Tertia Pars. Quaestio 46. Over het lijden van Christus .
Prooemium
Consequenter considerandum est de his quae pertinent ad exitum Christi de mundo. Et
primo, de passione eius; secundo, de morte; tertio, de sepultura; quarto, de descensu
ad Inferos. Circa passionem occurrit triplex consideratio, prima, de ipsa passione;
secunda, de causa efficiente passionis; tertia, de fructu passionis. Circa primum
quaeruntur duodecim. Primo, utrum necesse fuerit Christum pati pro liberatione hominum.
Secundo, utrum fuerit alius modus possibilis liberationis humanae. Tertio, utrum iste
modus fuerit convenientior. Quarto, utrum fuerit conveniens quod in cruce pateretur.
Quinto, de generalitate passionis eius. Sexto, utrum dolor quem in passione sustinuit,
fuerit maximus. Septimo, utrum tota anima eius pateretur. Octavo, utrum passio eius
impediverit gaudium fruitionis. Nono, de tempore passionis. Decimo, de loco. Undecimo,
utrum conveniens fuerit ipsum cum latronibus crucifigi. Duodecimo, utrum passio ipsius
Christi sit divinitati attribuenda. (IIIa q. 46 pr.)
Vervolgens moet behandeld worden, wat behoort tot het heengaan van Christus uit de
wereld, en wel, ten eerste over zijn lijden; ten tweede over zijn dood (50e Kw.);
ten derde over zijn begrafenis (51e Kw.); ten vierde over zijn afdalen naar de onderwereld
(52e Kw.). Met betrekking tot het lijden moet een drievoudige behandeling volgen.
De eerste handelt over het lijden zelf; de tweede over de uitwerkende oorzaak van
het lijden (47e Kw.); de derde over de vrucht van het lijden (48e Kw.). Aangaande
het eerste punt stellen wij twaalf vragen: 1. Was het voor de bevrijding der mensen
noodzakelijk, dat Christus leed? 2. Was er een andere wijze mogelijk om de mensen
te verlossen? 3. Was deze wijze ook de meest geschikte? 4. Was het passend, dat Hij
leed op een kruis? 5. Over de algemeenheid van zijn lijden. 6. Was de smart, die Hij
bij zijn lijden verduurde, de aller-grootste? 7. Heeft geheel zijn ziel geleden? 8.
Was zijn lijden een beletsel voor de vreugde der genieting? 9. Over de tijd van het
lijden. 10. Over de plaats. 11. Was het passend, dat Hij met moordenaars gekruisigd
werd? 12. Moet het lijden van de Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
Articulus 1. Was het voor de bevrijding van het menselijk geslacht noodzakelijk, dat Christus leed?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium Christum pati pro humani
generis liberatione. Humanum enim genus liberari non poterat nisi a Deo, secundum
illud Isaiae XLV, nunquid non ego dominus, et non est ultra Deus absque me? Deus iustus
et salvans non est praeter me. In Deum autem non cadit aliqua necessitas, quia hoc
repugnaret omnipotentiae ipsius. Ergo non fuit necessarium Christum pati. (IIIa q. 46 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor de bevrijding van het menselijk geslacht,
dat Christus leed. Het menselijk geslacht immers kon slechts bevrijd worden door God,
zoals gezegd wordt bij *Isaïas* (45.21): « Ben Ik soms niet de Heer, en is er toch
verder geen God buiten Mij? Een rechtvaardige en zaligmakende God is er niet buiten
Mij. » God echter is aan geen noodzaak onderworpen, daar dit in strijd zou komen met
zijn almacht. Derhalve was het niet noodzakelijk, dat Christus leed.
Praeterea, necessarium voluntario opponitur. Sed Christus propria voluntate est passus,
dicitur enim Isaiae LIII, oblatus est quia ipse voluit. Ergo non necessarium fuit
eum pati. (IIIa q. 46 a. 1 arg. 2)
2 — Noodzakelijk is het tegenovergestelde van vrijwillig. Christus echter heeft uit eigen
wil geleden; want er staat bij Isaïas (55. 7): « Hij is geofferd, omdat Hij het zelf
gewild heeft. » Het was derhalve niet noodzakelijk dat Hij leed.
Praeterea, sicut in Psalmo dicitur, universae viae domini misericordia et veritas.
Sed non videtur necessarium quod pateretur ex parte misericordiae divinae, quae, sicut
gratis dona tribuit, ita videtur quod gratis debita relaxet, absque satisfactione.
Neque etiam ex parte divinae iustitiae, secundum quam homo aeternam damnationem meruerat.
Ergo videtur non fuisse necessarium quod Christus pro liberatione hominum pateretur. (IIIa q. 46 a. 1 arg. 3)
3 — Er wordt gezegd in het Boek der Psalmen (24. 10): « Al de wegen van God zijn barmhartigheid
en waarheid. » Dat Christus leed lijkt echter niet noodzakelijk uit het oogpunt der
goddelijke barmhartigheid, want evenals deze gratis gaven uitdeelt, zo schijnt zij
ook gratis, zonder voldoening, schulden te vergeven. Maar ook lijkt het niet noodzakelijk
uit het oogpunt der goddelijke rechtvaardigheid, want volgens haar had de mens de
eeuwige verwerping verdiend. Derhalve schijnt het niet noodzakelijk geweest te zijn,
dat Christus leed voor de verlossing der mensen.
Praeterea, angelica natura est excellentior quam humana, ut patet per Dionysium, IV
cap. de Div. Nom. Sed pro reparatione angelicae naturae, quae peccaverat, Christus
non est passus. Ergo videtur quod nec etiam fuerit necessarium eum pati pro salute
humani generis. (IIIa q. 46 a. 1 arg. 4)
4 — De natuur van een engel is verhevener dan die van een mens, zoals uit Dionysius blijkt.
Maar Christus is niet gestorven voor het herstel van de engelen-natuur, die gezondigd
had. Derhalve schijnt het ook niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Hij leed voor
het heil van het menselijk geslacht.
Sed contra est quod dicitur Ioan. III, sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto,
sic oportet exaltari filium hominis, ut omnis qui credit in eum non pereat, sed habeat
vitam aeternam. Quod quidem de exaltatione in cruce intelligitur. Ergo videtur quod
Christum oportuerit pati. (IIIa q. 46 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat er gezegd wordt bij Joannes (3. 14, 15): « Zoals Moses
de slang ophief in de woestijn, zo moet ook de mensenzoon verheven worden, opdat alwie
in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou bezitten ». Dit nu
wordt verstaan van de opheffing aan het kruis. Het heeft er dus wel de schijn van,
dat Christus heeft moeten lijden.
Respondeo dicendum quod, sicut philosophus docet in V Metaphys., necessarium multipliciter
dicitur. Uno quidem modo, quod secundum sui naturam impossibile est aliter se habere.
Et sic manifestum est quod non fuit necessarium Christum pati, neque ex parte Dei,
neque ex parte hominis. Alio modo dicitur aliquid necessarium ex aliquo exteriori.
Quod quidem si sit causa efficiens vel movens, facit necessitatem coactionis, utpote
cum aliquis non potest ire propter violentiam detinentis ipsum. Si vero illud exterius
quod necessitatem inducit, sit finis, dicetur aliquid necessarium ex suppositione
finis, quando scilicet finis aliquis aut nullo modo potest esse, aut non potest esse
convenienter, nisi tali fine praesupposito. Non fuit ergo necessarium Christum pati
necessitate coactionis, neque ex parte Dei, qui Christum definivit pati; neque etiam
ex parte ipsius Christi, qui voluntarie passus est. Fuit autem necessarium necessitate
finis. Qui quidem potest tripliciter intelligi. Primo quidem, ex parte nostra, qui
per eius passionem liberati sumus, secundum illud Ioan. III, oportet exaltari filium
hominis, ut omnis qui credit in eum non pereat, sed habeat vitam aeternam. Secundo,
ex parte ipsius Christi, qui per humilitatem passionis meruit gloriam exaltationis.
Et ad hoc pertinet quod dicitur Luc. ult., haec oportuit Christum pati, et sic intrare
in gloriam suam. Tertio, ex parte Dei, cuius definitio est circa passionem Christi
praenuntiatam in Scripturis et praefiguratam in observantia veteris testamenti. Et
hoc est quod dicitur Luc. XXII, filius hominis secundum quod definitum est vadit;
et Luc. ult., haec sunt verba quae locutus sum ad vos cum adhuc essem vobiscum, quoniam
necesse est impleri omnia quae scripta sunt in lege Moysi et prophetis et Psalmis
de me; et, quoniam scriptum est quoniam oportebat Christum pati et resurgere a mortuis. (IIIa q. 46 a. 1 co.)
Zoals de Wijsgeer zegt, wordt « noodzakelijk » meervoudig gebruikt. Vooreerst, wat
volgens zijn natuur onmogelijk anders kan zijn; en zo opgevat, is het duidelijk, dat
het niet noodzakelijk was, dat Christus leed, noch van Gods kant, noch van de kant
van de mens. — Men noemt iets ook anders nog noodzakelijk, en wel om een reden, die
van buiten dat ding komt. Is dit een werkende, of bewegende oorzaak, dan veroorzaakt
dat dwangnoodzaak; b. v. wanneer iemand niet lopen kan, omdat iemand hem met geweld
vasthoudt. Is echter datgene, wat van buitenaf noodzaak meebrengt, het doel, dan zal
zo iets noodzakelijk heten, uit vooropgesteld doel; en dat is dan het geval wanneer
zo'n doel ofwel op geen enkele wijze kan bereikt worden of althans niet op een behoorlijke
wijze, tenzij met vooropstelling van een dergelijk doel (1). Het was derhalve niet
noodzakelijk uit dwangnoodzakelijkheid dat Christus leed, noch van de kant van God,
die bepaalde, dat Christus zou lijden, noch van de kant van Christus zelf, die vrijwillig
geleden heeft. — Het was echter wel noodzakelijk volgens de doel-noodzakelijkheid.
Deze kan men van drie zijden bezien. Vooreerst, van onze kant uit, die verlost zijn
door zijn lijden, zoals geschreven staat bij Joannes (3. 14, 15): « De mensenzoon
moet verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige
leven zou hebben ». Ten tweede, van de kant van Christus zelf, die door de vernedering
van het lijden, de glorie der verheffing verdiend heeft. Hierop slaat, hetgeen gezegd
wordt bij Lucas (24. 26): « Moest de Christus dan niet lijden, en zo binnengaan in
zijn heerlijkheid? » Ten derde, van de kant van God, wiens besluit aangaande het lijden
van Christus, zoals dit voorzegd was in de H. Schrift en voorafgebeeld in het O. Testament,
vervuld moest worden. Zo moet ook verstaan worden, hetgeen gezegd wordt bij Lucas
(24. 44, 46): « Dit zijn de woorden, die Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u
was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen
moet vervuld worden: ... Zo staat het geschreven en zo moest de Christus lijden en
opstaan uit de doden ».
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de necessitate coactionis ex parte
Dei. (IIIa q. 46 a. 1 ad 1)
1 — Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van Gods kant.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit de necessitate coactionis ex parte hominis
Christi. (IIIa q. 46 a. 1 ad 2)
2 — Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van de kant van de mens Christus.
Ad tertium dicendum quod hominem liberari per passionem Christi, conveniens fuit et
misericordiae et iustitiae eius. Iustitiae quidem, quia per passionem suam Christus
satisfecit pro peccato humani generis, et ita homo per iustitiam Christi liberatus
est. Misericordiae vero, quia, cum homo per se satisfacere non posset pro peccato
totius humanae naturae, ut supra habitum est, Deus ei satisfactorem dedit filium suum,
secundum illud Rom. III, iustificati gratis per gratiam ipsius, per redemptionem quae
est in Christo Iesu, quem proposuit Deus propitiatorem per fidem ipsius. Et hoc fuit
abundantioris misericordiae quam si peccata absque satisfactione dimisisset. Unde
dicitur Ephes. II, Deus, qui dives est in misericordia, propter nimiam caritatem qua
dilexit nos, cum essemus mortui peccatis, convivificavit nos in Christo. (IIIa q. 46 a. 1 ad 3)
3 — Dat de mens door het lijden van Christus verlost werd, paste zowel aan zijn barmhartigheid,
als aan zijn rechtvaardigheid. — Aan zijn rechtvaardigheid, omdat Christus door zijn
lijden voldoening bracht voor de zonde van het menselijk geslacht, en zo is de mens
door de rechtvaardigheid van Christus bevrijd. — Aan zijn barmhartigheid, omdat, nu
de mens door zichzelf niet voldoen kon voor de zonden van geheel de menselijke natuur,
zoals vroeger gezegd is (1° Kw. 2° Art.), God hem zijn Zoon als verlosser gaf, zoals
geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (3. 24): « Om niet worden zij gerechtvaardigd
door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus, die God gesteld heeft
tot verzoener door het geloof in zijn bloed. » En dit getuigde van grotere barmhartigheid,
dan wanneer Hij de zonden had vergeven zonder voldoening. Vandaar staat er in de Brief
aan de Ephesiërs (2. 4, 5): « God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft om de grote
liefde, die Hij ons toedroeg, ons in Christus mede levend gemaakt, toen wij dood waren
door de zonden. »
Ad quartum dicendum quod peccatum Angeli non fuit remediabile, sicut peccatum hominis,
ut ex supra dictis in prima parte patet. (IIIa q. 46 a. 1 ad 4)
4 — De zonde van een engel kon niet vergeven worden, zoals de zonde van een mens, gelijk
gezegd is in het Eerste Deel (I. 64° Kw. 2° Art.).
Articulus 2. Was er een andere wijze mogelijk, om den mens te verlossen, dan door het lijden van
Christus?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non fuit possibilis alius modus liberationis
humanae naturae quam per passionem Christi. Dixit enim dominus, Ioan. XII, nisi granum
frumenti cadens in terram mortuum fuerit, ipsum solum manet, si autem mortuum fuerit,
multum fructum affert, ubi dicit Augustinus quod seipsum granum dicebat. Nisi ergo
mortem passus esset, aliter fructum nostrae liberationis non fecisset. (IIIa q. 46 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er geen andere wijze mogelijk was om de menselijke natuur te verlossen,
dan door het lijden van Christus. De Heer zegt immers bij Joannes (12. 24, 25): «
Tenzij de graankorrel, die in de aarde valt, sterft, blijft hij alleen; zo hij echter
sterft, brengt hij veel vrucht voort, » waarbij Augustinus opmerkt dat « Hij zichzelf
de graankorrel noemde. » Tenzij Hij dus de dood onderging, had Hij op geen enkele
andere wijze de vrucht onzer verlossing voortgebracht.
Praeterea, Matth. XXVI dominus dicit ad patrem, pater mi, si non potest iste calix
transire nisi bibam illum, fiat voluntas tua. Loquitur autem ibi de calice passionis.
Ergo passio Christi praeterire non poterat. Unde et Hilarius dicit, ideo calix transire
non potest nisi illum bibat, quia reparari nisi ex eius passione non possumus. (IIIa q. 46 a. 2 arg. 2)
2 — De Heer zegt tot de Vader bij Mattheus (26. 42): « Vader, zo deze kelk niet kan voorbijgaan,
tenzij ik hem ledige, Uw wil geschiede. » Hij spreekt daar nu over de kelk van het
lijden. Dus kon het lijden aan Christus niet voorbijgaan. Vandaar dat ook Hilarius
zegt: « Daarom kan de kelk niet voorbijgaan, tenzij Hij hem ledige, omdat voor ons
geen herstel mogelijk is, tenzij door zijn lijden. »
Praeterea, iustitia Dei exigebat ut homo a peccato liberaretur, Christo per passionem
suam satisfaciente. Sed Christus suam iustitiam praeterire non potest. Dicitur enim
II ad Tim. II, si non credimus, ille fidelis permanet, negare seipsum non potest.
Seipsum autem negaret si iustitiam suam negaret, cum ipse sit iustitia. Ergo videtur
quod non fuerit possibile alio modo hominem liberari quam per passionem Christi. (IIIa q. 46 a. 2 arg. 3)
3 — De rechtvaardigheid van God eiste, dat de mens van de zonde zou verlost worden door
de voldoening van Christus’ lijden. Christus nu kan zijn rechtvaardigheid niet verloochenen:
er staat immers in de Tweede Brief aan Timotheüs (2. 13): « Ook al geloven wij niet.
Hij blijft getrouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet ». Hij zou echter zichzelf
verloochenen, als Hij zijn rechtvaardigheid zou verloochenen, want Hij is: Gerechtigheid
(vgl. 1 Cor. 1. 30). Derhalve schijnt er geen redding te zijn voor de mens, tenzij
door het lijden van Christus.
Praeterea, fidei non potest subesse falsum. Sed antiqui patres crediderunt Christum
passurum. Ergo videtur quod non potuerit esse quin Christus pateretur. (IIIa q. 46 a. 2 arg. 4)
4 — Het geloof kan geen valschheid bevatten. De oude Vaders nu geloofden dat Christus
zou lijden. Dus was het onmogelijk dat Christus niet leed.
Sed contra est quod Augustinus dicit, XIII de Trin., istum modum quo nos per mediatorem
Dei et hominum, hominem Christum Iesum, Deus liberare dignatur, asserimus bonum et
divinae dignitati congruum, verum etiam ostendamus alium modum possibilem Deo fuisse,
cuius potestati cuncta aequaliter subiacent. (IIIa q. 46 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « Wij noemen deze wijze, waarop God
zich gewaardigd heeft ons te verlossen door de mens Christus Jesus, de middelbar tussen
God en de mensen, goed en passend aan Gods waardigheid; echter zullen wij ook aantonen,
dat er een andere wijze mogelijk was bij God, aan wiens macht alles gelijkelijk onderworpen
is. »
Respondeo dicendum quod aliquid potest dici possibile vel impossibile dupliciter,
uno modo, simpliciter et absolute; alio modo, ex suppositione. Simpliciter igitur
et absolute loquendo, possibile fuit Deo alio modo hominem liberare quam per passionem
Christi, quia non est impossibile apud Deum omne verbum, ut dicitur Luc. I. Sed ex
aliqua suppositione facta, fuit impossibile. Quia enim impossibile est Dei praescientiam
falli et eius voluntatem sive dispositionem cassari, supposita praescientia et praeordinatione
Dei de passione Christi, non erat simul possibile Christum non pati, et hominem alio
modo quam per eius passionem liberari. Et est eadem ratio de omnibus his quae sunt
praescita et praeordinata a Deo, ut in prima parte habitum est. (IIIa q. 46 a. 2 co.)
