QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 55.
Over de bekendmaking der verrijzenis .

Prooemium

Deinde considerandum est de manifestatione resurrectionis. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo, utrum resurrectio Christi omnibus hominibus manifestari debuerit, an solum quibusdam specialibus hominibus. Secundo, utrum fuisset conveniens quod, eis videntibus, resurgeret. Tertio, utrum post resurrectionem debuerit cum suis discipulis conversari. Quarto, utrum fuerit conveniens quod suis discipulis in aliena effigie appareret. Quinto, utrum resurrectionem suam argumentis manifestare debuerit. Sexto, de sufficientia illorum argumentorum. (IIIa q. 55 pr.)

Vervolgens moeten wij de openbaring van Christus’ verrijzenis beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen: 1. Moest Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard worden, of alleen aan sommige bijzondere personen? 2. Was het passend geweest, dat Hij verrees, terwijl zij het zagen? 3. Moest Hij na zijn verrijzenis met zijn leerlingen omgaan? 4. Was het passend, dat Hij zijn leerlingen in een vreemde gedaante verscheen? 5. Moest Hij zijn verrijzenis met bewijzen openbaar maken? 6. Over de afdoendheid van die bewijzen.

Articulus 1.
Moest Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard worden?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod resurrectio Christi debuerit omnibus manifestari. Sicut enim publico peccato debetur poena publica, secundum illud I Tim. V, peccantem coram omnibus argue; ita merito publico debetur praemium publicum. Sed claritas resurrectionis est praemium humilitatis passionis, ut Augustinus dicit, super Ioan. Cum ergo passio Christi fuerit omnibus manifestata, eo publice patiente, videtur quod gloria resurrectionis ipsius omnibus manifestari debuerit. (IIIa q. 55 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard moest worden. Zoals een publieke zonde een publieke straf verdient, naar het woord in de Eerste Brief aan Timotheüs (5. 20): « Overtuig de zondaars in het bijzijn van allen, » zo verdient een publieke verdienste ook een publieke beloning. « De heerlijkheid der verrijzenis nu is de beloning voor de vernedering van het lijden, » zoals Augustinus zegt. Daar nu het lijden van Christus aan allen openlijk bekend was, daar Hij openlijk leed, daarom moest ook de glorie van zijn verrijzenis aan allen openbaar worden.

Praeterea, sicut passio Christi ordinatur ad nostram salutem, ita et eius resurrectio, secundum illud Rom. IV, resurrexit propter iustificationem nostram. Sed illud quod ad communem utilitatem pertinet, omnibus debet manifestari. Ergo resurrectio Christi omnibus debuit manifestari, et non specialiter quibusdam. (IIIa q. 55 a. 1 arg. 2)

2 — Evenals het lijden van Christus geordend is tot ons heil, zo ook zijn verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): « Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging. » Wat echter strekt tot nut voor het algemeen, moet voor allen openbaar zijn. Dus moest de verrijzenis aan allen geopenbaard worden, en niet in het bijzonder aan sommigen.

Praeterea, illi quibus manifestata est resurrectio, fuerunt resurrectionis testes, unde dicitur Act. III, quem Deus suscitavit a mortuis, cuius nos testes sumus. Hoc autem testimonium ferebant publice praedicando. Quod quidem non convenit mulieribus, secundum illud I Cor. XIV, mulieres in Ecclesiis taceant; et I Tim. II, docere mulieri non permitto. Ergo videtur quod inconvenienter resurrectio Christi manifestata fuerit primo mulieribus quam hominibus communiter. (IIIa q. 55 a. 1 arg. 3)

3 — Zij, aan wie de verrijzenis van Christus werd geopenbaard, waren getuigen van de verrijzenis; vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (3. 15): « Dien God van de doden heeft opgewekt, waarvan wij de getuigen zijn. » Dit getuigenis nu gaven zij door openlijk te preken. Dit kwam echter niet toe aan de vrouwen, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (14. 34): « De vrouwen moeten zwijgen in de kerk; » en in de Eerste Brief aan Timotheüs (2. 12): « Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft. » Dus was het niet behoorlijk, dat Christus’ verrijzenis eerder aan vrouwen werd geopenbaard, dan aan allen tegelijk.

Sed contra est quod dicitur Act. X, quem Deus suscitavit tertia die, et dedit eum manifestum fieri, non omni populo, sed testibus praeordinatis a Deo. (IIIa q. 55 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 40, 41): « Hem heeft God opgewekt op de derden dag, en Hem bekend gemaakt niet aan geheel het volk, maar aan de door God voorbestemde getuigen. »

Respondeo dicendum quod eorum quae cognoscuntur, quaedam cognoscuntur communi lege naturae; quaedam autem cognoscuntur ex speciali munere gratiae, sicut ea quae divinitus revelantur. Quorum quidem, ut Dionysius dicit, in libro Caelest. Hier., haec est lex divinitus instituta, ut a Deo immediate superioribus revelentur, quibus mediantibus deferantur ad inferiores, sicut patet in ordinatione caelestium spirituum. Ea vero quae pertinent ad futuram gloriam, communem hominum cognitionem excedunt, secundum illud Isaiae LXIV, oculus non vidit, Deus, absque te, quae preparasti diligentibus te. Et ideo huiusmodi ab homine non cognoscuntur nisi divinitus revelata, sicut apostolus dicit, I Cor. II, nobis revelavit Deus per spiritum suum. Quia igitur Christus resurrexit gloriosa resurrectione, ideo eius resurrectio non omni populo manifestata est, sed quibusdam, quorum testimonio deferretur in aliorum notitiam. (IIIa q. 55 a. 1 co.)

Van de dingen, die gekend worden, zijn er sommige, die gekend worden volgens de algemene wet der natuur, andere daarentegen door een speciale genadegave, zoals die dingen, welke door God worden geopenbaard. Aangaande deze echter is, zoals Dionysius zegt, « van Godswege deze wet vastgesteld, dat zij door God onmiddellijk worden geopenbaard aan de hogeren, en door middel van deze worden overgebracht aan de lageren, » zoals blijkt bij de ordening der hemelse geesten. Wat nu behoort tot de toekomstige glorie, gaat de normale mensenkennis te boven, volgens het woord van Isaïas (64. 4): « Buiten U, o God, heeft geen oog gezien, wat Gij bereid hebt voor hen die op U hopen. » En daarom worden dergelijke dingen niet door de mens geweten, tenzij ze door God worden geopenbaard, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 10): « Ons heeft God geopenbaard door zijn Geest. » Daar nu Christus opstond in een glorieuze verrijzenis, daarom werd zijn verrijzenis niet aan het gehele volk geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis het aan anderen werd bekend gemaakt.

Ad primum ergo dicendum quod passio Christi peracta est in corpore adhuc habente naturam passibilem, quae communi lege nota est omnibus. Et ideo passio Christi omni populo immediate manifestari potuit. Resurrectio autem Christi facta est per gloriam patris, ut apostolus dicit, Rom. VI. Et ideo immediate manifestata est, non omnibus, sed quibusdam. Quod autem publice peccantibus publica poena imponitur, intelligendum est de poena praesentis vitae. Et similiter publica merita publice praemiari oportet, ut alii provocentur. Sed poenae et praemia futurae vitae non publice omnibus manifestantur, sed specialiter illis qui ad hoc praeordinati sunt a Deo. (IIIa q. 55 a. 1 ad 1)

1 — Het lijden van Christus werd voltrokken in zijn lichaam, toen het nog een lijdelijke natuur bezat, welke naar algemene wet aan de mensen bekend is. En daarom kon het lijden van Christus door het gehele volk onmiddellijk gekend worden. Maar de verrijzenis van Christus werd bewerkt « door de glorie van de Vader, » zoals de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6. 4). En daarom werd zij niet onmiddellijk bekend gemaakt aan allen, maar aan sommigen. Dat echter aan openbare zondaars een openbare straf wordt opgelegd, moet men verstaan van de straf in dit leven. En evenzo moeten publieke verdiensten ook publiek beloond worden, om anderen op te wekken. De straffen en beloningen echter van het toekomstige leven worden niet publiek aan allen bekend gemaakt, maar afzonderlijk aan hen, die hiertoe door God zijn voorbestemd.

Ad secundum dicendum quod resurrectio Christi, sicut est ad communem omnium salutem, ita in notitiam omnium pervenit, non quidem sic quod immediate omnibus manifestaretur; sed quibusdam, per quorum testimonium deferretur ad omnes. (IIIa q. 55 a. 1 ad 2)

2 — Zoals de verrijzenis van Christus strekt tot het algemene heil van allen, wordt zij ook aan allen bekend gemaakt, maar niet zo, dat zij onmiddellijk aan allen wordt geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis zij aan allen bekend zou worden.

