Tertia Pars. Quaestio 50. Over de dood van Christus .
Prooemium
Deinde considerandum est de morte Christi. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo, utrum
conveniens fuerit Christum mori. Secundo, utrum per mortem fuerit separata unio divinitatis
et carnis. Tertio, utrum fuerit separata unio divinitatis et animae. Quarto, utrum
Christus in triduo mortis fuerit homo. Quinto, utrum corpus eius fuerit idem numero
vivum et mortuum. Sexto, utrum mors eius aliquid sit operata ad nostram salutem. (IIIa q. 50 pr.)
Vervolgens moeten wij handelen over de dood van Christus. En hierover stellen wij
zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus stierf? 2. Werd door zijn dood de Godheid
van zijn lichaam gescheiden? 3. Werd de Godheid van zijn ziel gescheiden? 4. Was Christus
mens in de drie dagen van zijn dood? 5. Was zijn lichaam bij leven en dood numeriek
hetzelfde? 6. Heeft zijn dood iets uitgewerkt tot ons heil?
Articulus 1. Was het passend dat Christus stierf?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum mori. Illud
enim quod est primum principium in aliquo genere, non disponitur per id quod est contrarium
illi generi, sicut ignis, qui est principium caloris, nunquam potest esse frigidus.
Sed filius Dei est principium et fons omnis vitae, secundum illud Psalmi, apud te
est fons vitae. Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christum mori. (IIIa q. 50 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was dat Christus stierf. Datgene immers, wat het
eerste beginsel is in een bepaalde soort, wordt niet geschikt gemaakt door iets wat
met die soort strijdig is, zoals het vuur, dat beginsel der warmte is, nooit koud
kan zijn. De Zoon Gods echter is bron en beginsel van alle leven, naar het woord in
het Boek der Psalmen (35. 10): « Bij U is de bron des levens. » Dus was het niet passend,
dat Christus stierf.
Praeterea, maior est defectus mortis quam morbi, quia per morbum pervenitur ad mortem.
Sed non fuit conveniens Christum aliquo morbo languescere, ut Chrysostomus dicit.
Ergo etiam non fuit conveniens Christum mori. (IIIa q. 50 a. 1 arg. 2)
2 — De dood is een groter tekort dan ziekte, wijl men door ziekte tot de dood komt. Het
was echter niet passend, dat Christus door een of andere ziekte ongesteld was, zoals
Chrysostomus zegt. Dus was het ook niet passend, dat Hij stierf.
Praeterea, dominus dicit, Ioan. X, ego veni ut vitam habeant, et abundantius habeant.
Sed oppositum non perducit ad oppositum. Ergo videtur quod non fuit conveniens Christum
mori. (IIIa q. 50 a. 1 arg. 3)
3 — De Heer zegt bij Joannes (10. 10): « Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden hebben
en overvloedig leven zouden hebben. ben. » Maar iets dat tegengesteld is, brengt niet
tot het tegenovergestelde. Dus was het niet passend dat Christus stierf.
Sed contra est quod dicitur Ioan. XI, expedit ut moriatur unus homo pro populo, ut
non tota gens pereat, quod quidem Caiphas prophetice dixit, ut Evangelista testatur. (IIIa q. 50 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (11. 50): « Het is U nuttig
dat een mens sterft voor het volk, en niet het gehele volk omkome. » Dit zei Caïphas
profetisch, zoals de Evangelist getuigt.
Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum mori. Primo quidem, ad satisfaciendum
pro humano genere, quod erat morti adiudicatum propter peccatum, secundum illud Gen.
II, quacumque die comederitis, morte moriemini. Est autem conveniens satisfaciendi
pro alio modus cum aliquis se subiicit poenae quam alius meruit. Et ideo Christus
mori voluit, ut, moriendo, pro nobis satisfaceret, secundum illud I Pet. III, Christus
semel pro peccatis nostris mortuus est. Secundo, ad ostendendum veritatem naturae
assumptae. Sicut enim Eusebius dicit, si aliter, post conversationem cum hominibus,
evanescens subito evolaret fugiens mortem, ab omnibus compararetur phantasmati. Tertio
ut, moriendo, nos a timore mortis liberaret. Unde dicitur Heb. II, quod communicavit
carni et sanguini, ut per mortem destrueret eum qui habebat mortis imperium, et liberaret
eos qui timore mortis per totam vitam obnoxii erant servituti. Quarto ut, corporaliter
moriendo similitudini peccati, idest poenalitati, daret nobis exemplum moriendi spiritualiter
peccato. Unde dicitur Rom. VI, quod enim mortuus est peccato, mortuus est semel, quod
autem vivit, vivit Deo. Ita et vos existimate mortuos esse peccato, viventes autem
Deo. Quinto ut, a mortuis resurgendo, virtutem suam ostenderet, qua mortem superavit,
et nobis spem resurgendi a mortuis daret. Unde apostolus dicit, I Cor. XV, si Christus
praedicatur quod resurrexit a mortuis, quomodo quidam in vobis dicunt quod resurrectio
mortuorum non erit? (IIIa q. 50 a. 1 co.)
Het was passend, dat Christus stierf. — Vooreerst, om te voldoen voor het menselijk
geslacht, dat tot de dood was veroordeeld wegens de zonde, volgens het woord in het
Boek der Schepping (2. 17): « Op de dag waarop gij eten zult, zult gij sterven. »
Het is nu een passende wijze, om voor een ander te voldoen, wanneer iemand zich onderwerpt
aan de straf, die de ander verdiend heeft. En daarom wilde Christus sterven, om stervende
voor ons te voldoen, naar het woord in de Eerste Brief van Petrus (3. 18): « Christus
is eenmaal voor onze zonden gestorven. » — Ten tweede, om te tonen dat zijn aangenomen
natuur echt was. Want zoals Eusebius zegt: « Als Hij na zijn omgang met de mensen
op een andere wijze verdwenen zou zijn, plotseling heengaande met vermijding van de
dood, dan zou Hij door allen voor een herschenschim gehouden worden. » — Ten derde,
om stervende ons van de vrees voor de dood te verlossen. Daarom wordt gezegd in de
Brief aan de Hebreën (2. 14, 15) : dat Hij « deelhad aan vlees en bloed, om met zijn
dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood, » d. i. de duivel, « en
om allen, die uit vrees voor de dood heel hun leven in slavernij zouden verkeren,
te verlossen. » — Ten vierde, om door lichamelijk te sterven aan iets, dat gelijkt
op de zonde, d. i. de strafwaardigheid, ons een voorbeeld te geven om geestelijk aan
de zonde te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (6. 10, 11) :
« Wat immers stierf aan de zonde, stierf eenmaal; wat echter leeft, leeft voor God.
Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God. » —
Ten vijfde, om door zijn verrijzenis uit de dood zowel zijn kracht te tonen, die de
dood overwon, als ons de hoop te geven dat wij zullen opstaan uit de doden. Vandaar
zegt de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : « Als gepredikt
wordt, dat Christus uit de doden is verrezen, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat
er geen verrijzenis der doden bestaat? »
Ad primum ergo dicendum quod Christus est fons vitae secundum quod Deus, non autem
secundum quod homo. Mortuus autem est non secundum quod Deus, sed secundum quod homo.
Unde Augustinus dicit, contra Felicianum, absit ut Christus sic senserit mortem ut,
quantum est in se vita, vitam perdiderit. Si enim hoc ita esset, vitae fons aruisset.
Sensit igitur mortem participatione humani affectus, quem sponte susceperat, non naturae
suae perdidit potentiam, per quam cuncta vivificat. (IIIa q. 50 a. 1 ad 1)
1 — Christus is de bron van het leven, in zoverre Hij God is, maar niet als mens. Hij
is echter gestorven in zoverre Hij mens is, maar niet als God. Daarom zegt Augustinus:
« Het zij verre, dat Christus de dood zou ondergaan hebben zodat Hij het leven zou
verloren hebben, in zoverre Hij het leven was. Want als dit zo was, dan was de bron
van het leven uitgedroogd. Hij smaakte derhalve de dood, doordat Hij ook deelde in
de menselijke gevoelens, die Hij uit eigen beweging had aangenomen, doch Hij verloor
niet de macht van zijn natuur, waarmede Hij alles levend maakt. »
Ad secundum dicendum quod Christus non sustinuit mortem ex morbo provenientem, ne
videretur ex necessitate mori propter infirmitatem naturae. Sed sustinuit mortem ab
exteriori illatam, cui se spontaneum obtulit, ut mors eius voluntaria ostenderetur. (IIIa q. 50 a. 1 ad 2)
2 — Christus onderging geen dood, die voortkwam uit een ziekte, opdat het niet de schijn
zou hebben, dat Hij uit noodzaak stierf wegens de zwakte van zijn natuur. Maar Hij
onderging een dood, die Hem van buitenaf werd aangedaan, en waaraan Hij zich uit eigen
beweging onderwierp, om te tonen, dat Hij vrijwillig stierf.
Ad tertium dicendum quod unum oppositorum per se non ducit ad aliud, sed quandoque
per accidens, sicut frigidum quandoque per accidens calefacit. Et hoc modo Christus
per suam mortem nos perduxit ad vitam, quia de sua morte mortem nostram destruxit,
sicut ille qui poenam pro alio sustinet, removet poenam eius. (IIIa q. 50 a. 1 ad 3)
3 — Het ene tegengestelde voert niet uiteraard tot het andere, maar soms krachtens iets
bijkomstigs, zoals het koude krachtens iets bijkomstigs wel eens warm maakt: en op
deze manier heeft Christus ons door zijn dood gebracht tot het leven, door met zijn
dood onze dood te niet te doen; zoals ook hij, die de straf voor een ander draagt,
diens straf opheft.
Articulus 2. Werd bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in morte Christi fuerit separata divinitas
a carne. Ut enim dicitur Matth. XXVII, dominus, in cruce pendens, clamavit, Deus,
Deus meus, ut quid me dereliquisti? Quod exponens Ambrosius, dicit, clamat homo separatione
divinitatis moriturus. Nam, cum divinitas morte libera sit, utique mors ibi esse non
poterat nisi vita discederet, quia vita divinitas est. Et sic videtur quod in morte
Christi sit divinitas separata a carne. (IIIa q. 50 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden werd.
Zoals immers gezegd wordt bij *Mattheus* (27. 46), heeft de Heer, hangende aan het
kruis, uitgeroepen: « Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? », en Ambrosius
zegt op de woorden van *Lucas* (23. 41): « En zo sprekend, gaf Hij de geest »: « De
mens riep, die op het punt stond door de scheiding van de Godheid te sterven. Want
omdat de Godheid vrij is van sterven, was daar voorzeker geen plaats voor de dood,
tenzij het leven heenging, daar het leven de Godheid is. » En zo schijnt het, dat
bij de dood van Christus zijn Godheid werd gescheiden van zijn vlees.
Praeterea, remoto medio, separantur extrema. Sed divinitas unita est carni mediante
anima, ut supra habitum est. Ergo videtur quod cum in morte Christi anima sit separata
a carne, quod per consequens divinitas sit a carne separata. (IIIa q. 50 a. 2 arg. 2)
2 — Wanneer het midden-deel wordt weggenomen, worden de uitersten gescheiden. De Godheid
nu was verenigd met het vlees door middel der ziel, zoals boven gezegd is (6° Kw.
1° Art.). Bijgevolg werd de Godheid van het vlees gescheiden, wijl bij de dood van
Christus de ziel gescheiden werd van het vlees.
Praeterea, maior est virtus vivificativa Dei quam animae. Sed corpus mori non poterat
nisi anima separata. Ergo videtur quod multo minus mori poterat nisi separata divinitate. (IIIa q. 50 a. 2 arg. 3)
3 — De levendmakende kracht van God is groter dan die der ziel. Het lichaam nu kon niet
sterven tenzij door scheiding van de ziel. Dus kon het nog veel minder sterven, als
de Godheid niet werd afgescheiden.
Sed contra, ea quae sunt humanae naturae, non dicuntur de filio Dei nisi ratione unionis,
ut supra habitum est. Sed de filio Dei dicitur id quod convenit corpori Christi post
mortem, scilicet esse sepultum, ut patet in symbolo fidei, ubi dicitur quod filius
Dei conceptus est et natus ex virgine, passus, mortuus et sepultus. Ergo corpus Christi
non fuit separatum in morte a divinitate. (IIIa q. 50 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat hetgeen eigen is aan de menselijke natuur niet van
de Zoon Gods kan gezegd worden, tenzij om reden der vereniging, zoals boven gezegd
is (16° Kw. 4° en 5° Art.). Van de Zoon Gods echter wordt gezegd, wat toekomt aan
het lichaam van Christus na zijn dood, namelijk begraven te zijn, zoals blijkt uit
de geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt, dat « de Zoon Gods ontvangen is, en geboren
uit de maagd, geleden heeft, gestorven en begraven is. » Dus werd het lichaam van
Christus in de dood niet afgescheiden van de Godheid.
