in eis huius sacramenti devotio, debet eis in articulo mortis hoc sacramentum exhiberi, nisi forte timeatur periculum vomitus vel exspuitionis. Unde legitur in Concilio Carthaginensi IV, et habetur in decretis, XXVI, qu. VI, is qui in infirmitate poenitentiam petit, si casu, dum ad eum invitatus sacerdos venit, oppressus infirmitate obmutuerit, vel in phrenesim conversus fuerit, dent testimonium qui eum audierunt, et accipiat poenitentiam, et, si continuo creditur moriturus, reconcilietur per manus impositionem et infundatur ori eius Eucharistia. (IIIa q. 80 a. 9 co.)

Men kan van mensen op twee manieren zeggen, dat zij het gebruik van het verstand ontberen. Vooreerst in die zin dat zij slechts een zwak gebruik van het verstand hebben, evenals iemand niet ziende genoemd wordt, als hij slecht ziet. En omdat zulke mensen enige godsvrucht voor dit sacrament kunnen opvatten, mag men hun dit sacrament niet weigeren. Vervolgens spreekt men zo van hen, die volstrekt het gebruik van het verstand ontberen. Dezen hebben ofwel nooit het gebruik van het verstand gehad, maar zijn van hun geboorte af voortdurend aldus geweest en aan zulke mensen moet men dit sacrament niet uitreiken, daar er in hen ten ene male geen godsvrucht voor dit sacrament wordt gevonden; ofwel hebben zij niet altijd het gebruik van het verstand ontbeerd en in dat geval moet hun dit sacrament worden gegeven, indien er vroeger, toen zij nog bij hun verstand waren, godsvrucht voor dit sacrament is gebleken, tenzij men zou vrezen voor gevaar van braken en uitspuwen. Daarom heet het in de Vierde Kerkvergadering van Carthago: «Wie in ziekte om de boete heeft verzocht en dan mogelijkkerwijze, wanneer de uitgenoodigde priester tot hem komt, door zijn ziekte zo is overmand, dat hij niet kan spreken, of aan het ijlen is geslagen, moet op het getuigenis van die hem hebben gehoord de boete ontvangen en hij, als men meent, dat hij terstond zal sterven, verzoend worden door de oplegging der handen en de eucharistie door ingieting in de mond ontvangen ».

Ad primum ergo dicendum quod carentes usu rationis possunt devotionem ad sacramentum habere, quantum ad aliquos quidem praesentem, quantum ad alios autem praeteritam. (IIIa q. 80 a. 9 ad 1)

1 — Zij, die het gebruik van het verstand missen, kunnen godsvrucht hebben voor het sacrament, hetzij op dit ogenblik, hetzij, zoals bij anderen, in het verleden.

Ad secundum dicendum quod Dionysius loquitur ibi de energumenis nondum baptizatis, in quibus scilicet nondum est vis Daemonis extincta, quae viget in eis per originale peccatum. Sed de baptizatis qui corporaliter ab immundis spiritibus vexantur, est eadem ratio et de aliis amentibus. Unde Cassianus dicit, eis, qui ab immundis vexantur spiritibus, communionem sacrosanctam a senioribus nostris nunquam meminimus interdictam. (IIIa q. 80 a. 9 ad 2)

2 — Dionysius spreekt daar van nog niet gedoopte bezetenen, in wie namelijk de kracht van de duivel nog niet is uitgedelgd maar nog heerst door de erfzonde. Maar voor gedoopten, die naar het lichaam door onreine geesten gekweld worden, geldt hetzelfde als voor overige krankzinnigen. Daarom zegt Cassianus: « Wij herinneren ons niet, dat ooit door onze ouderen de heilige communie is ontzegd aan degenen, die door onreine geesten gekweld worden ».

Ad tertium dicendum quod eadem ratio est de pueris recenter natis et de amentibus qui nunquam habuerunt usum rationis. Unde talibus non sunt sacra mysteria danda, quamvis quidam Graeci contrarium faciant, propter hoc quod Dionysius, II cap. Eccles. Hier., dicit baptizatis esse sacram communionem dandam, non intelligentes quod Dionysius ibi loquitur de Baptismo adultorum. Nec tamen per hoc aliquod detrimentum vitae patiuntur, propter hoc quod dominus dicit, Ioan. VI, nisi manducaveritis carnem filii hominis et biberitis eius sanguinem, non habebitis vitam in vobis, quia, sicut Augustinus scribit Bonifacio, tunc unusquisque fidelium corporis et sanguinis domini particeps fit, scilicet spiritualiter, quando in Baptismate membrum corporis Christi efficitur. Sed quando iam pueri incipiunt aliqualem usum rationis habere, ut possint devotionem concipere huius sacramenti, tunc potest eis hoc sacramentum conferri. (IIIa q. 80 a. 9 ad 3)

