QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 59.
Over de oordeelsmacht van Christus .

Prooemium

Deinde considerandum est de iudiciaria potestate Christi. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo, utrum iudiciaria potestas sit attribuenda Christo. Secundo, utrum conveniat sibi secundum quod est homo. Tertio, utrum fuerit eam ex merito adeptus. Quarto, utrum eius potestas iudiciaria sit universalis respectu omnium hominum. Quinto, utrum, praeter iudicium quod agit in hoc tempore, sit expectandus ad universale iudicium futurum. Sexto, utrum eius iudiciaria potestas etiam ad Angelos se extendat. De executione autem finalis iudicii convenientius agetur cum considerabimus de his quae pertinent ad finem mundi. Nunc autem sufficit ea sola tangere quae pertinent ad Christi dignitatem. (IIIa q. 59 pr.)

Vervolgens moeten wij handelen over de oordeelsmacht van Christus; en hierover stellen wij zes vragen: 1. Moet de oordeelsmacht aan Christus worden toegekend? 2. Komt deze aan Hem toe, in zover Hij mens is? 3. Heeft Hij deze verkregen om verdiensten? 4. Is zijn oordeelsmacht algemeen ten opzichte van alle mensen? 5. Moet er behalve het oordeel, dat Hij in deze tijd uitspreekt, nog een algemeen oordeel verwacht worden, dat door Hem geschieden zal? 6. Strekt zijn oordeelsmacht zich ook uit tot de engelen? Over de uitoefening van het eindoordeel kan beter gehandeld worden, als wij datgene behandelen, wat behoort tot het einde van de wereld (Suppl. 88° Kw. en vlg.). Nu is het echter voldoende alleen datgene aan te raken, wat behoort tot de waardigheid van Christus.

Articulus 1.
Moet de oordeelsmacht in het bijzonder aan Christus worden toegekend?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod iudiciaria potestas non sit specialiter attribuenda Christo. Iudicium enim aliquorum videtur pertinere ad dominum, unde dicitur Rom. XIV, tu quis es, qui iudicas alienum servum? Sed esse dominum creaturarum est commune toti Trinitati. Non ergo debet Christo specialiter attribui iudiciaria potestas. (IIIa q. 59 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet in het bijzonder aan Christus moet worden toegeschreven. Het oordeel immers over anderen komt toe aan de Heer; vandaar wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 4) gezegd: « Wie zijt gij, dat gij durft oordelen over een vreemde knecht? » Maar de heerschappij over de schepselen komt gemeenschappelijk toe aan geheel de Drievuldigheid. Dus moet de oordeelsmacht niet bijzonder aan Christus worden toegekend.

Praeterea, Daniel VII dicitur, antiquus dierum sedit; et postea subditur, iudicium sedit et libri aperti sunt. Sed antiquus dierum intelligitur pater, quia, ut Hilarius dicit, in patre est aeternitas. Ergo iudiciaria potestas magis est attribuenda patri quam Christo. (IIIa q. 59 a. 1 arg. 2)

2 — Bij Daniël (7. 9) wordt gezegd: « De Hoogbejaarde zette zich neer, » en daarna volgt (v. 10): « Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend. » Maar onder de Hoogbejaarde wordt de Vader verstaan, daar, zoals Hilarius zegt, « in de Vader de eeuwigheid is. » Dus moet de oordeelsmacht meer aan de Vader, dan aan Christus worden toegeschreven.

Praeterea, eiusdem videtur iudicare cuius est arguere. Sed arguere pertinet ad spiritum sanctum, dicit enim dominus, Ioan. XVI, cum autem venerit ille, scilicet spiritus sanctus, arguet mundum de peccato et de iustitia et de iudicio. Ergo iudiciaria potestas magis debet attribui spiritui sancto quam Christo. (IIIa q. 59 a. 1 arg. 3)

3 — Het oordelen komt aan dezelfde toe, aan wie ook het overtuigen toekomt. Het overtuigen nu komt toe aan de H. Geest. De Heer zegt immers bij Joannes (16.8): « Wanneer Hij echter zal gekomen zijn, » nl. de H. Geest, « dan zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel. » Dus moet de oordeelsmacht meer aan de H. Geest, dan aan Christus worden toegekend.

Sed contra est quod dicitur Act. X de Christo, hic est qui constitutus est a Deo iudex vivorum et mortuorum. (IIIa q. 59 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 42) aangaande Christus: « Deze is het, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden. »

Respondeo dicendum quod ad iudicium faciendum tria requiruntur. Primo quidem, potestas subditos coercendi, unde dicitur Eccli. VII, noli quaerere fieri iudex, nisi valeas virtute rumpere iniquitates. Secundo, requiritur rectitudinis zelus, ut scilicet aliquis non ex odio vel livore, sed ex amore iustitiae iudicium proferat, secundum illud Proverb. III, quem enim diligit dominus, corripit, et quasi pater in filio complacet sibi. Tertio, requiritur sapientia, secundum quam formatur iudicium, unde dicitur Eccli. X, iudex sapiens iudicabit populum suum. Prima autem duo praeexiguntur ad iudicium, sed proprie tertium est secundum quod accipitur forma iudicii, quia ipsa ratio iudicii est lex sapientiae vel veritatis, secundum quam iudicatur. Et quia filius est sapientia genita, et veritas a patre procedens et ipsum perfecte repraesentans, ideo proprie iudiciaria potestas attribuitur filio Dei. Unde Augustinus dicit, in libro de vera Relig., haec est incommutabilis illa veritas quae lex omnium artium recte dicitur, et ars omnipotentis artificis. Ut autem nos, et omnes animae rationales, secundum veritatem de inferioribus recte iudicamus, sic de nobis, quando eidem cohaeremus, sola ipsa veritas iudicat. De ipsa vero nec pater, non enim minus est quam ipse. Et ideo quae pater iudicat, per ipsam iudicat. Et postea concludit, pater ergo non iudicat quemquam, sed omne iudicium dedit filio. (IIIa q. 59 a. 1 co.)

Om een oordeel uit te spreken worden drie dingen vereischt. — Vooreerst de macht om de onderdanen te bedwingen; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (7. 6): « Zoek niet rechter te worden, tenzij gij in staat zijt met kracht de ongerechtigheden tegen te gaan. » — Vervolgens wordt vereischt ijver voor de gerechtigheid, zodat iemand niet uit haat of nijd, maar uit liefde tot de rechtvaardigheid een oordeel velt, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (3. 12): « Want wien de Heer liefheeft, hastijdt Hij, en als een vader in zijn zoon heeft Hij in hem zijn welbehagen. » — Ten derde wordt wijsheid vereischt, waarmee het oordeel gevormd wordt; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (10. 1): « Een wijze rechter zal zijn volk oordelen. » — De eerste twee moeten noodzakelijk aan het oordeel voorafgaan; maar het derde is het eigenlijk, waarnaar het oordeel gevormd wordt: want het wezen zelf van het oordeel is de wet der wijsheid of der waarheid, waarnaar het oordeel gevormd wordt. En aangezien de Zoon de voortgebrachte Wijsheid is, en de Waarheid, die van de Vader uitgaat, en Hem volmaakt weergeeft, daarom wordt in eigenlijke zin de oordeelsmacht aan de Zoon Gods toegekend. Daarom zegt Augustinus: « Dit is die onveranderlijke Waarheid, die met recht de wet van alle kunsten genoemd wordt en de kunst van de almachtige kunstenaar. Zoals wij echter en alle redelijke zielen naar waarheid over de lagere dingen juist oordelen, zo oordeelt ook alleen de Waarheid zelf over ons, als wij met haar nauw verbonden zijn. Over haar echter oordeelt zelfs de Vader niet; zij is immers niet minder dan Hij. En wat de Vader derhalve oordeelt, oordeelt Hij door haar. » En vervolgens besluit hij: « De Vader oordeelt derhalve niemand, maar Hij gaf alle oordeel over aan de Zoon. »

