Tertia Pars. Quaestio 38. Over het doopsel van Joannes .
Prooemium
Deinde considerandum est de Baptismo quo Christus baptizatus est. Et quia Christus
baptizatus est Baptismo Ioannis, primo considerandum est de Baptismo Ioannis in communi;
secundo, de baptizatione Christi. Circa primum quaeruntur sex. Primo, utrum conveniens
fuerit quod Ioannes baptizaret. Secundo, utrum ille Baptismus fuerit a Deo. Tertio,
utrum contulerit gratiam quarto, utrum alii praeter Christum illo Baptismo debuerint
baptizari. Quinto, utrum Baptismus ille cessare debuerit, Christo baptizato. Sexto,
utrum baptizati Baptismo Ioannis essent postea baptizandi Baptismo Christi. (IIIa q. 38 pr.)
Vervolgens moeten we het doopsel beschouwen waarmee Christus gedoopt is. En omdat
Christus gedoopt is geworden met het doopsel van Joannes, moeten we eerst in het algemeen
spreken over het doopsel van Joannes, en vervolgens over de doop van Christus. Aangaande
het eerste stellen we zes vragen: 1. Was het wel passend, dat Joannes een doopsel
toediende? 2. Kwam dat doopsel van God? 3. Deelde het genade mede? 4. Hadden er, behalve
Christus, nog anderen met dat doopsel gedoopt moeten worden? 5. Had dat doopsel op
moeten houden na de doop van Christus? 6. Moesten degenen, die met het doopsel van
Joannes gedoopt waren, later gedoopt worden met het doopsel van Christus?
Articulus 1. Was het wel passend, dat Joannes doopte?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Ioannem baptizare. Omnis
enim ritus sacramentalis ad aliquam pertinet legem. Sed Ioannes non introduxit novam
legem. Ergo inconveniens fuit quod novum ritum baptizandi introduceret. (IIIa q. 38 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Joannes doopte. De sacramentale eredienst
behoort bij de een of andere wet. Nu voerde Joannes geen nieuwe wet in. Dus was het
niet passend, dat hij een nieuwe doop invoerde.
Praeterea, Ioannes fuit missus a Deo in testimonium tanquam propheta, secundum illud
Luc. I, tu, puer, propheta altissimi vocaberis. Sed prophetae qui fuerunt ante Christum,
non introduxerunt novum ritum, sed ad observantiam legalium rituum inducebant, ut
patet Malach. ult., mementote legis Moysi, servi mei. Ergo nec Ioannes novum ritum
baptizandi inducere debuit. (IIIa q. 38 a. 1 arg. 2)
2 — Joannes was, gelijk een profeet, gezonden om getuigenis af te leggen, volgens Lucas
(1, 76): « En gij zelf nu, kleine knaap, Profeet van de Allerhoogste zult ge genoemd
worden ». Maar de profeten vóór Christus hebben geen nieuwe eredienst ingevoerd, maar
spoorden aan om de wettelijke eredienst te onderhouden zoals blijkt uit Malachias
(4, 4): « Zijt de wet van Moses, mijn dienaar, indachtig ». Dus moest ook Joannes
geen nieuwe doopriten invoeren.
Praeterea, ubi est alicuius rei superfluitas, non est ad illud aliquid addendum. Sed
Iudaei excedebant in superfluitate Baptismatum, dicitur enim Marci VII, quod Pharisaei,
et omnes Iudaei, nisi crebro lavent manus, non manducant; et a foro, nisi baptizentur,
non comedunt; et alia multa quae tradita sunt illis servare, Baptismata calicum et
urceorum et aeramentorum et lectorum. Ergo inconveniens fuit quod Ioannes baptizaret. (IIIa q. 38 a. 1 arg. 3)
3 — Als er van iets al te veel is, moet men er niets meer bij doen. Maar de Joden hadden
al meer dan genoeg wassingen: we lezen immers bij Marcus (7, 3, 4): « De Farizeën
en alle Joden, eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewassen; en ze eten
niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er,
die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zoals het wassen van drinkbekers
en kannen en koperen vaten en aanligbedden ». Het was dus niet zoals het behoorde,
dat Johannes doopte.
Sed contra est auctoritas Scripturae, Matth. III, ubi, praemissa sanctitate Ioannis,
subditur quod exibant ad eum multi, et baptizabantur in Iordane. (IIIa q. 38 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift (Mattheus, 3, 5, 6) waar, nadat melding
is gemaakt van Joannes’ heiligheid, volgt dat velen tot hem uitliepen en zich door
hem lieten dopen in de Jordaan.
Respondeo dicendum quod conveniens fuit Ioannem baptizare, propter quatuor. Primo
quidem, quia oportebat Christum a Ioanne baptizari, ut Baptismum consecraret, ut dicit
Augustinus, super Ioan. Secundo, ut Christus manifestaretur. Unde ipse Ioannes Baptista
dicit, Ioan. I, ut manifestetur, scilicet Christus, in Israel, propterea veni ego
in aqua baptizans. Concurrentibus enim turbis annuntiabat Christum, quod quidem facilius
sic factum est quam si per singulos discurrisset, ut Chrysostomus dicit, super Ioan.
Tertio, ut suo Baptismo assuefaceret homines ad Baptismum Christi. Unde Gregorius
dicit, in quadam homilia, quod ideo baptizavit Ioannes ut, praecursionis suae ordinem
servans, qui nasciturum dominum nascendo praevenerat, baptizando quoque baptizaturum
praeveniret. Quarto ut, ad poenitentiam homines inducens, homines praepararet ad digne
suscipiendum Baptismum Christi. Unde Beda dicit quod, quantum catechumenis nondum
baptizatis prodest doctrina fidei, tantum profuit Baptisma Ioannis ante Baptisma Christi.
Quia sicut ille praedicabat poenitentiam, et Baptismum Christi praenuntiabat, et in
cognitionem veritatis quae mundo apparuit attrahebat; sic ministri Ecclesiae, qui
primo erudiunt, postea peccata eorum redarguunt, deinde in Baptismo Christi remissionem
promittunt. (IIIa q. 38 a. 1 co.)
Om vier redenen was het passend dat Joannes een doopsel toediende. En wel ten eerste,
omdat Christus door Joannes moest gedoopt worden, ten einde het doopsel te heiligen,
zoals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Joannes. Ten tweede, opdat Christus
geopenbaard zou worden. Vandaar zegt Joannes de Doper zelf (Joannes, 1, 31): « Om
Hem nl. Christus, aan Israël bekend te maken, daarom ben ik komen dopen met water
». Want toen de menigte samenstroomde, verkondigde hij Christus: dit kon zo gemakkelijker
gebeuren, dan wanneer hij de mensen één voor één was afgelopen, zoals Chrysostomus
zegt in zijn 10e Homelie op Mattheus. Ten derde, om door zijn doopsel de mensen met
het doopsel van Christus vertrouwd te maken. Vandaar zegt Gregorius in zijn 7e Homelie
op het Evangelie, dat Joannes doopte « om, gelijk hij de geboorte des Heren in geboorte
was voorafgegaan, geheel in de lijn van zijn voorloperschap ook diens toekomstig doopsel
met te dopen voor te gaan ». Ten vierde om, door de mensen tot boetvaardigheid aan
te sporen, ze voor te bereiden op een waardig ontvangen van het doopsel van Christus.