Respondeo dicendum quod id quod per gratiam Dei conceditur, nunquam absque culpa revocatur,
unde dicitur Rom. XI, quod sine poenitentia sunt dona Dei et vocatio. Multo autem
maior est gratia unionis, per quam divinitas unita est carni Christi in persona, quam
gratia adoptionis, qua alii sanctificantur, et etiam magis permanens ex sui ratione,
quia haec gratia ordinatur ad unionem personalem, gratia autem adoptionis ad quandam
unionem affectualem. Et tamen videmus quod gratia adoptionis nunquam perditur sine
culpa. Cum igitur in Christo nullum fuerit peccatum, impossibile fuit quod solveretur
unio divinitatis a carne ipsius. Et ideo, sicut ante mortem caro Christi unita fuit
secundum personam et hypostasim verbo Dei, ita et remansit unita post mortem, ut scilicet
non esset alia hypostasis verbi Dei et carnis Christi post mortem, ut Damascenus dicit,
in III libro. (IIIa q. 50 a. 2 co.)
Wat Gods genade geeft, wordt nooit zonder schuld ingetrokken. Daarom wordt in de Brief
aan de Romeinen (11. 29) gezegd, dat « God nooit berouw heeft over zijn genadegaven
en roeping. » De genade der vereniging echter, waardoor de Godheid in persoon met
het lichaam van Christus verenigd is, is veel groter dan de genade der adoptie, waardoor
anderen geheiligd worden: en uiteraard is ze ook meer blijvend, daar deze genade gericht
is op een vereniging in persoon; de adoptiegenade daarentegen op een liefdesvereniging.
En toch zien wij de adoptiegenade niet zonder schuld verloren gaan. Wijl derhalve
in Christus geen enkele zonde was, was het ook onmogelijk, dat de eenheid van de Godheid
met zijn vlees werd ontbonden. En zoals derhalve vóór Christus' dood zijn vlees in
persoon en hypostase met het Woord Gods verenigd was, bleef het ook na zijn dood verenigd,
zoodat er namelijk na de dood geen andere hypostase was van het Woord Gods en van
het vlees van Christus, zoals Damascenus zegt.
Ad primum ergo dicendum quod derelictio illa non est referenda ad solutionem unionis
personalis, sed ad hoc quod Deus pater eum exposuit passioni. Unde derelinquere ibi
non est aliud quam non protegere a persequentibus. Vel dicit se derelictum quantum
ad illam orationem qua dixerat, pater, si fieri potest, transeat a me calix iste,
ut Augustinus exponit, in libro de gratia novi testamenti. (IIIa q. 50 a. 2 ad 1)
1 — Dat verlaten zijn slaat niet op de ontbinding van de persoonlijke vereniging, maar
hierop, dat de Vader Hem bloot gaf voor het lijden. Dus het verlaten heeft daar geen
andere betekenis, dan niet beschermen tegen vervolgers. — Ofwel zegt Hij, dat Hij
verlaten is in verband met dit gebed waarin Hij zei: « Vader, indien het mogelijk
is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan, » zoals Augustinus het verklaart.
Ad secundum dicendum quod verbum Dei dicitur esse unitum carni mediante anima, inquantum
caro per animam pertinet ad humanam naturam, quam filius Dei assumere intendebat,
non autem ita quod anima sit quasi medium ligans unita. Habet autem caro ab anima
quod pertineat ad humanam naturam, etiam postquam anima separatur ab ea, inquantum
scilicet in carne mortua remanet, ex divina ordinatione, quidam ordo ad resurrectionem.
Et ideo non tollitur unio divinitatis ad carnem. (IIIa q. 50 a. 2 ad 2)
2 — Wij zeggen, dat het Woord Gods met het vlees verenigd is door middel van de ziel,
in zoverre het vlees door de ziel behoort tot de menselijke natuur, welke de Zoon
Gods bedoelde aan te nemen, niet echter in die zin, dat de ziel een midden zou zijn,
dat de verenigde delen verbindt. Het vlees dankt echter aan de ziel, dat het behoort
tot de menselijke natuur, ook nadat de ziel daarvan gescheiden is, in zover namelijk
het vlees, dat gestorven is, krachtens Gods bepaling in zekeren zin geordend blijft
op de verrijzenis. En daarom wordt de vereniging van de Godheid met het vlees niet
weggenomen.
Ad tertium dicendum quod anima habet vim vivificandi formaliter. Et ideo, ea praesente
et unita formaliter, necesse est corpus esse vivum. Divinitas autem non habet vim
vivificandi formaliter, sed effective, non enim potest esse corporis forma. Et ideo
non est necesse quod, manente unione divinitatis ad carnem, caro sit viva, quia Deus
non ex necessitate agit, sed ex voluntate. (IIIa q. 50 a. 2 ad 3)
3 — De ziel heeft een levendmakende kracht als vorm: en derhalve is het noodzakelijk,
dat het lichaam levend is, als zij als vorm aanwezig en ermee verenigd is. De Godheid
echter heeft een levendmakende kracht niet op vormende, maar op uitwerkende wijze:
zij kan immers geen vorm van het lichaam zijn. En daarom is het niet nodig, dat het
lichaam levend is, wanneer de vereniging van de Godheid met het vlees voortduurt,
aangezien God niet uit noodzaak handelt, maar uit vrije wil.
Articulus 3. Werd bij de dood van Christus de Godheid van zijn ziel gescheiden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in morte Christi fuerit separatio divinitatis
ab anima. Dicit enim dominus, Ioan. X, nemo tollit animam meam a me, sed ego pono
eam, et iterum sumo eam. Non autem videtur quod corpus animam ponere possit, eam a
se separando, quia anima non subiicitur potestati corporis, sed potius e converso.
Et sic videtur quod Christo secundum quod est verbum Dei, conveniat animam suam ponere.
Hoc autem est eam a se separare. Ergo per mortem anima eius fuit a divinitate separata. (IIIa q. 50 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat bij de dood van Christus, de Godheid van zijn ziel gescheiden werd.
De Heer toch zegt bij Joannes (10. 18): « Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar
Ik leg haar uit Mij zelf af, en Ik heb macht om haar af te leggen en macht om haar
wederom op te nemen. » Het lichaam echter kan niet de ziel afleggen, door haar van
zich af te scheiden, daar de ziel niet is onderworpen aan de macht van het lichaam,
maar veeleer omgekeerd. En dus schijnt het aan Christus, in zover Hij het Woord Gods
is, toe te komen zijn ziel af te leggen. Dit betekent echter, haar van zich af te
scheiden. Dus werd door zijn dood zijn ziel van de Godheid afgescheiden.
Praeterea, Athanasius dicit maledictum qui totum hominem quem assumpsit Dei filius,
denuo assumptum vel liberatum, tertia die a mortuis resurrexisse non confitetur. Sed
non potuit totus homo denuo assumi, nisi aliquando fuerit totus homo a Dei verbo separatus.
