Tertia Pars. Quaestio 9. Over Christus' wetenschap in het algemeen .
Prooemium
Deinde considerandum est de scientia Christi. Circa quam duo consideranda sunt, primo,
quam scientiam Christus habuerit; secundo, de unaquaque scientiarum ipsius. Circa
primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum Christus habuerit aliquam scientiam praeter
divinam. Secundo, utrum habuerit scientiam quam habent beati vel comprehensores. Tertio,
utrum habuerit scientiam inditam vel infusam. Quarto, utrum habuerit aliquam scientiam
acquisitam. (IIIa q. 9 pr.)
(Vier Artikelen.) Hierna moet de wetenschap van Christus behandeld worden. Het bespreken
hiervan omvat twee dingen: ten eerste welke wetenschap Hij bezat; ten tweede over
iedere wetenschap, die Hij had, afzonderlijk. Over het eerste punt stellen wij ons
vier vragen: 1. Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke? 2. Had Hij
de wetenschap, die zij bezitten die de zaligheid hebben bereikt? 3. Had Hij een ingestorte
of ingegeven wetenschap? 4. Had Hij een verworven of aangeleerde wetenschap?
Articulus 1. Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod in Christo non fuerit aliqua scientia praeter
divinam. Ad hoc enim necessaria est scientia ut per eam aliqua cognoscantur. Sed Christus
per scientiam divinam cognoscebat omnia. Superfluum igitur fuisset quod in eo esset
quaedam alia scientia. (IIIa q. 9 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus geen andere wetenschap had dan de goddelijke. Want wetenschap
is hierom nodig, dat iets erdoor gekend wordt. Nu kende Christus alles door de goddelijke
wetenschap. Dus zou het overbodig zijn geweest, als er een andere wetenschap in Hem
was.
Praeterea, lux minor per maiorem offuscatur. Sed omnis scientia creata comparatur
ad scientiam Dei increatam sicut lux minor ad maiorem. Ergo in Christo non refulsit
alia scientia quam divina. (IIIa q. 9 a. 1 arg. 2)
2 — Het zwakkere licht wordt door het grotere verduisterd. Nu verhoudt iedere geschapen
wetenschap zich tot Gods ongeschapen wetenschap als een zwakker licht tot het sterkere.
Dus werd Christus door geen andere wetenschap dan de goddelijke verlicht.
Praeterea, unio humanae naturae ad divinam facta est in persona, ut ex supra dictis
patet. Ponitur autem in Christo, secundum quosdam, quaedam scientia unionis, per quam
scilicet Christus ea quae ad mysterium incarnationis pertinent plenius scivit quam
aliquis alius. Cum ergo unio personalis contineat duas naturas, videtur quod in Christo
non sint duae scientiae, sed una tantum scientia pertinens ad utramque naturam. (IIIa q. 9 a. 1 arg. 3)
3 — De vereniging van de menselijke en de goddelijke natuur geschiedde in persoon, zoals
boven is gezegd (2° Kw., 2° Art.). Nu nemen sommigen in Christus een wetenschap der
vereniging aan, waardoor Christus alles wat het geheim der menswording samenhangt,
dieper doorgrondde dan iedere ander. Omdat nu de vereniging in persoon de beide naturen
omvat, schijnen er in Christus geen twee wetenschappen te zijn, maar slechts een,
die tot beide naturen behoort.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de incarnatione, Deus in carne perfectionem
humanae naturae assumpsit, suscepit sensum hominis, sed non sensum carnis inflatum.
Sed ad sensum hominis pertinet scientia creata. Ergo in eo fuit alia scientia praeter
divinam. (IIIa q. 9 a. 1 s. c.)
Hier staat echter tegenover, wat Ambrosius in het boek Over de menswording zegt (7e
H.): « In het vlees nam God de volmaaktheden der menselijke natuur aan; Hij nam de
menselijke kennis aan, maar niet de opgeblazen kennis van het vlees ». En nu behoort
de geschapen wetenschap tot de menselijke kennis. Dus was er in Hem nog een andere
wetenschap dan de goddelijke.
Respondeo dicendum quod, sicut ex supra dictis patet, filius Dei humanam naturam integram
assumpsit, idest, non corpus solum, sed etiam animam; non solum sensitivam, sed etiam
rationalem. Et ideo oportuit quod haberet scientiam creatam, propter tria. Primo quidem,
propter animae perfectionem. Anima enim, secundum se considerata, est in potentia
ad intelligibilia cognoscenda, est enim sicut tabula in qua nihil est scriptum; et
tamen possibile est in ea scribi, propter intellectum possibilem, in quo est omnia
fieri, ut dicitur in III de anima. Quod autem est in potentia, est imperfectum nisi
reducatur ad actum. Non autem fuit conveniens ut filius Dei humanam naturam imperfectam
assumeret, sed perfectam, utpote qua mediante, totum humanum genus erat ad perfectum
reducendum. Et ideo oportuit quod anima Christi esset perfecta per aliquam scientiam,
quae esset proprie perfectio eius. Et ideo oportuit in Christo esse aliquam scientiam
praeter scientiam divinam. Alioquin anima Christi esset imperfectior omnibus animabus
aliorum hominum. Secundo quia, cum quaelibet res sit propter suam operationem, ut
dicitur in II de caelo et mundo, frustra haberet Christus animam intellectualem, si
non intelligeret secundum illam. Quod pertinet ad scientiam creatam. Tertio, quia
aliqua scientia creata pertinet ad animae humanae naturam, scilicet illa per quam
naturaliter cognoscimus prima principia, scientiam enim hic large accipimus pro qualibet
cognitione intellectus humani. Nihil autem naturalium Christo defuit, quia totam humanam
naturam suscepit, ut supra dictum est. Et ideo in sexta synodo damnata est positio
negantium in Christo duas esse scientias, vel duas sapientias. (IIIa q. 9 a. 1 co.)