3 — Voor pasgeboren kinderen geldt hetzelfde als voor krankzinnigen, die nooit het gebruik van het verstand gehad hebben. Dus moet men hun de heilige Geheimen niet geven. Weliswaar doen sommige Grieken anders, vanwege het gezegde van Dionysius dat men aan de gedoopten de communie moet geven, niet begrijpend, dat Dionysius daar spreekt over het doopsel van volwassenen. Toch betekent dat voor hen geen schade in het leven der genade, om het woord van Christus: « Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen zult eten en Zijn Bloed zult drinken, zult gij het leven in u niet hebben ». (Joan. 6. 54). Want Augustinus schrijft terecht aan Bonifacius: « Dan wordt iedere gelovige deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus » namelijk geestelijkerwijze « wanneer hij in het doopsel een lidmaat wordt van het Lichaam van Christus ». Maar wanneer de kinderen reeds enigermate het gebruik van het verstand beginnen te krijgen, zodat zij godsvrucht kunnen opvatten voor dit sacrament, dan kan men hun dit sacrament toedienen.

Articulus 10.
Mag men dit Sacrament dagelijks ontvangen?

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod non liceat quotidie hoc sacramentum suscipere. Sicut enim Baptismus repraesentat dominicam passionem, ita et hoc sacramentum. Sed non licet pluries baptizari, sed semel tantum, quia Christus semel tantum pro peccatis nostris mortuus est, ut dicitur I Pet. III. Ergo videtur quod non liceat hoc sacramentum quotidie suscipere. (IIIa q. 80 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men dit Sacrament niet dagelijks mag ontvangen. Gelijk immers het doopsel het lijden der Heren verbeeldt, zo ook dit Sacrament. Nu mag men zich met meerdere malen laten dopen, maar slechts één keer, omdat « Christus » slechts « één keer voor onze zonden gestorven », zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (5. 18). Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen ontvangen.

Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed agnus paschalis, qui fuit figura praecipua huius sacramenti, ut supra dictum est, non manducabatur nisi semel in anno. Sed Ecclesia semel in anno celebrat Christi passionem, cuius hoc sacramentum est memoriale. Ergo videtur quod non licet quotidie sumere hoc sacramentum, sed semel in anno. (IIIa q. 80 a. 10 arg. 2)

2 — De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Welnu, het paaslam, dat de voornaamste afbeelding van dit Sacrament was, zoals boven gezegd is (73° Kw. 6° Art.), werd slechts éénmaal per jaar gegeten. Ook viert de Kerk maar éénmaal per jaar het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is. Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen nuttigen maar slechts eens in het jaar.

Praeterea, huic sacramento, in quo totus Christus continetur, maxima reverentia debetur. Ad reverentiam autem pertinet quod aliquis ab hoc sacramento abstineat, unde et laudatur centurio, qui dixit, Matth. VIII, domine, non sum dignus ut intres sub tectum meum; et Petrus, qui dixit, Luc. V, exi a me, domine, quia homo peccator ego sum. Ergo non est laudabile quod homo quotidie hoc sacramentum suscipiat. (IIIa q. 80 a. 10 arg. 3)

3 — Tegenover dit Sacrament, waarin de hele Christus is vervat, is de grootst mogelijke eerbied vereist. Nu is het een zaak van eerbied, dat men zich van dit Sacrament onthoudt. Vandaar ook de lof voor de Hoofdman, die zei: « Heer, Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak » (Matth. 8. 8) en voor Petrus, die zei: « Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens » (Luc. 5. 8). Dus is het niet te loven, dat een mens dit Sacrament dagelijks ontvangt.

Praeterea, si laudabile esset frequenter hoc sacramentum suscipere quanto frequentius sumeretur, tanto esset laudabilius. Sed maior esset frequentia si homo pluries in die sumeret hoc sacramentum. Ergo esset laudabile quod homo pluries in die communicaret. Quod tamen non habet Ecclesiae consuetudo. Non ergo videtur esse laudabile quod aliquis quotidie hoc sacramentum accipiat. (IIIa q. 80 a. 10 arg. 4)

4 — Als het lofwaardig was dit sacrament veelvuldig te ontvangen, dan zou het des te lofwaardiger zijn, hoe veelvuldiger men het ontving. Nu zou men komen aan een grotere veelvuldigheid, als men dit sacrament meerdere malen op een dag ontving. Dus zou het lofwaardig zijn meerdere malen op een dag te communiceren, wat toch buiten de gewoonte van de kerk ligt. Dus schijnt het niet lofwaardig te zijn, als iemand dit sacrament dagelijks ontvangt.

