Tertia Pars. Quaestio 27. Over de heiliging der H. Maagd .
Prooemium
Post praedicta, in quibus de unione Dei et hominis et de his quae unionem sequuntur,
tractatum est, restat considerandum de his quae filius Dei incarnatus in natura humana
sibi unita fecit vel passus est. Quae quidem consideratio quadripartita erit. Nam
primo, considerabimus de his quae pertinent ad ingressum eius in mundum; secundo,
de his quae pertinent ad processum vitae ipsius in hoc mundo; tertio, de exitu ipsius
ab hoc mundo; quarto, de his quae pertinent ad exaltationem ipsius post hanc vitam.
Circa primum quatuor consideranda occurrunt, primo quidem, de conceptione Christi;
secundo, de eius nativitate; tertio, de eius circumcisione; quarto, de eius Baptismo.
Circa conceptionem autem eius, oportet aliqua considerare primo, quantum ad matrem
concipientem; secundo, quantum ad modum conceptionis; tertio, quantum ad perfectionem
prolis conceptae. Ex parte autem matris occurrunt quatuor consideranda, primo quidem,
de sanctificatione eius; secundo, de virginitate eius; tertio, de desponsatione eius;
quarto, de Annuntiatione ipsius, vel de praeparatione ipsius ad concipiendum. Circa
primum quaeruntur sex. Primo, utrum beata virgo mater Dei fuerit sanctificata ante
nativitatem ex utero. Secundo, utrum fuerit sanctificata ante animationem. Tertio,
utrum per huiusmodi sanctificationem fuerit sibi totaliter sublatus fomes peccati.
Quarto, utrum per huiusmodi sanctificationem fuerit consecuta ut nunquam peccaret.
Quinto, utrum per huiusmodi sanctificationem adepta fuerit plenitudinem gratiarum.
Sexto, utrum sic fuisse sanctificata fuerit proprium sibi. (IIIa q. 27 pr.)
Na gehandeld te hebben zowel over de vereniging van God en mens in Christus, als over
datgene wat uit deze vereniging volgt, moeten we nu gaan spreken over hetgeen de mensgeworden
Zoon van God gedaan en geleden heeft in de menselijke natuur, die Hij met zich verenigde.
Deze beschouwing nu zal bestaan uit vier delen. Want eerstens zullen we nagaan datgene
wat betrekking heeft op zijn komst in deze wereld; vervolgens datgene wat bij zijn
levensloop behoort; ten derde, zijn heengaan uit deze wereld; ten vierde, datgene
wat behoort bij zijn verheerlijking na dit leven. Aangaande het eerstgenoemde vragen
vier punten onze aandacht: 1° nl. Christus’ ontvangenis; vervolgens zijn geboorte;
3° zijn besnijdenis; 4° zijn doop. Wat nu zijn ontvangenis betreft, moeten we spreken:
1° over de moeder, die Hem ontving; 2° over de wijze der ontvangenis; 3° over de volmaaktheid
van het ontvangen kind. Betreffende de moeder nu staan ons deze vier punten te behandelen:
1° haar heiliging; 2° haar maagdelijkheid; 3° haar verloving; 4° de boodschap des
engels, d. w. z. haar voorbereid worden op het ontvangen. Omtrent de eerste kwestie
worden zes vragen gesteld: 1. Is de H. Maagd, de Moeder Gods geheiligd voordat zij
uit de moederschoot geboren werd? 2. Werd zij geheiligd voordat zij de menselijke
ziel ontvangen had? 3. Werd door deze heiliging de haard der zonde geheel bij haar
weggenomen? 4. Verkreeg zij door deze heiliging, dat zij nooit zou zondigen? 5. Verkreeg
zij door deze heiliging de volheid van genaden? 6. Was een dergelijke heiliging iets
eigens voor haar alleen?
Articulus 1. Is de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod beata virgo non fuerit sanctificata ante nativitatem
ex utero. Dicit enim apostolus, I Cor. XV, non prius quod spirituale est, sed quod
animale, deinde quod est spirituale. Sed per gratiam sanctificantem nascitur homo
spiritualiter in filium Dei, secundum illud Ioan. I, ex Deo nati sunt. Nativitas autem
ex utero est nativitas animalis. Non ergo beata virgo fuit prius sanctificata quam
ex utero nasceretur. (IIIa q. 27 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de H. Maagd niet geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren
werd. Want de Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46): «
Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke
». Maar door de heiligmakende genade wordt de mens geestelijkerwijs geboren tot kind
Gods, blijkens Joannes (1, 13): « Uit God zijn zij geboren ». De geboorte echter uit
de moederschoot is de geboorte van het bezielde. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd,
voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
Praeterea, Augustinus dicit, in epistola ad Dardanum, sanctificatio, qua efficimur
templum Dei, non nisi renatorum est. Nemo autem renascitur nisi prius nascatur. Ergo
beata virgo non fuit prius sanctificata quam ex utero nasceretur. (IIIa q. 27 a. 1 arg. 2)
2 — Augustinus schrijft in zijn Brief aan Dardanus: « De heiliging, waardoor we Gods tempel
worden, vindt je uitsluitend bij de herborenen ». Niemand echter wordt herboren, tenzij
hij eerst geboren is. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot
geboren werd.
Praeterea, quicumque est sanctificatus per gratiam, est mundatus a peccato originali
et actuali. Si ergo beata virgo fuit sanctificata ante nativitatem ex utero, consequens
est quod fuerit tunc emundata ab originali peccato. Sed solum originale peccatum poterat
eam impedire ab introitu regni caelestis. Si ergo tunc mortua fuisset, videtur quod
ianuam regni caelestis introisset. Quod tamen fieri non potuit ante passionem Christi,
iuxta illud apostoli, habemus enim fiduciam in introitum sanctorum per sanguinem eius,
ut dicitur Heb. X. Videtur ergo quod beata virgo non fuerit sanctificata antequam
ex utero nasceretur. (IIIa q. 27 a. 1 arg. 3)
3 — Al wie door de genade geheiligd is, is gezuiverd van erfzonde en persoonlijke zonde.
Indien derhalve de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren
werd, dan was zij toen bijgevolg gezuiverd van de erfzonde. Maar alleen de erfzonde
kon voor haar een beletsel zijn, het hemelrijk binnen te treden. Zo zij dus toen gestorven
was, zou zij de poort van het hemelrijk zijn binnengegaan. Dit echter was onmogelijk
vóór het lijden van Christus, blijkens de woorden van de Apostel (Hebreeënbrief, 10,
19): « Wij toch hebben de vaste zekerheid, dat door het Bloed van Jezus de weg tot
het heiligdom openstaat ». Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd niet geheiligd,
voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
Praeterea, peccatum originale ex origine contrahitur, sicut peccatum actuale ex actu.
Sed quandiu aliquis est in actu peccandi, non potest a peccato actuali mundari. Ergo
etiam nec beata virgo a peccato originali mundari potuit dum esset adhuc in ipso actu
originis, in materno utero existens. (IIIa q. 27 a. 1 arg. 4)
4 — De erfzonde wordt gecontraheerd (1) door de voortkomst, evenals de persoonlijke zonde
door onze persoonlijke daad. Welnu, iemand kan niet van zijn persoonlijke zonde gezuiverd
worden, zolang hij nog metterdaad aan het zondigen is. Derhalve kon ook de H. Maagd
niet van de erfzonde gezuiverd worden, zolang zij nog metterdaad aan het voortkomen
was, d. w. z. zolang zij nog aanwezig was in de moederschoot.
Sed contra est quod Ecclesia celebrat nativitatem beatae virginis. Non autem celebratur
festum in Ecclesia nisi pro aliquo sancto. Ergo beata virgo in ipsa sui nativitate
fuit sancta. Fuit ergo in utero sanctificata. (IIIa q. 27 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Kerk het Geboortefeest der H. Maagd viert. In de
Kerk echter wordt geen enkel feest gevierd dan voor een of andere Heilige. Derhalve
was de H. Maagd bij haar geboorte zelf reeds heilig. Dus is zij in de moederschoot
geheiligd.
Respondeo dicendum quod de sanctificatione beatae Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata
in utero, nihil in Scriptura canonica traditur, quae etiam nec de eius nativitate
mentionem facit. Sed sicut Augustinus, de assumptione ipsius virginis, rationabiliter
argumentatur quod cum corpore sit assumpta in caelum, quod tamen Scriptura non tradit;
ita etiam rationabiliter argumentari possumus quod fuerit sanctificata in utero. Rationabiliter
enim creditur quod illa quae genuit unigenitum a patre, plenum gratiae et veritatis,
prae omnibus aliis maiora gratiae privilegia accepit, unde legitur, Luc. I, quod Angelus
ei dixit, ave, gratia plena. Invenimus autem quibusdam aliis hoc privilegialiter esse
concessum ut in utero sanctificarentur, sicut Ieremias, cui dictum est, Ierem. I,
antequam exires de vulva, sanctificavi te; et sicut Ioannes Baptista, de quo dictum
est, Luc. I, spiritu sancto replebitur adhuc ex utero matris suae. Unde rationabiliter
creditur quod beata virgo sanctificata fuerit antequam ex utero nasceretur. (IIIa q. 27 a. 1 co.)
In de H. Schrift staat niets opgetekend over de heiliging der H. Maagd, dat zij namelijk
in de moederschoot geheiligd is; maar de H. Schrift maakt evenmin melding van haar
geboorte. Doch zoals Augustinus in zijn *Verhandeling over de ten-Hemel-opneming der
H. Maagd*, op redelijke gronden beredeneert, dat zij met haar lichaam ten hemel is
opgenomen, waarover de H. Schrift echter niets mededeelt, zo ook kunnen we op redelijke
gronden aannemelijk maken, dat zij in de moederschoot geheiligd is. Want redelijk
is het, aan te nemen, dat de moeder van de *Eengeborene uit de Vader*, die vol van
genade en waarheid is (Joannes, 1, 14) grotere genade-voorrechten ontving dan alle
anderen; vandaar lezen we bij *Lucas* (1, 28), dat de engel tot haar zei: « Wees gegroet,
jij, vol van genade ». Nu weten we echter, dat wel aan sommige anderen als een voorrecht
gegeven is, dat zij in de moederschoot geheiligd werden: zoals Jeremias, tot wien
gezegd werd (Jeremias, 1, 5): « Eer jij voortkwam uit het lichaam uwer moeder, heiligde
ik u »; eveneens Joannes de Doper, over wie gezegd is (Lucas, 1, 15): « Reeds van
de schoot zijner moeder af zal hij vervuld worden van de Heilige Geest ». Op redelijke
grond derhalve gelooft men, dat de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot
geboren werd.
