Tertia Pars. Quaestio 21. Over het gebed van Christus .
Prooemium
Deinde considerandum est de oratione Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo,
utrum Christo conveniat orare. Secundo, utrum conveniat sibi secundum suam sensualitatem.
Tertio, utrum conveniat sibi orare pro seipso, an tantum pro aliis. Quarto, utrum
omnis oratio eius sit exaudita. (IIIa q. 21 pr.)
Vervolgens moeten wij het gebed van Christus beschouwen. En hierover stellen wij ons
vier vragen: 1. Kwam het Christus toe om te bidden? 2. Kwam Hem dit naar het zinnelijke
gedeelte in Hem toe? 3. Kwam het Hem toe om voor Zichzelf te bidden of alleen voor
anderen? 4. Werd elk gebed van Hem verhoord?
Articulus 1. Kwam het Christus toe te bidden?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christo non competat orare. Nam, sicut dicit
Damascenus, oratio est petitio decentium a Deo. Sed, cum Christus omnia facere posset,
non videtur ei convenire quod aliquid ab aliquo peteret. Ergo videtur quod Christo
non conveniat orare. (IIIa q. 21 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat het Christus niet toekwam te bidden. Want het gebed is, zoals Damascenus
zegt (Over het Ware Geloof, 3° B., 24° H.), « het vragen aan God van gepaste dingen
». Omdat nu Christus alles kon doen, schijnt het Hem niet toe te komen iets van een
ander te vragen. Dus schijnt het bidden Christus niet toe te komen.
Praeterea, non oportet orando petere illud quod aliquis scit pro certo esse futurum,
sicut non oramus quod sol oriatur cras. Neque etiam est conveniens quod aliquis orando
petat quod scit nullo modo esse futurum. Sed Christus sciebat circa omnia quid esset
futurum. Ergo non conveniebat ei aliquid orando petere. (IIIa q. 21 a. 1 arg. 2)
2 — Men moet in het gebed niet vragen, waarvan men zeker weet dat het geschieden zal,
zoals wij niet bidden dat morgen de zon op zal gaan. Evenmin past het datgene te vragen
in het gebed, waarvan men zeker weet dat het nooit zal geschieden. Nu wist Christus
van alles of het gebeuren zou. Dus paste het Hem niet in het gebed iets te vragen.
Praeterea, Damascenus dicit, in III libro, quod oratio est ascensus intellectus in
Deum. Sed intellectus Christi non indigebat ascensione in Deum, quia semper intellectus
eius erat Deo coniunctus, non solum secundum unionem hypostasis, sed etiam secundum
fruitionem beatitudinis. Ergo Christo non conveniebat orare. (IIIa q. 21 a. 1 arg. 3)
3 — Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl.), dat « het gebed een opstijgen van het
verstand is naar God ». Nu had Christus’ verstand geen behoefte tot God op te stijgen,
omdat het altijd met God verbonden was niet alleen door de vereniging in persoon,
maar ook door het zalige genieten. Dus paste het Christus niet te bidden.
Sed contra est quod dicitur Luc. VI, factum est in illis diebus, exiit in montem orare,
et erat pernoctans in oratione Dei. (IIIa q. 21 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (6, 2) wordt gezegd: « Het gebeurde in die
dagen, dat Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht doorbracht in het gebed tot
God ».
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est in secunda parte, oratio est quaedam explicatio
propriae voluntatis apud Deum, ut eam impleat. Si igitur in Christo esset una tantum
voluntas, scilicet divina, nullo modo sibi competeret orare, quia voluntas divina
per seipsam est effectiva eorum quae vult, secundum illud Psalmi, omnia quaecumque
voluit dominus fecit. Sed quia in Christo est alia voluntas divina et alia humana;
et voluntas humana non est per seipsam efficax ad implendum ea quae vult, nisi per
virtutem divinam, inde est quod Christo, secundum quod est homo et humanam voluntatem
habens, competit orare. (IIIa q. 21 a. 1 co.)
Het gebed is een uitspreken van de eigen wil tegenover God opdat Hij hem mag vervullen,
zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 83° Kw., 1° en 2° Art.) is gezegd. Had Christus
dus maar een wil, namelijk de goddelijke gehad, dan was het Hem in het geheel niet
toegekomen te bidden, omdat de goddelijke wil altijd zelf volbrengt wat hij wil naar
het Psalmwoord (Ps. 134, 6): « Alles wat Hij wilde, heeft de Heer volbracht ». Omdat
er echter in Christus verschil is tussen de goddelijke en de menselijke wil, en de
menselijke niet in staat is door zichzelf uit te voeren wat hij wil, maar alleen door
goddelijke kracht, komt het aan Christus in zover Hij mens is en een menselijke wil
heeft toe te bidden.