Vandaar zegt Beda (Scotus Erigena, Verklaring van het Evangelie van Joannes, 3, 24)
dat « zo voordelig als de geloofsleer was voor de nog niet gedoopte catechumenen even
zo voordelig was het doopsel van Joannes, dat toegediend werd vóór het doopsel van
Christus. Want evenals hij boetvaardigheid predikte, Christus’ doopsel aankondigde
en de mensen trok tot de kennis der waarheid, die aan de wereld verschenen was, zo
doen ook de bedienaren der Kerk. Want eerst onderrichten ze; daarna zorgen ze er voor,
dat ze hun zonden niet meer goedachten en ten slotte beloven ze de vergiffenis in
het doopsel van Christus ».
Ad primum ergo dicendum quod Baptismus Ioannis non erat per se sacramentum, sed quasi
quoddam sacramentale, disponens ad Baptismum Christi. Et ideo aliqualiter pertinebat
ad legem Christi, non autem ad legem Moysi. (IIIa q. 38 a. 1 ad 1)
1 — Het doopsel van Joannes was, op zich genomen, geen sacrament, maar het werkte als
een sacramentale, door op het doopsel van Christus voor te bereiden. En dus behoorde
het in zeker opzicht tot de wet van Christus: maar niet tot de wet van Mozes.
Ad secundum dicendum quod Ioannes non fuit solum propheta, sed plus quam propheta,
ut dicitur Matth. XI, fuit enim terminus legis et initium Evangelii. Et ideo magis
pertinebat ad eum verbo et opere inducere homines ad legem Christi quam ad observantiam
veteris legis. (IIIa q. 38 a. 1 ad 2)
2 — Joannes was niet alleen een profeet, maar, zoals bij *Matthes* gezegd wordt (11, 9),
meer dan een profeet: hij was immers het einde der wet en het begin des Evangelies.
En dus kwam het hem meer toe de mensen door woord en daad aan te sporen tot de wet
van Christus, dan tot het onderhouden der oude wet.
Ad tertium dicendum quod Baptismata illa Pharisaeorum erant inania, utpote ad solam
munditiam carnis ordinata. Sed Baptismus Ioannis ordinabatur ad munditiam spiritualem,
inducebat enim homines ad poenitentiam, ut dictum est. (IIIa q. 38 a. 1 ad 3)
3 — Die wassingen der Farizeeën waren ijdel, omdat ze alleen maar de reinheid des vleses
bedoelden. Maar het doopsel van Joannes beoogde geestelijke reinheid: want hij spoorde
de mensen aan tot boetvaardigheid, zoals in de leerstelling gezegd is.
Articulus 2. Kwam Joannes’ doopsel van God?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Baptismus Ioannis non fuit a Deo. Nihil enim
sacramentale quod est a Deo, denominatur ab homine puro, sicut Baptismus novae legis
non dicitur Petri vel Pauli, sed Christi. Sed ille Baptismus denominatur a Ioanne,
secundum illud Matth. XXI, Baptismus Ioannis e caelo erat? An ex hominibus? Ergo Baptismus
Ioannis non fuit a Deo. (IIIa q. 38 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het doopsel van Joannes niet van God was. Geen enkel sacramentale
immers, dat van God komt, wordt genoemd naar iemand die louter mens is; zo wordt het
doopsel der nieuwe wet niet genoemd naar Petrus of Paulus, maar naar Christus. Maar
dit doopsel wordt genoemd naar Joannes volgens Mattheus (21, 25): « Het doopsel van
Joannes, was dat van de hemel of van de mensen? » Dus was het doopsel van Joannes
niet van God.
Praeterea, omnis doctrina de novo a Deo procedens aliquibus signis confirmatur, unde
et dominus, Exod. IV, dedit Moysi potestatem signa faciendi, et Heb. II dicitur quod
cum fides nostra principium accepisset enuntiari a domino, per eos qui audierunt in
nos confirmata est, contestante Deo signis et prodigiis. Sed de Ioanne Baptista dicitur,
Ioan. X, Ioannes signum fecit nullum. Ergo videtur quod Baptismus quo baptizavit,
non esset a Deo. (IIIa q. 38 a. 2 arg. 2)
2 — Iedere leer die nieuw van God komt, wordt door enkele tekenen bevestigd: daarom gaf
ook de Heer aan Moses de macht om tekenen te verrichten (Exodus, 4) en lezen we in
de Brief aan de Hebreën, (2, 3, 4): « Daar ons geloof het eerst door de Heer is gepreekt,
onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden en ook door God is betuigd door
tekenen en wonderen ». Maar van Joannes staat geschreven (Joannes, 10, 41): « Joannes
heeft geen enkel teken verricht ». Dus schijnt het doopsel, waarmee hij doopte, ook
niet van God te zijn.
Praeterea, sacramenta quae sunt divinitus instituta, aliquibus sacrae Scripturae praeceptis
continentur. Sed Baptismus Ioannis non praecipitur aliquo praecepto sacrae Scripturae.
Ergo videtur quod non fuerit a Deo. (IIIa q. 38 a. 2 arg. 3)
3 — De sacramenten die door God zijn ingesteld, liggen vervat in enkele voorschriften
der H. Schrift. Maar het doopsel van Johannes wordt door geen enkel voorschrift der
H. Schrift voorgeschreven. Het schijnt dus wel, dat het niet van God gekomen is.
Sed contra est quod dicitur Ioan. I, qui me misit baptizare in aqua, ille mihi dixit,
super quem videris spiritum, et cetera. (IIIa q. 38 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter wat geschreven staat bij Joannes (1, 33): « Hij die mij
zond om in water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wien je de Geest ziet... » enz.
Respondeo dicendum quod in Baptismo Ioannis duo possunt considerari, scilicet ipse
ritus baptizandi, et effectus Baptismi. Ritus quidem baptizandi non fuit ab hominibus,
sed a Deo, qui familiari spiritus sancti revelatione Ioannem ad baptizandum misit.
Effectus autem illius Baptismi fuit ab homine, quia nihil in illo Baptismo efficiebatur
quod homo facere non posset. Unde non fuit a solo Deo, nisi inquantum Deus in homine
operatur. (IIIa q. 38 a. 2 co.)
In het doopsel van Joannes kunnen twee dingen beschouwd worden en wel de wijze van
dopen en de uitwerking van het doopsel. De wijze van dopen nu kwam niet van de mensen
maar van God, die door een vertrouwelijke openbaring van de Heilige Geest Joannes
had uitgezonden om te dopen. De uitwerking daarentegen van dat doopsel kwam van de
mensen: want niets werd in dat doopsel uitgewerkt wat ook de mens niet kan doen. Dus
was het niet van God alleen, behalve dan in zover God in de mens werkt.