Ad primum ergo dicendum quod etiam in beata virgine prius fuit animale, et post id
quod est spirituale, quia prius fuit secundum carnem concepta, et postea secundum
spiritum sanctificata. (IIIa q. 27 a. 1 ad 1)
1 — Ook in de H. Maagd ging het bezielde vooraf en kwam daarna het geestelijke, doordat
zij eerst naar het vlees ontvangen werd en vervolgens naar de geest werd geheiligd.
Ad secundum dicendum quod Augustinus loquitur secundum legem communem, secundum quam
per sacramenta non regenerantur aliqui nisi prius nati. Sed Deus huic legi sacramentorum
potentiam suam non alligavit, quin aliquibus ex speciali privilegio gratiam suam conferre
possit antequam nascantur ex utero. (IIIa q. 27 a. 1 ad 2)
2 — Augustinus spreekt daar overeenkomstig de algemene wet, volgens welke niemand door
de sacramenten herboren wordt, tenzij men eerst geboren is. Maar God heeft zijn macht
niet zodanig gebonden aan deze sacramentenwet, dat Hij aan sommige personen, krachtens
een bijzonder voorrecht, zijn genade niet zou kunnen mededelen, voordat zij uit de
moederschoot geboren zijn.
Ad tertium dicendum quod beata virgo sanctificata fuit in utero a peccato originali
quantum ad maculam personalem, non tamen fuit liberata a reatu quo tota natura tenebatur
obnoxia, ut scilicet non intraret in Paradisum nisi per Christi hostiam; sicut etiam
de sanctis patribus dicitur qui fuerunt ante Christum. (IIIa q. 27 a. 1 ad 3)
3 — De H. Maagd werd in de moederschoot gezuiverd van de erfzonde voor zover deze een
persoonlijke zondesmet is, doch zij werd niet bevrijd van de strafschuldigheid, waardoor
de gehele menselijke natuur strafschuldig bleef, zodat zij het hemels Paradijs niet
zou binnengaan tenzij door de offerande van Christus; zoals dit ook wordt geleerd
over de Heilige Vaders, die vóór Christus leefden.
Ad quartum dicendum quod peccatum originale trahitur ex origine inquantum per eam
communicatur humana natura, quam respicit proprie peccatum originale. Quod quidem
fit quando proles concepta animatur. Unde post animationem nihil prohibet prolem conceptam
sanctificari, postea enim non manet in materno utero ad accipiendam humanam naturam,
sed ad aliqualem perfectionem eius quod iam accepit. (IIIa q. 27 a. 1 ad 4)
4 — De erfzonde wordt door de voortkomst verkregen in zover er de menselijke natuur door
wordt medegedeeld, waartoe nu juist de erfzonde betrekking heeft. De menselijke natuur
nu wordt ons medegedeeld, wanneer aan het ontvangen kind de ziel wordt ingebracht.
Derhalve is er niets op tegen, dat het ontvangen kind, na bezield te zijn, geheiligd
wordt; nadien toch blijft het niet in de moederschoot, om de menselijke natuur te
ontvangen, maar opdat datgene, wat het reeds ontving, tot een zekere volmaaktheid
zou worden gebracht.
Articulus 2. Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod beata virgo sanctificata fuit ante animationem.
Quia, ut dictum est, plus gratiae est collatum virgini matri Dei quam alicui sanctorum.
Sed quibusdam videtur esse concessum quod sanctificarentur ante animationem. Quia
dicitur Ierem. I, priusquam te formarem in utero, novi te, non autem infunditur anima
ante corporis formationem. Similiter etiam de Ioanne Baptista dicit Ambrosius, super
Luc., quod nondum inerat ei spiritus vitae, et iam inerat ei spiritus gratiae. Ergo
multo magis beata virgo ante animationem sanctificari potuit. (IIIa q. 27 a. 2 arg. 1)
1 — Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had? Want, zoals
(in het vorige Artikel) gezegd is, werden aan de H. Maagd, de Moeder Gods, méér genaden
geschonken, dan aan één der andere heiligen. Maar aan sommige heiligen nu is, naar
men beweert, verleend, dat zij geheiligd werden, vóórdat zij de menselijke ziel ontvingen.
Tot Jeremias toch werd gezegd (Jeremias, 1, 5): « Eer Ik u vormde in de moederschoot,
kende Ik u »; de ziel wordt echter niet ingestort, vóórdat het lichaam gevormd is.
Eveneens schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (1e B.; verklaring op 1, 15) aangaande
Joannes de Doper: « de geest des levens was nog niet in hem, en reeds woonde in hem
de Geest der genade ». Derhalve kon toch veel meer de H. Maagd geheiligd worden, voordat
zij de menselijke ziel ontvangen had.
Praeterea, conveniens fuit, sicut Anselmus dicit, in libro de conceptu virginali,
ut illa virgo ea puritate niteret qua maior sub Deo nequit intelligi, unde et in Cant.
IV dicitur, tota pulchra es, amica mea, et macula non est in te. Sed maior puritas
fuisset beatae virginis si nunquam fuisset inquinata contagio originalis peccati.
Ergo hoc ei praestitum fuit quod, antequam animaretur caro eius, sanctificaretur. (IIIa q. 27 a. 2 arg. 2)
2 — Zoals Anselmus in zijn werk Over het Maagdelijk Ontvangen (18e H.) leert, was het
passend, dat « deze Maagd met zulk een reinheid zou schitteren, als er buiten God
geen grotere denkbaar is »; vandaar dan ook heet het in het Hooglied (4, 7): « Geheel
schoon zijt gij, Mijne vriendin, en geen smet is in u ». De reinheid nu der H. Maagd
zou groter zijn geweest, zo zij nooit bevlekt was geworden door de smet der erfzonde.
Derhalve werd haar verleend, geheiligd te worden, voordat haar lichaam de menselijke
ziel ontving.
Praeterea, sicut dictum est, non celebratur festum nisi de aliquo sancto. Sed quidam
celebrant festum conceptionis beatae virginis. Ergo videtur quod in ipsa sua conceptione
fuerit sancta. Et ita videtur quod ante animationem fuerit sanctificata. (IIIa q. 27 a. 2 arg. 3)
3 — Zoals (in het tegen-bewijs van het vorige Artikel) gezegd is, wordt er geen feest
gevierd dan voor een of andere heilige. Sommigen nu vieren het feest der Ontvangenis
der H. Maagd. Derhalve, zo beweert men, was zij bij haar ontvangenis zelf reeds heilig.
Bijgevolg, zo beweert men, werd zij geheiligd, eer zij de menselijke ziel ontving.
Praeterea, apostolus dicit, Rom. XI, si radix sancta, et rami. Radix autem filiorum
sunt parentes eorum. Potuit ergo beata virgo sanctificari etiam in suis parentibus,
ante animationem. (IIIa q. 27 a. 2 arg. 4)
4 — De Apostel schrijft in de Romeinenbrief (11, 16): « Is de wortel heilig, dan ook de
takken ». De wortel nu der kinderen zijn hun ouders. Derhalve kon de H. Maagd ook
in haar ouders geheiligd worden, nog voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.
Sed contra est quod ea quae fuerunt in veteri testamento, sunt figura novi, secundum
illud I Cor. X, omnia in figura contingebant illis. Per sanctificationem autem tabernaculi,
de qua dicitur in Psalmo, sanctificavit tabernaculum suum altissimus, videtur significari
sanctificatio matris Dei, quae tabernaculum Dei dicitur, secundum illud Psalmi, in
sole posuit tabernaculum suum. De tabernaculo autem dicitur, Exod. ult., postquam
cuncta perfecta sunt, operuit nubes tabernaculum testimonii, et gloria domini implevit
illud. Ergo et beata virgo non fuit sanctificata nisi postquam cuncta eius perfecta
sunt, scilicet corpus et anima. (IIIa q. 27 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat, hetgeen in het Oude Verbond geschiedde, een voorafbeelding
is van het Nieuwe Verbond, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 11): «
Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding » (voor ons). Welnu, door de heiliging
van de tabernakel — waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 45, 5) geschreven staat:
« De Allerhoogste heiligde zijn woontent » — werd, naar men beweert, de heiliging
voorafgebeeld der Moeder Gods, die Gods woontent wordt genoemd overeenkomstig het
Psalmwoord (Ps. 18, 6): « In de zon plaatste Hij zijn woontent ». Aangaande de tabernakel
echter lezen we in het Boek van de Uittocht (40, 31-32): « Nadat alles voltooid was,
bedekte de wolk de tabernakel der getuigenis, en de heerlijkheid des Heren vervulde
hem ». Derhalve werd ook de H. Maagd slechts geheiligd, nadat alles af was, d. w.
z.: toen haar ziel en lichaam voltooid waren.
Respondeo dicendum quod sanctificatio beatae virginis non potest intelligi ante eius
animationem, duplici ratione. Primo quidem, quia sanctificatio de qua loquimur, non
est nisi emundatio a peccato originali, sanctitas enim est perfecta munditia, ut Dionysius
dicit, XII cap. de Div. Nom. Culpa autem non potest emundari nisi per gratiam, cuius
subiectum est sola creatura rationalis. Et ideo ante infusionem animae rationalis
beata virgo sanctificata non fuit. Secundo quia, cum sola creatura rationalis sit
susceptiva culpae, ante infusionem animae rationalis proles concepta non est culpae
obnoxia. Et sic, quocumque modo ante animationem beata virgo sanctificata fuisset,
nunquam incurrisset maculam originalis culpae, et ita non indiguisset redemptione
et salute quae est per Christum, de quo dicitur Matth. I, ipse salvum faciet populum
suum a peccatis eorum. Hoc autem est inconveniens, quod Christus non sit salvator
omnium hominum, ut dicitur I Tim. IV. Unde relinquitur quod sanctificatio beatae virginis
fuerit post eius animationem. (IIIa q. 27 a. 2 co.)