Ad primum ergo dicendum quod ex illa ratione probatur quod iudiciaria potestas sit communis toti Trinitati, quod et verum est. Sed tamen per quandam appropriationem iudiciaria potestas attribuitur filio, ut dictum est. (IIIa q. 59 a. 1 ad 1)

1 — Door deze redenering wordt aangetoond, dat de oordeelsmacht gemeenschappelijk toekomt aan de gehele Drievuldigheid, wat waar is. Maar met een zekere toeeigening wordt de oordeelsmacht toegeschreven aan de Zoon, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in VI de Trin., patri attribuitur aeternitas propter commendationem principii, quod etiam importatur in ratione aeternitatis. Ibidem etiam Augustinus dicit quod filius est ars patris. Sic igitur auctoritas iudicandi attribuitur patri inquantum est principium filii; sed ipsa ratio iudicii attribuitur filio, qui est ars et sapientia patris, ut scilicet, sicut pater fecit omnia per filium suum inquantum est ars eius, ita etiam iudicat omnia per filium suum inquantum est sapientia et veritas eius. Et hoc significatur in Daniele, ubi primo dicitur quod antiquus dierum sedit, et postea subditur quod filius hominis pervenit usque ad antiquum dierum, et dedit ei potestatem et honorem et regnum, per quod datur intelligi quod auctoritas iudicandi est apud patrem, a quo filius accepit potestatem iudicandi. (IIIa q. 59 a. 1 ad 2)

2 — Zoals Augustinus zegt, wordt aan de Vader de eeuwigheid toegeschreven om te doen uitkomen, dat Hij beginsel is, wat in het begrip eeuwigheid ligt opgesloten. Op dezelfde plaats zegt Augustinus ook, dat de Zoon « de kunst » is « van de Vader ». Zo wordt derhalve het gezag om te oordelen toegeschreven aan de Vader, in zover Hij het beginsel is van de Zoon, maar het eigen wezen van het oordeel wordt toegekend aan de Zoon, die de kunst en de wijsheid van de Vader is, zodat namelijk evenals de Vader alles maakt door de Zoon, in zover Hij zijn kunst is, Hij ook zo over alles oordeelt door zijn Zoon, in zover Hij Zijn Wijsheid en Waarheid is. En dit wordt aangeduid in Daniël, waar eerst gezegd wordt, dat « de Hoogbejaarde zich neerzette », en verderop gezegd wordt (v. 13, 14), dat « de mensenzoon tot de Hoogbejaarde kwam, die Hem de macht gaf en de eer en het rijk; » waardoor te verstaan gegeven wordt, dat het gezag om te oordelen bij de Vader gelegen is, van wie de Zoon de macht om te oordelen ontvangen heeft.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., ita dixit Christus quod spiritus sanctus arguet mundum de peccato, tanquam diceret, ille diffundet in cordibus vestris caritatem. Sic enim, timore depulso, arguendi habebitis libertatem. Sic ergo spiritui sancto attribuitur iudicium, non quantum ad rationem iudicii, sed quantum ad affectum iudicandi quem homines habent. (IIIa q. 59 a. 1 ad 3)

3 — Zoals Augustinus zegt, heeft Christus aldus gezegd, dat « de H. Geest de wereld zal overtuigen van zonde, als wilde Hij zeggen: Hij zal in uw harten de liefde uitstorten. Want zo zult gij, als de vrees is uitgedreven, de vrijheid hebben om te overtuigen. » Zo wordt dus aan de H. Geest het oordeel toegeschreven, niet met het oog op het wezen van het oordeel, maar op de geneigdheid tot oordelen, die de mensen bezitten.

Articulus 2.
Komt de oordeelsmacht aan Christus toe, in zover Hij mens is?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod iudiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo. Dicit enim Augustinus, in libro de vera Relig., quod iudicium attribuitur filio inquantum est ipsa lex primae veritatis. Sed hoc pertinet ad Christum secundum quod est Deus. Ergo iudiciaria potestas non convenit Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus. (IIIa q. 59 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is. Augustinus immers zegt, dat het oordeel aan de Zoon wordt toegeschreven, in zover Hij de Wet zelf der eerste Waarheid is. Dit komt Christus echter toe, in zover Hij God is. Derhalve komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.

Praeterea, ad iudiciariam potestatem pertinet praemiare bene agentes, sicut et punire malos. Sed praemium bonorum operum est beatitudo aeterna, quae non datur nisi a Deo, dicit enim Augustinus, super Ioan., quod participatione Dei fit anima beata, non autem participatione animae sanctae. Ergo videtur quod iudiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus. (IIIa q. 59 a. 2 arg. 2)

2 — Tot de oordeelsmacht behoort het belonen van hen, die goed doen, zoals ook het straffen van de slechten. De beloning voor de goede werken echter is de eeuwige zaligheid, die alleen door God verleend wordt: Augustinus zegt immers, dat « de ziel zalig wordt door deel te hebben aan God, niet door deel te hebben aan een heilige ziel. » Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.

Praeterea, ad iudiciariam Christi potestatem pertinet iudicare occulta cordium, secundum illud I ad Cor. IV, nolite ante tempus iudicare, quousque veniat dominus, qui et illuminabit abscondita tenebrarum et manifestabit consilia cordium. Sed hoc pertinet ad solam virtutem divinam, secundum illud Ierem. XVII, pravum est cor hominis et inscrutabile, quis cognoscet illud? Ego dominus, scrutans corda et probans renes, qui do unicuique iuxta viam suam. Ergo iudiciaria potestas non convenit Christo secundum quod est homo, sed secundum quod est Deus. (IIIa q. 59 a. 2 arg. 3)

3 — Tot de oordeelsmacht van Christus behoort ook het oordelen over de geheimen der harten, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 5): « Wilt niet oordelen voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis zal verlichten, en de plannen der harten zal bekend maken. » Dit komt echter alleen toe aan de goddelijke kracht, volgens het woord van Jeremias (17. 9, 10): « Slecht is het hart van de mens en ondoorgrondelijk: wie zal het kennen? Ik, de Heer, die de harten doorgrond, en de nieren doorzoek, en die aan iedere geef volgens zijn gang. » Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.

Sed contra est quod dicitur Ioan. V, potestatem dedit ei iudicium facere, quia filius hominis est. (IIIa q. 59 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 27) gezegd wordt: « Hij gaf Hem de macht om te oordelen, omdat Hij de mensenzoon is. »