Ad primum ergo dicendum quod Christus poterat perficere omnia quae volebat secundum
quod Deus, non autem secundum quod homo, quia, secundum quod homo, non habuit omnipotentiam,
ut supra habitum est. Nihilominus tamen, idem ipse Deus existens et homo, voluit ad
patrem orationem porrigere, non quasi ipse esset impotens, sed propter nostram instructionem.
Primo quidem, ut ostenderet se esse a patre. Unde ipse dicit, Ioan. XI, propter populum
qui circumstat dixi, scilicet verba orationis, ut credant quia tu me misisti. Unde
Hilarius, in X de Trin., dicit, non prece eguit, nobis oravit, ne filius ignoraretur.
Secundo, ut nobis exemplum daret. Unde Ambrosius dicit, super Luc., noli insidiatrices
aperire aures, ut putes filium Dei quasi infirmum rogare, ut impetret quod implere
non possit. Potestatis enim auctor, obedientiae magister, ad praecepta virtutis suo
nos informat exemplo. Unde et Augustinus dicit, super Ioan., poterat dominus in forma
servi, si hoc opus esset, orare silentio. Sed ita se patri voluit exhibere precatorem,
ut meminisset nostrum se esse doctorem. (IIIa q. 21 a. 1 ad 1)
1 — In zover Hij God was kon Christus alles volbrengen wat Hij wilde, maar niet als mens;
want als mens bezat Hij zoals boven gezegd is (13° Kw., 1° Art.) geen almacht. Desalniettemin
wilde Hij, die God en mens tegelijk was, Zijn gebeden tot de Vader richten, niet alsof
Hijzelf onmachtig was, maar om ons te onderrichten. Ten eerste om te tonen, dat Hij
van de Vader kwam, en daarom zei Hij bij Johannes (11, 42): « Om het volk, dat om
Mij heen staat, heb Ik gesproken, (nl. de woorden van Mijn gebed) opdat zij zouden
geloven, dat U Mij gezonden hebt ». Daarom zegt ook Hilarius in het 10e boek Over
de Drievuldigheid (n. 71): « Hij had geen behoefte aan het gebed, maar Hij bad voor
ons, dat Hij als Zoon bekend mocht worden ». Ten tweede om ons een voorbeeld te geven.
Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (6, 12): « Laat de geopende oren U niet bedriegen,
om te menen, dat Gods Zoon als een zwakke bidt om te verkrijgen wat Hij zelf niet
volbrengen kan. Want de oorsprong van alle macht en de leermeester der gehoorzaamheid
brengt ons door Zijn voorbeeld tot het onderhouden van de geboden der deugd ». Daarom
zegt Augustinus ook in het Commentaar op Johannes (104e Tr.): « Als het nodig was
geweest, had de Heer in de gestalte van een slaaf ook in stilte kunnen bidden. Maar
Hij wilde zo als smeekeling bij de Vader verschijnen, dat Hij zich tegelijk bewust
was onze leermeester te zijn ».
Ad secundum dicendum quod, inter alia quae Christus scivit futura, scivit quaedam
esse fienda propter suam orationem. Et huiusmodi non inconvenienter a Deo petiit. (IIIa q. 21 a. 1 ad 2)
2 — Onder de toekomstige dingen, die Christus kende, wist Hij van sommigen, dat zij op
Zijn gebed moesten geschieden. En het was niet ongepast, dat Hij daarom tot God bad.
Ad tertium dicendum quod ascensio nihil est aliud quam motus in id quod est sursum.
Motus autem, ut dicitur in III de anima, dupliciter dicitur. Uno modo, proprie, secundum
quod importat exitum de potentia in actum, prout est actus imperfecti. Et sic ascendere
competit ei quod est potentia sursum et non actu. Et hoc modo, ut Damascenus dicit,
in III libro, intellectus humanus Christi non eget ascensione in Deum, cum sit semper
Deo unitus et secundum esse personale, et secundum beatam contemplationem. Alio modo
dicitur motus actus perfecti, idest existentis in actu, sicut intelligere et sentire
dicuntur quidam motus. Et hoc modo intellectus Christi semper ascendit in Deum, quia
semper contemplatur ipsum ut supra se existentem. (IIIa q. 21 a. 1 ad 3)
3 — Het opstijgen is niets anders dan het zich bewegen naar iets dat hoger is. Nu spreekt
men volgens het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 1.) in dubbele zin over beweging.
Ten eerste in eigenlijke zin als men een overgang van het kunnen naar de act bedoelt,
in zover beweging de act is van iets onvolmaakts. En zo komt beweging toe aan iets
dat hoger kan zijn, maar niet daadwerkelijk is. En zoals Damascenus in het 3e boek
(Over het Ware Geloof, t. a. pl.) zegt, « had Christus’ menselijk verstand er geen
behoefte aan naar God op te stijgen, omdat het altijd met God verenigd is zowel in
het persoonlijke zijn als naar de zalige aanschouwing ». In andere zin wordt de beweging
de act van iets volmaakts genoemd, dit wil zeggen van iets dat reeds daadwerkelijk
iets is, zoals men begrijpen en gevoelen een beweging noemt. En zo stijgt het verstand
van Christus altijd omhoog naar God, omdat het Hem altijd beschouwt als boven zichzelf
verheven bestaand.
