QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 43.
Over de wonderen die door Christus verricht zijn in het algemeen .

Prooemium

Deinde considerandum est de miraculis a Christo factis. Et primo, in generali; secundo, in speciali de singulis miraculorum generibus; tertio, in particulari de transfiguratione ipsius. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum Christus debuerit miracula facere. Secundo, utrum fecerit ea virtute divina. Tertio, quo tempore incoeperit miracula facere. Quarto, utrum per miracula fuerit sufficienter ostensa eius divinitas. (IIIa q. 43 pr.)

Daarna behandelen we de wonderen welke door Christus verricht zijn. En eerst in het algemeen, vervolgens over de soorten van wonderen in het bijzonder, ten derde speciaal over zijn gedaanteverwisseling. Omtrent het eerste stellen we ons vier vragen. 1. Had Christus wel wonderen moeten verrichten? 2. Heeft Hij ze gedaan met goddelijke kracht? 3. Wanneer is Hij begonnen wonderen te doen? 4. Is door zijn wonderen zijn Godheid voldoende aangetoond?

Articulus 1.
Had Christus wel wonderen moeten doen?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus miracula facere non debuit. Factum enim Christi verbo ipsius debuit concordare. Sed ipse dixit, Matth. XVI, generatio mala et adultera signum quaerit, et signum non dabitur ei, nisi signum Ionae prophetae. Ergo non debuit miracula facere. (IIIa q. 43 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus geen wonderen had moeten doen. Christus’ daden moesten immers met zijn woorden in overeenstemming zijn. Maar Zelf zegt Hij bij Mattheus (16, 4): « Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; en geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet ». Dus moest Hij geen wonderen doen.

Praeterea, sicut Christus in secundo adventu venturus est in virtute magna et maiestate, ut dicitur Matth. XXIV; ita in primo adventu venit in infirmitate, secundum illud Isaiae LIII, virum dolorum et scientem infirmitatem. Sed operatio miraculorum magis pertinet ad virtutem quam ad infirmitatem. Ergo non fuit conveniens ut in primo adventu miracula faceret. (IIIa q. 43 a. 1 arg. 2)

2 — Gelijk Christus bij zijn tweede komst zal komen met grote macht en majesteit, zoals geschreven staat bij Mattheus (24, 30), zo kwam Hij bij zijn eerste komst in zwakheid, volgens het woord van Isaïas (53, 3): « De man van smarten, in lijden ervaren ». Maar wonderen werken is meer een teken van kracht dan wel van zwakte. Dus was het niet passend, dat Hij bij zijn eerste komst wonderen deed.

Praeterea, Christus venit ad hoc ut per fidem homines salvaret, secundum illud Heb. XII, aspicientes in auctorem fidei et consummatorem, Iesum. Sed miracula diminuunt meritum fidei, unde dominus dicit, Ioan. IV, nisi signa et prodigia videritis, non creditis. Ergo videtur quod Christus non debuerit miracula facere. (IIIa q. 43 a. 1 arg. 3)

3 — Christus is gekomen om de mensen door het geloof zalig te maken: volgens de tekst uit de Brief aan de Hebreën (12, 2): « Het oog gevestigd op de Jesus, aanvang en einde van het geloof ». Maar wonderen verminderen de verdienste van het geloof: vandaar zegt de Heer bij Johannes (4, 48): « Zo je geen tekenen en wonderen ziet, geloof je niet ». Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen had moeten doen.

Sed contra est quod ex persona adversariorum dicitur, Ioan. XI, quid facimus, quia hic homo multa signa facit? (IIIa q. 43 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter dat de tegenstanders zeggen (Joannes, 11, 47): « Wat gedaan? Want die man doet veel wondertekens ».

Respondeo dicendum quod divinitus conceditur homini miracula facere, propter duo. Primo quidem, et principaliter, ad confirmandam veritatem quam aliquis docet. Quia enim ea quae sunt fidei humanam rationem excedunt, non possunt per rationes humanas probari, sed oportet quod probentur per argumentum divinae virtutis, ut, dum aliquis facit opera quae solus Deus facere potest, credantur ea quae dicuntur esse a Deo; sicut, cum aliquis defert litteras anulo regis signatas, creditur ex voluntate regis processisse quod in illis continetur. Secundo, ad ostendendum praesentiam Dei in homine per gratiam spiritus sancti, ut dum scilicet homo facit opera Dei, credatur Deus habitare in eo per gratiam. Unde dicitur, Galat. III, qui tribuit vobis spiritum, et operatur virtutes in vobis. Utrumque autem circa Christum erat hominibus manifestandum, scilicet quod Deus esset in eo per gratiam, non adoptionis, sed unionis; et quod eius supernaturalis doctrina esset a Deo. Et ideo convenientissimum fuit ut miracula faceret. Unde ipse dicit, Ioan. X, si mihi non vultis credere, operibus credite. Et Ioan. V, opera quae dedit mihi pater ut faciam, ipsa sunt quae testimonium perhibent de me. (IIIa q. 43 a. 1 co.)