Totus autem homo componitur ex anima et corpore. Ergo aliquando fuit facta separatio
divinitatis et a corpore et ab anima. (IIIa q. 50 a. 3 arg. 2)
2 — Athanasius zegt: « Gevloekt hij, die niet belijdt, dat de hele mens, welke de Zoon
Gods heeft aangenomen, op de derde dag uit de doden verrezen is, nadat hij wederom
was aangenomen of bevrijd. » Maar de hele mens kon niet ten tweede male aangenomen
worden, tenzij de hele mens eens van het Woord Gods afgescheiden was. De hele mens
nu bestaat uit ziel en lichaam. Dus eens werd de Godheid van het lichaam en van de
ziel afgescheiden.
Praeterea, propter unionem ad totum hominem filius Dei vere dicitur homo. Si igitur,
soluta unione animae et corporis per mortem, verbum Dei remansit unitum animae, sequeretur
quod vere dici potuisset filium Dei esse animam. Hoc autem est falsum, quia, cum anima
sit forma corporis, sequeretur quod verbum Dei fuerit corporis forma, quod est impossibile.
Ergo in morte Christi anima fuit a verbo Dei separata. (IIIa q. 50 a. 3 arg. 3)
3 — De Zoon Gods wordt waarlijk mens genoemd wegens zijn vereniging met de gehele mens.
Wanneer derhalve het Woord Gods verenigd bleef met de ziel, toen de vereniging van
de ziel met het lichaam door de dood werd ontbonden, dan zou volgen, dat men naar
waarheid kon zeggen, dat de Zoon Gods de ziel was. Dit is echter vals, wijl zou volgen,
dat de Zoon Gods de vorm van het lichaam was, daar de ziel de vorm van het lichaam
is; en dit is onmogelijk. Dus werd bij de dood van Christus de ziel van het Woord
Gods gescheiden.
Praeterea, anima et corpus, ab invicem separata, non sunt una hypostasis, sed duae.
Si igitur verbum Dei remansit unitum tam animae quam corpori Christi, separatis eis
ab invicem per mortem Christi, videtur sequi quod verbum Dei, durante morte Christi,
fuerit duae hypostases. Quod est inconveniens. Non ergo post mortem Christi remansit
anima verbo unita. (IIIa q. 50 a. 3 arg. 4)
4 — De ziel en het lichaam, onderling gescheiden, maken niet één, maar twee hypostasen
uit. Wanneer dus het Woord Gods zowel met het lichaam als met de ziel van Christus
verenigd bleef, dan schijnt te volgen, dat na hun onderlinge scheiding door de dood
van Christus, het Woord Gods tijdens Christus’ dood twee hypostasen was. Dit is echter
vals. Dus bleef na de dood van Christus de ziel niet met het Woord verenigd.
Sed contra est quod dicit Damascenus, in III libro, etsi Christus mortuus est ut homo,
et sancta eius anima ab incontaminato divisa est corpore; sed divinitas inseparabilis
ab utrisque permansit, ab anima dico et corpore. (IIIa q. 50 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: « Hoewel Christus als mens gestorven
is, en zijn heilige ziel gescheiden werd van zijn onbezoedeld lichaam, bleef toch
de Godheid van beiden onafgescheiden, van de ziel, zeg ik, en van het lichaam. »
Respondeo dicendum quod anima unita est verbo Dei immediatius et per prius quam corpus,
cum corpus unitum sit verbo Dei mediante anima, ut supra dictum est. Cum igitur verbum
Dei non sit separatum in morte a corpore, multo minus separatum est ab anima. Unde,
sicut de filio Dei praedicatur id quod convenit corpori ab anima separato, scilicet
esse sepultum; ita de eo in symbolo dicitur quod descendit ad Inferos, quia anima
eius, a corpore separata, descendit ad Inferos. (IIIa q. 50 a. 3 co.)
De ziel is meer onmiddellijk en eerder met het Woord Gods verenigd, dan het lichaam,
aangezien het lichaam met het Woord Gods verenigd is door middel van de ziel, zoals
boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). Omdat dus het Woord Gods in de dood niet van het
lichaam gescheiden werd, werd het nog veel minder afgescheiden van de ziel. Evenals
dus van de Zoon Gods gezegd wordt, wat toekomt aan het van de ziel afgescheiden lichaam,
nl. « begraven te zijn », zo wordt ook van Hem gezegd in de geloofsbelijdenis, dat
« Hij nederdaalde ter helle », aangezien zijn ziel, afgescheiden van het lichaam,
ter helle afdaalde.
Ad primum ergo dicendum quod Augustinus, exponens illud verbum Ioannis, inquirit,
cum Christus sit verbum et anima et caro, utrum ex eo quod est verbum, ponat animam;
an ex eo quod est anima; an iterum ex eo quod est caro. Et dicit quod, si dixerimus
quod verbum Dei animam posuit, sequeretur quod aliquando anima illa separata est a
verbo. Quod est falsum. Mors enim corpus ab anima separavit, a verbo autem animam
separatam non dico. Si vero dixerimus quod anima ipsa se ponat, sequitur quod ipsa
a se separatur. Quod est absurdissimum. Relinquitur ergo quod ipsa caro animam suam
ponit et iterum eam sumit, non potestate sua, sed potestate verbi inhabitantis carnem,
quia, sicut supra dictum est, per mortem non est separata divinitas verbi a carne. (IIIa q. 50 a. 3 ad 1)
1 — Augustinus vraagt in zijn uitleg van dit woord van Joannes, aangezien Christus is
« het Woord, de ziel en het vlees, of Hij de ziel aflegt in zoverre Hij het Woord
is, of in zoverre Hij de ziel is of weer in zoverre Hij het vlees is. » En Hij zegt
dat « indien wij zeggen, dat het Woord Gods de ziel aflegde, volgen zou, dat die ziel
eens van het Woord gescheiden was. Dit is echter vals. De dood heeft immers het lichaam
van de ziel gescheiden; maar ik zeg niet, dat de ziel gescheiden was van het Woord.
Zeggen wij echter, dat de ziel zichzelf aflegde, dan zou volgen, dat de ziel van zichzelf
gescheiden was. Dit is echter een dwaasheid. » Dus blijft over, dat « het vlees zelf
zijn ziel aflegde en haar wederom aannam, niet door eigen kracht, maar door de kracht
van het Woord, dat in het vlees woonde, » aangezien door de dood de Godheid van het
Woord niet van het vlees is afgescheiden, zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel).
Ad secundum dicendum quod in verbis illis Athanasius non intellexit quod totus homo
denuo sit assumptus, idest, omnes partes eius, quasi verbum Dei partes humanae naturae
deposuerit per mortem. Sed quod iterato totalitas naturae assumptae sit in resurrectione
redintegrata per iteratam unionem animae et corporis. (IIIa q. 50 a. 3 ad 2)
2 — Met die woorden bedoelde Athanasius niet, dat de gehele mens opnieuw werd aangenomen
d.w.z. al zijn delen, alsof het Woord Gods de delen van de menselijke natuur door
de dood had afgelegd. Maar dat wederom het geheel van de aangenomen natuur bij de
verrijzenis ongeschonden werd hersteld door de hernieuwde vereniging van de ziel met
het lichaam.