Iets kan op dubbele wijze mogelijk en onmogelijk zijn. Vooreerst, zonder meer en absoluut
genomen; op de tweede plaats, krachtens een vooropstelling. Zonder meer nu en absoluut
gesproken, kon God de mens ook anders verlossen, dan door het lijden van Christus,
daar « bij God niets onmogelijk is », zoals Lucas (1. 37) zegt. Maar in een bepaalde
veronderstelling was het onmogelijk. Daar Gods voorkennis immers zich niet kan bedriegen
en zijn wil of beschikking niet verijdeld kan worden, was het, Gods voorkennis en
voorbeschikking omtrent het lijden van Christus eenmaal verondersteld, niet tegelijk
mogelijk, dat Christus niet zou lijden of de mens anders dan door zijn lijden zou
verlost worden. Diezelfde redenering geldt voor alles, wat God vooruit wist en beschikte,
zoals uiteengezet werd in het Eerste Deel (I. 14° Kw. 13° Art.).
Ad primum ergo dicendum quod dominus ibi loquitur supposita praescientia et praeordinatione
Dei, secundum quam erat ordinatum ut fructus humanae salutis non sequeretur nisi Christo
patiente. (IIIa q. 46 a. 2 ad 1)
1 — De Heer spreekt daar met vooropstelling van Gods voorkennis en voorbeschikking, volgens
welke de vrucht van het menselijk heil slechts zou volgen uit Christus’ lijden. Zo
moet ook de tekst: « Indien deze heil niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinkt »,
welke in de 2° Bed. opgeworpen wordt, verstaan worden, nl. : « omdat Gij het zo beschikt
hebt ». Vandaar voegt Hij er ook aan toe: « Uw wil geschiede ».
Et similiter intelligendum est quod secundo obiicitur, si non potest hic calix transire
nisi bibam illum, scilicet, propter hoc quod et tu ita disposuisti. Unde subdit, fiat
voluntas tua. (IIIa q. 46 a. 2 ad 2)
2 — Deze rechtvaardigheid is ook afhankelijk van Gods wil, die van het menselijk geslacht
voldoening eiste voor de zonde. Want als Hij de mens zonder enige voldoening had willen
verlossen van de zonde, zou Hij niet tegen zijn rechtvaardigheid gehandeld hebben.
Immers de rechter, die een vergrijp moet straffen, dat tegen een ander werd bedreven,
b.v. tegen een ander mens, tegen de gehele staat, of tegen een hogere machthebber,
kan die schuld niet straffeloos vergeven, zonder de rechtvaardigheid geweld aan te
doen. Boven God echter staat er geen hoger, want Zelf is Hij het hoogste en algemene
goed van het heelal. Als Hij derhalve een zonde vergeeft, die straf vraagt, omdat
zij tegen Hem bedreven werd, dan doet Hij niemand onrecht: zo ook handelt een mens
barmhartig en niet onrechtvaardig, als hij zonder voldoening een beleediging vergeeft,
die hemzelf is aangedaan. Daarom zei David in het Boek der Psalmen (50. 6): « Tegen
U alleen heb ik misdaan », alsof hij zeggen wilde: « Gij kunt mij vergeven zonder
onrechtvaardig te zijn ».
Ad tertium dicendum quod haec etiam iustitia dependet ex voluntate divina ab humano
genere satisfactionem pro peccato exigente. Alioquin, si voluisset absque omni satisfactione
hominem a peccato liberare, contra iustitiam non fecisset. Ille enim iudex non potest,
salva iustitia, culpam sive poenam dimittere, qui habet punire culpam in alium commissam,
puta vel in alium hominem, vel in totam rempublicam, sive in superiorem principem.
Sed Deus non habet aliquem superiorem, sed ipse est supremum et commune bonum totius
universi. Et ideo, si dimittat peccatum, quod habet rationem culpae ex eo quod contra
ipsum committitur, nulli facit iniuriam, sicut quicumque homo remittit offensam in
se commissam absque satisfactione, misericorditer, et non iniuste agit. Et ideo David,
misericordiam petens, dicebat, tibi soli peccavi, quasi dicat, potes sine iniustitia
mihi dimittere. (IIIa q. 46 a. 2 ad 3)
3 — Het geloof van de mens, en ook de goddelijke Schriftuur, waaruit het geloof wordt
opgebouwd, steunen op Gods voorkennis en voorbeschikking. Derhalve gaat dezelfde redenering
op voor de noodzaak, welke volgt uit de vooropstelling van die beide, als voor de
noodzaak, die een gevolg is van Gods voorkennis en van Gods wilsbeschikking.
Ad quartum dicendum quod fides humana, et etiam Scripturae divinae, quibus fides instruitur,
innituntur praescientiae et ordinationi divinae. Et ideo eadem ratio est de necessitate
quae provenit ex suppositione eorum, et de necessitate quae provenit ex praescientia
et voluntate divina. (IIIa q. 46 a. 2 ad 4)
Articulus 3. Bestond er een meer passende manier om het menselijk geslacht te verlossen, dan door
het lijden van Christus?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod alius modus convenientior fuisset liberationis
humanae quam per passionem Christi. Natura enim in sua operatione imitatur opus divinum,
utpote a Deo mota et regulata. Sed natura non facit per duo quod per unum potest facere.
Cum ergo Deus potuerit hominem liberare sola propria voluntate, non videtur conveniens
fuisse quod ad liberationem humani generis Christi passio adderetur. (IIIa q. 46 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er een andere, meer passende, wijze was om de mens te verlossen,
dan door het lijden van Christus. De natuur toch bootst bij haar werken de werking
van God na, daar zij immers door God wordt aangezet en geregeld. De natuur echter
doet niet door middel van twee, wat zij door een doen kan. Wil God nu enkel door zijn
wil de mens verlossen, lijkt het niet passend, er het lijden van Christus nog aan
toe te voegen, om het menselijk geslacht te verlossen.
Praeterea, ea quae fiunt per naturam, convenientius fiunt quam ea quae per violentiam
fiunt, quia violentum est quaedam excisio, seu casus, ab eo quod est secundum naturam,
ut dicitur in libro de caelo. Sed passio Christi mortem violentam induxit. Ergo convenientius
fuisset quod Christus naturali morte moriendo hominem liberaret, quam quod pateretur. (IIIa q. 46 a. 3 arg. 2)
2 — Wat naar eigen aard gebeurt, geschiedt passender, dan wat gewelddadig gebeurt: aangezien
geweld « een zeker te niet gaan, » een afwijking is, « van wat volgens de natuur is,
» zoals gezegd wordt in de Coelo. Het lijden van Christus nu veroorzaakte een gewelddadige
dood. Daarom was het passender, dat Christus de mens verloste door een natuurlijke
dood te sterven, dan door zijn lijden.
Praeterea, convenientissimum videtur quod ille qui violenter et iniuste detinet, per
superioris potentiam spolietur, unde et Isaiae LII dicitur, gratis venundati estis,
et sine argento redimemini. Sed Diabolus nullum ius in homine habebat, quem per fraudem
deceperat, et per quandam violentiam servituti subiectum detinebat. Ergo videtur convenientissimum
fuisse quod Christus Diabolum per solam potentiam spoliaret, absque sua passione. (IIIa q. 46 a. 3 arg. 3)
3 — Het lijkt zeer passend, dat hij die iets op gewelddadige en onrechtmatige wijze in
bezit houdt, door de macht van de overheid daarvan beroofd wordt. Daarom wordt gezegd
in Isaïas (52. 3): « Om niet zijt gij verkocht en zonder geld wordt gij teruggekocht.
» De duivel nu had geen enkel recht op de mens, die hij met list had bedrogen, en
in zekeren zin gewelddadig in slavernij gebonden hield. Derhalve was het zeer passend,
dat Christus de duivel beroofde zonder te lijden, enkel door zijn macht.
Sed contra est quod Augustinus dicit, XIII de Trin., sanandae nostrae miseriae convenientior
modus alius non fuit quam per Christi passionem. (IIIa q. 46 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Er was geen passender wijze, om
onze ellende te herstellen, » dan door het lijden van Christus.
Respondeo dicendum quod tanto aliquis modus convenientior est ad assequendum finem,
quanto per ipsum plura concurrunt quae sunt expedientia fini. Per hoc autem quod homo
per Christi passionem est liberatus, multa occurrerunt ad salutem hominis pertinentia,
praeter liberationem a peccato. Primo enim, per hoc homo cognoscit quantum Deus hominem
diligat, et per hoc provocatur ad eum diligendum, in quo perfectio humanae salutis
consistit. Unde apostolus dicit, Rom. V, commendat suam caritatem Deus in nobis, quoniam,
cum inimici essemus, Christus pro nobis mortuus est. Secundo, quia per hoc dedit nobis
exemplum obedientiae, humilitatis, constantiae, iustitiae, et ceterarum virtutum in
passione Christi ostensarum, quae sunt necessariae ad humanam salutem. Unde dicitur
I Pet. II, Christus passus est pro nobis, nobis relinquens exemplum, ut sequamur vestigia
eius. Tertio, quia Christus per passionem suam non solum hominem a peccato liberavit,
sed etiam gratiam iustificantem et gloriam beatitudinis ei promeruit, ut infra dicetur.
Quarto, quia per hoc est homini indicta maior necessitas se immunem a peccato conservandi,
secundum illud I Cor. VI, empti estis pretio magno, glorificate et portate Deum in
corpore vestro. Quinto, quia hoc ad maiorem dignitatem cessit, ut, sicut homo victus
fuerat et deceptus a Diabolo, ita etiam homo esset qui Diabolum vinceret; et sicut
homo mortem meruit, ita homo moriendo mortem superaret; ut dicitur I Cor. XV, Deo
gratias, qui dedit nobis victoriam per Iesum Christum. Et ideo convenientius fuit
quod per passionem Christi liberaremur, quam per solam Dei voluntatem. (IIIa q. 46 a. 3 co.)
Een bepaalde manier om een doel te bereiken is des te passender, naarmate daardoor
meerdere dingen samenkomen, die het doel van voordeel zijn. Doordat nu de mens door
Christus’ lijden verlost is, zijn er, behalve dan de verlossing van de zonde, vele
(resultaten) samen tot stand gekomen, welke allen betrekking hebben op mensen heil.
Ten eerste immers, doet dit de mens inzien, hoezeer God hem liefheeft en wordt hij
hierdoor aangezet tot liefde voor Hem, in wien het volmaakte heil gelegen is. Daarom
zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (5. 8): « God bewijst zijn liefde voor
ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog vijanden waren. » — Ten
tweede, gaf hij ons hierdoor een voorbeeld van gehoorzaamheid, van nederigheid en
van standvastigheid, van rechtvaardigheid en van al die andere deugden, welke in Christus’
lijden tot uiting kwamen, welke allen ook noodzakelijk zijn voor de zaliging van de
mens. Daarom wordt er gezegd in de Eerste Brief van Petrus (2. 21): « Christus heeft
voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zou drukken.
» — Ten derde, heeft Christus door zijn lijden niet alleen de mens verlost van de
zonde, maar ook voor hem de heiligmakende genade en de zaligende heerlijkheid verdiend,
zoals later zal worden uiteengezet (48e Kw. 1e Art.). — Ten vierde, voelt de mens
zich nu des te meer verplicht, zich rein te bewaren van de zonde, als hij bedenkt,
dat hij van zijn zonde verlost is door het bloed van Christus, zoals gezegd wordt
in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6. 20): « Gij toch zijt vrijgekocht door het
bloed van Christus: verheerlijk en draag God in uw lichaam.» — Ten vijfde gaf het
de mens een hogere waardigheid, want gelijk de duivel de mens overwon en misleidde,
zo werd ook de duivel door een mens overwonnen; en zoals de mens de dood verdiende,
zo heeft ook een mens door te sterven de dood overwonnen. Daarom wordt gezegd in de
Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 57): « Aan God zij dank, die ons de overwinning
geschonken heeft door onze Heer Jesus Christus.» Zo was het dus meer passend, dat
wij verlost werden door het lijden van Christus, dan enkel door Gods wil.
Ad primum ergo dicendum quod natura etiam, ut aliquid convenientius faciat, plura
ad unum assumit, sicut duos oculos ad videndum. Et idem patet in aliis. (IIIa q. 46 a. 3 ad 1)
1 — Ook de natuur gebruikt meerdere middelen tot iets, om het daardoor op een meer behoorlijke
wijze te verrichten, zoals twee ogen om te zien; en hetzelfde blijkt in andere dingen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, Christus non sui mortem, quam
non habebat, cum sit vita, sed hominum mortem venerat consumpturus. Unde non propria
morte corpus deposuit, sed ab hominibus illatam sustinuit. Sed et, si aegrotavisset
corpus eius et in conspectu omnium solveretur, inconveniens erat eum qui aliorum languores
sanaret, habere proprium corpus affectum languoribus. Sed et, si absque aliquo morbo
seorsum alicubi corpus deposuisset ac deinde se offerret, non crederetur ei de resurrectione
disserenti. Quomodo enim pateret Christi in morte victoria, nisi, coram omnibus eam
patiens, per incorruptionem corporis probasset extinctam? (IIIa q. 46 a. 3 ad 2)
2 — Chrysostomus zegt: « Christus was gekomen om de dood der mensen te niet te doen, en
niet zijn eigen dood, daar Hij hieraan niet onderworpen was, omdat Hij het Leven is.
Daarom legde Hij zijn lichaam niet af, door uit zichzelf te sterven, maar onderging
Hij een dood, die Hem door mensen werd aangedaan. Maar ook: indien zijn lichaam ziek
was geworden en ontbonden, ten getuige van allen, dan was het niet passend, dat Hij
die de ziekten van anderen genas, zelf een lichaam had, dat aan ziekten leed. En zelfs,
al had Hij zonder ziekte zijn lichaam ergens afzonderlijk afgelegd en zich vervolgens
vertoond, dan zou men Hem niet geloven, als Hij van zijn verrijzenis sprak. Hoe kon
immers in Christus’ dood de overwinning uitschitteren, tenzij Hij openlijk de dood
onderging en dan met zijn onbedorven lichaam bewees, dat de dood vernietigd was.
Ad tertium dicendum quod, licet Diabolus iniuste invaserit hominem, tamen homo propter
peccatum iuste erat sub servitute Diaboli derelictus a Deo. Et ideo conveniens fuit
ut per iustitiam homo a servitute Diaboli liberaretur, Christo satisfaciente pro ipso
per suam passionem. Fuit etiam hoc conveniens ad vincendam superbiam Diaboli, qui
est desertor iustitiae et amator potentiae, ut Christus Diabolum vinceret et hominem
liberaret, non per solam potentiam divinitatis, sed etiam per iustitiam et humilitatem
passionis, ut Augustinus dicit, XIII de Trinitate. (IIIa q. 46 a. 3 ad 3)
3 — Hoewel de duivel de mens onrechtmatig had aangerand, was het toch rechtvaardig, dat
God de mens om zijn zonde liet zuchten onder de slavernij van de duivel. En daarom
was het passend, dat de mens met rechtvaardigheid verlost werd van de slavernij van
de duivel, namelijk doordat Christus voor hem voldoening bracht door zijn lijden.
Ook was het passend om de hoogmoed van de duivel, die « zich om rechtvaardigheid niet
bekommert en zo van macht houdt », te vernederen, dat Christus « de duivel overwon
en de mens bevrijdde, niet slechts door zijn goddelijke macht, maar ook door de rechtvaardigheid
en de vernedering van zijn lijden, » zoals Augustinus zegt.
Articulus 4. Moest Christus aan een kruis lijden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit pati in cruce. Veritas
enim debet respondere figurae. Sed in figuram Christi praecesserunt omnia sacrificia
veteris testamenti, in quibus animalia gladio necabantur, et postmodum igni cremabantur.
Ergo videtur quod Christus non debuerit pati in cruce, sed magis gladio vel igne. (IIIa q. 46 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet moest lijden aan een kruis. De werkelijkheid moet immers
beantwoorden aan de voorafbeelding. Al de offers nu van het Oude Testament waren een
voorafbeelding van Christus: en daarbij werden de dieren met het mes geslacht en daarna
verbrand. Derhalve moest Christus niet lijden aan een kruis, maar veeleer met een
zwaard of met vuur gedood worden.
Praeterea, Damascenus dicit quod Christus non debuit assumere detractibiles passiones.
Sed mors crucis videtur maxime detractibilis et ignominiosa, unde dicitur Sap. II,
morte turpissima condemnemus eum. Ergo videtur quod Christus non debuit pati mortem
crucis. (IIIa q. 46 a. 4 arg. 2)
2 — Damascenus zegt, dat Christus geen « vernederend lijden » mocht ondergaan. De dood
aan het kruis echter was allermeest vernederend en onterend. Daarom wordt gezegd in
het Boek der Wijsheid (2. 20): « Laten wij Hem tot de allerschandelijkste dood veroordelen
». Dus moest Christus niet de kruisdood sterven.
Praeterea, de Christo dicitur, benedictus qui venit in nomine domini, ut patet Matth.
XXI. Sed mors crucis erat mors maledictionis, secundum illud Deut. XXI, maledictus
a Deo est qui pendet in ligno. Ergo videtur quod non fuit conveniens Christum crucifigi. (IIIa q. 46 a. 4 arg. 3)
3 — Van Christus wordt gezegd: « Gezegend, die komt in de naam des Heren », zoals blijkt
bij Mattheus (21. 9). De kruisdood echter was een dood van vervloeking, zoals staat
in het Boek Deuteronomium (21. 23): « Gevloekt van God is hij, die hangt aan het hout.
» Dus was het niet passend, om Christus te kruisigen.