Articulus 2. Kwam het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toe te bidden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christo conveniat orare secundum suam sensualitatem.
Dicitur enim in Psalmo, ex persona Christi, cor meum et caro mea exultaverunt in Deum
vivum. Sed sensualitas dicitur appetitus carnis. Ergo Christi sensualitas potuit ascendere
in Deum vivum exultando, et pari ratione, orando. (IIIa q. 21 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toekwam te bidden. Want
in een Psalm (Ps. 83, 3) wordt in Christus’ naam gezegd: « Mijn hart en mijn vlees
hebben zich verheugd in de levenden God ». Nu noemt men het verlangen van het vlees
de zinnelijkheid. Dus kon Christus’ zinnelijkheid in blijdschap opstijgen naar de
levenden God, en evenzeer in het gebed.
Praeterea, eius videtur esse orare cuius est desiderare illud quod petitur. Sed Christus
petivit aliquid quod desideravit sensualitas, cum dixit, transeat a me calix iste,
ut habetur Matth. XXVI. Ergo sensualitas Christi oravit. (IIIa q. 21 a. 2 arg. 2)
2 — Aan datgene schijnt het bidden toe te komen, waaraan ook het verlangen naar het voorwerp
van het gebed toekomt. Nu bad Christus om iets dat Zijn zinnelijkheid verlangde, toen
Hij zei: « Neem deze kelk van Mij weg » (Matthaeus, 26, 39). Dus bad Christus’ zinnelijkheid.
Praeterea, magis est uniri Deo in persona quam ascendere in Deum per orationem. Sed
sensualitas fuit assumpta a Deo in unitate personae, sicut et quaelibet pars humanae
naturae. Ergo multo magis potuit ascendere in Deum orando. (IIIa q. 21 a. 2 arg. 3)
3 — Het is iets hogers met God in persoon verenigd te zijn dan door het gebed tot Hem
op te stijgen. Nu werd de zinnelijkheid als iedere ander deel van de menselijke natuur
door God in de eenheid van persoon aangenomen. Dus kon zij zoveel te meer in het gebed
tot God opstijgen.
Sed contra est quod Philipp. II dicitur quod filius Dei, secundum naturam quam assumpsit,
est in similitudinem hominum factus. Sed alii homines non orant secundum sensualitatem.
Ergo nec Christus oravit secundum sensualitatem. (IIIa q. 21 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in de Philippensenbrief (2, 7) wordt gezegd, dat Gods
Zoon naar de aangenomen natuur, “aan de mensen gelijk is geworden”. Maar de andere
mensen bidden niet naar het zinnelijke gedeelte. Dus bad ook Christus niet krachtens
Zijn zinnelijk deel.
Respondeo dicendum quod orare secundum sensualitatem potest dupliciter intelligi.
Uno modo, sic quod oratio sit actus sensualitatis. Et hoc modo Christus secundum sensualitatem
non oravit. Quia eius sensualitas eiusdem naturae et speciei fuit in Christo et in
nobis. In nobis autem non potest orare, duplici ratione. Primo quidem, quia motus
sensualitatis non potest sensualia transcendere, et ideo non potest in Deum ascendere,
quod requiritur ad orationem. Secundo, quia oratio importat quandam ordinationem,
prout aliquis desiderat aliquid quasi a Deo implendum, et hoc est solius rationis.
Unde oratio est actus rationis, ut in secunda parte habitum est. Alio modo potest
dici aliquis orare secundum sensualitatem, quia scilicet eius ratio orando Deo proposuit
quod erat in appetitu sensualitatis ipsius. Et secundum hoc, Christus oravit secundum
sensualitatem, inquantum scilicet eius oratio exprimebat sensualitatis affectum, tanquam
sensualitatis advocata. Et hoc, ut nos de tribus instrueret. Primo, ut ostenderet
se veram humanam naturam assumpsisse, cum omnibus naturalibus affectibus. Secundo,
ut ostenderet quod homini licet, secundum naturalem affectum, aliquid velle quod Deus
non vult. Tertio, ut ostendat quod proprium affectum debet homo divinae voluntati
subiicere. Unde Augustinus dicit, in Enchirid., sic Christus, hominem gerens, ostendit
privatam quandam hominis voluntatem, cum dicit, transeat a me calix iste. Haec enim
erat humana voluntas, proprium aliquid, et tanquam privatum, volens. Sed quia rectum
vult esse hominem, et ad Deum dirigi, subdit, veruntamen non sicut ego volo, sed sicut
tu, ac si dicat, vide te in me, quia potes aliquid proprium velle, etsi Deus aliud
velit. (IIIa q. 21 a. 2 co.)