Ad primum ergo dicendum quod per Baptismum novae legis homines interius per spiritum
sanctum baptizantur, quod facit solus Deus. Per Baptismum autem Ioannis solum corpus
mundabatur aqua. Unde dicitur Matth. III, ego baptizo vos in aqua, ille vos baptizabit
in spiritu sancto. Et ideo Baptismus Ioannis denominatur ab ipso, quia scilicet nihil
in eo agebatur quod ipse non ageret. Baptismus autem novae legis non denominatur a
ministro, qui principalem Baptismi effectum non agit, scilicet interiorem emundationem. (IIIa q. 38 a. 2 ad 1)
1 — Door het doopsel van de nieuwe wet worden de mensen inwendig door de H. Geest gedoopt,
wat alleen God doet. Door de doop van Joannes echter werd alleen het lichaam door
water gereinigd. Vandaar lezen we bij Mattheus (3, 11): « Ik doop u met water: Hij
zal u dopen met de Heilige Geest ». Het doopsel van Joannes wordt dus naar hem genoemd,
omdat er niets in uitgewerkt werd, wat hij zelf niet deed. Het doopsel der nieuwe
wet echter wordt niet naar de bedienaar genoemd, daar deze de voornaamste uitwerking
van het doopsel nl. de inwendige reiniging, niet bewerkt.
Ad secundum dicendum quod tota doctrina et operatio Ioannis ordinabatur ad Christum,
qui multitudine signorum et suam doctrinam et Ioannis confirmavit. Si autem Ioannes
signa fecisset, homines ex aequo Ioanni et Christo attendissent. Et ideo, ut homines
principaliter Christo attenderent, non est datum Ioanni ut faceret signum. Iudaeis
tamen quaerentibus quare baptizaret, confirmavit suum officium auctoritate Scripturae,
dicens, ego vox clamantis in deserto, etc., ut dicitur Ioan. I. Ipsa etiam austeritas
vitae eius officium eius commendabat, quia, ut Chrysostomus dicit, super Matth. mirabile
erat in humano corpore tantam patientiam videre. (IIIa q. 38 a. 2 ad 2)
2 — De gehele leer en werkzaamheid van Joannes was gericht op Christus, die door vele
tekenen, niet alleen zijn eigen leer, maar ook die van Joannes bekrachtigde. Indien
nu Joannes tekenen verricht had, dan zouden de mensen Joannes en Christus op een lijn
gesteld hebben. Opdat dus de mensen zich hoofdzakelijk tot Christus zouden wenden,
daarom werd het aan Joannes niet gegeven een teken te verrichten. Toen echter de Joden
vroegen, waarom hij doopte, bevestigde hij zijn zending met het gezag der Schrift
door te zeggen: « Ik ben de stem van een roepende in de woestijn... enz. », zoals
geschreven staat bij Joannes (1, 19). Zijn strenge levenswijze was ook een aanbeveling
voor zijn zending, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus): « Het
was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zo’n geduld te zien ».
Ad tertium dicendum quod Baptismus Ioannis non fuit ordinatus a Deo nisi ut modico
tempore duraret, propter causas praedictas. Et ideo non fuit commendatus aliquo praecepto
communiter tradito in sacra Scriptura, sed familiari quadam revelatione spiritus sancti,
ut dictum est. (IIIa q. 38 a. 2 ad 3)
3 — Om de redenen, in het vorige artikel uiteengezet, zou het doopsel van Joannes, in
Gods bestel, maar van korten duur zijn. En daarom werd het niet door een algemeen
voorschrift in de heilige Schrift aanbevolen, maar alleen door een vertrouwelijke
openbaring van de H. Geest.
Articulus 3. Werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in Baptismo Ioannis gratia daretur. Dicitur
enim Marci I, fuit Ioannes in deserto baptizans, et praedicans Baptismum poenitentiae
in remissionem peccatorum. Poenitentia autem et remissio peccatorum est per gratiam.
Ergo Baptismus Ioannis gratiam conferebat. (IIIa q. 38 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat in het doopsel van Joannes genade werd medegedeeld. Bij Marcus lezen
we immers (1, 4): « Joannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel
van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden ». Boetvaardigheid nu en vergiffenis
van zonden komen van de genade. Dus deelde het doopsel van Joannes genade mede.
Praeterea, baptizandi a Ioanne confitebantur peccata sua, ut habetur Matth. III et
Marci I. Sed confessio peccatorum ordinatur ad remissionem, quae fit per gratiam.
Ergo in Baptismo Ioannis gratia conferebatur. (IIIa q. 38 a. 3 arg. 2)
2 — Zoals uit Mattheus (3, 6) en Marcus (1, 5) blijkt, beleden degenen die door Joannes
gedoopt werden hun zonden. Maar de belijdenis der zonden is gericht op de vergiffenis
der zonden, en deze komt van de genade. Dus werd in het doopsel van Joannes genade
medegedeeld.
Praeterea, Baptismus Ioannis propinquior erat Baptismo Christi quam circumcisio. Per
circumcisionem autem remittebatur peccatum originale, quia, ut Beda dicit, idem salutiferae
curationis auxilium circumcisio in lege contra originalis peccati vulnus agebat, quod
nunc Baptismus agere revelatae gratiae tempore consuevit. Ergo multo magis Baptismus
Ioannis remissionem peccatorum operabatur. Quod sine gratia fieri non potest. (IIIa q. 38 a. 3 arg. 3)
3 — Het doopsel van Joannes stond dichter bij het doopsel van Christus dan de besnijdenis.
Door de besnijdenis echter werd de erfzonde vergeven, omdat, zoals Beda zegt (10°
Homelie op het feest der Besnijdenis) « in de wet de besnijdenis, tot een heilzame
genezing, dezelfde hulp verleende tegen de wond der erfzonde, als nu, in de tijd der
geopenbaarde genade, het doopsel gewoon is te geven ». Dus bewerkte veeleer het doopsel
van Joannes de vergiffenis der zonden. Wat zonder genade niet kan geschieden.
Sed contra est quod Matth. III dicitur, ego quidem baptizo vos in aqua in poenitentiam.
Quod exponens Gregorius, in quadam homilia, dicit, Ioannes non in spiritu, sed in
aqua baptizat, quia peccata solvere non valebat. Sed gratia est a spiritu sancto,
et per eam peccata tolluntur. Ergo Baptismus Ioannis gratiam non conferebat. (IIIa q. 38 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 11): « Ik doop u met water ter bekeering
». En waar Gregorius dit uitlegt (7e Homelie op het Evangelie) zegt hij: « Joannes
doopte niet met de Geest, maar met water, omdat hij niet in staat was van de zonden
te ontbinden ». Maar de genade komt van de H. Geest, en door de genade worden de zonden
weggenomen. Dus deelde het doopsel van Joannes geen genade mede.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, tota doctrina et operatio Ioannis praeparatoria
erat ad Christum, sicut ministri et inferioris artificis est praeparare materiam ad
formam, quam inducit principalis artifex. Gratia autem conferenda erat hominibus per
Christum, secundum illud Ioan. I, gratia et veritas per Iesum Christum facta est.