Praeterea, Ecclesia intendit suis statutis fidelium utilitati providere. Sed ex statuto Ecclesiae fideles tenentur solum semel communicare in anno, unde dicitur extra, de Poenit. et Remiss., omnis utriusque sexus fidelis suscipiat reverenter ad minus in Pascha Eucharistiae sacramentum, nisi forte, de proprii sacerdotis consilio, ob aliquam rationabilem causam, ad tempus ab eius perceptione duxerit abstinendum. Non ergo est laudabile quod quotidie hoc sacramentum sumatur. (IIIa q. 80 a. 10 arg. 5)

5 — De Kerk bedoelt door haar bepalingen te voorzien in het nut der gelovigen. Welnu, krachtens de bepaling van de Kerk zijn de gelovigen gehouden om slechts eens per jaar te communiceren. Daarom heet het in een Extra: « Elke gelovige van beider hun ontvangst, althans op Pasen, met eerbied het Sacrament der Eucharistie, tenzij men in overleg met zijn eigen priester om enige geldige reden gedurende een zekere tijd zich van de ontvangst ervan zou menen te moeten onthouden ». Dus is het niet prijzenswaard dit Sacrament dagelijks te ontvangen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de verbis domini, iste panis quotidianus est, accipe quotidie quod quotidie tibi prosit. (IIIa q. 80 a. 10 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « Dat brood is een dagelijks brood; eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben ».

Respondeo dicendum quod circa usum huius sacramenti duo possunt considerari. Unum quidem ex parte ipsius sacramenti, cuius virtus est hominibus salutaris. Et ideo utile est quotidie ipsum suscipere, ut homo quotidie eius fructum percipiat. Unde Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, si quoties effunditur sanguis Christi, in remissionem peccatorum effunditur, debeo semper accipere, qui semper pecco, debeo semper habere medicinam. Alio modo potest considerari ex parte sumentis, in quo requiritur quod cum magna devotione et reverentia ad hoc sacramentum accedat. Et ideo, si aliquis se quotidie ad hoc paratum inveniat, laudabile est quod quotidie sumat. Unde Augustinus, cum dixisset, accipe quod quotidie tibi prosit, subiungit, sic vive ut quotidie merearis accipere. Sed quia multoties in pluribus hominum multa impedimenta huius devotionis occurrunt, propter corporis indispositionem vel animae, non est utile omnibus hominibus quotidie ad hoc sacramentum accedere, sed quotiescumque se homo ad illud paratum invenerit. Unde in libro de ecclesiasticis Dogmat. dicitur, quotidie Eucharistiae communionem accipere nec laudo nec vitupero. (IIIa q. 80 a. 10 co.)

Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men tweeërlei in oogenschouw nemen. Vooreerst de kant van dit Sacrament, welks kracht de mensen heilzaam is, zodat het nuttig is het dagelijks te ontvangen om dagelijks de vruchten ervan te genieten. Daarom zegt Ambrosius: « Indien het Bloed van Christus, telkens als het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden wordt vergoten, dan moet ik het altijd ontvangen, ik die altijd zondig, ik moet dagelijks het geneesmiddel hebben ». Vervolgens kan men beschouwen de kant van de ontvangende mens, van wie vereist wordt, dat hij met grote godsvrucht en eerbied tot dit Sacrament nadert. Als dus iemand er zich dagelijks bereid voor vindt, is het lofwaardig, als hij het dagelijks ontvangt. Na de woorden: « eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben » laat Augustinus dan ook volgen: « Leeft zo, dat gij verdient het dagelijks te ontvangen ». Maar omdat vaak bij verschillende mensen door verkeerde gesteltenis van lichaam of ziel allerlei beletselen voor de godsvrucht optreden, daarom is het niet voor alle mensen nuttig om dagelijks tot dit Sacrament te naderen, maar slechts zo dikwijls, als iemand zich bereid vindt. Daarom staat er in het boek *De Ecclesiasticis Dogmatibus*: « Dagelijks de communie ontvangen wordt door mij noch geprezen, noch gelaakt ».

Ad primum ergo dicendum quod per sacramentum Baptismi configuratur homo morti Christi, in se suscipiens eius characterem, et ideo, sicut Christus semel mortuus est, ita solum semel debet homo baptizari. Sed per hoc sacramentum non recipit homo Christi characterem, sed ipsum Christum, cuius virtus manet in aeternum, unde, ad Heb. X, una oblatione consummavit sanctificatos in sempiternum. Et ideo, quia quotidie homo indiget salutifera Christi virtute, quotidie potest laudabiliter hoc sacramentum percipere. Et quia praecipue Baptismus est spiritualis regeneratio, ideo, sicut homo semel carnaliter nascitur, ita debet semel spiritualiter renasci per Baptismum, ut Augustinus dicit, super illud Ioan. III, quomodo potest homo nasci cum sit senex? Sed hoc sacramentum est cibus spiritualis, unde, sicut cibus corporalis quotidie sumitur, ita et hoc sacramentum quotidie sumere laudabile est. Unde dominus, Luc. XI, docet petere, panem nostrum quotidianum da nobis hodie, in cuius expositione Augustinus dicit, in libro de verbis domini, si quotidie acceperis, scilicet hoc sacramentum, quotidie tibi est hodie, tibi Christus quotidie resurgit, hodie enim est quando Christus resurgit. (IIIa q. 80 a. 10 ad 1)