Bidden krachtens de zinnelijkheid kan men op twee manieren opvatten. Ten eerste zo,
dat het bidden een daad van het zinnelijke gedeelte zou zijn. En zo bad Christus niet
krachtens de zinnelijkheid, omdat die bij Hem van dezelfde natuur en soort is als
bij ons. Nu kan zij in ons om een dubbele reden niet bidden. Ten eerste omdat haar
werkzaamheid de zinnelijke dingen niet te boven kan gaan; en daarom kan zij niet tot
God opstijgen, zoals voor een gebed noodzakelijk is. Ten tweede brengt het bidden
het scheppen van een verhouding mee, in zover iemand om iets bid in zover het door
God moet worden volbracht, en dat kan alleen het verstand. Daarom is bidden een daad
van het verstand, zoals in het tweede deel behandeld is (IIa-IIae, 83° Kw., 1° Art.).
In andere zin kan men zeggen, dat iemand krachtens de zinnelijkheid bid, in zover
zijn verstand aan God in het gebed datgene voorstelt, wat in de verlangens der zinnelijkheid
opgesloten lag. En in dezen zin bad Christus krachtens Zijn zinnelijkheid, omdat nl.
Zijn gebed als voorspreker der zinnelijkheid haar gevoelens uitdrukte. Dat was om
ons over drie dingen te onderrichten. Ten eerste om ons te tonen, dat Hij een echte
menselijke natuur had aangenomen met alle natuurlijke gevoelens. Ten tweede om te
laten zien, dat de mens met zijn natuurlijke gevoelens iets mag willen, dat God niet
wil. Ten derde om erop te wijzen, dat de mens zijn natuurlijke gevoelens aan de goddelijke
wil moet onderwerpen. Daarom zegt Augustinus in het Enchiridion: « Christus, die Zich
als mens gedroeg, toonde zo een eigen menselijke wil te hebben toen Hij bad: Laat
deze kelk aan Mij voorbijgaan ». Dit immers was een menselijke wil, die iets eigens
en als het ware iets persoonlijks verlangde. Maar omdat Hij een goed mens wilde zijn
en Zich tot God richten, voegde Hij eraan toe: « Maar niet zoals Ik het wil, maar
gelijk Gij », alsof Hij wilde zeggen: « Ziet u zelf in Mij; dat gij nl. iets eigens
kunt willen, ook al wil God iets anders ».
Ad primum ergo dicendum quod caro exultat in Deum vivum, non per actum carnis ascendentem
in Deum, sed per redundantiam a corde in carnem, inquantum appetitus sensitivus sequitur
motum appetitus rationalis. (IIIa q. 21 a. 2 ad 1)
1 — Het vlees verheugt zich in God niet door een daad van het vlees, die omhoog stijgt
naar God, maar doordat er iets uit het hart op het vlees overvloeit, in zover het
zinnelijk streefvermogen de beweging van het redelijke volgt.
Ad secundum dicendum quod, licet sensualitas hoc voluerit quod ratio petebat, hoc
tamen orando petere non erat sensualitatis, sed rationis, ut dictum est. (IIIa q. 21 a. 2 ad 2)
2 — Al wilde de zinnelijkheid datgene wat de rede vroeg, is toch dat vragen in het gebed
niet iets van de zinnelijkheid, maar van de rede, zoals werd gezegd (in de Leerstelling).
Ad tertium dicendum quod unio in persona est secundum esse personale, quod pertinet
ad quamlibet partem humanae naturae. Sed ascensio orationis est per actum qui non
convenit nisi rationi, ut dictum est. Unde non est similis ratio. (IIIa q. 21 a. 2 ad 3)
3 — De vereniging in persoon geschiedde naar het persoonlijke zijn, dat aan iedere deel
der menselijke natuur toekomt. Het opstijgen echter in het gebed gebeurt door een
daad, die zoals werd gezegd (t. a. pl.), alleen aan het verstand toekomt. Daarom gaat
dezelfde reden hier niet op.
Articulus 3. Paste het Christus voor Zichzelf te bidden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christo non fuerit conveniens pro se orare.
Dicit enim Hilarius, in X de Trin., cum sibi non proficeret deprecationis sermo, ad
profectum tamen fidei nostrae loquebatur. Sic ergo videtur quod Christus non sibi,
sed nobis oraverit. (IIIa q. 21 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat het Christus niet paste voor zichzelf te bidden. Want Hilarius zegt
in het tiende boek *Over de Drievuldigheid* (n. 71): « Al baatte Zijn smeekgebed Hemzelf
niet, Hij sprak toch om ons geloof te doen groeien ». Zo schijnt het dat Christus
niet voor zichzelf maar voor ons bad.
