QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 23.
Of het Christus toekomt als kind aangenomen te worden .

Prooemium

Deinde considerandum est an adoptio Christo conveniat. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum Deo conveniat filios adoptare. Secundo, utrum hoc conveniat soli Deo patri. Tertio, utrum sit proprium hominum adoptari in filios Dei. Quarto, utrum Christus possit dici filius adoptivus. (IIIa q. 23 pr.)

Vervolgens moeten wij bespreken of het aangenomen wordt als kind Christus toekomt. En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Komt het God toe zonen aan te nemen? 2. Komt dit alleen aan God de Vader toe? 3. Is het de mensen eigen door God als kind aangenomen te worden? 4. Kan men Christus een aangenomen zoon noemen?

Articulus 1.
Komt het God toe zonen aan te nemen?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deo non conveniat filios adoptare. Nullus enim adoptat nisi extraneam personam in filium, secundum quod iuristae dicunt. Sed nulla persona est extranea Deo, qui est omnium creator. Ergo videtur quod Deo non conveniat adoptare. (IIIa q. 23 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het God niet toekomt zonen aan te nemen. Want, zoals de rechtsgeleerden zeggen, neemt men alleen een vreemde persoon als zoon aan. Nu is geen enkel persoon vreemd voor God, die de Schepper van allen is. Dus schijnt het aannemen van kinderen God niet toe te komen.

Praeterea, adoptatio videtur esse introducta in defectu filiationis naturalis. Sed in Deo invenitur naturalis filiatio, ut in prima parte habitum est. Ergo non convenit Deo filios adoptare. (IIIa q. 23 a. 1 arg. 2)

2 — Het aannemen schijnt ingevoerd te zijn bij gebrek aan een zoonschap van nature. Nu vindt men in God een natuurlijk zoonschap zoals in het eerste deel behandeld is (27° Kw., 2° Art.). Dus komt het God niet toe zonen aan te nemen.

Praeterea, ad hoc aliquis adoptatur ut in hereditate adoptantis succedat. Sed in hereditate Dei non videtur aliquis posse succedere, quia ipse nunquam decedit. Ergo Deo non competit adoptare. (IIIa q. 23 a. 1 arg. 3)

3 — Iemand wordt hierom aangenomen, dat hij hem die aanneemt in de erfenis op kan volgen. Nu schijnt niemand God in de erfenis te kunnen opvolgen, omdat Hij nooit sterft. Dus komt het God niet toe kinderen aan te nemen.

Sed contra est quod dicitur Ephes. I, praedestinavit nos in adoptionem filiorum Dei. Sed praedestinatio Dei non est irrita. Ergo Deus aliquos sibi adoptat in filios. (IIIa q. 23 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in de Ephesiërsbrief (1, 5) staat: « Hij heeft ons voorbestemd om als kinderen Gods aangenomen te worden ». Nu blijft Gods voorbestemming niet zonder gevolg. Dus neemt God sommigen als kinderen aan.

Respondeo dicendum quod aliquis homo adoptat alium sibi in filium inquantum ex sua bonitate admittit eum ad participationem suae hereditatis. Deus autem est infinitae bonitatis, ex qua contingit quod ad participationem bonorum suas creaturas admittit et praecipue rationales creaturas, quae, inquantum sunt ad imaginem Dei factae, sunt capaces beatitudinis divinae. Quae quidem consistit in fruitione Dei, per quam etiam ipse Deus beatus est et per seipsum dives, inquantum scilicet seipso fruitur. Hoc autem dicitur hereditas alicuius ex quo ipse est dives. Et ideo, inquantum Deus ex sua bonitate admittit homines ad beatitudinis hereditatem, dicitur eos adoptare. Hoc autem plus habet adoptatio divina quam humana, quod Deus hominem quem adoptat idoneum facit, per gratiae munus, ad hereditatem caelestem percipiendam, homo autem non facit idoneum eum quem adoptat, sed potius eum iam idoneum eligit adoptando. (IIIa q. 23 a. 1 co.)

