Tertia Pars. Quaestio 14. Over de lichaamsgebreken, die Christus in de menselijke natuur op zich heeft genomen
.
Prooemium
Deinde considerandum est de defectibus quos Christus in humana natura assumpsit. Et
primo, de defectibus corporis; secundo, de defectibus animae. Circa primum quaeruntur
quatuor. Primo, utrum filius Dei assumere debuerit in humana natura corporis defectus.
Secundo, utrum assumpserit necessitatem his defectibus subiacendi. Tertio, utrum hos
defectus contraxerit. Quarto, utrum omnes huiusmodi defectus assumpserit. (IIIa q. 14 pr.)
Vervolgens moeten wij de gebreken behandelen, die Christus in de menselijke natuur
op zich heeft genomen. Vooreerst die van het lichaam en dan die der ziel. Over de
eersten stellen wij ons vier vragen: 1. Moest Gods Zoon in de menselijke natuur lichaamsgebreken
op zich nemen? 2. Was het uit noodzaak, dat Hij onder die gebreken leed? 3. Moest
Hij krachtens contractie (1) die gebreken op zich nemen? 4. Nam Hij alle gebreken
van dit soort op zich?
Articulus 1. Moest Gods Zoon in de menselijke natuur lichaamsgebreken op Zich nemen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod filius Dei non debuit assumere naturam humanam
cum corporis defectibus. Sicut enim anima unita est verbo Dei personaliter, ita et
corpus. Sed anima Christi habuit omnimodam perfectionem, et quantum ad gratiam et
quantum ad scientiam, ut supra dictum est. Ergo etiam corpus eius debuit esse omnibus
modis perfectum, nullum in se habens defectum. (IIIa q. 14 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon met de menselijke natuur geen lichaamsgebreken op Zich
moest nemen. Want het lichaam is als de ziel met Gods Woord in persoon verenigd. Nu
bezit, zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.; 9e Kw. en volgend), Christus’ ziel
allerlei volmaaktheden van natuur zowel als van genade. Dus moest ook Zijn lichaam
in alle opzichten volmaakt en zonder gebreken zijn.
Praeterea, anima Christi videbat verbum Dei ea visione qua beati vident, ut supra
dictum est, et sic anima Christi erat beata. Sed ex beatitudine animae glorificatur
corpus, dicit enim Augustinus, in epistola ad Dioscorum, tam potenti natura Deus fecit
animam ut ex eius plenissima beatitudine redundet etiam in inferiorem naturam, quae
est corpus, non beatitudo, quae fruentis et intelligentis est propria, sed plenitudo
sanitatis, idest incorruptionis vigor. Corpus igitur Christi fuit incorruptibile,
et absque omni defectu. (IIIa q. 14 a. 1 arg. 2)
2 — Christus' ziel zag Gods Woord met hetzelfde aanschouwen als de zaligen zoals boven
is gezegd (9e Kw., 2e Art.), en op deze wijze was zij gelukkig. Nu wordt het lichaam
verheerlijkt krachtens de verheerlijking der ziel, want Augustinus zegt in de Brief
aan Dioscorus (118e Br., 3e H.): « God schonk aan de ziel zo'n volmaakte natuur, dat
uit de volheid van haar volmaaktheid wel niet de volmaaktheid zelf, die eigen is aan
wie door begrijpen geniet, maar de volheid der gezondheid, dwz. een kracht, die onbederfelijkheid
geeft, op de lagere natuur, het lichaam namelijk overvloeit». Dus was Christus' lichaam
onbederfelijk en zonder enig gebrek.
Praeterea, poena consequitur culpam. Sed in Christo non fuit aliqua culpa, secundum
illud I Pet. II, qui peccatum non fecit. Ergo nec defectus corporales, qui sunt poenales,
in eo esse debuerunt. (IIIa q. 14 a. 1 arg. 3)
3 — Straf volgt op schuld. Nu was er in Christus geen schuld volgens de Eerste Brief van
Petrus (2, 22): « Die geen zonde heeft bedreven ». Dus konden er geen lichaamsgebreken,
die straffen zijn, gevonden worden.