Sed contra est quod dicitur Philipp. II, factus est obediens usque ad mortem, mortem
autem crucis. (IIIa q. 46 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Philippensen (2. 8): « Hij
is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis. »
Respondeo dicendum quod convenientissimum fuit Christum pati mortem crucis. Primo
quidem, propter exemplum virtutis. Dicit enim Augustinus, in libro octogintatrium
quaest., sapientia Dei hominem, ad exemplum quo recte viveremus, suscepit. Pertinet
autem ad vitam rectam ea quae non sunt metuenda, non metuere. Sunt autem homines qui,
quamvis mortem ipsam non timeant, genus tamen mortis horrescunt. Ut ergo nullum genus
mortis recte viventi homini metuendum esset, illius hominis cruce ostendendum fuit,
nihil enim erat, inter omnia genera mortis, illo genere execrabilius et formidabilius.
Secundo, quia hoc genus mortis maxime conveniens erat satisfactioni pro peccato primi
parentis, quod fuit ex eo quod, contra mandatum Dei, pomum ligni vetiti sumpsit. Et
ideo conveniens fuit quod Christus, ad satisfaciendum pro peccato illo, seipsum pateretur
ligno affigi, quasi restituens quod Adam sustulerat, secundum illud Psalmi, quae non
rapui, tunc exsolvebam. Unde Augustinus dicit, in quodam sermone de passione, contemsit
Adam praeceptum, accipiens ex arbore, sed quidquid Adam perdidit, Christus in cruce
invenit. Tertia ratio est quia, ut Chrysostomus dicit, in sermone de passione, in
excelso ligno, et non sub tecto passus est, ut etiam ipsius aeris natura mundetur.
Sed et ipsa terra simile beneficium sentiebat, decurrentis de latere sanguinis stillatione
mundata. Et super illud Ioan. III, oportet exaltari filium hominis, exaltari audiens,
suspensionem intelligas in altum, ut sanctificaret aerem qui sanctificaverat terram
ambulando in ea. Quarta ratio est quia, per hoc quod in ea moritur, ascensum nobis
parat in caelum, ut Chrysostomus dicit. Et inde est quod ipse dicit, Ioan. XII, ego,
si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum. Quinta ratio est quia hoc competit
universali salvationi totius mundi. Unde Gregorius Nyssenus dicit quod figura crucis,
a medio contactu in quatuor extrema partita, significat virtutem et providentiam eius
qui in ea pependit, ubique diffusam. Chrysostomus etiam dicit quod in cruce, expansis
manibus, moritur, ut altera manu veterem populum, altera eos qui ex gentibus sunt,
trahat. Sexta ratio est quia per hoc genus mortis diversae virtutes designantur. Unde
Augustinus dicit, in libro de gratia Vet. et novi Test., non frustra tale genus mortis
elegit, ut latitudinis et altitudinis et longitudinis et profunditatis, de quibus
apostolus loquitur, magister existeret. Nam latitudo est in eo ligno quod transversum
desuper figitur; hoc ad bona opera pertinet, quia ibi extenduntur manus. Longitudo
in eo quod ab ipso ligno usque ad terram conspicuum est, ibi enim quodammodo statur,
idest, persistitur et perseveratur; quod longanimitati tribuitur. Altitudo est in
ea ligni parte quae ab illa quae transversa figitur, sursum versus relinquitur, hoc
est, ad caput crucifixi, quia bene sperantium superna expectatio est. Iam vero illud
ex ligno quod fixum occultatur, unde totum illud exurgit, significat profunditatem
gratuitae gratiae. Et, sicut Augustinus dicit, super Ioan., lignum in quo fixa erant
membra patientis, etiam cathedra fuit magistri docentis. Septima ratio est quia hoc
genus mortis plurimis figuris respondet. Ut enim Augustinus dicit, in sermone de passione,
de diluvio aquarum humanum genus arca lignea liberavit; de Aegypto Dei populo recedente,
Moyses mare virga divisit, et Pharaonem prostravit, et populum Dei redemit; idem Moyses
lignum in aquam misit et amaram aquam in dulcedinem commutavit; ex lignea virga de
spirituali petra salutaris unda profertur; et, ut Amalec vinceretur, contra virgam
Moyses expansis manibus extenditur; et lex Dei arcae testamenti creditur ligneae;
ut his omnibus ad lignum crucis, quasi per quosdam gradus, veniatur. (IIIa q. 46 a. 4 co.)
Het was zeer passend, dat Christus de kruisdood onderging. — Ten eerste, om zijn voorbeeld
van deugd. Augustinus zegt toch: « De goddelijke Wijsheid werd mens, om een voorbeeld
te geven, hoe wij behoorlijk moeten leven. 'n Behoorlijk leven nu sluit in, dat men
niet vreest, wat niet gevreesd moet worden. Er zijn echter mensen, die wel niet de
dood vrezen, maar toch een afschuw hebben van een bepaalde dood. Door de kruisdood
nu van die mens moest getoond worden, dat iemand, die behoorlijk leeft geen enkele
dood moet vrezen. Er was immers geen andere dood zo afschuwelijk en vreeswekkend als
deze. » — Ten tweede was deze wijze van sterven de meest passende om te voldoen voor
de zonden van de stamvader, welke hierin bestond, dat hij, tegen het gebod van God
in, de appel at van het verboden hout. Derhalve was het passend, dat Christus, tot
voldoening voor die zonde, zichzelf aan het hout liet slaan, a. h. w. teruggevend,
wat Adam had weggenomen, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (68. 5): « Wat
ik niet geroofd heb, heb ik toen hersteld. » Vandaar dat Augustinus zegt: « Adam verachtte
het gebod, door de appel van de boom te nemen; maar wat Adam verloor, heeft Christus
op het kruis wedergevonden. » — Ten derde heeft Hij, zoals Chrysostomus zegt, « geleden
op een opgericht hout, en niet onder een dak, om zelfs de natuur der lucht te reinigen.
En ook de aarde onderging dezelfde weldaad, die door het neerdruppelen van het bloed,
dat uit zijn zijde stroomde, werd gereinigd. » En aangaande de woorden van Joannes
(3. 14): « De mensenzoon moet verheven worden, » zegt hij: « Als gij hoort van verheven
worden, moet gij denken aan het ophangen in de hoogte, waardoor Hij de lucht reinigde,
die de aarde had geheiligd door er op te wandelen. » — Ten vierde, « omdat Hij ons
een toegang verschafte naar de hemel door in de hoogte te sterven, » zoals Chrysostomus
zegt. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (12. 32, 33): « Als Ik van de aarde verheven
zal zijn, zal Ik alles tot mij trekken. » — Ten vijfde, omdat dit overeenkwam met
de algemene verlossing van heel de wereld. Daarom zegt Gregorius van Nyssa, dat «
de figuur van het kruis, welke vanuit het middelpunt in vier uiteinden vervalt, aantoont,
dat de kracht en de voorzienigheid van Hem, die daaraan hing, uitgaat naar alle kanten.
» — Ten zesde, omdat door deze manier van sterven verschillende deugden aan het licht
traden. Zo zegt Augustinus: « Niet voor niets koos Hij deze wijze van sterven, om
als leermeester te kunnen optreden van die breedte en hoogte, lengte en diepte, »
waarover de Apostel spreekt. « Want de breedte wordt uitgemaakt door dat hout, hetwelk
boven dwars wordt vastgemaakt; en deze beduidt de goede werken, wijl daar de handen
worden uitgestrekt. De lengte wordt uitgemaakt door dat stuk, hetwelk zich uitstrekt
vanaf dat eerste hout tot aan de grond: daarmede nu staat het in zekeren zin, d. i.
heeft het stevigheid en vastheid, hetgeen aan de lankmoedigheid wordt toegeschreven.
De hoogte vormt dat deel, hetwelk zich vanaf de dwarsbalk naar boven toe uitstrekt,
d. i. bij het hoofd van de gekruisigde, omdat de verwachting van hen, die op de juiste
wijze hopen, naar boven is gericht. Ten slotte, dat deel van het hout, hetwelk in
de grond vastzit en daardoor verborgen is, en waaruit het geheel oprijst, betekent
de diepte van de onverplichte genade. » Evenzo zegt Augustinus: « Het hout, waaraan
de ledematen van Hem die lijdt gehecht waren, was ook de zetel van de leeraar. » —
Ten zevende, omdat deze wijze van sterven aan meerdere voorafbeeldingen beantwoordt.
Zo zegt immers Augustinus: « De ark van hout heeft het mensdom gered uit de zondvloed;
toen het volk Gods uit Egypte trok, verdeelde Moses de zee met een staf, bracht Pharao
ten onder, en verloste het volk Gods; dezelfde Moses wierp een stuk hout in het water
en maakte het bittere water zoet; met de houten staf werd uit de geestelijke rots
een heilzame stroom te voorschijn gebracht; en opdat Amalech zou overwonnen worden,
strekte Moses om de staf de handen uit; en de Wet Gods werd aan de houten ark des
Verbonds toevertrouwd, opdat men met dat al a. h. w. trapsgewijs zou komen tot het
kruishout. »
Ad primum ergo dicendum quod altare holocaustorum, in quo sacrificia animalium offerebantur,
erat factum de lignis, ut habetur Exod. XXVII, et quantum ad hoc veritas respondet
figurae. Non autem oportet quod quantum, ad omnia, quia iam non esset similitudo,
sed veritas, ut Damascenus dicit, in III libro. Specialiter tamen, ut Chrysostomus
dicit, non caput ei amputatur, ut Ioanni; neque sectus est, ut Isaias, ut corpus integrum
et indivisibile morti servet, et non fiat occasio volentibus Ecclesiam dividere. Loco
autem materialis ignis, fuit in holocausto Christi ignis caritatis. (IIIa q. 46 a. 4 ad 1)
1 — Het altaar der slachtoffers, waarop de dier-offers werden opgedragen, was uit hout
vervaardigd gelijk we weten uit het Boek van de Uittocht (27. 1); en wat dat betreft,
beantwoordde de werkelijkheid aan de voorafbeelding. « Het is » echter « niet nodig,
dat zij ook in ieder opzicht beantwoordde, want dan zou het geen gelijkenis meer zijn,
maar werkelijkheid, » zoals Damascenus zegt. En wat dit speciale geval nog betreft
zegt Chrysostomus: « Hem werd het hoofd niet afgeslagen, zoals bij Johannes; ook werd
Hij niet doorgezaagd, zoals Isaïas; opdat Hij zijn lichaam geheel en onverdeeld zou
bewaren in de dood en er geen kans zou geboden worden aan hen, die de Kerk willen
verdelen. » In de plaats van het stoffelijk vuur echter trad bij het offer van Christus
het vuur der liefde.
Ad secundum dicendum quod Christus detractibiles passiones assumere renuit quae pertinebant
ad defectum scientiae vel gratiae, aut etiam virtutis. Non autem illas quae pertinent
ad iniuriam ab exteriori illatam, quinimmo, ut dicitur Heb. XII, sustinuit crucem
confusione contempta. (IIIa q. 46 a. 4 ad 2)
2 — Christus wilde niet zulk vernederend lijden ondergaan, dat een gemis inhield aan kennis,
genade of zelfs deugd. Wel echter zo’n lijden, dat ongerechtigheid insloot, die van
buitenaf werd veroorzaakt. Integendeel, zoals staat in de Brief aan de Hebreën (12.
2): « Hij heeft het kruis op zich genomen en de schande niet geacht. »
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, XIV contra Faustum, peccatum maledictum
est et per consequens mors et mortalitas ex peccato proveniens, caro autem Christi
mortalis fuit, similitudinem habens carnis peccati. Et propter hoc Moyses eam nominat
maledictum, sicut et apostolus nominat eam peccatum, dicens, II Cor. V, eum qui non
noverat peccatum, pro nobis peccatum fecit, scilicet per poenam peccati. Nec ideo
maior invidia est, quia dixit, maledictus est a Deo. Nisi enim Deus peccatum odisset,
non ad eam suscipiendam atque tollendam filium suum mitteret. Confitere ergo maledictum
suscepisse pro nobis, quem confiteris mortuum esse pro nobis. Unde et Galat. III dicitur,
Christus nos redemit de maledicto legis, factus pro nobis maledictum. (IIIa q. 46 a. 4 ad 3)
3 — Zoals Augustinus zegt, is de zonde een vloek en bijgevolg ook de dood en de sterfelijkheid,
die uit de zonde voortkomen. « Het lichaam van Christus nu was sterfelijk, omdat het
geleek op het zondige vlees »: en daarom noemt Moses het een « vloek », zoals ook
de Apostel het vlees « zonde » noemt, waar hij in de Tweede Brief aan de Corinthiërs
(5. 21) zegt: « Die geen zonde gekend heeft, werd voor ons tot zonde gemaakt, » namelijk
van wege de zondestraf. « En het was ook geen grotere ongenade, dat hij zei: Hij is
vervloekt van God. Want indien God de zonde en onze dood niet gehaat had, zou Hij
ook niet zijn Zoon gezonden hebben, om die op zich te nemen en te niet te doen. Belijd
derhalve, dat Hij de vloek voor ons op zich genomen heeft, van wie jij ook belijdt,
dat Hij voor ons gestorven is. » Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Galaten (3.
13): « Christus heeft ons verlost van de vervloeking der Wet, door voor ons tot vervloeking
te worden. »
Articulus 5. Heeft Christus alle lijden verduurd?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christus omnes passiones sustinuerit. Dicit
enim Hilarius, in X de Trin., unigenitus Dei, ad peragendum mortis suae sacramentum,
consummasse in se omne humanarum genus passionum testatur, cum, inclinato capite,
emisit spiritum. Videtur ergo quod omnes passiones humanas sustinuerit. (IIIa q. 46 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus alle lijden heeft ondergaan. Hilarius toch zegt: « De eniggeboren
Zoon van God heeft bij het voltrokken worden van het geheim van zijn dood getuigd,
dat Hij alle soorten van menselijk lijden heeft doorstaan, toen Hij met gebogen hoofd
de geest gaf ». Hij schijnt dus alle menselijk lijden ondergaan te hebben.
Praeterea, Isaiae LII dicitur, ecce, intelliget servus meus, et exaltabitur, et elevabitur,
et sublimis erit valde. Sicut obstupuerunt super eum multi, sic inglorius erit inter
viros aspectus eius, et forma eius inter filios hominum. Sed Christus est exaltatus
secundum hoc quod habuit omnem gratiam et omnem scientiam, pro quo super eo multi
admirantes obstupuerunt. Ergo videtur quod inglorius fuerit sustinendo omnem passionem
humanam. (IIIa q. 46 a. 5 arg. 2)
2 — Bij Isaïas (52. 13, 14) wordt gezegd: « Zie, mijn Dienstknecht zal verstandig zijn,
Hij zal verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt zijn. Zoals velen over Hem verbaasd
stonden, zo zal ook zijn voorkomen ontluisterd zijn onder de mensen, en zijn gedaante
onder de mensenkinderen ». Christus echter is verheven, omdat Hij alle genade en kennis
had, waarom velen over Hem verbaasd stonden in bewondering. Derhalve schijnt het,
dat Hij ontluisterd werd door alle menselijk lijden te verduren.
Praeterea, passio Christi ordinata est ad liberationem hominis a peccato, ut supra
dictum est. Sed Christus venit liberare homines ab omni peccatorum genere. Ergo debuit
pati omne genus passionum. (IIIa q. 46 a. 5 arg. 3)
3 — Het lijden van Christus was er op gericht, de mens van de zonden te verlossen, gelijk
boven gezegd is (in deze Kw. 4° Art.). Welnu Christus kwam de mens verlossen van elke
soort van zonden. Dus moest Hij ook alle soorten van lijden verduren.
Sed contra est quod dicitur Ioan. XIX, quod milites primi quidem fregerunt crura et
alterius qui crucifixus est cum eo, ad Iesum autem cum venissent, non fregerunt eius
crura. Non ergo passus est omnem humanam passionem. (IIIa q. 46 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (19. 32) dat « de soldaten
wel de beenderen braken van de eersten en van de anderen, die met Hem gekruisigd werden,
maar toen zij bij Jesus kwamen, braken zij zijn beenderen niet. » Dus heeft Hij niet
alle menselijke lijden ondergaan.
Respondeo dicendum quod passiones humanae possunt considerari dupliciter. Uno modo,
quantum ad speciem. Et sic non oportuit Christum omnem humanam passionem pati, quia
multae passionum species sibi invicem contrariantur, sicut combustio in igne et submersio
in aqua. Loquimur enim nunc de passionibus ab extrinseco illatis, quia passiones ab
intrinseco causatas, sicut sunt aegritudines corporales, non decuit eum pati, ut supra
dictum est. Sed secundum genus, passus est omnem passionem humanam. Quod quidem potest
considerari tripliciter. Uno modo, ex parte hominum. Passus est enim aliquid et a
gentilibus, et a Iudaeis; a masculis et feminis, ut patet de ancillis accusantibus
Petrum. Passus est etiam a principibus, et a ministris eorum, et popularibus, secundum
illud Psalmi, quare fremuerunt gentes, et populi meditati sunt inania? Astiterunt
reges terrae, et principes convenerunt in unum, adversus dominum et adversus Christum
eius. Passus est etiam a familiaribus et notis, sicut patet de Iuda eum prodente,
et Petro ipsum negante. Alio modo patet idem ex parte eorum in quibus homo potest
pati. Passus est enim Christus in suis amicis eum deserentibus; in fama per blasphemias
contra eum dictas; in honore et gloria per irrisiones et contumelias ei illatas; in
rebus per hoc quod etiam vestibus spoliatus est; in anima per tristitiam, taedium
et timorem; in corpore per vulnera et flagella. Tertio potest considerari quantum
ad corporis membra. Passus est enim Christus in capite pungentium spinarum coronam;
in manibus et pedibus fixionem clavorum; in facie alapas et sputa; et in toto corpore
flagella. Fuit etiam passus secundum omnem sensum corporeum, secundum tactum quidem,
flagellatus et clavis confixus; secundum gustum, felle et aceto potatus; secundum
olfactum, in loco fetido cadaverum mortuorum, qui dicitur Calvariae, appensus patibulo;
secundum auditum, lacessitus vocibus blasphemantium et irridentium; secundum visum,
videns matrem et discipulum quem diligebat flentes. (IIIa q. 46 a. 5 co.)