Ad tertium dicendum quod verbum Dei, propter unionem humanae naturae, non dicitur
humana natura, sed dicitur homo, quod est habens humanam naturam. Anima autem et corpus
sunt partes essentiales humanae naturae. Unde propter unionem verbi ad utrumque eorum
non sequitur quod verbum Dei sit anima vel corpus, sed quod est habens animam vel
corpus. (IIIa q. 50 a. 3 ad 3)
3 — Het Woord Gods wordt om zijn vereniging met de menselijke natuur niet de menselijke
natuur genoemd, maar mens, d.w.z. hebbende de menselijke natuur. De ziel echter en
het lichaam zijn wezensdelen van de menselijke natuur. Dus volgt uit de vereniging
van het Woord met hen beide niet, dat het Woord Gods de ziel of het lichaam is, maar
dat het ziel en lichaam heeft.
Ad quartum dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in III libro, quod in morte Christi
est separata anima a carne, non est una hypostasis in duas hypostases divisa. Et corpus
enim et anima secundum idem ex principio in verbi hypostasi habuerunt existentiam,
et in morte, invicem divisa, singula eorum manserunt unam hypostasim verbi habens.
Quare una verbi hypostasis verbi et animae et corporis exstitit hypostasis. Nunquam
enim neque anima neque corpus propriam habuerunt hypostasim, praeter verbi hypostasim.
Una enim semper verbi hypostasis, et nunquam duae. (IIIa q. 50 a. 3 ad 4)
4 — Hierop moet geantwoord worden met wat Damascenus zegt: « Dat bij de dood van Christus
de ziel van het lichaam gescheiden werd, wil niet zeggen, dat één hypostase in twee
hypostases verdeeld werd. Want zowel het lichaam als de ziel van Christus hadden onder
hetzelfde opzicht van de beginne af hun bestaan in de hypostase van het Woord, en
bij de dood onderling gescheiden, bleef ieder van hen bestaan, hebbend de éne hypostase
van het Woord. Daarom was de ene hypostase van het Woord de hypostase van het Woord,
en van de ziel en van het lichaam. Nooit toch heeft of de ziel, of het lichaam een
eigen hypostase gehad, buiten de hypostase van het Woord. Altijd immers is er maar
één hypostase van het Woord geweest en nooit waren er twee. »
Articulus 4. Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus in triduo mortis fuerit homo. Dicit
enim Augustinus, in I de Trin., talis erat illa susceptio, quae Deum hominem faceret
et hominem Deum. Sed illa susceptio non cessavit per mortem. Ergo videtur quod per
mortem non desiit esse homo. (IIIa q. 50 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Augustinus immers
zegt: « Die aanname was zo, dat zij God mens maakte en de mens God. » Die aanname
echter hield niet op met de dood. Dus hield Hij met de dood niet op mens te zijn.
Praeterea, philosophus dicit, in IX Ethic., quod unusquisque homo est suus intellectus.
Unde et, post mortem animam Petri alloquentes, dicimus, sancte Petre, ora pro nobis.
Sed post mortem filius Dei non fuit separatus ab anima intellectuali. Ergo in illo
triduo filius Dei fuit homo. (IIIa q. 50 a. 4 arg. 2)
2 — De Wijsgeer zegt, dat « iedere mens zijn intellect is. » Vandaar dat wij ook na de
dood van Petrus zijn ziel toesprekend zeggen: « Heilige Petrus, bid voor ons. » Maar
de Zoon Gods was na de dood niet gescheiden van zijn intellectuele ziel. Dus was de
Zoon Gods gedurende die drie dagen mens.
Praeterea, omnis sacerdos est homo. Sed in illo triduo mortis Christus fuit sacerdos,
aliter enim non verum esset quod dicitur in Psalmo, tu es sacerdos in aeternum. Ergo
Christus in illo triduo fuit homo. (IIIa q. 50 a. 4 arg. 3)
3 — Iedere priester is mens. Christus nu was in de drie dagen van zijn dood priester:
anders toch zou het niet waar zijn wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (109.
4): « Gij zijt priester in eeuwigheid. » Dus was Christus in die drie dagen mens.
Sed contra, remoto superiori, removetur inferius. Sed vivum, sive animatum, est superius
ad animal et ad hominem, nam animal est substantia animata sensibilis. Sed in illo
triduo mortis corpus Christi non fuit vivum neque animatum. Ergo non fuit homo. (IIIa q. 50 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat wanneer het hogere wordt weggenomen, ook het lagere
vervalt. Levend of bezield zijn nu is hoger dan dier of mens, want een dier is een
bezielde zintuigelijke substantie. In de drie dagen van de dood echter was het lichaam
van Christus niet levend, noch bezield. Dus was Hij geen mens.
Respondeo dicendum quod Christum vere fuisse mortuum est articulus fidei. Unde asserere
omne id per quod tollitur veritas mortis Christi, est error contra fidem. Propter
quod in epistola synodali Cyrilli dicitur, si quis non confitetur Dei verbum passum
carne, et crucifixum carne, et quod mortem gustavit carne, anathema sit. Pertinet
autem ad veritatem mortis hominis vel animalis quod per mortem desinat esse homo vel
animal, mors enim hominis vel animalis provenit ex separatione animae, quae complet
rationem animalis vel hominis. Et ideo dicere Christum in triduo mortis hominem fuisse,
simpliciter et absolute loquendo, erroneum est. Potest tamen dici quod Christus in
triduo fuit homo mortuus. Quidam tamen confessi sunt Christum in triduo hominem fuisse,
dicentes quidem verba erronea, sed sensum erroris non habentes in fide, sicut Hugo
de sancto Victore, qui ea ratione dixit Christum in triduo mortis fuisse hominem,
quia dicebat animam esse hominem. Quod tamen est falsum, ut in prima parte ostensum
est. Magister etiam sententiarum, in XXII distinctione III libri, posuit quod Christus
in triduo mortis fuit homo, alia ratione, quia credidit quod unio animae et carnis
non esset de ratione hominis, sed sufficit ad hoc quod aliquid sit homo, quod habeat
animam humanam et corpus, sive coniuncta sive non coniuncta. Quod etiam patet esse
falsum ex his quae dicta sunt in prima parte, et ex his quae dicta sunt circa modum
unionis. (IIIa q. 50 a. 4 co.)