Ad tertium dicendum quod mulieri non permittitur publice docere in Ecclesia, permittitur autem ei privatim domestica aliquos admonitione instruere. Et ideo, sicut Ambrosius dicit, super Luc., ad eos femina mittitur qui domestici sunt, non autem mittitur ad hoc quod resurrectionis testimonium ferat ad populum. Ideo autem primo mulieribus apparuit, ut mulier, quae primo initium mortis ad hominem detulit, primo etiam initia resurgentis Christi in gloria nuntiaret. Unde Cyrillus dicit, femina, quae quondam fuit mortis ministra, venerandum resurrectionis mysterium prima percepit et nuntiat. Adeptum est igitur femineum genus et ignominiae absolutionem, et maledictionis repudium. Simul etiam per hoc ostenditur quod, quantum ad statum gloriae pertinet, nullum detrimentum patietur sexus femineus, sed, si maiori caritate fervebunt, maiori etiam gloria ex visione divina potientur, eo quod mulieres, quae dominum arctius amaverunt, in tantum ut ab eius sepulcro, discipulis etiam recedentibus, non recederent, primo viderunt dominum in gloriam resurgentem. (IIIa q. 55 a. 1 ad 3)

3 — Aan de vrouw wordt het niet toegestaan, om publiek in de kerk te leren; het is hen echter toegestaan afzonderlijk sommigen door huiselijke voorlichting te onderrichten. En daarom « wordt een vrouw gezonden tot hen, die huisgenoten zijn; » zoals Ambrosius zegt; maar zij wordt niet gezonden om voor het volk getuigenis af te leggen voor de verrijzenis. Hij verscheen echter hierom het eerst aan vrouwen, opdat de vrouw, die het eerst de aanvang van de dood aan de mens bracht, ook het begin van de Christus, die in glorie verrees brengen zou. Daarom zegt Cyrillus naar aanleiding van de woorden bij Joannes (20. 17): « Ga tot de broeders enz. »: « De vrouw, die eens de bedienaar was van de dood, heeft het eerst het aanbiddenswaardige geheim der verrijzenis vernomen en geboodschapt. Het vrouwelijk geslacht verkreeg dus bevrijding van de schande, en opheffing van de vervloeking. » — Evenzo wordt hierdoor aangetoond, dat het vrouwelijk geslacht, wat de gloriestaat betreft, geen nadeel zal lijden, maar dat zij, indien zij van grotere liefde zullen branden, door de Godsschouwing ook grotere glorie zullen bemachtigen; omdat de vrouwen, die de Heer sterker beminden, zo zelfs dat zij niet weken van zijn graf, toen de leerlingen zelfs heengingen, het eerst de Heer, die in glorie verrees, hebben gezien.

Articulus 2.
Zou het passend geweest zijn als de leerlingen Christus hadden zien verrijzen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur conveniens fuisse quod discipuli viderent Christum resurgere. Ad discipulos enim pertinebat resurrectionem Christi testificari, secundum illud Act. IV, virtute magna reddebant apostoli testimonium resurrectionis Iesu Christi, domini nostri. Sed certissimum est testimonium de visu. Ergo conveniens fuisset ut ipsam resurrectionem Christi viderent. (IIIa q. 55 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het passend geweest zou zijn, als de leerlingen Christus hadden zien verrijzen. Op de leerlingen immers rustte de taak getuigenis af te leggen van Christus’ verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Handelingen der Apostelen (4. 33): « Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af voor de verrijzenis van Jesus Christus onze Heer. » Maar de getuigenis, van wat men gezien heeft, is het zekerst. Dus is het behoorlijk, dat zij de verrijzenis van Christus zelf zagen.

Praeterea, ad certitudinem fidei habendam, discipuli ascensionem Christi viderunt, secundum illud Act. I, videntibus illis, elevatus est. Sed similiter oporteret de resurrectione Christi certam fidem habere. Ergo videtur quod, discipulis videntibus, debuerit Christus resurgere. (IIIa q. 55 a. 2 arg. 2)

2 — Om geloofszekerheid te bezitten, zagen de leerlingen Christus ten hemel stijgen, overeenkomstig het gezegde in de Handelingen der Apostelen (1. 9): « Terwijl zij toezagen, werd Hij verheven. » Maar zij moesten evengoed een vast geloof hebben over Christus' verrijzenis. Dus had Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.

Praeterea, resurrectio Lazari quoddam indicium fuit futurae resurrectionis Christi. Sed, discipulis videntibus, dominus Lazarum suscitavit. Ergo videtur quod etiam Christus resurgere debuerit, discipulis videntibus. (IIIa q. 55 a. 2 arg. 3)

3 — De verrijzenis van Lazarus was een zekere heenwijzing naar Christus' toekomstige verrijzenis. Maar de Heer heeft Lazarus opgewekt, terwijl zijn leerlingen toezagen. Dus had ook Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.

Sed contra est quod dicitur Marci ult., resurgens dominus mane prima sabbati, apparuit primo Mariae Magdalenae. Sed Maria Magdalena non vidit eum resurgere, sed, cum eum quaereret in sepulcro, audivit ab Angelo, surrexit dominus, non est hic. Ergo nullus vidit eum resurgere. (IIIa q. 55 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt bij Marcus (16. 9): « Toen Christus op de eerste dag der week 's morgens verrees, verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena. » Maar Maria Magdalena zag Hem niet verrijzen; maar toen zij Hem zocht in het graf, hoorde zij van de engel (v. 6): « Hij is verrezen, Hij is niet hier. » Dus heeft niemand Hem zien verrijzen.

Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. XIII, quae a Deo sunt, ordinata sunt. Est autem hic ordo divinitus institutus, ut ea quae supra homines sunt, hominibus per Angelos revelentur, ut patet per Dionysium, IV cap. Cael. Hier. Christus autem resurgens non rediit ad vitam communiter omnibus notam, sed ad vitam quandam immortalem et Deo conformem, secundum illud Rom. VI, quod enim vivit, vivit Deo. Et ideo ipsa Christi resurrectio non debuit immediate ab hominibus videri, sed eis ab Angelis nuntiari. Unde Hilarius dicit, super Matth., quod ideo Angelus prior resurrectionis est index, ut quodam famulatu paternae voluntatis resurrectio nuntiaretur. (IIIa q. 55 a. 2 co.)

De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13. 1): « De dingen van God zijn goed geordend. » Dit is nu de ordening, die van Godswege is ingesteld, dat de dingen die boven de mensen zijn, aan de mensen door engelen worden geopenbaard, zoals uit Dionysius blijkt. Toen Christus echter verrees, keerde Hij niet terug tot een leven, dat algemeen aan de mensen bekend is, maar tot een zeker onsterfelijk en God-gelijkend leven, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 10): « Wat immers leeft, leeft voor God. » En daarom moest de verrijzenis van Christus niet onmiddellijk door de mensen worden gezien, maar zij moest aan hen verkondigd worden door de engelen. Daarom zegt Hilarius, dat « hierom een engel de eerste verkondiger was der verrijzenis, opdat de verrijzenis zou verkondigd worden om de wil van de Vader te dienen. »

Ad primum ergo dicendum quod apostoli potuerunt testificari Christi resurrectionem etiam de visu, quia Christum post resurrectionem viventem oculata fide viderunt, quem mortuum sciverant. Sed sicut ad visionem beatam pervenitur per auditum fidei, ita ad visionem Christi resurgentis pervenerunt homines per ea quae prius ab Angelis audierunt. (IIIa q. 55 a. 2 ad 1)

1 — De Apostelen konden ook als van zien getuigenis afleggen van Christus’ verrijzenis, daar zij Christus, van wie zij wisten, dat Hij gestorven was, na zijn verrijzenis met zekerheid voor hun ogen zagen. Maar gelijk men tot de zalige schouwing komt door het horen van het geloof, zo kwamen de mensen ook tot de aanschouwing van de verrezen Christus, door hetgeen zij eerst van de engelen vernomen hadden.

Ad secundum dicendum quod ascensio Christi, quantum ad terminum a quo, non transcendebat hominum communem notitiam, sed solum quantum ad terminum ad quem. Et ideo discipuli potuerunt videre ascensionem Christi quantum ad terminum a quo, idest secundum quod elevabatur a terra. Non autem viderunt ipsam quantum ad terminum ad quem, quia non viderunt quomodo reciperetur in caelo. Sed resurrectio Christi transcendebat communem notitiam et quantum ad terminum a quo, secundum quod anima rediit ab Inferis et corpus de sepulcro clauso exivit; et quantum ad terminum ad quem, secundum quod est adeptus vitam gloriosam. Et ideo non debuit resurrectio fieri sic quod ab homine videretur. (IIIa q. 55 a. 2 ad 2)

2 — Wat het punt van uitgang betreft ging de hemelvaart van Christus niet de algemene menselijke kennis te boven, maar alleen wat haar eindterm betreft. En daarom konden de leerlingen de hemelvaart van Christus zien, wat betreft het uitgangspunt d. i. dat Hij van de aarde verheven werd. Maar zij zagen haar niet, wat haar eindterm betreft; daar zij niet zagen, hoe Hij in de hemel werd opgenomen. De verrijzenis van Christus ging echter de gewone kennis te boven, zowel wat betreft de beginterm, in zoverre de ziel terugkeerde uit de hel, en het lichaam uit het gesloten graf uitging, als wat de eindterm betreft, in zoverre Hij het verheerlijkte leven verkreeg. En daarom moest de verrijzenis niet zo geschieden, dat zij door een mens gezien werd.

Ad tertium dicendum quod Lazarus resuscitatus est ut rediret ad vitam qualem prius habuerat, quae communem notitiam hominum non transcendit. Et ideo non est similis ratio. (IIIa q. 55 a. 2 ad 3)

3 — Lazarus werd opgewekt om terug te keren tot het leven, dat hij eerst bezat, en dat de gewone mensenkennis niet te boven ging. En dus is het geen gelijkwaardige redenering.

Articulus 3.
Moest Christus na zijn verrijzenis voortdurend met zijn leerlingen omgaan?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus post resurrectionem debuerit continue cum discipulis conversari. Ad hoc enim Christus discipulis post resurrectionem apparuit, ut eos de fide resurrectionis certificaret, et consolationem perturbatis afferret, secundum illud Ioan. XX, gavisi sunt discipuli, viso domino. Sed magis fuissent certificati et consolati si eis continue suam praesentiam exhibuisset. Ergo videtur quod continue cum eis debuerit conversari. (IIIa q. 55 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis voortdurend met zijn leerlingen moest omgaan. Hij verscheen immers na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen om hen zeker te maken in hun geloof van de verrijzenis, en om hen in hun droefheid troost te brengen, overeenkomstig het woord bij *Joannes* (20. 20): « De leerlingen waren verheugd, toen zij de Heer zagen. » Zij zouden echter meer verzekerd en vertroost zijn geworden, als Hij voortdurend bij hen geweest was. Dus moest Hij voortdurend met hen omgaan.