Het menselijk lijden kunnen we tweevoudig beschouwen. — Vooreerst naar de soort: en
zo opgevat behoefde Christus niet alle lijden te ondergaan, daar vele soorten van
lijden elkaar tegengesteld zijn, zoals de vuurdood en de dood door verdrinking. Wij
spreken nu immers over lijden, dat van buiten af wordt aangedaan, daar Hij niet het
lijden behoorde te ondergaan, dat van binnenuit veroorzaakt wordt, als lichamelijke
ziekten, zoals vroeger gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Maar generiek genomen heeft
Hij alle menselijk lijden ondergaan. Dit kan men echter van drie zijden bezien. Vooreerst
van de kant der mensen, door wier toedoen Hij leed. Hij heeft immers iets te lijden
gehad zowel van de heidenen als van de Joden, van mannen als van vrouwen, zoals blijkt
met de dienstmaagden die Petrus aanklaagden. Hij heeft ook te lijden gehad van de
overheden en van hunne dienaren en van het volk, gelijk staat geschreven in het Boek
der Psalmen (2. 1, 2): « Waarom razen de volken, en zinnen de natien op ijdelheid?
Opgekomen zijn de vorsten der aarde en de overheden zijn samengekomen tegen de Heer
en tegen zijn Gezalfde. » Hij heeft ook geleden van vrienden en bekenden, zoals blijkt
uit Judas, die Hem verraadde; en Petrus, die Hem verloochende. Vervolgens blijkt hetzelfde
bij datgene, waarin de mens kan lijden. Christus immers heeft geleden in zijn vrienden,
doordat zij Hem verlieten; in zijn goede naam, door de godslasteringen, die tegen
Hem werden geuit, in zijn eer en glorie door de bespotting en schande, die Hem werden
aangedaan; in zijn zaken, doordat Hij zelfs van zijn kleren werd beroofd; in zijn
ziel door droefheid, walging en vrees; in zijn lichaam door wonden en geeselstriemen.
Ten derde kan men dit beschouwen met betrekking tot zijn lichaamsdelen. Christus verduurde
immers in zijn hoofd de scherpe doornenkroon; in zijn handen en voeten de doorboring
met nagels; in zijn gezicht de kaakslagen en de bespuwing; in zijn gehele lichaam
de geeselstriemen. Hij heeft ook geleden in elk lichamelijk zintuig; wat zijn gevoel
betreft is Hij gegeeseld en met nagels doorboord; wat zijn smaak betreft, is Hij met
gal en azijn gelaafd; wat zijn reuk aangaat, is Hij aan het kruis gehecht op de onwelriekende
begraafplaats der gestorvenen, die Calvarië genoemd wordt; wat zijn gehoor betreft,
is Hij getergd door het geroep der godslasteraars en spotters; wat betreft zijn gezicht,
doordat Hij zijn moeder en de leerling « die Hij liefhad » zag wenen.
Ad primum ergo dicendum quod verbum illud Hilarii est intelligendum quantum ad omnia
genera passionum, non autem quantum ad omnes species. (IIIa q. 46 a. 5 ad 1)
1 — Het woord van Hilarius moet men verstaan van alle lijden generiek genomen, niet van
alle soorten van lijden.
Ad secundum dicendum quod similitudo ibi attenditur, non quantum ad numerum passionum
et gratiarum, sed quantum ad magnitudinem utriusque, quia sicut sublimatus est in
donis gratiarum super alios, ita deiectus est infra alios per ignominiam passionis. (IIIa q. 46 a. 5 ad 2)
2 — Het punt van vergelijking is hier niet het aantal der verduringen en genaden, maar
de grootte van beiden; nl. zoals Hij in genadegaven boven de anderen verheven was,
zo werd Hij ook meer dan de anderen vernederd door de schande van het lijden.
Ad tertium dicendum quod, secundum sufficientiam, una minima passio Christi suffecit
ad redimendum genus humanum ab omnibus peccatis. Sed secundum convenientiam, sufficiens
fuit quod pateretur omnia genera passionum, sicut iam dictum est. (IIIa q. 46 a. 5 ad 3)
3 — Wat betreft zijn uitwerking was het minste lijden van Christus voldoende, om het mensdom
van alle zonden te verlossen; maar naar passendheid was het eerst voldoende als Hij
allerlei lijden onderging, zoals in de leerstelling gezegd is.
Articulus 6. Was het lijden van Christus groter dan alle lijden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod dolor passionis Christi non fuerit maior omnibus
aliis doloribus. Dolor enim patientis augetur secundum gravitatem et diuturnitatem
passionis. Sed quidam martyres graviores passiones et diuturniores sustinuerunt quam
Christus, sicut patet de Laurentio, qui est assatus in craticula; et de Vincentio,
cuius carnes sunt ungulis ferreis laceratae. Ergo videtur quod dolor Christi patientis
non fuerit maximus. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lijden van Christus niet groter was dan alle lijden. De smart
van de lijder neemt toe met de hevigheid en de duur van het lijden. Sommige martelaren
nu ondergingen zwaarder en langduriger lijden dan Christus; zoals blijkt bij Laurentius,
die op een rooster gebraden werd; en bij Vincentius, wiens vlees met ijzeren tangen
werd verscheurd. Dus was het lijden van Christus niet het grootste.
Praeterea, virtus mentis est mitigativa doloris, in tantum quod Stoici posuerunt tristitiam
in animo sapientis non cadere. Et Aristoteles posuit quod virtus moralis medium tenet
in passionibus. Sed in Christo fuit perfectissima virtus mentis. Ergo videtur quod
in Christo fuerit minimus dolor. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 2)
2 — Geestesdeugd stilt de smart, zo zelfs, dat de Stoïcijnen beweerden, dat de ziel van
de wijze nooit door droefheid overvallen kan worden; en Aristoteles beweerde, dat
de zedelijke deugd het (juiste) midden houdt bij passie. Christus echter bezat de
volmaaktste geestesdeugd. Dus onderging Hij niet het grootste lijden.
Praeterea, quanto aliquod patiens est magis sensibile, tanto maior sequitur dolor
passionis. Sed anima est sensibilior quam corpus, cum corpus sentiat ex anima. Adam
etiam in statu innocentiae videtur corpus sensibilius habuisse quam Christus, qui
assumpsit corpus humanum cum naturalibus defectibus. Ergo videtur quod dolor animae
patientis in Purgatorio vel in Inferno, vel etiam dolor Adae si passus fuisset, maior
fuisset quam dolor passionis Christi. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 3)
3 — Naar gelang een leider gevoeliger is, ondergaat hij grotere lijdenssmart. De ziel
nu is gevoeliger dan het lichaam, daar het lichaam voelt in afhankelijkheid van de
ziel. En Adam schijnt ook in de staat van onschuld een fijner voelend lichaam gehad
te hebben, dan Christus, die een menselijk lichaam aannam met natuurlijke gebreken.
Dus moet de smart van een ziel in het vagevuur of in de hel, of ook al de smart van
Adam, zo hij geleden heeft, groter geweest zijn, dan de lijdenssmart van Christus.
Praeterea, maioris boni amissio causat maiorem dolorem. Sed peccator peccando amittit
maius bonum quam Christus patiendo, quia vita gratiae est melior quam vita naturae.
Christus etiam, qui amisit vitam post triduum resurrecturus, minus aliquid videtur
amisisse quam illi qui amittunt vitam permansuri in morte. Ergo videtur quod dolor
Christi non fuerit maximus dolor. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 4)
4 — Het verlies van een groter goed, veroorzaakt ook een grotere smart. De zondaar nu
verliest door te zondigen een groter goed, dan Christus door te lijden, daar het genadeleven
hoger staat, dan het natuurlijke leven. Ook heeft Christus, die zijn leven verloor,
maar na drie dagen zou verrijzen, minder verloren, dan zij die het leven verliezen,
om voor altijd dood te blijven. Dus was de smart van Christus niet de grootste.
Praeterea, innocentia patientis diminuit dolorem passionis. Sed Christus innocenter
est passus, secundum illud Ierem. XI, ego autem quasi agnus mansuetus qui portatur
ad victimam. Ergo videtur quod dolor passionis Christi non fuerit maximus. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 5)
5 — De onschuld van de lijder vermindert de lijdenssmart. Christus nu heeft onschuldig
geleden, zoals staat bij Jeremias (11. 19): « Ik echter ben als een zachtmoedig lam,
dat ter slachtbank wordt geleid. » Dus was de lijdenssmart van Christus niet het grootst.
Praeterea, in his quae Christi sunt, nihil fuit superfluum. Sed minimus dolor Christi
suffecisset ad finem salutis humanae, habuisset enim infinitam virtutem ex persona
divina. Ergo superfluum fuisset assumere maximum dolorem. (IIIa q. 46 a. 6 arg. 6)
6 — Bij al wat aan Christus behoort was niets overtolligs. Het minste lijden echter van
Christus was voldoende voor zijn doel: de verlossing van de mens. Het bezat immers
een oneindige waarde krachtens zijn goddelijke persoon. Derhalve zou het ondergaan
van het grootste lijden iets overtolligs geweest zijn.
Sed contra est quod habetur Thren. I ex persona Christi, attendite, et videte si est
dolor sicut dolor meus. (IIIa q. 46 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat we lezen in de Klaagliederen (1.2): « Aanschouw en
ziet toe, of er een smart is gelijk aan de mijne. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est cum de defectibus assumptis a Christo
ageretur, in Christo patiente fuit verus dolor et sensibilis, qui causatur ex corporali
nocivo; et dolor interior, qui causatur ex apprehensione alicuius nocivi, qui tristitia
dicitur. Uterque autem dolor in Christo fuit maximus inter dolores praesentis vitae.
Quod quidem contingit propter quatuor. Primo quidem, propter causas doloris. Nam doloris
sensibilis causa fuit laesio corporalis. Quae acerbitatem habuit, tum propter generalitatem
passionis, de qua dictum est, tum etiam ex genere passionis. Quia mors confixorum
in cruce est acerbissima, quia configuntur in locis nervosis et maxime sensibilibus,
scilicet in manibus et pedibus; et ipsum pondus corporis pendentis continue auget
dolorem; et cum hoc etiam est doloris diuturnitas, quia non statim moriuntur, sicut
hi qui sunt gladio interfecti. Doloris autem interioris causa fuit, primo quidem,
omnia peccata humani generis, pro quibus satisfaciebat patiendo, unde ea quasi sibi
adscribit, dicens in Psalmo, verba delictorum meorum. Secundo, specialiter casus Iudaeorum
et aliorum in eius mortem delinquentium, et praecipue discipulorum, qui scandalum
passi fuerant in Christi passione. Tertio etiam amissio vitae corporalis, quae naturaliter
est horribilis humanae naturae. Secundo potest magnitudo considerari ex perceptibilitate
patientis. Nam et secundum corpus erat optime complexionatus, cum corpus eius fuerit
formatum miraculose operatione spiritus sancti, sicut et alia quae per miracula facta
sunt, sunt aliis potiora, ut Chrysostomus dicit de vino in quod Christus aquam convertit
in nuptiis. Et ideo in eo maxime viguit sensus tactus, ex cuius perceptione sequitur
dolor. Anima etiam, secundum vires interiores, efficacissime apprehendit omnes causas
tristitiae. Tertio magnitudo doloris Christi patientis potest considerari ex doloris
puritate. Nam in aliis patientibus mitigatur tristitia interior, et etiam dolor exterior,
ex aliqua consideratione rationis, per quandam derivationem seu redundantiam a superioribus
viribus ad inferiores. Quod in Christo patiente non fuit, unicuique enim virium permisit
agere quod est sibi proprium, sicut Damascenus dicit. Quarto potest considerari magnitudo
doloris Christi patientis ex hoc quod passio illa et dolor a Christo fuerunt assumpta
voluntarie, propter finem liberationis hominum a peccato. Et ideo tantam quantitatem
doloris assumpsit quae esset proportionata magnitudini fructus qui inde sequebatur.
Ex his igitur omnibus causis simul consideratis manifeste apparet quod dolor Christi
fuit maximus. (IIIa q. 46 a. 6 co.)
Zoals boven gezegd is bij de behandeling der gebrekkigheden, welke Christus op zich
nam (15° Kw. 5° en 6° Art.), onderging Christus bij zijn lijden een werkelijke smart:
zowel een zintuigelijk waarneembare, die veroorzaakt wordt door lichamelijk letsel,
als ook de inwendige smart, die ontstaat bij het ontwaren van iets, dat schadelijk
is, en welke smart wij droefheid noemen. Beide smarten nu waren bij Christus de grootste
onder de smarten van dit leven. En wel om vier redenen. — Ten eerste van wege de oorzaken
dezer smart. De zintuigelijk waarneembare smart had immers tot oorzaak een lichamelijke
kwetsing. En deze was hevig, zowel van wege de algemeenheid van het lijden, waarover
wij spreken (in het vorige Art. en in de 15e Kw.), alsook van wege de aard van dit
lijden. Want de dood van hen, die aan het kruis genageld worden is de bitterste. Zij
worden immers vastgenageld op zenuwrijke en allergevoeligste plaatsen, namelijk in
de handen en voeten; en de zwaarte van het afhangende lichaam, vermeerderd nog voortdurend
de smart; daarbij komt nog de lange duur van het lijden, daar zij niet terstond sterven,
zoals dat wel het geval is met hen, die door het zwaard omkomen. Oorzaak van de inwendige
smart echter waren vooreerst al de zonden van het menselijk geslacht, waarvoor Hij
door zijn lijden voldoening bracht, en die Hij a. h. w. aan zichzelf toeschreef, als
Hij zegt in het Boek der Psalmen (21. 2): « De woorden mijner zonden »; ten tweede,
bijzonder de val der Joden en van de anderen, die zich bij zijn dood schuldig maakten,
en vooral van zijn leerlingen, die geërgerd werden door Christus' lijden; ten slotte,
het verlies van het lichamelijk leven, dat uiteraard iets verschrikkelijks is voor
de mens. Ten tweede kan de grootheid zijner smart worden afgeleid uit de fijngevoeligheid
van de lijder, zowel naar ziel als naar lichaam. Want lichamelijk had Hij een uitmuntend
gestel, daar zijn lichaam op wonderbare wijze gevormd werd door de werking van de
H. Geest: zoals dan ook al wat miraculeus geschiedt, beter is dan het andere, zoals
Chrysostomus zegt van de wijn, waarin Christus bij de bruiloft het water veranderd
had. Dus bij Hem was de gevoelszin, uit wiens gewaarwording de smart volgt, zeer sterk
ontwikkeld. Ook nam de ziel met haar inwendige vermogens al de oorzaken van droefheid
allerfijnst waar. — Ten derde kan de grootte der smart van de lijdende Christus beschouwd
worden naar de zuiverheid dier smart en droefheid. Want bij andere lijders wordt de
inwendige droefheid en ook de uitwendige smart tengevolge van een verstandelijke beschouwing
getemperd, door een zekere beïnvloeding, een terugslag van de hogere vermogens op
de lagere. Dit was echter bij de lijdende Christus niet het geval, daar Hij aan alle
vermogens « toeliet, te doen wat hun eigen was », gelijk Damascenus zegt. — Ten vierde
kan men de grootte der smart van de lijdende Christus hiernaar afmeten, dat dit lijden
en die smart door Christus vrijwillig waren aanvaard, met het doel de mens te bevrijden
van de zonde. En daarom was het lijden, dat Hij aanvaardde, zo groot, dat het geproportioneerd
was, aan de grootte der vrucht, die er uit voortkwam. Uit deze redenen, allen te samen
genomen, blijkt derhalve duidelijk, dat het lijden van Christus het grootst was.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit ex uno tantum praedictorum, scilicet
ex laesione corporali, quae est causa sensibilis doloris. Sed ex aliis causis multo
magis dolor Christi patientis augetur, ut dictum est. (IIIa q. 46 a. 6 ad 1)
1 — Deze redenering gaat alleen maar uit van een der voornaamste punten, namelijk het
lichamelijk letsel, dat de voelbare smart veroorzaakt. Maar de andere oorzaken maakten
het lijden van Christus nog veel groter, zoals gezegd is in de leerstelling.
Ad secundum dicendum quod virtus moralis aliter mitigat tristitiam interiorem, et
aliter exteriorem dolorem sensibilem. Tristitiam enim interiorem diminuit directe,
in ea medium constituendo sicut in propria materia. Medium autem in passionibus virtus
moralis constituit, ut in secunda parte habitum est, non secundum quantitatem rei,
sed secundum quantitatem proportionis, ut scilicet passio non excedat regulam rationis.