Respondeo dicendum quod Chrysostomus, super Ioan., sentire videtur quod iudiciaria potestas non conveniat Christo secundum quod est homo, sed solum secundum quod est Deus. Unde auctoritatem Ioannis inductam sic exponit, potestatem dedit ei iudicium facere. Quia filius hominis est, nolite mirari hoc. Non enim propterea suscepit iudicium quoniam homo est, sed quia ineffabilis Dei filius est, propterea iudex est. Quia vero ea quae dicebantur erant maiora quam secundum hominem, ideo, hanc opinionem solvens, dixit, ne miremini quia filius hominis est, etenim ipse est etiam filius Dei. Quod quidem probat per resurrectionis effectum, unde subdit, quia venit hora in qua omnes qui in monumentis sunt, audient vocem filii Dei. Sciendum tamen quod, quamvis apud Deum remaneat primaeva auctoritas iudicandi, hominibus tamen committitur a Deo iudiciaria potestas respectu eorum qui eorum iurisdictioni subiiciuntur. Unde dicitur Deut. I, quod iustum est iudicate, et postea subditur, quia Dei est iudicium, cuius scilicet auctoritate vos iudicatis. Dictum est autem supra quod Christus, etiam in natura humana, est caput totius Ecclesiae, et quod sub pedibus eius Deus omnia subiecit. Unde et ad eum pertinet, etiam secundum naturam humanam, habere iudiciariam potestatem. Propter quod videtur auctoritatem praedictam Evangelii sic esse intelligendam, potestatem dedit ei iudicium facere quia filius hominis est, non quidem propter conditionem naturae, quia sic omnes homines huiusmodi potestatem haberent, ut Chrysostomus obiicit, sed hoc pertinet ad gratiam capitis, quam Christus in humana natura accepit. Competit autem Christo hoc modo secundum humanam naturam iudiciaria potestas, propter tria. Primo quidem, propter convenientiam et affinitatem ipsius ad homines. Sicut enim Deus per causas medias, tanquam propinquiores effectibus, operatur; ita iudicat per hominem Christum homines, ut sit suavius iudicium hominibus. Unde apostolus dicit, Heb. IV, non habemus pontificem qui non possit compati infirmitatibus nostris, tentatum per omnia per similitudinem, absque peccato. Adeamus ergo cum fiducia ad thronum gratiae eius. Secundo, quia in finali iudicio, ut Augustinus dicit, super Ioan., erit resurrectio corporum mortuorum, quae suscitat Deus per filium hominis, sicut per eundem Christum suscitat animas inquantum est filius Dei. Tertio quia, ut Augustinus dicit, in libro de verbis domini, rectum erat ut iudicandi viderent iudicem. Iudicandi autem erant boni et mali. Restabat ut in iudicio forma servi et bonis et malis ostenderetur, forma Dei solis bonis servaretur. (IIIa q. 59 a. 2 co.)

Chrysostomus schijnt van gevoelen te zijn, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is, maar alleen in zover Hij God is. Vandaar verklaart hij de aangehaalde tekst van Joannes (in het Tegenarg.) aldus: « Hij gaf Hem macht om oordeel te vellen. » En vervolgens voegt hij er aan toe: « Daar Hij de mensenzoon is, wilt u daarover niet verwonderen: want Hij ontving het oordeel niet hierom, omdat Hij mens is, maar omdat Hij de onuitsprekelijke Zoon van God is, daarom is Hij rechter. Wil echter, wat gezegd werd, groter was dan Hem als mens toekwam, daarom zeide Hij, aan deze mening haar grond ontnemend: « Verwondert u niet, omdat Hij de mensenzoon is; Hij is immers ook de Zoon van God. » Dit echter bewijst Hij door het effect der verrijzenis; vandaar laat Hij volgen: « Wil het uur komt, waarop allen die in de graven zijn, de stem van de Zoon Gods zullen vernemen. » — Men moet echter weten, dat ofschoon het opperste oordeelsgezag bij God blijft, toch aan de mensen door God een oordeelsmacht wordt toegekend over die dingen, die aan hun rechtsmacht onderworpen zijn. Vandaar wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (1. 16): « Oordeelt wat rechtvaardig is; » en daarna volgt (v. 17): « Daar het oordeel Godes is, » door wiens gezag gij namelijk oordeel. Boven echter werd gezegd (8e Kw. 1e en 4e Art.), dat Christus ook in zijn menselijke natuur het hoofd is van de gehele Kerk, en dat God alles aan zijn voeten neergelegd heeft. Vandaar komt het Hem toe, ook naar zijn menselijke natuur, de oordeelsmacht te bezitten. Daarom schijnt de tot bewijs aangehaalde tekst uit het Evangelie aldus begrepen te moeten worden: « Hij gaf Hem de macht om te oordelen, daar Hij de mensenzoon is, » evenwel niet om zijn natuur, daar op die manier, alle mensen deze macht zouden hebben, zoals Chrysostomus opwerpt; maar dit behoort tot de genadegave, die Christus als hoofd in de menselijke natuur ontving. Op deze manier nu komt Christus de oordeelsmacht toe naar zijn menselijke natuur om drie redenen. — En wel vooreerst om zijn overeenkomst en verwantschap met de mensen. Want zoals God door middelen werkt, omdat deze dichter staan bij de effecten, zo ook oordeelt Hij de mensen door de mens Christus, opdat het oordeel voor de mensen zachter zou zijn. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (4. 15, 16): « Wij hebben geen Hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden met onze zwakheden, maar een die op dezelfde wijze beproefd werd in alles, uitgenomen de zonde. Laten wij daarom met vertrouwen naderen tot de troon van zijn genade. » — Ten tweede, « omdat bij het eindoordeel, » zoals Augustinus zegt, « de verrijzenis zal plaats hebben der gestorven lichamen, welke God door de mensenzoon opwekt »; zoals « Hij ook door dezelfde Christus de zielen opwekt, » in zover Hij « de Zoon Gods » is. — Ten derde, omdat, zoals Augustinus zegt, « het recht is, dat zij die geoordeeld moeten worden, de rechter kunnen zien. Zij die geoordeeld moeten worden, waren echter goed en kwaad. Er bleef dus over, dat bij het oordeel de gestalte van een slaaf vertoond zou worden aan de goeden en aan de slechten, maar de Godsgestalte alleen aan de goeden zou blijven voorbehouden. »

Ad primum ergo dicendum quod iudicium pertinet ad veritatem sicut ad regulam iudicii, sed ad hominem qui est veritate imbutus pertinet secundum quod est unum quodammodo cum ipsa veritate, quasi quaedam lex et quaedam iustitia animata. Unde et ibidem Augustinus introduxit quod dicitur I Cor. II, spiritualis iudicat omnia. Anima autem Christi prae ceteris creaturis magis fuit unita veritati et magis ea repleta, secundum illud Ioan. I, vidimus eum plenum gratiae et veritatis. Et secundum hoc, ad animam Christi maxime pertinet omnia iudicare. (IIIa q. 59 a. 2 ad 1)

1 — Het oordeel is afhankelijk van de waarheid, als van zijn norm, maar van de mens, die van de waarheid doordrongen is, is het afhankelijk, omdat zo iemand in zekere zin een eenheid vormt met de waarheid zelf, en daardoor om zo te zeggen een soort wet wordt en bezield rechtvaardigheid. Vandaar haalt ook Augustinus daar aan, wat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): « De geestelijke mens oordeelt over alles. » De ziel van Christus nu was meer dan de andere schepselen verbonden met de waarheid, en meer van haar vervuld, overeenkomstig het woord van Joannes (1. 14): « Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid. » En zo beschouwd, komt het allermeest aan Christus’ ziel toe, alles te oordelen.