Praeterea, nullus sapiens assumit id quod impedit illum a proprio fine. Sed per huiusmodi
defectus corporales multipliciter videtur impediri finis incarnationis. Primo quidem,
quia propter huiusmodi infirmitates homines ab eius cognitione impediebantur, secundum
illud Isaiae LIII, desideravimus eum; despectum et novissimum virorum, virum dolorum
et scientem infirmitatem, et quasi absconditus est vultus eius et despectus; unde
nec reputavimus eum. Secundo, quia sanctorum patrum desiderium non videtur impleri,
ex quorum persona dicitur Isaiae li, consurge, consurge, induere fortitudinem, brachium
domini. Tertio, quia congruentius per fortitudinem quam per infirmitatem videbatur
potestas Diaboli posse superari, et humana infirmitas posse sanari. Non ergo videtur
conveniens fuisse quod filius Dei humanam naturam assumpserit cum corporalibus infirmitatibus
sive defectibus. (IIIa q. 14 a. 1 arg. 4)
4 — Geen wijze aanvaardt wat hem van zijn doel afhoudt. De bedoeling nu der menswording
schijnt door die gebreken op vele wijzen verijdeld te worden. Ten eerste worden de
mensen door die gebreken belet Hem te kennen volgens Isaias (53, 2 en 3): « Wij hebben
naar Hem verlangd: de verachte en minste der mensen, de man van smarten, die het lijden
kent; en zijn aangezicht is als verborgen en veracht, zodat wij op Hem geen acht sloegen
». Ten tweede scheen het verlangen der heilige Vaders in Hem niet vervuld te worden,
want Isaias (51, 9) zegt namens hen: « Sta op, sta op en omgordt U met kracht, gij
arm Gods ». Ten derde zou men zeggen, dat de macht van de duivel op meer gepaste manier
door kracht dan door zwakheid kon overwonnen worden en de menselijke zwakheid genezen.
Dus schijnt het niet gepast te zijn geweest, dat Gods Zoon de menselijke natuur met
lichamelijke zwakheden of gebreken aannam.
Sed contra est quod dicitur Heb. II, in eo in quo passus est ipse et tentatus, potens
est et eis qui tentantur auxiliari. Sed ad hoc venit ut nos adiuvaret, unde et David
dicebat, levavi oculos meos in montes, unde veniet auxilium mihi. Ergo conveniens
fuit quod filius Dei carnem assumpserit humanis infirmitatibus subiacentem, ut in
ea posset pati et tentari, et sic auxilium nobis ferre. (IIIa q. 14 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (2, 18) wordt gezegd: « Omdat Hij
Zelf geleden heeft en bekoord is, kan Hij ook hen, die bekoord worden helpen ». Nu
kwam Hij om ons te helpen, zodat David zei (Ps. 120, 1): « Ik heb mijn ogen opgeheven
naar de bergen, waarvandaan mij hulp zal komen ». Dus paste het, dat Gods Zoon het
aan menselijke zwakheden onderworpen vlees aannam, opdat Hij daarin kon lijden en
bekoord worden en zo ons helpen.
Respondeo dicendum conveniens fuisse corpus assumptum a filio Dei humanis infirmitatibus
et defectibus subiacere, et praecipue propter tria. Primo quidem, quia ad hoc filius
Dei, carne assumpta, venit in mundum, ut pro peccato humani generis satisfaceret.
Unus autem pro peccato alterius satisfacit dum poenam peccato alterius debitam in
seipsum suscipit. Huiusmodi autem defectus corporales, scilicet mors, fames et sitis,
et huiusmodi, sunt poena peccati, quod est in mundum per Adam introductum, secundum
illud Rom. V, per unum hominem peccatum intravit in mundum, et per peccatum mors.
Unde conveniens fuit, quantum ad finem incarnationis, quod huiusmodi poenalitates
in nostra carne susciperet, vice nostra, secundum illud Isaiae LIII, vere languores
nostros ipse tulit. Secundo, propter fidem incarnationis adstruendam. Cum enim natura
humana non aliter esset nota hominibus nisi prout huiusmodi corporalibus defectibus
subiacet, si sine his defectibus filius Dei naturam humanam assumpsisset, videretur
non fuisse verus homo, nec veram carnem habuisse, sed phantasticam, ut Manichaei dixerunt.
Et ideo, ut dicitur Philipp. II, exinanivit semetipsum, formam servi accipiens, in
similitudinem hominum factus et habitu inventus ut homo. Unde et Thomas per aspectum
vulnerum ad fidem est revocatus, ut dicitur Ioan. XX. Tertio, propter exemplum patientiae,
quod nobis exhibet passiones et defectus humanos fortiter tolerando. Unde dicitur
Heb. XII, sustinuit a peccatoribus adversus semetipsum contradictionem, ut non fatigemini,
animis vestris deficientes. (IIIa q. 14 a. 1 co.)