1 — Door het sacrament des doopseels wordt de mens gelijkvormig aan de dood van Christus, terwijl hij diens merkteken in zich ontvangt. Evenals daarom Christus éénmaal is gestorven, zo moet de mens ook slechts éénmaal gedoopt worden. Maar door dit sacrament ontvangt de mens niet het merkteken van Christus, maar Christus Zelf, wiens kracht in eeuwigheid blijft. Daarom heet het in de Brief aan de Hebreën (10. 14): « Door één offerande heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht ». Daar dus de mens dagelijks de heilbrengende kracht van Christus behoeft, kan hij zeer lofwaardig dit sacrament dagelijks ontvangen. Verder: daar het doopsel voornamelijk een geestelijke hergeboorte is, daarom moet de mens, evenals hij slechts ééns geboren wordt naar het vlees, ook slechts ééns herboren worden naar de geest door het doopsel, volgens wat Augustinus zegt bij het woord van Joannes (3. 4): « Hoe kan de mens geboren worden, wanneer hij reeds oud is? » Dit sacrament daarentegen is een geestelijke spijs; evenals dus de spijs van het lichaam dagelijks wordt genuttigd, zo is het ook in de hoogste mate lofwaardig dit sacrament dagelijks te nuttigen. Daarom leert de Heer te bidden: « Geef ons heden ons dagelijks brood » (Luc. 11. 3), tot verklaring waarvan Augustinus zegt: « Wanneer gij dagelijks (dit sacrament) ontvangt, dan is dagelijks voor u heden, dan verrijst Christus voor u dagelijks, want het is heden, als Christus verrijst ».

Ad secundum dicendum quod agnus paschalis praecipue fuit figura huius sacramenti quantum ad passionem Christi, quae repraesentatur per hoc sacramentum. Et ideo semel tantum in anno sumebatur, quia Christus semel mortuus est. Et propter hoc etiam Ecclesia semel in anno celebrat memoriam passionis Christi. Sed in hoc sacramento traditur nobis memoriale passionis Christi per modum cibi, qui quotidie sumitur. Et ideo quantum ad hoc significatur per manna, quod quotidie populo dabatur in deserto. (IIIa q. 80 a. 10 ad 2)

2 — Het paaslam was de voornaamste voorafbeelding van dit sacrament wat betreft Christus’ lijden, dat door dit sacrament wordt verbeeld. En daarom werd het slechts éénmaal in het jaar gebruikt, omdat Christus maar éénmaal is gestorven. En om dezelfde reden viert de kerk ook maar eens per jaar de herinnering van het lijden van Christus. Maar in dit sacrament wordt de herinnering aan het lijden van Christus ons gegeven als een spijs: spijzen worden nu dagelijks gebruikt. Daarom werd het, wat dat betreft, voorafgebeeld door het manna, dat aan het volk in de woestijn dagelijks werd gegeven.

Ad tertium dicendum quod reverentia huius sacramenti habet timorem amori coniunctum, unde timor reverentiae ad Deum dicitur timor filialis, ut in secunda parte dictum est. Ex amore enim provocatur desiderium sumendi, ex timore autem consurgit humilitas reverendi. Et ideo utrumque pertinet ad reverentiam huius sacramenti, et quod quotidie sumatur, et quod aliquando abstineatur. Unde Augustinus dicit, si dixerit quispiam non quotidie accipiendam Eucharistiam, alius affirmat quotidie, faciat unusquisque quod secundum fidem suam pie credit esse faciendum. Neque enim litigaverunt inter se Zacchaeus et ille centurio, cum alter eorum gaudens susceperit dominum, alter dixerit, non sum dignus ut intres sub tectum meum, ambo salvatorem honorificantes, quamvis non uno modo. Amor tamen et spes, ad quae semper Scriptura nos provocat, praeferuntur timori, unde et, cum Petrus dixisset, exi a me, domine, quia peccator homo ego sum, respondit Iesus, noli timere. (IIIa q. 80 a. 10 ad 3)