Ad secundum dicendum quod solius Dei est sui participatione animas beatas facere. Sed adducere homines ad beatitudinem, inquantum est caput et auctor salutis eorum, Christi est, secundum illud Heb. II, qui multos filios in gloriam adduxerat, auctorem salutis eorum per passionem consummari. (IIIa q. 59 a. 2 ad 2)

2 — Het is alleen aan God eigen door een deelname aan zichzelf de zielen zalig te maken. Maar de mensen tot de zaligheid te brengen komt toe aan Christus, in zover Hij het hoofd is en de bewerker van hun heil, overeenkomstig het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (2. 10): « Die vele kinderen tot de glorie had gebracht, bracht ook de bewerker van hun heil door lijden tot de heerlijkheid. »

Ad tertium dicendum quod cognoscere occulta cordium et diiudicare per se quidem pertinet ad solum Deum, sed ex refluentia divinitatis ad animam Christi, convenit ei etiam cognoscere et diiudicare occulta cordium, ut supra dictum est, cum de scientia Christi ageretur. Et ideo dicitur Rom. II, in die cum iudicabit Deus occulta hominum per Iesum Christum. (IIIa q. 59 a. 2 ad 3)

3 — De geheimen der harten te kennen, en deze te beoordelen komt op zichzelf alleen aan God toe; maar door de invloed van de Godheid op Christus' ziel, komt het ook aan haar toe de geheimen der harten te kennen en te beoordelen, zoals boven gezegd is, toen wij handelden over de kennis van Christus (10e Kw. 2e Art.). En daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (2. 16) gezegd: « Op de dag, waarop God de geheimen der mensen zal oordelen door Jezus Christus. »

Articulus 3.
Heeft Christus de oordeelsmacht ontvangen uit verdienste?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non ex meritis fuerit adeptus iudiciariam potestatem. Iudiciaria enim potestas assequitur regiam dignitatem, secundum illud Proverb. XX, rex qui sedet in solio iudicii, dissipat omne malum intuitu suo. Sed regiam dignitatem Christus obtinuit absque meritis, competit enim ei ex hoc ipso quod est unigenitus Dei; dicitur enim Luc. I, dabit ei dominus Deus sedem David, patris eius, et regnabit in domo Iacob in aeternum. Ergo Christus iudiciariam potestatem non obtinuit ex meritis. (IIIa q. 59 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet uit verdienste de oordeelsmacht heeft ontvangen. De oordeelsmacht immers vloeit voort uit de koninklijke waardigheid, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (20. 8): « De koning, die zit op zijn rechterstoel, zal met zijn blik alle kwaad vernietigen. » De koninklijke waardigheid heeft Christus echter zonder verdienste verkregen. Deze komt Hem immers hierom toe, omdat Hij Gods Eeniggeborene is. Bij Lucas (1. 32) immers wordt gezegd: « Aan Hem zal de Heer God de zetel van zijn Vader David geven, en Hij zal regeren over het huis van Jacob in eeuwigheid. » Dus heeft Christus zijn oordeelsmacht niet verkregen om verdienste.

Praeterea, sicut dictum est, iudiciaria potestas competit Christo inquantum est caput nostrum. Sed gratia capitis non competit Christo ex meritis, sed consequitur personalem unionem divinae et humanae naturae, secundum illud, vidimus gloriam eius, quasi unigeniti a patre, plenum gratiae et veritatis, et de plenitudine eius nos omnes accepimus, quod pertinet ad rationem capitis. Ergo videtur quod Christus non habuerit ex meritis iudiciariam potestatem. (IIIa q. 59 a. 3 arg. 2)

2 — Zoals gezegd is (vorig Art.) komt Christus de oordeelsmacht toe, in zover Hij ons hoofd is. Maar de genade, waardoor Hij hoofd is, komt Christus niet toe om verdienste, maar volgt uit de persoonlijke vereniging van de goddelijke en menselijke natuur, overeenkomstig het woord bij Joannes (1. 14, 16): « Wij hebben zijn glorie gezien, als van de Eeniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen; » en dit behoort tot het wezen van het hoofd. Dus heeft Christus niet om verdienste de oordeelsmacht.

Praeterea, apostolus dicit, I Cor. II, spiritualis iudicat omnia. Sed homo efficitur spiritualis per gratiam, quae non est ex meritis, alioquin iam non esset gratia, ut dicitur Rom. XI. Ergo videtur quod iudiciaria potestas non conveniat nec Christo nec aliis ex meritis, sed ex sola gratia. (IIIa q. 59 a. 3 arg. 3)

3 — De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): « Een geestelijk mens oordeelt over alles. » De mens wordt echter geestelijk door de genade, die niet uit verdienste voortkomt, « anders was het geen genade meer, » zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (11. 6). Dus komt de oordeelsmacht noch aan Christus, noch aan iemand anders toe uit verdienste, maar enkel uit genade.

Sed contra est quod dicitur Iob XXXVI, causa tua quasi impii iudicata est, iudicium causamque recipies. Et Augustinus dicit, in libro de verbis domini, sedebit iudex qui stetit sub iudice, damnabit veros reos qui falso factus est reus. (IIIa q. 59 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek Job (36. 17): « Uw geding is als dat van een goddeloze geoordeeld; gij zult geding en oordeel ontvangen. » En Augustinus zegt: « Hij, die onder een rechter stond, zal als rechter zetelen; Hij zal de ware schuldigen oordelen, die op valse wijze beschuldigd is. »

Respondeo dicendum quod nihil prohibet unum et idem deberi alicui ex causis diversis, sicut gloria corporis resurgentis debita fuit Christo non solum propter congruentiam divinitatis et propter gloriam animae, sed etiam ex merito humilitatis passionis. Et similiter dicendum est quod iudiciaria potestas homini Christo competit et propter divinam personam, et propter capitis dignitatem, et propter plenitudinem gratiae habitualis, et tamen etiam ex merito eam obtinuit, ut scilicet, secundum Dei iustitiam, iudex esset qui pro Dei iustitia pugnavit et vicit, et iniuste iudicatus est. Unde ipse dicit, Apoc. III, ego vici, et sedi in throno patris mei. In throno autem intelligitur iudiciaria potestas, secundum illud Psalmi, sedet super thronum, et iudicat iustitiam. (IIIa q. 59 a. 3 co.)

Er is niets op tegen, dat een en hetzelfde aan iemand toekomt om verschillende redenen; zoals de heerlijkheid van het verrezen lichaam aan Christus toekwam, niet alleen, omdat dit passend was aan zijn Godheid, en om de glorie van zijn ziel, maar omdat de vernedering van zijn lijden het verdiende. En zo ook moeten wij zeggen, dat de oordeelsmacht aan de mens Christus toekomt, zowel om zijn goddelijke persoon, als om zijn waardigheid van hoofd, en om de volheid van zijn heiligmakende genade, en dat Hij haar toch ook uit verdienste verkreeg, opdat nl. overeenkomstig Gods gerechtigheid Hij, die voor Gods gerechtigheid gestreden en overwonnen heeft en onrechtmatig veroordeeld is, rechter zou zijn. Vandaar zegt Hij zelf in het Boek der Openbaring (3. 21): « Ik heb overwonnen, en Ik ben op de troon van mijn Vader gezeten. » Met de troon nu wordt bedoeld de oordeelsmacht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Psalmen (9. 5): « Gij zetelt op uw troon, die oordeelt met gerechtigheid. »

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de iudiciaria potestate secundum quod debetur Christo ex ipsa unione ad verbum Dei. (IIIa q. 59 a. 3 ad 1)

1 — Die redenering gaat uit van de oordeelsmacht voor zover die aan Christus toekomt om de vereniging met het woord Gods zelf.

Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit ex parte gratiae capitis. (IIIa q. 59 a. 3 ad 2)

2 — Die redenering gaat uit van de genade waardoor Christus hoofd is.

Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit ex parte gratiae habitualis, quae est perfectiva animae Christi. Per hoc tamen quod his modis debetur Christo iudiciaria potestas, non excluditur quin debeatur ei ex merito. (IIIa q. 59 a. 3 ad 3)

3 — Die redenering gaat uit van de heiligmakende genade, die de ziel van Christus vervolmaakt. Omdat echter de oordeelsmacht op deze wijze aan Christus toekomt, wordt niet uitgesloten dat zij Hem om verdienste toekomt.

Articulus 4.
Komt aan Christus de oordeelsmacht toe met betrekking tot alle menselijke dingen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ad Christum non pertineat iudiciaria potestas quantum ad omnes res humanas. Ut enim legitur Luc. XII, cum quidam de turba diceret, dic fratri meo ut dividat mecum hereditatem, ille respondit, homo, quis me constituit iudicem aut divisorem super vos? Non ergo habet iudicium super omnes res humanas. (IIIa q. 59 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat aan Christus niet de oordeelsmacht toekomt met betrekking tot alle menselijke dingen. Zoals immers staat bij Lucas (12. 13), antwoordde Christus, toen iemand uit de menigte tot Hem zei: « Zeg aan mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deelt »: « mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld? » Dus, heeft Hij niet de oordeelsmacht over alle mensen.