Vooral om drie redenen was het gepast, dat het door Gods Zoon aangenomen vlees aan
menselijke zwakheden en gebreken onderworpen was. Ten eerste immers kwam Gods Zoon
op aarde om voor de zonden van het menselijk geslacht voldoening te geven. Nu voldoet
iemand voor de zonden van anderen door de door die ander verdiende straf op zich te
nemen. Deze lichaamsgebreken echter, nl. dood, honger, dorst en dergelijken zijn een
straf voor de zonde, die door Adam in de wereld werd gebracht volgens de Romeinenbrief
(5, 12): « Door een mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood ». Het
paste dus bij het doel der menswording, dat Hij in onze plaats dergelijke straffen
in ons vlees op Zich nam, volgens Isaias (53, 4): « Hij heeft waarlijk ons lijden
gedragen ». Ten tweede werd het geloof in de mensvordering bevestigd. Want omdat de
mensen de menselijke natuur niet anders kenden dan onderworpen aan deze lichaamsgebreken,
zou het niet geschenen hebben, dat Hij een echt mens was of een echt lichaam bezat,
maar alleen een lichaam, dat wij ons inbeelden, zoals de Manichaeën zeiden. Zoals
dus in de Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd, « Vernietigde Hij zichzelf
door de gestalte van een slaaf aan te nemen, aan de mensen gelijk te worden en uiterlijk
als een mens te worden bevonden ». Daarom ook werd Thomas door het beschouwen der
wonden tot het geloof teruggebracht, zoals bij Johannes (20, 26 en vlgd.) wordt gezegd.
Ten derde gaf Hij ons een voorbeeld van geduld, door het lijden der mensen en hun
gebreken moedig te ondergaan. Daarom wordt in de Hebreeënbrief (12, 3) gezegd: « Van
de zondaars onderging Hij tegenspraak, opdat gij niet uitgeput zou worden en de zielskracht
verliezen ».
Ad primum ergo dicendum quod satisfactio pro peccato alterius habet quidem quasi materiam
poenas quas aliquis pro peccato alterius sustinet, sed pro principio habet habitum
animae ex quo inclinatur ad volendum satisfacere pro alio, et ex quo satisfactio efficaciam
habet; non enim esset satisfactio efficax nisi ex caritate procederet, ut infra dicetur.
Et ideo oportuit animam Christi perfectam esse quantum ad habitus scientiarum et virtutum,
ut haberet facultatem satisfaciendi, et quod corpus eius subiectum esset infirmitatibus,
ut ei satisfactionis materia non deesset. (IIIa q. 14 a. 1 ad 1)
1 — Voldoen voor de zonden van anderen heeft de straffen, die iemand voor een ander ondergaat
wel als voorwerp, maar het gaat uit van een gewoonte der ziel, waardoor iemand geneigd
is om te willen voldoen voor anderen en waardoor die voldoening ook iets uitwerkt,
omdat geen voldoening haar doel bereikt als zij niet uit liefde voortkomt; zoals beneden
zal worden gezegd (Suppl. bij 't 3° Deel, 14° Kw., 2° Art.). Christus’ ziel moest
dus vervolmaakt zijn door de gewoonten van wetenschap en deugd om te kunnen voldoen,
en zijn lichaam moest aan kwalen onderworpen zijn om Hem het voorwerp ter voldoening
niet te doen missen.
Ad secundum dicendum quod, secundum naturalem habitudinem quae est inter animam et
corpus, ex gloria animae redundat gloria ad corpus, sed haec naturalis habitudo in
Christo subiacebat voluntati divinitatis ipsius, ex qua factum est ut beatitudo remaneret
in anima et non derivaretur ad corpus, sed caro pateretur quae conveniunt naturae
passibili; secundum illud quod dicit Damascenus, quod beneplacito divinae voluntatis
permittebatur carni pati et operari quae propria. (IIIa q. 14 a. 1 ad 2)
2 — Krachtens de natuurlijke verhouding tussen ziel en lichaam zou de verheerlijking der
ziel in heerlijkheid op het lichaam overvloeien, maar in Christus was deze natuurlijke
verhouding aan Zijn goddelijke wil onderworpen. Zo kwam het, dat de ziel de heerlijkheid
voor zich behield en deze niet op het lichaam overvloeide, maar het vlees leed, zoals
bij zijn natuur, die lijden kan, past. Zo ook zegt Damascenus (Over het Ware Geloof,
3° B., 19° H.): « Door toelating der goddelijke wil mocht het vlees lijden en handelen,
zoals het bij zijn aard paste ».
Ad tertium dicendum quod poena semper sequitur culpam, actualem vel originalem, quandoque
quidem eius qui punitur; quandoque autem alterius, pro quo ille qui patitur poenas
satisfacit. Et sic accidit in Christo, secundum illud Isaiae LIII, ipse vulneratus
est propter iniquitates nostras; attritus est propter scelera nostra. (IIIa q. 14 a. 1 ad 3)
3 — Straf eist altijd het bestaan van een schuld, of deze van een zondige daad of van
de erfzonde komt; maar soms is het schuld van hem, die gestraft wordt, en soms schuld
van een ander, in wiens plaats hij, die lijdt voor de straffen, voldoet. Zo geschiedde
het bij Christus volgens Isaïas (53, 5): « Hij is gewond om onze misdaden en geslagen
om onze boosheid ».