Om een tweevoudige reden is het ondenkbaar, dat de H. Maagd geheiligd werd, vóórdat
zij de menselijke ziel ontving. Ten eerste nl. omdat de heiliging, waarover we hier
spreken, niets anders is dan het gezuiverd worden van de erfzonde: heiligheid toch
is volledige zuiverheid, zoals Dionysius leert in zijn werk Over de Goddelijke Namen
(12° H). Van zonde-schuld echter kan men slechts gezuiverd worden door de genade;
nu kan uitsluitend een redelijk schepsel drager der genade zijn. En derhalve werd
de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat haar de redelijke ziel was ingestort. Ten tweede,
daar uitsluitend een redelijk schepsel zonde-schuld kan hebben, is in een ontvangen
kind geen zonde-schuld, vóórdat de redelijke ziel wordt ingestort. Bijgevolg, indien
de H. Maagd hoe dan ook geheiligd zou zijn geworden vóór de instorting der menselijke
ziel, zou zij nooit de vlek der erfzonde zijn opgelopen; en dus zou zij de verlossing
en de heiligmaking, die ons gewordt door Christus, niet nodig hebben gehad. Van Hem
nu wordt getuigd: « Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden » (Mattheus, 1, 21).
Het is echter onjuist, dat Christus niet de Zaligmaker aller mensen zou zijn, zoals
Hij in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) genoemd wordt. Daaruit volgt, dat de
heiliging der H. Maagd heeft plaats gehad na de instorting der menselijke ziel.
Ad primum ergo dicendum quod dominus dicit ante formationem in utero Ieremiam novisse,
notitia scilicet praedestinationis, sed sanctificasse se dicit eum, non ante formationem,
sed antequam exiret de ventre, et cetera. Quod autem dicit Ambrosius, quod Ioanni
Baptistae nondum inerat spiritus vitae cum iam haberet spiritum gratiae, non est intelligendum
secundum quod spiritus vitae dicitur anima vivificans, sed secundum quod spiritus
dicitur aer exterius respiratus. Vel potest dici quod nondum inerat ei spiritus vitae,
idest anima, quantum ad manifestas et completas operationes ipsius. (IIIa q. 27 a. 2 ad 1)
1 — De Heer zegt, dat Hij Jeremias vóór diens vorming in de moederschoot gekend heeft,
nl. in zijn wetenschap der voorbestemming; maar Hij getuigt, dat Hij hem geheiligd
heeft, niet vóór zijn vorming in de moederschoot, maar vóórdat hij uit de moederschoot
uitging. Wat echter Ambrosius schrijft, dat de geest des levens nog niet in Joannes
de Doper was, terwijl de Geest der genade reeds in hem woonde, moet men niet zo verstaan,
alsof de geest des levens de levendmakende ziel betekent, maar in die zin, dat « geest
» de van buiten ingeademde lucht betekent. — Men kan ook zeggen, dat de geest des
levens nog niet in hem was, d. i. de ziel, was nog niet in hem naar haar klaarblijkelijke
en volledige werkingen.
Ad secundum dicendum quod, si nunquam anima beatae virginis fuisset contagio originalis
peccati inquinata, hoc derogaret dignitati Christi, secundum quam est universalis
omnium salvator. Et ideo sub Christo, qui salvari non indiguit, tanquam universalis
salvator, maxima fuit beatae virginis puritas. Nam Christus nullo modo contraxit originale
peccatum, sed in ipsa sui conceptione fuit sanctus, secundum illud Luc. I, quod ex
te nascetur sanctum vocabitur filius Dei. Sed beata virgo contraxit quidem originale
peccatum, sed ab eo fuit mundata antequam ex utero nasceretur. Et hoc significatur
Iob III, ubi de nocte originalis peccati dicitur, exspectet lucem, idest Christum,
et non videat (quia nihil inquinatum intravit in illam, ut dicitur Sap. VII), nec
ortum surgentis aurorae, idest beatae virginis, quae in suo ortu a peccato originali
fuit immunis. (IIIa q. 27 a. 2 ad 2)
2 — Indien de ziel der Maagd nooit besmet was geweest met de vlek der erfzonde, zou dit
afbreuk doen aan de waardigheid van Christus, in zover Hij de algemene Zaligmaker
is van alle mensen. En derhalve was buiten Christus, die als de algemene Verlosser
niet verlost behoefde te worden, de reinheid der H. Maagd het grootst. Want Christus
heeft op geenlei wijze de erfzonde gecontraheerd, maar zelfs reeds bij zijn ontvangenis
was Hij heilig, volgens Lucas (1, 35): « het heilige, dat uit u zal geboren worden,
zal de Zoon van God worden genoemd ». Doch de H. Maagd contraheerde wel de erfzonde,
maar werd daarvan gezuiverd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd. En dit
wordt aangeduid door Job (3,9), waar aangaande de nacht der erfzonde gezegd wordt:
« dat hij wachte op het licht (d. w. z. op Christus) en hij zie het niet (want niets
wat besmet was, kwam in Hem, die Wijsheid is, zoals we lezen in het Boek der Wijsheid
(7, 25), noch ook zie hij de opgang van de rijzenden dageraad », d. w. z. der H. Maagd,
die bij haar opgang bevrijd was van de erfzonde.
Ad tertium dicendum quod, licet Romana Ecclesia conceptionem beatae virginis non celebret,
tolerat tamen consuetudinem aliquarum Ecclesiarum illud festum celebrantium. Unde
talis celebritas non est totaliter reprobanda. Nec tamen per hoc festum conceptionis
celebratum datur intelligi quod in sua conceptione fuerit sancta. Sed, quia quo tempore
sanctificata fuerit ignoratur, celebratur festum sanctificationis eius, potius quam
conceptionis, in die conceptionis ipsius. (IIIa q. 27 a. 2 ad 3)
3 — Hoewel de Romeinsche Kerk de Ontvangenis der H. Maagd niet viert, toch tolereert zij
het gebruik van sommige andere Kerkprovincies, die dit feest wel vieren. Die viering
mag dan ook niet heelemaal worden afgekeurd. Doch evenmin wordt door het vieren van
het feest der Ontvangenis te verstaan gegeven, dat zij bij haar ontvangenis reeds
heilig was. Maar, omdat we niet precies weten, op welk tijdstip zij geheiligd werd,
viert men op de dag harer ontvangenis het feest harer heiliging, eerder dan het feest
harer ontvangenis.
Ad quartum dicendum quod duplex est sanctificatio. Una quidem totius naturae, inquantum
scilicet tota natura humana ab omni corruptione culpae et poenae liberatur. Et haec
erit in resurrectione. Alia vero est sanctificatio personalis. Quae non transit in
prolem carnaliter genitam, quia talis sanctificatio non respicit carnem, sed mentem.
Et ideo, etsi parentes beatae virginis fuerunt mundati a peccato originali, nihilominus
beata virgo contraxit peccatum originale, cum fuerit concepta secundum carnis concupiscentiam
et ex commixtione maris et feminae, dicit enim Augustinus, in libro de nuptiis et
concupiscentia, omnem quae de concubitu nascitur, carnem esse peccati. (IIIa q. 27 a. 2 ad 4)
4 — Er bestaat een tweevoudige heiliging. De ene van de gehele natuur, in zover nl. geheel
de menselijke natuur bevrijd wordt van alle verderf, dat door zonde-schuld of straf
veroorzaakt werd. Deze heiliging zal plaats hebben bij de verrijzenis des vleses.
— De andere heiliging echter is een persoonlijke heiliging. Maar deze gaat niet over
op het kind, dat lichamelijk wordt voortgebracht, daar deze heiliging geen betrekking
heeft op het lichaam, maar op de geest. En derhalve, ook al waren de ouders der H.
Maagd van de erfzonde gezuiverd, toch heeft de H. Maagd de erfzonde gecontraheerd,
omdat zij ontvangen was onder de begeerlijkheid des vleses krachtens de huwelijkgemeenschap
tussen man en vrouw; want Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijk en de
Begeerlijkheid (1° B., 12° H.), dat « elk kind, dat uit de huwelijkgemeenschap geboren
wordt, een kind der zonde is ».
Articulus 3. Werd de H. Maagd gezuiverd van de besmetting van de zondehaard?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod beata virgo non fuerit emundata ab infectione
fomitis. Sicut enim poena originalis peccati est fomes, qui consistit in inferiorum
virium rebellione ad rationem, ita etiam poena originalis peccati est mors, et ceterae
poenalitates corporales. Sed beata virgo fuit subiecta huiusmodi poenalitatibus. Ergo
etiam fomes ab ea totaliter remotus non fuit. (IIIa q. 27 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de H. Maagd niet gezuiverd werd van de besmetting van de haard der
zonde. Want, zoals deze zonde-haard, die bestaat in de opstandigheid onzer lagere
vermogens tegen de rede, een straf voor de erfzonde is, zo ook is de dood en het overige
lichamelijke lijden een straf voor de erfzonde. De H. Maagd nu bleef wel onderworpen
aan deze laatstgenoemde straffen. Derhalve was ook die zonde-haard niet geheel van
haar weggenomen.
Praeterea, II Cor. XII dicitur, virtus in infirmitate perficitur, et loquitur de infirmitate
fomitis, secundum quam patiebatur stimulum carnis. Sed nihil quod pertinet ad perfectionem
virtutis, fuit beatae virgini subtrahendum. Ergo non fuit beatae virgini totaliter
subtrahendus fomes. (IIIa q. 27 a. 3 arg. 2)
2 — In zijn *Tweede Brief aan de Korinthiërs* (12, 9) schrijft de Apostel: « Juist bij
de zwakheid komt de deugd tot volmaaktheid »; hij spreekt daar over de zwakheid, die
het gevolg is van onze zondehaard, want hij gewaagt (12, 7) van de prikkel des vleses
die hij voelde. Welnu aan de H. Maagd moest niets ontnomen worden van datgene, wat
betrekking heeft op de vervolmaking van haar deugd. Derhalve moest aan de H. Maagd
de haard van zonde niet geheel ontnomen worden.
Praeterea, Damascenus dicit quod in beata virgine supervenit spiritus sanctus purgans
eam, ante conceptionem filii Dei. Quod non potest intelligi nisi de purgatione a fomite,
nam peccatum non fecit, ut Augustinus dicit, in libro de natura et gratia. Ergo per
sanctificationem in utero non fuit libere mundata a fomite. (IIIa q. 27 a. 3 arg. 3)
3 — Damascenus zegt, dat de H. Geest, vóór de ontvangenis van de Zoon Gods, over de H.