Een mens neemt een ander als kind aan, in zover hij hem uit goedheid in de erfenis laat delen. Nu heeft God een oneindige goedheid en daardoor komt het, dat Hij zijn schepselen in Zijn goederen laat delen; en vooral de redelijke schepsels, die als geschapen naar Gods beeld in staat zijn aan het goddelijk geluk deelachtig te worden. Dat bestaat in het genieten van God, waardoor God zelf gelukkig is en rijk door Zichzelf, in zover Hij van Zichzelf geniet. Nu wordt datgene waardoor iemand rijk is zijn erfenis genoemd; en daarom zegt men van God, dat Hij in zover Hij uit goedheid de mensen deel geeft aan de erfenis der zaligheid hen als kinderen aanneemt. Hierin staat de aanneming door God echter boven die der mensen, dat Hij de mens die Hij aanneemt door het geschenk der genade geschikt maakt om de hemelse erfenis te ontvangen; een mens evenwel maakt degene die hij aanneemt niet geschikt, maar kiest eerder iemand die reeds geschikt is voor de aanneming uit.

Ad primum ergo dicendum quod homo, in sua natura consideratus, non est extraneus a Deo quantum ad bona naturalia quae recipit, est tamen extraneus quantum ad bona gratiae et gloriae. Et secundum hoc adoptatur. (IIIa q. 23 a. 1 ad 1)

1 — I. Beschouwt men de mens naar zijn natuur, dan is hij God geen vreemde wat de natuurlijke goederen die hij krijgt betreft, maar wel in de goederen der genade en der heerlijkheid. En hij wordt juist wat deze betreft aangenomen.

Ad secundum dicendum quod hominis est operari ad supplendam suam indigentiam, non autem Dei, cui convenit operari ad communicandam suae perfectionis abundantiam. Et ideo, sicut per actum creationis communicatur bonitas divina omnibus creaturis secundum quandam similitudinem, ita per actum adoptionis communicatur similitudo naturalis filiationis hominibus, secundum illud Rom. VIII, quos praescivit conformes fieri imaginis filii sui. (IIIa q. 23 a. 1 ad 2)

2 — De mens moet werken om in zijn behoeften te voorzien, maar aan God komt het toe te werken om de overvloed van Zijn volmaaktheid mee te delen. Zoals dus Gods goedheid door de scheppingsdaad aan alle schepselen naar een zekere gelijkenis wordt meegedeeld, wordt door de aanneming aan de mensen een gelijkenis met het natuurlijke zoonschap gegeven naar de Romeinenbrief (8, 29): « Die Hij vooruit heeft gekend om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon ».

Ad tertium dicendum quod bona spiritualia possunt simul a pluribus possideri, non autem bona corporalia. Et ideo hereditatem corporalem nullus potest percipere nisi succedens decedenti, hereditatem autem spiritualem simul omnes ex integro percipiunt, sine detrimento patris semper viventis. Quamvis posset dici quod Deus decedit secundum quod est in nobis per fidem, ut incipiat in nobis esse per speciem, sicut Glossa dicit, Rom. VIII, super illud, si filii, et heredes. (IIIa q. 23 a. 1 ad 3)

3 — Geestelijke goederen kunnen tegelijkertijd door meerderen bezeten worden, maar lichamelijke niet. Daarom kan niemand een stoffelijke erfenis ontvangen tenzij hij iemand die sterft opvolgt; maar de geestelijke erfenis ontvangen allen volledig zonder dat de Vader, die eeuwig leeft, iets verliest. Men zou echter kunnen zeggen, dat God sterft in zover Hij in ons leeft door het geloof om dan in ons te beginnen te zijn door het aanschouwen, zoals de Glossa bij de tekst, « Indien zonen, dan ook erfgenamen », Romeinenbrief (8, 17) zegt.

Articulus 2.
Komt het aannemen aan de gehele Drievuldigheid toe?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod adoptare non conveniat toti Trinitati. Adoptatio enim dicitur in divinis ad similitudinem rerum humanarum. Sed in rebus humanis soli illi convenit adoptare qui potest filios generare, quod in divinis convenit soli patri. Ergo in divinis solus pater potest adoptare. (IIIa q. 23 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aannemen niet aan de gehele Drievuldigheid toekomt. Want bij goddelijke dingen spreekt men daarvan volgens een gelijkenis met menselijke dingen. Nu komt bij de mensen het aannemen alleen aan hem toe, die zonen kan voortbrengen, wat in het goddelijke alleen aan de Vader toekomt. Dus kan in het goddelijke alleen de Vader kinderen aannemen.