Praeterea, nullus orat nisi pro eo quod vult, quia, sicut dictum est oratio est quaedam
explicatio voluntatis per Deum implendae. Sed Christus volebat pati ea quae patiebatur,
dicit enim Augustinus, XXVI contra Faustum, homo plerumque, etsi nolit, contristatur;
etsi nolit, dormit; etsi nolit, esurit aut sitit. Ille autem, scilicet Christus, omnia
ista habuit quia voluit. Ergo ei non competebat pro seipso orare. (IIIa q. 21 a. 3 arg. 2)
2 — Niemand bid tenzij voor wat hij verlangt, omdat het gebed zoals werd gezegd (1° Art.)
een uiteenzetting is van wat men door God volvoerd wil zien. Nu wilde Christus datgene
wat Hij leed ondergaan, want Augustinus zegt in het boek *Tegen Faustus* (26° B.,
8° H.): « Meestal wordt de mens bedroefd ook al wil hij het niet, slaapt ook al wil
hij het niet; heeft honger en dorst ook al wil hij het niet. Maar Hij (nl. Christus)
had dat alles, omdat Hij het wilde ». Dus kwam het Hem niet toe voor zichzelf te bidden.
Praeterea, Cyprianus dicit, in libro de oratione dominica, pacis et unitatis magister
noluit sigillatim et privatim precem fieri, ut quis, dum precatur, pro se tantum precetur.
Sed Christus illud implevit quod docuit secundum illud Act. I, coepit Iesus facere
et docere. Ergo Christus nunquam pro se solo oravit. (IIIa q. 21 a. 3 arg. 3)
3 — Cyprianus zegt in het boek *Over het gebed des Heren*: « De Leeraar van vrede en eenheid
wilde niet dat er afzonderlijk en alleen gebeden werd, opdat niemand in het gebed
alleen voor zichzelf zou bidden ». Nu vervulde Christus wat Hij voorschreef volgens
de Handelingen (1, 1): « Jesus begon te doen en te onderrichten ». Dus bad Jesus nooit
voor Zichzelf alleen.
Sed contra est quod ipse dominus orando dicit, Ioan. XVII, clarifica filium tuum. (IIIa q. 21 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de Heer zelf biddend zei, (*Joannes* 27, 1): “Verheerlijk
Uw Zoon”.
Respondeo dicendum quod Christus pro se oravit dupliciter. Uno modo, exprimendo affectum
sensualitatis, ut supra dictum est; vel etiam voluntatis simplicis, quae consideratur
ut natura; sicut cum oravit a se calicem passionis transferri. Alio modo, exprimendo
affectum voluntatis deliberatae, quae consideratur ut ratio, sicut cum petiit gloriam
resurrectionis. Et hoc rationabiliter. Sicut enim dictum est, Christus ad hoc uti
voluit oratione ad patrem, ut nobis daret exemplum orandi; et ut ostenderet patrem
suum esse auctorem a quo et aeternaliter processit secundum divinam naturam, et secundum
humanam naturam ab eo habet quidquid boni habet. Sicut autem in humana natura quaedam
bona habebat a patre iam percepta, ita etiam expectabat ab eo quaedam bona nondum
habita, sed percipienda. Et ideo, sicut pro bonis iam perceptis in humana natura gratias
agebat patri, recognoscendo eum auctorem, ut patet Matth. XXVI et Ioan. XI, ita etiam,
ut patrem auctorem recognosceret, ab eo orando petebat quae sibi deerant secundum
humanam naturam, puta gloriam corporis et alia huiusmodi. Et in hoc etiam nobis dedit
exemplum ut de perceptis muneribus gratias agamus, et nondum habita orando postulemus. (IIIa q. 21 a. 3 co.)
Op de twee manieren bad Christus voor zichzelf. Ten eerste door zoals boven is gezegd
(Vorig Art.) de gevoelens van Zijn zinnelijk gedeelte uit te drukken of ook die van
de eenvoudig als een natuurding beschouwden wil, zoals toen Hij bad, dat de kelk van
het lijden van Hem mocht worden weggenomen. Daarnaast door de verlangens van zijn
door overleg geleide als een redelijk ding beschouwden wil uit te drukken, zoals toen
Hij om de verheerlijking der Verrijzenis bad. En dat was redelijk. Want zoals werd
gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.) wilde Christus Zijn gebed tot de Vader als een
voorbeeld van gebed gebruiken, en ook om te tonen, dat de Vader het beginsel was,
uit wie Hij naar de goddelijke natuur van eeuwigheid was voortgekomen en van wie Hij
naar de menselijke al het goed had dat Hij bezat. Zoals Hij nu in de menselijke natuur
sommige goede dingen reeds van de Vader ontvangen had, verwachtte Hij van Hem het
goede, dat Hij nog niet had ontvangen, maar krijgen moest. En zoals Hij dus voor het
in de menselijke natuur ontvangen goed de Vader dankte en als gever erkende, zoals
uit Mattheus (26, 27) en Johannes (11, 41) blijkt, zo vroeg Hij ook om de Vader als
gever te erkennen in het gebed datgene van Hem, dat Hij naar de menselijke natuur
nog miste als de heerlijkheid van het lichaam en dergelijke dingen. En hierin gaf
Hij ons ook een voorbeeld om voor te ontvangen gaven te danken en wat wij nog niet
hebben in het gebed te vragen.