Et quia Stoici reputabant quod nulla tristitia esset ad aliquid utilis, ideo credebant
quod totaliter a ratione discordaret, et per consequens quod totaliter esset sapienti
vitanda. Sed secundum rei veritatem, tristitia aliqua laudabilis est, ut Augustinus
probat, in XIV de Civ. Dei, quando scilicet procedit ex sancto amore, ut puta cum
aliquis tristatur de peccatis propriis vel alienis. Assumitur etiam ut utilis ad finem
satisfactionis pro peccato, secundum illud II Cor. VII, quae secundum Deum est tristitia,
poenitentiam in salutem stabilem operatur. Et ideo Christus, ut satisfaceret pro peccatis
omnium hominum, assumpsit tristitiam maximam quantitate absoluta, non tamen excedentem
regulam rationis. Dolorem autem exteriorem sensus virtus moralis directe non minuit,
quia talis dolor non obedit rationi, sed sequitur corporis naturam. Diminuit tamen
ipsum indirecte per redundantiam a superioribus viribus in inferiores. Quod in Christo
non fuit, ut dictum est. (IIIa q. 46 a. 6 ad 2)
2 — De zedelijke deugd tempert de innerlijke droefheid anders dan de uiterlijk voelbare
smart. De innerlijke droefheid vermindert zij direct, door daarin als in de haar eigen
materie, het juiste midden te houden. De zedelijke deugd houdt echter het juiste midden
in de passie, zoals gezegd werd in het Tweede Deel (I-II. 44° Kw. 1° en 2° Art.),
niet precies afgemeten aan de grootte van iets, maar aan de verhoudingsgrootte, nl.
zo dat de passie de maat, door het verstand aangegeven, niet te buiten gaat. En daar
de Stoïcijnen meenden, dat droefheid nergens goed voor is, daarom hielden zij, dat
deze absoluut niet in overeenstemming is met de rede, en dat zij bijgevolg dus totaal
door de wijze moet worden vermeden. In waarheid echter is een bepaalde droefheid prijzenswaardig,
zoals Augustinus bewijst: wanneer zij nl. voortkomt uit een heilige liefde, b. v.
wanneer iemand beproefd is over eigen zonden of die van anderen. Zij kan ook nuttig
zijn om de zonde uit te boeten, naar het woord van de Apostel uit de Tweede Brief
aan de Corinthiërs (7. 10): « De droefheid, zoals God ze verlangt, brengt beheersing
tot blijvende zaligheid voort. » En daarom onderging Christus, tot voldoening voor
de zonden van alle mensen, droefheid, en wel absoluut genomen de grootste droefheid,
echter niet zo dat zij de maat van het verstand te buiten ging. De uiterlijke smart
der zinnen tempert de zedelijke deugd echter niet onmiddellijk; wijl deze smart niet
onderworpen is aan de rede, maar 't eigene is van de natuur van het lichaam. Zij vermindert
deze echter indirect door de terugslag van de hogere vermogens op de lagere; wat bij
Christus echter niet het geval was, zoals in de leerstelling gezegd is en in de 14e
kwestie (2e Art.).
Ad tertium dicendum quod dolor animae separatae patientis pertinet ad statum futurae
damnationis, qui excedit omne malum huius vitae, sicut sanctorum gloria excedit omne
bonum praesentis vitae. Unde, cum diximus Christi dolorem esse maximum, non comparamus
ipsum dolori animae separatae. Corpus autem Adae pati non poterat, nisi peccaret et
sic fieret mortale et passibile. Et minus doleret patiens quam corpus Christi, propter
rationes praedictas. Ex quibus etiam apparet quod etiam si, per impossibile, ponatur
quod Adam in statu innocentiae passus fuisset, minor fuisset eius dolor quam Christi. (IIIa q. 46 a. 6 ad 3)
3 — De smart die de gescheiden ziel ondergaat behoort bij de toekomstige staat der verdoemenis,
die alle kwaad van deze wereld overtreft, zoals de glorie der Zaligen elk goed van
dit leven te boven gaat. Als wij dus zeggen, dat de smart van Christus het grootst
was, dan vergelijken we haar niet met de smart der gescheiden ziel. — Het lichaam
van Adam echter kon niet lijden, tenzij hij zondigde, en het zo sterfelijk werd en
vatbaar voor lijden. Het zou dan echter toch minder moeten verduren, dan het lichaam
van Christus, om bovenvermelde redenen. Hieruit blijkt ook, dat zelfs indien Adam,
om het onmogelijke te veronderstellen, in de staat van onschuld geleden had, zijn
smart toch minder zou geweest zijn dan die van Christus.
Ad quartum dicendum quod Christus non solum doluit pro amissione vitae corporalis
propriae, sed etiam pro peccatis omnium aliorum. Qui dolor in Christo excessit omnem
dolorem cuiuslibet contriti. Tum quia ex maiori sapientia et caritate processit, ex
quibus dolor contritionis augetur. Tum etiam quia pro omnium peccatis simul doluit,
secundum illud Isaiae LIII, vere dolores nostros ipse tulit. Vita autem corporalis
Christi fuit tantae dignitatis, et praecipue propter divinitatem unitam, quod de eius
amissione etiam ad horam, magis esset dolendum quam de amissione alterius hominis
per quantumcumque tempus. Unde et philosophus dicit, in III Ethic., quod virtuosus
plus diligit vitam suam quanto scit eam esse meliorem, et tamen eam exponit propter
bonum virtutis. Et similiter Christus vitam suam maxime dilectam exposuit propter
bonum caritatis, secundum illud Ierem. XII, dedi dilectam animam meam in manibus inimicorum
eius. (IIIa q. 46 a. 6 ad 4)
4 — Christus was niet slechts bedroefd over het verlies van zijn eigen lichamelijk leven,
maar ook over de zonden van al de anderen. En deze droefheid van Christus overtrof
de smart van iedere ander, die leed heeft: zowel omdat zij voortkwam uit hogere wijsheid
en liefde, die de spijt smartelijker maken, alsook omdat Hij bedroefd was over alle
zonden tegelijk, volgens het woord van Isaïas (53. 4): « Waarlijk, onze smarten heeft
Hij zelf gedragen. » Daarenboven was het lichamelijk leven van Christus van zulk een
waarde, vooral ook om zijn vereniging met de godheid, dat het verlies hiervan, al
was het slechts voor een uur, meer te betreuren viel, dan het verlies van het leven
bij een ander mens, voor hoeveel tijd dan ook. Vandaar dat de Wijsgeer zegt, dat de
deugdzame zijn leven méér liefheeft, naarmate hij weet, dat het beter is: en toch
waagt hij zijn leven om het deugdgoed. Zo gaf ook Christus zijn eigen leven, dat Hij
het meest liefhad, prijs om de goedheid zijner liefde, volgens het gezegde in Jeremias
(12. 7): « Ik gaf mijn geliefde ziel in de handen harer vijanden. »
Ad quintum dicendum quod innocentia patientis minuit dolorem passionis quantum ad
numerum, quia, dum nocens patitur, dolet non solum de poena, sed etiam de culpa; innocens
autem solum de poena. Qui tamen dolor in eo augetur ex innocentia, inquantum apprehendit
nocumentum illatum ut magis indebitum. Unde etiam et alii magis sunt reprehensibiles
si eis non compatiuntur, secundum illud Isaiae LVII, iustus autem perit, et non est
qui recogitet in corde suo. (IIIa q. 46 a. 6 ad 5)
5 — De onschuld van de lijder vermindert numeriek de lijdens smart, daar de schuldige,
als hij lijdt, niet alleen bedroefd is over de smart, maar ook over zijn schuld; de
onschuldige echter alleen over de straf. Maar bij de laatste wordt die smart door
zijn onschuld vermeerderd, in zover hij het aangedane leed als minder verdiend beschouwt.
Vandaar zijn anderen ook des te meer berispelijk, naarmate zij minder met hem te doen
hebben, naar het woord van Isaïas (57.1): « De rechtvaardige komt om, en niemand gaat
het ter harte. »
Ad sextum dicendum quod Christus voluit genus humanum a peccatis liberare, non sola
potestate, sed etiam iustitia. Et ideo non solum attendit quantam virtutem dolor eius
haberet ex divinitate unita, sed etiam quantum dolor eius sufficeret secundum naturam
humanam, ad tantam satisfactionem. (IIIa q. 46 a. 6 ad 6)
6 — Christus wilde het menselijk geslacht niet alleen met macht bevrijden, maar ook met
rechtvaardigheid. En daarom was Hij er niet alleen op bedacht, welke kracht zijn smart
had krachtens de vereniging met de Godheid: maar ook in hoeverre zijn smart naar zijn
menselijke natuur voldoende was tot zulke voldoening.
Articulus 7. Heeft Christus, geleden met heel zijn ziel?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit passus secundum totam
animam. Anima enim patitur, patiente corpore, per accidens, inquantum est corporis
actus. Sed anima non est actus corporis secundum quamlibet partem eius, nam intellectus
nullius corporis actus est, ut dicitur in III de anima. Ergo videtur quod Christus
non fuerit passus secundum totam animam. (IIIa q. 46 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet leed met heel zijn ziel. De ziel lijdt toevallig, als
het lichaam lijdt, in zoverre zij « de akt van het lichaam » is. Maar de ziel is niet
met ieder deel de akt van het lichaam: want het verstand is van geen enkel lichaam
de akt, zoals staat in de Anima. Dus heeft Christus niet met heel zijn ziel geleden.
Praeterea, quaelibet potentia animae patitur a suo obiecto. Sed superioris partis
rationis obiectum sunt rationes aeternae, quibus inspiciendis et consulendis intendit,
ut Augustinus dicit, XII de Trin. Ex rationibus autem aeternis nullum potuit Christus
pati nocumentum, cum in nullo ei contrariarentur. Ergo videtur quod non fuerit passus
secundum totam animam. (IIIa q. 46 a. 7 arg. 2)
2 — Elk vermogen der ziel lijdt door zijn voorwerp. Maar het voorwerp van het hogere deel
der rede, zijn de « eeuwige normen », die het « beschouwt en raadpleegt », zoals Augustinus
zegt. Vanwege de eeuwige normen echter kon Christus geen nadeel lijden, daar zij in
geen enkel opzicht tegen Hem waren. Dus heeft Hij niet geleden met heel zijn ziel.
Praeterea, quando passio sensibilis usque ad rationem pertingit, tunc dicitur completa
passio. Quae in Christo non fuit, ut Hieronymus dicit, sed solum propassio. Unde et
Dionysius dicit, in epistola ad Ioannem Evangelistam, quod passiones sibi illatas
patiebatur secundum iudicare solum. Non ergo videtur quod Christus secundum totam
animam pateretur. (IIIa q. 46 a. 7 arg. 3)
3 — De zintuigelijke hartstocht (2) wordt dan pas een voltooide hartstocht genoemd, als
ze doordringt tot de rede. Hartstochten had Christus echter niet, maar alleen een
« begin-hartstocht, » zoals Hieronymus zegt, naar aanleiding van het woord van Mattheus
(26. 37): « Hij begon bedroefd te worden. » Vandaar dat Dionysius zegt, dat « Hij
het lijden dat Hem werd aangedaan, alleen maar onderging tot aan het oordelen. » Dus
leed Christus niet met heel zijn ziel.
Praeterea, passio dolorem causat. Sed in intellectu speculativo non est dolor, quia
delectationi quae est ab eo quod est considerare, nulla tristitia opponitur, ut philosophus
dicit, I Topic. Ergo videtur quod Christus non pateretur secundum totam animam. (IIIa q. 46 a. 7 arg. 4)
4 — Lijden is oorzaak van smart. Maar in het beschouwende verstand is er geen smart, omdat
er « tegenover het genot, dat uit de beschouwing volgt, geen droefheid staat », zoals
de wijsgeer zegt. Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
Sed contra est quod in Psalmo dicitur, ex persona Christi, repleta est malis anima
mea, Glossa, non vitiis, sed doloribus, quibus anima carni compatitur, vel malis,
scilicet pereuntis populi, compatiendo. Non autem fuisset anima eius his malis repleta,
si non secundum totam animam passus esset. Ergo Christus secundum totam animam passus
est. (IIIa q. 46 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (87. 4) gezegd wordt in de
persoon van Christus: « Mijn ziel is met kwalen vervuld; » en de Glossa zegt: « Niet
met gebreken maar met smarten, welke de ziel met het lichaam meelijdt; of met deelneming
in het kwaad van het voorbijtrekkende volk, dat verloren ging. » Zijn ziel zou echter
niet met deze kwalen vervuld zijn, als Hij niet met heel zijn ziel geleden had. Dus
leed Hij met heel zijn ziel.
Respondeo dicendum quod totum dicitur respectu partium. Partes autem animae dicuntur
potentiae eius. Sic ergo dicitur anima tota pati, inquantum patitur secundum suam
essentiam, vel inquantum secundum omnes suas potentias patitur. Sed considerandum
est quod aliqua potentia animae potest pati dupliciter. Uno modo, passione propria,
quae quidem est secundum quod patitur a suo obiecto, sicut si visus patiatur ex superabundantia
visibilis. Alio modo patitur aliqua potentia passione subiecti super quod fundatur,
sicut visus patitur patiente sensu tactus in oculo, super quem fundatur visus; puta
cum oculus pungitur, aut etiam distemperatur per calorem. Sic igitur dicendum quod,
si intelligamus totam animam ratione suae essentiae, sic manifestum est totam animam
Christi passam esse. Nam tota essentia animae coniungitur corpori ita quod tota est
in toto, et tota in qualibet parte eius. Et ideo, corpore patiente et disposito ad
separationem ab anima, tota anima patiebatur. Si vero intelligamus totam animam secundum
omnes potentias eius, sic, loquendo de passionibus propriis potentiarum, patiebatur
quidem secundum omnes vires inferiores, quia in singulis viribus inferioribus animae,
quae circa temporalia operantur, inveniebatur aliquid quod erat causa doloris Christi,
sicut ex supra dictis patet. Sed secundum hoc superior ratio non patiebatur in Christo
ex parte sui obiecti, scilicet Dei, qui non erat animae Christi causa doloris, sed
delectationis et gaudii. Secundum autem illum modum passionis quo potentia aliqua
dicitur pati ex parte sui subiecti, sic omnes potentiae animae Christi patiebantur.
Omnes enim potentiae animae Christi radicantur in essentia eius, ad quam perveniebat
passio, passo corpore, cuius est actus. (IIIa q. 46 a. 7 co.)
We spreken van geheel met betrekking tot delen. De delen nu der ziel zijn haar vermogens.
Men zegt dus dat de gehele ziel lijdt, als zij lijdt in haar wezen, of in al haar
vermogens. Men moet echter in 't oog houden, dat een vermogen der ziel op twee manieren
kan lijden. Vooreerst door zelf iets te ondergaan, hetgeen gebeurt, als het iets ondergaat
ten gevolge van zijn eigen voorwerp, evenals wanneer het oog lijdt door iets zichtbaars,
dat te sterk is. — Op de tweede plaats lijdt een vermogen, doordat het subject waarin
het gefundeerd ligt, lijdt, zoals het gezichtsvermogen lijdt door het lijden van de
gevoelszin in het oog, waarin het gezicht gefundeerd ligt; b. v. als het oog geprikt
wordt of uit zijn gewone doen geraakt door de warmte. Wij moeten derhalve zeggen,
dat duidelijk de gehele ziel van Christus geleden heeft, wanneer wij spreken van de
gehele ziel naar hare wezenheid genomen. Want de gehele wezenheid der ziel wordt verbonden
met het lichaam, zoodat zij geheel is in het geheel en ook geheel in ieder deel daarvan.
En dus leed geheel zijn ziel, toen het lichaam leed en klaar gemaakt werd voor de
scheiding van de ziel. — Als wij echter onder de gehele ziel verstaan: in al haar
vermogens, en wij spreken over het eigen ondergaan der vermogens, dan leed Hij wel
met al zijn lagere vermogens, daar bij elk der lagere zielsvermogens, wier werking
betrekking heeft op tijdelijke dingen, iets gevonden werd, dat voor Christus oorzaak
was van smart, zoals uit het bovengezegde blijkt (5° Art.) ; maar zo opgevat leed
de hogere rede in Christus niet van wege haar eigen voorwerp, hetwelk nl. God is,
die voor Christus' ziel geen reden tot smart, maar van genot en vreugde was. — Echter
van lijden gesproken in die zin, waarin wij zeggen, dat het een of ander vermogen
iets ondergaat van wege zijn subject, zo leden alle zielsvermogens van Christus. Alle
vermogens der ziel wortelen immers in haar wezenheid, tot waar het lijden door dringt,
als het lichaam lijdt, waarvan zij de akt is.
Ad primum ergo dicendum quod, licet intellectus, secundum quod est potentia quaedam,
non sit corporis actus; essentia tamen animae est corporis actus, in qua radicatur
potentia intellectiva, ut in prima parte habitum est. (IIIa q. 46 a. 7 ad 1)
1 — Ofschoon het verstand, voor zover het een bepaald vermogen is, niet de act van het
lichaam is, is toch de wezenheid der ziel de act van het lichaam, en daarin wortelt
het verstandelijk vermogen, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 77° Kw. 6° en 8°
Art.).
Ad secundum dicendum quod illa ratio procedit de passione quae est ex parte proprii
obiecti, secundum quam superior ratio in Christo passa non fuit. (IIIa q. 46 a. 7 ad 2)
2 — Deze redenering gaat uit van lijden, voortkomend uit het eigen voorwerp, en in die
zin heeft de hogere rede in Christus niet geleden.
Ad tertium dicendum quod dolor tunc dicitur esse passio perfecta, per quam anima perturbatur,
quando passio sensitivae partis pertingit usque ad immutandam rationem a rectitudine
sui actus, ut scilicet sequatur passionem, et non habeat liberum arbitrium super eam.
Sic autem passio sensitivae partis non pervenit in Christo usque ad rationem, sed
ex parte subiecti, ut dictum est. (IIIa q. 46 a. 7 ad 3)
3 — De smart wordt dan pas een volledige hartstocht genoemd, waardoor de ziel in verwarring
gebracht wordt, als de hartstocht van het zintuigelijke deel zover gaat, dat zij de
rede doet afwijken van haar rechte daad, d.w.z. dat zij de hartstochtsneiging volgt
en er geen vrije wilsbeschikking over heeft. Op deze wijze echter drong de hartstocht
van het zintuigelijke deel in Christus niet door tot de rede, maar krachtens het subject
zoals in de leerstelling gezegd is.
Ad quartum dicendum quod intellectus speculativus non potest habere dolorem vel tristitiam
ex parte sui obiecti, quod est verum absolute consideratum, quod est perfectio eius.
Potest tamen ad ipsum pertinere dolor, vel causa doloris, per modum iam dictum. (IIIa q. 46 a. 7 ad 4)
4 — Het beschouwende verstand kan niet in smart of bedroefd zijn van wege zijn voorwerp,
dat het ware is op zich zelf genomen: want dit is zijn vervolmaking. De smart of de
oorzaak der smart kan daartoe echter doordringen op de wijze in de leerstelling aangegeven.
