QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 3.
Over de Vereniging, bezien van de kant van de Persoon, die aannam .

Prooemium

Deinde considerandum est de unione ex parte personae assumentis. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum assumere conveniat personae divinae. Secundo, utrum conveniat naturae divinae. Tertio, utrum natura possit assumere, abstracta personalitate. Quarto, utrum una persona possit assumere sine alia. Quinto, utrum quaelibet persona possit assumere. Sexto, utrum plures personae possint assumere unam naturam numero. Septimo, utrum una persona possit assumere duas naturas numero. Octavo, utrum magis fuerit conveniens de persona filii quod assumpsit humanam naturam, quam de alia persona divina. (IIIa q. 3 pr.)

Vervolgens moeten wij de vereniging beschouwen van de kant van de persoon, die aannam, en hierover stellen wij acht vragen: 1. Komt het aannemen toe aan de goddelijke persoon? 2. Komt het toe aan de goddelijke natuur? 3. Kan de natuur nog aannemen, als men afziet van de persoonlijkheid? 4. Kan een persoon aannemen zonder de andere? 5. Kon iedere persoon aannemen? 6. Konden meerdere personen één natuur aannemen? 7. Kon een persoon twee naturen aannemen? 8. Was het meer gepast voor de persoon van de Zoon de menselijke natuur aan te nemen dan voor een andere?

Articulus 1.
Komt het aan de Goddelijke Persoon toe een geschapen natuur aan te nemen

Ad primum sic proceditur. Videtur quod personae divinae non conveniat assumere naturam creatam. Persona enim divina significat aliquid maxime perfectum. Perfectum autem est cui non potest fieri additio. Cum igitur assumere sit quasi ad se sumere, ita quod assumptum addatur assumenti, videtur quod personae divinae non conveniat assumere naturam creatam. (IIIa q. 3 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen. Want de goddelijke persoon betekent iets zo volmaakt mogelijk. Nu is datgene volmaakt, waar niets bijgevoegd kan worden. Omdat nu aannemen zoiets als tot zich nemen is, zodat wat aangenomen wordt, gevoegd wordt bij hem, die aanneemt, schijnt het, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen.

Praeterea, illud ad quod aliquid assumitur, communicatur quodammodo ei quod in ipsum assumitur, sicut dignitas communicatur ei qui in dignitatem assumitur. Sed de ratione personae est quod sit incommunicabilis, ut in prima parte dictum est. Ergo personae divinae non convenit assumere, quod est ad se sumere. (IIIa q. 3 a. 1 arg. 2)

2 — Datgene waartoe iets aangenomen wordt, wordt in zekere zin medegedeeld aan wat ertoe aangenomen wordt, zoals een waardigheid wordt medegedeeld aan iemand, die ertoe verheven wordt. Maar het behoort tot het wezen van de persoon onmede deelbaar te zijn, zoals in het eerste deel is gezegd (29° Kw., 1° Art.). Daarom komt het aan de goddelijke persoon niet toe aan te nemen in de zin van tot zich te nemen.

Praeterea, persona constituitur per naturam. Sed inconveniens est quod constitutum assumat constituens, quia effectus non agit in suam causam. Ergo personae non convenit assumere naturam. (IIIa q. 3 a. 1 arg. 3)

3 — De persoon wordt gevormd door de natuur. Maar het gaat niet aan, dat wat gevormd wordt datgene wat vormt tot zich neemt, omdat het gevolg niet op de oorzaak inwerkt. Daarom komt het de persoon niet toe een natuur tot zich te nemen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, formam, idest naturam servi in suam accepit Deus ille, scilicet unigenitus, personam. Sed Deus unigenitus est persona. Ergo personae competit accipere naturam, quod est assumere. (IIIa q. 3 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius), in het boek *Aan Petrus over het Geloof*: « De vorm, dwz. de natuur van een slaaf nam die, dwz. de eniggeboren God, aan in zijn persoon ». Maar de eniggeboren God is een persoon. Dus komt het de persoon toe een natuur te krijgen, dwz. tot zich te nemen.

Respondeo dicendum quod in verbo assumptionis duo importantur, videlicet principium actus, et terminus, dicitur enim assumere quasi ad se aliquid sumere. Huius autem assumptionis persona est et principium et terminus. Principium quidem, quia personae proprie competit agere, huiusmodi autem sumptio carnis per actionem divinam facta est. Similiter etiam persona est huius sumptionis terminus, quia, sicut supra dictum est, unio facta est in persona, non in natura. Et sic patet quod propriissime competit personae assumere naturam. (IIIa q. 3 a. 1 co.)