Ad primum ergo dicendum quod Hilarius loquitur quantum ad orationem vocalem, quae
non erat ei necessaria propter ipsum, sed solum propter nos. Unde signanter dicit
quod sibi non proficiebat deprecationis sermo. Si enim desiderium pauperum exaudit
dominus, ut in Psalmo dicitur, multo magis sola voluntas Christi habet vim orationis
apud patrem. Unde ipse dicebat, Ioan. XI, ego sciebam quia semper me audis, sed propter
populum qui circumstat dixi, ut credant quia tu me misisti. (IIIa q. 21 a. 3 ad 1)
1 — Hilarius spreekt hier over het mondgebed, waaraan Hij voor Zichzelf geen behoefte
had, maar voor ons. Daarom zegt hij uitdrukkelijk, dat de woorden van het gebed Hem
niet baatten. Want als God « de gebeden der armen verhoort », zoals in de Psalmen
(Ps. 9, 17) staat, dan had de wil van Christus alleen zoveel te meer nog bij God de
kracht van een gebed. Daarom zei Hij zelf bij Joannes (11, 42): « Ik wist dat Gij
Mij altijd hoort, maar Ik heb gesproken om het volk dat om Mij heen staat, opdat zij
geloven zouden dat Gij Mij gezonden hebt ».
Ad secundum dicendum quod Christus volebat quidem pati illa quae patiebatur, pro tempore
illo, sed nihilominus volebat ut, post passionem, gloriam corporis consequeretur,
quam nondum habebat. Quam quidem gloriam expectabat a patre sicut ab auctore. Et ideo
convenienter ab eo ipsam petebat. (IIIa q. 21 a. 3 ad 2)
2 — Christus wilde wat Hij onderging wat die tijd betreft wel lijden, maar toch wilde
Hij na het lijden de verheerlijking van het lichaam krijgen, die Hij nog niet had.
Die verwachtte Hij van de Vader als van de gever. En daarom past het, dat Hij dat
voor Zichzelf vroeg.
Ad tertium dicendum quod ipsa gloria quam Christus orando sibi petebat, pertinebat
ad salutem aliorum, secundum illud Rom. IV, resurrexit propter iustificationem nostram.
Et ideo illa etiam oratio quam pro se faciebat, erat quodammodo pro aliis. Sicut et
quicumque homo aliquod bonum a Deo postulat ut utatur illo ad utilitatem aliorum,
non sibi soli, sed etiam aliis orat. (IIIa q. 21 a. 3 ad 3)
3 — De glorie, die Hij in het gebed voor Zich vroeg, maakte deel uit van de redding der
mensen volgens de Romeinenbrief (4, 25): « Hij verrees om onze rechtvaardiging ».
Zo was dat gebed voor Hemzelf ook enigszins voor anderen. Evenzo bidt iedere mens,
die van God iets goeds vraagt om dat voor het nut van anderen te gebruiken, niet alleen
voor zichzelf, maar ook voor anderen.
Articulus 4. Werd Christus’ gebed altijd verhoord?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christi oratio non fuerit semper exaudita.
Petiit enim a se removeri calicem passionis, ut patet Matth. XXVI, qui tamen ab eo
non fuit translatus. Ergo videtur quod non omnis eius oratio fuerit exaudita. (IIIa q. 21 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus’ gebed niet altijd werd verhoord. Want Hij vroeg dat de kelk
van het lijden van Hem werd weggenomen, zoals blijkt uit *Matthaeus* (26, 39); en
toch ging deze Hem niet voorbij. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te
zijn.
Praeterea, ipse oravit ut peccatum suis crucifixoribus ignosceretur, ut patet Luc.
XXIII. Non tamen omnibus fuit illud peccatum dimissum, nam Iudaei fuerunt pro illo
peccato puniti. Ergo videtur quod non omnis eius oratio fuerit exaudita. (IIIa q. 21 a. 4 arg. 2)
2 — Hij bad, dat de zonde van hen, die Hem kruisigden vergeven mocht worden, zoals uit
*Lucas* (23, 34) blijkt. Maar niet aan allen werd die zonde vergeven, omdat de Joden
ervoor zijn gestraft. Dus schijnt niet iedere gebed van Hem verhoord te zijn.