Praeterea, Christus resurgens a mortuis non statim ascendit in caelum, sed post dies quadraginta, ut habetur Act. I. Illo autem tempore intermedio in nullo alio loco potuit convenientius esse quam ubi discipuli eius erant pariter congregati. Ergo videtur quod continue cum eis conversari debuerit. (IIIa q. 55 a. 3 arg. 2)

2 — Toen Christus verrees uit de doden, steeg Hij niet terstond op ten hemel, maar na “veertig dagen,” zoals in de Handelingen der Apostelen (1. 3) staat. In die tussentijd nu kon Hij nergens anders beter zijn, dan daar, waar zijn leerlingen verzameld waren. Dus moest Hij voortdurend omgang met hen hebben.

Praeterea, ipso die resurrectionis dominicae quinquies Christus apparuisse legitur, ut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., primo quidem, mulieribus ad monumentum; secundo, eisdem regredientibus a monumento in itinere; tertio, Petro; quarto, duobus euntibus in castellum; quinto, pluribus in Ierusalem, ubi non erat Thomas. Ergo etiam videtur quod et aliis diebus ante suam ascensionem ad minus pluries debuit apparere. (IIIa q. 55 a. 3 arg. 3)

3 — Wij lezen, dat Christus op de dag zelf zijner verrijzenis vijf maal verscheen, zoals Augustinus zegt; het eerst « aan de vrouwen bij het graf; vervolgens aan dezelfde onderweg toen zij van het graf terugkeerden; ten derde aan Petrus; ten vierde, aan de leerlingen, die naar een dorp gingen; ten vijfde aan meerderen te Jeruzalem, waar Thomas niet bij was. » Dus moest Hij ook op de andere dagen vóór zijn hemelvaart minstens verschillende malen verschijnen.

Praeterea, dominus ante passionem eis dixerat, Matth. XXVI, postquam resurrexero, praecedam vos in Galilaeam. Quod etiam Angelus, et ipsemet dominus, post resurrectionem mulieribus dixit. Et tamen antea in Ierusalem ab eis visus est, et ipsa die resurrectionis, ut dictum est, et etiam die octava, ut legitur Ioan. XX. Non ergo videtur quod convenienti modo post resurrectionem cum discipulis fuerit conversatus. (IIIa q. 55 a. 3 arg. 4)

4 — De Heer had hen vóór zijn lijden gezegd bij Mattheus (26. 32): « Na Mijn verrijzenis, zal Ik u voorgaan naar Galilea. » Dit zeiden ook de engel en de Heer zelf na zijn verrijzenis aan de vrouwen. En toch werd Hij te voren door hen in Jeruzalem gezien, zowel op de dag der verrijzenis zelf, zoals gezegd werd (vorige bedenking); als ook op de achtste dag, zoals staat bij Joannes (20. 26). Dus is Hij na zijn verrijzenis niet op passende wijze met zijn leerlingen omgegaan.

Sed contra est quod Ioan. XX dicitur, quod post dies octo Christus discipulis apparuit. Non ergo continue conversabatur cum eis. (IIIa q. 55 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (20. 26) gezegd wordt: « Na acht dagen » verscheen Christus aan zijn leerlingen. Dus is Hij niet voortdurend met hen omgegaan.

Respondeo dicendum quod circa resurrectionem Christi duo erant discipulis declaranda, scilicet ipsa veritas resurrectionis; et gloria resurgentis. Ad veritatem autem resurrectionis manifestandam, sufficit quod pluries apparuit, et cum eis familiariter est locutus, et comedit et bibit, et se eis palpandum praebuit. Ad gloriam autem resurrectionis manifestandam, noluit continue conversari cum eis, sicut prius fecerat, ne videretur ad talem vitam resurrexisse qualem prius habuerat. Unde Luc. ult. dicit eis, haec sunt verba quae locutus sum ad vos cum adhuc essem vobiscum. Tunc quidem erat cum eis praesentia corporali, sed ante cum eis fuerat, non solum corporali praesentia, sed etiam per similitudinem mortalitatis. Unde Beda, supradicta verba exponens, dicit, cum adhuc essem vobiscum, idest, cum adhuc essem in carne mortali, in qua estis et vos. Tunc quidem in eadem carne resuscitatus erat, sed cum illis in eadem mortalitate non erat. (IIIa q. 55 a. 3 co.)

Met betrekking tot Christus' verrijzenis moesten twee dingen aan de leerlingen duidelijk worden: nl. de waarachtigheid der verrijzenis en de glorie van de verrezene. — Om de waarachtigheid der verrijzenis aan te tonen, is het voldoende, dat Hij hen meerdere malen verschenen is, en gemoedelijk met hen gesproken, en gegeten en gedronken heeft, en zich door hen liet aanraken. Maar om de glorie van de verrezene te openbaren, wilde Hij niet voortdurend met hen omgaan, zoals Hij dat eerst gedaan had, opdat het niet zou schijnen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was als Hij eerst gehad had. Vandaar dat Hij bij Lucas (24. 44) zegt: « Dit zijn die woorden, welke Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was. » Op dat ogenblik immers was Hij lichamelijk bij hen tegenwoordig, maar van tevoren was Hij niet alleen lichamelijk bij hen, maar was Hij hen ook gelijkend in de sterfelijkheid. Daarom zegt Beda, de aangehaalde woorden verklarend: « Toen Ik nog bij u was, d. i. toen Ik nog in Mijn sterfelijk vlees was, waarin ook gij zijt. Op dat ogenblik echter was Hij wel opgewekt in hetzelfde vlees, maar Hij was niet in dezelfde noodzaak van te sterven, als zij. »

Ad primum ergo dicendum quod frequens Christi apparitio sufficiebat ad certificandum discipulos de veritate resurrectionis, conversatio autem continua eos potuisset ducere in errorem, si ad similem vitam eum resurrexisse crederent quam prius habuerat. Consolationem autem de continua sui praesentia eis in alia vita repromisit, secundum illud Ioan. XVI, iterum videbo vos, et gaudebit cor vestrum, et gaudium vestrum nemo tollet a vobis. (IIIa q. 55 a. 3 ad 1)

1 — De herhaalde verschijning van Christus was voor zijn leerlingen voldoende om hen zeker te doen zijn van de waarachtigheid zijner verrijzenis; een voortdurende omgang echter had hen in dwaling kunnen brengen, zodat zij zouden menen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was, als Hij eerst bezat. De vertroosting echter van zijn onafgebroken tegenwoordigheid beloofde Hij hun in het andere leven, zoals gezegd wordt bij Joannes (16. 22): « Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verheugen, en uw vreugde zal niemand van u wegnemen. »

Ad secundum dicendum quod Christus non ideo non continue conversabatur cum discipulis quia reputaret se alibi convenientius esse, sed quia hoc discipulis instruendis convenientius iudicabat, si non continue conversaretur cum eis, ratione praedicta. Incognitum autem est quibus in locis intermedio tempore corporaliter esset, cum hoc Scriptura non tradat, et in omni loco sit dominatio eius. (IIIa q. 55 a. 3 ad 2)

2 — Niet hierom ging Christus niet voortdurend met zijn leerlingen om, wijl Hij het beter oordeelde ergens anders te zijn; maar wijl Hij het beter oordeelde tot onderrichting zijner leerlingen, niet voortdurend met hen om te gaan, om de (in de Leerst.) aangegeven reden. Het is echter niet bekend, waar Hij in die tussentijd was, daar de Schrift dit niet zegt, en zijn heerschappij zich uitstrekt over elke plaats.

Ad tertium dicendum quod ideo prima die frequentius apparuit, quia per plura indicia erant admonendi, ut a principio fidem resurrectionis reciperent. Postquam autem iam eam receperant, non oportebat eos, iam certificatos, tam frequentibus apparitionibus instrui. Unde in Evangelio non legitur quod post primum diem eis apparuit nisi quinquies. Ut enim Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., post primas quinque apparitiones, sexto eis apparuit ubi vidit eum Thomas; septimo, ad mare Tiberiadis, in captione piscium; octavo, in monte Galilaeae, secundum Matthaeum; nono, quod dicit Marcus, novissime recumbentibus, quia iam non erant in terra cum eo convivaturi; decimo, in ipso die, non iam in terra, sed elevatum in nube, cum in caelum ascenderet. Sed non omnia scripta sunt, sicut Ioannes fatetur. Crebra enim erat eius cum illis conversatio, priusquam ascendisset in caelum, et hoc ad consolationem ipsorum. Unde et I Cor. XV dicitur quod visus est plus quam quingentis fratribus simul, deinde visus est Iacobo, de quibus apparitionibus in Evangelio non habetur mentio. (IIIa q. 55 a. 3 ad 3)

3 — De reden, waarom Hij de eerste dag meerdere malen verscheen, was deze, dat zij door meerdere tekenen moesten worden aangezet, om van het begin af het geloof in de verrijzenis te aanvaarden. Toen zij het echter eenmaal hadden aanvaard, behoefden zij niet door zo herhaalde verschijningen ingelicht te worden, wijl zij reeds zekerheid bezaten. Daarom lezen wij in het evangelie, dat Hij hun na de eerste dag niet meer dan vijf maal verscheen. Want, zoals Augustinus zegt, verscheen Hij hun na de vijf eerste verschijningen « voor de zesde maal, toen Thomas Hem zag; de zevende maal bij de zee van Tiberias tijdens de visvangst; de achtste keer op de berg van Galilea, volgens Mattheus (28.16, 17); de negende keer, zoals Marcus zegt: « voor de laatste maal, toen zij aanlagen » (16.14), daar zij op aarde niet meer met Hem zouden samenleven; de tiende maal, op de dag der hemelvaart zelf, niet meer op aarde, maar verheven op een wolk, toen Hij naar de hemel opsteeg. Doch niet alles is opgeschreven, zoals Joannes getuigt (20.30). Want Hij had dikwijls omgang met hen, vóór Hij ten hemel steeg, » nl. om hen te troosten. Vandaar wordt ook gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15.6, 7): « Hij verscheen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, vervolgens verscheen Hij aan Jacobus, » over welke verschijningen in het evangelie niets verhaald wordt.