Articulus 8. Smaakte de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod anima Christi, in articulo illius passionis,
non tota frueretur fruitione beata. Impossibile est enim simul dolere et gaudere,
cum dolor et gaudium sint contraria. Sed anima Christi tota patiebatur dolorem in
tempore passionis, ut supra habitum est. Non ergo poterat esse ut tota frueretur. (IIIa q. 46 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat niet de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting
smaakte. Het is immers onmogelijk om tegelijk bedroefd en verheugd te zijn, daar smart
en vreugde aan elkaar tegengesteld zijn. Geheel de ziel van Christus nu leed tijdens
zijn lijden, zoals boven gezegd is (vorig artikel). Zij kon dus niet in haar geheel
de genieting smaken.
Praeterea, philosophus dicit, in VII Ethic., quod tristitia, si sit vehemens, non
solum impedit delectationem contrariam, sed quamcumque, et e converso. Dolor autem
passionis Christi fuit maximus, ut ostensum est, et similiter delectatio fruitionis
est maxima, ut in primo secundae partis habitum est. Non ergo potuit esse quod anima
Christi tota simul pateretur et frueretur. (IIIa q. 46 a. 8 arg. 2)
2 — De Wijsgeer zegt, dat droefheid, wanneer ze hevig is, niet alleen de tegenovergestelde
genieting verhindert, maar ook elke andere; en omgekeerd. De smart van Christus’ lijden
nu was allergröötst, zoals aangetoond is (6° Art.); evenzo is ook het genot der aanschouwing
het allergrootst, zoals in het begin van het tweede deel is uiteengezet (I-II, 36°
Kw. 3° Art.). Derhalve is het onmogelijk, dat geheel de ziel van Christus tegelijk
smart en genot ondervond.
Praeterea, fruitio beata est secundum cognitionem et amorem divinorum, ut patet per
Augustinum, in I de Doct. Christ. Sed non omnes vires animae attingunt ad cognoscendum
et amandum Deum. Non ergo tota anima Christi fruebatur. (IIIa q. 46 a. 8 arg. 3)
3 — Het zalige genot bestaat in het kennen en beminnen van de goddelijke dingen, zoals
blijkt bij Augustinus. Maar niet alle vermogens der ziel geraken tot het kennen en
beminnen van God. Dus genoot niet de gehele ziel van Christus.
Sed contra est quod Damascenus dicit, in III libro, quod divinitas Christi permisit
carni agere et pati quae propria. Ergo, pari ratione, cum proprium esset animae Christi,
inquantum erat beata, quod frueretur, passio eius fruitionem non impediebat. (IIIa q. 46 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt, dat de Godheid van Christus « aan
het vlees toestond te doen en te ondergaan, wat hieraan eigen was. » Dus om dezelfde
reden heeft het lijden zijn genieting niet verhinderd, daar het eigen was aan de ziel
van Christus, in zover zij zalig was, om de genieting te smaken.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est prius, tota anima potest intelligi et secundum
essentiam, et secundum omnes eius potentias. Si autem intelligatur secundum essentiam,
sic tota anima fruebatur, inquantum est subiectum superioris partis animae, cuius
est frui divinitate, ut, sicut passio ratione essentiae attribuitur superiori parti
animae, ita e converso fruitio ratione superioris partis animae attribuatur essentiae.
Si vero accipiamus totam animam ratione omnium potentiarum eius, sic non tota anima
fruebatur, nec directe quidem, quia fruitio non potest esse actus cuiuslibet partis
animae; nec per redundantiam, quia, dum Christus erat viator, non fiebat redundantia
gloriae a superiori parte in inferiorem, nec ab anima in corpus. Sed quia nec e converso
superior pars animae non impediebatur circa id quod est sibi proprium, per inferiorem,
consequens est quod superior pars animae perfecte fruebatur, Christo patiente. (IIIa q. 46 a. 8 co.)
Zoals juist gezegd is (vorig Art.), kan het geheel der ziel genomen worden naar haar
wezenheid en naar al haar vermogens. — Naar haar wezenheid genomen, genoot de gehele
ziel, in zover zij het subject is van het hogere deel der ziel, waaraan het eigen
is de Godheid te genieten: zodat, zoals het lijden krachtens de wezenheid wordt toegeschreven
aan het hogere deel der ziel, zo wordt ook omgekeerd de genieting krachtens het hogere
deel der ziel toegeschreven aan de wezenheid. — Als wij echter de gehele ziel verstaan
in de zin van: al haar vermogens, dan genoot niet de gehele ziel: noch direct, daar
de genieting niet een daad van ieder deel der ziel kan zijn; noch door uitvloeiing
der glorie, aangezien, zolang Christus nog « pelgrim » was, er nog geen overvloeiing
der glorie plaats had, noch van het hogere deel naar het lagere, noch van de ziel
naar het lichaam. Maar omdat ook omgekeerd het hogere deel der ziel geen hindernis
ondervond van het lagere in die dingen, die dat deel eigen waren, volgt, dat het hogere
deel der ziel volmaakt de genieting smaakte tijdens het lijden van Christus.
Ad primum ergo dicendum quod gaudium fruitionis non contrariatur directe dolori passionis,
quia non sunt de eodem. Nihil enim prohibet contraria eidem inesse non secundum idem.
Et sic gaudium fruitionis potest pertinere ad superiorem partem rationis per proprium
actum, dolor autem passionis secundum suum subiectum. Ad essentiam vero animae pertinet
dolor passionis ex parte corporis, cuius est forma, gaudium vero fruitionis ex parte
potentiae, cui subiicitur. (IIIa q. 46 a. 8 ad 1)
1 — De vreugde over de genieting is niet rechtstreeks tegengesteld aan de smart over het
lijden, daar zij niet over hetzelfde gaan. Er is echter niets op tegen, dat tegengestelde
dingen in hetzelfde zijn, als zij er maar om hetzelfde in zijn. En aldus kan de vreugde
der genieting toegekend worden aan het hogere deel der rede krachtens haar eigen daad;
de smart echter over het lijden krachtens het subject. Aan de wezenheid der ziel echter
wordt de lijdenssmart toegekend van wege het lichaam, waarvan het de vorm is; de vreugde
der genieting echter krachtens het vermogen, waarvan zij het subject is.
Ad secundum dicendum quod verbum illud philosophi habet veritatem ratione redundantiae
quae naturaliter fit ab una potentia animae in aliam. Sed hoc in Christo non fuit,
ut supra dictum est. (IIIa q. 46 a. 8 ad 2)
2 — Het gezegde van de Wijsgeer is waar van wege de overvloeiing, die natuurlijkerwijze
plaats heeft van het ene zielsvermogen naar het andere. Maar dit had bij Christus
niet plaats, zoals boven gezegd is in de leerstelling.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de totalitate animae quantum ad eius
potentias. (IIIa q. 46 a. 8 ad 3)
3 — Deze redenering gaat uit van de totaliteit der ziel, genomen naar hare vermogens.
Articulus 9. Is Christus op een geschikten tijd gestorven?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit convenienti tempore passus.
Passio enim Christi figurabatur per immolationem agni paschalis, unde et apostolus
dicit, I Cor. V, Pascha nostrum immolatus est Christus. Sed agnus paschalis immolabatur
quartadecima die ad vesperam, ut dicitur Exod. XII. Ergo videtur quod Christus tunc
debuerit pati. Quod patet esse falsum, nam tunc Pascha cum suis discipulis celebravit,
secundum illud Marc. XIV, prima die azymorum, quando Pascha immolabant; sequenti autem
die passus fuit. (IIIa q. 46 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet op een geschikte tijd gestorven is. Het lijden van
Christus werd immers voorafgebeeld door de slachtoffering van het Paaslam : waarom
ook de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7) : « Ons Paaslam Christus
is geslacht ». Het Paaslam echter werd geslacht « op de veertiende dag tegen de avond
», zoals staat in het Boek van de Uittocht (12. 6). Dus had Christus toen moeten lijden.
Wat niet gebeurd is, daar Hij toen het Pasen met zijn leerlingen vierde, volgens het
woord van Marcus (14. 12) : « Op de eerste dag der ongedesemde broden, toen het Paaslam
geslacht werd ». De volgende dag pas heeft Hij geleden.
Praeterea, passio Christi dicitur eius exaltatio, secundum illud Ioan. III, oportet
exaltari filium hominis. Ipse autem Christus dicitur sol iustitiae, ut patet Malach.
ultimo. Ergo videtur quod debuit pati hora sexta, quando sol est in maxima sua exaltatione.
Cuius contrarium videtur per id quod dicitur Marc. XV, erat autem hora tertia, et
crucifixerunt eum. (IIIa q. 46 a. 9 arg. 2)
2 — Het lijden van Christus wordt zijn verheffing genoemd, volgens het woord van Joannes
(3. 14) : « De Zoon des mensen moet verheven worden ». Christus zelf echter wordt
genoemd « Zon van gerechtigheid », zoals blijkt bij Malachias (4. 2). Dus moest Christus
lijden op het zesde uur, waarop de zon haar grootste hoogte bereikt. Het tegengestelde
hiervan lezen wij echter bij Marcus (15. 25) : « Het was nu het derde uur en zij kruisigden
Hem ».
Praeterea, sicut sol in hora sexta maxime exaltatur quolibet die, ita in solstitio
aestivali maxime exaltatur quolibet anno. Debuit ergo Christus magis pati circa tempus
solstitii aestivalis, quam circa tempus aequinoctii vernalis. (IIIa q. 46 a. 9 arg. 3)
3 — Zoals de zon elke dag op het zesde uur het hoogst staat, zo staat zij elk jaar het
hoogst bij de Zomerzonnestilstand. Dus moest Hij veeleer lijden omstreeks de tijd
van de Zomerzonnestilstand, dan tegen de tijd van de Lentenachtevening.
Praeterea, per praesentiam Christi in mundo mundus illuminabatur, secundum illud Ioan.
IX, quandiu sum in mundo, lux mundi sum. Conveniens igitur fuisset humanae saluti
ut diutius in hoc mundo vixisset, ita quod non pateretur in iuvenili aetate, sed magis
in senili. (IIIa q. 46 a. 9 arg. 4)
4 — De wereld werd verlicht door de aanwezigheid van Christus op aarde, volgens het woord
van Joannes (9. 5): « Zoolang Ik op de wereld ben, ben Ik het licht der wereld ».
Het zou derhalve passend zijn geweest voor het heil der mensen, als hij langer in
deze wereld had geleefd, zodat Hij niet leed in zijn jongelingsleeftijd, maar veeleer
als grijsaard.
Sed contra est quod dicitur Ioan. XIII, sciens Iesus quod venit hora eius ut transeat
de hoc mundo ad patrem. Et Ioan. II dicit, nondum venit hora mea. Ubi dicit Augustinus,
ubi tantum fecit quantum sufficere iudicavit, venit hora eius, non necessitatis, sed
voluntatis; non conditionis, sed potestatis. Convenienti igitur tempore passus est. (IIIa q. 46 a. 9 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat bij Joannes (13. 1) staat: « Jesus, wetend dat zijn
uur gekomen was, om over te gaan uit deze wereld naar de Vader », en bij Joannes (2.
4): « Mijn uur is nog niet gekomen », waarbij Augustinus aanmerkt: « Waar Hij zoveel
deed als Hij voldoende oordeelde, kwam zijn uur niet, omdat het noodzakelijk was,
maar omdat Hij het wilde ». Dus leed Hij te geschikter tijd.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, passio Christi subiecta erat eius
voluntati. Voluntas autem eius regebatur divina sapientia, quae omnia convenienter
et suaviter disponit, ut dicitur Sap. VIII. Et ideo dicendum est quod convenienti
tempore passio Christi celebrata est. Unde et in libro quaest. Nov. et Vet. Test.,
dicitur, omnia propriis locis et temporibus gessit salvator. (IIIa q. 46 a. 9 co.)
Zoals boven gezegd is (1° Art.), was het lijden van Christus onderworpen aan zijn
wil. Zijn wil werd echter geleid door de goddelijke wijsheid, die « alles regelt »
zoals het hoort en « met zachte hand » zoals staat in het Boek der Wijsheid (8. 1).
En dus moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus te geschikter tijd plaats heeft
gehad. Vandaar dat Augustinus zegt: « Alles heeft de Zaligmaker op de juiste plaatsen
en tijden volbracht. »
Ad primum ergo dicendum quod quidam dicunt Christum fuisse passum quartadecima luna,
quando Iudaei Pascha immolabant. Unde et Ioan. XVIII dicitur quod Iudaei non introierunt
in praetorium Pilati ipso die passionis, ut non contaminarentur, sed ut manducarent
Pascha. Ubi Chrysostomus dicit quod tunc Iudaei faciebant Pascha, ipse vero ante unam
diem celebravit Pascha, reservans suam occisionem sextae feriae, quando vetus Pascha
fiebat. Cui videtur consonare quod dicitur Ioan. XIII, quod ante diem festum Paschae,
Christus, facta cena, pedes discipulorum lavit. Sed contra hoc videtur esse quod dicitur
Matth. XXVI, quod prima die azymorum accesserunt discipuli ad Iesum dicentes, ubi
vis paremus tibi comedere Pascha? Ex quo patet, cum primus dies azymorum dicatur quartusdecimus
dies mensis primi, quando agnus immolabatur et luna plenissima est, ut Hieronymus
dicit, quartadecima luna Christum cenam fecisse, et quintadecima eum passum fuisse.
Et hoc expressius manifestatur per id quod dicitur Marc. XIV, primo die azymorum,
quando Pascha immolabant, etc.; et Luc. XXII, venit dies azymorum, in quo necesse
erat occidi Pascha. Et ideo quidam dicunt quod Christus die convenienti, idest quartadecima
luna, Pascha cum discipulis suis manducavit, demonstrans quod usque ad ultimum diem
non erat contrarius legi, ut Chrysostomus dicit, super Matth., sed Iudaei, occupati
circa procurationem mortis Christi, contra legem celebrationem Paschae in crastinum
distulerunt. Et propter hoc de his dicitur quod in die passionis Christi noluerunt
intrare praetorium, ut non contaminarentur, sed manducarent Pascha. Sed nec illud
videtur esse consonum verbis Marci dicentis, primo die azymorum, quando Pascha immolabant.
Simul ergo Christus et Iudaei vetus Pascha celebraverunt. Et, sicut Beda dicit, super
Marc., licet Christus, qui est Pascha nostrum, sit crucifixus sequenti die, hoc est
quintadecima luna; attamen nocte qua agnus immolabatur, corporis sanguinisque sui
discipulis tradens mysteria celebranda, et a Iudaeis tentus et alligatus, ipsius immolationis,
hoc est passionis suae, sacravit exordium. Cum autem dicitur, Ioan. XIII, ante diem
festum Paschae, intelligitur hoc fuisse quartadecima luna, quod tunc evenit feria
quinta, nam, luna existente quintadecima, erat dies solemnissimus Paschae apud Iudaeos.
Et sic eundem diem quem Ioannes nominat ante diem festum Paschae, propter distinctionem
naturalem dierum, Matthaeus nominat primam diem azymorum, quia, secundum ritum Iudaicae
festivitatis, solemnitas incipiebat a vespera praecedentis diei. Quod autem dicitur
eos comesturos esse Pascha in quintadecima luna, intelligendum est quod ibi Pascha
non dicitur agnus paschalis, qui immolatus fuerat decimaquarta luna, sed dicitur cibus
paschalis, idest azymi panes, quos oportebat comedi a mundis. Unde Chrysostomus ibi
aliam expositionem ponit, quod Pascha potest accipi pro toto festo Iudaeorum, quod
septem diebus agebatur. (IIIa q. 46 a. 9 ad 1)
1 — Sommigen zeggen dat Christus geleden heeft op de veertien dag na nieuwe maan, waarop
de Joden het Paaslam offerden. Vandaar dat ook Joannes (18. 28) zegt, dat de Joden
op de dag van het lijden zelf « niet binnengingen in het rechthuis » van Pilatus,
« opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten », waarbij
Chrysostomus opmerkt, dat « de Joden toen hun Pasen vierden; Hij zelf echter vierde
een dag eerder Pasen, terwijl Hij de slachtoffering van zichzelf uitstelde tot de
zesde dag, waarop het oude Pasen gevierd werd ». Hiermede schijnt in overeenstemming
wat Joannes (13. 1-5) zegt, dat « Christus daags voor het Paasfeest, na het avondmaal
gehouden te hebben, de voeten der leerlingen waste ». — Maar daartegen is wat gezegd
wordt in Mattheus (26. 17), dat « op de eerste dag der ongedeesemde broden de leerlingen
tot Jesus kwamen, zeggende: Waar wilt U, dat wij met U het Paaslam eten? » Hieruit
blijkt vast te staan, dat Christus op de veertien dag na nieuwe maan het avondmaal
gehouden en op de vijftiende geleden heeft, « aangezien de eerste dag der ongedeesemde
broden genoemd wordt de veertiende dag van de eerste maand, waarop het lam geslacht
werd en het volle maan was », zoals Hieronymus aanmerkt bij de woorden van Mattheus
(26. 17): « Op de eerste dag der ongedeesemde broden, kwamen » enz. En dit blijkt
nog meer uit hetgeen gezegd wordt bij Marcus (14. 12): « Op de eerste dag der ongedeesemde
broden, waarop men het Paschlam offerde », en bij Lucas (22. 7): « De dag der ongedeesemde
broden was aangebroken, waarop het Paaslam moest geslacht worden ». Derhalve zeggen
sommigen, dat Christus op de passende dag d. i. op de veertien dag na nieuwe maan,
het Paaslam met zijn leerlingen heeft gegeten, « toonende, dat Hij tot op de laatste
dag toe geen tegenstander der Wet was », zoals Chrysostomus zegt. De Joden daarentegen
zouden tegen de Wet in de Paasviering tot de volgende dag hebben uitgesteld, omdat
zij het te druk hadden met de voorbereiding van Christus' dood. En daarom wordt van
hen gezegd, dat zij op de lijdensdag van Christus het rechthuis niet wilden binnentreden,
« opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten ». Doch
ook dit klopt niet met de woorden van Marcus, die zegt: « Op de eerste dag der ongedeesemde
broden, waarop zij het Paaslam slachtten ». Christus heeft derhalve tegelijk met de
Joden het oude Pasen gevierd. En, zoals Beda zegt: « Ofschoon Christus, ons Paaslam,
de volgende dag, d. i. de vijftiende na nieuwe maan, werd gekruisigd, heeft Hij toch
in de nacht, waarin het lam geofferd werd een heilig begin gemaakt aan de slachtoffering
van zichzelf, d. i. aan zijn lijden, en wel door toen het mysterie van zijn lichaam
en bloed aan de leerlingen ter viering over te geven, en doordat toen de Joden hun
handen aan Hem sloegen en Hem bonden ». Wanneer echter bij Joannes (13. 1) gezegd
wordt: « Daags voor het Paasfeest », dan is dat te verstaan van de veertien dag na
de nieuwe maan, wat toen viel op de vijftiende dag (der week), want op de vijftiende
dag na de nieuwe maan viel bij de Joden de hoogste feestdag Pasen. En zo komt het
dat dezelfde dag, welke Joannes, om de natuurlijke onderscheiding der dagen « de dag
voor het Paasfeest » noemt, door Mattheus genoemd wordt: « de eerste dag der ongedeesemde
broden », daar volgens de Joodsche feestritus de plechtigheid begon op de avond van
de vorige dag. En als er nu staat, dat zij het Paasmaal moesten eten op de vijftiende
dag na de nieuwe maan, dan is dit zo te verstaan, dat daar niet bedoeld wordt het
Paaslam, dat geslacht werd op de veertien dag na de nieuwe maan, maar de Paasspijs,
d. i. het ongedeesemde brood, hetwelk in reinheid moest gegeten worden. Vandaar dat
Chrysostomus een andere uitleg geeft, dat « Pasen » kan verstaan worden van « het
gehele feest » der Joden, dat zeven dagen duurde.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., hora
erat quasi sexta, cum traditus esset dominus crucifigendus a Pilato, ut Ioannes dicit,
non enim erat plena sexta, sed quasi sexta, idest, peracta quinta, et aliquid de sexta
esse coeperat, donec, completa sexta, Christo pendente in cruce, tenebrae fierent.