Van Godswege wordt het aan de mens toegestaan wonderen te doen, om twee redenen. En wel ten eerste en voornamelijk, om de waarheid te bevestigen, welke iemand leert. Omdat immers het voorwerp van het geloof, het menselijk verstand te boven gaat, is het niet te bewijzen uit menselijke inzichten, maar wel uit het bewijs van Gods kracht: en zo zal, wanneer iemand de werken doet, welke alleen God kan verrichten, datgene wat gezegd wordt, geloofd worden van God te komen; zoals ook, wanneer iemand een brief overbrengt, vergezeld met de ring des konings, geloofd wordt dat datgene wat er in staat, de wil des konings is. — Ten tweede, om aan te tonen dat God door de genade van de Heilige Geest in de mens tegenwoordig is: opdat, wanneer namelijk de mens Gods werken verricht, geloofd worde, dat God in hem door de genade woont. Vandaar wordt er gezegd in de Brief aan de Galaten (3, 5): « Hij die u de Geest verleent en wonderen onder u werkt ». Wat nu Christus betreft, moesten beide dingen aan de mensen duidelijk gemaakt worden: en wel dat God in Hem was door de genade, niet die van aanneming, maar der vereniging; en dat zijn bovennatuurlijke leer van God kwam. En dus was het zeer passend, dat Hij wonderen deed. Vandaar zegt Hij zelf bij Joannes (10, 38): « Zo ge Mij niet wilt geloven, gelooft dan de werken ». En Joannes (5, 36): « De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij ».

Ad primum ergo dicendum quod hoc quod dicit, signum non dabitur ei nisi signum Ionae, sic intelligendum est, ut Chrysostomus dicit, quod tunc non acceperunt tale signum quale petebant, scilicet de caelo, non quod nullum signum eis dederit. Vel, quia signa faciebat, non propter eos, quos sciebat lapideos esse, sed ut alios emundaret. Et ideo non eis, sed aliis illa signa dabantur. (IIIa q. 43 a. 1 ad 1)

1 — Die tekst: « Geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de Profeet », moet, zoals Chrysostomus zegt, zóó verstaan worden, dat zij toen niet het teken ontvingen waarom ze vroegen, nl. (een teken) uit de hemel: niet, dat Hij hun in het geheel geen teken gaf. — Of zóó, dat Hij tekenen deed, niet om hen, van wie Hij wist dat ze van steen waren, maar ten einde anderen te verbeteren. En daarom dus werden die tekenen niet aan hen gegeven, maar aan anderen.

Ad secundum dicendum quod, licet Christus venerit in infirmitate carnis, quod manifestatur per passiones, venit tamen in virtute Dei. Quod erat manifestandum per miracula. (IIIa q. 43 a. 1 ad 2)

2 — Ook al kwam Christus dan in het zwakke vlees, wat blijkt uit zijn lijden, toch kwam Hij in de kracht van God. Wat juist aangetoond moest worden door de wonderen.

Ad tertium dicendum quod miracula intantum diminuunt meritum fidei, inquantum per hoc ostenditur duritia eorum qui nolunt credere ea quae Scripturis divinis probantur, nisi per miracula. Et tamen melius est eis ut vel per miracula convertantur ad fidem quam quod omnino in infidelitate permaneant. Dicitur enim I Cor. XIV, quod signa data sunt infidelibus, ut scilicet convertantur ad fidem. (IIIa q. 43 a. 1 ad 3)

3 — In zoverre kan men zeggen, dat wonderen de verdienste van het geloof verminderen, in zoverre daardoor de hardheid tot uiting komt van hen, die niet dan door wonderen willen geloven wat bewezen wordt in Gods Schriften. En toch is het voor hen beter, dat ze dan maar door wonderen tot het geloof bekeerd worden, dan dat ze helemaal in ongeloof blijven. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs staat geschreven (14, 22) dat aan de ongelovigen tekenen werden gegeven, opdat ze namelijk tot het geloof zouden bekeerd worden.

Articulus 2.
Heeft Christus wonderen gedaan door goddelijke kracht?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non fecerit miracula virtute divina. Virtus enim divina est omnipotens. Sed videtur quod Christus non fuerit omnipotens in miraculis faciendis, dicitur enim Marci VI, quod non poterat ibi, scilicet in patria sua, ullam virtutem facere. Ergo videtur quod non fecerit miracula virtute divina. (IIIa q. 43 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus geen wonderen heeft gedaan door goddelijke kracht. Gods kracht immers is almachtig. Het schijnt echter, dat Christus niet almachtig geweest is bij het doen van wonderen; want bij Marcus staat (6, 5), dat Hij daar namelijk in zijn vaderland geen wonder kon doen. Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed door goddelijke kracht.

Praeterea, Dei non est orare. Sed Christus aliquando in miraculis faciendis orabat, ut patet in suscitatione Lazari, Ioan. XI; et in multiplicatione panum, ut patet Matth. XIV. Ergo videtur quod non fecerit miracula virtute divina. (IIIa q. 43 a. 2 arg. 2)

2 — God bidt niet. Maar Christus bad wel eens, als Hij wonderen deed, zoals blijkt bij de opwekking van Lazarus, waarover Joannes (11, 41, 42); en bij de vermenigvuldiging der broden, zoals blijkt uit Mattheus (14, 19). Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed in goddelijke kracht.

Praeterea, ea quae virtute divina fiunt, non possunt virtute alicuius creaturae fieri. Sed ea quae Christus faciebat, poterant etiam fieri virtute alicuius creaturae, unde et Pharisaei dicebant quod in Beelzebub, principe Daemoniorum, eiiciebat Daemonia. Ergo videtur quod Christus non fecerit miracula virtute divina. (IIIa q. 43 a. 2 arg. 3)

3 — Wat tot stand komt door goddelijke macht, kan niet tot stand komen door kracht van een schepsel. Maar wat Christus deed kon ook gedaan worden met de kracht van een schepsel: vandaar zeiden ook de Farizeeën, dat Hij door Beëlzebub de vorst der duivels, de duivels uitdreef. (Lucas, 11, 15). Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen verrichtte in goddelijke kracht.

Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. XIV, pater, in me manens, ipse facit opera. (IIIa q. 43 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 14, 10): « Het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht ».