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, exponens illud quod dicitur Matth. XXVI, postquam resurrexero, praecedam vos in Galilaeam, non, inquit, in longinquam quandam regionem, ut eis appareat, vadit, sed in ipsa gente, et in ipsis fere regionibus in quibus cum eo plurimum fuerant conversati, ut et hinc crederent quoniam qui crucifixus est, ipse est et qui resurrexit. Propter hoc etiam in Galilaeam se ire dicit, ut a timore Iudaeorum liberarentur. Sic ergo, ut Ambrosius dicit, super Luc., dominus mandaverat discipulis ut in Galilaea eum viderent, sed illis ob metum intra conclave residentibus primum ipse se obtulit. Nec hoc est promissi transgressio, sed potius festinata ex benignitate impletio. Postea vero, confirmatis animis, illos Galilaeam petisse. Vel nihil obstat si dicamus pauciores intra conclave, quamplures in monte fuisse. Ut enim Eusebius dicit, duo Evangelistae, scilicet Lucas et Ioannes, solis undecim hunc scribunt apparuisse in Ierusalem, ceteri vero duo in Galilaeam properare non solum undecim, sed universis discipulis et fratribus dixerunt Angelum et salvatorem iussisse. De quibus Paulus meminit, dicens, deinde apparuit plus quam quingentis fratribus simul. Est autem verior solutio quod prius in Ierusalem latitantibus semel aut bis visus est, ad eorum consolationem. In Galilaea vero non clam, aut semel aut bis, sed cum multa potestate ostensionem sui fecit, praebens se eis viventem, post passionem in signis multis, ut Lucas testatur in actibus. Vel, sicut dicit Augustinus, in libro de consensu Evang., quod ab Angelo et domino dictum est, quod praecederet eos in Galilaeam, prophetice accipiendum est. In Galilaea enim, secundum transmigrationis significationem, intelligendum occurrit quia de populo Israel transmigraturi erant ad gentes, quibus apostoli praedicantes non crederentur, nisi ipse viam in cordibus hominum praepararet. Et hoc intelligitur, praecedet vos in Galilaeam. Secundum autem illud quod Galilaea interpretatur revelatio, non iam in forma servi intelligendum est, sed in illa in qua aequalis est patri, quam promisit dilectoribus suis, quo nos praecedens non deseruit. (IIIa q. 55 a. 3 ad 4)

4 — Chrysostomus zegt in zijn verklaring van de woorden van Mattheus (26.32): « Als Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea »: « Hij gaat niet naar een verre streek, om hun te verschijnen maar bij het eigen volk en ongeveer in dezelfde streek, » waar Hij het meest met hen had geleefd; « opdat zij ook hierdoor zouden geloven, dat Hij, die gekruisigd werd, dezelfde is, die ook verrees. » Hierom ook zegt Hij, « dat Hij naar Galilea gaat, om hen van de vrees voor de Joden te bevrijden. » Zo dus « had de Heer, » gelijk Ambrosius zegt, « aan zijn leerlingen opdracht gegeven Hem in Galilea te ontmoeten; maar Hij heeft, terwijl zij uit vrees voor de Joden opgesloten zaten, zich eerst aan hen vertoond. En dit is geen overtreding van zijn belofte, maar veeleer een vervroegde vervulling uit goedgunstigheid. Maar daarna, toen hun gemoed versterkt was, zochten zij Galilea op. En zelfs is er geen bezwaar tegen om te zeggen, dat er weinigen waren in het gesloten vertrek, maar meerderen op de berg. » Want zoals Eusebius zegt: « Twee evangelisten, namelijk Lucas en Joannes, hebben gezegd, dat Hij alleen aan de elf is verschenen te Jeruzalem; de twee anderen echter, dat de engel en de Zaligmaker niet alleen aan de elf, maar aan al de leerlingen en broeders bevolen hebben zich te begeven naar Galilea. » Van hen spreekt ook Paulus (1 Cor. 13. 6), als hij zegt: « Vervolgens verscheen Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. » Er is echter nog een betere oplossing, dat Hij eerst een of tweemaal verscheen aan hen, die zich in Jeruzalem verborgen hielden, om hen te troosten. Maar in Galilea vertoonde Hij zich niet in het geheim, of eenmaal of tweemaal, maar met grote macht, « zich na zijn lijden levend aan hen toonend door vele tekenen, » zoals Lucas getuigt in de Handelingen der Apostelen. Of zoals Augustinus zegt, « moet hetgeen door de engel en de Heer gezegd werd, » dat Hij hen namelijk voor zou gaan naar Galilea, « profetisch verstaan worden. » Want « onder dat: in Galilea, moet men, genomen in de zin van: verhuizen naar, verstaan, dat de genade van Christus van het volk van Israël zou overgaan op de heidenen: die op de prediking der Apostelen niet zouden geloven, tenzij de Heer zelf voor hen een weg in de harten der mensen bereidde. En zo valt te begrijpen « Hij zal u voorgaan naar Galilea. » Wanneer echter Galilea vertaald wordt als openbaring, dan moet men dit niet van Hem verstaan, als in de gedaante van slaaf, maar in die, waarin Hij gelijk is aan de Vader, welke Hij beloofde aan hen die Hem liefhebben en terwijl Hij ons daarheen voorgaat, heeft Hij ons niet verlaten. »

Articulus 4.
Moest Christus in een andere gedaante aan zijn leerlingen verschijnen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit discipulis in alia effigie apparere. Non enim potest apparere secundum veritatem nisi quod est. Sed in Christo non fuit nisi una effigies. Si ergo Christus in alia apparuit, non fuit apparitio vera, sed ficta. Hoc autem est inconveniens, quia, ut Augustinus dicit, in libro octoginta trium quaest., si fallit, veritas non est; est autem veritas Christus. Ergo videtur quod Christus non debuit discipulis in alia effigie apparere. (IIIa q. 55 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet in een andere gedaante aan zijn leerlingen moet verschijnen. Alleen datgene, wat is, kan echt verschijnen. In Christus was er echter maar één gedaante. Indien Christus derhalve in een andere gedaante verscheen, dan was zijn verschijning niet echt, maar bedrog. Dit past echter niet, aangezien « Christus, » zoals Augustinus zegt, « niet de waarheid is, als Hij bedriegt; maar Christus is de waarheid. » Dus moest Christus zijn leerlingen niet in een andere gedaante verschijnen.

Praeterea, nihil potest in alia effigie apparere quam habeat, nisi oculi intuentium aliquibus praestigiis detineantur. Huiusmodi autem praestigia, cum fiant magicis artibus, non conveniunt Christo, secundum illud II Cor. VI, quae conventio Christi ad Belial? Ergo videtur quod non debuit in alia effigie apparere. (IIIa q. 55 a. 4 arg. 2)

2 — Niets kan verschijnen in een andere gedaante, dan het heeft, tenzij de ogen van de toeschouwers door begoochelingen worden misleid. Dergelijke goocheltoeren passen Christus echter niet, wijl zij geschieden met tooverkunsten, overeenkomstig het woord in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 15): « Wat is er voor overeenkomst tussen Christus en Belial? » Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.

Praeterea, sicut per sacram Scripturam nostra fides certificatur, ita discipuli certificati sunt de fide resurrectionis per Christi apparitiones. Sed, sicut Augustinus dicit, in epistola ad Hieronymum si vel unum mendacium in sacra Scriptura recipiatur, infirmabitur tota sacrae Scripturae auctoritas. Ergo, si vel in una apparitione Christus discipulis apparuit aliter quam esset, infirmabitur quidquid post resurrectionem viderunt in Christo. Quod est inconveniens. Non ergo debuit in alia effigie apparere. (IIIa q. 55 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals door de H. Schrift ons geloof wordt bevestigd, zo kregen de leerlingen zekerheid aangaande de verrijzenis door Christus’ verschijningen. Maar, zoals Augustinus zegt, het gehele gezag der H. Schrift zal verzwakt worden, als er ook maar één leugen in de H. Schrift wordt aangenomen. Indien dus Christus ook maar in één verschijning anders aan zijn leerlingen verscheen, als Hij was, dan zou al wat de leerlingen in Christus zagen na zijn verrijzenis verzwakt worden. Dit is echter niet passend. Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.

Sed contra est quod dicitur Marci ult., post haec, duobus ex eis ambulantibus ostensus est in alia effigie, euntibus in villam. (IIIa q. 55 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 12) gezegd wordt: « Daarna is Hij aan twee van hen, die op weg waren, verschenen in een andere gedaante, terwijl zij naar een dorp gingen. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, resurrectio Christi manifestanda fuit hominibus per modum quo eis divina revelantur. Innotescunt autem divina hominibus secundum quod diversimode sunt affecti. Nam illi qui habent mentem bene dispositam, secundum veritatem divina percipiunt. Illi autem qui habent mentem non bene dispositam, divina percipiunt cum quadam confusione dubietatis vel erroris, animalis enim homo non percipit ea quae sunt spiritus Dei, ut dicitur I Cor. II. Et ideo Christus quibusdam, ad credendum dispositis, post resurrectionem apparuit in sua effigie. Illis autem in alia effigie apparuit qui iam videbantur circa fidem tepescere, unde dicebant, nos sperabamus quia ipse esset redempturus Israel. Unde Gregorius dicit, in homilia, quod talem se eis exhibuit in corpore qualis apud illos erat in mente. Quia enim adhuc in eorum cordibus peregrinus erat a fide, ire se longius finxit, scilicet ac si esset peregrinus. (IIIa q. 55 a. 4 co.)