Zoals uit het boven gezegde blijkt (5e Kw.), nam Gods Zoon een volledige menselijke
natuur aan, dwz. niet alleen een lichaam, maar ook een ziel, en niet alleen de zintuiglijke,
maar ook de redelijke. En daarom moest Hij om drie redenen de geschapen wetenschap
bezitten. Ten eerste om wille van de volmaaktheid der ziel. Want de ziel heeft op
zichzelf beschouwd het vermogen om wat begrepen kan worden te kennen, want zij is
« als een schrijfbord, waarop niets geschreven is », en toch kan erop geschreven worden
om het ontvangend verstand, « waarin het vermogen is alles te worden », zoals in het
3e boek Over de Ziel wordt gezegd (4e H. n. 2; 5e H., n. 1). Maar wat een vermogen
heeft, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. En nu paste
het niet, dat Gods Zoon een onvolmaakte menselijke natuur aannam, maar een volmaakte;
omdat door middel van haar het gehele menselijke geslacht tot volmaaktheid moest worden
gebracht. En dus moest Christus' ziel door een wetenschap vervolmaakt worden, omdat
die haar eigen volmaaktheid is. En daarom moest Christus nog een andere wetenschap
hebben naast de goddelijke. Anders zou Christus' ziel onvolmaakter zijn geweest dan
alle andere zielen van mensen. Ten tweede omdat Christus, daar « ieder ding bestaat
om zijn werkzaamheid », zoals in het 2e boek Over Hemel en Aarde gezegd wordt (3e
H. n. 1), een nutteloze redelijke ziel had gehad, als Hij niet door haar had begrepen.
En dat valt onder de geschapen wetenschap. Ten derde omdat een soort geschapen wetenschap
behoort tot de natuur van de menselijke ziel, nl. die, waardoor wij van nature de
eerste beginselen kennen; want wij nemen wetenschap hier in brede zin voor iedere
kennis van het menselijke verstand. Nu miste Christus niets, wat tot de natuur behoort,
omdat Hij, zoals boven werd gezegd (5° Kw.), de gehele menselijke natuur aannam. Daarom
is op de zesde Kerkvergadering de stelling van hen veroordeeld, die ontkenden, dat
er in Christus twee wetenschappen of twee wijsheden waren.
Ad primum ergo dicendum quod Christus cognovit omnia per scientiam divinam operatione
increata, quae est ipsa Dei essentia, Dei enim intelligere est sua substantia, ut
probatur in XII Metaphys. Unde hic actus non potuit esse animae humanae Christi, cum
sit alterius naturae. Si igitur non fuisset in anima Christi alia scientia praeter
divinam, nihil cognovisset. Et ita frustra fuisset assumpta, cum res sit propter suam
operationem. (IIIa q. 9 a. 1 ad 1)
1 — Christus kende door de goddelijke wetenschap alles met een ongeschapen daad, die Gods
Wezen zelf is; want Gods begrijpen is Zijn zelfstandigheid, zoals in het 12e boek
Over de Metaphysiek bewezen wordt. Daarom kon dit geen daad zijn van Christus’ menselijke
ziel, omdat zij van een andere natuur is. Was er dus in Christus’ ziel geen andere
wetenschap naast de goddelijke, dan zou zij niets hebben gekend. En zo zou zij zonder
nut aangenomen zijn, omdat « een ding bestaat om zijn werkzaamheid ».
Ad secundum dicendum quod, si duo lumina accipiantur eiusdem ordinis, minus offuscatur
per maius, sicut lumen solis offuscat lumen candelae, quorum utrumque accipitur in
ordine illuminantis. Sed si accipiatur maius in ordine illuminantis et minus in ordine
illuminati, minus lumen non offuscatur per maius, sed magis augetur, sicut lumen aeris
per lumen solis. Et hoc modo lumen scientiae non offuscatur, sed clarescit in anima
Christi per lumen scientiae divinae, quae est lux vera illuminans omnem hominem venientem
in hunc mundum, ut dicitur Ioan. I. (IIIa q. 9 a. 1 ad 2)
2 — Als wij spreken over twee lichtbronnen in dezelfde orde, dan wordt het zwakkere verduisterd
door het sterkere, zoals het zonlicht het licht van een kaars verduistert, welke beide
genomen worden als lichtbronnen. Maar als men het sterkere kiest onder de bronnen
van licht en het zwakkere onder de dingen, die verlicht worden, wordt het mindere
licht niet verduisterd door het grotere, maar eerder versterkt zoals het licht van
de lucht door het licht van de zon. En zo wordt het licht der wetenschap in Christus’
ziel niet verduisterd, maar versterkt door het licht van de goddelijke wetenschap,
die « het ware licht is, dat alle mensen verlicht, die in de wereld komen », zoals
bij Johannes wordt gezegd (1, 9).