Praeterea, homines per adoptionem efficiuntur fratres Christi, secundum illud Rom. VIII, ut sit ipse primogenitus in multis fratribus. Fratres autem dicuntur qui sunt filii unius patris, unde et dominus dicit, Ioan. XX, ascendo ad patrem meum et patrem vestrum. Ergo solus pater Christi habet filios adoptivos. (IIIa q. 23 a. 2 arg. 2)

2 — Door het aannemen worden de mensen broeders van Christus naar de Romeinenbrief (8, 29): « Opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broeders ». Nu noemt men hen, die zonen van een Vader zijn, broeders; daarom ook zegt de Heer bij Johannes (20, 17): « Ik stijg op naar Mijn Vader en uw Vader ». Dus had alleen Christus’ Vader aangenomen zonen.

Praeterea, Galat. IV dicitur, misit Deus filium suum, ut adoptionem filiorum Dei reciperemus. Quoniam autem estis filii Dei, misit Deus spiritum filii sui in corda vestra, clamantem, abba, pater. Ergo eius est adoptare cuius est filium et spiritum sanctum habere. Sed hoc est solius personae patris. Ergo adoptare convenit soli personae patris. (IIIa q. 23 a. 2 arg. 3)

3 — In de Galatenbrief (4, 4) wordt gezegd: « God zond Zijn Zoon, opdat wij de aanneming tot zonen zouden ontvangen ». Omdat gij echter zonen van God zijt, zond God de Geest van Zijn Zoon in uw harten, die roept: Abba, Vader. Dus neemt Hij aan, die een Zoon en een Heilige Geest heeft. Dat nu komt alleen aan de Vader toe, en dus evenzo het aannemen.

Sed contra, eius est adoptare nos in filios quem nos patrem possumus nominare, unde dicitur Rom. VIII, accepistis spiritum adoptionis filiorum, in quo clamamus, abba, pater. Sed cum Deo dicimus, pater noster, hoc pertinet ad totam Trinitatem, sicut et cetera nomina quae dicuntur de Deo relative ad creaturam, ut in prima parte habitum est. Ergo adoptare convenit toti Trinitati. (IIIa q. 23 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Hij, Die Wij Vader kunnen noemen, ons als zonen aanneemt; en daarom staat in de Romeinenbrief (8, 15): « Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, waardoor wij roepen: Abba, Vader! » Maar als wij tot God zeggen: Onze Vader, dan richt zich dat tot de gehele Drievuldigheid als alle namen die wij van God in verhouding tot de schepsels gebruiken, zoals in het eerste deel is gezegd (33° Kw., 3° Art., 1° B.). Daarom komt de aanneming de gehele Drievuldigheid toe.

Respondeo dicendum quod haec est differentia inter filium Dei adoptivum et filium Dei naturalem, quod filius Dei naturalis est genitus non factus, filius autem adoptivus est factus, secundum illud Ioan. I, dedit eis potestatem filios Dei fieri. Dicitur tamen quandoque filius adoptivus esse genitus, propter spiritualem regenerationem, quae est gratuita, non naturalis, unde dicitur Iac. I, voluntarie genuit nos verbo veritatis. Quamvis autem generare in divinis sit proprium personae patris, tamen facere quemcumque effectum in creaturis est commune toti Trinitati, propter unitatem naturae, quia, ubi est una natura, oportet quod ibi sit una virtus et una operatio; unde dominus dicit, Ioan. V, quaecumque facit pater, haec et filius similiter facit. Et ideo homines adoptare in filios Dei convenit toti Trinitati. (IIIa q. 23 a. 2 co.)

Dit verschil bestaat er tussen Gods aangenomen en Gods natuurlijke Zoon, dat Gods Zoon van nature geboren maar niet gemaakt, doch de aangenomen zoon gemaakt is volgens Joannes (1, 12): « Hij gaf hun de macht om zonen Gods gemaakt te worden ». Soms zegt men echter, dat de aangenomen zoon geboren is om de geestelijke wedergeboorte, die door genade, niet van nature geschiedt, zodat bij Jacobus (1, 18) wordt gezegd: « Vrijwillig bracht Hij ons voort door het woord der waarheid ». Al is nu in het goddelijke het voortbrengen eigen aan de Vader, toch is het bewerken van ieder gevolg in de schepselen aan de gehele Drievuldigheid gemeen om de eenheid in natuur; want waar er één natuur is, moet er ook één kracht en één werking zijn; zodat de Heer bij Joannes (5, 19) zegt: « Alles wat de Vader doet, doet de Zoon eveneens ». En zo komt het de gehele Drievuldigheid toe mensen als kinderen aan te nemen.