Respondeo dicendum quod, sicut in prima parte habitum est, vera miracula sola virtute divina fieri possunt, quia solus Deus potest mutare naturae ordinem, quod pertinet ad rationem miraculi. Unde Leo Papa dicit, in epistola ad Flavianum, quod, cum in Christo sint duae naturae, una earum est, scilicet divina, quae fulget miraculis; altera, scilicet humana, quae succumbit iniuriis; et tamen una earum agit cum communicatione alterius, inquantum scilicet humana natura est instrumentum divinae actionis, et actio humana virtutem accepit a natura divina, sicut supra habitum est. (IIIa q. 43 a. 2 co.)

Zoals boven gezegd is (vorig Art.; vgl. 3° Art. 2° Antw.), was het lichaam van Christus bij zijn verrijzenis van dezelfde natuur, maar van hogere glorie. En wat daarom tot de natuur van het menselijk lichaam behoort, was geheel aanwezig in het lichaam van de verrijzende Christus. Het is nu duidelijk, dat tot de natuur van het menselijk lichaam behooren vlees, beenderen, bloed en dergelijke. En bijgevolg was dit alles in het lichaam van de verrijzende Christus. En wel gaaf, zonder enig tekort: anders zou de verrijzenis niet volmaakt geweest zijn als niet alles, wat door de dood gevallen was, in zijn ongeschondenheid hersteld was. Aldus belooft ook de Heer aan zijn getrouwen, zeggend bij Mattheus (10. 30): « Uw hoofdharen zijn allen geteld; » en bij Lucas (21. 18) wordt gezegd: « Geen haar zal van uw hoofd vallen. » Wanneer men echter zegt, dat het lichaam geen vlees en geen beenderen en andere dergelijke delen bezeten heeft, welke behoren tot de natuur van een menselijk lichaam, vervalt men in de dwaling van Eutyches, bisschop van de stad Constantinopel, die zei, dat « ons lichaam in die glorie der verrijzenis niet tastbaar zal zijn, en fijner dan wind en lucht: » en dat de Heer, « na de harten der leerlingen, die Hem aanraakten te hebben versterkt, al datgene wat tastbaar aan Hem was, in een zekere fijnheid heeft opgelost. » Dit bestrijdt Gregorius echter, aangezien het lichaam van Christus na de verrijzenis onveranderd bleef, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 9): « Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer. » En daarom heeft hij ook zijn woorden bij zijn dood teruggetrokken. Want als het niet passend is, dat Christus bij zijn ontvangenis een lichaam van een andere natuur aannam, b. v. een hemels lichaam, zoals Valentinus dat hield, dan is het nog veel minder passend, dat Hij bij zijn verrijzen een lichaam van een andere natuur weer aannam, daar Hij bij zijn verrijzenis voor een onsterfelijk leven weer een lichaam aannam, dat Hij bij zijn ontvangenis tot een sterfelijk leven aangenomen had. Zoals in het eerste deel gezegd is (110e Kw., 4° A.) kunnen wonderen alleen door goddelijke kracht verricht worden, omdat alleen God de orde in de natuur kan veranderen, wat tot het wezen van het wonder behoort. Vandaar zegt Paus Leo in zijn Brief *Aan Flavianus* (28° Br., 4° H.) dat, wil er in Christus twee naturen zijn, een van die twee, en wel de goddelijke door wonderen schittert; de andere, namelijk de menselijke, onder mishandelingen bezwijkt; en toch werkt de een in vereniging met de andere: in zover namelijk de menselijke natuur het werktuig is der goddelijke werking, en de menselijke werking kracht ontvangt van de goddelijke natuur, zoals boven behandeld is (19° Kw., 1° A.).

Ad primum ergo dicendum quod hoc quod dicitur, non poterat ibi ullam virtutem facere, non est referendum ad potentiam absolutam, sed ad id quod potest fieri congruenter, non enim congruum erat ut inter incredulos operaretur miracula. Unde subditur, et mirabatur propter incredulitatem eorum. Secundum quem modum dicitur Gen. XVIII, non celare potero Abraham quae gesturus sum; et XIX, non potero facere quidquam donec ingrediaris illuc. (IIIa q. 43 a. 2 ad 1)

1 — Die tekst: « Hij kon daar geen een wonder doen », slaat niet op zijn almacht zonder meer, maar op wat er hier gevoeglijk kon gebeuren: want het kwam niet te pas, dat er onder ongelovigen wonderen gedaan werden. Vandaar volgt er op: « En Hij verwonderde zich over hun ongeloof ». In diezelfde zin staat er in *Genesis* (18, 17): « Voor Abraham kan Ik niet verborgen houden, wat Ik ga doen ». en (19, 22): « Ik zal niets kunnen uitrichten voordat gij daar binnen zult zijn getreden ».

Ad secundum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super illud Matth. XIV, acceptis quinque panibus et duobus piscibus aspiciens in caelum benedixit et fregit, oportebat, inquit, credi de Christo quoniam a patre est, et quoniam ei aequalis est. Et ideo, ut utrumque ostendat, nunc quidem cum potestate, nunc autem orans miracula facit. Et in minoribus quidem respicit in caelum, puta in multiplicatione panum, in maioribus autem, quae sunt solius Dei, cum potestate agit, puta quando peccata dimisit, mortuos suscitavit. Quod autem dicitur Ioan. XI, quod in suscitatione Lazari oculos sursum levavit, non propter necessitatem suffragii, sed propter exemplum hoc fecit. Unde dicit, propter populum qui circumstat dixi, ut credant quia tu me misisti. (IIIa q. 43 a. 2 ad 2)