Maagd nederdaalde en haar reinigde. Dit nu kan slechts verstaan worden van de reiniging
van de zondehaard; want zonde bedreef zij niet, gelijk Augustinus schrijft in zijn
werk Over de Natuur en de Genade (36° H.). Derhalve werd zij door haar heiliging in
de moederschoot niet onbeperkt gereinigd van de haard van zonde.
Sed contra est quod dicitur Cant. IV, tota pulchra es, amica mea, et macula non est
in te. Fomes autem ad maculam pertinet, saltem carnis. Ergo in beata virgine fomes
non fuit. (IIIa q. 27 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): « Geheel schoon
zijt gij, mijn vriendin, en er is geen smet in u ». De zondehaard nu behoort tot de
smetten, minstens tot de smetten des vleses. Derhalve was er in de H. Maagd geen haard
van zonde.
Respondeo dicendum quod circa hoc sunt diversae opiniones. Quidam enim dixerunt quod
in ipsa sanctificatione beatae virginis, qua fuit sanctificata in utero, totaliter
fuit ei fomes subtractus. Quidam vero dicunt quod remansit fomes quantum ad hoc quod
facit difficultatem ad bonum, sublatus tamen fuit quantum ad hoc quod facit pronitatem
ad malum. Alii vero dicunt quod sublatus fuit fomes inquantum pertinet ad corruptionem
personae, prout impellit ad malum et difficultatem facit ad bonum, remansit tamen
inquantum pertinet ad corruptionem naturae, prout scilicet est causa traducendi originale
peccatum in prolem. Alii vero dicunt quod in prima sanctificatione remansit fomes
secundum essentiam, sed ligatus fuit, in ipsa autem conceptione filii Dei fuit totaliter
sublatus. Ad horum autem intellectum, oportet considerare quod fomes nihil aliud est
quam inordinata concupiscentia sensibilis appetitus, habitualis tamen, quia actualis
concupiscentia est motus peccati. Dicitur autem concupiscentia sensualitatis esse
inordinata, inquantum repugnat rationi, quod quidem fit inquantum inclinat ad malum,
vel difficultatem facit ad bonum. Et ideo ad ipsam rationem fomitis pertinet quod
inclinet ad malum, vel difficultatem facit in bono. Unde ponere quod remanserit fomes
in beata virgine non inclinans ad malum, est ponere duo opposita. Similiter etiam
videtur oppositionem implicare quod remanserit fomes inquantum pertinet ad corruptionem
naturae, non autem inquantum pertinet ad corruptionem personae. Nam secundum Augustinum,
in libro de nuptiis et concupiscentia, libido est quae peccatum originale transmittit
in prolem. Libido autem importat inordinatam concupiscentiam, quae non totaliter subditur
rationi. Et ideo, si totaliter fomes subtraheretur inquantum pertinet ad corruptionem
personae, non posset remanere inquantum pertinet ad corruptionem naturae. Restat igitur
ut dicamus quod vel totaliter fomes fuerit ab ea sublatus per primam sanctificationem,
vel quod fuerit ligatus. Posset tamen intelligi quod totaliter fuit sublatus fomes
hoc modo, quod praestitum fuerit beatae virgini, ex abundantia gratiae descendentis
in ipsam, ut talis esset dispositio virium animae in ipsa quod inferiores vires nunquam
moverentur sine arbitrio rationis, sicut dictum est, fuisse in Christo, quem constat
peccati fomitem non habuisse; et sicut fuit in Adam ante peccatum per originalem iustitiam;
ita quod, quantum ad hoc, gratia sanctificationis in virgine habuit vim originalis
iustitiae. Et quamvis haec positio ad dignitatem virginis matris pertinere videatur,
derogat tamen in aliquo dignitati Christi, absque cuius virtute nullus a prima damnatione
liberatus est. Et quamvis per fidem Christi aliqui ante Christi incarnationem sint
secundum spiritum ab illa damnatione liberati, tamen quod secundum carnem aliquis
ab illa damnatione liberetur, non videtur fieri debuisse nisi post incarnationem eius
in qua primo debuit immunitas damnationis apparere. Et ideo, sicut ante immortalitatem
carnis Christi resurgentis nullus adeptus fuit carnis immortalitatem, ita inconveniens
etiam videtur dicere quod ante carnem Christi, in qua nullum fuit peccatum, caro virginis
matris eius, vel cuiuscumque alterius, fuerit absque fomite, qui dicitur lex carnis,
sive membrorum. Et ideo melius videtur dicendum quod per sanctificationem in utero
non fuit sublatus virgini fomes secundum essentiam, sed remansit ligatus, non quidem
per actum rationis suae, sicut in viris sanctis, quia non statim habuit usum liberi
arbitrii adhuc in ventre matris existens, hoc enim speciale privilegium Christi fuit;
sed per gratiam abundantem quam in sanctificatione recepit, et etiam perfectius per
divinam providentiam sensualitatem eius ab omni inordinato motu prohibentem. Postmodum
vero, in ipsa conceptione carnis Christi, in qua primo debuit refulgere peccati immunitas,
credendum est quod ex prole redundaverit in matrem totaliter a fomite subtractio.
Et hoc significatur Ezech. XLIII, ubi dicitur, ecce, gloria Dei Israel ingrediebatur
per viam Orientalem, idest per beatam virginem, et terra, idest caro ipsius, splendebat
a maiestate eius, scilicet Christi. (IIIa q. 27 a. 3 co.)
Hierover bestaan verschillende meningen. Sommigen zeiden toch, dat bij de heiliging
zelf der H. Maagd, waardoor zij in de moederschoot geheiligd werd, de zondehaard geheel
bij haar werd weggenomen. — Anderen echter houden, dat hij bleef voortbestaan, in
zover hij het goede te doen bemoeilijkt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij
doet heenneigen naar het kwaad. — Weer anderen echter leren, dat de haard van zonde
werd weggenomen, voor zover hij haar persoon besmette, d.w.z. in zover hij doet heenneigen
naar het kwaad en het doen van het goede moeilijk maakt, maar dat hij bleef, in zover
hij de menselijke natuur in haar besmette, d.w.z. in zover hij de erfzonde op de kinderen
doet overgaan. — Weer anderen echter houden, dat bij de eerste heiliging (in de moederschoot)
de zondehaard naar zijn wezen bleef, doch als het ware krachteloos werd gemaakt; maar
dat hij bij de ontvangenis van Gods Zoon geheel werd weggenomen. Tot een goed begrip
hiervan, moet men bedenken, dat de zondehaard niets anders is dan de ongeregelde neiging
van het zintuigelijk begeervermogen, maar dan als een blijvende toestand, als een
vaardigheid, want de daadwerkelijke ongeregelde neiging is de zondedaad. Het zintuigelijk
begeervermogen nu heet ongeregeld, in zover het in strijd is met het verstand; en
het is daarmede in strijd, in zover het de mens doet heenneigen naar het kwaad, of
het goeddoen bemoeilijkt. Zo men derhalve houdt, dat de zondehaard wèl in de H. Maagd
bleef voortbestaan, doch dat deze haar niet naar het kwaad deed heenneigen, dan houdt
men twee dingen, die aan elkaar zijn tegengesteld. Eveneens ligt er een zekere tegenspraak
in, naar het schijnt, zo men houdt, dat de zondehaard bleef voortbestaan, in zover
hij onder de besmetheid der natuur valt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij
betrekking heeft op de besmetheid der persoon. Want volgens Augustinus in zijn werk
Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B, 24° H.), doet juist de vleselijke neiging
de erfzonde op het kind overgaan. Deze vleselijke neiging echter sluit een ongeregelde
begeerte in, welke niet geheel aan het verstand onderworpen is. Indien dus de zondehaard
geheel werd weggenomen voor wat de besmetheid van de persoon betreft, dan zou hij
niet kunnen blijven voortbestaan voor wat de besmetheid van de natuur betreft. Er
blijft dus niets anders over dan te houden ófwel, dat de zondehaard door de eerste
heiliging geheel van haar werd weggenomen, ófwel, dat hij bedwongen werd. Het algehele
wegnemen van de zondehaard, in de H. Maagd, zou men zich kunnen denken, als kwam haar,
krachtens de genade-overvloed, een dusdanige gesteltenis der zielsvermogens toe, dat
de lagere vermogens nooit in werking zouden treden zonder de uitspraak van het verstand
af te wachten; hetzelfde werd gezegd van Christus (15° Kw., 2° Art.), die klaarblijkelijk
geen zondehaard in zich droeg, en tevens van Adam, voor de zondeval, uit kracht van
de erfrechtvaardigheid, zoodat in de H. Maagd, betreffende dit punt, de heiligingsgenade
kracht van erfrechtvaardigheid bezat. Maar, hoewel deze opvatting schijnt te passen
bij de waardigheid der Moedermaagd, toch doet zij in zeker opzicht afbreuk aan de
waardigheid van Christus, zonder wiens kracht niemand van de eerte veroordeling bevrijd
wordt. En ook al werden er sommigen door hun geloof in Christus reeds vóór zijn menswording
van die veroordeling bevrijd naar hun geest, toch moest het, naar het schijnt, niet
voorkomen, dat iemand ook naar het lichaam van die veroordeling werd bevrijd, tenzij
na zijn menswording; in die menswording toch moest het volstrekt vrijzijn van iedere
veroordeling zich het eerst openbaren. En derhalve, gelijk niemand de onsterfelijkheid
des vleses verkreeg, vóórdat het lichaam van de verrijzende Christus de onsterfelijkheid
ontvangen had, zo ook lijkt het niet passend te beweren, dat vóór Christus' vlees,
waarin geen enkele zonde was, toch reeds het vlees der H. Maagd, zijner Moeder, of
van wie dan ook, zou geweest zijn zonder zondehaard, die dan toch ook de « wet des
vleses » of « der ledematen » heet (Romeinenbrief, 7, 23, 25). Daarom lijkt het ons
beter, te zeggen, dat de zondehaard door de heiliging in de moederschoot, bij de H.
Maagd niet werd weggenomen naar zijn wezen, maar dat hij bleef voortbestaan, hoewel
bedwongen. « Bedwongen », niet door de daad van haar verstand, zoals dit bij de Heiligen
geschiedt, want, nog verblijvend in de schoot harer moeder, had zij maar niet aanstonds
het gebruik van haar vrije wil. Dit toch was een bijzonder voorrecht van Christus.