Praeterea, nullus habet iudicium nisi super ea quae sunt sibi subiecta. Sed Christo nondum videmus omnia esse subiecta, ut dicitur Heb. II. Ergo videtur quod Christus non habeat super omnes res humanas iudicium. (IIIa q. 59 a. 4 arg. 2)

2 — Niemand velt een oordeel, tenzij over die dingen, die hem onderworpen zijn. Maar « wij zien nog niet alles aan Christus onderworpen, » zoals staat in de Brief aan de Hebreën (2. 8). Dus heeft Christus niet het oordeel over alle menselijke dingen.

Praeterea, Augustinus dicit, XX de Civ. Dei, quod ad iudicium divinum pertinet hoc quod interdum boni affliguntur in hoc mundo et interdum prosperantur, et similiter mali. Sed hoc fuit etiam ante Christi incarnationem. Ergo non omnia iudicia Dei circa res humanas pertinent ad potestatem iudiciariam Christi. (IIIa q. 59 a. 4 arg. 3)

3 — Augustinus zegt, dat « het tot Gods oordeel behoort, dat soms de goeden lijden in deze wereld, en het hun soms goed gaat, en evenzo de slechten. » Dit was echter ook het geval vóór de menswording van Christus. Dus komen niet alle oordelen over de menselijke aangelegenheden toe aan de oordeelsmacht van Christus.

Sed contra est quod dicitur Ioan. V, pater omne iudicium dedit filio. (IIIa q. 59 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 22) gezegd wordt: « De Vader heeft alle oordeel aan de Zoon gegeven. »

Respondeo dicendum quod, si de Christo loquamur secundum divinam naturam, manifestum est quod omne iudicium patris pertinet ad filium, sicut enim pater facit omnia verbo suo, ita et omnia iudicat verbo suo. Si vero loquamur de Christo secundum humanam naturam, sic etiam manifestum est quod omnes res humanae subduntur eius iudicio. Et hoc manifestum est, primo quidem, si consideremus habitudinem animae Christi ad verbum Dei. Si enim spiritualis iudicat omnia, ut dicitur I Cor. II, inquantum mens eius verbo Dei inhaeret; multo magis anima Christi, quae plena est veritate verbi Dei, super omnia iudicium habet. Secundo, apparet idem ex merito mortis eius. Quia, ut dicitur Rom. XIV, in hoc Christus mortuus est et resurrexit, ut vivorum et mortuorum dominetur. Et ideo super omnes habet iudicium. Propter quod et apostolus ibi subdit quod omnes stabimus ante tribunal Christi, et Daniel VII, quod dedit ei potestatem et honorem et regnum, et omnes populi, tribus et linguae servient ei. Tertio, apparet idem ex comparatione rerum humanarum ad finem humanae salutis. Cuicumque enim committitur principale, committitur et accessorium. Omnes autem res humanae ordinantur in finem beatitudinis, quae est salus aeterna, ad quam homines admittuntur, vel etiam repelluntur, iudicio Christi, ut patet Matth. XXV. Et ideo manifestum est quod ad iudiciariam potestatem Christi pertinent omnes res humanae. (IIIa q. 59 a. 4 co.)

Als wij over Christus spreken naar zijn goddelijke natuur, dan is het duidelijk, dat het gehele oordeel van de Vader toekomt aan de Zoon; zoals immers de Vader alles maakt door zijn Woord, zo oordeelt Hij ook alles door zijn Woord. Indien wij echter spreken van Christus naar zijn menselijke natuur, dan is het ook duidelijk, dat alle menselijke aangelegenheden aan zijn oordeel onderworpen zijn. — En dit is duidelijk, vooreerst als wij de verhouding beschouwen van Christus’ ziel tot het Woord Gods. Wanneer immers « een geestelijk mens alles oordeelt, » zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15), in zover zijn geest het Woord Gods aanhangt, dan bezit nog veel meer de ziel van Christus, die vol is van de waarheid van het Woord Gods, over alles het oordeel. — Ten tweede blijkt hetzelfde uit de verdienste van zijn dood: aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 9), « Christus hiertoe gestorven en verrezen is, om de levenden en de doden te beheersen. » En derhalve heeft Hij over allen het oordeel. Daarom laat ook de Apostel ter plaatse volgen (v. 10), dat « wij allen zullen staan voor de rechterstoel van Christus; » en bij Daniël (7. 14) wordt gezegd, dat « Hij Hem de macht gaf, en de eer en het rijk; en dat alle volken, stammen en talen Hem zullen dienen. » — Ten derde blijkt ook hetzelfde uit de vergelijking van de menselijke dingen, met het doel, dat in het menselijk heil bestaat. Aan wie immers het voornamere gegeven wordt, wordt ook het bijkomstige toevertrouwd. Alle menselijke dingen nu leiden tot het doel der zaligheid, dat het eeuwig geluk is, waartoe de mensen worden toegelaten of waarvan zij ook worden uitgesloten volgens het oordeel van Christus, zoals blijkt bij Mattheus (25. 31 vlg.). En dus is het duidelijk, dat alle menselijke dingen vallen onder Christus’ oordeelsmacht.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut dictum est, iudiciaria potestas consequitur regiam dignitatem. Christus autem, quamvis rex esset constitutus a Deo, non tamen in terris vivens terrenum regnum temporaliter administrare voluit, unde ipse dicit, Ioan. XVIII, regnum meum non est de hoc mundo. Et similiter etiam iudiciariam potestatem exercere noluit super res temporales, qui venerat homines ad divina transferre, ut Ambrosius, ibidem, dicit, bene terrena declinat qui propter divina descenderat, nec iudex dignatur esse litium et arbiter facultatum, vivorum habens mortuorumque iudicium, arbitriumque meritorum. (IIIa q. 59 a. 4 ad 1)

1 — Zoals gezegd is (vorig Art. 1° Bed.), volgt de oordeelsmacht uit de koninklijke waardigheid. Hoewel Christus nu door God tot koning was aangesteld, wilde Hij toch tijdens zijn leven op aarde niet het aardse rijk tijdelijk besturen; vandaar zegt Hijzelf bij Joannes (18. 36): « Mijn rijk is niet van deze wereld. » Zo ook wilde Hij, die gekomen was om de mensen tot het goddelijke op te voeren, zijn oordeelsmacht niet uitoefenen over de tijdelijke dingen. Daarom zegt Ambrosius: « Wel mocht Hij de aardse dingen afwijzen, die om de goddelijke dingen was neergedaald; en Hij verwaardigde zich niet om rechter te zijn in twistgedingen, en toewijzer bij vermogens, die het oordeel bezat over de levenden en de doden, en de uitspraak over de verdiensten. »

Ad secundum dicendum quod Christo omnia sunt subiecta quantum ad potestatem, quam a patre super omnia accepit, secundum illud Matth. ult., data est mihi omnis potestas in caelo et in terra. Nondum tamen sunt ei omnia subiecta quantum ad executionem suae potestatis. Quod quidem erit in futuro, quando de omnibus voluntatem suam adimplebit, quosdam quidem salvando, quosdam puniendo. (IIIa q. 59 a. 4 ad 2)

2 — Aan Christus is alles onderworpen, in zover Hij de macht erover heeft, die Hij van zijn Vader over alles ontving, overeenkomstig het gezegde bij Mattheus (28. 18): « Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. » Maar nog niet is alles aan Hem onderworpen, wat betreft de uitoefening van zijn macht. Dit zal echter in de toekomst plaats hebben, als Hij over allen zijn wil zal doorvoeren, door sommigen namelijk te redden, anderen echter te straffen.