Et ideo Baptismus Ioannis gratiam non conferebat, sed solum ad gratiam praeparabat,
tripliciter. Uno quidem modo, per doctrinam Ioannis, inducentem homines ad fidem Christi.
Alio modo, assuefaciendo homines ad ritum Baptismi Christi. Tertio modo, per poenitentiam,
praeparando homines ad suscipiendum effectum Baptismi Christi. (IIIa q. 38 a. 3 co.)
Zoals gezegd is (het vorige Art., Antw. op de 2e Bed.) diende de gehele leer en werkzaamheid
van Joannes als voorbereiding tot Christus, op dezelfde wijze als het de taak van
een knecht en van een mindere kunstenaar is, om de stof klaar te maken voor de vorm,
die de hoofdkunstenaar er inbrengt. Nu moest de genade aan de mensen gegeven worden
door Christus volgens het woord van Joannes (1, 17): « De genade en waarheid zijn
door Jesus Christus gekomen ». En dit is de reden, dat het doopsel van Joannes de
genade niet mededeelde, maar er slechts op voorbereidde. En dat op drie manieren.
En wel op de eerste manier door de leer van Joannes, die de mensen tot het geloof
in Christus leidde. Op de tweede manier door de mensen te wennen aan het ritueel van
het doopsel van Christus. Op de derde manier door de boetvaardigheid, die de mensen
voorbereidde om de uitwerking van Christus’ doopsel te ontvangen.
Ad primum ergo dicendum quod in illis verbis, ut Beda dicit, potest intelligi duplex
Baptismus poenitentiae. Unus quidem, quem Ioannes baptizando conferebat, qui scilicet
Baptismus dicitur poenitentiae, etc., quia scilicet ille Baptismus erat quoddam inductivum
ad poenitentiam, et quasi quaedam protestatio qua profitebantur homines se poenitentiam
acturos. Alius autem est Baptismus Christi, per quem peccata remittuntur, quem Ioannes
dare non poterat, sed solum praedicabat, dicens, ille vos baptizabit in spiritu sancto.
Vel potest dici quod praedicabat Baptismum poenitentiae, idest, inducentem ad poenitentiam,
quae quidem poenitentia ducit homines in remissionem peccatorum. Vel potest dici quod
per Baptismum Christi, ut Hieronymus dicit, gratia datur, qua peccata gratis dimittuntur,
quod autem consummatur per sponsum, initiatur per paranymphum, scilicet per Ioannem.
Unde dicitur quod baptizabat et praedicabat Baptismum poenitentiae in remissionem
peccatorum, non ideo quia hoc ipse perficeret, sed quia hoc inchoabat praeparando. (IIIa q. 38 a. 3 ad 1)
1 — Met deze woorden kan, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1° B., op 1, 4) een
tweevoudig doopsel bedoeld zijn. En wel ten eerste het doopsel dat Joannes toediende.
En dit doopsel wordt een doopsel van boetvaardigheid genoemd, omdat het een soort
aansporing tot boetvaardigheid was, en als 't ware een soort openlijke verklaring,
waardoor de mensen zich verbonden boetvaardigheid te zullen doen. Ten tweede het doopsel
van Christus, waardoor de zonden vergeven worden: en dit kon Joannes niet toedienen,
maar slechts prediken, wat hij deed, toen hij zei: « Hij zal u dopen met de Heilige
Geest ». (Marcus, 1, 8; Mattheus, 11). Men kan ook zeggen dat hij een doopsel van
boetvaardigheid d. i. voerend tot boetvaardigheid, preekte: en het is deze boetvaardigheid
die de mensen tot de vergiffenis der zonden brengt. Men kan ook nog zeggen, dat, zoals
Hieronymus zegt (Verklaring van Marcus, 1, 4): « door het doopsel van Christus de
genade gegeven wordt, waardoor de zonden om niet kwijtgescholden worden: wat nu door
de Bruidegom voleind wordt, wordt ingezet door de bruidsjonker » d. i. door Joannes.
Als er dus staat dat hij doopte en een doopsel van boetvaardigheid preekte tot vergiffenis
der zonden, wil dat niet zeggen, dat hij die zelf uitwerkte, maar dat hij er, door
er op voor te bereiden een aanvang mee maakte.
Ad secundum dicendum quod illa confessio peccatorum non fiebat ad remissionem peccatorum
statim per Baptismum Ioannis exhibendam, sed consequendam per poenitentiam consequentem,
et Baptismum Christi, ad quem poenitentia illa praeparabat. (IIIa q. 38 a. 3 ad 2)
2 — Die zondenbelijdenis vond niet plaats ten einde de vergiffenis der zonden te verkrijgen,
terstond door het doopsel van Johannes te verlenen; maar om ze te verkrijgen door
de daarop volgende boetvaardigheid en het doopsel van Christus, waartoe die boetvaardigheid
een voorbereiding was.
Ad tertium dicendum quod circumcisio instituta erat in remedium originalis peccati.
Sed Baptismus Ioannis ad hoc non erat institutus, sed solum erat praeparatorius ad
Baptismum Christi, ut dictum est. Sacramenta autem ex vi institutionis suum habent
effectum. (IIIa q. 38 a. 3 ad 3)
3 — De besnijdenis was ingesteld als een geneesmiddel tegen de erfzonde. Het doopsel van
Joannes was echter niet daarvoor ingesteld, maar was alleen een voorbereiding op het
doopsel van Christus, zoals gezegd is (in de leerstelling en in het 1e Artikel). De
sacramenten hebben echter krachtens hun instelling hun uitwerking.
Articulus 4. Had alleen Christus met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Baptismo Ioannis solus Christus debebat baptizari.
Quia, sicut dictum est, ad hoc Ioannes baptizavit ut Christus baptizaretur, sicut
Augustinus dicit, super Ioan. Sed quod est proprium Christo, non debet aliis convenire.
Ergo nulli alii debuerunt illo Baptismo baptizari. (IIIa q. 38 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
Zoals immers gezegd is (1° Art.) Joannes doopte met het doel, dat Christus zou gedoopt
worden, zoals Augustinus zegt in zijn 13° Verhandeling over Joannes. Maar wat Christus
eigen is, komt niet aan anderen toe. Dus moest niemand anders met die doop gedoopt
worden.