Maar gebonden door de overvloedige genade, die zij bij haar heiliging ontving, en
vollediger nog tevens door Gods Voorzienigheid, die haar zintuigelijk begeervermogen
van iedere ongeregelde opwelling weerhield. Maar men moet aannemen, dat later bij
de ontvangenis zelf van Christus' vlees, waarin het volstrekt vrijzijn van alle zonde
het allereerst moest uitschijnen, het algeheel vrijzijn van de zondehaard van het
kind op de moeder overging. Dit nu wordt aangeduid door Ezechiël (43, 2): « Zie, de
heerlijkheid van de God van Israël trad binnen langs de oostelijke weg, d.w.z. door
de H. Maagd, en de aarde, d.i. haar vlees, glansde van zijn, d.i. Christus', heerlijkheid
».
Ad primum ergo dicendum quod mors et huiusmodi poenalitates de se non inclinant ad
peccatum. Unde etiam Christus, licet assumpserit huiusmodi poenalitates, fomitem tamen
non assumpsit. Unde etiam in beata virgine, ut filio conformaretur, de cuius plenitudine
gratiam accipiebat, primo quidem fuit ligatus fomes, et postea sublatus, non autem
fuit liberata a morte et aliis huiusmodi poenalitatibus. (IIIa q. 27 a. 3 ad 1)
1 — Het zijn niet de dood en meer van dergelijke straffen die de geneigdheid tot de zonde
geven. Vandaar dan ook, dat Christus, alhoewel Hij dergelijke straffen op zich nam,
toch niet de haard van zonde heeft aangenomen. Vandaar tevens, dat, om gelijkvormig
gemaakt te worden aan de Zoon, van wiens volheid zij de genade ontving (Joannes, 1,
16), in de H. Maagd eerst de zondehaard bedwongen werd en later is weggenomen. Zij
werd echter niet vrijgesteld van de dood en van andere dergelijke straffen.
Ad secundum dicendum quod infirmitas carnis ad fomitem pertinens est quidem in sanctis
viris perfectae virtutis occasio, non tamen causa sine qua perfectio haberi non possit.
Sufficit autem in beata virgine ponere perfectam virtutem et abundantiam gratiae,
nec in ea oportet ponere omnem occasionem perfectionis. (IIIa q. 27 a. 3 ad 2)
2 — De zwakheid des vleses, die met de zondehaard samenhangt, is in de Heiligen wel een
aanleiding tot volmaakte deugdbeoefening, maar geen oorzaak, zonder welke men de volmaaktheid
niet kan bezitten. Men kan er echter mee volstaan, met in de H. Maagd volmaakte deugd
en overvloed van genade te aanvaarden, en het is niet nodig, in haar iedere mogelijke
aanleiding tot volmaaktheid aan te nemen.
Ad tertium dicendum quod spiritus sanctus in beata virgine duplicem purgationem fecit.
Unam quidem quasi praeparatoriam ad Christi conceptionem, quae non fuit ab aliqua
impuritate culpae vel fomitis, sed mentem eius magis in unum colligens et a multitudine
sustollens. Nam et Angeli purgari dicuntur, in quibus nulla impuritas invenitur, ut
Dionysius dicit, VI cap. Eccles. Hier. Aliam vero purgationem operatus est in ea spiritus
sanctus mediante conceptione Christi, quae fuit opus spiritus sancti. Et secundum
hoc potest dici quod purgavit eam totaliter a fomite. (IIIa q. 27 a. 3 ad 3)
3 — De H. Geest bewerkte in de H. Maagd een tweevoudige zuivering. De ene nl. was als
het ware voorbereidend op de ontvangenis van Christus; dit nu was geen zuivering van
enige onreinheid van zonde-schuld of van de zonde-haard, doch zij richtte haar geest
meer op één punt en onttrok die aan het veelvormige (Vgl. Dionysius in zijn werk Over
de Goddelijke Namen, 4e H.). Want ook van de Engelen zegt men, dat zij gezuiverd worden;
en toch is in hen geen onreinheid te vinden, gelijk Dionysius schrijft in zijn werk
Over de Hemelhoren (6e H.). — De andere heiliging voltrok de H. Geest in haar door
middel van Christus' ontvangenis, die toch het werk is van de H. Geest. En op grond
deze zuivering kan men zeggen, dat de H. Geest haar geheel van de zonde-haard heeft
gereinigd.
Articulus 4. Werd de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot gevrijwaard voor iedere persoonlijke
zonde?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod per sanctificationem in utero non fuerit beata
virgo praeservata ab omni peccato actuali. Quia, ut dictum est, post primam sanctificationem
fomes peccati remansit in virgine. Motus autem fomitis, etiam si rationem praeveniat,
est peccatum veniale, licet levissimum, ut Augustinus dicit, in libro de Trin. Ergo
in beata virgine fuit aliquod peccatum veniale. (IIIa q. 27 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet gevrijwaard
werd voor iedere persoonlijke zonde. Want, zoals we gezien hebben (Vorige Art.), bleef
na die eerste heiliging de zondehaard in de H. Maagd voortbestaan. Het in werking
treden nu van de zondehaard, ook al geschiedt dit voordat het verstand uitspraak heeft
gedaan, is een dagelijkse zonde, hoewel een zeer lichte, gelijk Augustinus schrijft
in zijn werk, *Over de Drievuldigheid*. Derhalve was er in de H. Maagd een dagelijkse
zonde.
Praeterea, super illud Luc. II, tuam ipsius animam pertransibit gladius, dicit Augustinus,
in libro de quaest. novi et veteris Test., quod beata virgo in morte domini stupore
quodam dubitavit. Sed dubitare de fide est peccatum. Ergo beata virgo non fuit praeservata
immunis ab omni peccato. (IIIa q. 27 a. 4 arg. 2)
2 — Naar aanleiding van de woorden bij *Lucas* (2, 35): « Een zwaard zal uw eigen ziel
doorboren », schrijft Augustinus in zijn werk « Vraagstukken van het Oude en Nieuwe
Verbond », dat de H. Maagd bij de dood des Heren met een zekere verbazing twijfelde.
Welnu, twijfelen aangaande het geloof is zonde. Derhalve was de H. Maagd niet voor
alle zonde gevrijwaard.
Praeterea, Chrysostomus, super Matth., exponens illud, ecce mater tua et fratres tui
foris stant quaerentes te, dicit, manifestum est quoniam solum ex vana gloria hoc
faciebant. Et Ioan. II, super illud, vinum non habent, dicit idem Chrysostomus quod
volebat illis ponere gratiam, et seipsam clariorem facere per filium; et fortassis
quid humanum patiebatur, quemadmodum et fratres eius dicentes. Manifesta teipsum mundo.
Et post pauca subdit, nondum enim quam oportebat de eo opinionem habebat. Quod totum
constat esse peccatum. Ergo beata virgo non fuit praeservata immunis ab omni peccato. (IIIa q. 27 a. 4 arg. 3)
3 — Waar Chrysostomus in zijn Homelie op Mattheus (44e) de woorden uitlegt: « Zie, Uw
moeder en Uw broeders staan buiten en willen U spreken », schrijft hij: « Het is duidelijk,
dat zij dit alleen uit ijdele roemzucht deden ». En, waar hij de woorden van Joannes
(2, 3) verklaart: « Ze hebben geen wijn meer », schrijft dezelfde Chrysostomus: «
Hun wilde zij een gunst bewijzen en zichzelf wilde zij door haar Zoon beroemder maken;
en misschien kwam er wel iets kleinmenselijks bij, zoals bij zijn broeders, toen zij
zeiden: « Openbaar U zelf aan de wereld ». En iets verder voegt hij er aan toe: «
De mening, die zij over Hem moest hebben, bezat zij nog niet ». Klaarblijkelijk is
dit alles zondig. Derhalve werd de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de natura et gratia, de sancta virgine
Maria, propter honorem Christi, nullam prorsus, cum de peccatis agitur, habere volo
quaestionem. Inde enim scimus quod ei plus gratiae collatum fuerit ad vincendum ex
omni parte peccatum, quod concipere et parere meruit eum quem constat nullum habuisse
peccatum. (IIIa q. 27 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Natuur en de Genade
zegt: « Wanneer het over zonden gaat, wil ik, dat er om wille van de eer van Christus,
volstrekt geen sprake zij van de H. Maagd Maria. Want wij weten, dat haar om wille
dier eer van Christus, een overvloed van genade werd verleend, om van alle kanten
de zonde te kunnen vermijden, omdat zij degene verdiende te ontvangen en te baren,
die vanzelfsprekend geen enkele zonde had ».
Respondeo dicendum quod illos quos Deus ad aliquid eligit, ita praeparat et disponit
ut ad id ad quod eliguntur inveniantur idonei, secundum illud II Cor. III, idoneos
nos fecit ministros novi testamenti. Beata autem virgo fuit electa divinitus ut esset
mater Dei. Et ideo non est dubitandum quod Deus per suam gratiam eam ad hoc idoneam
reddidit, secundum quod Angelus ad eam dicit, invenisti gratiam apud Deum, ecce, concipies,
et cetera. Non autem fuisset idonea mater Dei, si peccasset aliquando. Tum quia honor
parentum redundat in prolem, secundum illud Prov. XVII, gloria filiorum patres eorum.
Unde et, per oppositum, ignominia matris ad filium redundasset. Tum etiam quia singularem
affinitatem habuit ad Christum, qui ab ea carnem accepit. Dicitur autem II Cor. VI,
quae conventio Christi ad Belial? Tum etiam quia singulari modo Dei filius, qui est
Dei sapientia, in ipsa habitavit, non solum in anima, sed in utero. Dicitur autem
Sap. I, in malevolam animam non intrabit sapientia, nec habitabit in corpore subdito
peccatis. Et ideo simpliciter fatendum est quod beata virgo nullum actuale peccatum
commisit, nec mortale nec veniale, ut sic impleatur quod dicitur Cant. IV, tota pulchra
es, amica mea, et macula non est in te, et cetera. (IIIa q. 27 a. 4 co.)