Ad primum ergo dicendum quod omnes personae humanae non sunt unius naturae secundum numerum, ut oporteat unam esse omnium operationem et unum effectum, sicut accidit in divinis. Et ideo quantum ad hoc non est possibile attendi similitudinem utrobique. (IIIa q. 23 a. 2 ad 1)

1 — Alle menselijke personen hebben niet in getal één natuur, zodat er niet als in het goddelijke bij hen ook maar één werking en één gevolg van allen behoeft te zijn. Daarom kan men hierin in beide gevallen geen gelijkheid vinden.

Ad secundum dicendum quod nos per adoptionem efficimur fratres Christi quasi eundem patrem habentes cum ipso, qui tamen alio modo est pater Christi, et alio modo est pater noster. Unde signanter dominus, Ioan. XX, seorsum dixit, patrem meum, et seorsum dixit, patrem vestrum. Est enim pater Christi naturaliter generando, quod est proprium sibi, est autem noster voluntarie aliquid faciendo, quod est commune sibi et filio et spiritui sancto. Et ideo Christus non est filius totius Trinitatis, sicut nos. (IIIa q. 23 a. 2 ad 2)

2 — Door de aanneming worden wij Christus’ broeders in zover wij dezelfde Vader hebben als Hij, die echter op een andere manier de Vader van Christus is dan van ons. Daarom spreekt de Heer bij Johannes (20) met nadruk afzonderlijk van « Mijn Vader » en « Uw Vader ». Want Christus’ Vader is Hij door Hem van nature voort te brengen, wat Hem eigen is; maar van ons is Hij het door iets vrijwillig te doen, wat Hij met de Zoon en de Heilige Geest gemeen heeft. Daarom is Christus niet als wij de Zoon der gehele Drievuldigheid.

Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, filiatio adoptiva est quaedam similitudo filiationis aeternae, sicut omnia quae in tempore facta sunt, similitudines quaedam sunt eorum quae ab aeterno fuerunt. Assimilatur autem homo splendori aeterni filii per gratiae claritatem, quae attribuitur spiritui sancto. Et ideo adoptatio, licet sit communis toti Trinitati, appropriatur tamen patri ut auctori, filio ut exemplari, spiritui sancto ut imprimenti in nobis huius similitudinem exemplaris. (IIIa q. 23 a. 2 ad 3)

3 — Zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op de 2° B.), is het kindschap door aanneming een gelijkenis op het eeuwige zoonschap, zoals al het in de tijd gemaakte gelijkenis is van wat van eeuwigheid is. Nu wordt de mens aan de heerlijkheid van de eeuwige Zoon gelijk gemaakt door de heerlijkheid der genade, die aan de H. Geest wordt toegeschreven. Al is daarom de aanneming iets gemeenschappelijks van de gehele Drievuldigheid, toch wordt zij de Vader als oorsprong toegewezen, de Zoon als voorbeeld en de H. Geest als aan Hem, die de gelijkheid met het voorbeeld in ons drukt.

Articulus 3.
Is het aangenomen worden eigen aan het redelijk schepsel?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod adoptari non sit proprium rationalis creaturae. Non enim Deus pater creaturae rationalis dicitur nisi per adoptionem. Dicitur autem pater creaturae etiam irrationalis, secundum illud Iob XXXVIII, quis est pluviae pater? Aut quis genuit stillas roris? Ergo adoptari non est proprium rationalis naturae. (IIIa q. 23 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aangenomen worden aan het redelijke schepsel niet eigen is. Want alleen door de aanneming wordt God de Vader van het redelijke schepsel genoemd. Maar Hij wordt ook de Vader van redeloze schepsels genoemd volgens Job (38, 28): « Wie is de Vader van de regen? of wie heeft de dauwdroppels voortgebracht? » Dus is aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.