Praeterea, quicumque baptizatur, aut accipit aliquid a Baptismo, aut Baptismo aliquid
confert. Sed a Baptismo Ioannis nullus aliquid accipere poterat, quia in eo gratia
non conferebatur, ut dictum est nec aliquis Baptismo aliquid conferre poterat nisi
Christus, qui tactu mundissimae suae carnis aquas sanctificavit. Ergo videtur quod
solus Christus Baptismo Ioannis debuerit baptizari. (IIIa q. 38 a. 4 arg. 2)
2 — Al wie gedoopt wordt, ontvangt iets van het doopsel, of deelt er iets aan mee. Maar
van het doopsel van Joannes kon niemand iets ontvangen, omdat er geen genade in meegedeeld
werd, zoals gezegd is (3° Art.). Ook kon niemand, behalve Christus, iets aan het doopsel
mededelen, die « door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, de wateren heiligde
». (Petrus Lombardus, 4° B. der Sententies 3° Afd. H. Indien nu... »). Het schijnt
dus wel, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
Praeterea, si alii illo Baptismo baptizabantur, hoc non erat nisi ut praepararentur
ad Baptismum Christi, et sic conveniens videbatur quod, sicut Baptismus Christi omnibus
confertur, et magnis et parvis, et gentilibus et Iudaeis, ita etiam et Baptismus Ioannis
conferretur. Sed non legitur quod ab eo pueri baptizarentur, nec etiam gentiles, dicitur
enim Marci I, quod egrediebantur ad eum Ierosolymitae universi, et baptizabantur ab
illo. Ergo videtur quod solus Christus a Ioanne debuit baptizari. (IIIa q. 38 a. 4 arg. 3)
3 — Als anderen met dat doopsel gedoopt werden, geschiedde dit alleen, om ze voor te bereiden
op het doopsel van Christus: en zo scheen het passend, dat, evenals het doopsel van
Christus aan eenieder toegediend wordt — aan grooten en kleinen, heidenen en Joden
— het doopsel van Joannes ook zo zou toegediend worden. Maar er staat nergens te lezen,
dat er kinderen mee gedoopt werden, evenmin als heidenen. Want Marcus zegt (1, 5):
« Allen uit Jeruzalem liepen naar hem uit, en werden door hem gedoopt ». Dus schijnt
het wel, dat alleen Christus door Joannes had moeten gedoopt worden.
Sed contra est quod dicitur Luc. III, factum est, cum baptizaretur omnis populus,
et Iesu baptizato et orante, aperti sunt caeli. (IIIa q. 38 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): « Toen nu al het volk zich liet
dopen, en ook Jezus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl hij aan het bidden was, de
hemel open ».
Respondeo dicendum quod duplici de causa oportuit alios a Christo baptizari Baptismo
Ioannis. Primo quidem, ut Augustinus dicit, super Ioan., quia, si solus Christus Baptismo
Ioannis baptizatus esset, non defuissent qui dicerent Baptismum Ioannis, quo Christus
est baptizatus, digniorem esse Baptismo Christi, quo alii baptizantur. Secundo, quia
oportebat per Baptismum Ioannis alios ad Baptismum Christi praeparari, sicut dictum
est. (IIIa q. 38 a. 4 co.)
Om een tweevoudige reden bestond het, dat er ook anderen dan alleen Christus, met
het doopsel van Joannes gedoopt werden. En wel ten eerste omdat, zoals Augustinus
zegt (4e en 5e Verhandeling over Joannes): « als alleen Christus met het doopsel van
Joannes zou gedoopt zijn, dan zou het niet aan mensen ontbroken hebben, die zouden
zeggen, dat het doopsel van Joannes, waarmee Christus gedoopt werd, van hogere waarde
was, dan het doopsel van Christus, waarmee anderen gedoopt worden ». En ten tweede,
omdat, zoals gezegd is (1° en 3° Art.), anderen door het doopsel van Joannes op het
doopsel van Christus voorbereid moesten worden.
Ad primum ergo dicendum quod non propter hoc solum fuit Ioannis Baptismus institutus
ut Christus baptizaretur, sed etiam propter alias causas, ut dictum est. Et tamen,
si ad hoc solum esset institutus ut Christus eo baptizaretur, oportebat praedictum
inconveniens vitari, aliis hoc Baptismo baptizatis. (IIIa q. 38 a. 4 ad 1)
1 — Niet daarom alleen was het doopsel van Joannes ingesteld, opdat Christus zich zou
kunnen laten dopen, maar ook nog om andere redenen, zoals gezegd is (1° Art.). Maar
ook al zou het alleen daarom ingesteld zijn, dat Christus er mee zou kunnen gedoopt
worden, toch bestond het, dat er ook nog anderen mee gedoopt werden, ten einde het
bezwaar te vermijden, dat we in de leerstelling hebben uiteengezet.
Ad secundum dicendum quod alii qui ad Baptismum Ioannis accedebant, non poterant quidem
Baptismo aliquid conferre, nec tamen a Baptismo gratiam accipiebant, sed solum poenitentiae
signum. (IIIa q. 38 a. 4 ad 2)
2 — Als anderen tot het doopsel van Joannes naderden, hebben ze er wel niets aan kunnen
mededelen en ontvingen er evenmin genade door, maar alleen een teken van boetvaardigheid.
Ad tertium dicendum quod ille Baptismus erat poenitentiae, quae pueris non convenit,
ideo pueri illo Baptismo non baptizabantur. Conferre autem gentibus viam salutis soli
Christo reservabatur, qui est expectatio gentium, ut dicitur Gen. penult. Sed et ipse
Christus apostolis inhibuit gentibus Evangelium praedicare, ante passionem et resurrectionem.
Unde multo minus conveniebat per Ioannem gentiles ad Baptismum admitti. (IIIa q. 38 a. 4 ad 3)
3 — Dat doopsel was een doopsel van boetvaardigheid, waartoe kinderen nog niet verplicht
zijn; en daarom werden er geen kinderen met dit doopsel gedoopt. — De heidenen echter
de weg des heils mede te delen, was aan Christus voorbehouden, die, zoals in het Boek
Genesis staat (49, 10), de Verwachting der Heidenen is. Maar nu verbood zelfs Christus
aan zijn Apostelen de heidenen, vóór zijn lijden en verrijzenis, het Evangelie te
prediken (Matth. 10, 5). En dus paste het nog veel minder dat door Joannes de heidenen
tot het doopsel toegelaten werden.
Articulus 5. Had het doopsel van Joannes niet moeten ophouden, nadat Christus er mee gedoopt was?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Baptismus Ioannis cessare debuerit postquam
Christus est baptizatus. Dicitur enim Ioan. I, ut manifestetur Israeli, propterea
veni in aqua baptizans. Sed, Christo baptizato, sufficienter fuit manifestatus, tum
per testimonium Ioannis; tum per descensum columbae; tum etiam testimonio paternae
vocis. Ergo non videtur quod postea debuerit Baptismus Ioannis durare. (IIIa q. 38 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het doopsel van Joannes had moeten ophouden, nadat Christus gedoopt
was. Joannes zegt immers (1, 31): « Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om
Hem aan Israël bekend te maken ». Maar toen Christus gedoopt was, was Hij voldoende
bekend gemaakt: zowel door het getuigenis van Joannes, als door de nederdaling van
een duif en ook door het getuigenis van de stem des Vaders. Dus schijnt het zo, dat
het doopsel van Joannes daarna niet had moeten voortduren.