Ad tertium dicendum quod, ex parte unitorum, ponitur scientia in Christo et quantum
ad naturam divinam et quantum ad humanam, ita quod per unionem, secundum quam est
eadem hypostasis Dei et hominis, id quod est Dei attribuitur homini, et id quod est
hominis attribuitur Deo, ut supra dictum est. Sed ex parte ipsius unionis non potest
poni in Christo aliqua scientia. Nam unio illa est ad esse personale, scientia autem
non convenit personae nisi ratione alicuius naturae. (IIIa q. 9 a. 1 ad 3)
3 — Van de kant van wat verenigd wordt, nemen wij in Christus een wetenschap aan, en wat
de goddelijke, en wat de menselijke natuur betreft, zodat door de vereniging, waardoor
er één hypostase van God en mens is, wat van God is aan de mens, en wat van de mens
is aan God wordt toegeschreven, zoals boven gezegd is (3° Kw., 6° Art., Antw. op de
3° B.). Maar van de kant der vereniging zelf kan men in Christus geen wetenschap aannemen.
Want die vereniging richt zich op het persoonlijke zijn, maar wetenschap komt aan
een persoon niet toe, tenzij om een natuur.
Articulus 2. Was de wetenschap van hen, die de zaligheid bereikt hebben, in Christus?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in Christo non fuerit scientia beatorum vel
comprehensorum. Scientia enim beatorum est per participationem divini luminis, secundum
illud Psalmi, in lumine tuo videbimus lumen. Sed Christus non habuit lumen divinum
tanquam participatum, sed ipsam divinitatem in se habuit substantialiter manentem,
secundum illud Coloss. II, in ipso habitat omnis plenitudo divinitatis corporaliter.
Ergo in ipso non fuit scientia beatorum. (IIIa q. 9 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de wetenschap van hen die de zaligheid bereikt hebben, niet in Christus
was. Want de zaligen hebben hun wetenschap door deel te hebben aan het goddelijk licht
volgens het Psalmwoord (Ps. 35, 10): « In Uw licht zullen wij het licht zien ». Nu
had Christus het goddelijk licht niet door deelhebbing, maar Hij had de godheid zelf
zelfstandig in Hem blijvend volgens het woord uit de Brief aan de Colossensen (2,
9): « In Hem woont de gehele volheid der godheid lichamelijk ». Dus was de wetenschap
der zaligen niet in Hem.
Praeterea, scientia beatorum eos beatos facit, secundum illud Ioan. XVII, haec est
vita aeterna, ut cognoscant te, verum Deum, et quem misisti, Iesum Christum. Sed homo
ille fuit beatus ex hoc ipso quod fuit Deo unitus in persona, secundum illud Psalmi,
beatus quem elegisti et assumpsisti. Non ergo oportet ponere in ipso scientiam beatorum. (IIIa q. 9 a. 2 arg. 2)
2 — De wetenschap der zaligen maakt hen zalig, volgens het woord van Johannes (17, 3):
« Dit is het eeuwige leven, dat zij U, de waren God kennen en Jezus Christus, die
Gij gezonden hebt ». Maar deze mens was hierdoor zalig, dat Hij met God in persoon
verenigd was volgens het Psalmwoord (Ps. 44, 5): « Zalig degene, die Gij hebt uitgekozen
en aangenomen ». Dus moet men de wetenschap der zaligen niet in Hem aannemen.
Praeterea, duplex scientia homini competit, una secundum suam naturam; alia supra
suam naturam. Scientia autem beatorum, quae in divina visione consistit, non est secundum
naturam hominis, sed supra eius naturam. In Christo autem fuit alia supernaturalis
scientia multo fortior et altior, scilicet scientia divina. Non igitur oportuit in
Christo esse scientiam beatorum. (IIIa q. 9 a. 2 arg. 3)
3 — Een tweevoudige wetenschap komt de mens toe: een volgens zijn natuur en een boven
zijn natuur. Nu is de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat,
niet volgens, maar boven de menselijke natuur. Maar in Christus was er een andere,
veel sterkere en hogere bovennatuurlijke wetenschap, nl. de goddelijke wetenschap.
Dus moest de wetenschap der zaligen niet in Christus zijn.
Sed contra, scientia beatorum in Dei visione vel cognitione consistit. Sed ipse plene
cognovit Deum, etiam secundum quod homo, secundum illud Ioan. VIII, scio eum, et sermonem
eius servo. Ergo in Christo fuit scientia beatorum. (IIIa q. 9 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de wetenschap der zaligen in het aanschouwen of kennen
van God bestaat. Nu kende Hij, zelfs in zover Hij mens was, God volkomen, volgens
het woord van Johannes (8, 55): « Ik ken Hem en bewaar zijn woord ». Dus was de wetenschap
der zaligen in Christus.
Respondeo dicendum quod illud quod est in potentia, reducitur in actum per id quod
est actu, oportet enim esse calidum id per quod alia calefiunt. Homo autem est in
potentia ad scientiam beatorum, quae in visione Dei consistit, et ad eam ordinatur
sicut ad finem, est enim creatura rationalis capax illius beatae cognitionis, inquantum
est ad imaginem Dei. Ad hunc autem finem beatitudinis homines reducuntur per Christi
humanitatem, secundum illud Heb. II, decebat eum propter quem omnia et per quem omnia,
qui multos filios in gloriam adduxerat, auctorem salutis eorum per passionem consummari.