2 — Hierop is te antwoorden met de uitleg welke Chrysostomus geeft aan de tekst van Mattheus (14, 19): « Na de vijf broden en de twee visschen genomen te hebben zag Hij op ten hemel en sprak de zegen uit ». — « Het was noodig, dat er van Christus geloofd werd, zowel dat Hij van de Vader gekomen was, als dat Hij Hem gelijk was. En om dat nu allebei aan te tonen, verrichtte Hij nu eens zijn wonderen met macht, dan weer op gebed. En bij de kleinere zag Hij op ten hemel, zoals b. v. bij de broodvermenigvuldiging: bij de grotere echter, welke alleen God kan verrichten, handelde Hij met macht, zoals b. v. toen Hij zonden vergaf of dood en ten leven wekte ». Dat Hij echter, zoals bij Joannes (11) te lezen staat, bij de opwekking van Lazarus de ogen naar boven sloeg, dat deed Hij niet, omdat Hij het nodig had te bidden, maar om ons een voorbeeld te geven. Vandaar zegt Hij: « Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat U Mij gezonden hebt ».

Ad tertium dicendum quod Christus alio modo expellebat Daemones quam virtute Daemonum expellantur. Nam virtute superiorum Daemonum ita Daemones a corporibus expelluntur quod tamen remanet dominium eorum quantum ad animam, non enim contra regnum suum Diabolus agit. Sed Christus Daemones expellebat non solum a corpore, sed multo magis ab anima. Et ideo dominus blasphemiam Iudaeorum dicentium eum in virtute Daemonum Daemonia eiicere, reprobavit, primo quidem, per hoc quod Satanas contra seipsum non dividitur. Secundo, exemplo aliorum, qui Daemonia eiiciebant per spiritum Dei. Tertio, quia Daemonium expellere non posset nisi ipsum vicisset virtute divina. Quarto, quia nulla convenientia in operibus nec in effectu erat sibi et Satanae, cum Satanas dispergere cuperet quos Christus colligebat. (IIIa q. 43 a. 2 ad 3)

3 — Christus dreef op een andere manier de duivelen uit, dan ze worden uitgedreven door de kracht der duivelen. Want door de kracht der hogere duivelen worden de duivelen zó uit het lichaam verdreven, dat toch nog hun macht over de ziel blijft bestaan: want de duivel gaat niet in tegen zijn eigen rijk. Maar Christus verdreef de duivelen niet alleen uit het lichaam, maar veeleer uit de ziel. En daarom weerlegde Hij de godslastering der Joden, die zeiden, dat Hij in de kracht van de duivel de duivelen uitdreef, met er eerstens op te wijzen, dat Satan niet tegen zichzelf verdeeld kan zijn. En ten tweede door het voorbeeld van anderen, die door de Geest Gods de duivelen uitwierpen. Ten derde, dat Hij de duivel niet zou kunnen uitdrijven, als Hij hem eerst niet zelf overwonnen had, door goddelijke kracht. Ten vierde, met er op te wijzen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat, tussen zijn werken en hun gevolgen, en die van Satan: want Satan verlangde te verstrooien wat Christus bijeenbracht.

Articulus 3.
Is Christus begonnen wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non incoeperit miracula facere in nuptiis, mutando aquam in vinum. Legitur enim in libro de infantia salvatoris, quod Christus in sua pueritia multa miracula fecit. Sed miraculum de conversione aquae in vinum fecit in nuptiis trigesimo vel trigesimoprimo anno suae aetatis. Ergo videtur quod non incoeperit tunc miracula facere. (IIIa q. 43 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet begonnen is wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde. Want in het boek *Over de Kindsheid des Zaligmakers* staat te lezen, dat Christus in zijn jeugd vele wonderen gedaan heeft. Maar het wonder der verandering van water in wijn deed Hij bij de bruiloft toen Hij dertig of eenendertig jaar oud was. Dus schijnt het wel, dat Hij niet toen is begonnen met wonderen te doen.

Praeterea, Christus faciebat miracula secundum virtutem divinam. Sed virtus divina fuit in eo a principio suae conceptionis, ex tunc enim fuit Deus et homo. Ergo videtur quod a principio miracula fecerit. (IIIa q. 43 a. 3 arg. 2)

2 — Christus deed wonderen met goddelijke macht. Maar de goddelijke macht was van het begin van zijn ontvangenis af al in Hem: want van dat ogenblik af was Hij God en mens. Dus schijnt het wel, dat Hij van het begin af aan wonderen gedaan heeft.

Praeterea, Christus post Baptismum et tentationem coepit discipulos congregare, ut legitur Matth. IV et Ioan. I. Sed discipuli praecipue congregati sunt ad ipsum propter miracula, sicut dicitur Luc. V, quod Petrum vocavit obstupescentem propter miraculum quod fecerat in captura piscium. Ergo videtur quod ante miraculum quod fecit in nuptiis, fecerit alia miracula. (IIIa q. 43 a. 3 arg. 3)

3 — Christus is na zijn doopsel en beproeving begonnen leerlingen om zich heen te verzamelen, zoals te lezen staat bij Mattheus (4, 18) en Johannes (1, 35). Maar de leerlingen zijn voornamelijk naar Hem toe gekomen vanwege de wonderen: zoals Lucas zegt (5, 4), dat Hij Petrus riep toen deze stom van verbazing was om het wonder, dat Hij verricht had bij de visvangst. Dus schijnt het wel dat Hij vóór het wonder, dat Hij bij de bruiloft gedaan heeft, nog andere wonderen verricht heeft.

Sed contra est quod dicitur Ioan. II, hoc fecit initium signorum Iesus in Cana Galilaeae. (IIIa q. 43 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Joannes zegt (2, 11): “Zo deed Jezus zijn eerste wonder te Cana van Galilea”.