Ad quartum dicendum quod infirmitas assumpta a Christo non impedivit finem incarnationis,
sed maxime promovit, ut dictum est. Et quamvis per huiusmodi infirmitates absconderetur
eius divinitas, manifestabatur tamen humanitas, quae est via ad divinitatem perveniendi,
secundum illud Rom. V, accessum habemus ad Deum per Iesum Christum. Desiderabant autem
antiqui patres in Christo, non quidem fortitudinem corporalem, sed spiritualem, per
quam et Diabolum vicit et humanam infirmitatem sanavit. (IIIa q. 14 a. 1 ad 4)
4 — De zwakheid, die Christus op zich genomen had stond het doel der menswording niet
in de weg, maar bevorderde dit ten sterkste, zoals werd gezegd (in de Leerstelling).
En al werd door die zwakheid Zijn godheid verborgen, dan werd toch Zijn mensheid duidelijk
kenbaar gemaakt; en die is juist de weg naar Zijn godheid volgens de Romeinenbrief
(5, 1 en 2): « Wij hebben toegang tot God door Jezus Christus ». — De oude Vaders
echter verlangden in Christus geen tijdelijke kracht, maar geestelijke, waardoor Hij
de duivel heeft overwonnen en de menselijke zwakheid genezen.
Articulus 2. Was Christus uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non ex necessitate his defectibus
subiacuerit. Dicitur enim Isaiae LIII, oblatus est quia ipse voluit, et loquitur de
oblatione ad passionem. Sed voluntas opponitur necessitati. Ergo Christus non ex necessitate
subiacuit corporis defectibus. (IIIa q. 14 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen
was. Want bij *Isaias* (53, 7) wordt gezegd: « Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf
wilde », en daar wordt gesproken van geofferd worden door lijden. Nu staat de vrije
wil juist tegenover noodzakelijkheid. Dus was Christus niet uit noodzakelijkheid aan
de lichaamsgebreken onderworpen.
Praeterea, Damascenus dicit, in III libro, nihil coactum in Christo consideratur,
sed omnia voluntaria. Sed quod est voluntarium, non est necessarium. Ergo huiusmodi
defectus non fuerunt ex necessitate in Christo. (IIIa q. 14 a. 2 arg. 2)
2 — Damascenus zegt in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 20e H.): « In Christus wordt
niets gedwongen gevonden, maar alles was vrijwillig ». Wat nu vrijwillig is, gebeurt
niet uit noodzakelijkheid. Dus waren die gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid
in Christus.
Praeterea, necessitas infertur ab aliquo potentiori. Sed nulla creatura est potentior
quam anima Christi, ad quam pertinebat proprium corpus conservare. Ergo huiusmodi
defectus seu infirmitates non fuerunt in Christo ex necessitate. (IIIa q. 14 a. 2 arg. 3)
3 — Noodzakelijkheid wordt iemand door een machtigere opgelegd. Geen schepsel echter is
machtiger dan Christus’ ziel, waaraan het toekwam haar eigen lichaam te beschermen.
Dus waren die zwakheden of gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid in Christus.
Sed contra est quod apostolus dicit, Rom. VIII, misit Deus filium suum in similitudinem
carnis peccati. Sed conditio carnis peccati est quod habeat necessitatem moriendi,
et sustinendi alias huiusmodi passiones. Ergo talis necessitas sustinendi hos defectus
fuit in carne Christi. (IIIa q. 14 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Romeinenbrief (8, 3) zegt: « God zond
Zijn Zoon in de gedaante van het zondige vlees ». Nu bevindt het zondige vlees zich
in zo’n toestand, dat het moet sterven en ander lijden ondergaan. Dus lag in Christus’
vlees de noodzakelijkheid om deze gebreken te dragen.
Respondeo dicendum quod duplex est necessitas. Una quidem coactionis, quae fit ab
agente extrinseco. Et haec quidem necessitas contrariatur et naturae et voluntati,
quorum utrumque est principium intrinsecum. Alia autem est necessitas naturalis, quae
consequitur principia naturalia, puta formam, sicut necessarium est ignem calefacere;
vel materiam, sicut necessarium est corpus ex contrariis compositum dissolvi. Secundum
igitur hanc necessitatem quae consequitur materiam, corpus Christi subiectum fuit
necessitati mortis, et aliorum huiusmodi defectuum. Quia, sicut dictum est, beneplacito
divinae voluntatis Christi carni permittebatur agere et pati quae propria, haec autem
necessitas causatur ex principiis humanae carnis, ut dictum est. Si autem loquamur
de necessitate coactionis secundum quod repugnat naturae corporali, sic iterum corpus
Christi, secundum conditionem propriae naturae, necessitati subiacuit et clavi perforantis
et flagelli percutientis. Secundum vero quod necessitas talis repugnat voluntati,
manifestum est quod in Christo non fuit necessitas horum defectuum, nec per respectum
ad voluntatem divinam; nec per respectum ad voluntatem humanam Christi absolute, prout
sequitur rationem deliberativam; sed solum secundum naturalem motum voluntatis, prout
scilicet naturaliter refugit mortem et corporis nocumenta. (IIIa q. 14 a. 2 co.)