Et ideo oportuit quod cognitio ipsa in Dei visione consistens excellentissime Christo
homini conveniret, quia semper causam oportet esse potiorem causato. (IIIa q. 9 a. 2 co.)
Wat iets kan zijn, wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door datgene wat daadwerkelijk
iets is; want datgene waardoor iets anders verwarmd wordt, moet zelf warm zijn. Nu
kan de mens de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, bezitten,
en hij is erop gericht als op zijn einddoel; want hij is een redelijk schepsel, dat
die zalige kennis kan krijgen in zover hij naar Gods beeld is gemaakt. Nu worden de
mensen door Christus’ mensheid tot dit zalige einddoel gebracht volgens de Brief aan
de Hebreeën (2, 10): « Het lag voor de hand, dat Hij, om wie en door wie alles bestaat,
en die vele zonen tot heerlijkheid brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden
tot heerlijkheid zou brengen ». En dus moest diezelfde kennis, die in het aanschouwen
van God bestaat, zo uitstekend mogelijk aan Christus’ mensheid toekomen; want de oorzaak
moet altijd sterker zijn dan wat veroorzaakt wordt.
Ad primum ergo dicendum quod divinitas unita est humanitati Christi secundum personam,
et non secundum naturam vel essentiam, sed cum unitate personae remanet distinctio
naturarum. Et ideo anima Christi, quae est pars humanae naturae, per aliquod lumen
participatum a natura divina perfecta est ad scientiam beatam, qua Deus per essentiam
videtur. (IIIa q. 9 a. 2 ad 1)
1 — De godheid is met Christus’ mensheid in persoon en niet in natuur of wezen verenigd;
maar bij de eenheid van persoon bleef het verschil der naturen. En dus kreeg Christus’
ziel, die een deel van de menselijke natuur is, door deelhebbing aan het licht van
de goddelijke natuur, haar volmaaktheid in de wetenschap der zaligen, waardoor God
naar zijn wezen wordt gezien.
Ad secundum dicendum quod ex ipsa unione homo ille est beatus beatitudine increata,
sicut ex unione est Deus. Sed praeter beatitudinem increatam, oportuit in natura humana
Christi esse quandam beatitudinem creatam, per quam anima eius in ultimo fine humanae
naturae constitueretur. (IIIa q. 9 a. 2 ad 2)
2 — Door de vereniging zelf is die mens in een ongeschapen geluk zalig, zoals hij God
is door de vereniging. Maar buiten de ongeschapen zaligheid moet er in Christus’ ziel
een geschapen zaligheid zijn, waardoor zijn ziel het laatste einddoel van de menselijke
natuur bereikt.
Ad tertium dicendum quod visio seu scientia beata est quodammodo supra naturam animae
rationalis, inquantum scilicet propria virtute ad eam pervenire non potest. Alio vero
modo est secundum naturam ipsius, inquantum scilicet per naturam suam est capax eius,
prout scilicet ad imaginem Dei facta est, ut supra dictum est. Sed scientia increata
est omnibus modis supra naturam animae humanae. (IIIa q. 9 a. 2 ad 3)
3 — De zalige kennis of wetenschap is in zekere zin boven de natuur van de redelijke ziel,
in zover zij door eigen kracht niet daartoe komen kan. Maar op een andere manier is
zij volgens haar natuur, in zover zij naar de natuur het vermogen er te komen heeft,
omdat zij namelijk naar Gods beeld geschapen is, zoals boven werd gezegd (in de Leerstelling).
Maar de ongeschapen wetenschap is in alle opzichten boven de menselijke natuur.
Articulus 3. Had Christus nog een andere ingestorte wetenschap behalve die der zaligen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in Christo non sit alia scientia indita, praeter
scientiam beatam. Omnis enim alia scientia creata comparatur ad scientiam beatam sicut
imperfectum ad perfectum. Sed, praesente perfecta cognitione, excluditur cognitio
imperfecta, sicut manifesta visio faciei excludit aenigmaticam visionem fidei ut patet
I Cor. XIII. Cum igitur in Christo fuerit scientia beata, ut dictum est, videtur quod
non potuerit in eo alia esse scientia indita. (IIIa q. 9 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in Christus geen andere ingestorte wetenschap was dan die der
zaligen. Want iedere andere geschapen wetenschap verhoudt zich tot die der zaligen
als het onvolmaakte tot het volmaakte. Maar als de volmaakte wetenschap aanwezig is,
is de onvolmaakte uitgesloten, zoals het duidelijk aanschouwen van aanschijn tot aanschijn
het zien in raadsels van het geloof uitsluit, zoals uit de Eerste Korinthiërsbrief
(13, 10 en 12) blijkt. Daar nu, zoals gezegd werd (vorig artikel), de wetenschap der
zaligen in Christus was, schijnt het, dat er geen andere ingestorte wetenschap in
Hem kon zijn.
Praeterea, imperfectior modus cognitionis disponit ad perfectiorem sicut opinio, quae
est per syllogismum dialecticum, disponit ad scientiam, quae est per syllogismum demonstrativum.