Respondeo dicendum quod miracula facta sunt a Christo propter confirmationem eius doctrinae, et ad ostendendum virtutem divinam in ipso. Et ideo, quantum ad primum, non debuit ante miracula facere quam docere inciperet. Non autem debuit incipere docere ante perfectam aetatem, ut supra habitum est, cum de Baptismo eius ageretur. Quantum autem ad secundum, sic debuit per miracula divinitatem ostendere ut crederetur veritas humanitatis ipsius. Et ideo, sicut dicit Chrysostomus, super Ioan., decenter non incoepit signa facere ex prima aetate, existimassent enim phantasiam esse incarnationem, et ante opportunum tempus cruci eum tradidissent. (IIIa q. 43 a. 3 co.)

De redenen waarom Christus wonderen gedaan heeft, waren dat Hij zijn leer wilde bevestigen en de goddelijke macht in Hem wilde tonen. Wat nu het eerste aangaat, moest Hij dus niet eerder wonderen doen dan toen Hij begon te leren. Hij behoorde echter niet met leeraren te beginnen vóór de volmaakte leeftijd, zoals boven gezegd is (39° Kw., 3° Art.) toen over zijn doopsel gehandeld werd. En wat het tweede betreft, moest Hij door wonderen zo zijn Godheid bewijzen, dat toch nog de waarachtigheid van zijn mensheid zou geloofd worden. En daarom zegt Chrysostomus, « begon Hij gevoelig geen wonderen te doen van zijn eerste jaar af: men zou immers gemeend hebben, dat de vleeswording maar fantasie was en nog vóór de juiste tijd zou zijn aangebroken, zouden ze Hem aan de kruisdood hebben overgeleverd ».

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Ioan., ex verbo Ioannis Baptistae dicentis, ut manifestetur in Israel, propterea veni ego in aqua baptizans, manifestum est quod illa signa quae quidam dicunt in pueritia a Christo facta, mendacia et fictiones sunt. Si enim a prima aetate miracula fecisset Christus, nequaquam neque Ioannes eum ignorasset, neque reliqua multitudo indiguisset magistro ad manifestandum eum. (IIIa q. 43 a. 3 ad 1)

1 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (in zijn 17e Homelie) op Joannes (1, 31), naar aanleiding van het gezegde van Joannes de Doper: « Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken ». — « Het is wel duidelijk, dat die tekenen, welke ze dan zeggen, dat door Christus in zijn jeugd verricht zijn, leugens en verzinsels zijn. Want als Christus van zijn jeugd af aan wonderen had gedaan, dan zou het uitgesloten zijn geweest, dat Joannes Hem niet had gekend, en dan zou ook de overige mensen geen leermeester nodig hebben gehad om Hem bekend te maken ».

Ad secundum dicendum quod divina virtus operabatur in Christo secundum quod erat necessarium ad salutem humanam, propter quam carnem assumpserat. Et ideo sic miracula fecit virtute divina ut fidei de veritate carnis eius praeiudicium non fieret. (IIIa q. 43 a. 3 ad 2)

2 — De goddelijke kracht werkte in Christus naar gelang het nodig was voor het heil der mensen, ter wille waarvan Hij het vlees had aangenomen. En daarom verrichtte Hij de wonderen, welke hij door goddelijke macht werkte, zó dat er geen beletsel kon gesteld worden voor het geloof aan de waarachtigheid van zijn lichaam.

Ad tertium dicendum quod hoc ipsum ad laudem discipulorum pertinet, quod Christum secuti sunt cum nulla eum miracula facere vidissent, sicut Gregorius dicit, in quadam homilia. Et, ut Chrysostomus dicit, maxime tunc signa necessarium erat facere, quando discipuli iam congregati erant et devoti, et attendentes his quae fiebant. Unde subditur, et crediderunt in eum discipuli eius, non quia tunc primum crediderunt; sed quia tunc diligentius et perfectius crediderunt. Vel discipulos vocat eos qui futuri erant discipuli, sicut exponit Augustinus, in libro de consensu Evangelistarum. (IIIa q. 43 a. 3 ad 3)

3 — Het strekt juist de leerlingen tot lof, dat ze Christus gevolgd zijn ofschoon ze Hem geen wonderen hadden zien doen, zoals Gregorius zegt, in een Homelie. En, zoals Chrysostomus zegt was het vooral toen nodig dat Hij tekens verrichtte, toen de leerlingen Hem al gevolgd waren en Hem waren toegewijd en opgingen in wat er gebeurde. Vandaar staat er aan toegevoegd: « En zijn leerlingen geloofden in Hem ». Niet omdat ze toen pas voor het eerst geloofden; maar omdat hun geloof toen stichter en volmaakter was. — Ofwel noemt Hij leerlingen, wat in de toekomst leerlingen zouden zijn, zoals Augustinus uitlegt in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (2° B., 17° H.).

Articulus 4.
Waren de wonderen welke Christus gedaan heeft voldoende om zijn Godheid te bewijzen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod miracula quae Christus fecit, non fuerunt sufficientia ad ostendendam divinitatem ipsius. Esse enim Deum et hominem proprium est Christo. Sed miracula quae Christus fecit, etiam ab aliis sunt facta. Ergo videtur quod non fuerint sufficientia ad ostendendam divinitatem ipsius. (IIIa q. 43 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de wonderen welke Christus verricht heeft niet voldoende geweest zijn, om zijn Godheid te bewijzen. God en mens te zijn is alleen eigen aan Christus. Maar de wonderen welke Hij verricht heeft hebben ook anderen gedaan. Dus schijnt het wel, dat ze niet konden volstaan om zijn Godheid te bewijzen.