Hen, die God tot enig ambt uitkiest, bekwaamt en ordent Hij innerlijk zó, dat zij
geschikt bevonden worden voor het ambt, waartoe zij werden uitverkoren, blijkens de
Tweede brief aan de Korinthiërs (3, 6): « Hij heeft ons bekwaam gemaakt, om bedienaars
te worden van een nieuw Verbond ». De H. Maagd nu werd door God uitverkoren, om moeder
Gods te zijn. We mogen er derhalve niet aan twijfelen, dat God haar door zijn genade
hiertoe geschikt maakte, zoals ook blijkt uit hetgeen de Engel tot haar zeide (Lucas,
1, 30 v.v.): « Gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult in uw schoot ontvangen
», enz. Zij zou echter geen passende moeder Gods zijn geweest, indien zij ooit gezondigd
had. Niet alleen, omdat de eer der ouders overgaat op de kinderen, volgens het Boek
der Spreuken (17, 6): « De roem der kinderen zijn hunne vaderen ». Zo ook zou, omgekeerd,
de oneer der moeder hebben teruggeslagen op de Zoon. — Maar ook, omdat zij in een
bijzondere verwantschap stond met Christus, die uit haar het vlees aannam. In de Tweede
Brief aan de Korinthiërs (6, 15) nu, heet het: « Wat voor overeenkomst bestaat er
tusschen Christus en Belial? » — Tenslotte, omdat Gods Zoon, die de Wijsheid Gods
is, op geheel bijzondere wijze in haar zijn intrek nam, niet slechts in haar ziel,
maar tevens in haar lichaam. Welnu in het Boek der Wijsheid (1, 4) staat geschreven:
« In een kwaadwillende ziel zal de Wijsheid niet ingaan, noch wonen in een lichaam,
dat de zonden dienstbaar is ». Bijgevolg moet men zonder meer erkennen, dat de H.
Maagd geen enkele persoonlijke zonde, noch doodszonde, noch dagelijkse zonde heeft
bedreven, opdat zodoende in haar in vervulling zou gaan hetgeen we lezen in het Hooglied
(4, 7): « Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en geen smet is in u », enz.
Ad primum ergo dicendum quod in beata virgine, post sanctificationem in utero, remansit
quidem fomes, sed ligatus, ne scilicet prorumperet in aliquem motum inordinatum, qui
rationem praeveniret. Et licet ad hoc operaretur gratia sanctificationis, non tamen
ad hoc sufficiebat, alioquin, virtute illius gratiae hoc ei fuisset praestitum ut
nullus motus posset esse in sensualitate eius non ratione praeventus, et sic fomitem
non habuisset, quod est contra supra dicta. Unde oportet dicere quod complementum
illius ligationis fuit ex divina providentia, quae non permittebat aliquem motum inordinatum
ex fomite provenire. (IIIa q. 27 a. 4 ad 1)
1 — Na de heiliging in de moederschoot bleef de zonde-haard wel voortbestaan in de H.
Maagd, doch bedwongen, opdat hij namelijk niet zou uitslaan in een ongeregelde opvlamming,
welke in werking zou treden nog eer het verstand uitspraak had gedaan. En hoewel de
genade der heiliging tot dit in-bedwang-houden medewerkte, toch volstond zij daartoe
niet; anders toch zou aan de H. Maagd krachtens die genade verleend zijn, dat er geen
enkele opwelling in haar zintuigelijk begeervermogen kon plaats hebben, die niet door
het verstand voorkomen was, en zodoende zou zij eigenlijk geen zonde-haard gehad hebben,
hetgeen in strijd is met het boven behandelde (Vorige Art.). Derhalve moet men zeggen,
dat Gods Voorzienigheid dit in-bedwang-houden aanvulde; zij liet niet toe, dat er
enige ongeregelde opvlamming uit de zonde-haard uitsloeg.
Ad secundum dicendum quod illud verbum Simeonis Origenes, et quidam alii doctores,
exponunt de dolore quem passa est in Christi passione. Ambrosius autem per gladium
dicit significari prudentiam Mariae, non ignaram mysterii caelestis. Vivum enim est
verbum Dei et validum, acutius omni gladio ancipiti. Quidam vero gladium dubitationem
intelligunt. Quae tamen non est intelligenda dubitatio infidelitatis, sed admirationis
et discussionis. Dicit enim Basilius, in epistola ad optimum, quod beata virgo, assistens
cruci et aspiciens singula, post testimonium Gabrielis, post ineffabilem divinae conceptionis
notitiam, post ingentem miraculorum ostensionem, animo fluctuabat, ex una scilicet
parte videns eum pati abiecta, et ex alia parte considerans eius mirifica. (IIIa q. 27 a. 4 ad 2)
2 — Origenes en sommige andere Leeraars verstaan onder dit woord van Simeon de smart,
die zij leed bij Christus’ Lijden. Ambrosius echter houdt, dat met dit zwaard Maria’s
omzichtigheid bedoeld wordt, die niet onbekend was met het geheim des hemels. Want
Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard ». (Vgl. Hebreeënbrief,
4, 12). Sommigen echter zien in het zwaard de twijfel. Hieronder moet men echter niet
de twijfel der ongelovigheid verstaan, maar van verwondering en van het zoeken naar
een oplossing. Basilius toch schrijft in zijn Brief aan Optimus: « Terwijl de H. Maagd
onder het Kruis stond en het een na het ander overwoog, werd zij, na het getuigenis
van Gabriël vernomen te hebben, na haar onuitsprekelijk weten, dat God ontvangen was,
na de grootse wonderen, die Hij verricht had, in haar ziel als heen en weer geslingerd
», daar zij Hem van de ene kant zag lijden als een verworpeling en van de andere kant
al zijn wonderdadigheden overdacht.
Ad tertium dicendum quod in verbis illis Chrysostomus excessit. Possunt tamen exponi
ut intelligatur in ea dominum cohibuisse, non inordinatum inanis gloriae motum quantum
ad ipsam, sed id quod ab aliis posset existimari. (IIIa q. 27 a. 4 ad 3)
3 — Met deze uitdrukkingen heeft Chrysostomus overdreven. Toch kunnen zij goed worden
uitgelegd, indien men daaronder verstaat, dat de Heer in haar heeft tegengehouden
niet een ongeregelde streving naar ijdele glorie ten opzichte van zichzelf, maar datgene,
wat anderen daarvoor konden aanzien.
Articulus 5. Verkreeg de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot de volheid der genaden?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod beata virgo per sanctificationem in utero
non obtinuerit gratiae plenitudinem, sive perfectionem. Hoc enim videtur pertinere
ad privilegium Christi, secundum illud Ioan. I, vidimus eum, quasi unigenitum a patre,
plenum gratiae et veritatis. Sed ea quae sunt propria Christi, non sunt alteri attribuenda.
Ergo beata virgo plenitudinem gratiarum non accepit in sanctificatione. (IIIa q. 27 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet de volheid
of de voltooidheid der genade ontving. Want, naar het schijnt, is dit een voorrecht
van Christus, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 14): « Wij hebben Zijn heerlijkheid
aanschouwd: een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en
waarheid ». Welnu, datgene wat iets geheel eigens van Christus is, moet men aan geen
ander toeschrijven. Derhalve ontving de H. Maagd bij haar heiliging de volheid der
genaden niet.
Praeterea, ei quod est plenum et perfectum, non restat aliquid addendum, quia perfectum
est cui nihil deest, ut dicitur in III Physic. Sed beata virgo postmodum additionem
gratiae suscepit, quando Christum concepit, dictum est enim ei, Luc. I, spiritus sanctus
superveniet in te. Et iterum, quando in gloriam est assumpta. Ergo videtur quod non
habuerit in sua prima sanctificatione plenitudinem gratiarum. (IIIa q. 27 a. 5 arg. 2)
2 — Aan datgene, wat vol en af is, kan niets meer worden toegevoegd, want voltooid is
datgene, waaraan niets meer ontbreekt, gelijk in het 3e boek der Natuurleer staat.
Maar de H. Maagd kreeg later, toen zij Christus ontving, vermeerdering van genade;
tot haar toch werd gezegd (Lucas, 1, 35): « De H. Geest zal op u neerdalen ». Zo ook,
toen zij ten hemel werd opgenomen. Derhalve, zo beweert men, bezat zij bij haar eerste
heiliging de volheid der genaden nog niet.
Praeterea, Deus non facit aliquid frustra, ut dicitur in I de coelo et mundo. Frustra
autem habuisset quasdam gratias, cum earum usum nunquam exercuerit, non enim legitur
eam docuisse, quod est actus sapientiae; aut miracula fecisse, quod est actus gratiae
gratis datae. Non ergo habuit plenitudinem gratiarum. (IIIa q. 27 a. 5 arg. 3)
3 — God doet niets doelloos, gelijk we lezen in het 1e boek van het werk Over de Hemel
en de Aarde (4e H.). In de H. Maagd nu zouden sommige genade-gaven zonder doel zijn
geweest, daar zij er nooit gebruik van heeft gemaakt; want we lezen nergens, dat zij
ooit geleerd heeft, hetgeen de uiting is van de genade-gave der wijsheid, of dat zij
ooit wonderen verrichtte, hetgeen de werking der om niet gegeven genade-gave is. Derhalve
bezat zij de volheid der genade-gaven niet.
Sed contra est quod Angelus ad eam dixit, ave, gratia plena. Quod exponens Hieronymus,
in sermone de assumptione, dicit, bene, gratia plena, quia ceteris per partes praestatur;
Mariae vero se totam simul infudit gratiae plenitudo. (IIIa q. 27 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen de Engel tot haar sprak: « Wees gegroet gij, vol
van genade ». Waar Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-Hemel-Opneming deze woorden
uitlegt, zegt hij: « Terecht, vol van genade, want aan de overigen wordt de genade
deelsgewijs geschonken, maar aan Maria deelde de volheid van genade zich in eens helemaal
mee ».
Respondeo dicendum quod, quanto aliquid magis appropinquat principio in quolibet genere,
tanto magis participat effectum illius principii, unde dicit Dionysius, IV cap. Cael.
Hier., quod Angeli, qui sunt Deo propinquiores, magis participant de bonitatibus divinis
quam homines. Christus autem est principium gratiae, secundum divinitatem quidem auctoritative,
secundum humanitatem vero instrumentaliter, unde et Ioan. I dicitur, gratia et veritas
per Iesum Christum facta est. Beata autem virgo Maria propinquissima Christo fuit
secundum humanitatem, quia ex ea accepit humanam naturam. Et ideo prae ceteris maiorem
debuit a Christo plenitudinem gratiae obtinere. (IIIa q. 27 a. 5 co.)