Praeterea, per adoptionem dicuntur aliqui filii Dei. Sed esse filios Dei in Scriptura proprie videtur attribui Angelis, secundum illud Iob I, quadam autem die, cum assisterent filii Dei coram domino. Ergo non est proprium rationalis creaturae adoptari. (IIIa q. 23 a. 3 arg. 2)

2 — Sommige mensen worden krachtens de aanneming zonen Gods genoemd. Nu schijnt het zonen Gods te zijn in de Schriftuur in eigenlijke zin aan de Engelen toegeschreven te worden volgens Job (1, 6): « Op zekere dag, toen de zonen Gods voor de Heer stonden ». Dus is het aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.

Praeterea, quod est proprium alicui naturae, convenit omnibus habentibus naturam illam, sicut risibile convenit omnibus hominibus. Sed adoptari non convenit omni rationali naturae. Ergo adoptari non est proprium rationalis naturae. (IIIa q. 23 a. 3 arg. 3)

3 — Wat een natuur eigen is, komt toe aan allen die deze natuur bezitten, zoals het kunnen lachen aan alle mensen. Het aangenomen worden echter komt niet aan alle redelijke schepsels toe. Dus is het niet eigen aan de redelijke natuur.

Sed contra est quod filii adoptati sunt heredes Dei, ut patet Rom. VIII. Sed talis hereditas convenit soli creaturae rationali. Ergo proprium rationalis creaturae est adoptari. (IIIa q. 23 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat de aangenomen kinderen volgens de Romeinenbrief (8, 17) « Gods erfgenamen » zijn. Nu komt deze erfenis alleen aan het redelijke schepsel toe. Dus is het aangenomen worden daaraan eigen.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, filiatio adoptionis est quaedam similitudo filiationis naturalis. Filius autem Dei naturaliter procedit a patre ut verbum intellectuale, unum cum ipso patre existens. Huic ergo verbo tripliciter potest aliquid assimilari. Uno quidem modo, secundum rationem formae, non autem secundum intellectualitatem ipsius, sicut forma domus exterius constitutae assimilatur verbo mentali artificis secundum speciem formae, non autem secundum intelligibilitatem, quia forma domus in materia non est intelligibilis, sicut erat in mente artificis. Et hoc modo verbo aeterno assimilatur quaelibet creatura, cum sit facta per verbum. Secundo assimilatur creatura verbo, non solum quantum ad rationem formae, sed etiam quantum ad intellectualitatem ipsius, sicut scientia quae fit in mente discipuli, assimilatur verbo quod est in mente magistri. Et hoc modo creatura rationalis, etiam secundum suam naturam, assimilatur verbo Dei. Tertio modo, assimilatur creatura verbo aeterno secundum unitatem quam habet ad patrem, quod quidem fit per gratiam et caritatem, unde dominus orat, Ioan. XVII, sint unum in nobis, sicut et nos unum sumus. Et talis assimilatio perficit rationem adoptionis, quia sic assimilatis debetur hereditas aeterna. Unde manifestum est quod adoptari convenit soli creaturae rationali, non tamen omni, sed solum habenti caritatem. Quae est diffusa in cordibus nostris per spiritum sanctum, ut dicitur Rom. V. Et ideo, Rom. VIII, spiritus sanctus dicitur spiritus adoptionis filiorum. (IIIa q. 23 a. 3 co.)

Zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 2° B.), bestaat het zoonschap door aanneming in een gelijkenis met het zoonschap van nature. Nu komt Gods Zoon van nature uit de Vader voort als Verstandswoord, dat een is met de Vader en iets kan op drie manieren aan dat Woord gelijk worden gemaakt. Ten eerste namelijk naar het vorm-zijn, maar niet naar Zijn verstandelijkheid, zoals de vorm van het buiten de mens gebouwde huis gelijk is aan het verstandswoord van de ontwerper naar de soort van de vorm, maar niet naar de verstandelijkheid, omdat de vorm van het huis in de stof niet redelijk is zoals zij was in het verstand van de maker. En zo is ieder schepsel aan het eeuwige Woord gelijk, omdat het door het Woord is gemaakt. Ten tweede wordt een schepsel aan het Woord gelijk gemaakt niet alleen naar het vorm-zijn, maar ook in de verstandelijkheid, zoals de wetenschap, die in de geest van de leerling ontstaat, gelijk is op het woord in het verstand van de leeraar. En zo is het met het redelijke schepsel ook naar zijn natuur gelijk aan Gods woord. Ten derde wordt een schepsel aan het eeuwige Woord gelijk gemaakt naar de eenheid die het met de Vader heeft; en dat geschiedt door de genade en de liefde, zodat de Heer bij Joannes (17, 21, 22) bidt: «Opdat zij een zijn, zoals ook Wij een zijn». En deze gelijkheid geeft aan de aanneming haar eigen aard, want zij die zo op het Woord lijken, hebben recht op de eeuwige erfenis. Het is daarom duidelijk, dat aangenomen worden alleen aan het redelijke schepsel toekomt; maar niet aan elk, doch alleen aan dat wat de liefde heeft. Die is «in onze harten door de Heilige Geest uitgestort», zoals in de Romeinenbrief (5, 5) wordt gezegd. En daarom wordt de H. Geest daar «de Geest van aanneming tot kinderen» genoemd.