Praeterea, virtute divinitatis nihil est maius. Sed aliqui fecerunt maiora miracula quam Christus, dicitur enim Ioan. XIV, qui credit in me, opera quae ego facio, et ipse faciet, et maiora horum faciet. Ergo videtur quod miracula quae Christus fecit, non fuerint sufficientia ad ostendendum divinitatem ipsius. (IIIa q. 43 a. 4 arg. 2)

2 — Niets gaat Gods kracht te boven. Maar sommigen hebben grotere wonderen gedaan dan Christus: want bij Johannes staat te lezen (14, 12): « Wie in Mij gelooft ook Hij zal de werken doen die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen ». Het schijnt dus wel, dat de wonderen, welke Christus gedaan heeft, niet bij machte waren om zijn Godheid te bewijzen.

Praeterea, ex particulari non sufficienter ostenditur universale. Sed quodlibet miraculorum Christi fuit quoddam particulare opus. Ergo ex nullo eorum potuit manifestari sufficienter divinitas Christi, ad quam pertinet universalem virtutem habere de omnibus. (IIIa q. 43 a. 4 arg. 3)

3 — Het algemene bewijst men niet voldoende uit het particuliere. Maar ieder wonder van Christus was een op zichzelf staand werk. Dus kon uit geen enkel ervan voldoende Christus' Godheid aangetoond worden, waaraan het eigen is een macht te bezitten, welke zich over alles uitstrekt.

Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. V, opera quae dedit mihi pater ut faciam, ipsa testimonium perhibent de me. (IIIa q. 43 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 5, 36): « De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij ».

Respondeo dicendum quod miracula quae Christus fecit, sufficientia erant ad manifestandum divinitatem ipsius, secundum tria. Primo quidem, secundum ipsam speciem operum, quae transcendebant omnem potestatem creatae virtutis, et ideo non poterant fieri nisi virtute divina. Et propter hoc caecus illuminatus dicebat, Ioan. IX a saeculo non est auditum quia aperuit quis oculos caeci nati. Nisi esset hic a Deo, non posset facere quidquam. Secundo, propter modum miracula faciendi, quia scilicet quasi propria potestate miracula faciebat, non autem orando, sicut alii. Unde dicitur Luc. VI, quod virtus de illo exibat et sanabat omnes. Per quod ostenditur, sicut Cyrillus dicit, quod non accipiebat alienam virtutem, sed, cum esset naturaliter Deus, propriam virtutem super infirmos ostendebat. Et propter hoc etiam innumerabilia miracula faciebat. Unde super illud Matth. VIII, eiiciebat spiritus verbo, et omnes male habentes curavit, dicit Chrysostomus, intende quantam multitudinem curatam transcurrunt Evangelistae, non unumquemque curatum enarrantes, sed uno verbo pelagus ineffabile miraculorum inducentes. Et ex hoc ostendebatur quod haberet virtutem coaequalem Deo patri, secundum illud Ioan. V, quaecumque pater facit, haec et filius similiter facit; et ibidem, sicut pater suscitat mortuos et vivificat, sic et filius quos vult vivificat. Tertio, ex ipsa doctrina qua se Deum dicebat, quae nisi vera esset, non confirmaretur miraculis divina virtute factis. Et ideo dicitur Marci I, quaenam doctrina haec nova? Quia in potestate spiritibus immundis imperat, et obediunt ei? (IIIa q. 43 a. 4 co.)

De wonderen die Christus gedaan heeft, volstaan om zijn Godheid te bewijzen, om hun drievoudig karakter. En wel ten eerste, om de eigen aard dier werken, daar ze alle kracht van een geschapen macht te boven gingen, en dus konden ze niet geschieden, dan alleen door goddelijke kracht. En vandaar zei de blinde, toen hij het licht had teruggekregen (Joannes, 9, 32, 33): « Nooit in de eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen ». Ten tweede, om de wijze van wonderen doen: want Hij deed namelijk wonderen als uit eigen macht, en niet door te bidden, zoals de anderen. Vandaar zegt Lucas (6, 19) dat er een kracht van Hem uitging, die allen genas. Waardoor bewezen wordt, zoals Cyrillus zegt (in zijn Commentaar op Lucas) dat Hij de kracht niet van een ander ontving: maar omdat Hij van nature God was toonde Hij zijn eigen kracht over de zieken. En daarom deed Hij ook ontelbare wonderen. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn verklaring der woorden van Mattheus (8, 16): « En met een woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken ». — « Let eens op wat een grote menigte van genezenen de Evangelisten opsommen: zij verhalen wel niet iedere genezing, maar met één woord voeren ze een onnoemelijk aantal wonderen op ». En hieruit werd aangetoond, dat zijn kracht die van de Vader evenaarde, volgens het woord van Joannes (5, 19): « Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens»; en even verder (v. 21): « Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil ». Ten derde om de leer zelf waarin Hij zei dat Hij God was: want als die leer niet waar zou geweest zijn, dan zou ze niet bevestigd zijn geworden door wonderen, door goddelijke kracht tot stand gebracht. En daarom staat er bij Marcus (1, 27): « Wat is dat voor een nieuwe leer, daar Hij met gezag de onreine geesten gebiedt en ze Hem gehoorzamen? »