Het is een geloofspunt, dat Christus waarlijk gestorven is. Dus is elke bewering,
waardoor de waarachtigheid van Christus' dood wordt weggenomen, een dwaling tegen
het geloof. Daarom zegt Cyrillus: « Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods
in het vlees geleden heeft, en in het vlees gebruikelijk is en in het vlees de dood
gesmaakt heeft, dan zij hij gevloekt. » Voor de echtheid van de dood van mens of dier
wordt echter vereist, dat hij ophoudt mens of dier te zijn: de dood immers van mens
of dier komt voort uit de scheiding van de ziel, die juist als voornaamste tot het
wezen van dier of mens behoort. En daarom is het, zonder meer en absoluut gesproken,
een dwaling te beweren, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Men
kan echter wel zeggen, dat Christus in die drie dagen een gestorven mens was. Sommigen
echter hebben beleden, dat Christus in die drie dagen mens was, waarmede zij wel woorden
gebruikten, die een dwaling inhielden, maar in hun geloof hingen zij niet de zin dier
dwaling aan; zo zegt Hugo van S. Victor, dat Christus in de drie dagen van zijn dood
mens was, om deze reden, dat hij hield, dat de ziel de mens was. Dit is echter vals,
zoals in het Eerste Deel gezegd is (75° Kw. 4° Art.). — Ook de Magister hield, dat
Christus in de drie dagen van zijn dood mens was om een andere reden: hij hield nl.,
dat de vereniging van ziel en lichaam niet tot het wezen van de mens behoorde, maar
opdat iets mens zou zijn, was het voldoende, dat het een menselijke ziel en 'n lichaam
had, hetzij verbonden, hetzij niet verbonden. Ook dit blijkt vals te zijn uit hetgeen
gezegd werd in het Eerste Deel (76° Kw. 1° Art.) en uit hetgeen boven gezegd werd
over de wijze der vereniging (2° Kw. 5° Art.).
Ad primum ergo dicendum quod verbum Dei suscepit animam et carnem unitam, et ideo
illa susceptio fecit Deum hominem et hominem Deum. Non autem cessavit illa susceptio
per separationem verbi ab anima vel a carne, cessavit tamen unio carnis et animae. (IIIa q. 50 a. 4 ad 1)
1 — Het Woord Gods nam ziel en lichaam, samen verenigd, aan: en daarom maakte die aanname
God tot mens en de mens tot God. Deze aanname hield ook niet op door de scheiding
van het Woord van de ziel of van het vlees; maar de vereniging van vlees en ziel hield
op.
Ad secundum dicendum quod homo dicitur esse suus intellectus, non quia intellectus
sit totus homo, sed quia intellectus est principalior pars hominis, in quo virtualiter
existit tota dispositio hominis, sicut si rector civitatis dicatur tota civitas, quia
in eo consistit tota dispositio civitatis. (IIIa q. 50 a. 4 ad 2)
2 — We zeggen, dat de mens zijn intellect is, niet omdat het intellect de gehele mens
is, maar omdat het intellect het voornaamste deel is in de mens, waarin virtueel de
gehele beschikking van de mens gelegen is; evenals wanneer de bestuurder van een staat,
de gehele staat genoemd wordt, wijl van hem de gehele ordening der staat afhankelijk
is.
Ad tertium dicendum quod esse sacerdotem convenit homini ratione animae, in qua est
ordinis character. Unde per mortem homo non perdit ordinem sacerdotalem. Et multo
minus Christus, qui est totius sacerdotii origo. (IIIa q. 50 a. 4 ad 3)
3 — De mens komt het toe priester te zijn krachtens zijn ziel, waarin het priesterlijke
merkteken zich bevindt: vandaar dat de mens door de dood niet zijn priesterlijke wijding
verliest. En veel minder Christus, die de oorsprong van geheel het priesterschap is.
Articulus 5. Was het lichaam van de levende en de gestorven Christus numeriek hetzelfde?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non fuit idem numero corpus Christi viventis
et mortui. Christus enim vere mortuus fuit, sicut et alii homines moriuntur. Sed corpus
cuiuscumque alterius hominis non est simpliciter idem numero mortuum et vivum quia
differunt essentiali differentia. Ergo neque corpus Christi est idem numero mortuum
et vivum simpliciter. (IIIa q. 50 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lichaam van de levende en de gestorven Christus niet numeriek
hetzelfde was. Christus toch is werkelijk gestorven, zoals ook andere mensen sterven.
Het lichaam echter van iedere andere mens is dood en levend niet zonder meer numeriek
hetzelfde, daar zij wezenlijk verschillen. Dus is ook het lichaam van Christus bij
dood en leven, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
Praeterea, secundum philosophum, in V Metaphys., quaecumque sunt diversa specie, sunt
diversa etiam numero. Sed corpus Christi vivum et mortuum fuit diversum specie, quia
non dicitur oculus aut caro mortui nisi aequivoce, ut patet per philosophum, et in
II de anima et VII Metaphys. Ergo corpus Christi non fuit simpliciter idem numero
vivum et mortuum. (IIIa q. 50 a. 5 arg. 2)
2 — Volgens de Wijsgeer « zijn dingen die soortelijk verschillen, ook numeriek verschillend.
» Het lichaam van Christus nu was bij leven en dood soortelijk verschillend, daar
wij niet spreken van het oog of het vlees van een dode, tenzij in afgeleide zin, zoals
blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve was het lichaam van Christus, bij leven en dood,
niet zonder meer numeriek hetzelfde.
Praeterea, mors est corruptio quaedam. Sed illud quod corrumpitur corruptione substantiali,
postquam corruptum est, iam non est, quia corruptio est mutatio de esse in non esse.
Corpus igitur Christi, postquam mortuum fuit, non remansit idem numero, cum mors sit
substantialis corruptio. (IIIa q. 50 a. 5 arg. 3)
3 — De dood is een zeker bederf. Als iets nu bederft door een bederf in de zelfstandigheid,
dan is het na het bederf reeds niet meer, wijl bederf een verandering is van zijn
tot niet-zijn. Het lichaam van Christus bleef dus na de dood niet numeriek hetzelfde,
wijl de dood een zelfstandigheidsbederf is.
Sed contra est quod Athanasius dicit, in epistola ad Epictetum, circumciso corpore,
et potato et manducante et laborante, et in ligno affixo, erat impassibile et incorporeum
Dei verbum, hoc erat in sepulcro positum. Sed corpus Christi vivum fuit circumcisum
et in ligno affixum, corpus autem Christi mortuum fuit positum in sepulcro. Ergo hoc
idem corpus quod fuit vivum, fuit et mortuum. (IIIa q. 50 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt: « Toen het lichaam besneden werd,
en toen het dronk, en toen het at, en werkte, en toen het aan het kruis gehecht werd,
was het 't onlijdelijke en onlichamelijke Woord Gods; dit werd in het graf gelegd.
» Maar het levende lichaam van Christus werd besneden en aan het kruis gehecht; het
gestorven lichaam echter van Christus werd in het graf gelegd. Dus het was hetzelfde
lichaam, dat leefde, en dat dood was.