Praeterea, Augustinus dicit, super Ioan., baptizatus est Christus, et cessavit Ioannis
Baptismus. Ergo videtur quod Ioannes, post Christum baptizatum, non debuerit baptizare. (IIIa q. 38 a. 5 arg. 2)
2 — Augustinus zegt in zijn 4° Verhandeling op Joannes: « Christus werd gedoopt en het
doopsel van Joannes hield op ». Dus had Joannes na Christus’ doop niet meer moeten
dopen.
Praeterea, Baptismus Ioannis erat praeparatorius ad Baptismum Christi. Sed Baptismus
Christi incoepit statim Christo baptizato, quia tactu suae mundissimae carnis vim
regenerativam contulit aquis, ut Beda dicit. Ergo videtur quod Baptismus Ioannis cessaverit,
Christo baptizato. (IIIa q. 38 a. 5 arg. 3)
3 — Het doopsel van Joannes was een voorbereiding op het doopsel van Christus. Maar Christus’
doopsel begon onmiddellijk na de doop van Christus: want zoals Beda zegt (Verklaring
van Lucas, 3, 21): « gaf Hij door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, aan
het water de kracht ter wedergeboorte ». Dus had het doopsel van Joannes, na Christus’
doop, op moeten houden.
Sed contra est quod dicitur Ioan. III, venit Iesus in Iudaeam terram et baptizabat,
erat autem et Ioannes baptizans. Sed Christus non baptizavit priusquam fuit baptizatus.
Ergo videtur quod, postquam fuit Christus baptizatus, adhuc Ioannes baptizabat. (IIIa q. 38 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Joannes zegt (3, 22, 23): « Daarna ging Jesus naar
het platteland van Judea en doopte: maar ook Joannes diende het doopsel toe ». Maar
Christus doopte niet dan toen Hij zelf gedoopt was. Dus schijnt het wel, dat ook nadat
Christus al gedoopt was, Joannes nog doopte.
Respondeo dicendum quod Baptismus Ioannis cessare non debuit, Christo baptizato. Primo
quidem quia, ut Chrysostomus dicit, si cessasset Ioannes baptizare, Christo baptizato,
existimaretur quod zelo vel ira faceret. Secundo quia, si cessasset a Baptismo, Christo
baptizante, discipulos suos in maiorem zelum misisset. Tertio quia, persistens in
baptizando, suos auditores mittebat ad Christum. Quarto quia, ut Beda dicit, adhuc
permanebat umbra veteris legis, nec debet praecursor cessare donec veritas manifestetur. (IIIa q. 38 a. 5 co.)
Het doopsel van Joannes behoefde na de doop van Christus niet op te houden. En wel
ten eerste, omdat, zoals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Joannes): « Als Joannes,
na de doop van Christus, met dopen had opgehouden, dan zou men gedacht hebben, dat
hij er uit naïvere of toorn mee ophield ». — Ten tweede, omdat, als hij na de doop
van Christus met dopen had opgehouden, hij zijn leerlingen tot nog groteren naïver
zou gebracht hebben. (Chrysostomus t. a. p.) — Ten derde, omdat hij, door met dopen
door te gaan, zijn toehoorders tot Christus zond. (Chrys. t. a. p.) — En ten vierde,
om wat Beda zegt (Gewone Glossa, op Joannes, 3, 23): « nog duurde de schaduw der oude
wet : en dus behoorde de voorloper pas op te houden, toen de waarheid bekend werd
».
Ad primum ergo dicendum quod nondum Christus erat plene manifestatus, eo baptizato.
Et ideo adhuc necessarium erat quod Ioannes baptizaret. (IIIa q. 38 a. 5 ad 1)
1 — Christus was nog niet volkomen bekend, nadat Hij gedoopt was. En dus bleef het nodig,
dat Johannes doopte.
Ad secundum dicendum quod, baptizato Christo, cessavit Baptismus Ioannis, non tamen
statim, sed eo incarcerato. Unde Chrysostomus dicit, super Ioan., aestimo propter
hoc permissam esse mortem Ioannis, et, eo sublato de medio, Christum maxime praedicare
coepisse, ut omnis multitudinis affectio ad Christum transiret, et non ultra his quae
de utroque erant sententiis scinderentur. (IIIa q. 38 a. 5 ad 2)
2 — Het doopsel van Joannes hield wel op, toen Christus gedoopt was, maar niet ogenblikkelijk,
doch toen hij gevangen gezet was. Vandaar zegt Chrysostomus (t. a. p.): « De reden,
waarom de dood van Joannes is toegelaten geworden, en Christus het meest begon te
preken, toen hij uit de weg geruimd was, is volgens mijn mening deze, dat het in de
bedoeling lag, dat de genegenheid van het hele volk op Christus zou overgaan, en het
niet verder meer verdeeld zou worden door de opinies die er over beiden bestonden
».
Ad tertium dicendum quod Baptismus Ioannis praeparatorius erat, non solum ad hoc quod
Christus baptizaretur, sed ad hoc quod alii ad Christi Baptismum accederent. Quod
nondum fuit impletum, Christo baptizato. (IIIa q. 38 a. 5 ad 3)
3 — Het doopsel van Joannes was niet alleen een voorbereiding tot de doop van Christus,
maar ook daartoe dat anderen tot het doopsel van Christus zouden naderen. En dit was
nog niet vervuld toen Christus eenmaal gedoopt was.
Articulus 6. Moesten degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, gedoopt worden met
het doopsel van Christus?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod baptizati Baptismo Ioannis non fuerint baptizandi
Baptismo Christi. Ioannes enim non fuit minor apostolis, cum de eo scriptum sit, Matth.
XI, inter natos mulierum non surrexit maior Ioanne Baptista. Sed illi qui baptizabantur
ab apostolis, non rebaptizabantur iterum, sed solummodo addebatur eis impositio manuum,
dicitur enim Act. VIII, quod aliqui tantum baptizati erant a Philippo in nomine domini
Iesu, tunc apostoli, scilicet Petrus et Ioannes, imponebant manus super illos, et
accipiebant spiritum sanctum. Ergo videtur quod baptizati a Ioanne non debuerint baptizari
Baptismo Christi. (IIIa q. 38 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet moesten
gedoopt worden met het doopsel van Christus. Joannes stond niet beneden de Apostelen,
daar van hem geschreven staat (Mattheus, 11, 11): « Onder de kinderen der vrouwen
is er geen opgestaan, die groter was dan Joannes de Doper ». Maar alwie door de Apostelen
gedoopt was, werd niet meer overgedoopt, doch ontving er alleen de oplegging der handen
bij. Want in de Handelingen der Apostelen staat te lezen (8. 16, 17): « sommigen waren
alleen maar door Philippus gedoopt in de naam van de Heer Jesus: nu legden de Apostelen,
namelijk Petrus en Joannes hun de handen op, en ze ontvingen de Heilige Geest ». Het
schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren door Joannes niet meer met het doopsel
van Christus behoefden gedoopt te worden.