In het woord *aanneming* liggen twee dingen opgesloten, nl. het beginsel van de daad en de term, want men spreekt van aannemen in de zin van iets tot zich nemen. Nu is de persoon beginsel en term van die aanneming. En wel beginsel, omdat het eigenlijk aan de persoon toekomt te werken, en die aanneming van het vlees is gebeurd door een goddelijke daad. Evenzo is de persoon ook de eindterm van deze aanneming, want de vereniging is, zoals boven werd gezegd (2° Kw., 1° en 2° Art.), geschied in persoon, niet in natuur. En zo blijkt dat het het meest eigenlijk aan de persoon toekomt een natuur aan te nemen.

Ad primum ergo dicendum quod, cum persona divina sit infinita, non potest ei fieri additio. Unde Cyrillus dicit, in epistola synodali Ephesini Concilii, non secundum coappositionem coniunctionis intelligimus modum. Sicut etiam in unione hominis ad Deum quae est per gratiam adoptionis, non additur aliquid Deo, sed id quod divinum est apponitur homini. Unde non Deus, sed homo perficitur. (IIIa q. 3 a. 1 ad 1)

1 — Omdat de goddelijke persoon oneindig is, kan daar niets aan worden toegevoegd. Daarom zegt Cyrillus in de Synodale brief van het Concilie van Ephese: « Wij vatten de manier van vereniging niet op als een bijvoeging ». Op dezelfde manier wordt er bij de vereniging van een mens met God door de genade van adoptie niet iets bij God gevoegd, maar het goddelijke wordt bij de mens gevoegd. Dus niet God, maar de mens wordt vervolmaakt.

Ad secundum dicendum quod persona dicitur incommunicabilis inquantum non potest de pluribus suppositis praedicari. Nihil tamen prohibet plura de persona praedicari. Unde non est contra rationem personae sic communicari ut subsistat in pluribus naturis. Quia etiam in personam creatam possunt plures naturae concurrere accidentaliter, sicut in persona unius hominis invenitur quantitas et qualitas. Hoc autem est proprium divinae personae, propter eius infinitatem, ut fiat in ea concursus naturarum, non quidem accidentaliter, sed secundum subsistentiam. (IIIa q. 3 a. 1 ad 2)

2 — De persoon wordt onmededeelbaar genoemd, in zover hij niet van meerdere dragers kan worden gezegd. Maar er is niets tegen dat meerdere dingen van de persoon worden gezegd. Daarom is het ook niet tegen het wezen van een persoon, dat deze zo wordt medegedeeld, dat hij in meerdere naturen bestaat. Want meerdere naturen kunnen ook in een geschapen persoon op bijkomstige manier tesamen komen, zoals men in de persoon van een mens grootheid en hoedanigheid vindt. Maar aan de goddelijke persoon is het om zijn oneindigheid eigen, dat in hem de naturen niet op bijkomstige wijze, maar naar het zelfstandig bestaan tesamen komen.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, natura humana non constituit personam divinam simpliciter, sed constituit eam secundum quod denominatur a tali natura. Non enim ex natura humana habet filius Dei quod sit simpliciter, cum fuerit ab aeterno, sed solum quod sit homo. Sed secundum naturam divinam constituitur persona divina simpliciter. Unde persona divina non dicitur assumere divinam naturam, sed humanam. (IIIa q. 3 a. 1 ad 3)

3 — Zoals boven gezegd is (2e Kw., 1e Art.), vormt de menselijke natuur de goddelijke persoon niet zonder meer, maar alleen in zover deze naar deze natuur genoemd wordt. Want de Zoon Gods heeft niet het zijn zonder meer van de menselijke natuur, omdat Hij van eeuwigheid bestaat, maar het mens zijn. Door de goddelijke natuur echter wordt de goddelijke persoon gevormd, en daarom zegt men niet, dat de goddelijke persoon de goddelijke natuur aanneemt, maar de menselijke.

Articulus 2.
Komt het aan de goddelijke natuur toe aan te nemen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod naturae divinae non conveniat assumere. Quia, sicut dictum est assumere dicitur quasi ad se sumere. Sed natura divina non sumpsit ad se humanam naturam, quia non est facta unio in natura, sed in persona, sicut supra dictum est. Ergo naturae divinae non competit assumere naturam humanam. (IIIa q. 3 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat het aannemen niet aan de goddelijke natuur toekomt. Want aannemen betekent, zoals gezegd is (voorgaande Artikel), tot zich nemen, maar de goddelijke natuur heeft de menselijke niet tot zich genomen, omdat de vereniging niet in natuur is gebeurd, maar in persoon, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e-3e Artikel). Daarom komt het aannemen niet aan de goddelijke natuur toe.