Ad primum ergo dicendum quod haec erat obiectio gentilium. Unde Augustinus dicit, in epistola ad Volusianum, nulla, inquiunt, competentibus signis tantae maiestatis indicia claruerunt. Quia larvalis illa purgatio, qua scilicet Daemones effugabat, debilium cura, reddita vita defunctis, si et alia considerentur, Deo parva sunt. Et ad hoc respondet Augustinus, fatemur et nos talia quidem fecisse prophetas. Sed et ipse Moyses et ceteri prophetae dominum Iesum prophetaverunt, et ei gloriam magnam dederunt. Qui propterea talia et ipse facere voluit, ne esset absurdum, quod per illos fecerat, si ipse non faceret. Sed tamen et aliquid proprium facere debuit, nasci de virgine, resurgere a mortuis, in caelum ascendere. Hoc Deo qui parum putat, quid plus expectet ignoro. Num, homine assumpto, alium mundum facere debuit, ut eum esse crederemus per quem factus est mundus? Sed nec maior mundus, nec isti aequalis in hoc fieri posset, si autem minorem faceret infra istum, similiter hoc quoque parum putaretur. Quae tamen alii fecerunt, Christus excellentius fecit. Unde super Ioan. XV, si opera non fecissem in eis quae nemo alius fecit, etc., dicit Augustinus, nulla in operibus Christi videntur esse maiora quam suscitatio mortuorum, quod scimus etiam antiquos fecisse prophetas. Fecit tamen aliqua Christus quae nemo alius fecit. Sed respondetur nobis et alios fecisse quae nec ipse, nec alius fecit. Sed quod tam multa vitia et malas valetudines vexationesque mortalium tanta potestate sanaret, nullus omnino legitur antiquorum fecisse. Ut enim taceatur quod iubendo, sicut occurrebant, salvos singulos fecit, Marcus dicit, quocumque introibat in vicos aut in villas aut in civitates, in plateis ponebant infirmos, et deprecabantur eum ut vel fimbriam vestimenti eius tangerent, et quotquot tangebant eum, salvi fiebant. Haec nemo alius fecit in eis. Sic enim intelligendum est quod ait, in eis, non inter eos, aut coram eis, sed prorsus in eis, quia sanavit eos. Nec tamen alius fecit, quicumque in eis talia opera fecit, quoniam quisquis alius homo aliquid eorum fecit, ipso faciente fecit; haec autem ipse, non illis facientibus, fecit. (IIIa q. 43 a. 4 ad 1)

1 — Dit was een opwerping der heidenen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Brief Aan Volusianus (137e Br., 4e H.): « Er hebben, zo zeggen zij, geen aanwijzingen door evenredige tekenen voor zulk een majesteit geschitterd. Want die nietszeggende zuivering, waardoor Hij nl. de duivelen uitdreef, die genezing van gebrekkigen, dat leven, teruggegeven aan gestorvenen, en al die andere dingen, hebben, als men ze goed beschouwd, voor een God weinig te betekenen ». En hierop antwoordt Augustinus: « Ook wij geven toe, dat de profeten ook wel van die dingen hebben gedaan. Maar én Moses juist én de overige profeten hebben de Heer Jesus voorspeld, en hebben Hem grote glorie gebracht. En daarom wilde Hij ook zelf die dingen doen, want het zou toch te dwaas zijn, als Hij zelf niet zou doen, wat Hij wèl door anderen had gedaan. Maar Hij moest toch ook iets eigens doen: geboren worden uit een Maagd, van de doden opstaan, ten hemel opklimmen. Ik zou niet weten, wat iemand, die dat andere te min voor God vindt, nog meer van Hem zou kunnen verwachten! Had Hij dan soms, na mens geworden te zijn, een andere wereld moeten maken, opdat wij zouden geloven, dat Hij het was, door wien de wereld gemaakt is? Maar hier kan toch geen grotere wereld of een zelfde gemaakt worden: en als Hij een kleinere dan deze gemaakt had, dan zou ook dàt weer voor te weinig gehouden worden ». Christus heeft wel gedaan wat anderen deden, maar Hij deed het op een verhevener wijze. Vandaar zegt Augustinus op de tekst van Joannes (15, 24): « Had Ik onder hen de werken niet gedaan, die niemand anders gedaan heeft, enz. » — « Onder de werken van Christus schijnt er geen een groter te zijn, dan de opwekking der doden: wat, gelijk we weten, ook de oude profeten gedaan hebben. Christus heeft echter sommige dingen gedaan, die niemand anders gedaan heeft. Maar men geeft ons ten antwoord, dat ook anderen gedaan hebben wat noch Hij, noch een ander gedaan heeft. Maar er staat toch van geen der ouden te lezen, dat ze zóóveel gebreken en ongesteldheden en kwellingen van stervelingen met zo een macht genezen hebben. Want (om er nu maar over te zwijgen, dat Hij door te bevelen de mensen één voor één genas, zoals ze aan kwamen lopen) Marcus zegt (6, 56): « En waar Hij ook kwam, in dorpen en steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze slechts de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden genezen ». Dat heeft toch niemand anders in hen uitgewerkt. Zo immers moeten we het « in hen » verstaan: hij zegt niet « onder hen » of « in tegenwoordigheid van hen », maar nadrukkelijk « in hen », omdat Hij hen genas. Toch was het niet iemand anders, die in hen dergelijke werken verrichtte: want welke andere mens ook iets dergelijks deed, die deed het door zijn toedoen; maar die andere dingen verrichtte Hij zelf, zonder dat zij er toe medewerkten ».