3 — De eerbied voor dit Sacrament kent een aan liefde gepaarde vrees. Daarom wordt de vrees van de eerbied voor God vreze der kinderen genoemd, zoals in het Tweede Deel is gezegd (I-II 67° Kw. 4° Art. 2° Antw. en II-II 19° Kw. 9, 11°, 12° Art.). Want uit de liefde ontstaat de begeerte om te ontvangen, uit de vrees de nederigheid, die op een eerbiedige afstand blijft. En dus behoort tot de eerbied voor dit Sacrament zowel het dagelijks ertoe naderen als het somtijds er zich van onthouden. Vandaar het woord van Augustinus: «Als de een zegt, dat men de Eucharistie niet dagelijks moet ontvangen en een ander het tegenovergestelde beweert, laat dan eenieder doen, wat hij overeenkomstig zijn eigen vrome overtuiging meent te moeten doen. Er is immers ook niet getwist tussen Zachaeus en die hoofdman, waarvan de een in vreugde de Heer ontving, terwijl de ander zeide: Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, waardoor beiden de Zaligmaker eerden, al was het niet op dezelfde manier». Evenwel hebben liefde en hoop, waartoe de Schrift ons altijd weer aanspoort, de voorrang boven de vrees. Toen dan ook Petrus gezegd heeft: « Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens », antwoordde Jesus: « vrees niet ».

Ad quartum dicendum quod, quia dominus dicit, panem nostrum quotidianum da nobis hodie, non est pluries in die communicandum, ut saltem per hoc quod aliquis semel in die communicat, repraesentetur unitas passionis Christi. (IIIa q. 80 a. 10 ad 4)

4 — Aangezien de Heer zegt: « Geef ons heden ons dagelijks brood » (Luc. 11, 3), moet men niet meerdere malen op een dag communiceren. Door dit slechts éénmaal per dag communiceren moge in iedere geval de eenmaligheid van Christus' lijden verbeeld worden.

Ad quintum dicendum quod, secundum statum diversum Ecclesiae, diversa circa hoc statuta emanarunt. Nam in primitiva Ecclesia, quando magis vigebat devotio fidei Christianae, statutum fuit ut quotidie fideles communicarent. Unde Anacletus Papa dicit, peracta consecratione, omnes communicent qui noluerint ecclesiasticis carere liminibus, sic enim et apostoli statuerunt, et sancta Romana tenet Ecclesia. Postmodum vero, diminuto fidei fervore, Fabianus Papa indulsit ut, si non frequentius, saltem ter in anno omnes communicent, scilicet in Pascha, in Pentecoste et in nativitate domini. Soter etiam Papa in cena domini dicit esse communicandum, ut habetur in decretis, de Consecr., dist. II. Postmodum vero, propter iniquitatis abundantiam refrigescente caritate multorum, statuit Innocentius III ut saltem semel in anno, scilicet in Pascha, fideles communicent. Consulitur tamen in libro de ecclesiasticis Dogmat., omnibus diebus dominicis communicandum. (IIIa q. 80 a. 10 ad 5)

5 — Naar de wisselende staat der Kerk zijn hieromtrent verschillende bepalingen uitgevaardigd. Want in de vroegste dagen der Kerk, toen het christelijk geloof zich nog deed gelden door een grote godsvrucht, was voorgeschreven, dat de geloovigen dagelijks zouden communiceren. Paus Anacletus zegt dan ook: « Na de consecratie moeten allen, die niet van de Kerk willen worden buitengesloten, de communie ontvangen: zóó toch is bepaald door de Apostelen en zóó wordt het onderhouden door de heilige Roomsche Kerk ». Toen echter later de vurigheid van het geloof was verminderd, was Paus Fabianus zo mild te bepalen: « dat iedereen, indien al niet vaker, althans drie maal in het jaar communiceert nl. op Pasen, Pinksteren en Kerstmis ». Paus Soter zegt, dat men ook op Witte Donderdag moet communiceren, zoals er staat in een Decretaal. Naderhand heeft Innocentius III, gezien de menigvuldigheid der boosheid en het verkillen van veler liefde, vastgesteld, dat de geloovigen althans éénmaal per jaar de communie moeten ontvangen d.w.z. op Pasen. Met dat al wordt in het boek De Dogmatibus Ecclesiasticis de raad gegeven om op alle Zondagen te communiceren.

Articulus 11.
Mag men zich helemaal van de Communie onthouden?

Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod liceat cessare omnino a communione. Laudatur enim centurio de hoc quod dicit, Matth. VIII domine, non sum dignus ut intres sub tectum meum. Cui comparatur ille qui reputat sibi a communione esse abstinendum, ut dictum est. Cum ergo nunquam legatur Christum in eius domum venisse, videtur quod liceat alicui toto tempore vitae suae a communione abstinere. (IIIa q. 80 a. 11 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geoorloofd is zich helemaal van de communie te onthouden. De hoofdman wordt immers geprezen, omdat hij zegt: « Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak » (Matth. 8. 8). En met hem vergelijkt men degene, die meent zich van de communie te moeten onthouden, zoals gezegd is (10° Art. 3° Antw.). Daar men nu nergens leest, dat Christus ooit in zijn huis is gekomen, schijnt het geoorloofd te zijn, dat iemand zich heel de duur van zijn leven van de communie onthoudt.