Ad tertium dicendum quod ante incarnationem huiusmodi iudicia exercebantur per Christum inquantum est verbum Dei, cuius potestatis facta est particeps per incarnationem anima ei personaliter unita. (IIIa q. 59 a. 4 ad 3)

3 — Vóór de menswording werden deze oordelen door Christus geveld in zover Hij het Woord Gods is, aan wiens macht de ziel, die met Hem in persoon verenigd is door de menswording, deelachtig is geworden.

Articulus 5.
Is er na het oordeel, dat in dezen tijd wordt uitgeoefend nog een ander te wachten?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod post iudicium quod in praesenti tempore agitur, non restat aliud iudicium generale. Post ultimam enim retributionem praemiorum et poenarum, frustra adhiberetur iudicium. Sed in hoc praesenti tempore fit retributio praemiorum et poenarum, dixit enim dominus latroni in cruce, Luc. XXIII, hodie mecum eris in Paradiso; et Luc. XVI dicitur quod mortuus est dives et sepultus in Inferno. Ergo frustra expectatur finale iudicium. (IIIa q. 59 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er na het oordeel, dat in deze tijd wordt uitgeoefend, geen ander algemeen oordeel meer te wachten is. Na de laatste vergelding van belooningen en straffen heeft een oordeel immers geen zin meer. In deze tegenwoordige tijd nu heeft de vergelding plaats door belooningen en straffen. De Heer heeft immers tot de rover op het kruis gezegd (Luc. 23. 43): « Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs; » en bij Lucas (16. 22) wordt gezegd, dat « de rijke stierf, en begraven werd in de hel. » Dus heeft het geen zin, om nog een eindoordeel te verwachten.

Praeterea, Nahum I dicitur, secundum aliam litteram, non iudicabit Deus bis in idipsum. Sed in hoc tempore Dei iudicium exercetur et quantum ad temporalia et quantum ad spiritualia. Ergo videtur quod non sit expectandum aliud finale iudicium. (IIIa q. 59 a. 5 arg. 2)

2 — Volgens een andere tekstlezing wordt bij Nahum (1. 9) gezegd: « De Heer zal geen tweede maal over hetzelfde oordelen. » In deze tijd echter wordt Gods oordeel uitgesproken zowel over het tijdelijke, als over het geestelijke. Dus moet geen ander eindoordeel meer verwacht worden.

Praeterea, praemium et poena respondent merito et demerito. Sed meritum et demeritum non pertinent ad corpus nisi inquantum est animae instrumentum. Ergo nec praemium seu poena debetur corpori nisi per animam. Non ergo requiritur aliud iudicium in fine, ad hoc quod homo praemietur aut puniatur in corpore, praeter illud quo nunc puniuntur aut praemiantur animae. (IIIa q. 59 a. 5 arg. 3)

3 — Beloning en straf zien terug op verdienste en onverdienste. Verdienste en onverdienste hebben echter geen betrekking op het lichaam, tenzij voor zover dit het instrument der ziel is. Dus verdient ook het lichaam geen beloning of straf, tenzij om de ziel. Dus wordt op het eind geen ander oordeel geëist, om de mens in het lichaam te belonen of te straffen, buiten dat waardoor nu de zielen gestraft of beloond worden.

Sed contra est quod dicitur Ioan. XII, sermo quem locutus sum vobis, ille vos iudicabit in novissimo die. Erit ergo quoddam iudicium in novissimo die, praeter iudicium quod nunc agitur. (IIIa q. 59 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (12. 48) gezegd wordt: « Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hen oordelen op de jongste dag. » Er zal dus buiten het oordeel, dat nu uitgesproken wordt, nog een ander oordeel zijn op de jongste dag.

Respondeo dicendum quod iudicium de aliqua re mutabili perfecte dari non potest ante eius consummationem. Sicut iudicium de aliqua actione qualis sit, perfecte dari non potest antequam sit consummata et in se et in suis effectibus, quia multae actiones videntur esse utiles, quae ex effectibus demonstrantur nocivae. Et similiter de homine aliquo iudicium perfecte dari non potest quandiu eius vita terminetur, eo quod multipliciter potest mutari de bono in malum aut e converso, vel de bono in melius, aut de malo in peius. Unde apostolus dicit, Heb. IX, quod hominibus statutum est semel mori, post hoc autem, iudicium. Sciendum tamen quod, licet per mortem vita hominis temporalis terminetur secundum se, remanet tamen ex futuris secundum quid dependens. Uno quidem modo, secundum quod adhuc vivit in memoriis hominum, in quibus quandoque contra veritatem remanet bonae famae vel malae. Alio modo in filiis, qui sunt quasi aliquid patris, secundum illud Eccli. XXX, mortuus est pater illius, et quasi non est mortuus, similem enim reliquit sibi post se. Et tamen multorum bonorum sunt mali filii, et e converso. Tertio modo, quantum ad effectum suorum operum, sicut ex deceptione Arii et aliorum seductorum pullulat infidelitas usque ad finem mundi; et usque tunc proficit fides ex praedicatione apostolorum. Quarto modo, quantum ad corpus, quod quandoque honorifice traditur sepulturae, quandoque vero relinquitur insepultum, et tandem incineratum resolvitur omnino. Quinto modo, quantum ad ea in quibus homo suum affectum defixit, puta in quibuscumque temporalibus rebus, quorum quaedam citius finiuntur, quaedam diutius durant. Omnia autem haec subduntur existimationi divini iudicii. Et ideo de his omnibus perfectum et manifestum iudicium haberi non potest quandiu huius temporis cursus durat. Et propter hoc oportet esse finale iudicium in novissimo die, in quo perfecte id quod ad unumquemque hominem pertinet quocumque modo, perfecte et manifeste diiudicetur. (IIIa q. 59 a. 5 co.)

Over een veranderlijk ding kan niet volmaakt een oordeel gegeven worden vóór zijn voltooiing. Zoals over een of andere handeling, welke die dan ook zijn moge, niet volmaakt een oordeel kan gegeven worden, voordat zij af is, in zich en in haar gevolgen: aangezien vele handelingen nuttig schijnen, die in hun gevolgen schadelijk blijken. En zo ook kan over een mens niet volmaakt een oordeel gevormd worden, voordat zijn leven geëindigd is; wijl hij veelvuldig van goed naar kwaad kan veranderen of omgekeerd, of van goed tot beter, of van kwaad tot slechter. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (9. 27), dat « het voor de mensen is vastgesteld om eens te sterven; daarna echter volgt het oordeel. » Men moet echter weten, dat ofschoon door de dood het tijdelijk leven van de mens op zich zelf eindigt, het toch nog blijft, daar het in zeker opzicht afhankelijk is, van wat nog zal gebeuren. — Vooreerst namelijk, doordat hij nog leeft in de herinnering der mensen, bij wie hij soms tegen de waarheid in, te goeder of kwader faam bekend blijft. — Vervolgens door de kinderen, die a. h. w. iets van de vader zijn, overeenkomstig het woord in het Boek Ecclesiasticus (30. 4): « Zijn vader is gestorven, en het is toch alsof hij niet gestorven was, hij liet immers een gelijken achter. » En toch hebben vele goeden slechte kinderen en omgekeerd. — Ten derde door de uitwerking van zijn werken; zoals ook door het bedrog van Arius en van andere verleiders het ongeloof voortwoekert tot aan het einde van de wereld; tot dan toe neemt ook het geloof toe tengevolge van de prediking der apostelen. — Ten vierde door het lichaam, dat soms een eervolle begrafenis ontvangt, soms ook onbegraven blijft, en ten slotte tot stof vergaan, geheel wordt ontbonden. — Ten vijfde, door die dingen waarop de mens zijn liefde gevestigd had, bijvoorbeeld in sommige tijdelijke dingen, van welke sommige vlugger een einde nemen, sommige langer duren. Al deze dingen nu zijn onderworpen aan de schatting van Gods oordeel. En daarom kan men van dit alles geen volmaakt en duidelijk oordeel vormen, zolang de wenteling van deze tijd duurt. En daarom moet er een eindoordeel zijn op de jongste dag, waarop volmaakt hetgeen bij iedere mens hoe dan ook behoort, volkomen en openbaar wordt geoordeeld.