Praeterea, apostoli fuerunt baptizati Baptismo Ioannis, fuerunt enim quidam eorum
discipuli Ioannis, ut patet Ioan. I. Sed apostoli non videntur baptizati Baptismo
Christi, dicitur enim Ioan. IV, quod Iesus non baptizabat, sed discipuli eius. Ergo
videtur quod baptizati Baptismo Ioannis non erant baptizandi Baptismo Christi. (IIIa q. 38 a. 6 arg. 2)
2 — De Apostelen waren gedoopt met het doopsel van Joannes: sommigen immers van hen waren
leerlingen van Joannes, zoals blijkt uit Joannes (1, 37). Maar de Apostelen schijnen
niet gedoopt te zijn met het doopsel van Christus. Want Joannes zegt (4, 2): « Jesus
zelf doopte niet, maar zijn leerlingen ». Die dus gedoopt waren met het doopsel van
Joannes moesten niet meer gedoopt worden met het doopsel van Christus.
Praeterea, minor est qui baptizatur quam qui baptizat. Sed ipse Ioannes non legitur
baptizatus Baptismo Christi. Ergo multo minus illi qui a Ioanne baptizabantur, indigebant
Baptismo Christi baptizari. (IIIa q. 38 a. 6 arg. 3)
3 — Hij die gedoopt wordt, is minder dan hij die doopt. Maar er staat nergens te lezen,
dat Johannes zelf gedoopt is met het doopsel van Christus. Dus behoefden nog veel
minder zij, die door Johannes gedoopt werden, gedoopt te worden met het doopsel van
Christus.
Praeterea, Act. XIX dicitur quod Paulus invenit quosdam de discipulis, dixitque ad
eos, si spiritum sanctum accepistis credentes? At illi dixerunt ad eum, sed neque
si spiritus sanctus est, audivimus. Ille vero ait, in quo baptizati estis? Qui dixerunt,
in Ioannis Baptismate. Unde baptizati sunt iterum in nomine domini nostri Iesu Christi.
Sic ergo videtur quod, quia spiritum sanctum nesciebant, quod oportuerit eos iterum
baptizari, sicut Hieronymus dicit, super Ioelem, et in epistola de viro unius uxoris;
et Ambrosius, in libro de spiritu sancto. Sed quidam fuerunt baptizati Baptismo Ioannis
qui habebant plenam notitiam Trinitatis. Ergo non erant baptizandi iterum Baptismo
Christi. (IIIa q. 38 a. 6 arg. 4)
4 — In de Handelingen der Apostelen wordt gezegd (19, 1-5): « Paulus trof zekere leerlingen
aan, tot wie hij zei: Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u gelovig werd? Maar
ze antwoordden hem: Neen; we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest
bestaat. Hij zei: Met welk doopsel zijt u dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel
van Joannes. En daarom werden ze overgedoopt in de naam van onze Heer Jesus Christus
». Het schijnt dus dat ze overgedoopt moesten worden, omdat ze de Heilige Geest niet
kenden, zoals dan ook Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Joel (2, 28) en in zijn
Brief Over de man van de ene vrouw; en Ambrosius in zijn Werk Over de Heilige Geest
(3e H.). Maar sommigen waren gedoopt met het doopsel van Joannes, die de volledige
kennis der Drievuldigheid bezaten. Dus moesten ze niet overgedoopt worden met het
doopsel van Christus.
Praeterea, Rom. X, super illud, hoc est verbum fidei quod praedicamus, dicit Glossa
Augustini, unde est ista virtus aquae ut corpus tangat et cor abluat, nisi faciente
verbo, non quia dicitur, sed quia creditur? Ex quo patet quod virtus Baptismi dependet
ex fide. Sed forma Baptismi Ioannis significavit fidem in qua nos baptizamur, dicit
enim Paulus, Act. XIX, Ioannes baptizabat Baptismo poenitentiae populum, dicens in
eum qui venturus est post ipsum ut crederent, hoc est, in Iesum. Ergo videtur quod
non oportebat baptizatos Baptismo Ioannis iterum baptizari Baptismo Christi. (IIIa q. 38 a. 6 arg. 5)
5 — In zijn verklaring op de woorden: « Dit is het woord des geloofs dat wij preeken »,
(Rom., 10, 8), zegt de Glossa van Augustinus: « Vanwaar heeft het water de kracht,
dat het 't hart zuivert, ofschoon het 't lichaam slechts aanraakt? Doet het woord
het eigenlijk niet, niet omdat het uitgesproken wordt, maar omdat er aan geloofd wordt?
» Hieruit blijkt, dat de werking van het doopsel afhankelijk is van het geloof. Nu
betekende de vorm van het doopsel van Joannes het geloof, waarin wij gedoopt worden.
Want Paulus zegt (Handelingen, 19, 4): « Joannes doopte met een doopsel van berouwing,
maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem komen
zou, dat is in Jesus ». Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren met het
doopsel van Joannes, niet overgedoopt moesten worden met het doopsel van Christus.
Sed contra est quod Augustinus dicit, super Ioan., qui baptizati sunt Baptismate Ioannis,
oportebat ut baptizarentur Baptismate domini. (IIIa q. 38 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (5e Verhandeling op Joannes, N° 5):
« Die met Joannes’ doopsel gedoopt waren, moesten gedoopt worden met het doopsel des
Heren ».
Respondeo dicendum quod secundum opinionem Magistri, in IV Sent., illi qui baptizati
sunt a Ioanne nescientes spiritum sanctum esse, ac spem ponentes in illius Baptismo,
postea baptizati sunt Baptismo Christi, illi vero qui spem non posuerunt in Baptismo
Ioannis, et patrem et filium et spiritum sanctum credebant, non fuerunt postea baptizati,
sed, impositione manuum ab apostolis super eos facta, spiritum sanctum receperunt.
Et hoc quidem verum est quantum ad primam partem, quod multis auctoritatibus confirmatur.
Sed quantum ad secundam partem, est penitus irrationabile quod dicitur. Primo quidem,
quia Baptismus Ioannis neque gratiam conferebat, neque characterem imprimebat, sed
erat solum in aqua, ut ipse dicit, Matth. III. Unde baptizati fides vel spes quam
habebat in Christum, non poterat hunc defectum supplere. Secundo quia, quando in sacramento
omittitur quod est de necessitate sacramenti, non solum oportet suppleri quod fuerat
omissum, sed oportet totaliter innovari. Est autem de necessitate Baptismi Christi
quod fiat non solum in aqua, sed etiam in spiritu sancto, secundum illud Ioan. III,
nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto, non potest introire in regnum
Dei. Unde illis qui tantum in aqua baptizati erant Baptismo Ioannis, non solum erat
supplendum quod deerat, ut scilicet daretur eis spiritus sanctus per impositionem
manuum, sed erant iterato totaliter baptizandi in aqua et spiritu sancto. (IIIa q. 38 a. 6 co.)