Hoe dichter iets staat bij het beginsel op welk gebied dan ook, des te meer deelt
het in de uitwerking van dat beginsel; vandaar zegt Dionysius in zijn werk Over de
Hemelse Koren (4e H.), dat de Engelen, die dichter bij God staan, meer delen in Gods
volmaaktheden dan de mensen. Christus nu is het beginsel der genade, en wel naar zijn
Godheid als eigenlijke Verwekker der genade, en naar zijn mensheid als instrumenteel
beginsel; daarom ook heet het bij Joannes (1, 17): « De genade en waarheid zijn door
Jezus Christus gekomen ». Welnu, de H. Maagd stond het dichtste bij Christus voor
wat zijn mensheid betreft; omdat Hij uit haar zijn menselijke natuur ontving. Derhalve
moest zij van Christus een grotere volheid van genade verkrijgen dan alle anderen.
Ad primum ergo dicendum quod unicuique a Deo datur gratia secundum hoc ad quod eligitur.
Et quia Christus, inquantum est homo, ad hoc fuit praedestinatus et electus ut esset
praedestinatus filius Dei in virtute sanctificationis, hoc fuit proprium sibi, ut
haberet talem plenitudinem gratiae quod redundaret in omnes, secundum quod dicitur
Ioan. I, de plenitudine eius nos omnes accepimus. Sed beata virgo Maria tantam gratiae
obtinuit plenitudinem ut esset propinquissima auctori gratiae, ita quod eum qui est
plenus omni gratia, in se reciperet; et, eum pariendo, quodammodo gratiam ad omnes
derivaret. (IIIa q. 27 a. 5 ad 1)
1 — God verleent aan iedere de genade overeenkomstig de taak, waartoe hij werd uitgekozen.
En omdat nu Christus als mens daartoe werd voorbestemd en uitverkoren, om te zijn
de voorafbestemde Zoon van God in kracht van heiligmaking, was het Hem geheel eigen,
zulk een volheid van genade te bezitten, dat zij op allen zou overvloeien, overeenkomstig
het woord van Joannes (1, 16): « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen ». Maar
de H. Maagd verkreeg een zo grote volheid van genade, dat zij de Bron van genade het
meest zou benaderen; zóó, dat zij degene, die vol is van alle genade, in zich ontving
en zóó, dat zij door Hem te baren, in zekere zin de genade liet komen tot allen.
Ad secundum dicendum quod in rebus naturalibus primo quidem est perfectio dispositionis,
puta cum materia est perfecte ad formam disposita. Secundo autem est perfectio formae,
quae est potior, nam et ipse calor est perfectior qui provenit ex forma ignis, quam
ille qui ad formam ignis disponebat. Tertio autem est perfectio finis, sicut cum ignis
habet perfectissime suas qualitates, cum ad locum suum pervenerit. Et similiter in
beata virgine fuit triplex perfectio gratiae. Prima quidem quasi dispositiva, per
quam reddebatur idonea ad hoc quod esset mater Christi, et haec fuit perfectio sanctificationis.
Secunda autem perfectio gratiae fuit in beata virgine ex praesentia filii Dei in eius
utero incarnati. Tertia autem perfectio est finis, quam habet in gloria. Quod autem
secunda perfectio sit potior quam prima, et tertia quam secunda, patet quidem, uno
modo, per liberationem a malo. Nam primo, in sua sanctificatione fuit liberata a culpa
originali; secundo, in conceptione filii Dei fuit totaliter mundata a fomite; tertio
vero, in sui glorificatione fuit liberata etiam ab omni miseria. Alio modo, per ordinem
ad bonum. Nam primo, in sua sanctificatione adepta est gratiam inclinantem eam ad
bonum; in conceptione autem filii Dei consummata est ei gratia confirmans eam in bono;
in sui vero glorificatione consummata est eius gratia perficiens eam in fruitione
omnis boni. (IIIa q. 27 a. 5 ad 2)
2 — Op natuurlijk gebied heeft men op de eerste plaats de volmaaktheid van op iets aangelegd
te zijn; zo b. v. wanneer de materiaal-oorzaak volkomen geschikt gemaakt is voor de
wezensvorm. Op de tweede plaats heeft men de volmaaktheid van het innerlijke formerend
beginsel; en deze volmaaktheid staat hoger, want ook de warmte, die uit de wezensvorm
van het vuur voortkomt, is volmaakter dan de warmte, die geschikt maakte tot de wezensvorm
van vuur. Op de derde plaats heeft men de volmaaktheid van het doel, gelijk het vuur
juist dan zijn eigenschappen het volmaaktst bezit, wanneer het in zijn eigen natuurlijke
plaats is. En zo bestond er ook in de H. Maagd een drievoudige volmaaktheid der genade.
De eerste nl. was als het ware voorbereidend, waardoor zij geschikt gemaakt werd,
om moeder van Christus te zijn; en dit was de volmaaktheid, die door de heiliging
werd medegedeeld. De tweede volmaaktheid echter der genade verkreeg de H. Maagd krachtens
de tegenwoordigheid van de, in haar schoot mens geworden, Zoon van God. De derde volmaaktheid
is die van het bereikte doel; deze bezit zij in de hemelse heerlijkheid. Dat echter
de tweede volmaaktheid hoger staat dan de eerste, en de derde hoger dan de tweede,
blijkt eenerzijds uit het bevrijdzijn van het kwaad. Want eerst, bij haar heiliging
werd zij bevrijd van de erfzonde; vervolgens bij de ontvangenis van Gods Zoon werd
zij gezuiverd van de zonde-haard; tenslotte bij haar verheerlijking in de hemel werd
zij tevens van alle ellende bevrijd. — Anderzijds blijkt dit uit haar verhouding tot
het goede. Want eerst, bij haar heiliging, verkreeg zij de genade, die haar naar het
goede heenneigde; bij de ontvangenis echter van Gods Zoon werd in haar de genade voltooid,
die haar in het goede bevestigde; bij haar verheerlijking echter werd in haar voltooid
de genade, die haar vervolmaakt in het genieten van alle goed.
Ad tertium dicendum quod non est dubitandum quin beata virgo acceperit excellenter
et donum sapientiae, et gratiam virtutum, et etiam gratiam prophetiae, sicut habuit
Christus. Non tamen accepit ut haberet omnes usus harum et similium gratiarum, sicut
habuit Christus, sed secundum quod conveniebat conditioni ipsius. Habuit enim usum
sapientiae in contemplando, secundum illud Luc. II, Maria autem conservabat omnia
verba haec, conferens in corde suo. Non autem habuit usum sapientiae quantum ad docendum,
eo quod hoc non conveniebat sexui muliebri, secundum illud I Tim. II, docere autem
mulieri non permitto. Miraculorum autem usus sibi non competebat dum viveret, quia
tunc temporis confirmanda erat doctrina Christi miraculis; et ideo soli Christo et
eius discipulis, qui erant baiuli doctrinae Christi, conveniebat miracula facere.
Propter quod etiam de Ioanne Baptista dicitur, Ioan. X, quod signum fecit nullum,
ut scilicet omnes in Christo intenderent. Usum autem prophetiae habuit, ut patet in
cantico quod fecit, magnificat anima mea dominum. (IIIa q. 27 a. 5 ad 3)
3 — Men betwijfele niet, of de H. Maagd zowel de gave der wijsheid als de genade der wonderdaden
in verheven mate ontvangen heeft en tevens de genade der profetie, gelijk ook Christus
deze bezat. Doch zij kreeg ze niet zo, dat ze over alle uitingen van deze en dergelijke
genade-gaven kon beschikken, zoals Christus het wel kon, maar slechts voor zover dit
paste bij haar waardigheid. Van de gave der wijsheid toch maakte zij gebruik bij de
beschouwing, volgens Lucas (2, 19): « Maria echter bewaarde al deze woorden in haar
hart, en overwoog ze bij zichzelf ». Zij beschikte echter niet over de gave der wijsheid,
om als leerares op te treden, daar dit niet paste aan het vrouwelijk geslacht, blijkens
de Eerste Brief aan Timotheüs (2, 12): « Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht
geeft ». — Maar, zolang zij leefde, paste het niet, dat zij wonderen deed; omdat toen
ter tijd Christus' leer door wonderen bevestigd moest worden; en daarom kwam het uitsluitend
aan Christus toe en aan zijn leerlingen, die de onmiddellijke bedienaren van Christus'
leer waren, om wonderen te doen. Vandaar staat ook van Johannes de Doper geschreven
(Johannes, 10, 41), « dat hij geen enkel wonderteken gedaan heeft », opdat namelijk
allen gespannen zouden wezen op Christus. — Doch het gebruik der profetie bezat zij
wel, zoals blijkt uit het lied, dat zij samenstelde (Lucas, 1, 46 en vlgd.): « Mijne
ziel maakt groot de Heer ».
Articulus 6. Was het, behalve aan Christus, iets geheel eigens aan de H. Maagd in de moederschoot
geheiligd te worden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod sanctificari in utero, post Christum, proprium
fuerit beatae virginis. Dictum est enim quod propter hoc beata virgo in utero fuit
sanctificata, ut redderetur idonea ad hoc ut esset mater Dei. Sed hoc est proprium
sibi. Ergo ipsa sola fuit sanctificata in utero. (IIIa q. 27 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het, behalve aan Christus, uitsluitend toekwam aan de H. Maagd in
de moederschoot geheiligd te worden. Want, gelijk boven (5e Art., Antw. op de 2e Bed.)
werd aangegeven, is de H. Maagd juist daarom in de moederschoot geheiligd, opdat zij
geschikt zou worden gemaakt, om Gods Moeder te zijn. Doch dit komt uitsluitend aan
haar alleen toe. Derhalve werd zij alleen in de moederschoot geheiligd.
Praeterea, aliqui videntur propinquius accessisse ad Christum quam Ieremias et Ioannes
Baptista, qui dicuntur sanctificati in utero. Nam Christus specialiter dicitur filius
David et Abraham, propter promissionem eis specialiter factam de Christo. Isaias etiam
expressissime de Christo prophetavit. Apostoli etiam cum ipso Christo conversati sunt.