Praeterea, dominus oravit pro his qui erant credituri per verbum apostolorum in ipsum,
ut omnes in eo unum essent, et ut pervenirent ad hoc quod essent cum ipso. Sed non
omnes ad hoc perveniunt. Ergo non omnis eius oratio est exaudita. (IIIa q. 21 a. 4 arg. 3)
3 — De Heer bad voor hen, die door het woord der apostelen in Hem zouden geloven, dat
allen in Hem één zouden zijn, en dat zij ertoe mochten komen om met Hem te zijn. Maar
niet allen kwamen daartoe. Dus werd niet iedere gebed van Hem verhoord.
Praeterea, in Psalmo dicitur, in persona Christi, clamabo per diem, et non exaudies.
Non igitur omnis eius oratio est exaudita. (IIIa q. 21 a. 4 arg. 4)
4 — In een Psalm (Ps. 21, 3) wordt namens Christus gezegd: « Ik roep de hele dag en Gij
luistert niet ». Dus zijn niet al Zijn gebeden verhoord.
Sed contra est quod apostolus dicit, Heb. V, cum clamore valido et lacrymis offerens,
exauditus est pro sua reverentia. (IIIa q. 21 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat dat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 7) zegt: « Toen Hij
onder luid geroep en tranen gebeden opzond, is Hij om Zijn godvrees verhoord ».
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, oratio est quodammodo interpretativa voluntatis
humanae. Tunc ergo alicuius orantis exauditur oratio, quando eius voluntas adimpletur.
Voluntas autem simpliciter hominis est voluntas rationis, hoc enim absolute volumus
quod secundum deliberatam rationem volumus. Illud autem quod volumus secundum motum
sensualitatis, vel etiam secundum motum voluntatis simplicis, quae consideratur ut
natura, non simpliciter volumus, sed secundum quid, scilicet, si aliud non obsistat
quod per deliberationem rationis invenitur. Unde talis voluntas magis est dicenda
velleitas quam absoluta voluntas, quia scilicet homo hoc vellet si aliud non obsisteret.
Secundum autem voluntatem rationis, Christus nihil aliud voluit nisi quod scivit Deum
velle. Et ideo omnis absoluta voluntas Christi, etiam humana, fuit impleta, quia fuit
Deo conformis, et per consequens, omnis eius oratio fuit exaudita. Nam et secundum
hoc aliorum orationes adimplentur, quod sunt eorum voluntates Deo conformes, secundum
illud Rom. VIII, qui autem scrutatur corda, scit, idest, approbat, quid desideret
spiritus, idest, quid faciat sanctos desiderare, quoniam secundum Deum, idest, secundum
conformitatem divinae voluntatis, postulat pro sanctis. (IIIa q. 21 a. 4 co.)
Zoals werd gezegd (1e Art.), is het gebed in zekere zin de uitdrukking van de menselijke
wil. Iemands gebed wordt dus verhoord als zijn wil wordt vervuld. Maar de wil van
een mens zonder meer is zijn door de rede geleide wil; want wij willen onvoorwaardelijk
datgene, wat wij met de door overleg geleide wil willen. Maar wat wij met de bewegingen
der zinnelijkheid of van het eenvoudig als natuurding beschouwden willen, willen wij
niet zonder meer maar alleen in zeker opzicht, namelijk als er niets tegen is, dat
wij bij verstandsoverleg vinden. Een dergelijk willen moeten wij daarom eerder een
zou-willen (Lat. velleitas) noemen dan een onvoorwaardelijk willen, omdat de mens
het namelijk zou willen, als er niets tegen was. Maar met Zijn redelijke wil wilde
Christus niets anders dan dat, waarvan Hij wist dat God het wilde. En dus werd elk
onvoorwaardelijk, ook het menselijke willen van Christus altijd vervuld, omdat het
met God overeenkwam en daarom is elk gebed van Hem verhoord. Hierom immers worden
ook de gebeden van anderen verhoord, dat hun wil met God overeenkomt naar de Romeinenbrief
(8, 27): « Hij die de harten doorgrondt, weet, (dwz. keurt goed) wat de Geest verlangt,
(dwz. de heiligen doet verlangen), omdat Hij volgens God (dwz. overeenkomstig Gods
wil) voor de heiligen bidt ».
Ad primum ergo dicendum quod illa petitio de translatione calicis diversimode a sanctis
exponitur. Hilarius enim, super Matth., dicit, quod autem ut a se transeat rogat,
non ut ipse praetereatur orat, sed ut in alterum id quod a se transit excedat. Atque
ideo pro his orat qui passuri post se erant, ut sit sensus, quomodo a me bibitur calix
passionis, ita ab aliis bibatur, sine spei diffidentia, sine sensu doloris, sine metu
mortis. Vel, secundum Hieronymum, signanter dicit, calix iste, hoc est, populi Iudaeorum,
qui excusationem ignorantiae habere non potest, si me occiderit, habens legem et prophetas,
qui me vaticinantur. Vel, secundum Dionysium Alexandrinum, quod dicit, transfer calicem
istum a me, non hoc est, non adveniat mihi, nisi enim advenerit, transferri non poterit.