Praeterea, cuilibet licet abstinere ab his quae non sunt de necessitate salutis. Sed hoc sacramentum non est de necessitate salutis, ut supra dictum est. Ergo licet a susceptione huius sacramenti omnino cessare. (IIIa q. 80 a. 11 arg. 2)

2 — Het staat eenieder vrij zich te onthouden van wat niet noodzakelijk is voor het heil. Nu is dit sacrament niet noodzakelijk voor het heil, gelijk boven gezegd is (73° Kw. 3° Art.). Dus staat het vrij helemaal van de communie af te zien.

Praeterea, peccatores non tenentur communicare, unde Fabianus Papa, cum dixisset, ter in anno omnes communicent, adiunxit nisi forte quis maioribus criminibus impediatur. Si ergo illi qui non sunt in peccato, tenentur communicare, videtur quod melioris conditionis sint peccatores quam iusti, quod est inconveniens. Ergo videtur quod etiam iustis liceat a communione cessare. (IIIa q. 80 a. 11 arg. 3)

3 — Zondaars zijn niet verplicht te communiceren. Na gezegd te hebben: « Allen moeten driemaal per jaar communiceren » liet Paus Fabianus dan ook volgen: « tenzij iemand door grote misdrijven mocht zijn verhinderd ». Indien dus degenen, die niet in zonde zijn, verplicht zijn te communiceren, schijnen de zondaars er gunstiger aan toe te zijn dan de rechtvaardigen, wat niet aangaat. Dus schijnt het ook de rechtvaardigen geoorloofd te zijn van de communie af te zien.

Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. VI, nisi manducaveritis carnem filii hominis et biberitis eius sanguinem, non habebitis vitam in vobis. (IIIa q. 80 a. 11 s. c.)

Daartegenover staat echter ’s Heren woord: « Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben » (Joan. 6. 54).

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, duplex est modus percipiendi hoc sacramentum, spiritualis scilicet et sacramentalis. Manifestum est autem quod omnes tenentur saltem spiritualiter manducare, quia hoc est Christo incorporari, ut supra dictum est. Spiritualis autem manducatio includit votum seu desiderium percipiendi hoc sacramentum, ut supra dictum est. Et ideo sine voto percipiendi hoc sacramentum non potest homini esse salus. Frustra autem esset votum nisi impleretur quando opportunitas adesset. Et ideo manifestum est quod homo tenetur hoc sacramentum sumere, non solum ex statuto Ecclesiae, sed etiam ex mandato domini, dicentis, Matth. XXVI, hoc facite in meam commemorationem. Ex statuto autem Ecclesiae sunt determinata tempora exequendi Christi praeceptum. (IIIa q. 80 a. 11 co.)

Zoals boven gezegd is (1° Art.), is er een tweevoudige manier om dit Sacrament te ontvangen, namelijk een geestelijke en een sacramenteele. Nu is het duidelijk, dat allen verplicht zijn althans geestelijk te eten, want dat is niets anders dan bij Christus ingelijfd worden, zoals boven gezegd is (9° Art. 3° Antw.; 73° Kw. 3° Art. 1° Antw.). Maar het geestelijk eten sluit de begeerte of het verlangen in om dit Sacrament te ontvangen, zoals boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 2° Art.). Bijgevolg is er geen heil voor de mens mogelijk zonder de begeerte dit Sacrament te ontvangen. Maar die begeerte zou geen zin hebben, als er geen uitvoering aan werd gegeven, wanneer er daartoe gelegenheid was. Dus is het duidelijk, dat de mens verplicht is dit Sacrament te ontvangen, niet alleen vanwege het voorschrift van de Kerk, maar ook om het gebod des Heren, die zegt: « Doet dit ter Mijner gedachtenis ». (Luc. 22. 19). Het kerkelijk voorschrift geeft bepaalde tijden om het gebod van Christus ten uitvoer te brengen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Gregorius dicit, in pastorali, illa est vera humilitas, cum ad respuendum hoc quod utiliter praecipitur, pertinax non est. Et ideo non potest esse laudabilis humilitas si contra praeceptum Christi et Ecclesiae aliquis a communione abstineat. Neque enim centurioni praeceptum fuit ut Christum in sua domo reciperet. (IIIa q. 80 a. 11 ad 1)

1 — Terecht zegt Gregorius: « Dat is de echte nederigheid, die niet hardnekkig weigert te doen wat tot ons nut is bevolen ». En dus kan het geen prijzenswaardige nederigheid zijn, als iemand tegen het bevel van Christus en de Kerk in, zich helemaal van de communie onthoudt. Het was de Hoofdman ook niet bevolen om Christus in zijn huis op te nemen.