Intelligitur autem fuisse hora tertia cum clamaverunt Iudaei ut dominus crucifigeretur,
et veracissime demonstratur tunc eos crucifixisse quando clamaverunt. Ergo, ne quisquam
cogitationem tanti criminis a Iudaeis aversus in milites converteret, erat, inquit,
hora tertia, et crucifixerunt eum, ut illi potius eum crucifixisse inveniantur qui
hora tertia ut crucifigeretur clamaverunt. Quanquam non desint qui parasceve, quam
Ioannes commemorat, dicens, erat autem parasceve hora quasi sexta, horam diei tertiam
velint intelligi. Parasceve quippe interpretatur praeparatio. Verum autem Pascha,
quod in passione domini celebratur, incoepit praeparari ab hora noctis nona, quando
scilicet omnes principes sacerdotum dixerunt, reus est mortis. Ab illa ergo hora noctis
usque ad Christi crucifixionem occurrit hora parasceve sexta, secundum Ioannem; et
hora diei tertia, secundum Marcum. Quidam tamen dicunt quod haec diversitas ex peccato
scriptoris contingit apud Graecos, nam figurae quibus tria et sex repraesentantur,
satis sunt propinquae apud eos. (IIIa q. 46 a. 9 ad 2)
2 — Augustinus zegt: « Het was ongeveer het zesde uur toen de Heer door Pilatus werd overgeleverd
ter kruisiging, zoals Joannes zegt (19. 14); het was immers niet ten volle het zesde,
maar ongeveer het zesde d.w.z. het vijfde was verstreken en het zesde was al enigszins
begonnen, zodat bij de voltooiing van het zesde uur, terwijl Christus aan het kruis
hing, de duisternis ontstond. Men houdt echter dat het derde uur was, toen de Joden
schreeuwden, dat de Heer moest gekruisigd worden, en allerjuist wordt er op gewezen,
dat zij Hem toen kruisigden, toen zij dit riepen. Opdat derhalve niemand het verwijt
van zulk een misdaad van de Joden op de soldaten zou schuiven, zegt hij: 't Was het
derde uur en zij kruisigden Hem (Marc. 15. 25), opdat men begrijpen zou, dat zij Hem
veeleer kruisigden, die op het derde uur riepen, dat Hij gekruisigd moest worden.
Hoewel, er zijn er ook, die Parasceve, waar Joannes van spreekt, als Hij zegt: « Het
was nu Parasceve (daags voor Paschen), ongeveer het zesde uur, » willen opvatten als
het derde uur van de dag. Parasceve immers betekent: voorbereiding. Het Paschen nu,
dat met Christus' lijden werd gevierd, werd werkelijk voorbereid vanaf het negende
uur 's nachts, toen nl. alle opperpriesters zeiden: « Hij is des doods schuldig. »
Rekenende nu vanaf dit nachtelijk uur tot aan Christus' kruisiging, komen we tot «
het zesde uur van Parasceve » volgens Joannes en tot « het derde uur van de dag »
volgens Marcus. » Sommigen echter zeggen, dat dit verschil een gevolg is van een schrijffout
in de Griekse tekst: want de tekens, waarmede drie en zes worden aangegeven, lijken
bij hen veel op elkaar.
Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in libro de quaest. Nov. et Vet. Test., tunc
voluit dominus passione sua mundum redimere et reformare, quando eum creaverat, idest
in aequinoctio. Et tunc dies super noctem increscit, quia per passionem salvatoris
a tenebris ad lucem perducimur. Et quia perfecta illuminatio erit in secundo adventu
Christi, ideo tempus secundi adventus aestati comparatur, Matth. XXIV, ubi dicitur,
cum ramus eius iam tener fuerit et folia nata, scitis quia prope est aestas. Ita et
vos, cum videritis haec omnia, scitote quia prope est et in ianuis. Et tunc etiam
erit maxima Christi exaltatio. (IIIa q. 46 a. 9 ad 3)
3 — Augustinus zegt: « De Heer wilde door zijn lijden de wereld verlossen en hervormen
op dat ogenblik, waarop Hij haar geschapen had d. i. bij de dag- en nachtevening.
En toen kreeg de dag de overhand op de nacht: want door het lijden van de Zaligmaker
worden wij van de duisternis naar het licht overgebracht. » En aangezien de volkomen
verlichting zal plaats hebben bij de tweede komst van Christus, daarom wordt de tijd
der tweede komst vergeleken met de zomer in Mattheus (24. 32, 33), waar gezegd wordt:
« Als zijn tak reeds zacht is en er bladeren aan zitten, dan weet gij, dat de zomer
nabij is, zo ook gij, als gij dit alles ziet, weet dan dat het nabij is en voor de
deur staat. » Dan zal ook de hoogste verheffing van Christus plaats hebben.
Ad quartum dicendum quod Christus in iuvenili aetate pati voluit propter tria. Primo
quidem, ut ex hoc magis suam dilectionem commendaret, quod vitam suam pro nobis dedit
quando erat in perfectissimo statu. Secundo, quia non conveniebat ut in eo appareret
naturae diminutio, sicut nec morbus, ut supra dictum est. Tertio ut, in iuvenili aetate
moriens et resurgens, futuram resurgentium qualitatem in seipso Christus praemonstraret.
Unde dicitur Ephes. IV, donec occurramus omnes in unitatem fidei et agnitionis filii
Dei, in virum perfectum, in mensuram aetatis plenitudinis Christi. (IIIa q. 46 a. 9 ad 4)
4 — Om drie redenen wilde Christus lijden op de leeftijd van jongeman. — Vooreerst om
hierdoor beter zijn liefde te tonen, doordat Hij zijn leven voor ons gaf, toen het
juist in zijn volmaaktste staat was. — Ten tweede, omdat het niet passend was, dat
zich bij Hem een achteruitgang van de natuur vertoonde, evenmin als ziekte, zoals
boven gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Ten derde, opdat Christus door te sterven en
te verrijzen op jonge mannenleeftijd, in zichzelf vooruit wilde aangeven, de toekomstige
conditie der verrijzenden. Vandaar wordt gezegd in de Brief aan de Ephesiërs (4. 13):
« Totdat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen,
een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben
bereikt. »
Articulus 10. Heeft Christus op een passende plaats geleden?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod non convenienti loco Christus passus fuerit.
Christus enim passus est secundum carnem humanam, quae quidem concepta fuit ex virgine
in Nazareth, et nata in Bethlehem. Ergo videtur quod non in Ierusalem, sed in Nazareth
vel in Bethlehem pati debuerit. (IIIa q. 46 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus niet op een passende plaats geleden heeft. Christus toch
heeft geleden met zijn menselijk lichaam, dat ontvangen werd door de Maagd te Nazareth,
en geboren werd te Bethlehem. Dus moest Hij niet te Jeruzalem, maar in Nazareth of
in Bethlehem lijden.
Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed passio Christi figurabatur per sacrificia
veteris legis. Sed huiusmodi sacrificia offerebantur in templo. Ergo et Christus in
templo pati debuit, et non extra portam civitatis. (IIIa q. 46 a. 10 arg. 2)
2 — De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Het lijden van Christus
nu werd voorafgebeeld door de offers van de Oude Wet: en deze offers werden opgedragen
in de tempel. Dus moest Christus lijden in de tempel en niet buiten de stadspoorten.
Praeterea, medicina debet morbo respondere. Sed passio Christi fuit medicina contra
peccatum Adae. Adam autem non fuit sepultus in Ierusalem, sed in Hebron, dicitur enim
Iosue XIV, nomen Hebron antea vocabatur Cariath Arbe, Adam maximus ibi in terra Enacim
situs erat. (IIIa q. 46 a. 10 arg. 3)
3 — Het geneesmiddel moet aangepast zijn aan de ziekte. Het lijden van Christus nu was
het geneesmiddel voor de zonde van Adam. Adam echter werd niet begraven in Jeruzalem,
maar in Hebron. Er staat immers in het Boek Jozua (14.15): « De naam van Hebron werd
vroeger geheten Cariath-Arbe; daar ligt Adam, de zeer grote, onder de Enakieten. »
Dus moest Christus in Hebron en niet in Jeruzalem lijden.
Sed contra est quod dicitur Luc. XIII, non capit prophetam perire extra Ierusalem.
Convenienter igitur in Ierusalem passus est. (IIIa q. 46 a. 10 s. c.)
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in Lucas (13. 33): « Het past niet dat
een profeet omkomt buiten Jeruzalem. » Christus nu was een profeet. Dus was het passend,
dat Hij stierf in Jeruzalem.
Respondeo dicendum quod, sicut dicitur in libro octoginta trium quaest., omnia propriis
locis et temporibus gessit salvator, quia, sicut omnia sunt in manu eius, ita etiam
omnia loca. Et ideo, sicut convenienti tempore Christus passus est, ita etiam convenienti
loco. (IIIa q. 46 a. 10 co.)
Zoals Augustinus zegt, « heeft de Zaligmaker alles op de geschikte plaats en tijd
volbracht; » want, waar alles in zijn hand gegeven is, zijn het ook alle plaatsen.
En evenals Christus derhalve te geschikter tijd geleden heeft, zo ook op de geschikte
plaats.
Ad primum ergo dicendum quod Christus convenientissime in Ierusalem passus est. Primo
quidem, quia Ierusalem erat locus a Deo electus ad sacrificia sibi offerenda. Quae
quidem figuralia sacrificia figurabant Christi passionem, quod est verum sacrificium,
secundum illud Ephes. V, tradidit semetipsum hostiam et oblationem in odorem suavitatis.
Unde Beda dicit, in quadam homilia, quod appropinquante hora passionis, dominus appropinquare
voluit loco passionis, scilicet in Ierusalem, quo pervenit ante quinque dies Paschae,
sicut agnus paschalis ante quinque dies Paschae, idest decima luna, secundum praeceptum
legis, ad locum immolationis ducebatur. Secundo, quia virtus passionis eius ad totum
mundum diffundenda erat, in medio terrae habitabilis pati voluit, idest in Ierusalem.
Unde dicitur in Psalmo, Deus autem, rex noster ante saecula, operatus est salutem
in medio terrae, idest in Ierusalem, quae dicitur esse terrae umbilicus. Tertio, quia
hoc maxime conveniebat humilitati eius, ut scilicet, sicut turpissimum genus mortis
elegit, ita etiam ad eius humilitatem pertinuit quod in loco tam celebri confusionem
pati non recusavit. Unde Leo Papa dicit, in sermone quodam Epiphaniae, qui servi susceperat
formam, Bethlehem praeelegit nativitati, Ierusalem passioni. Quarto, ut ostenderet
a principibus populi exortam esse iniquitatem occidentium ipsum. Et ideo in Ierusalem,
ubi principes morabantur, voluit pati. Unde dicitur Act. IV, convenerunt in ista civitate
adversus puerum sanctum tuum Iesum, quem unxisti, Herodes et Pontius Pilatus, cum
gentibus et populis Israel. (IIIa q. 46 a. 10 ad 1)
1 — Het was zeer passend dat Christus te Jeruzalem leed. Vooreerst, omdat Jeruzalem de
plaats was door God uitgekozen, om Hem de offers op te dragen, welke voorafbeeldende
offers het lijden van Christus voorstelden, dat een waar offer is, zoals staat in
de Brief aan de Efeziërs (5.2): « Hij heeft zich gegeven als gave en offer tot een
lieflijke geur. » Daarom ook zegt Beda, dat « bij de nadering van het lijdensuur de
Heer naar de plaats van het lijden wilde gaan, » nl. Jeruzalem, waar Hij zes dagen
voor Pasen aankwam; evenals ook het Paaslam zes dagen voor Pasen, d. i. op de tiende
dag na nieuwe maan volgens het voorschrift der Wet naar de slachtplaats moest geleid
worden. — Ten tweede, daar de kracht van zijn lijden moest verbreid worden over de
gehele wereld, wilde Hij lijden in het midden der bewoonde wereld, d. i. in Jeruzalem.
Vandaar dat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (73.12): « God echter, vóór eeuwen
onze koning, heeft het heil gewrocht in het midden der aarde, » d. i. in Jeruzalem,
dat de navel der aarde genoemd wordt. — Ten derde, omdat dit het meest paste aan zijn
nederigheid. Zoals Hij nl. de schandelijksten dood verkoos, evenzo paste het bij zijn
nederigheid, dat Hij niet zou weigeren in zulk een beroemde plaats zijn schande te
ondergaan. Daarom zegt paus Leo: « Die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen,
koos Bethlehem uit voor zijn geboorte, Jeruzalem voor zijn lijden. » — Ten vierde,
om aan te tonen, dat de misdaad van hen, die Hem doodden, uitging van de Joodse volkshoofden;
en daarom wilde Hij lijden in Jeruzalem, waar de voornaamsten verblijf hielden. Vandaar
wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (4. 27): « In deze stad hebben samengespannen
tegen Jesus, Uw heilige dienaar, die Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus
met de heidenen en de stammen Israëls. »
Ad secundum dicendum quod Christus non in templo aut in civitate, sed extra portam
passus est, propter tria. Primo quidem, ut veritas responderet figurae. Nam vitulus
et hircus, qui solemnissimo sacrificio ad expiationem totius multitudinis offerebantur,
extra castra comburebantur, ut praecipitur Levit. XVI. Unde dicitur Heb. XIII, quorum
animalium infertur sanguis pro peccato in sancta per pontificem, horum corpora cremantur
extra castra. Propter quod et Iesus, ut sanctificaret suum populum, extra portam passus
est. Secundo, ut per hoc daret exemplum nobis exeundi a mundana conversatione. Unde
ibidem subditur, exeamus igitur ad eum extra castra, improperium eius portantes. Tertio,
ut Chrysostomus dicit, in sermone de passione, noluit dominus pati sub tecto, non
in templo Iudaico, ne Iudaei subtraherent sacrificium salutare, ne putares pro illa
tantum plebe oblatum. Et ideo foras civitatem, foras muros, ut scias sacrificium esse
commune quod totius terrae est oblatio, quod communis est purificatio. (IIIa q. 46 a. 10 ad 2)
2 — Christus heeft niet in de tempel of in de stad, maar buiten de poort geleden om drie
redenen. — Vooreerst, opdat de werkelijkheid zou beantwoorden aan de voorafbeelding.
Want het kalf en de bok, die bij het plechtigste offer werden opgedragen tot verzoening
voor de gehele menigte, werden buiten de legerplaats verbrand, zoals voorgeschreven
staat in het Boek Leviticus (16. 27). Vandaar dat gezegd wordt in de Brief aan de
Hebreën (13. 11, 12): « En de lichamen der dieren, wier bloed tot verzoening der zonde
door de hoogepriester in het heiligdom is gebracht, worden buiten de legerplaats verbrand.
Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn
bloed. » — Ten tweede, om ons hierdoor een voorbeeld te geven, dat wij ons verwijderd
zouden houden van wereldsche omgang. Daarom werd er t. a. p. aan toegevoegd: « Laat
ons derhalve tot Hem buiten de legerplaats gaan, zijn schande dragende. » — Ten derde,
« wilde de Heer, » zoals Chrysostomus zegt, « niet lijden onder een dak, noch in de
Joodsche tempel, opdat de Joden het heilzame offer niet voor zich alleen zouden opeisen,
en opdat gij niet zou menen, dat het voor dat volk alleen werd opgedragen. — En daarom
buiten de stad, buiten de muren, opdat gij zou weten, dat het een offer voor het algemeen
is, dat het een opdracht is voor geheel de aarde, dat het een reiniging is voor allen.
»
Ad tertium dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, super Matth., quidam exposuit Calvariae
locum, in quo sepultus est Adam, et ideo sic appellatum quia ibi antiqui hominis sit
conditum caput. Favorabilis interpretatio, et mulcens aures populi, nec tamen vera.