Habita autem perfectione, non est ulterius necessaria dispositio, sicut, habito termino,
non est necessarius motus. Cum igitur cognitio quaecumque alia creata comparetur ad
cognitionem beatam sicut imperfectum ad perfectum, et sicut dispositio ad terminum,
videtur quod, cum Christus habuerit cognitionem beatam, quod non fuerit ei necessarium
habere aliam cognitionem. (IIIa q. 9 a. 3 arg. 2)
2 — De onvolmaakte wijze van kennen is een voorbereiding voor de meer volmaakte, zoals
een mening, die door een dialectisch syllogisme ontstaat, tot de wetenschap voorbereidt,
die door een inzichtgevend syllogisme gegeven wordt. Heeft men nu de volmaaktheid,
dan is de voorbereiding niet langer noodzakelijk, zoals de beweging niet meer nodig
is, als het doel is bereikt. Omdat nu iedere andere geschapen kennis zich tot de wetenschap
der zaligen verhoudt als het onvolmaakte tot het volmaakte en als een voorbereiding
tot het doel, schijnt het, dat Christus, omdat Hij de zalige wetenschap bezat, aan
een andere kennis geen behoefte meer had.
Praeterea, sicut materia corporalis est in potentia ad formam sensibilem, ita intellectus
possibilis est in potentia ad formam intelligibilem. Sed materia corporalis non potest
simul recipere duas formas sensibiles, unam perfectiorem et aliam minus perfectam.
Ergo nec anima potest simul recipere duplicem scientiam, unam perfectiorem et aliam
minus perfectam. Et sic idem quod prius. (IIIa q. 9 a. 3 arg. 3)
3 — Zoals de stoffelijke materie het vermogen heeft om de onder de zintuigen vallende
vorm te ontvangen, zo heeft het ontvangend verstand het vermogen om de begripsvorm
te ontvangen. Nu kan de lichamelijke stof geen twee onder de zintuigen vallende vormen,
een meer volmaakte en een minder volmaakte, tegelijk ontvangen. Dus kan ook de ziel
niet tegelijk een dubbele wetenschap opnemen, een meer volmaakte en een minder volmaakte.
En zo volgt hetzelfde als tevoren.
Sed contra est quod dicitur Coloss. II, quod in Christo sunt omnes thesauri sapientiae
et scientiae absconditi. (IIIa q. 9 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, wat in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd (2, 3):
« In Christus zijn alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen ».
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, decebat quod natura humana assumpta a verbo
Dei, imperfecta non esset. Omne autem quod est in potentia, est imperfectum nisi reducatur
ad actum. Intellectus autem possibilis humanus est in potentia ad omnia intelligibilia.
Reducitur autem ad actum per species intelligibiles, quae sunt formae quaedam completivae
ipsius, ut patet ex his quae dicuntur in III de anima. Et ideo oportet in Christo
scientiam ponere inditam, inquantum per verbum Dei animae Christi, sibi personaliter
unitae, impressae sunt species intelligibiles ad omnia ad quae est intellectus possibilis
in potentia, sicut etiam per verbum Dei impressae sunt species intelligibiles menti
angelicae in principio creationis rerum, ut patet per Augustinum, super Gen. ad Litt.
Et ideo, sicut in Angelis, secundum eundem Augustinum, ponitur duplex cognitio, una
scilicet matutina, per quam cognoscunt res in verbo, et alia vespertina, per quam
cognoscunt res in propria natura per species sibi inditas; ita, praeter scientiam
divinam increatam, est in Christo, secundum eius animam, scientia beata, qua cognoscit
verbum et res in verbo; et scientia indita sive infusa, per quam cognoscit res in
propria natura per species intelligibiles humanae menti proportionatas. (IIIa q. 9 a. 3 co.)
Zoals gezegd is (1° Art.), was het niet gepast, dat de door Gods Woord aangenomen
menselijke natuur onvolmaakt zou zijn. Alles nu, wat iets kan zijn, is onvolmaakt
tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Nu heeft het menselijke ontvangende
verstand het vermogen om alle begrijpbare dingen op te nemen. En het wordt tot daadwerkelijkheid
gebracht door het verstandskenbeeld, dat een soort vervolmakende vorm ervan is, zoals
blijkt uit wat in het 3° boek Over de Ziel (8° H. n. 1 en 2) wordt gezegd. En dus
moet men in Christus een ingegeven wetenschap aannemen in zover door Gods Woord in
Christus’ ziel, die in persoon ermee verenigd is, verstandskenbeelden zijn ingedrukt
voor alle dingen, die het ontvangende verstand begrijpen kan, zoals ook de verstandskenbeelden
door Gods Woord vanaf het begin van de schepping der dingen in het verstand der Engelen
zijn ingedrukt, zoals Augustinus bewijst in het Letterlijke Commentaar op het Boek
der Schepping (2° B., 8° H.). En daarom vinden wij, zoals door dezelfde Augustinus
(t. a. p., 4° B., 22° H.) bij de Engelen een dubbele kennis wordt aangenomen, nl.
een « van de ochtend », waarmee zij de dingen kennen in het Woord, en een andere «
van de avond », waardoor zij de dingen in hun eigen natuur kennen door de hun ingegeven
kenbeelden, ook in Christus naast de ongeschapen goddelijke wetenschap, in zijn ziel
de wetenschap der zaligen, waardoor Hij het Woord kent en de dingen in het Woord,
en de ingegeven of ingestorte kennis, waardoor Hij de dingen kent in hun eigen natuur
door verstandskenbeelden, die passen bij het menselijke verstand.