Ad primum ergo dicendum quod Deus dicitur pater creaturae irrationalis, non proprie per adoptionem, sed per creationem, secundum primam participationem similitudinis. (IIIa q. 23 a. 3 ad 1)

1 — Men noemt God niet in eigenlijke zin door aanneming Vader van de redeloze schepsels, maar door de schepping naar het eerste delen in gelijkenis.

Ad secundum dicendum quod Angeli dicuntur filii Dei filiatione adoptionis, non quia ipsis primo conveniat, sed quia ipsi primo adoptionem filiorum receperunt. (IIIa q. 23 a. 3 ad 2)

2 — De Engelen worden om het zoonschap van aanneming zonen Gods genoemd, niet omdat het hun op de eerste plaats toekomt, maar omdat zij het eerst de aanneming tot zonen ontvangen hebben.

Ad tertium dicendum quod adoptio non est proprium consequens naturam, sed consequens gratiam, cuius natura rationalis est capax. Et ideo non oportet quod omni rationali creaturae conveniat, sed quod omnis rationalis creatura sit capax adoptionis. (IIIa q. 23 a. 3 ad 3)

3 — De aanneming is niet iets eigens, wat uit de natuur, maar uit de genade voortkomt die de redelijke natuur kan ontvangen. En daarom behoeft zij niet ieder redelijk schepsel toe te komen, maar moet alleen iedere redelijke schepsel in staat zijn haar te krijgen.

Articulus 4.
Is Christus als mens Gods aangenomen Zoon?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus, secundum quod homo sit filius Dei adoptivus. Dicit enim Hilarius, de Christo loquens, potestatis dignitas non amittitur dum carnis humanitas adoptatur. Ergo Christus, secundum quod homo, est filius adoptivus. (IIIa q. 23 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus als mens Gods aangenomen Zoon is. Want over Hem sprekend zegt Hilarius (Over de Drievuldigheid, 2° B., n. 27): « De waardigheid door macht gegeven wordt niet verloren als de vleeselijke mensheid wordt aangenomen ». Dus is Christus als mens een aangenomen zoon.

Praeterea, Augustinus dicit, in libro de Praedest. Sanct., quod eadem gratia ille homo est Christus, qua gratia ab initio fidei quicumque homo est Christianus. Sed alii homines sunt Christiani per gratiam adoptionis. Ergo et ille homo est Christus per adoptionem. Et ita videtur esse filius adoptivus. (IIIa q. 23 a. 4 arg. 2)

2 — Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) : « Door dezelfde genade was die mens Christus, waardoor iedere mens vanaf het begin van zijn geloof Christen is ». Nu zijn de andere mensen Christenen door de genade der aanneming tot zonen. Dus is ook die mens door aanneming Christus; en zo schijnt Hij aangenomen zoon te zijn.

Praeterea, Christus, secundum quod homo, est servus. Sed dignius est esse filium adoptivum quam servum. Ergo multo magis Christus, secundum quod homo, est filius adoptivus. (IIIa q. 23 a. 4 arg. 3)

3 — Christus is als mens een slaaf. Nu staat het hoger in waarde aangenomen zoon te zijn dan slaaf. Dus is Christus als mens nog eerder aangenomen zoon.

Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de Incarnat., adoptivum filium non dicimus filium esse natura, sed eum dicimus natura esse filium qui verus est filius. Christus autem verus et naturalis est filius Dei, secundum illud I Ioan. ult., ut simus in vero filio eius, Iesu Christo. Ergo Christus, secundum quod homo, non est filius adoptivus. (IIIa q. 23 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de menswording (8e H.) zegt: « Wij zeggen niet dat de aangenomen zoon van nature zoon is, maar Hem, die de ware zoon is, noemen wij zoon van nature ». Nu is Christus de echte en natuurlijke Zoon Gods naar de Eerste Brief van Johannes (5, 20) : « Dat wij mogen zijn in Zijn ware Zoon Jesus Christus ». Dus is Christus als mens geen aangenomen zoon.