Sed, sicut quod praeterit nec intactum est nec permanens, sic salvator leviter invadentem
tentationem flagitat pelli. Ambrosius autem et Origenes et Chrysostomus dicunt quod
petiit quasi homo naturali voluntate mortem recusans. Sic igitur, si intelligatur
quod petierit per hoc alios martyres suae passionis imitatores fieri, secundum Hilarium;
vel si petiit quod timor bibendi calicis eum non perturbaret; vel quod mors eum non
detineret, omnino impletum est quod petivit. Si vero intelligitur petiisse quod non
biberet calicem passionis et mortis; vel quod non biberet ipsum a Iudaeis, non quidem
est factum quod petiit, quia ratio, quae petitionem proposuit, non volebat ut hoc
impleretur; sed, ad instructionem nostram, volebat declarare nobis suam voluntatem
naturalem, et sensualitatis motum, quam, sicut homo, habebat. (IIIa q. 21 a. 4 ad 1)
1 — De heiligen leggen dit gebed om het wegnemen der kelk verschillend uit. Want Hilarius
zegt (op Matthaeus, 31e H., n. 7): « Als Hij vraagt, dat zij van Hem weggaat, bidt
Hij niet om zelf voorbij te worden gegaan, maar dat wat van Hem weggaat anderen ten
goede mag komen. En daarom bidt Hij voor hen die na Hem zouden lijden, zodat de betekenis
wordt: mag de kelk van het lijden zo door anderen worden gedronken als door Mij, zonder
dat de hoop ver- saagt, zonder gevoel van smart, zonder vrees voor de dood ». Of volgens
Hieronymus (Commentaar op Matthaeus (26, 39), 4e B.): « Hij zegt uitdrukkelijk: deze
kelk, namelijk van het joodsche volk, die zich niet met onwetendheid kunnen verontschuldigen
als zij mij doden, omdat zij wet en Profeten hebben, die Mij aan- kondigen ». Of volgens
Dionysius van Alexandrië (Over het Martelaarschap, aan Origenes, 7e H.): « Dat Hij
zegt: Neem deze kelk van mij weg, betekent niet, laat zij Mij niet bereiken; want
als zij Hem niet bereikte, zou zij niet weggenomen kunnen worden. Maar zoals wat voorbij
gaat noch onaangeraakt noch blijvend is, vroeg onze Verlosser, dat de bekoring die
Hem enigszins aangreep verdreven mocht worden ». Ambrosius echter en Origenes en Chrysostomus
zeggen, dat Hij dit bad als een mens, die met zijn natuurlijke wil voor de dood terugschrikt.
Vat men het dus zo op, dat Hij bad, dat hierdoor de andere martelaars navolgers mochten
worden, of dat de vrees voor het drinken van de kelk Hem niet zou verwarren of dat
de dood Hem niet blijvend zou overwinnen, dan is datgene, waarom Hij vroeg geheel
en al vervuld. Houdt men, dat Hij bad dat Hij de kelk van lijden en dood niet zou
drinken of niet door het joodsche volk, dan is Zijn gebed wel niet verhoord, omdat
de rede, die dit gebed aan God overbracht, niet wilde dat het vervuld werd; maar Hij
wilde om ons te onderrichten ons Zijn natuurlijke wil en de bewegingen van Zijn zinnelijk
deel, die Hij als mens had, toonen.
Ad secundum dicendum quod dominus non oravit pro omnibus crucifixoribus, neque etiam
pro omnibus qui erant credituri in eum, sed pro his solum qui erant praedestinati
ut per ipsum vitam consequerentur aeternam. (IIIa q. 21 a. 4 ad 2)
2 — De Heer bad niet voor allen, die Hem kruisigden en niet voor allen, die in Hem zouden
geloven, maar alleen voor hen die voorbestemd waren om door Hem het eeuwige leven
te krijgen. Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.
Unde patet etiam responsio ad tertium. (IIIa q. 21 a. 4 ad 3)
3 — Als er staat: « Ik zal roepen en Gij zult Mij niet verhoren, moet men dit laten slaan
op de gevoelens der zinnelijkheid, die voor de dood terugschrikken. Maar zoals werd
gezegd (in de Leerstelling), is Hij wel verhoord in de gevoelens van Zijn redelijke
wil.
Ad quartum dicendum quod, cum dicit, clamabo et non exaudies, intelligendum est quantum
ad affectum sensualitatis, quae mortem refugiebat. Exauditur tamen quantum ad affectum
rationis, ut dictum est. (IIIa q. 21 a. 4 ad 4)