Er is een dubbele noodzakelijkheid. En wel een van dwang, die door een invloed van
buitenaf wordt opgelegd. Dit soort noodzakelijkheid is zowel aan de natuur als aan
de wil, die beiden beginselen zijn, die van binnenuit werken, tegenovergesteld. Maar
er is nog een andere en wel een natuurlijke noodzakelijkheid, die uit de beginselen
der natuur voortkomt, bijvoorbeeld uit de vorm, zoals het vuur noodzakelijk verwarmt,
of uit de stof, zoals een lichaam, dat uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd.
Spreken wij echter over de noodzakelijkheid uit dwang, in zover deze strijdt met de
natuur van het lichaam, dan was Christus’ vlees toch ook weer krachtens de toestand
van zijn eigen natuur gebonden aan de noodzakelijkheid om door spijkers doorboord
en door geesel geslagen te worden. — Wat het strijden van deze noodzakelijkheid met
de wil betreft, is het echter duidelijk, dat er bij Christus geen sprake was van noodzakelijkheid
om deze smarten te verduren, noch volgens de goddelijke, noch zelfs absoluut gesproken
volgens de menselijke wil, in zover deze zich richt naar het verstandsoverleg, maar
alleen naar de zuiver natuurlijke werkzaamheid van de wil, die namelijk van nature
dood en lichaamslijden ontvlucht.
Ad primum ergo dicendum quod Christus dicitur oblatus quia voluit, et voluntate divina,
et voluntate humana deliberata, licet mors esset contra naturalem motum voluntatis
humanae, ut dicit Damascenus. (IIIa q. 14 a. 2 ad 1)
1 — Men zegt van Christus, dat Hij « geofferd werd, omdat Hij het zelf wilde » zowel met
Zijn goddelijke, als met Zijn menselijke, door de rede geleide wil, al strijdt dan
ook de dood met het natuurlijke streven van de menselijke wil, zoals Damascenus zegt
(Over het Ware Geloof, 3e B., 23e en 24e H.).
Ad secundum patet responsio ex dictis. (IIIa q. 14 a. 2 ad 2)
2 — Het antwoord hierop volgt uit het voorafgaande (Leerstelling).
Ad tertium dicendum quod nihil fuit potentius quam anima Christi absolute, nihil tamen
prohibet aliquid fuisse potentius quantum ad hunc effectum; sicut clavus ad perforandum.
Et hoc dico secundum quod anima Christi consideratur secundum propriam naturam et
virtutem. (IIIa q. 14 a. 2 ad 3)
3 — Absoluut genomen was er niets machtiger dan Christus’ ziel, maar er is niets tegen
dat iets in een bepaald geval machtiger is, zoals de spijker bij het doorboren. Dit
wordt echter gezegd van Christus’ ziel alleen beschouwd naar haar eigen natuur en
kracht.
Articulus 3. Had Christus lichaamsgebreken krachtens z.g. contractie?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus defectus corporales contraxit. Illud
enim contrahere dicimur quod simul cum natura ex origine trahimus. Sed Christus simul
cum natura humana defectus et infirmitates corporales per suam originem traxit a matre,
cuius caro huiusmodi defectibus subiacebat. Ergo videtur quod hos defectus contraxit. (IIIa q. 14 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus krachtens contractie lichaamsgebreken had. Wij spreken immers
van contractie, als men bij zijn ontstaan iets krijgt tegelijk met de natuur. Nu kreeg
Christus deze gebreken bij Zijn geboorte tegelijk met de menselijke natuur van Zijn
Moeder, wier vlees onder deze gebreken gebukt ging. Dus schijnt Hij deze gebreken
krachtens contractie te hebben.
Praeterea, illud quod ex principiis naturae causatur, simul cum natura trahitur, et
ita contrahitur. Sed huiusmodi poenalitates causantur ex principiis naturae humanae.
Ergo eas Christus contraxit. (IIIa q. 14 a. 3 arg. 2)
2 — Wat door de beginselen der natuur veroorzaakt wordt, krijgt men tegelijk met de natuur
en dus door contractie. Deze straffen nu worden door de beginselen der natuur teweeggebracht.
Dus had Christus ze door contractie.