Ad primum ergo dicendum quod visio imperfecta fidei in sui ratione includit oppositum
manifestae visionis, eo quod de ratione fidei est ut sit de non visis, ut in secunda
parte habitum est. Sed cognitio quae est per species inditas, non includit aliquid
oppositum cognitionis beatae. Et ideo non est eadem ratio utrobique. (IIIa q. 9 a. 3 ad 1)
1 — Het onvolmaakte zien van het geloof bevat iets, dat met de duidelijke aanschouwing
strijdt, omdat het namelijk tot de aard van het geloof behoort zich op ongeziene dingen
te betrekken, zoals in het tweede deel is behandeld (IIa-IIae, 1e Kw., 4e Art.); maar
de kennis door ingestorte kenbeelden sluit niets in, dat met de zalige kennis strijdt.
En dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
Ad secundum dicendum quod dispositio se habet ad perfectionem dupliciter, uno modo,
sicut via ducens in perfectionem; alio modo, sicut effectus a perfectione procedens.
Per calorem enim disponitur materia ad suscipiendum formam ignis, qua tamen adveniente,
calor non cessat, sed remanet quasi quidam effectus talis formae. Et similiter opinio,
ex syllogismo dialectico causata, est via ad scientiam, quae per demonstrationem acquiritur,
qua tamen acquisita, potest remanere cognitio quae est per syllogismum dialecticum,
quasi consequens scientiam demonstrativam quae est per causam; quia ille qui cognoscit
causam, ex hoc etiam magis potest cognoscere signa probabilia, ex quibus procedit
dialecticus syllogismus. Et similiter in Christo simul cum scientia beatitudinis manet
scientia indita, non quasi via ad beatitudinem, sed quasi per beatitudinem confirmata. (IIIa q. 9 a. 3 ad 2)
2 — De voorbereiding heeft een dubbele verhouding tot het volmaakte: ten eerste als weg,
die naar de volmaaktheid leidt, en ten tweede als iets, wat uit de volmaaktheid volgt.
Want door de warmte wordt de stof geschikt gemaakt om de vuurvorm te ontvangen; maar
als die komt, verdwijnt de warmte niet, maar blijft als een gevolg van die vorm. En
op dezelfde manier is een mening, die uit een dialectische redenering ontstaat, een
weg tot de wetenschap, maar heeft men deze, dan kan de kennis, die door het dialectische
syllogisme is ontstaan, blijven als een gevolg van de wetenschap, die doorslaggevend
aantoont uit de oorzaken; want wie de oorzaak kent, kan zelfs nog beter de waarschijnlijke
tekenen kennen, waar het dialectische syllogisme van uitgaat. En zo blijft ook in
Christus de ingestorte kennis tegelijk met de wetenschap der zaligen, niet als een
weg, die tot de zaligheid leidt, maar door de zaligheid bevestigd.
Ad tertium dicendum quod cognitio beata non fit per speciem quae sit similitudo divinae
essentiae, vel eorum quae in divina essentia cognoscuntur, ut patet ex his quae in
prima parte dicta sunt, sed talis cognitio est ipsius divinae essentiae immediate,
per hoc quod ipsa essentia divina unitur menti beatae sicut intelligibile intelligenti.
Quae quidem essentia divina est forma excedens proportionem cuiuslibet creaturae.
Unde nihil prohibet quin, cum hac forma superexcedente, simul insint rationali menti
species intelligibiles proportionatae suae naturae. (IIIa q. 9 a. 3 ad 3)
3 — De kennis der zaligen geschiedt niet door middel van een kenbeeld; dat een gelijkenis
is van het goddelijke wezen, of van wat in het goddelijke wezen gekend wordt, zoals
uit het eerste deel (12e Kw., 2e en 9e Art.) blijkt; maar deze kennis bereikt het
goddelijk wezen zelf onmiddellijk, doordat het goddelijk wezen zelf onmiddellijk met
het zalig verstand verenigd wordt als het begrijpbare met hem, die begrijpt. Nu is
dit goddelijk wezen een vorm, die de verhoudingen van iedere schepsel overtreft. Dus
is er niets op tegen, dat er tegelijk met deze overtreffende vorm in het redelijk
verstand andere kenbeelden zijn, die aan zijn natuur beantwoorden.
Articulus 4. Was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod in Christo non fuerit aliqua scientia experimentalis
acquisita. Quidquid enim Christo conveniens fuit, excellentissime habuit. Sed Christus
non habuit excellentissime scientiam acquisitam, non enim institit studio litterarum,
quo perfectissime scientia acquiritur; dicitur enim Ioan. VII, mirabantur Iudaei,
dicentes, quomodo hic litteras scit, cum non didicerit? Ergo videtur quod in Christo
non fuerit aliqua scientia acquisita. (IIIa q. 9 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in Christus geen door ondervinding verkregen wetenschap was. Want
wat aan Christus paste, had Hij op de meest uitstekende manier. Maar de verkregen
wetenschap had Hij niet zo uitstekend mogelijk, omdat Hij zich niet op de studie der
geschriften toelegde, waardoor de wetenschap zo volmaakt mogelijk verkregen wordt;
want bij Johannes wordt gezegd (7, 15): « De Joden verwonderden zich en zeiden: «
Hoe kent deze de geschriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? » Dus schijnt er in
Christus geen aangeleerde wetenschap te zijn geweest.