Extra urbem enim et foris portam, loca sunt in quibus truncantur capita damnatorum;
et Calvariae, idest decollatorum, sumpsere nomen. Propterea autem ibi crucifixus est
Iesus, ut ubi prius erat area damnatorum, ibi erigerentur vexilla martyrii. Adam vero
sepultum iuxta Hebron, in libro Iesu filii Nave legimus. Magis autem Christus crucifigendus
erat in loco communi damnatorum quam iuxta sepulcrum Adae, ut ostenderetur quod crux
Christi non solum erat in remedium contra peccatum personale Adae, sed etiam contra
peccatum totius mundi. (IIIa q. 46 a. 10 ad 3)
3 — Zoals Hieronymus zegt bij de woorden van Mattheus (27. 33): « En zij kwamen op de
plaats, » enz.: « Sommigen verklaren, dat de plaats Calvarië, waar Adam begraven werd,
daarom zo genoemd werd, omdat daar het hoofd van de voorvaderlijke mens begraven werd.
’n Geliefkoosde verklaring, strelend voor het volksgehoor, maar niet waar. Buiten
de stad immers en buiten de poort zijn de plaatsen, waar de hoofden der veroordeelden
worden afgeslagen, en zij kregen de naam van Calvarië, d. i.: van de onthoofden. Jesus
is echter daarom gekruisigd, waar eerst de plaats der veroordeelden was, opdat daar
de martelaarsvaandels zouden worden ontplooid. Daarentegen lezen wij in het boek van
Jesus, de zoon van Nave, dat Adam begraven werd bij Hebron en Arbe. » Christus echter
moest gekruisigd worden op de algemene plaats der veroordeelden, eerder dan bij het
graf van Adam, om aan te tonen, dat het kruis van Christus niet alleen een geneesmiddel
was voor de persoonlijke zonden van Adam zelf, maar ook voor de zonden van de gehele
wereld.
Articulus 11. Was het passend dat Christus met rovers gekruisigd werd?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum cum latronibus
crucifigi. Dicitur enim II Cor. VI, quae participatio iustitiae cum iniquitate? Sed
Christus factus est nobis iustitia a Deo; iniquitas autem pertinet ad latrones. Non
ergo fuit conveniens ut Christus simul cum latronibus crucifigeretur. (IIIa q. 46 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus met rovers gekruisigd werd. Er
wordt immers gezegd in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14): « Wat hebben gerechtigheid
en ongerechtigheid gemeen? » Maar Christus « is voor ons geworden de gerechtigheid
uit God » (1 Cor. 1. 30); bij de rovers echter behoorde de ongerechtigheid thuis.
Het was derhalve niet passend, dat Christus tegelijk met rovers gekruisigd werd.
Praeterea, super illud Matth. XXVI, si oportuerit me mori tecum, non te negabo, dicit
Origenes, mori cum Iesu pro omnibus moriente, hominum non erat. Et Ambrosius dicit,
super illud Luc. XXII, paratus sum tecum et in carcerem et in mortem ire, passio,
inquit, domini aemulos habet, pares non habet. Multo igitur minus conveniens videtur
quod Christus simul cum latronibus pateretur. (IIIa q. 46 a. 11 arg. 2)
2 — Naar aanleiding van het woord bij *Mattheus* (26. 35): « Al zou ik met U moeten sterven,
ik zal U niet verloochenen, » zegt Origines: « Het was niemand der mensen gegeven
om met Christus te sterven, die voor allen stierf. » En op het woord van Lucas (22.33):
« Ik ben bereid met U in de gevangenis en in de dood te gaan, » zegt Ambrosius: «
Het lijden van Christus had navolgers, geen gelijken. » Het was dus veel minder passend,
dat Christus met rovers leed.
Praeterea, Matth. XXVII dicitur quod latrones qui crucifixi erant, improperabant ei.
Sed Luc. XXIII dicitur quod unus eorum qui crucifixi erant cum Christo, ei dicebat,
memento mei, domine, cum veneris in regnum tuum. Ergo videtur quod, praeter latrones
blasphemantes, fuerit cum eo crucifixus alius non blasphemans. Et sic videtur inconvenienter
ab Evangelistis narratum quod Christus fuerit cum latronibus crucifixus. (IIIa q. 46 a. 11 arg. 3)
3 — Mattheus (27.44) zegt, dat « de rovers, die met Hem gekruisigd werden, Hem bespotten.
» Maar Lucas (23.42) zegt, dat een van hen, die met Christus was, tot Hem zei: « Heer
gedenk mijner, als U in uw rijk gekomen zijt. » Derhalve schijnt er behalve de godslasterende
rovers, een ander met Hem gekruisigd te zijn, die niet lasterde; en aldus lijkt het
niet juist door de Evangelist verhaald te zijn, dat Christus met rovers gekruisigd
werd.
Sed contra est quod Isaiae LIII fuerat prophetatum, et cum sceleratis reputatus est. (IIIa q. 46 a. 11 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (53.12) voorzegd heeft: « Hij is onder de boosdoeners
gerekend. »
Respondeo dicendum quod Christus inter latrones crucifixus est, alia quidem ratione
quantum ad intentionem Iudaeorum, alia vero quantum ad Dei ordinationem. Quantum enim
ad intentionem Iudaeorum, duos latrones utrinque crucifixerunt, sicut dicit Chrysostomus,
ut eorum suspicionis fieret particeps. Sed non ita evenit. Nam de illis nil dicitur,
huius autem ubique crux honoratur. Reges, diademata deponentes, assumunt crucem, in
purpuris, in diadematibus, in armis, in mensa sacrata, ubique terrarum crux emicat.
Quantum vero ad Dei ordinationem, Christus cum latronibus crucifixus est, quia, ut
Hieronymus dicit, super Matth., sicut pro nobis maledictum crucis factus est Christus,
sic, pro omnium salute, inter noxios quasi noxius crucifigitur. Secundo, ut dicit
Leo Papa, in sermone de passione, duo latrones unus ad dexteram alius ad sinistram
crucifiguntur, ut in ipsa patibuli specie demonstraretur illa quae in iudicio ipsius
omnium hominum facienda est discretio. Et Augustinus dicit, super Ioan., ipsa crux,
si attendas, tribunal fuit. In medio enim iudice constituto, unus, qui credidit, liberatus;
alius, qui insultavit, damnatus est. Iam significabat quid facturus est de vivis et
mortuis, alios positurus ad dextram et alios ad sinistram. Tertio, secundum Hilarium,
duo latrones laevae ac dextrae affiguntur, omnem humani generis diversitatem vocari
ad sacramentum passionis domini ostendentes. Sed quia per diversitatem fidelium atque
infidelium fit omnium secundum dextram et sinistram divisio, unus ex duobus, ad dextram
situs, fidei iustificatione salvatur. Quarto quia, ut Beda dicit, super Marc., latrones
qui cum domino crucifixi sunt, significant eos qui, sub fide et confessione Christi,
vel agonem martyrii vel quaelibet arctioris disciplinae instituta subeunt. Sed qui
hoc pro aeterna gloria gerunt, dextri latronis fide designantur, qui vero humanae
laudis intuitu, sinistri latronis mentem imitantur et actus. (IIIa q. 46 a. 11 co.)
Christus is in de bedoeling der Joden om een andere reden met rovers gekruisigd, dan
in de voorbeschikking van God. — Wat de bedoeling immers der Joden aangaat, kruisigden
zij twee rovers aan beide zijden zoals Chrysostomus zegt, « opdat Hij zou delen in
hun verdenking. Maar zo is het niet gelukt; van hen immers wordt niets gezegd, het
kruis van Hem echter wordt overal geëerd. Koningen nemen hun diademen af, en nemen
het kruis: in het purper, op de diademen, op de wapens, op de sacrale tafels, overal
ter wereld schittert het kruis. » Naar Gods verordening echter, is Christus met rovers
gekruisigd, omdat, zoals bij de woorden van Mattheus (27. 33): « Zij kwamen op de
plaats, die, » enz. Hieronymus opmerkt: « Zoals Christus voor ons tot de vervloeking
van het kruis geworden is, zo is Hij voor ons aller heil als een schuldige onder de
schuldigen gekruisigd. » — Ten tweede, zoals paus Leo zegt: « Er worden twee rovers,
een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde gekruisigd, om in het beeld van het
kruis zelf de scheiding aan te geven, welke bij zijn oordeel tussen alle mensen zal
gemaakt worden. » En Augustinus zegt: « Als gij het goed beschouwt, dan vormde het
kruis zelf een oordeel. In het midden immer bevond zich de rechter; de een, die geloofde,
werd verlost, de ander, die lasterde, werd veroordeeld. Hij liet reeds zien, wat Hij
doen zal met de levenden en de doden: sommigen zal Hij aan de rechterzijde plaatsen,
anderen aan de linker. » — Ten derde, werden volgens Hilarius « twee rovers links
en rechts gekruisigd, om aan te tonen, dat het hele menselijke geslacht wordt geroepen
tot het geheim van het lijden des Heren. Maar omdat naar het verschil van gelovigen
en ongelovigen, aller verdeeling geschiedt in rechts en links, wordt een der twee,
die aan de rechterzijde, gered door de rechtvaardiging uit het geloof. » — Ten vierde,
omdat zoals Beda zegt, « de rovers die met de Heer gekruisigd werden, diegenen voorstellen,
die in het geloof en de belijdenis van Christus, ofwel de marteldood ondergaan, of
sommige instellingen met strengere tucht naleven. Maar die dit doen voor de eeuwige
glorie worden voorgesteld door de gelovige rover aan de rechterkant; die het echter
doen met het oog op menselijken lof, volgen de gezindheid en daden na van de moordenaar
aan de linkerkant. »
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Christus debitum mortis non habuit, sed mortem
voluntarie subiit ut sua virtute vinceret mortem, ita etiam non habuit meritum ut
cum latronibus poneretur, sed voluit cum iniquis deputari ut sua virtute iniquitatem
destrueret. Unde Chrysostomus dicit, super Ioan., quod latronem in cruce convertere
et in Paradisum inducere, non minus fuit quam concutere petras. (IIIa q. 46 a. 11 ad 1)
1 — Zoals Christus niet behoefde te sterven, maar toch de dood vrijwillig onderging, om
door zijn kracht de dood te overwinnen, zo verdiende Hij ook niet onder rovers te
worden geplaatst; maar Hij wilde onder de boosdoeners gerekend worden, om met zijn
deugd de ongerechtigheid te niet te doen. Vandaar zegt Chrysostomus, dat het « niet
geringer was de rover op het kruis te bekeren en naar het paradijs te brengen, dan
om rotsen te klieven. »
Ad secundum dicendum quod non conveniebat quod cum Christo aliquis alius pateretur
ex eadem causa. Unde Origenes ibidem subdit, omnes fuerant in peccatis, et omnes opus
habebant ut pro eis alius moreretur, non ipsi pro aliis. (IIIa q. 46 a. 11 ad 2)
2 — Het paste niet dat iemand anders met Christus meeleed om dezelfde reden. Daarom zegt
Origines: « Allen waren in zonden, en allen hadden nodig, dat een ander voor hen stierf,
niet zij voor anderen. »
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., possumus
intelligere Matthaeum posuisse pluralem numerum pro singulari, cum dixit, latrones
improperabant ei. Vel potest dici, secundum Hieronymum, quod primum uterque blasphemaverit;
deinde, visis signis, unus eorum crediderit. (IIIa q. 46 a. 11 ad 3)
3 — Zoals Augustinus zegt, kunnen wij 't opvatten, « als had Mattheus het meervoud voor
het enkelvoud gezet », waar hij zegt: « De rovers hoonden Hem. » — Of men kan met
Hieronymus zeggen, in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (27. 44): « De rovers
hoonden Hem », dat « eerst beiden Hem lasterden; maar dat vervolgens een geloofde,
op het zien der tekenen. »
Articulus 12. Moet het lijden van Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod passio Christi sit eius divinitati attribuenda.
Dicitur enim I Cor. II, si cognovissent, nunquam dominum gloriae crucifixissent. Sed
dominus gloriae est Christus secundum divinitatem. Ergo passio Christi competit ei
secundum divinitatem. (IIIa q. 46 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lijden van Christus moet toegeschreven worden aan zijn Godheid.
In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8) wordt immers gezegd: « Als zij Hem gekend
hadden, zouden zij de Heer der glorie, nooit gekruisigd hebben. » Heer der glorie
nu is Christus naar zijn Godheid. Dus moet Hem het lijden toegeschreven worden naar
zijn Godheid.
Praeterea, principium salutis humanae est ipsa divinitas, secundum illud Psalmi, salus
autem iustorum a domino. Si ergo passio Christi ad eius divinitatem non pertineret,
videtur quod non posset esse nobis fructifera. (IIIa q. 46 a. 12 arg. 2)
2 — Het beginsel van het menselijk heil is de Godheid zelf, naar het woord van het Boek
der Psalmen (36. 39): « De redding der rechtvaardigen is van de Heer. » Indien dus
het lijden van Christus niet toekwam aan zijn Godheid, dan kon het voor ons niet vruchtdragend
zijn.
Praeterea, Iudaei puniti sunt pro peccato occisionis Christi tanquam homicidae ipsius
Dei, quod magnitudo poenae demonstrat. Hoc autem non esset, si passio ad divinitatem
non pertineret. Ergo passio Christi ad divinitatem pertinuit. (IIIa q. 46 a. 12 arg. 3)
3 — De Joden zijn gestraft voor de zonde van de moord op Christus, als voor een moordaanslag
op God zelf, hetgeen blijkt uit de grootheid der straf. Dit zou echter niet het geval
zijn, als het lijden niet was toe te schrijven aan de Godheid. Dus behoorde het lijden
van Christus aan zijn Godheid.
Sed contra est quod Athanasius dicit, in epistola ad Epictetum, natura Deus manens
verbum est impassibile. Sed impassibile non potest pati. Passio ergo Christi non pertinebat
ad eius divinitatem. (IIIa q. 46 a. 12 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Athanasius zegt: « Het Woord, naar zijn natuur God
blijvend, is onlijdbaar. » Wat echter onlijdbaar is, kan niet lijden. Dus behoorde
het lijden van Christus niet bij zijn Godheid.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, unio humanae naturae et divinae facta
est in persona et hypostasi et supposito, manente tamen distinctione naturarum, ut
scilicet sit eadem persona et hypostasis divinae et humanae naturae, salva tamen utriusque
naturae proprietate. Et ideo, sicut supra dictum est, supposito divinae naturae attribuenda
est passio, non ratione divinae naturae, quae est impassibilis, sed ratione humanae
naturae. Unde in epistola synodali Cyrilli dicitur, si quis non confitetur Dei verbum
passum carne et crucifixum carne, anathema sit. Pertinet ergo passio Christi ad suppositum
divinae naturae ratione naturae passibilis assumptae, non autem ratione divinae naturae
impassibilis. (IIIa q. 46 a. 12 co.)
De vereniging van de menselijke en goddelijke natuur had, zoals boven gezegd is (2°
Kw. 2°, 3°, en 6° Art.), plaats in de persoon, en in de hypostase en het suppositou,
met handhaving echter van het onderscheid tussen beide naturen, zodat namelijk een
en dezelfde persoon en hypostase de goddelijke en menselijke natuur bezat, met behoud
van het eigene der beide naturen. En derhalve moet, zoals boven gezegd is (16° Kw.
5° Art.), aan het suppositou van de goddelijke natuur het lijden toegeschreven worden,
niet krachtens de goddelijke natuur, die onlijdbaar is, maar krachtens de menselijke
natuur. Vandaar zegt Cyrillus: « Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods heeft
geleden naar het vlees, en is gekruisigd naar het vlees, dan zij hij vervloekt. »
Derhalve behoorde het lijden van Christus tot het suppositum van de goddelijke natuur
krachtens de lijdbare natuur, die Hij had aangenomen, en niet krachtens de goddelijke
natuur, die niet kan lijden.
Ad primum ergo dicendum quod dominus gloriae dicitur crucifixus, non secundum quod
dominus est gloriae, sed secundum quod erat homo passibilis. (IIIa q. 46 a. 12 ad 1)
1 — Wij zeggen, dat de Heer der glorie werd gekruisigd, niet in zover Hij Heer der glorie
is, maar voor zover Hij een lijdbaar mens was.
Ad secundum dicendum quod, sicut dicitur in quodam sermone Ephesini Concilii, quod
mors Christi, tanquam facta mors Dei, scilicet per unionem in persona, destruxit mortem,
quoniam Deus et homo erat qui patiebatur. Non enim natura Dei laesa est, nec mutatione
sua suscepit passiones. (IIIa q. 46 a. 12 ad 2)
2 — Zoals gezegd wordt in een toespraak op het Concilie van Ephese, « heeft de dood van
Christus, a. h. w. de dood van God geworden, » nl. door de vereniging in de persoon,
« de dood vernietigd, omdat Hij » die leed « God en mens was. De natuur van God werd
immers niet gekweld, maar de menselijke; en Hij onderging ook niet het lijden door
een verandering van zijn zijde. »
Ad tertium dicendum quod, sicut subditur ibidem, non purum hominem crucifixerunt Iudaei,
sed Deo intulerunt praesumptiones. Pone enim principem loqui per verbum, et hoc formari
per litteras in charta aliqua, et dirigi civitatibus, et aliquis inobediens chartam
disrumpat. Ad mortis sententiam deducetur, non tanquam chartam discerpens, sed tanquam
verbum imperiale disrumpens. Non ergo securus sit Iudaeus, tanquam purum hominem crucifigens.
Quod enim videbat, quasi charta erat, quod autem in ea celabatur, imperiale verbum
erat, natum ex natura, non prolatum per linguam. (IIIa q. 46 a. 12 ad 3)
3 — Op dezelfde plaats (vgl. 2e Antw.) wordt gezegd: « De Joden kruisigden geen mens zonder
meer, maar God deden zij hun schelmstuk aan. Want stel eens, dat een vorst met woorden
iets uit, en dat dit met letters op papier wordt gebracht, en dat het aan steden wordt
toegezonden, en dat iemand uit ongehoorzaamheid het document verscheurt. Zo iemand
zal dan ter dood worden veroordeeld, niet in zover hij het stuk verscheurd heeft,
maar omdat hij het woord van de vorst te niet doet. Derhalve kan de Jood niet gerust
zijn, alsof hij een gewoon mens kruisigde. Want wat hij zag, was als een document:
wat daarin echter verborgen lag, was het vorstelijk Woord, van nature ontstaan, niet
voortgebracht met de tong.