Praeterea, secundum huiusmodi defectus Christus aliis hominibus similatur ut dicitur
Heb. II. Sed alii homines huiusmodi defectus contraxerunt. Ergo videtur quod etiam
Christus huiusmodi defectus contraxit. (IIIa q. 14 a. 3 arg. 3)
3 — Christus is door deze gebreken gelijk aan de andere mensen, zoals in de Hebreeënbrief
(2, 17) wordt gezegd. De andere mensen nu hebben deze gebreken door contractie. Dus
schijnt Christus ze ook door contractie te hebben.
Sed contra est quod huiusmodi defectus contrahuntur ex peccato, secundum illud Rom.
V, per unum hominem peccatum intravit in hunc mundum, et per peccatum mors. Sed in
Christo non habuit locum peccatum. Ergo huiusmodi defectus Christus non contraxit. (IIIa q. 14 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat deze gebreken om de zonde door contractie gekregen worden
volgens de Romeinenbrief (5, 12): « Door een mens kwam de zonde in deze wereld en
door de zonde de dood ». Nu was er geen zonde in Christus. Dus had Hij die gebreken
niet door contractie.
Respondeo dicendum quod in verbo contrahendi intelligitur ordo effectus ad causam,
ut scilicet illud dicatur contrahi quod simul cum sua causa ex necessitate trahitur.
Causa autem mortis et horum defectuum in humana natura est peccatum, quia per peccatum
mors intravit in mundum, ut dicitur Rom. V. Et ideo illi proprie dicuntur hos defectus
contrahere qui ex debito peccati hos defectus incurrunt. Christus autem hos defectus
non habuit ex debito peccati, quia, ut Augustinus dicit, exponens illud Ioan. III,
qui de sursum venit, super omnes est, de sursum venit Christus, idest de altitudine
humanae naturae, quam habuit ante peccatum primi hominis. Accepit enim naturam humanam
absque peccato in illa puritate in qua erat in statu innocentiae. Et simili modo potuisset
assumere humanam naturam absque defectibus. Sic igitur patet quod Christus non contraxit
hos defectus, quasi ex debito peccati eos suscipiens, sed ex propria voluntate. (IIIa q. 14 a. 3 co.)
In de term contraheren wordt een verhouding van oorzaak tot gevolg uitgedrukt, omdat
wij ervan spreken, als iets noodzakelijkerwijs tegelijk met zijn oorzaak verkregen
wordt. Nu is de zonde in de menselijke natuur de oorzaak van dood en dergelijke ellenden,
omdat « door de zonde de dood in deze wereld gekomen is », zoals in de Romeinenbrief
(5, 12) wordt gezegd. Daarom spreekt men in eigenlijke zin over contraheren van deze
gebreken bij hen, die ze moeten hebben om de zonde. Christus echter werd niet om een
zondeschuld door deze gebreken getroffen, want zoals Augustinus (3, 31) in zijn uitleg
van Johannes (3, 31): « Wie van boven komt, staat boven alles », zegt: « daalde Christus
van boven neer, dwz. van de verhevenheid, die de menselijke natuur voor de zonde van
de eerste mens bezat ». Want zonder zonde nam Hij de menselijke natuur in dezelfde
reinheid aan, als zij bezat in de staat van onschuld. Evenzo had Hij ook de menselijke
natuur zonder gebreken kunnen aannemen. Zo blijkt het dus, dat Hij die gebreken niet
krachtens contractie had, alsof Hij ze om zondeschuld onderging, maar door eigen vrije
wil.
Ad primum ergo dicendum quod caro virginis concepta fuit in originali peccato, et
ideo hos defectus contraxit. Sed caro Christi ex virgine assumpsit naturam absque
culpa. Et similiter potuisset naturam assumere absque poena, sed voluit suscipere
poenam propter opus nostrae redemptionis implendum, sicut dictum est. Et ideo habuit
huiusmodi defectus, non contrahendo, sed voluntarie assumendo. (IIIa q. 14 a. 3 ad 1)
1 — Het vlees der Moedermaagd werd in erfzonde ontvangen en contracteerde dus deze gebreken.
Christus’ vlees echter kreeg zijn natuur zonder zonde uit de Maagd. En evenzo had
Hij Zijn natuur kunnen krijgen zonder de straffen te dragen, maar Hij wilde de straf
op Zich nemen om het werk van onze verlossing te voltooien, zoals reeds is gezegd
(1° Art.). En dus leed Hij niet krachtens contractie onder deze gebreken, maar omdat
Hij ze vrijwillig op Zich nam.
Ad secundum dicendum quod causa mortis et aliorum corporalium defectuum in humana
natura est duplex. Una quidem remota, quae accipitur ex parte principiorum materialium
humani corporis, inquantum est ex contrariis compositum. Sed haec causa impediebatur
per originalem iustitiam. Et ideo proxima causa mortis et aliorum defectuum est peccatum,
per quod est subtracta originalis iustitia. Et propter hoc, quia Christus fuit sine
peccato, dicitur non contraxisse huiusmodi defectus, sed voluntarie assumpsisse. (IIIa q. 14 a. 3 ad 2)
2 — Van de dood en andere lichaamsgebreken is er in de menselijke natuur een dubbele oorzaak.