Ad primum ergo dicendum quod opinio quorundam fuit quod animae sanctorum non praemiantur in caelo, nec animae damnatorum puniuntur in Inferno, usque ad diem iudicii. Quod apparet falsum ex hoc quod apostolus, II Cor. V, dicit, audemus, et bonam voluntatem habemus, peregrinari a corpore et praesentes esse ad dominum, quod est iam non ambulare per fidem, sed per speciem, ut patet ex his quae subsequuntur. Hoc autem est videre Deum per essentiam, in quo consistit vita aeterna, ut patet Ioan. XVII. Unde manifestum est animas a corporibus separatas esse in vita aeterna. Et ideo dicendum est quod post mortem, quantum ad ea quae sunt animae, homo sortitur quendam immutabilem statum. Et ideo, quantum ad praemium animae, non oportet ulterius differri iudicium. Sed quia quaedam alia sunt ad hominem pertinentia quae toto temporis cursu aguntur, quae non sunt aliena a divino iudicio, oportet iterum in fine temporis omnia haec in iudicium adduci. Licet enim homo secundum haec non mereatur neque demereatur, tamen pertinent ad aliquod eius praemium vel poenam. Unde oportet haec omnia existimari in finali iudicio. (IIIa q. 59 a. 5 ad 1)

1 — Sommigen waren van mening, dat de zielen der heiligen niet beloond worden in de hemel, noch de zielen der verdoemden gestraft worden in de hel tot aan de dag van het oordeel; dit echter blijkt vals te zijn uit hetgeen de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 6 vlg.): « Goede moed houden wij en wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en aanwezig te zijn bij de Heer; » dit is voortaan « niet wandelen in het geloof, » maar « in de aanschouwing, » zoals blijkt uit hetgeen volgt. Dit is God zien in zijn wezenheid, « waarin het eeuwige leven gelegen is, » zoals blijkt uit Joannes (17. 3). Vandaar is het duidelijk, dat de zielen van de lichamen gescheiden zijn in het eeuwige leven. En daarom moeten wij zeggen, dat na de dood de mens met betrekking tot de dingen der ziel, een zekeren onveranderlijke toestand krijgt; en daarom behoeft voor de beloning der ziel het oordeel niet verder uitgesteld te worden. Maar omdat er nog andere dingen zijn, die bij de mens behoren, en die in de loop der tijden voorvallen, en die niet vreemd zijn aan het goddelijk oordeel, moet wederom op het eind der tijden dit alles ter beoordeling naar voren gebracht worden. Want ofschoon de mens hierdoor niet verdient of schuldig staat, draagt dit toch enigszins bij tot zijn beloning of straf. Dus moet dit alles bij het eindoordeel in schatting gebracht worden.

Ad secundum dicendum quod Deus non iudicabit bis in idipsum, idest secundum idem. Sed secundum diversa non est inconveniens Deum bis iudicare. (IIIa q. 59 a. 5 ad 2)

2 — « God zal niet tweemaal over hetzelfde oordelen » d. i. onder hetzelfde opzicht. Maar er is niets tegen, dat God onder verschillend opzicht tweemaal oordeelt.

Ad tertium dicendum quod, licet praemium vel poena corporis dependeat ex praemio vel poena animae, tamen, quia anima non est mutabilis nisi per accidens propter corpus, separata statim a corpore habet statum immutabilem, et accipit suum iudicium. Sed corpus remanet mutabilitati subiectum usque ad finem temporis. Et ideo oportet quod tunc recipiat suum praemium vel poenam in finali iudicio. (IIIa q. 59 a. 5 ad 3)

3 — Hoewel de beloning of straf van het lichaam afhankelijk is van de beloning of straf van de ziel, heeft toch de ziel, aangezien zij niet veranderlijk is, tenzij om iets bijkomstigs: van wege het lichaam, terstond na de scheiding van het lichaam haar onveranderlijke toestand, en ontvangt zij haar oordeel. Maar het lichaam blijft onderworpen aan verandering tot aan het einde der tijden. En daarom moet het dan zijn beloning of straf ontvangen bij het eindoordeel.

Articulus 6.
Strekt de oordeelsmacht van Christus zich uit tot de engelen?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod potestas Christi iudiciaria non se extendat ad Angelos. Angeli enim, tam boni quam mali, iudicati sunt a principio mundi, quando, quibusdam cadentibus per peccatum, alii sunt in beatitudine confirmati. Sed illi qui iudicati sunt, non iterum indigent iudicari. Ergo potestas iudiciaria Christi non se extendit ad Angelos. (IIIa q. 59 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de oordeelsmacht van Christus zich niet uitstrekt tot de engelen. De engelen immers, zowel de goede als de kwade zijn geoordeeld van het begin van de wereld af, toen sommigen door de zonde vielen, en de anderen in de gelukzaligheid werden bevestigd. Maar zij, die geoordeeld zijn, behoeven niet opnieuw geoordeeld te worden. Dus strekt zich de oordeelsmacht van Christus niet uit tot de engelen.

Praeterea, non est eiusdem iudicare et iudicari. Sed Angeli venient cum Christo iudicaturi, secundum illud Matth. XXV, cum venerit filius hominis in maiestate sua, et omnes Angeli eius cum eo. Ergo videtur quod Angeli non sint iudicandi a Christo. (IIIa q. 59 a. 6 arg. 2)

2 — Het is niet dezelfde, die oordeelt en geoordeeld wordt. De engelen echter zullen komen om met Christus te oordelen, volgens het woord van *Mattheus* (25. 31): « Als de Zoon des mensen zal gekomen zijn in zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem. » Dus zullen de engelen niet door Christus geoordeeld worden.

Praeterea, Angeli sunt superiores aliis creaturis. Si ergo Christus est iudex non solum hominum, sed etiam Angelorum, pari ratione erit iudex omnium creaturarum. Quod videtur esse falsum, cum hoc sit proprium providentiae Dei, unde dicitur Iob XXXIV, quem constituit alium super terram? Aut quem posuit super orbem quem fabricatus est? Non ergo Christus est iudex Angelorum. (IIIa q. 59 a. 6 arg. 3)

3 — De engelen staan boven de andere schepselen. Indien Christus dus de rechter is niet alleen van de mensen, maar ook van de engelen, dan zal Hij ook om dezelfde reden rechter zijn van alle schepselen. En dit schijnt vals te zijn, daar dit het eigene is van Gods voorzienigheid: vandaar wordt gezegd in het Boek Job (34.13): « Wien anders heeft Hij gesteld over de aarde, of wien heeft Hij geplaatst over de wereld, die Hij gemaakt heeft? » Dus is Christus niet de rechter der engels.

Sed contra est quod apostolus dicit, I Cor. VI, an nescitis quoniam Angelos iudicabimus? Sed sancti non iudicabunt nisi auctoritate Christi. Ergo multo magis Christus habet iudiciariam potestatem super Angelos. (IIIa q. 59 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6.3): « Of weet u niet, dat wij de engelen zullen oordelen? » De heiligen echter oordelen niet, tenzij op gezag van Christus. Dus veeleer nog heeft Christus de oordeelsmacht over de engelen.