Ad secundum dicendum quod Augustinus, exponens illud verbum Ioannis, inquirit, quae sunt ista opera maiora, quae credentes in eum erant facturi? An forte quod aegros, ipsis transeuntibus, etiam eorum umbra sanabat? Maius est enim quod sanet umbra, quam fimbria. Veruntamen, quando ista Christus dicebat, verborum suorum facta et opera commendabat. Cum enim dixit, pater in me manens ipse facit opera, quae opera tunc dicebat, nisi verba quae loquebatur? Et eorundem verborum fructus erat fides illorum. Veruntamen, evangelizantibus discipulis, non tam pauci quam illi erant, sed gentes etiam crediderunt. Nonne ab ore ipsius dives ille tristis abscessit, et tamen postea, quod ab illo auditum non fecit unus, fecerunt multi cum per discipulos loqueretur? Ecce, maiora fecit praedicatus a credentibus, quam locutus audientibus. Verum hoc adhuc movet, quod haec maiora per apostolos fecit, non autem ipsos tantum significans ait, qui credit in me. Audi ergo, qui credit in me, opera quae ego facio, et ipse faciet. Prius ego facio, deinde et ipse faciet, quia facio ut faciat. Quae opera, nisi ut ex impio iustus fiat? Quod utique in illo, sed non sine illo Christus operatur. Prorsus maius hoc esse dixerim quam creare caelum et terram, caelum enim et terra transibunt, praedestinatorum autem salus et iustificatio permanebit. Sed in caelis Angeli opera sunt Christi. Nunquid his operibus maiora facit qui cooperatur Christo ad suam iustificationem? Iudicet qui potest utrum maius sit iustos creare, quam impios iustificare. Certe, si aequalis est utrumque potentiae, hoc maioris est misericordiae. Sed omnia opera Christi intelligere ubi ait, maiora horum faciet, nulla nos necessitas cogit. Horum enim forsitan dixit quae illa hora faciebat. Tunc autem verba fidei faciebat, et utique minus est verba praedicare iustitiae, quod fecit praeter nos, quam impium iustificare, quod ita facit in nobis ut faciamus et nos. (IIIa q. 43 a. 4 ad 2)

2 — Augustinus stelt zich, waar hij deze woorden van Joannes uitlegt, de vraag (71° Traktaat op Joannes): « Wat zijn die grotere werken, welke degenen, die in Hem zullen geloven, zullen verrichten? Misschien is dit er wel een, dat zelfs hun schaduw, waar ze voorbijgingen de zieken genas, waar ze langs kwamen? Want het is toch veel sterker, dat de schaduw geneest, dan de zoom van het kleed. Maar, toen Christus dit zei, beval hij de handelingen en werken van zijn eigen woorden aan. Want toen Hij zei: « het is de Vader die in Mij blijft, die zelf de werken verricht », op welke werken doelde Hij toen anders, dan op de woorden, die Hij sprak? En van diezelfde woorden was hun geloof de vrucht. Toen echter de leerlingen het Evangelie verkondigden, toen geloofden er niet alleen zo weinig, als zij zelf in aantal waren, maar zelfs ook de heidenen. Ging niet die rijke (jongeling) bedroefd heen, bij het horen van zijn woorden: en hebben toch niet velen naderhand, toen het door de leerlingen gezegd werd, wèl gedaan, wat die ene niet deed, ofschoon hij het nog wel van Hemzelf gehoord had? Ziet, grotere dingen heeft Hij gedaan bij de prediking van die geloofden, dan toen Hij zelf de toehoorders aansprak. En ook dit valt nog op, dat Hij die grotere werken door de Apostelen verrichtte: en toch heeft Hij hen niet alleen bedoeld, toen Hij zei: « Wie in Mij gelooft ». Luistert dus: « Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht ». Eerst zal Ik ze doen, daarna zal ook hij ze doen: want Ik doe ze, opdat hij ze zou kunnen verrichten. Welke werken? Wat anders, dan de rechtvaardigmaking van de zondaar? Wat Christus wel in hem, maar toch niet zonder hem bewerkt. En ik zou willen zeggen, dat zo iets veel groter is, dan een hemel en een aarde scheppen: « want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan », het heil en de rechtvaardigmaking der gepraedestineerden zullen echter blijven. — Maar in de hemel zijn de werken der engelen Christus' werken. Doet soms hij, die met Christus aan zijn rechtvaardigmaking meewerkt, grotere dingen, dan die werken? Oordele wie er toe in staat is of het meer is rechtvaardigen te scheppen, dan zondaars rechtvaardig te maken. Voorzeker, als voor beide een even grote macht vereist wordt, dan is toch zeker het ene een uiting van grotere barmhartigheid. Maar om al de werken van Christus te begrijpen, waar Hij zegt « grotere dan deze zal hij doen », daartoe dwingt ons geen enkele noodzakelijkheid. Want wellicht bedoelde Hij die, welke Hij op dat ogenblik verrichtte. Toen echter, verkondigde Hij geloofs-waarheden; en inderdaad is het van minder waarde woorden van gerechtigheid te prediken, wat Hij buiten ons om deed, dan een zondaar rechtvaardig te maken, wat Hij zo in ons uitwerkt, dat wij er zelf aan medewerken ».

Ad tertium dicendum quod, quando aliquod particulare opus proprium est alicuius agentis, tunc per illud particulare opus probatur tota virtus agentis, sicut, cum ratiocinari sit proprium hominis, ostenditur aliquis esse homo ex hoc ipso quod ratiocinatur circa quodcumque particulare propositum. Et similiter cum propria virtute miracula facere sit solius Dei, sufficienter ostensum est Christum esse Deum ex quocumque miraculo quod propria virtute fecit. (IIIa q. 43 a. 4 ad 3)

3 — Wanneer een of ander bijzonder werk, iets geheel eigens is van wie het verricht, dan kan men door dat bijzondere werk de gehele kracht van de bewerker bewijzen: even goed als dat men aantonen kan, dat iemand mens is, uit het feit, dat hij redeneert met betrekking tot onverschillig welke bijzondere stelling ook. Want redeneren is iets eigens van het mens. En op gelijke wijze is, daar het alleen aan God toekomt uit eigen kracht wonderen te doen, voldoende aangetoond, dat Christus God is uit ieder wonder, dat Hij uit eigen kracht verricht heeft.