Respondeo dicendum quod filiatio proprie convenit hypostasi vel personae, non autem naturae, unde in prima parte dictum est quod filiatio est proprietas personalis. In Christo autem non est alia persona vel hypostasis quam increata, cui convenit esse filium per naturam. Dictum est autem supra quod filiatio adoptionis est participata similitudo filiationis naturalis. Non autem dicitur aliquid participative quod per se dicitur. Et ideo Christus, qui est filius Dei naturalis, nullo modo potest dici filius adoptivus. Secundum autem illos qui ponunt in Christo duas personas, vel duas hypostases, seu duo supposita, nihil rationabiliter prohibet Christum hominem dici filium adoptivum. (IIIa q. 23 a. 4 co.)

Het zoonschap komt eigenlijk aan de hypostase of persoon en niet aan de natuur toe; en daarom hebben wij in het eerste deel gezegd (32e Kw., 3e Art.), dat het zoon schap een persoonlijke eigenschap is. Nu is er in Christus geen andere persoon of hypostase dan de eeuwige, waaraan het toekomst van nature zoon te zijn. Nu is boven gezegd (1e Art., Antw. op de 2e B.), dat het zoonschap door aanneming een door deelhebbing verkregen gelijkheid is met het natuurlijke zoonschap. Men noemt echter iets niet door deelhebbing datgene, wat het door zichzelf is. En dus kan men Christus, die Gods Zoon van nature is, in het geheel niet aangenomen zoon noemen. Voor hen echter, die in Christus twee personen of dragers of hypostasen aannemen, zijn er geen redelijke bezwaren om de mens Christus aangenomen zoon te noemen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut filiatio non proprie convenit naturae, ita nec adoptio. Et ideo, cum dicitur quod carnis humanitas adoptatur, impropria est locutio, et accipitur ibi adoptio pro unione humanae naturae ad personam filii. (IIIa q. 23 a. 4 ad 1)

1 — Evenmin als het zoonschap komt de aanneming in eigenlijke zin aan de natuur toe. En als daarom wordt gesproken van de aangenomen mens-scheid van het vlees, dan is dit een oneigenlijke zegswijze; en men moet dan de aanneming verstaan van de vereniging der menselijke natuur met de persoon van de Zoon.

Ad secundum dicendum quod similitudo illa Augustini est intelligenda quantum ad principium, quia scilicet, sicut sine meritis habet quilibet homo ut sit Christianus, ita ille homo sine meritis habuit ut esset Christus. Est tamen differentia quantum ad terminum, quia scilicet Christus per gratiam unionis est filius naturalis; alius autem per gratiam habitualem est filius adoptivus. Gratia autem habitualis in Christo non facit de nonfilio filium adoptivum, sed est quidam effectus filiationis in anima Christi, secundum illud Ioan. I, vidimus gloriam eius quasi unigeniti a patre, plenum gratiae et veritatis. (IIIa q. 23 a. 4 ad 2)

2 — De door Augustinus opgestelde gelijkenis moet men op het beginsel laten slaan, want zoals nl. iedere mens het zonder verdiensten heeft dat hij Christen is, zo had ook die mens het Christus zijn zonder verdiensten. Maar er is verschil wat de eindterm betreft: want door de genade der vereniging is Christus de natuurlijke Zoon, maar een ander is door de blijvende genade aangenomen zoon. Deze blijvende genade in Christus maakt niet van een niet-zoon een aangenomen zoon, maar is een gevolg van het zoonschap in Christus’ ziel volgens het woord van Johannes (1, 14): «Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid».

Ad tertium dicendum quod esse creaturam, et etiam servitus vel subiectio ad Deum, non solum respicit personam, sed etiam naturam, quod non potest dici de filiatione. Et ideo non est similis ratio. (IIIa q. 23 a. 4 ad 3)

3 — Schepsel zijn en ook het dienen en onderworpen zijn aan God slaat niet alleen op de persoon, maar ook op de natuur; en dat kan men van het zoonschap niet zeggen. En daarom gaat dezelfde reden niet op.