Respondeo dicendum quod Angeli subsunt iudiciariae potestati Christi, non solum quantum ad divinam naturam, prout est verbum Dei, sed etiam ratione humanae naturae. Quod patet ex tribus. Primo quidem, ex propinquitate naturae assumptae ad Deum, quia, ut dicitur Heb. II, nusquam Angelos apprehendit, sed semen Abrahae apprehendit. Et ideo anima Christi magis est repleta veritate verbi Dei quam aliquis Angelorum. Unde et Angelos illuminat, sicut Dionysius dicit, VII cap. Cael. Hier. Unde de eis habet iudicare. Secundo, quia per humilitatem passionis humana natura in Christo meruit exaltari super Angelos, ita quod, sicut dicitur Philipp. II, in nomine Iesu omne genu flectatur, caelestium, terrestrium et Infernorum. Et ideo Christus habet iudiciariam potestatem etiam super Angelos bonos et malos. In cuius signum dicitur, Apoc. VII, quod omnes Angeli stabant in circuitu throni. Tertio, ratione eorum quae circa homines operantur, quorum Christus speciali quodam modo est caput. Unde dicitur Heb. I, omnes sunt administratorii spiritus, in ministerium missi propter eos qui hereditatem capiunt salutis. Subsunt autem iudicio Christi, uno quidem modo, quantum ad dispensationem eorum quae per ipsos aguntur. Quae quidem dispensatio fit etiam per hominem Christum, cui Angeli ministrabant, ut dicitur Matth. IV; et a quo Daemones petebant ut in porcos mitterentur, ut dicitur Matth. VIII. Secundo, quantum ad alia accidentalia praemia bonorum Angelorum, quae sunt gaudia quae habent de salute hominum, secundum illud Luc. XV, gaudium est Angelis Dei super uno peccatore poenitentiam agente. Et etiam quantum ad poenas accidentales Daemonum, quibus torquentur vel hic, vel recluduntur in Inferno. Et hoc etiam pertinet ad hominem Christum. Unde Marci I dicitur quod Daemon clamavit, quid nobis et tibi, Iesu Nazarene? Venisti perdere nos? Tertio, quantum ad praemium essentiale beatorum Angelorum, quod est beatitudo aeterna, et quantum ad poenam essentialem malorum, quae est damnatio aeterna. Sed hoc factum est per Christum inquantum est verbum Dei, a principio mundi. (IIIa q. 59 a. 6 co.)

De engelen zijn onderworpen aan de oordeelsmacht van Christus, niet alleen omdat Hij God is, in zover Hij het Woord Gods is, maar ook omdat Hij mens is. En dit blijkt uit drie punten. — Vooreerst uit de nauwe verbondenheid van de aangenomen natuur met God, aangezien Hij, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (2. 16), « nooit engelen heeft aangenomen, maar het zaad van Abraham heeft aanvaard. » En daarom is de ziel van Christus meer van de kracht van het Woord Gods vervuld, dan een der engelen. Vandaar dat zij ook de engelen verlicht, zoals Dionysius zegt. Dus heeft Hij ook over hen macht om te oordelen. — Ten tweede, omdat door de vernedering van het lijden de menselijke natuur in Christus verdiende verheven te worden boven de engelen; zóó, dat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10), « in de naam van Jesus alle knie zich buigt, van hen, die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. » En derhalve heeft Christus de oordeelsmacht ook over alle engelen, de goede en de kwade. En als teken hiervan wordt in het Boek der Openbaring (7. 11) gezegd, dat « alle engelen rondom zijn troon stonden. » — Ten derde, om die dingen, welke zij met betrekking tot de mensen verrichten, van wie Christus op bijzondere wijze het hoofd is. Daarom wordt in de Brief aan de Hebreën (1. 14) gezegd: « Allen zijn dienende geesten, gezonden ten dienste van hen, die de erfenis des heils ontvangen. » Zij zijn nu onderworpen aan het oordeel van Christus, vooreerst wat betreft de schikking van wat door hen gedaan wordt. Hierover beschikt ook de mens Christus, wien de engelen dienen, zoals staat bij Mattheus (4. 11); en aan wien de duivelen vroegen, om in de zwijnen gezonden te worden, zoals gezegd wordt bij Mattheus (8. 31). Op de tweede plaats met betrekking tot de andere bijkomstige belooningen der goede engelen, als daar zijn de vreugden, die zij hebben over het heil der mensen, volgens het gezegde in Lucas (15. 10): « Er zal vreugde heerschen bij de engelen Gods over een zondaar, die boete doet. » En ook met betrekking tot de bijkomstige straffen des duivels, waarmee zij hier gekweld worden, ofwel in de hel worden opgesloten. En ook dit komt toe aan de mens Christus. Vandaar wordt bij Marcus (1. 24) gezegd, dat de duivel riep: « Wat is er tussen ons en U, Jesus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons vóór de tijd te verderven? » — Op de derde plaats met betrekking tot de wezenlijke belooning der goede engelen, welke de eeuwige gelukzaligheid is, en tot de wezenlijke straf der slechte engelen, welke de eeuwige verwerping is. Maar dit is gebeurd door Christus, in zover Hij het Woord Gods is, bij het begin van de wereld.

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de iudicio quantum ad praemium essentiale et poenam principalem. (IIIa q. 59 a. 6 ad 1)

1 — Die redenering gaat uit van het oordeel, dat de wezenlijke beloning en de voornaamste straf betreft.

Ad secundum dicendum quod, sicut dicit Augustinus, in libro de vera Relig., licet spiritualis iudicet omnia, tamen iudicatur ab ipsa veritate. Et ideo, licet Angeli, ex eo quod sunt spirituales, iudicent, iudicantur tamen a Christo, inquantum est veritas. (IIIa q. 59 a. 6 ad 2)

2 — Zoals Augustinus zegt, wordt de geestelijke mens, ofschoon « hij over alles oordeelt, » toch geoordeeld door de Waarheid zelf. En daarom worden de engelen, ofschoon zij om het feit, dat zij geestelijk zijn, oordelen, toch door Christus geoordeeld, in zover Hij de Waarheid is.

Ad tertium dicendum quod Christus habet iudicium non solum super Angelos, sed etiam super administrationem totius creaturae. Si enim, ut Augustinus dicit, in III de Trin., inferiora quodam ordine reguntur a Deo per superiora, oportet dicere quod omnia regantur per animam Christi, quae est super omnem creaturam. Unde et apostolus dicit, Heb. II, non enim Angelis subiecit Deus orbem terrae futurum, scilicet subiectum ei de quo loquimur, idest Christo. Nec tamen propter hoc alium constituit Deus super terram. Quia unus et idem est Deus et homo dominus Iesus Christus. De cuius incarnationis mysterio ad praesens dicta sufficiant. (IIIa q. 59 a. 6 ad 3)

3 — Christus heeft niet alleen het oordeel over de engelen, maar ook over het bestel van geheel de schepping. Want indien, zoals Augustinus zegt, het lagere volgens een zekere orde door God bestuurd wordt door middel van het hogere, dan moet men zeggen, dat alles wordt bestuurd door de ziel van Christus, die boven alle schepsel staat. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (2.5): « God heeft immers niet aan de engelen de toekomstige wereld onderworpen, die namelijk onderworpen is aan Hem, over wie wij spreken, dat wil zeggen aan Christus. » En toch heeft God daarom geen ander aangesteld over de aarde, daar een en dezelfde God is en mens, de Heer Jesus Christus. Over het mysterie van zijn menswording is voor het ogenblik voldoende gezegd.