Praeterea, natura divina communis est tribus personis. Si igitur naturae convenit assumere, sequitur quod conveniat tribus personis et ita pater assumpsit humanam naturam, sicut et filius. Quod est erroneum. (IIIa q. 3 a. 2 arg. 2)

2 — De goddelijke natuur komt aan drie personen gemeenschappelijk toe. Als dus het aannemen aan de natuur toekomt, volgt daaruit dat het aan drie personen toekomt. En zo had de Vader de menselijke natuur aangenomen zoals de Zoon. Maar dat is niet waar.

Praeterea, assumere est agere. Agere autem convenit personae, non naturae, quae magis significatur ut principium quo agens agit. Ergo assumere non convenit naturae. (IIIa q. 3 a. 2 arg. 3)

3 — Aannemen is werken. Werken echter is iets van de persoon, niet van de natuur, die meer het beginsel betekent, waardoor de werker werkt. Dus komt het de natuur niet toe om aan te nemen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, illa natura quae semper genita manet ex patre, idest, quae est per generationem aeternam accepta a patre, naturam nostram sine peccato suscepit. (IIIa q. 3 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof aan Petrus: « Die natuur, die altijd door de Vader voortgebracht blijft, dwz. die door de eeuwige voortbrenging van de Vader ontvangen is, heeft zonder zonde onze natuur gekregen ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, in verbo assumptionis duo significantur, scilicet principium actionis, et terminus eius. Esse autem assumptionis principium convenit naturae divinae secundum seipsam, quia eius virtute assumptio facta est. Sed esse terminum assumptionis non convenit naturae divinae secundum seipsam, sed ratione personae in qua consideratur. Et ideo primo quidem et propriissime persona dicitur assumere, secundario autem potest dici quod etiam natura assumit naturam ad sui personam. Et secundum etiam hunc modum dicitur natura incarnata, non quasi sit in carnem conversa; sed quia naturam carnis assumpsit. Unde dicit Damascenus, dicimus naturam Dei incarnatam esse, secundum beatos Athanasium et Cyrillum. (IIIa q. 3 a. 2 co.)

Zoals gezegd is (voorgaande Art.), worden door het woord aanneming twee dingen aangegeven, nl. het uitgangspunt van de daad en haar eindterm. Nu komt het aan de goddelijke natuur krachtens haarzelf toe beginsel van de aanneming te zijn, omdat de aanneming door haar kracht is geschied. Maar eindterm van de aanneming te zijn, komt aan de goddelijke natuur niet krachtens zichzelf toe, maar krachtens de persoon, waarin wij haar beschouwen. En daarom zeggen wij op de eerste plaats en het meest eigenlijk van de persoon, dat hij aanneemt, maar daarna kan ook gezegd worden, dat de natuur de natuur heeft aangenomen tot de persoon, waarin zij is. En op deze manier spreken wij van een mensgeworden natuur, niet alsof zij in vlees was veranderd, maar omdat zij de vleselijke natuur heeft aangenomen. Daarom zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3° B., 6° H.): « Wij zeggen, op het voorbeeld van de Heilige Athanasius en Cyrillus, dat de goddelijke natuur is mensgeworden ».

Ad primum ergo dicendum quod ly se est reciprocum, et refert idem suppositum. Natura autem divina non differt supposito a persona verbi. Et ideo, inquantum natura divina sumit naturam humanam ad personam verbi, dicitur eam ad se sumere. Sed quamvis pater assumat naturam humanam ad personam verbi, non tamen propter hoc sumit eam ad se, quia non est idem suppositum patris et verbi. Et ideo non potest dici proprie quod pater assumat naturam humanam. (IIIa q. 3 a. 2 ad 1)

1 — Het « zich » is een wederkerig voornaamwoord en geeft aan, dat het gaat over de zelfde drager. Nu verschilt de goddelijke natuur niet in drager van de persoon van het Woord. Daarom zegt men, dat de goddelijke natuur, in zover zij de menselijke natuur opnam tot de persoon van het Woord, haar tot zich genomen heeft. De Vader echter heeft, al heeft Hij de menselijke natuur opgenomen tot de persoon van het Woord, haar daarom toch niet tot zich genomen, omdat Vader en Woord niet dezelfde drager hebben. En daarom kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat de Vader de menselijke natuur heeft aangenomen.