En wel een meer verwijderde, die wij moeten zoeken in de stoffelijke beginselen van
het menselijk lichaam, in zover dit uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd. Maar
de uitwerking van deze oorzaak werd tegengehouden door de oorspronkelijke rechtvaardigheid.
De naaste oorzaak van dood en andere gebreken is dus de zonde, waardoor de oorspronkelijke
rechtvaardigheid verloren ging. Daarom zegt men, dat Christus, die zonder zonde was,
die gebreken niet door contractie had, maar door ze vrijwillig op zich te nemen.
Ad tertium dicendum quod Christus in huiusmodi defectibus assimilatus est aliis hominibus
quantum ad qualitatem defectuum, non autem quantum ad causam. Et ideo non contraxit
huiusmodi defectus, sicut et alii. (IIIa q. 14 a. 3 ad 3)
3 — Wat de soort gebreken betreft, staat Christus met de andere mensen op één lijn, maar
niet wat hun oorzaak betreft. En daarom had Hij die gebreken niet door contractie.
Articulus 4. Moest Christus alle lichaamsgebreken der mensen op Zich nemen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus omnes defectus corporales hominum
assumere debuit. Dicit enim Damascenus, quod est inassumptibile, est incurabile. Sed
Christus venerat omnes defectus nostros curare. Ergo omnes defectus nostros assumere
debuit. (IIIa q. 14 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus alle lichaamsgebreken der mensen op Zich moest nemen. Want
Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e en 18e H.): « Wat niet aangenomen
kan worden, is ongeneeslijk ». Maar Christus is gekomen om al onze gebreken te genezen.
Dus moest Hij al onze gebreken op Zich nemen.
Praeterea, dictum est quod ad hoc quod Christus pro nobis satisfaceret, debuit habere
habitus perfectivos in anima et defectus in corpore. Sed ipse ex parte animae assumpsit
plenitudinem omnis gratiae. Ergo ex parte corporis debuit assumere omnes defectus. (IIIa q. 14 a. 4 arg. 2)
2 — Wij hebben gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.), dat Christus om voor ons te voldoen
in Zijn ziel vervolmakende gewoonten en in Zijn lichaam gebreken moest hebben. Nu
heeft Hij wat de ziel betreft de volheid van alle genaden aangenomen. Dus moest Hij
ook in Zijn lichaam alle gebreken op zich nemen.
Praeterea, inter omnes defectus corporales praecipuum locum tenet mors. Sed Christus
mortem assumpsit. Ergo multo magis omnes defectus alios assumere debuit. (IIIa q. 14 a. 4 arg. 3)
3 — Onder alle lichaamsgebreken staat de dood vooraan. Nu nam Christus op zich de dood
te ondergaan. Dus moest Hij zoveel te eerder alle andere gebreken op zich nemen.
Sed contra est quod contraria non possunt simul fieri in eodem. Sed quaedam infirmitates
sunt sibi ipsis contrariae, utpote ex contrariis principiis causatae. Ergo non potuit
esse quod Christus omnes infirmitates humanas assumeret. (IIIa q. 14 a. 4 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat in dezelfde persoon geen tegenstrijdige dingen kunnen
gebeuren. Nu zijn sommige gebreken aan elkaar tegenstrijdig, omdat zij uit verschillende
beginselen voortkomen. Dus kon Christus onmogelijk alle kwalen op zich nemen.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus humanos defectus assumpsit ad
satisfaciendum pro peccato humanae naturae, ad quod requirebatur quod perfectionem
scientiae et gratiae haberet in anima. Illos igitur defectus Christus assumere debuit
qui consequuntur ex peccato communi totius naturae, nec tamen repugnant perfectioni
scientiae et gratiae. Sic igitur non fuit conveniens ut omnes defectus seu infirmitates
humanas assumeret. Sunt enim quidam defectus qui repugnant perfectioni scientiae et
gratiae, sicut ignorantia, pronitas ad malum, et difficultas ad bonum. Quidam autem
defectus sunt qui non consequuntur communiter totam humanam naturam propter peccatum
primi parentis, sed causantur in aliquibus hominibus ex quibusdam particularibus causis,
sicut lepra et morbus caducus et alia huiusmodi. Qui quidem defectus quandoque causantur
ex culpa hominis, puta ex inordinatione victus, quandoque autem ex defectu virtutis
formativae. Quorum neutrum convenit Christo, quia caro eius de spiritu sancto concepta
est, qui est infinitae sapientiae et virtutis, errare et deficere non valens; et ipse
nihil inordinatum in regimine suae vitae exercuit. Sunt autem tertii defectus qui
in omnibus hominibus communiter inveniuntur ex peccato primi parentis, sicut mors,
fames, sitis, et alia huiusmodi. Et hos defectus omnes Christus suscepit. Quos Damascenus
vocat naturales et indetractibiles passiones, naturales quidem, quia consequuntur
communiter totam humanam naturam; indetractibiles quidem, quia defectum scientiae
et gratiae non important. (IIIa q. 14 a. 4 co.)