Ad secundum dicendum quod hoc sacramentum dicitur non esse necessitatis sicut Baptismus, quantum ad pueros, quibus potest esse salus sine hoc sacramento, non autem sine sacramento Baptismi. Quantum vero ad adultos, utrumque est necessitatis. (IIIa q. 80 a. 11 ad 2)

2 — Dit sacrament wordt niet zo noodzakelijk genoemd als het doopsel wat betreft de kinderen, die het heil kunnen verwerven zonder dit sacrament en niet zonder het sacrament des doopseels. Voor de volwassenen zijn beide noodzakelijk.

Ad tertium dicendum quod peccatores magnum detrimentum patiuntur ex hoc quod repelluntur a perceptione huius sacramenti, unde per hoc non sunt melioris conditionis. Et licet in peccatis permanentes non excusentur propter hoc a transgressione praecepti, poenitens tamen, qui, ut Innocentius dicit, secundum consilium sacerdotis abstinet, excusatur. (IIIa q. 80 a. 11 ad 3)

3 — De zondaars lijden grote schade, als zij van de ontvangst van dit Sacrament worden afgehouden en dus zijn zij daardoor er niet gunstiger aan toe. Hoewel zij, die in zonde blijven, daarmee nog niet ontkomen aan de schuld van gebodsovertreding, gaan degenen, die boete doen en, zoals Innocentius zegt, op raad van de priester zich onthouden, op dat punt vrij uit.

Articulus 12.
Mag men het Lichaam van Christus zonder het Bloed ontvangen?

Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod non liceat sumere corpus domini sine sanguine. Dicit enim Gelasius Papa, et habetur de Consecrat., dist. II, comperimus quod quidam, sumpta tantummodo corporis sacri portione, a calice sacrati cruoris abstinent. Qui procul dubio, quoniam nescio qua superstitione docentur adstringi, aut integra sacramenta percipiant, aut ab integris arceantur. Non ergo licet corpus Christi sumere sine sanguine. (IIIa q. 80 a. 12 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men het Lichaam van Christus niet mag ontvangen zonder het Bloed. Want Paus munione abstineat. Neque enim Centurioni praeceptum fuit ut Christum in sua domo reciperet. Gelasius zegt: « We hebben bevonden, dat sommigen alleen maar hun deel nemen van het heilig Lichaam, maar zich onthouden van de kelk van het heilig Bloed. Zonder twijfel moeten zulke mensen, daar ze door ik weet niet wat voor bijgelovigheid zich laten inhouden, ofwel het Sacrament in zijn geheel ontvangen ofwel er helemaal van worden geweerd ». Dus mag men het Lichaam van Christus niet ontvangen zonder diens Bloed.

Praeterea, ad perfectionem huius sacramenti concurrit manducatio corporis et potatio sanguinis, ut supra habitum est. Si ergo sumatur corpus sine sanguine, erit sacramentum imperfectum. Quod ad sacrilegium pertinere videtur. Unde ibidem Gelasius subdit, quia divisio unius eiusdemque mysterii sine grandi sacrilegio non potest provenire. (IIIa q. 80 a. 12 arg. 2)

2 — Tot de volkomenheid van dat Sacrament dragen bij en het eten van het Lichaam en het drinken van het Bloed, zoals boven is verklaard (73° Kw. 2° Art.). Als dus het Lichaam wordt ontvangen zonder het Bloed, heeft men een onvolkomen sacrament, hetgeen op heiligschennis schijnt neer te komen. Vandaar dat Gelasius laat volgen: « Want verdeling van één en hetzelfde Geheim kan zonder grote heiligschennis niet plaats hebben ».

Praeterea, hoc sacramentum celebratur in memoriam dominicae passionis, ut supra habitum est, et sumitur pro animae salute. Sed passio Christi magis exprimitur in sanguine quam in corpore, sanguis etiam pro salute animae offertur, ut supra habitum est. Ergo potius esset abstinendum a sumptione corporis quam a sumptione sanguinis. Non ergo accedentes ad hoc sacramentum debent sumere corpus sine eius sanguine. (IIIa q. 80 a. 12 arg. 3)

3 — Dit Sacrament wordt gevierd ten herinnering aan ’s Heren lijden, zoals boven gezegd is (66° Kw. 9° Art. 5° Antw.; 73° Kw. 4° en 5° Art.; 74° Kw. 1° Art.), en het wordt ontvangen tot heil van de ziel. Nu komt het lijden van Christus meer tot uitdrukking in het Bloed dan in het Lichaam; het Bloed wordt ook opgedragen voor het heil der ziel, zoals boven gezegd is (74° Kw. 1° Art.; 76° Kw. 2° Art. 1° Antw.). Dus zou men zich eerder moeten onthouden van de ontvangst van het Lichaam dan van de ontvangst van het Bloed. Dus moeten zij, die tot dit Sacrament naderen, niet het Lichaam ontvangen zonder het Bloed.

Sed contra est multarum Ecclesiarum usus, in quibus populo communicanti datur corpus Christi sumendum, non autem sanguis. (IIIa q. 80 a. 12 s. c.)