Zoals gezegd werd (1° en 2° Art. van deze Kw.) moest de verrijzenis aan Christus aan de mensen geopenbaard worden naar de wijze, waarop de goddelijke dingen hun worden bekend gemaakt. De goddelijke dingen nu worden de mensen op verschillende wijzen bekend, naargelang zij in een verschillende gesteltenis zijn. Want zij, wier geest in de goede gesteltenis is, begrijpen de goddelijke dingen naar waarheid. Zij echter, die niet bereid zijn van geest, vatten de goddelijke met een zekere verwarring van twijfel of dwaling: want « di dierlijke mens vat niet de dingen, die van de Geest Gods zijn, » zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2 14). En daarom is Christus aan sommigen, die bereid waren om te geloven, na zijn verrijzenis in zijn eigen gestalte verschenen. Aan hen echter, die reeds zwak schenen te worden in hun geloof verscheen Hij in een vreemde gedaante; vandaar zeggen dezen « Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. » (Luc. 24, 21). Daarom zegt Gregorius, dat « Hij zich zodanig in zijn lichaam aan hen vertoonde, zoals Hij leefde in hun geest. Want daar Hij nog in hun harten was als een vreemde voor hun geloof, daarom veinsde Hij verder te gaan, » nl. alsof Hij een vreemdeling was.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de quaestionibus Evang., non omne quod fingimus, mendacium est. Sed quando id fingimus quod nihil significat, tunc est mendacium. Cum autem fictio nostra refertur ad aliquam significationem, non est mendacium, sed aliqua figura veritatis. Alioquin omnia quae a sapientibus et sanctis viris, vel etiam ab ipso domino, figurate dicta sunt, mendacia reputabuntur, quia, secundum usitatum intellectum, non consistit veritas in talibus dictis. Sicut autem dicta, ita etiam finguntur facta sine mendacio, ad aliquam rem significandam. Et ita factum est hic, ut dictum est. (IIIa q. 55 a. 4 ad 1)

1 — Zoals Augustinus zegt, « is niet alles wat wij veinzen een leugen. Maar wanneer wij iets veinzen, dat geen betekenis heeft, dan is het een leugen. Wanneer echter ons veinzen slaat op een of andere betekenis, dan is het geen leugen, maar een beeld van de waarheid. Anders zou alles wat door wijze en heilige mannen of zelfs door de Heer zelf figuurlijk gezegd is, als leugen bestempeld worden, aangezien er in de gangbare opvatting geen waarheid in die gezegden ligt. Evenals woorden, zo worden ook feiten geveinsd zonder te liegen, om het een of ander te betekenen. » En zo geschiedde het hier, gelijk gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., dominus poterat transformare carnem suam, ut alia re vera esset effigies ab illa quam solebant intueri, quandoquidem et ante passionem suam transformatus est in monte, ut facies eius claresceret sicut sol. Sed non ita nunc factum est. Non enim incongruenter accipimus hoc impedimentum in oculis eorum a Satana fuisse, ne agnosceretur Iesus. Unde Luc. ult. dicitur quod oculi eorum tenebantur, ne eum agnoscerent. (IIIa q. 55 a. 4 ad 2)

2 — Zoals Augustinus zegt « kon de Heer zijn vlees zo veranderen, dat het in werkelijkheid een ander voorkomen had, als dat wat gewoonlijk aanschouwd werd; ook vóór zijn lijden werd Hij zelfs eens van gedaante veranderd op de berg, zodat zijn gezicht schitterde, als de zon. Maar zo gebeurde het nu niet. Wij nemen ook niet ten onrechte aan, dat Satan in hun ogen dit beletsel bewerkte, opdat zij Jezus niet zouden herkennen. » Vandaar zegt Lucas (24. 16), dat « hun ogen verhinderd werden Hem te herkennen. »

Ad tertium dicendum quod ratio illa sequeretur si ab alienae effigiei aspectu non fuissent reducti ad vere videndum Christi effigiem. Sicut enim Augustinus ibidem dicit, tantum a Christo facta est permissio, ut scilicet praedicto modo oculi eorum tenerentur, usque ad sacramentum panis, ut, unitate corporis eius participata, removeri intelligatur impedimentum inimici, ut Christus possit agnosci. Unde ibidem subditur quod aperti sunt oculi eorum et cognoverunt eum, non quod ante clausis oculis ambularent; sed inerat aliquid quo non sinerentur agnoscere quod videbant, quod scilicet caligo et aliquis humor solet efficere. (IIIa q. 55 a. 4 ad 3)

3 — Die redenering zou doorgaan, als zij van het aanschouwen van de vreemde gedaante niet tot het werkelijk zien van Christus’ gedaante zouden gebracht zijn. Want zoals Augustinus zegt « liet Christus dit toe, » nl. dat hun ogen op de aangegeven wijze werden verhinderd, « tot aan het sacrament van het brood; opdat wij zouden begrijpen, dat de hindernis van de vijand, om Christus te kennen werd weggenomen, toen zij deel kregen aan de eenheid van zijn lichaam. » Hierom wordt er ook aan toegevoegd (Luc. 24. 31), dat « hun ogen geopend werden en zij Hem herkenden »: « niet alsof zij eerst met gesloten ogen liepen; maar er was iets daarin, waardoor zij verhinderd werden te herkennen, wat zij zagen; wat nl. een verduistering en een of ander vocht gewoonlijk uitwerkt. »

Articulus 5.
Moest Christus de echtheid zijner verrijzenis met bewijzen staven?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christus veritatem resurrectionis non debuerit argumentis declarare. Dicit enim Ambrosius, tolle argumenta ubi fides quaeritur. Sed circa resurrectionem Christi quaeritur fides. Non ergo habent locum argumenta. (IIIa q. 55 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus de echtheid zijner verrijzenis niet met bewijzen moest staven. Ambrosius immers zegt: « Waar geloof gevraagd wordt, neem daar de bewijzen weg. » Aangaande de verrijzenis van Christus nu wordt geloof gevraagd. Dus is daar geen plaats voor bewijzen.

Praeterea, Gregorius dicit, fides non habet meritum cui humana ratio praebet experimentum. Sed ad Christum non pertinebat meritum fidei evacuare. Ergo ad eum non pertinebat resurrectionem per argumenta confirmare. (IIIa q. 55 a. 5 arg. 2)

2 — Zoals Gregorius zegt, « heeft het geloof geen verdienste, als de menselijke rede een bewijs levert. » Maar het was niet de bedoeling van Christus de verdienste van het geloof te niet te doen. Dus moest Hij zijn verrijzenis niet met argumenten bevestigen.

Praeterea, Christus in mundum venit ut per eum homines beatitudinem adipiscantur, secundum illud Ioan. X, ego veni ut vitam habeant, et abundantius habeant. Sed per huiusmodi ostensiones argumentorum videtur humanae beatitudini impedimentum praestari, dicitur enim Ioan. XX, ex ore ipsius domini, beati qui non viderunt, et crediderunt. Ergo videtur quod Christus non debuerit per aliqua argumenta resurrectionem suam manifestare. (IIIa q. 55 a. 5 arg. 3)

3 — Christus is in de wereld gekomen, opdat de mensen door Hem de zaligheid zouden verkrijgen, overeenkomstig het woord bij Joannes (10. 10): « Ik ben gekomen, opdat zij het leven zouden hebben, en overvloedig zouden hebben. » Maar door zulke argumenten aan te geven, schijnt een hinderpaal geplaatst te worden voor de zaligheid van de mens; want er wordt gezegd bij Joannes (20. 29): « Zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben. » Dus moest Christus niet door enige bewijzen zijn verrijzenis openbaar maken.

Sed contra est quod dicitur Act. I, quod apparuit discipulis Christus per dies quadraginta in multis argumentis, loquens de regno Dei. (IIIa q. 55 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat « Hij aan zijn leerlingen gedurende veertig dagen verscheen met vele bewijzen, sprekend over het rijk Gods. »

Respondeo dicendum quod argumentum dupliciter dicitur. Quandoque dicitur argumentum quaecumque ratio rei dubiae faciens fidem. Quandoque autem dicitur argumentum aliquod sensibile signum quod inducitur ad alicuius veritatis manifestationem, sicut etiam Aristoteles aliquando in libris suis utitur nomine argumenti. Primo igitur modo accipiendo argumentum, Christus non probavit discipulis suam resurrectionem per argumenta. Quia talis probatio argumentativa procedit ex aliquibus principiis, quae si non essent nota discipulis, nihil per ea eis manifestaretur, quia ex ignotis non potest aliquod fieri notum; si autem essent eis nota, non transcenderent rationem humanam, et ideo non essent efficacia ad fidem resurrectionis adstruendam, quae rationem humanam excedit; oportet enim principia ex eodem genere assumi, ut dicitur in I posteriorum. Probavit autem eis resurrectionem suam per auctoritatem sacrae Scripturae, quae est fidei fundamentum, cum dixit, oportet impleri omnia quae scripta sunt in lege et Psalmis et prophetis de me, ut habetur Luc. ult. Si autem accipiatur secundo modo argumentum, sic Christus dicitur suam resurrectionem argumentis declarasse, inquantum per quaedam evidentissima signa se vere resurrexisse ostendit. Unde et in Graeco, ubi nos habemus in multis argumentis, loco argumenti ponitur tekmerium, quod est signum evidens ad probandum. Quae quidem signa resurrectionis Christus ostendit discipulis propter duo. Primo quidem, quia non erant corda eorum disposita ad hoc quod de facili fidem resurrectionis acciperent. Unde ipse dicit eis, Luc. ult., o stulti, et tardi corde ad credendum. Et Marci ult., exprobravit incredulitatem eorum et duritiam cordis. Secundo, ut per huiusmodi signa eis ostensa efficacius eorum testimonium redderetur, secundum illud I Ioan. I, quod vidimus et audivimus, et manus nostrae contractaverunt, hoc testamur. (IIIa q. 55 a. 5 co.)