Zoals is gezegd (1° Art.), heeft Christus de menselijke gebreken op Zich genomen om
voor de zonden der menselijke natuur te voldoen. In Zijn ziel werd daartoe de voormaat
van wetenschap en genade vereist. Christus moest dus die gebreken op Zich nemen, die
uit de zonde der gezamenlijke menselijke natuur voortkomen en niet strijden met de
volmaaktheid van Zijn kennis en genade. Het was dus niet passend, dat Hij alle menselijke
zwakheden en gebreken op Zich nam. Want er zijn gebreken, die met de volmaaktheid
van wetenschap en genade in strijd zijn als onwetendheid, geneigdheid tot het kwaad
en traagheid tot het goede. Nu zijn er ook sommige gebreken, die niet om de zonde
van de eerste stamvader uit de menselijke natuur in het algemeen voortkomen, maar
bij sommige mensen door bijzondere oorzaken worden teweeggebracht, als melaatsheid,
vallende ziekte en dergelijke. Soms worden deze gebreken veroorzaakt door schuld van
de mens, bv. door onmatigheid in het eten, maar soms komen zij voort uit een tekort
in de voortplantingskracht. En bij Christus past geen van beiden, omdat Zijn vlees
werd ontvangen van de H. Geest, die als oneindig in kracht en wijsheid niet kan falen
en tekort schieten, en Hij zelf heeft in het verloop van Zijn leven niets gedaan,
wat met de rede in strijd was. Maar er is een derde soort gebreken, die bij alle mensen
gemeenschappelijk gevonden worden om de zonde van de eerste stamvader, als de dood,
honger en dorst en dergelijke. En al deze gebreken nam Christus op Zich. Damascenus
(Over het Ware Geloof, 1° B., 11° H.; 3° B., 20° H.) noemt hen « natuurlijke en niet
tot verachting aanleiding gevende » gebreken, omdat zij algemeen uit de menselijke
natuur voortkomen en geen reden tot verachting geven, daar zij geen tekort aan kennis
en genade meebrengen.
Ad primum ergo dicendum quod omnes particulares defectus hominum causantur ex corruptibilitate
et passibilitate corporis, superadditis quibusdam particularibus causis. Et ideo,
dum Christus curavit passibilitatem et corruptibilitatem corporis nostri per hoc quod
eam assumpsit, ex consequenti omnes alios defectus curavit. (IIIa q. 14 a. 4 ad 1)
1 — Alle bijzondere gebreken der mensen worden veroorzaakt, doordat het lichaam kan lijden
en vergaan, waarbij dan nog bijzondere oorzaken komen. Terwijl Christus dus die geschiktheid
van het lichaam om te lijden heelde door haar op Zich te nemen, genas Hij daardoor
alle andere gebreken.
Ad secundum dicendum quod plenitudo omnis gratiae et scientiae animae Christi secundum
se debebatur, ex hoc ipso quod erat a verbo Dei assumpta. Et ideo absolute omnem plenitudinem
sapientiae et gratiae Christus assumpsit. Sed defectus nostros dispensative assumpsit,
ut pro peccato nostro satisfaceret, non quia ei secundum se competerent. Et ideo non
oportuit quod omnes assumeret, sed solum illos qui sufficiebant ad satisfaciendum
pro peccato totius humanae naturae. (IIIa q. 14 a. 4 ad 2)
2 — Op zichzelf reeds had Christus’ ziel hierom recht op de volheid van alle genade en
wetenschap, omdat zij door Gods Woord aangenomen was. En daarom nam Christus de volheid
van genade en wetenschap absoluut aan. Maar onze gebreken nam Hij door bijzondere
toelating op zich om voor onze zonden te voldoen, niet omdat zij Hem op zichzelf beschouwd
toekwamen. Daarom moest Hij ze niet alle op zich nemen, maar alleen die, welke voldoende
waren om te voldoen voor de zonden van de gehele menselijke natuur.
Ad tertium dicendum quod mors in omnes homines devenit ex peccato primi parentis,
non autem quidam alii defectus, licet sint morte minores. Unde non est similis ratio. (IIIa q. 14 a. 4 ad 3)
3 — De dood kwam over alle mensen door de zonde van de eerste stamvader, maar de andere
gebreken niet, al zijn zij dan ook minder dan de dood. Daarom gaat dezelfde reden
niet voor beide op.