Daartegenover staat echter het gebruik van vele kerken, om aan het communicerende volk het Lichaam van Christus ter nuttiging te geven en niet het Bloed.

Respondeo dicendum quod circa usum huius sacramenti duo possunt considerari, unum ex parte ipsius sacramenti; aliud ex parte sumentium. Ex parte ipsius sacramenti convenit quod utrumque sumatur, scilicet et corpus et sanguis, quia in utroque consistit perfectio sacramenti. Et ideo, quia ad sacerdotem pertinet hoc sacramentum consecrare et perficere, nullo modo debet corpus Christi sumere sine sanguine. Ex parte autem sumentium requiritur summa reverentia, et cautela ne aliquid accidat quod vergat in iniuriam tanti mysterii. Quod praecipue posset accidere in sanguinis sumptione, qui quidem, si incaute sumeretur, de facili posset effundi. Et quia, crescente multitudine populi Christiani, in qua continentur senes et iuvenes et parvuli, quorum quidam non sunt tantae discretionis ut cautelam debitam circa usum huius sacramenti adhiberent, ideo provide in quibusdam Ecclesiis observatur ut populo sanguis sumendus non detur, sed solum a sacerdote sumatur. (IIIa q. 80 a. 12 co.)

Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men op tweeërlei letten: vooreerst op het Sacrament zelf, vervolgens op de ontvangers. Wat betreft het Sacrament op zich, is het beter, dat beide d. w. z. zowel het Lichaam als het Bloed worden genuttigd, omdat het Sacrament pas volkomen is door beide. Vandaar dat de priester, aan wie het toekomt dit Sacrament te consacreren en te voltrekken, in geen geval het Lichaam van Christus zonder het Bloed mag nemen. Maar wat betreft de ontvangers, is er de grootst mogelijke eerbied en behoedzaamheid vereist, opdat er niets gebeurt, dat zulk een Geheim oneer zou aandoen. En zo iets zou voornamelijk kunnen gebeuren bij het nuttigen van het Bloed, dat, als het op onbehoedzame wijze werd genomen, gemakkelijk zou worden uitgestort. Omdat nu het christen volk is aangegroeid tot een grote menigte, waaronder zich oude mensen, jeugdige personen en kinderen bevinden en deze niet altijd zo omzichtig zijn, dat zij bij het nuttigen van dit Sacrament de vereiste behoedzaamheid in acht nemen, daarom bestaat in verschillende kerken de gerechtvaardigde gewoonte om aan het volk niet het Bloed der nuttiging te geven, maar dat dit alleen door de priester wordt genuttigd.

Ad primum ergo dicendum quod Gelasius Papa loquitur quantum ad sacerdotes, qui, sicut totum consecrant sacramentum, ita etiam toti communicare debent. Ut enim legitur in Concilio Toletano, quale erit sacrificium, ubi nec ipse sacrificans esse dignoscitur? (IIIa q. 80 a. 12 ad 1)

1 — Gelasius spreekt met betrekking tot de priesters, die het hele Sacrament consecreren en het daarom ook in zijn geheel in de communie moeten ontvangen. Zo wordt er ook in de Twaalfde Kerkvergadering van Toledo gezegd: « Wat is dat voor een offer, waaraan men de offeraar zelf geen deel ziet nemen? »

Ad secundum dicendum quod perfectio huius sacramenti non est in usu fidelium, sed in consecratione materiae. Et ideo nihil derogat perfectioni huius sacramenti si populus sumat corpus sine sanguine, dummodo sacerdos consecrans sumat utrumque. (IIIa q. 80 a. 12 ad 2)

2 — De volkomenheid van dit Sacrament wordt niet bereikt bij het gebruik van de gelovigen, maar bij de consecratie van de stof. En dus doet het niet af aan de volkomenheid van dit Sacrament, als het volk het Lichaam ontvangt zonder het Bloed, mits slechts de consecrerende priester beide ontvangt.

Ad tertium dicendum quod repraesentatio dominicae passionis agitur in ipsa consecratione huius sacramenti, in qua non debet corpus sine sanguine consecrari. Potest autem a populo corpus sine sanguine sumi, nec exinde aliquod sequitur detrimentum. Quia sacerdos in persona omnium sanguinem offert et sumit, et sub utraque specie totus Christus continetur, ut supra habitum est. (IIIa q. 80 a. 12 ad 3)

3 — De afbeelding van 's Heren lijden vindt men in de consecratie van dit Sacrament, welke geen consecratie mag zijn van het Lichaam zonder het Bloed. Het volk kan evenwel het Lichaam ontvangen zonder het Bloed; daaruit volgt geen nadeel, want de priester offert en nuttigt het Bloed in de persoon van alle gelovigen; en onder elk van beide gedaanten is de hele Christus vervat, zoals boven is gezegd (76° Kw. 2° Art.).