Op dubbele wijze wordt iets een bewijs genoemd. — Soms noemt men een argument, elke redenering, die een twijfelachtige zaak geloofwaardig maakt. Soms echter noemt men een argument een zichtbaar teken, dat aangevoerd wordt om een waarheid bekend te maken, zoals ook Aristoteles in zijn boeken soms het woord argument gebruikt. — Wanneer wij nu het woord argument verstaan in de eerste zin, dan heeft Christus niet met argumenten voor zijn leerlingen zijn verrijzenis bewezen. Want zulk een argumenterende bewijsvoering had moeten uitgaan van enige beginselen; en indien deze niet aan de leerlingen bekend waren, dan zou hun daardoor niets duidelijk gemaakt worden, daar door het onbekende niets bekend kan worden; indien zij hun echter bekend waren, dan zouden zij de menselijke rede niet te boven gaan, en dan waren zij niet in staat om het geloof in de verrijzenis te bewerken, daar dat de menselijke rede te bovengaat; de principes moeten immers van dezelfde orde zijn, zoals staat in de Posteriora Analytica. Hij bewees hen echter zijn verrijzenis met het gezag der Schrift, die het fundament voor het geloof is, als Hij zegt: « Alles wat van Mij geschreven staat in de Wet, psalmen en de profeten, moet vervuld worden, » zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 44 vlg.). — Indien men het woord argument echter in de tweede zin verstaat, dan kan men zeggen, dat Christus met bewijzen zijn verrijzenis heeft aangetoond, in zoverre Hij door duidelijke tekenen bewees, dat Hij werkelijk verrezen was. Vandaar dat in het Grieks, waar wij hebben staan: « met vele argumenten, » in de plaats van argument « τεκμὴριον » gebruikt wordt, wat zeggen wil: « een duidelijk teken, om iets te bewijzen. » En deze tekenen zijner verrijzenis gaf Christus aan zijn leerlingen om een dubbele reden. Vooreerst, omdat hun harten niet in een toestand waren, om gemakkelijk het geloof in zijn verrijzenis te aanvaarden. Daarom zegt Hij ook zelf tot hen (Luc. 24. 25): « O onverstandigen en traag van hart om te geloven! » En (Marc. 16. 14): « Hij verweet hen hun ongeloof en verstoktheid van hart. » — Ten tweede, opdat hun getuigenis van grotere kracht zou zijn, doordat hun dergelijke tekenen gegeven werden, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief van Johannes (1. 1): « Wat wij gezien hebben en gehoord hebben, en onze handen betast hebben, daarvan leggen wij getuigenis af. »

Ad primum ergo dicendum quod Ambrosius ibi loquitur de argumentis secundum rationem humanam procedentibus, quae invalida sunt ad ea quae sunt fidei ostendenda, sicut ostensum est. (IIIa q. 55 a. 5 ad 1)

1 — Ambrosius spreekt daar over argumenten, die overeenkomstig de menselijke rede bewijzen, welke ontoereikend zijn om geloofswaarheden aan te tonen, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod meritum fidei est ex hoc quod homo ex mandato Dei credit quod non videt. Unde illa sola ratio meritum excludit quae facit videri per scientiam id quod credendum proponitur. Et talis est ratio demonstrativa. Huiusmodi autem rationes Christus non induxit ad resurrectionem suam declarandam. (IIIa q. 55 a. 5 ad 2)

2 — De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens op Gods woord gelooft, wat hij niet ziet. Daarom sluit alleen die redenering de verdienstelijkheid uit, welke wetenschappelijk laat zien, wat te geloven wordt voorgesteld. En van die aard is een bewijsvoering. Zulk een redenering voerde Christus echter niet aan, om zijn verrijzenis te bewijzen.

Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, meritum beatitudinis quod causat fides, non totaliter excluditur nisi homo nollet credere nisi ea quae videt, sed quod aliquis ea quae non videt, credat per aliqua signa visa, non totaliter fidem evacuat nec meritum eius. Sicut et Thomas, cui dictum est, quia vidisti me, credidisti, aliud vidit, et aliud credidit, vidit vulnera, et credidit Deum. Est autem perfectioris fidei qui non requirit huiusmodi auxilia ad credendum. Unde, ad arguendum defectum fidei in quibusdam, dominus dicit, Ioan. IV, nisi signa et prodigia videritis, non creditis. Et secundum hoc, potest intelligi quod illi qui sunt tam prompti animi ut credant Deo etiam signis non visis, sunt beati per comparationem ad illos qui non crederent nisi talia viderent. (IIIa q. 55 a. 5 ad 3)

3 — Zoals gezegd is (in het vorige Antwoord), wordt de verdienste ter zaligheid, welke voortkomt uit het geloof, niet geheel uitgesloten, tenzij de mens alleen maar zou willen geloven, wat hij ziet: maar dat iemand op het zien van enige tekenen gelooft, wat hij niet ziet, neemt niet geheel het geloof weg, en ook niet zijn verdienste. Zoals ook Thomas, tot wie gezegd wordt bij Johannes (20. 29): « Omdat je Mij gezien hebt, heb je geloofd, » iets anders zag, als hij geloofde; hij zag de wonden, en geloofde in God. Het geloof, dat deze hulpmiddelen niet vraagt om te geloven, is echter volmaakter. En daarom zegt de Heer bij Johannes (4. 48), om het gebrek aan geloof bij sommigen aan de kaak te stellen: « Als je geen tekenen en wonden ziet, geloof je niet. » En zo kan men verstaan, dat zij, die in hun gemoed zo bereidwillig gestemd zijn, dat zij God geloven, ook al zien zij geen tekenen, zalig zijn, in vergelijking met hen, die niet geloven, tenzij zij dergelijke dingen aanschouwen.

Articulus 6.
Toonden de argumenten, die Christus aanvoerde, voldoende zijn verrijzenis aan?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod argumenta quae Christus induxit, non sufficienter manifestaverunt veritatem resurrectionis eius. Nihil enim ostendit Christus discipulis post resurrectionem quod etiam Angeli, hominibus apparentes, vel non ostenderint, vel non ostendere potuerint. Nam Angeli frequenter in humana effigie se hominibus ostenderunt, et cum eis loquebantur et conversabantur et comedebant, ac si essent homines veri, sicut patet Gen. XVIII, de Angelis quos Abraham suscepit hospitio; et in libro Tobiae, de Angelo qui eum duxit et reduxit. Et tamen Angeli non habent vera corpora naturaliter sibi unita, quod requiritur ad resurrectionem. Non ergo signa quae Christus discipulis exhibuit, fuerunt sufficientia ad resurrectionem eius manifestandam. (IIIa q. 55 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de argumenten, die Christus aanvoerde, niet voldoende de waarheid zijner verrijzenis aantoonden. Christus vertoonde immers na zijn verrijzenis niets anders aan zijn leerlingen, dan ook de engelen hebben vertoond, wanneer zij aan de mensen verschijnen, of wat zij zouden kunnen vertonen. De engelen immers vertoonden zich meermalen in een menselijke gedaante aan de mensen, en zij spraken met hen, en gingen met hen om en aten met hen, alsof zij echte mensen waren, zoals in het Boek der Schepping (hoofdstuk 18) uit de engelen blijkt, die Abraham ten gast ontving; en in het Boek Tobias met de engel die hem « wegleidde en terugbracht. » En toch hebben de engelen niet van nature ware lichamen met zich verenigd, wat nodig is voor een verrijzenis. Derhalve waren de tekenen, die Christus aan zijn leerlingen gaf, niet toereikend, om zijn verrijzenis te bewijzen.

Praeterea, Christus resurrexit resurrectione gloriosa, idest, habens simul humanam naturam cum gloria. Sed quaedam Christus ostendit discipulis quae videntur esse contraria naturae humanae, sicut quod ab oculis eorum evanuit, et quod ad eos ianuis clausis intravit, quaedam autem videntur fuisse contraria gloriae, puta quod manducavit et bibit, quod etiam habuit vulnerum cicatrices. Ergo videtur quod illa argumenta non fuerunt sufficientia, neque convenientia, ad fidem resurrectionis ostendendam. (IIIa q. 55 a. 6 arg. 2)

2 — Christus verrees in een glorieuze verrijzenis, d. i. Hij bezat de menselijke natuur tegelijk met de glorie. Maar Christus toonde sommige dingen aan zijn leerlingen, die in strijd schijnen met de menselijke natuur, zoals het feit dat Hij uit hun ogen verdween, en dat Hij bij hen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren. Sommige dingen echter lijken in strijd met zijn glorie, b. v. dat Hij at en dronk, en dat Hij de wondetekens droeg. Dus waren die argumenten niet voldoende en ook niet passend, om de geloofwaardigheid van de verrijzenis te tonen.