Respondeo dicendum quod hoc quod dico simpliciter, potest dupliciter accipi. Uno modo,
quod simpliciter idem est quod absolute, sicut simpliciter dicitur quod nullo addito
dicitur, ut philosophus dicit. Et hoc modo corpus Christi mortuum et vivum simpliciter
fuit idem numero. Dicitur enim aliquid esse idem numero simpliciter, quia est supposito
idem. Corpus autem Christi vivum et mortuum fuit supposito idem, quia non habuit aliam
hypostasim vivum et mortuum, praeter hypostasim Dei verbi, ut supra dictum est. Et
hoc modo loquitur Athanasius in auctoritate inducta. Alio modo, simpliciter idem est
quod omnino vel totaliter. Et sic corpus Christi mortuum et vivum non fuit simpliciter
idem numero. Quia non fuit totaliter idem, cum vita sit aliquid de essentia corporis
viventis, est enim praedicatum essentiale, non accidentale; unde consequens est quod
corpus quod desinit esse vivum, non totaliter idem remaneat. Si autem diceretur quod
corpus Christi mortuum totaliter idem remaneret, sequeretur quod non esset corruptum,
corruptione dico mortis. Quod est haeresis Gaianitarum, ut Isidorus dicit, et habetur
in decretis, XXIV, qu. III. Et Damascenus dicit, in III libro quod corruptionis nomen
duo significat, uno modo, separationem animae a corpore, et alia huiusmodi; alio modo,
perfectam dissolutionem in elementa. Ergo incorruptibile dicere corpus domini, secundum
Iulianum et Gaianum, secundum primum corruptionis modum, ante resurrectionem, est
impium, quia corpus Christi non esset consubstantiale nobis; nec in veritate mortuum
esset; nec secundum veritatem salvati essemus. Secundo autem modo, corpus Christi
fuit incorruptum. (IIIa q. 50 a. 5 co.)
Als ik zeg: zonder meer, kan dit twee-voudig verstaan worden. — Vooreerst, in zoverre
zonder meer hetzelfde is als absoluut; zoals « zonder meer gezegd wordt, wat zonder
toevoeging gezegd wordt, » gelijk de wijsgeer zegt. En op die manier was het lichaam
van Christus dood en levend zonder meer numeriek hetzelfde. Iets wordt immers numeriek
zonder meer hetzelfde genoemd, omdat het één is van suppositum. Het lichaam van Christus
nu was dood en levend één van suppositum, daar het bij leven en dood geen andere hypostase
had, als de hypostase van het Woord Gods, zoals boven gezegd is (2° Art. van deze
Kw.). En zo bedoelt het Athanasius in de aangehaalde uitspraak. — Vervolgens is zonder
meer hetzelfde als geheel of totaal. En zo was het lichaam van Christus bij dood en
leven niet zonder meer numeriek hetzelfde. Want het was niet totaal hetzelfde, daar
het leven iets is, dat tot het wezenlijke van een levend lichaam behoort; het is immers
een wezenspraedicaat, niet een, dat bijkomstig is; dus volgt, dat het lichaam, dat
ophoudt levend te zijn niet totaal hetzelfde blijft. Als men echter zou zeggen, dat
het gestorven lichaam van Christus totaal hetzelfde bleef, dan zou daaruit volgen,
dat het niet bedorven was, door het bederf van het dood, bedoel ik. Dit is echter
de ketterij der Gaianitanen, zoals Isidorus zegt. En Damascenus zegt, dat « het woord
bederf een dubbele betekenis heeft. Vooreerst de scheiding der ziel van het lichaam
en dergelijk; ten tweede, de volledige ontbinding tot elementen. Daarom is het goddeloos
met Julianus en Gaianus te zeggen, dat het lichaam van Christus vóór de verrijzenis
op de eerstgenoemde wijze onbederfelijk was, omdat dan het « lichaam van Christus
» niet van dezelfde zelfstandigheid zou zijn als wij, en het niet in waarheid zou
gestorven zijn, en wij niet naar waarheid zouden gered zijn. Op de tweede manier echter
is het lichaam van Christus niet bedorven. »
Ad primum ergo dicendum quod corpus mortuum cuiuscumque alterius hominis non remanet
unitum alicui hypostasi permanenti, sicut corpus mortuum Christi. Et ideo corpus mortuum
cuiuscumque alterius hominis non est idem simpliciter, sed secundum quid, quia est
idem secundum materiam, non autem idem secundum formam. Corpus autem Christi remanet
idem simpliciter, propter identitatem suppositi, ut dictum est. (IIIa q. 50 a. 5 ad 1)
1 — Het gestorven lichaam van iedere andere mens blijft niet verenigd met de een of andere
blijvende hypostase, zoals het gestorven lichaam van Christus. En daarom is het gestorven
lichaam van elke andere mens niet zonder meer eender, maar in een bepaald opzicht:
daar het naar de materie hetzelfde is, niet naar de vorm. Het lichaam van Christus
echter bleef hetzelfde zonder meer, van wege de identiteit van het supposituum zoals
gezegd is (in de Leerstelling).
Ad secundum dicendum quod, quia idem numero dicitur aliquid secundum suppositum, idem
autem specie est idem secundum formam, ubicumque suppositum subsistit in una sola
natura, oportet quod, sublata unitate speciei, auferatur unitas numeralis. Sed hypostasis
verbi Dei subsistit in duabus naturis. Et ideo, quamvis in aliis non remaneat corpus
idem secundum speciem humanae naturae, remanet tamen in Christo idem numero secundum
suppositum verbi Dei. (IIIa q. 50 a. 5 ad 2)
2 — Aangezien iets numeriek hetzelfde genoemd wordt om het suppositum, en wat soortelijk
hetzelfde is, gelijk is in vorm, daarom moet overal, waar het suppositum zelfstandig
staat in slechts één natuur, de numerieke eenheid opgeheven worden, zodra de eenheid
van soort wordt weggenomen. Maar de hypostase van het Woord Gods bestaat zelfstandig
in twee naturen. En ofschoon in Christus het lichaam naar de soort der menselijke
natuur niet hetzelfde bleef, bleef het toch numeriek hetzelfde krachtens het suppositum
van het Woord Gods.
Ad tertium dicendum quod corruptio et mors non competit Christo ratione suppositi,
secundum quod suppositum attenditur unitas numeralis, sed ratione naturae humanae,
secundum quam invenitur in corpore Christi differentia mortis et vitae. (IIIa q. 50 a. 5 ad 3)
3 — Christus was niet onderhevig aan bederf en dood krachtens het suppositum, waarnaar
de eenheid genomen wordt, maar wegens zijn natuur, krachtens welke er een verschil
van dood en leven is.