Volgens de mening van Petrus Lombardus (4e B. der Sententies) zijn « zij, die door
Joannes gedoopt zijn, zonder te weten dat er een Heilige Geest bestond, en in zijn
doopsel hun hoop stelden, later met het doopsel van Christus gedoopt: zij daarentegen,
die hun hoop niet gesteld hebben op het doopsel van Joannes en in een Vader en een
Zoon en een Heilige Geest geloofden, werden later niet gedoopt, maar ontvingen de
Heilige Geest doordat de Apostelen hun de handen oplegden ». Deze opinie nu, is, wat
het eerste deel aangaat, waar: wat met behulp van vele gezaghebbende teksten bevestigd
kan worden. Maar wat in het tweede deel er van gezegd wordt, is ten ene male absoluut
onredelijk. En wel ten eerste, omdat het doopsel van Joannes geen genade mededeelde,
noch een karakter indrukte, maar alleen met water gebeurde, zoals hij zelf zegt (Matth.,
3, 11). En dus konden het geloof en de hoop die de gedoopte had op Christus, dit gemis
niet aanvullen. Ten tweede, omdat, wanneer er in een sacrament iets ontbreekt, wat
tot de noodzakelijkheid van het sacrament behoort, dan moet het ontbrekende niet alleen
aangevuld worden, maar dan moet het helemaal opnieuw toegediend worden. Nu behoort
echter tot de noodzakelijkheid van Christus’ doopsel, niet alleen, dat het met water,
maar ook dat het met de Heilige Geest wordt toegediend, volgens het woord van Joannes
(3, 5): « Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet
ingaan in het koninkrijk Gods ». Voor hen dus, die door het doopsel van Joannes alleen
met water gedoopt waren, moest niet alleen aangevuld worden, wat ontbroken had, zo
namelijk dat hun door de oplegging der handen de Heilige Geest geschonken werd, maar
zij moesten helemaal opnieuw gedoopt worden met water en de Heilige Geest.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., ideo post Ioannem
baptizatum est, quia non dabat Baptisma Christi, sed suum. Quod autem dabatur a Petro,
et si quod datum est a Iuda, Christi erat. Et ideo, si quos baptizavit Iudas, non
sunt iterum baptizandi, Baptisma enim tale est qualis est ille in cuius potestate
datur; non qualis ille cuius ministerio datur. Et inde est etiam quod baptizati a
Philippo diacono, qui Baptismum Christi dabat, non sunt iterum baptizati, sed acceperunt
manus impositionem per apostolos, sicut baptizati per sacerdotes confirmantur per
episcopos. (IIIa q. 38 a. 6 ad 1)
1 — Augustinus zegt in zijn 5° Verhandeling op Joannes (N° 18): « De reden, waarom er
na Joannes nog gedoopt werd, was deze, dat hij niet Christus’ doopsel, maar zijn eigen
doopsel toediende. Wat Petrus echter en zo Judas gedoopt heeft, ook Judas, toediende,
was het doopsel van Christus. Indien dus Judas mensen heeft gedoopt, dan behoefden
deze niet overgedoopt te worden: want (t. a. p. N° 6) de hoedanigheid van het doopsel
hangt af van hem, op wiens gezag het toegediend wordt en niet van hem die bij de toediening
ervan maar bedienaar is ». En daarom ook zijn zij, die door de diaken Philippus gedoopt
werden, die het doopsel van Christus toediende, niet overgedoopt, maar ontvingen de
handopleging van de apostelen: zoals ook zij, die door de priesters gedoopt zijn,
door de bisschoppen gevormd worden.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Seleucianum, intelligimus discipulos
Christi fuisse baptizatos, sive Baptismo Ioannis, sicut nonnulli arbitrantur, sive,
quod magis credibile est, Baptismo Christi. Neque enim ministerio baptizandi defuit,
ut haberet baptizatos servos per quos ceteros baptizaret, qui non defuit humilitatis
ministerio quando eis pedes lavit. (IIIa q. 38 a. 6 ad 2)
2 — Augustinus zegt in zijn Brief *Aan Seleucianus* (65° Brief): « We weten dat de leerlingen
van Christus gedoopt zijn, hetzij met het doopsel van Joannes, hetzij — en dit is
aannemelijker — met het doopsel van Christus. Want Hij, die in nederigheid wilde dienstbaar
zijn, toen Hij hun de voeten waschte, zal toch ook wel de dienst van dopen hebben
willen verrichten, ten einde gedoopte dienaren te hebben, door wie Hij anderen zou
kunnen laten dopen ».
Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., per hoc quod Christus
Ioanni dicenti, ego a te debeo baptizari, respondit, sine modo, ostenditur quia postea
Christus baptizavit Ioannem. Et hoc dicit in quibusdam libris apocryphis manifeste
scriptum esse. Certum tamen est, ut Hieronymus dicit, super Matth., quod, sicut Christus
baptizatus fuit in aqua a Ioanne, ita Ioannes a Christo erat in spiritu baptizandus. (IIIa q. 38 a. 6 ad 3)
3 — Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven *Verklaring van Mattheus*):
« Uit het antwoord, dat Christus aan Joannes gaf: « Laat het nu toe », toen hij zei:
« Ik moet door U gedoopt worden », blijkt, dat Christus Joannes later gedoopt heeft
». En hij zegt, dat dit in verschillende apocriefe geschriften met evenveel woorden
gezegd wordt ». — Zeker is echter, dat, zoals Hieronymus zegt (in zijn *Verklaring
op Mattheus*, 3, 13): « evenals Christus door Joannes met water gedoopt werd, zo ook
Joannes door Christus gedoopt moest worden met de Geest ».
Ad quartum dicendum quod non est tota causa quare illi fuerunt baptizati post Baptismum
Ioannis, quia spiritum sanctum non cognoverant, sed quia non erant Baptismo Christi
baptizati. (IIIa q. 38 a. 6 ad 4)
4 — Dat ze de Heilige Geest niet kenden, was niet de hele reden waarom die mensen na het
doopsel van Joannes moesten gedoopt worden, maar omdat ze niet met Christus’ doopsel
gedoopt waren.
Ad quintum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, contra Faustum, sacramenta nostra
sunt signa praesentis gratiae, sacramenta vero veteris legis fuerunt signa gratiae
futurae. Unde ex hoc ipso quod Ioannes baptizavit in nomine venturi, datur intelligi
quod non dabat Baptismum Christi, qui est sacramentum novae legis. (IIIa q. 38 a. 6 ad 5)
5 — Volgens Augustinus (in zijn Werk Tegen Faustus, 19e B., 13e en 18e H.), zijn onze
sacramenten een teken van de tegenwoordige genade, terwijl de sacramenten daarentegen
der oude wet een teken waren van de toekomstige genade. Uit het feit dus, dat Joannes
doopte in naam van Hem die komen moest, valt op te maken, dat hij niet het doopsel
van Christus toediende, wat een sacrament is van de nieuwe wet.