Nec tamen leguntur sanctificati in utero. Ergo etiam neque Ieremiae et Ioanni Baptistae
convenit sanctificari in utero. (IIIa q. 27 a. 6 arg. 2)
2 — Naar men beweert, stonden sommige personen dichter bij Christus dan Jeremias en Joannes
de Doper, van wie geschreven staat (Vgl. het tegenbewijs), dat zij in de moederschoot
geheiligd werden. Want Christus heet in heel bijzonderen zin de zoon van David en
de zoon van Abraham, om de belofte, welke bijzonder aan hen aangaande de Christus
gedaan werd. Verder Isaias, die de uitdrukkelijkste voorspellingen over Christus deed.
Tenslotte de Apostelen, die met Christus zelf omgingen. Toch lezen we niet, dat dezen
in de moederschoot geheiligd werden. Bijgevolg kwam het ook niet aan Jeremias noch
aan Joannes de Doper toe, in de moederschoot geheiligd te worden.
Praeterea, Iob de seipso dicit, Iob XXXI, ab infantia crevit mecum miseratio, et de
utero egressa est mecum. Et tamen propter hoc non dicimus eum sanctificatum in utero.
Ergo etiam neque Ioannem Baptistam et Ieremiam cogimur dicere sanctificatos in utero. (IIIa q. 27 a. 6 arg. 3)
3 — Job (31, 18) getuigt van zichzelf: « Vanaf mijn kindsheid groeide het medelijden met
mij op, en uit de schoot mijner moeder is het mij te voorschijn getreden ». Toch zeggen
we hierom niet, dat hij in de moederschoot geheiligd is. Derhalve zijn we evenmin
verplicht te houden, dat Joannes de Doper en Jeremias in de moederschoot geheiligd
zijn.
Sed contra est quod de Ieremia dicitur, Ierem. I, antequam exires de ventre, sanctificavi
te. Et de Ioanne Baptista dicitur, Luc. I, spiritu sancto replebitur adhuc ex utero
matris suae. (IIIa q. 27 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat we over Jeremias lezen (Jeremias, 1, 5): « Vóórdat
gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd ». En betreffende Joannes de
Doper lezen we (Lucas, 1, 15): « Reeds van de schoot zijner moeder af zal hij worden
vervuld van de H. Geest ».
Respondeo dicendum quod Augustinus, in epistola ad Dardanum, dubie videtur loqui de
horum sanctificatione in utero. Potuit enim exsultatio Ioannis in utero, ut ipse dicit,
esse significatio rei tantae, scilicet quod mulier esset mater Dei, a maioribus cognoscendae,
non a parvulo cognitae. Unde in Evangelio non dicitur, credidit infans in utero eius,
sed, exsultavit, videmus autem exsultationem non solum parvulorum, sed etiam pecorum
esse. Sed haec inusitata extitit, quia in utero. Et ideo, sicut solent miracula fieri,
facta est divinitus in infante, non humanitus ab infante. Quamquam, etiam si usque
adeo est in illo puero acceleratus usus rationis et voluntatis ut intra viscera materna
iam posset agnoscere, credere et consentire, ad quod in aliis parvulis aetas expectatur
ut possint, et hoc in miraculis habendum puto divinae potentiae. Sed quia expresse
in Evangelio dicitur quod spiritu sancto replebitur adhuc ex utero matris suae; et
de Ieremia expresse dicitur, antequam exires de vulva, sanctificavi te; asserendum
videtur eos sanctificatos in utero, quamvis in utero usum liberi arbitrii non habuerunt
(de quo Augustinus quaestionem movet); sicut etiam pueri qui sanctificantur per Baptismum,
non statim habent usum liberi arbitrii. Nec est credendum aliquos alios sanctificatos
esse in utero, de quibus Scriptura mentionem non facit. Quia huiusmodi privilegia
gratiae, quae dantur aliquibus praeter legem communem, ordinantur ad utilitatem aliorum,
secundum illud I Cor. XII, unicuique datur manifestatio spiritus ad utilitatem, quae
nulla proveniret ex sanctificatione aliquorum in utero, nisi Ecclesiae innotesceret.
Et quamvis iudiciorum Dei non possit ratio assignari, quare scilicet huic et non alii
hoc munus gratiae conferat, conveniens tamen videtur fuisse utrumque istorum sanctificari
in utero, ad praefigurandam sanctificationem per Christum fiendam. Primo quidem, per
eius passionem, secundum illud Heb. ult., Iesus, ut sanctificaret per suum sanguinem
populum, extra portam passus est. Quam quidem passionem Ieremias verbis et mysteriis
apertissime praenuntiavit, et suis passionibus expressissime praefiguravit. Secundo,
per Baptismum, I Cor. VI, sed abluti estis, sed sanctificati estis. Ad quem quidem
Baptismum Ioannes suo Baptismo homines praeparavit. (IIIa q. 27 a. 6 co.)
Augustinus schijnt in zijn Brief aan Dardanus weifelend te spreken over de heiliging
deze beide personen in de schoot hunner moeder. « Want schrijft hij, dit opspringen
van Joannes in de moederschoot kon de aanduiding zijn van een zo gewichtig voorval
(dat namelijk deze vrouw de moeder was van Christus), hetwelk de groteren moesten
weten, doch door het kind zelf niet geweten werd. Daarom dan ook staat er in het Evangelie
niet: « Het kind geloofde in haar schoot », maar « sprong op ». Het opspringen echter
treffen we niet alleen bij kleine kinderen aan, maar ook bij dieren. Doch in dit geval
was het iets ongewoons, wijl het in de moederschoot geschiedde. En zo is derhalve
ook, gelijk de wonderen gewoonlijk verricht worden, dit opspringen door God in het
kind verwekt, en niet menselijkerwijze door het kind zelf. Evenwel, ook indien het
gebruiken van verstand en wil in dit kind zo zeer is vervroegd, dat het reeds in de
moederschoot kon kennen, geloven en toestemmen, terwijl in andere kinderen een zekere
leeftijd moet worden afgewacht, eer zij dit kunnen, meen ik ook dit voor een wonder
te moeten houden van Gods Macht ». Maar, omdat in het Evangelie uitdrukkelijk over
Joannes gezegd wordt, dat hij « reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden
van de H. Geest », en omdat van Jeremias uitdrukkelijk geschreven staat: « Vóórdat
gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd », menen wij te moeten houden,
dat zij in de moederschoot geheiligd zijn, hoewel zij in de moederschoot nog niet
het gebruik van de vrije wil hadden (hierover gaat de moeilijkheid van Augustinus),
evenmin als de kinderen, die door het Doopsel geheiligd worden, terstond hun vrije
wil kunnen gebruiken. Toch moet men niet geloven, dat sommige anderen, van wie de
H. Schrift geen melding maakt, in de moederschoot geheiligd zijn. Want dergelijke
genade-voorrechten, die aan sommigen, buiten de gewone regel om, verleend worden,
zijn gericht op het welzijn van anderen, volgens de woorden van de Eerste Brief aan
de Korinthiërs (12, 7): « Aan ieder wordt de uiting des Geestes geschonken, om er
nut mee te stichten »; en geen enkel nut zou uit hun heiliging in de moederschoot
voortvloeien, zo de Kerk er niets van af wist. En hoewel men geen reden kan aangeven
van Gods raadsbesluiten, waarom Hij namelijk wel aan dezen dit genade-geschenk geeft
en niet aan een ander, toch lijkt het wel passend, dat zij beiden, zowel Jeremias
als Joannes, in de moederschoot geheiligd werden ter voorafbeelding van de heiliging,
die door Christus zou worden voltrokken. Op de eerste plaats namelijk door zijn lijden,
volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): « Daarom heeft ook Jezus buiten de poort
geleden, om door Zijn Bloed het volk te heiligen ». Dit lijden nu heeft Jeremias zowel
door zijn woorden als door zijn geheimzinnige handelingen het openlijkst voorspeld
en door zijn eigen lijden het uitdrukkelijkst voorafgebeeld. — Op de tweede plaats
door het Doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): « Gij zijt rein
gewas schen, gij zijt geheiligd ». Op dit Doopsel nu heeft Joannes de mensen door
zijn doopsel voorbereid.
Ad primum ergo dicendum quod beata virgo, quae fuit a Deo electa in matrem, ampliorem
sanctificationis gratiam obtinuit quam Ioannes Baptista et Ieremias, qui sunt electi
ut speciales praefiguratores sanctificationis Christi. Cuius signum est quod beatae
virgini praestitum est ut de cetero non peccaret mortaliter nec venialiter, aliis
autem sanctificatis creditur praestitum esse ut de cetero non peccarent mortaliter,
divina eos gratia protegente. (IIIa q. 27 a. 6 ad 1)
1 — De H. Maagd, die door God tot moeder was uitverkoren, verkreeg een grotere heiligingsgenade
dan Joannes de Doper en Jeremias, die waren uitverkoren tot bijzondere voorafbeelders
van de heiligmaking door Christus. En het teken hiervan is, dat aan de H. Maagd verleend
werd, dat zij later niet zondigde, m.a.w. geen doodszonde noch dagelijkse zonde bedreef;
wat de overige geheiligden betreft, gelooft men, dat hun verleend werd, dat zij later
geen doodszonde bedreven, daar de Goddelijke genade hen beschermde.
Ad secundum dicendum quod quantum ad alia potuerunt sancti esse Christo coniunctiores
quam Ieremias et Ioannes Baptista. Qui tamen fuerunt ei coniunctissimi quantum ad
expressam figuram sanctificationis ipsius, ut dictum est. (IIIa q. 27 a. 6 ad 2)
2 — In andere punten konden de heiligen meer met Christus verbonden zijn dan Jeremias
en Johannes de Doper. Maar dezen stonden het dichtst bij Hem als de uitdrukkelijke
voorafbeelders der door Hem voltrokken heiligmaking, gelijk boven werd uiteengezet
(Vgl. de Leerstelling en het Antw. op de eerste Bedenking).
Ad tertium dicendum quod miseratio de qua Iob loquitur, non significat virtutem infusam,
sed quandam inclinationem naturalem ad actum huius virtutis. (IIIa q. 27 a. 6 ad 3)
3 — Het medelijden, waarover Job spreekt, betekent geen ingestorte deugd, maar een zekere
natuurlijke neiging tot de daad van deze deugd.