Articulus 6. Heeft de dood van Christus iets uitgewerkt tot ons heil?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod mors Christi nihil operata fuerit ad nostram
salutem. Mors enim est privatio quaedam, est enim privatio vitae. Sed privatio, cum
non sit res aliqua, non habet aliquam virtutem agendi. Ergo non potuit aliquid operari
ad nostram salutem. (IIIa q. 50 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de dood van Christus niets heeft uitgewerkt tot ons heil. De dood
toch is een zeker gemis, het is immers gemis aan leven. Maar een gemis heeft, daar
het niet een ding is, geen kracht tot werken. Dus kon hij niets uitwerken tot ons
heil.
Praeterea, passio Christi operata est ad nostram salutem per modum meriti. Sic autem
non potuit operari mors Christi, nam in morte separatur anima a corpore, quae est
merendi principium. Ergo mors Christi non est operata aliquid ad nostram salutem. (IIIa q. 50 a. 6 arg. 2)
2 — Het lijden van Christus heeft ons heil bewerkt bij wijze van verdienste. Maar zo kon
de dood van Christus niet werken, want bij de dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden,
en deze is het beginsel van verdienste. Dus heeft de dood van Christus niets tot ons
heil uitgewerkt.
Praeterea, corporale non est causa spiritualis. Sed mors Christi fuit corporalis.
Non ergo potuit esse causa spiritualis nostrae salutis. (IIIa q. 50 a. 6 arg. 3)
3 — Het lichamelijke is geen oorzaak van iets geestelijks. De dood van Christus nu was
iets lichamelijks. Dus kon hij geen oorzaak zijn van ons geestelijk heil.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in IV de Trin., una mors nostri salvatoris,
scilicet corporalis, duabus mortibus nostris, idest animae et corporis, saluti fuit. (IIIa q. 50 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « De ene dood van onze Zaligmaker,
» de lichamelijke nl., « strekte tot heil van onze dubbele dood » d. i. die van onze
ziel en van ons lichaam.
Respondeo dicendum quod de morte Christi dupliciter loqui possumus, uno modo, secundum
quod est in fieri; alio modo, secundum quod est in facto esse. Dicitur autem mors
esse in fieri, quando aliquis per aliquam passionem, vel naturalem vel violentam,
tendit in mortem. Et hoc modo, idem est loqui de morte Christi et de passione ipsius.
Et ita, secundum hunc modum, mors Christi est causa salutis nostrae, secundum illud
quod de passione supra dictum est. Sed in facto esse mors consideratur secundum quod
iam facta est separatio corporis et animae. Et sic nunc loquimur de morte Christi.
Hoc autem modo mors Christi non potest esse causa salutis nostrae per modum meriti,
sed solum per modum efficientiae, inquantum scilicet nec per mortem divinitas separata
est a carne Christi, et ideo quidquid contigit circa carnem Christi, etiam anima separata,
fuit nobis salutiferum virtute divinitatis unitae. Consideratur autem proprie alicuius
causae effectus secundum similitudinem causae. Unde, quia mors est quaedam privatio
vitae propriae, effectus mortis Christi attenditur circa remotionem eorum quae contrariantur
nostrae saluti, quae quidem sunt mors animae et mors corporis. Et ideo per mortem
Christi dicitur esse destructa in nobis et mors animae, quae est per peccatum, secundum
illud Rom. IV, traditus est, scilicet in mortem, propter delicta nostra; et mors corporis,
quae consistit in separatione animae, secundum illud I Cor. XV, absorpta est mors
in victoria. (IIIa q. 50 a. 6 co.)
Op dubbele wijze kunnen wij over Christus' dood spreken: vooreerst, voor zover hij
nog geschiedt; ten tweede, voor zover hij reeds gebeurd is. — Men zegt nu, dat de
dood geschiedt, wanneer iemand door een of ander lijden, hetzij dit natuurlijk is,
hetzij gewelddadig, op weg is naar de dood. En zo opgevat, komt het op hetzelfde neer
om te spreken over de dood van Christus of over zijn lijden. En zo is volgens deze
wijze van spreken, Christus' dood oorzaak van ons heil, naar de wijze waarop dit boven
van zijn lijden gezegd is (48° Kw.). — De dood van Christus wordt echter als gebeurd
beschouwd, wanneer de scheiding van lichaam en ziel heeft plaats gehad. En zo spreken
wij nu over de dood van Christus. Op deze wijze echter kan de dood van Christus geen
oorzaak van ons heil zijn bij wijze van verdienste, maar alleen op uitwerkende wijze,
in zover namelijk ook door de dood de Godheid niet van Christus' vlees gescheiden
werd, en daarom al wat er plaats greep met het lichaam van Christus, ook na de scheiding
der ziel, voor ons heilrijk was uit kracht der Godheid, die er mee verenigd was. Een
effect nu wordt juist als effect ener oorzaak beschouwd, in zover het gelijkt op die
oorzaak. En daar nu de dood een gemis is aan eigen leven, wordt het effect van Christus'
dood opgevat in verband met de verwijdering van datgene, wat ons heil in de weg staat,
d. i. de geestelijke en lichamelijke dood. En daarom zeggen we, dat door de dood van
Christus in ons is te niet gedaan, zowel de dood der ziel, welke veroorzaakt wordt
door onze zonde, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): « Hij is overgeleverd,
» namelijk tot de dood, « om onze misdaden; » alsook de lichamelijke dood, welke bestaat
in de afscheiding der ziel; naar het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15.
54): « De dood is verzwolgen in overwinning. »
Ad primum ergo dicendum quod mors Christi est operata salutem nostram ex virtute divinitatis
unitae, et non ex sola ratione mortis. (IIIa q. 50 a. 6 ad 1)
1 — De dood van Christus heeft ons heil bewerkt uit kracht der Godheid, die ermee verenigd
was, en niet krachtens de dood alleen.
Ad secundum dicendum quod mors Christi, secundum quod consideratur in facto esse,
etsi non fuerit ad nostram salutem operata per modum meriti, fuit tamen operata per
modum efficientiae, ut dictum est. (IIIa q. 50 a. 6 ad 2)
2 — Ofschoon de dood van Christus, voor zover hij beschouwd wordt als gebeurd, niet bij
wijze van verdienste ons heil bewerkt heeft, heeft hij toch daartoe meegewerkt op
uitwerkende wijze, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad tertium dicendum quod mors Christi fuit quidem corporalis, sed corpus illud fuit
instrumentum divinitatis sibi unitae, operans in virtute eius etiam mortuum. (IIIa q. 50 a. 6 ad 3)
3 — Wel was de dood van Christus iets lichamelijks, maar dat lichaam was het werktuig
van de Godheid, die er mee verenigd was, en werkte in haar kracht, ook toen het gestorven
was.