Praeterea, ei quod est plenum, non potest aliquid superaddi. Sed potentia animae Christi
fuit impleta per species intelligibiles divinitus inditas, ut dictum est. Non ergo
potuerunt supervenire eius animae aliquae species acquisitae. (IIIa q. 9 a. 4 arg. 2)
2 — Aan wat vol is, kan niets toegevoegd worden. Maar het vermogen van Christus’ ziel
was vol met de door God ingestorte kenbeelden, zoals gezegd is (vorig artikel). Dus
konden er in zijn ziel geen verworven kenbeelden meer bijkomen.
Praeterea, in eo qui iam habitum scientiae habet, per ea quae a sensu accipit, non
acquiritur novus habitus, quia sic duae formae eiusdem speciei simul essent in eodem,
sed habitus qui prius inerat, confirmatur et augetur. Cum ergo Christus habuerit habitum
scientiae inditae, non videtur quod per ea quae sensu percepit, aliquam aliam scientiam
acquisierit. (IIIa q. 9 a. 4 arg. 3)
3 — Wie de gewoonte der wetenschap reeds bezit, krijgt door wat hij van de zintuigen ontvangt,
geen nieuwe gewoonte, want dan zouden er in dezelfde persoon twee vormen van dezelfde
soort zijn; maar de gewoonte, die er reeds was, wordt groter en sterker. Omdat nu
Christus reeds de gewoonte bezat der ingestorte wetenschap, schijnt het, dat Hij geen
andere wetenschap kreeg door wat Hij met de zintuigen waarnam.
Sed contra est quod Heb. V dicitur, cum esset filius Dei, didicit ex his quae passus
est, obedientiam, Glossa, idest, expertus est. Fuit ergo in Christo aliqua experimentalis
scientia, quae est scientia acquisita. (IIIa q. 9 a. 4 s. c.)
Maar hiertegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (5, 8): « Hoewel Hij Gods
Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid door wat Hij leed », en de Glossa zegt erbij:
« Dit betekent: leerde Hij door ondervinding ». Dus was er in Christus een door ondervinding
verkregen wetenschap, en dat is een aangeleerde wetenschap.
Respondeo dicendum quod, sicut ex supra dictis patet, nihil eorum quae Deus in nostra
natura plantavit, defuit humanae naturae assumptae a verbo Dei. Manifestum est autem
quod in humana natura Deus plantavit non solum intellectum possibilem, sed etiam intellectum
agentem. Unde necesse est dicere quod in anima Christi non solum intellectus possibilis,
sed etiam intellectus agens fuerit. Si autem in aliis Deus et natura nihil frustra
fecerunt, ut philosophus dicit, in I de caelo et mundo, multo minus in anima Christi
aliquid fuit frustra. Frustra autem est quod non habet propriam operationem, cum omnis
res sit propter suam operationem, ut dicitur in II de caelo et mundo. Propria autem
operatio intellectus agentis est facere species intelligibiles actu, abstrahendo eas
a phantasmatibus, unde dicitur in III de anima quod intellectus agens est quo est
omnia facere. Sic igitur necesse est dicere quod in Christo fuerunt aliquae species
intelligibiles per actionem intellectus agentis in intellectu possibili eius receptae.
Quod est esse in ipso scientiam acquisitam, quam quidam experimentalem nominant. Et
ideo, quamvis aliter alibi scripserim, dicendum est in Christo scientiam acquisitam
fuisse. Quae proprie est scientia secundum modum humanum, non solum ex parte recipientis
subiecti, sed etiam ex parte causae agentis, nam talis scientia ponitur in Christo
secundum lumen intellectus agentis, quod est humanae naturae connaturale. Scientia
autem infusa attribuitur animae humanae secundum lumen desuper infusum, qui modus
cognoscendi est proportionatus naturae angelicae. Scientia vero beata, per quam ipsa
Dei essentia videtur, est propria et connaturalis soli Deo, ut in prima parte dictum
est. (IIIa q. 9 a. 4 co.)
Zoals uit het bovengezegde (4° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B., en 5° Kw.) blijkt,
ontbrak er niets van al datgene « wat God in onze natuur geplant heeft » aan de menselijke
natuur, die door Gods Woord werd aangenomen. Nu is het duidelijk, dat God in de menselijke
natuur niet alleen het ontvangende, maar ook het werkende verstand geplant heeft.