Praeterea, corpus Christi non erat tale post resurrectionem ut tangi deberet ab homine mortali, unde ipse dixit Magdalenae, Ioan. XX, noli me tangere, nondum enim ascendi ad patrem meum. Non ergo fuit conveniens quod, ad manifestandam veritatem suae resurrectionis, seipsum discipulis palpabile exhibuerit. (IIIa q. 55 a. 6 arg. 3)

3 — Het lichaam van Christus was na zijn verrijzenis niet van dit aard, dat het mocht aangeraakt worden door een sterfelijk mens; daarom zei Hij ook zelf tot Magdalena (Joan. 20. 17): « Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen. » Het was dus niet passend, dat Hij zich door zijn leerlingen liet belasten, om de waarheid zijner verrijzenis aan te tonen.

Praeterea, inter dotes glorificati corporis praecipua videtur esse claritas. Quam tamen in resurrectione nullo argumento ostendit. Ergo videtur quod insufficientia fuerint illa argumenta ad manifestandam qualitatem resurrectionis Christi. (IIIa q. 55 a. 6 arg. 4)

4 — Onder de gaven van het verheerlijkte lichaam behoort vooral de schittering. Deze heeft Hij echter bij zijn verrijzenis met geen enkel argument aangetoond. Dus waren deze argumenten niet voldoende om de toestand van de verrezen Christus aan te geven.

Sed contra est quod Christus, qui est Dei sapientia, suaviter et convenienter disponit omnia, ut dicitur Sap. VIII. (IIIa q. 55 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Christus, die Gods Wijsheid is, alles met zachtheid en naar behoren schikt, zoals gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (8. 1).

Respondeo dicendum quod Christus resurrectionem suam dupliciter manifestavit, scilicet testimonio; et argumento seu signo. Et utraque manifestatio in suo genere fuit sufficiens. Est enim usus duplici testimonio ad manifestandam suam resurrectionem discipulis, quorum neutrum potest refelli. Quorum primum est testimonium Angelorum, qui mulieribus resurrectionem annuntiaverunt, ut patet per omnes Evangelistas. Aliud autem est testimonium Scripturarum, quas ipse proposuit ad ostensionem suae resurrectionis, ut dicitur Luc. ult. Argumenta etiam fuerunt sufficientia ad ostendendam veram resurrectionem, et etiam gloriosam. Quod autem fuerit vera resurrectio, ostendit uno modo ex parte corporis. Circa quod tria ostendit. Primo quidem, quod esset corpus verum et solidum, non corpus phantasticum, vel rarum, sicut est aer. Et hoc ostendit per hoc quod corpus suum palpabile praebuit. Unde ipse dicit, Luc. ult., palpate et videte, quia spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere. Secundo, ostendit quod esset corpus humanum, ostendendo eis veram effigiem, quam oculis intuerentur. Tertio, ostendit eis quod esset idem numero corpus quod prius habuerat, ostendendo eis vulnerum cicatrices. Unde legitur Luc. ult., dixit eis, videte manus meas et pedes meos, quia ego ipse sum. Alio modo ostendit eis veritatem suae resurrectionis ex parte animae iterato corpori unitae. Et hoc ostendit per opera triplicis vitae. Primo quidem, per opus vitae nutritivae, in hoc quod cum discipulis manducavit et bibit, ut legitur Luc. ult. Secundo, per opera vitae sensitivae, in hoc quod discipulis ad interrogata respondebat, et praesentes salutabat, in quo ostendebat se et videre et audire. Tertio, per opera vitae intellectivae, in hoc quod cum eo loquebantur, et de Scripturis disserebant. Et ne quid deesset ad perfectionem manifestationis, ostendit etiam se habere divinam naturam, per miraculum quod fecit in piscibus capiendis; et ulterius per hoc quod, eis videntibus, ascendit in caelum; quia, ut dicitur Ioan. III, nemo ascendit in caelum nisi qui descendit de caelo, filius hominis, qui est in caelo. Gloriam etiam suae resurrectionis ostendit discipulis, per hoc quod ad eos ianuis clausis intravit, secundum quod Gregorius dicit, in homilia, palpandam carnem dominus praebuit, quam clausis ianuis introduxit, ut esse post resurrectionem ostenderet corpus suum et eiusdem naturae, et alterius gloriae. Similiter etiam ad proprietatem gloriae pertinebat quod subito ab oculis discipulorum evanuit, ut dicitur Lucae ultimo, quia per hoc ostendebatur quod in potestate eius erat videri et non videri quod pertinet ad conditionem corporis gloriosi, ut supra dictum est. (IIIa q. 55 a. 6 co.)

Christus heeft op dubbele wijze zijn verrijzenis bekend gemaakt, namelijk door een getuigenis en door een argument of teken. En beide openbaringen waren in hun soort voldoende. Hij heeft immers een dubbele getuigenis gebruikt, om zijn verrijzenis aan zijn leerlingen bekend te maken, en geen van beide kan weerlegd worden. Het eerste daarvan is het getuigenis der engelen, die aan de vrouwen de verrijzenis verkondigden, zoals blijkt bij alle Evangelisten. Het andere is het getuigenis der Schriften, die Hijzelf aanvoerde om zijn verrijzenis aan te tonen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 25 vlg. en 44 vlg.). — Ook de argumenten waren voldoende, om zijn ware en glorieuze verrijzenis aan te tonen. Dat zijn verrijzenis waar was, dat toonde Hij vooreerst aan van de kant van zijn lichaam. En hieromtrent bewees Hij drie dingen. Vooreerst, dat het een echt en stevig lichaam was, en geen schijnlichaam of wat ijl is als de lucht. En dit toonde Hij, door te laten zien, dat zijn lichaam tastbaar was. Vandaar zegt Hij zelf (Luc. 24. 39): « Tast en ziet; want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb. » — Ten tweede toonde Hij aan, dat het een menselijk lichaam was, door hen een ware gedaante te vertonen, die zij met hun ogen zagen. — Ten derde toonde Hij hen, dat het numeriek hetzelfde lichaam was, dat Hij eerst bezat, door de wondetekenen te tonen; vandaar zegt Hij tot hen, zoals wij lezen bij Lucas (24. 38, 39): « Ziet mijn handen en voeten, dat Ik het ben. » — Op andere wijze toonde Hij hen de echtheid zijner verrijzenis aan van de kant der ziel, die weer met het lichaam verenigd was. En dit toonde Hij door een drievoudige levenswerking. Vooreerst door een werking van het voedende leven, doordat Hij met zijn leerlingen at en dronk, zoals wij lezen bij Lucas (24. 30, 43). Ten tweede, door werkingen van het zintuigelijke leven, doordat Hij de leerlingen op hun vragen antwoord gaf, en ze in hun tegenwoordigheid groette; hiermee toonde Hij, dat Hij zowel zag als hoorde. Ten derde, door werken van het verstandelijke leven, doordat Hij met hen sprak en handelde over de Schriften. — En opdat niets zou ontbreken voor een volmaakte openbaring, toonde Hij ook, dat Hij een goddelijke natuur bezat, door het wonder, dat Hij verrichtte bij de vischvangst, en verder nog hierdoor, dat Hij voor hun ogen ten hemel steeg, want « niemand stijgt ten hemel, » zoals bij Joannes (3. 13) gezegd wordt, « tenzij Hij, die van de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen, die in de hemel is. » — Ook de glorie zijner verrijzenis toonde Hij aan zijn leerlingen door bij hen binnen te treden, terwijl de deuren gesloten waren. Want, zoals Gregorius zegt, « liet de Heer zijn vlees betasten, dat Hij binnenbracht door de gesloten deuren heen, om aan te tonen dat zijn lichaam, na de verrijzenis dezelfde natuur maar ook een andere heerlijkheid bezat. » Zo was het ook iets eigen van zijn glorie, dat Hij ineens « uit hun ogen verdween, » zoals wij lezen bij Lucas (24. 31), wijl hierdoor werd getoond, dat Hij het in zijn macht had om gezien en niet gezien te worden; dit behoort immers bij de toestand van een verheerlijk lichaam, zoals boven gezegd is (54° Kw. 1° Art. 2° Antw.; 3° Art. 1° Antw.).

Ad primum ergo dicendum quod singula argumentorum non sufficerent ad manifestandam Christi resurrectionem, omnia tamen simul accepta perfecte Christi resurrectionem manifestant; maxime propter Scripturae testimonium, et Angelorum dicta, et ipsius Christi assertionem miraculis confirmatam. Angeli autem apparentes non asserebant se homines esse, sicut asseruit Christus vere se hominem esse. Et tamen aliter Christus manducavit, et aliter Angeli. Nam quia corpora ab Angelis assumpta non erant corpora viva vel animata, non erat vera comestio, licet esset vera cibi contritio et traiectio in interiorem partem corporis assumpti, unde et Angelus dixit, Tobiae XII, cum essem vobiscum, videbar quidem manducare et bibere vobiscum, sed ego cibo invisibili utor. Sed quia corpus Christi vere fuit animatum, vera fuit eius comestio. Ut enim Augustinus dicit, XIII de Civ. Dei, non potestas, sed egestas edendi corporibus resurgentium aufertur. Unde, sicut Beda dicit, Christus manducavit potestate, non egestate. (IIIa q. 55 a. 6 ad 1)

1 — Ofschoon de argumenten afzonderlijk niet zouden volstaan, om volkomen de verrijzenis van Christus bekend te maken, maken zij toch allen tezamen genomen volkomen de verrijzenis van Christus openbaar, vooral om het getuigenis der Schriften en de woorden van de engelen, als ook om de verzekering van Christus zelf, bevestigd met mirakelen. De engelen echter, die verschenen, beweerden niet, dat zij mensen waren, zoals Christus verzekerde, dat Hij waarlijk mens was. Bovendien at Christus anders dan de engelen. Want aangezien de lichamen, die door de engelen werden aangenomen, geen levende of bezielde lichamen waren, was dat ook geen werkelijk eten, ofschoon er een werkelijk vermalen van spijs plaats had, en een verplaatsing naar het binnenste deel van het aangenomen lichaam; daarom zei de engel ook in het Boek Tobias (12. 18, 19): « Toen ik bij u was leek het wel, dat ik met u at en dronk; maar ik gebruik een onzichtbare spijs. » Maar wij het lichaam van Christus werkelijk bezield was, was zijn eten echt. Want zoals Augustinus zegt « wordt niet het vermogen, maar de noodzaak om te eten bij de lichamen der verrezenen weggenomen. » Vandaar, « at Christus uit macht en niet uit behoefte, » zoals Beda zegt.

Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, argumenta quaedam inducebantur a Christo ad probandum veritatem humanae naturae; quaedam vero ad probandum gloriam resurgentis. Conditio autem naturae humanae, secundum quod in se consideratur, quantum scilicet ad statum praesentem, contrariatur conditioni gloriae, secundum illud I Cor. XV, seminatur in infirmitate, et surget in virtute. Et ideo ea quae inducuntur ad ostendendam conditionem gloriae, videntur habere contrarietatem ad naturam, non simpliciter, sed secundum statum praesentem; et e converso. Unde Gregorius dicit, in homilia, quod duo mira, et iuxta humanam rationem sibi valde contraria, dominus ostendit, dum post resurrectionem corpus suum et incorruptibile, et tamen palpabile demonstravit. (IIIa q. 55 a. 6 ad 2)

2 — Zoals gezegd is (in de Leerst.), werden sommige argumenten door Christus aangevoerd, om de echtheid van zijn menselijke natuur te bewijzen, andere echter om de glorie van de verrezene aan te geven. De eigenschappen nu, van de menselijke natuur op zichzelf beschouwd, nl. wat haar tegenwoordige toestand betreft, zijn tegengesteld aan de eigenschappen der glorie, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 43): « Het wordt gezaaid in zwakheid, het verrijst in kracht. » En daarom schijnen die dingen, die gebruikt werden om zijn glorietoestand aan te geven in tegenstelling te zijn met de natuur, niet zonder meer, maar in de tegenwoordige toestand genomen, en omgekeerd. Daarom zegt Gregorius, dat « de Heer twee wonderbare, en volgens de menselijke rede onderling zeer tegenstrijdige dingen vertoonde, toen Hij na zijn verrijzenis zijn lichaam vertoonde, onbederfelijk en toch tastbaar. »

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., quod hoc dominus dixit, noli me tangere, nondum enim ascendi ad patrem meum, ut in illa femina figuraretur Ecclesia de gentibus, quae in Christum non credidit nisi cum ascendisset ad patrem. Aut sic in se credi voluit Iesus, hoc est, sic se spiritualiter tangi, quod ipse et pater unum sunt. Eius quippe intimis sensibus quodammodo ascendit ad patrem, qui sic in eo profecerit ut patri agnoscat aequalem. Haec autem carnaliter adhuc in eum credebat, quem sicut hominem flebat. Quod autem Maria alibi legitur Christum tetigisse, quando simul cum aliis mulieribus accessit et tenuit pedes, quaestionem non facit, ut Severianus dicit. Siquidem illud de figura est, hoc de sexu, illud de divina gratia, hoc de humana natura. Vel, sicut Chrysostomus dicit, volebat haec mulier adhuc cum Christo conversari sicut et ante passionem. Prae gaudio nihil magnum cogitabat, quamvis caro Christi multo melior fuerit facta resurgendo. Et ideo dixit, nondum ascendi ad patrem meum, quasi dicat, non aestimes me iam terrenam vitam agere. Quod enim in terris me vides, hoc est quia nondum ascendi ad patrem meum, sed in promptu est quod ascendam. Unde subdit, ascendo ad patrem meum et patrem vestrum. (IIIa q. 55 a. 6 ad 3)

3 — Zoals Augustinus zegt, « werden de woorden van de Heer: « Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet tot mijn Vader opgestegen, » aldus gezegd, opdat in die vrouw zou worden afgebeeld de Kerk uit de heidenen, die niet in Christus geloofde, dan nadat Hij naar de Vader was opgestegen. Of Jesus wilde dat men zo in Hem zou geloven, d. i. dat Hij geestelijk zo zou worden aangeraakt, dat Hij en de Vader één zijn. Voor het innerlijk gemoed immers van hem, die aangaande Hem zover gevorderd is, dat hij Hem erkent als gelijk aan de Vader, is Hij in zekere zin tot de Vader opgestegen. » Zij echter « geloofde nog volgens het vlees in Hem, die zij beweende als een mens. » Dat wij echter elders lezen, dat Maria Christus heeft aangeraakt, toen zij tegelijk met de andere vrouwen « naderde, en zijn voeten omvatte, maakt geen moeilijkheid, » zoals Severianus zegt. « Het eerste immers gaat over de figuur, dit hier over de sexe; het eerste over de goddelijke genade, dit over de menselijke natuur. » — Of zoals Chrysostomus zegt, « wilde deze vrouw nog met Christus omgaan, zoals vóór zijn lijden, en uit vreugde dacht zij aan niets groots, ofschoon het lichaam van Christus veel verhevener geworden was door de verrijzenis. » En daarom zei Hij: « Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen, » alsof Hij zeggen wilde: « Gij moet niet menen, dat Ik nog een aards leven leid. Want dat gij Mij nog op aarde ziet, dat komt, omdat Ik nog niet tot Mijn Vader ben opgestegen; maar Ik sta op het punt om op te stijgen. » Daarom laat Hij volgen: « Ik stijg op tot Mijn Vader en uw Vader. »

Ad quartum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Orosium, clarificata carne dominus resurrexit, sed noluit in ea clarificatione discipulis suis apparere, quia non possent oculis talem claritatem perspicere. Si enim, antequam moreretur pro nobis et resurgeret, quando transfiguratus est in monte, discipuli sui eum videre non potuerunt; quanto magis, clarificata carne domini, eum videre non potuerunt. Est etiam considerandum quod post resurrectionem dominus hoc praecipue volebat ostendere, quod idem ipse esset qui mortuus fuerat. Quod multum poterat impedire si eis sui corporis claritatem ostenderet. Nam immutatio quae fit secundum aspectum, maxime ostendit diversitatem eius quod videtur, quia sensibilia communia, inter quae est unum et multa, vel idem et diversum, maxime diiudicat visus. Sed ante passionem, ne infirmitatem passionis eius discipuli despicerent, maxime intendebat Christus eis gloriam maiestatis suae ostendere, quam maxime demonstrat claritas corporis. Et ideo, ante passionem, gloriam suam praemonstravit discipulis per claritatem, post resurrectionem autem, per alia indicia. (IIIa q. 55 a. 6 ad 4)

4 — Zoals Augustinus zegt « verrees Christus in een verheerlijkt lichaam; maar Hij wilde niet in die verheerlijking aan zijn leerlingen verschijnen, daar zij met hun ogen niet zo’n schittering konden aanschouwen. Want indien zijn leerlingen, voordat Hij voor ons stierf, en verrees, Hem bij zijn gedaanteverwisseling op de berg niet konden aanzien, hoeveel minder konden zij dan de Heer aanschouwen, toen zijn lichaam verheerlijkt was! » Men moet ook in het oog houden, dat de Heer na zijn verrijzenis dit vooral wilde tonen, dat Hij dezelfde was, die ook gestorven was. En dit kon erg onder lijden, als Hij hen de schittering van zijn lichaam vertoonde. Want een verandering van hetgeen onder het oog valt, toont het best de verscheidenheid van datgene, wat gezien wordt, daar het gezicht het beste de voor elk zintuig waarneembare dingen, waaronder één en veel, of hetzelfde en verschillend horen, onderscheidt. Maar vóór zijn lijden wilde Christus zijn leerlingen de glorie van zijn majesteit tonen, opdat zij geen minachting zouden krijgen voor de zwakte van zijn lijden; en de schittering van het lichaam toont deze het best. Daarom heeft Hij vóór zijn lijden zijn heerlijkheid aan zijn leerlingen door de schittering getoond; na de verrijzenis echter door andere aanwijzingen.

Ad quintum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., possumus intelligere unum Angelum visum a mulieribus, et secundum Matthaeum et secundum Marcum, ut eas ingressas in monumentum accipiamus, in aliquod scilicet spatium quod erat aliqua maceria communitum, atque ibi vidisse Angelum sedentem supra lapidem revolutum a monumento, sicut dicit Matthaeus; ut hoc sit sedentem a dextris, quod dicit Marcus. Deinde, dum introspicerent locum in quo iacebat corpus domini, visos ab eis duos Angelos, primo quidem sedentes, ut dicit Ioannes; et post eis assurrexisse, ut stantes viderentur, ut dicit Lucas. (IIIa q. 55 a. 6 ad 5)

5 — Zoals Augustinus zegt « kunnen wij het zo verstaan, dat één engel gezien werd door de vrouwen, volgens Mattheus en Marcus, wel te verstaan, toen zij in het graf waren gegaan, in een ruimte nl., welke door een of ander muurtje werd afgeschut, en dat zij daar de engel zagen zitten op de steen, die van het graf was afgewenteld, zoals Mattheus zegt, zodat deze het dan is, die aan de rechterkant zat, over wie Marcus spreekt. En dat zij vervolgens, toen zij naar de plaats keken, waar het lichaam van de Heer gelegen had, twee andere engelen zagen, die » eerst « zaten, zoals Joannes zegt, » en vervolgens « opstonden om staande te worden gezien, zoals Lucas zegt. »