Dus moet men zeggen, dat er in Christus' ziel niet alleen een ontvangend, maar ook
een werkend verstand was. Maar als « God en de natuur niets zonder nut doen » bij
de andere dingen, zoals de Filosoof zegt in het 1° boek Over Hemel en Aarde (4° H.
n. 8), was er nog veel minder in Christus' ziel iets nutteloos. Nu is datgene nutteloos,
wat geen eigen werkzaamheid heeft, omdat « alle dingen bestaan om hun werkzaamheid
», zoals wordt gezegd in het 2° boek Over Hemel en Aarde (3° H. n. 1). Nu is het de
eigen werkzaamheid van het werkende verstand, de verstandsbeelden daadwerkelijk te
doen bestaan, door hen te abstraheren uit de beelden der fantasie; daarom wordt in
het 3e boek Over de Ziel (5e H. n. 1) gezegd, dat het werkend verstand datgene is,
« waaraan het toekomt alles te maken ». En zo moeten wij wel zeggen, dat er in Christus
verstandskenbeelden waren, die in Zijn ontvangend verstand werden opgenomen door de
werkzaamheid van het werkende verstand. En dat betekent, dat er in Hem een verworven
wetenschap is, die sommigen een wetenschap door ondervinding noemen. En daarom moeten
wij, al heb ik het elders anders neergeschreven, zeggen, dat er in Christus een aangeleerde
wetenschap was. En dat is eigenlijk een wetenschap zoals de mensen haar hebben, niet
alleen bezien van de kant van het subject, dat haar ontvangt, maar ook van de kant
van de oorzaak, die haar teweegbrengt, want deze wetenschap nemen wij in Christus
aan volgens het licht van het werkende verstand, dat past bij de menselijke natuur.
De ingestorte kennis echter wordt aan de mens toegekend krachtens een van boven neerschijnend
licht, en deze manier van kennen past bij de natuur der engelen. Maar de zalige kennis,
waardoor het wezen zelf van God wordt gezien, past eigenlijk alleen bij de natuur
van God, zoals in het eerste deel is behandeld (12e Kw., 4e Art.).
Ad primum ergo dicendum quod, cum duplex sit modus acquirendi scientiam, scilicet
inveniendo et addiscendo, modus qui est per inventionem est praecipuus, modus autem
qui est per disciplinam est secundarius. Unde dicitur in I Ethic., ille quidem est
optimus qui omnia per seipsum intelligit, bonus autem et ille qui bene dicenti obediet.
Et ideo Christo magis competebat habere scientiam acquisitam per inventionem quam
per disciplinam, praesertim cum ipse daretur a Deo omnibus in doctorem, secundum illud
Ioel II, laetamini in domino Deo vestro, quia dedit vobis doctorem iustitiae. (IIIa q. 9 a. 4 ad 1)
1 — Terwijl er twee manieren zijn om wetenschap te verkrijgen, nl. door zelf iets te vinden
en door onderricht te worden, is de manier van zelf te vinden de voornaamste, en de
manier van onderricht te worden ondergeschikt. Daarom wordt in het 1e boek Over de
Zedeleer (4e H., n. 7) gezegd: « Hij die alles door eigen kracht begrijpt is de beste;
maar wie goed aan zijn onderwijzer gehoorzaamt, is ook goed ». En dus kwam het Christus
meer toe door eigen vinding wetenschap verkregen te hebben, dan door onderricht, vooral
omdat Hij door God aan allen tot Leeraar gegeven was naar het woord van Joël (2, 23):
« Verheugt U in de Heer, uwen God; want Hij heeft U de Leeraar der Rechtvaardigheid
gegeven ».
Ad secundum dicendum quod humana mens duplicem habet respectum. Unum quidem ad superiora.
Et secundum hunc respectum, anima Christi fuit plena per scientiam inditam. Alius
autem respectus eius est ad inferiora, idest ad phantasmata, quae sunt nata movere
mentem humanam per virtutem intellectus agentis. Oportuit autem quod etiam secundum
hunc respectum anima Christi scientia impleretur, non quin prima plenitudo menti humanae
sufficeret secundum seipsam; sed oportebat eam perfici etiam secundum comparationem
ad phantasmata. (IIIa q. 9 a. 4 ad 2)
2 — De menselijke geest is op twee dingen gericht. Ten eerste op wat boven is, en onder
dit opzicht was Christus’ ziel vol van ingestorte wetenschap. Maar daarnaast is zij
op het lagere gericht, namelijk op de beelden der fantasie, die erop aangelegd zijn
de menselijke geest te bewegen door de kracht van het werkende verstand. Maar nu moest
Christus’ ziel ook onder dit opzicht van wetenschap vervuld worden; niet omdat de
eerste volheid van de menselijke geest op zich niet genoeg zou zijn geweest; maar
zij moest ook vervolmaakt worden in verhouding tot de fantasiebeelden.
Ad tertium dicendum quod alia ratio est de habitu acquisito, et de habitu infuso.
Nam habitus scientiae acquiritur per comparationem humanae mentis ad phantasmata,
unde secundum eandem rationem non potest alius habitus iterato acquiri. Sed habitus
scientiae infusae est alterius rationis, utpote a superiori descendens in animam,
non secundum proportionem phantasmatum. Et ideo non est eadem ratio de utroque habitu. (IIIa q. 9 a. 4 ad 3)
3 — De aard van een verkregen en van een ingestorte hebbelijkheid is anders. Want de hebbelijkheid
der wetenschap wordt verkregen door de verhouding van de menselijke geest tot de fantasiebeelden;
daarom kan op deze manier niet nogmaals een andere hebbelijkheid gekregen worden.
Maar de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap is van een andere aard; zij daalt
immers van boven in de ziel, niet door de verhouding tot de fantasiebeelden. En daarom
is het met beide hebbelijkheden niet hetzelfde gesteld.