Ad secundum dicendum quod id quod convenit divinae naturae secundum se, convenit tribus personis, sicut bonitas, sapientia et huiusmodi. Sed assumere convenit ei ratione personae verbi, sicut dictum est. Et ideo soli illi personae convenit. (IIIa q. 3 a. 2 ad 2)

2 — Wat aan de goddelijke natuur als zodanig toekomt, komt aan de drie personen toe, als de goedheid, wijsheid en dergelijken. Maar aannemen komt, zoals gezegd is, aan haar toe krachtens de persoon van het Woord. En daarom komt dat alleen aan die persoon toe.

Ad tertium dicendum quod, sicut in Deo idem est quod est et quo est, ita etiam in eo idem est quod agit et quo agit, quia unumquodque agit inquantum est ens. Unde natura divina et est id quo Deus agit, et est ipse Deus agens. (IIIa q. 3 a. 2 ad 3)

3 — Zoals in God datgene wat bestaat en datgene waardoor het bestaat, hetzelfde is, zo is het ook hetzelfde wat werkt en waardoor het werkt, want alles werkt naarmate het bestaat. Daarom is de goddelijke natuur zowel datgene, waardoor God werkt, en de God zelf, die werkt.

Articulus 3.
Kan de natuur nog werken, als wij haar beschouwen met ons verstand, afgezien van de persoonlijkheid?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod, abstracta personalitate per intellectum, natura non possit assumere. Dictum est enim quod naturae convenit assumere ratione personae. Sed quod convenit alicui ratione alicuius, remoto eo, non potest ei convenire, sicut corpus, quod est visibile ratione coloris, sine colore videri non potest. Ergo, abstracta personalitate per intellectum, natura assumere non potest. (IIIa q. 3 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat als wij met ons verstand de persoonlijkheid buiten beschouwing laten, de natuur niet kan aannemen. We hebben namelijk gezegd (1° Art.), dat het aannemen aan de natuur toekomt krachtens de persoon. Maar wat aan iets toekomt krachtens iets anders, kan er niet meer aan toekomen, als dat andere is weggenomen, zoals een lichaam, dat door zijn kleur zichtbaar is, zonder kleur onzichtbaar is. Daarom kan de natuur, als wij met het verstand van de persoonlijkheid afzien, niet meer aannemen.

Praeterea, assumptio importat terminum unionis, ut dictum est. Sed unio non potest fieri in natura, sed solum in persona. Ergo, abstracta personalitate, natura divina non potest assumere. (IIIa q. 3 a. 3 arg. 2)

2 — De aanneming sluit ook de eindterm van de vereniging in, zoals gezegd is (t. a. p.). De vereniging kan echter niet geschieden in natuur, maar alleen in persoon. Dus kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid niet aannemen.

Praeterea, in prima parte dictum est quod in divinis, abstracta personalitate, nihil manet. Sed assumens est aliquid. Ergo, abstracta personalitate, non potest divina natura assumere. (IIIa q. 3 a. 3 arg. 3)

3 — In het eerste deel is gezegd (40° Kw., 3° Art.), dat als men bij goddelijke dingen afziet van de persoonlijkheid, er niets overblijft. Maar wie aanneemt, is iets. Daarom kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid, niet aannemen.

Sed contra est quod in divinis personalitas dicitur proprietas personalis, quae est triplex, scilicet paternitas, processio et filiatio, ut in prima parte dictum est. Sed, remotis his per intellectum, adhuc remanet Dei omnipotentia, per quam est facta incarnatio, sicut Angelus dixit, Luc. I, non erit impossibile apud Deum omne verbum. Ergo videtur quod, etiam remota personalitate, natura divina possit assumere. (IIIa q. 3 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij goddelijke dingen de persoonlijkheid een persoonlijke eigenschap wordt genoemd, en deze is drievoudig, namelijk vaderschap, zoonschap en voortkomen, zoals in het eerste deel is gezegd (30° Kw., 2° Art.). Maar ziet men met het verstand daarvan af, dan blijft nog Gods almacht over, waardoor de menswording is geschied, zoals de Engel zei, Lucas, (1, 37): « Bij God is geen ding onmogelijk ». Daarom schijnt de goddelijke natuur te kunnen aannemen, zelfs afgezien van de persoonlijkheid.

Respondeo dicendum quod intellectus dupliciter se habet ad divina uno modo, ut cognoscat Deum sicuti est. Et sic impossibile est quod circumscribatur per intellectum aliquid a Deo quod aliud remaneat, quia totum quod est in Deo est unum, salva distinctione personarum; quarum tamen una tollitur, sublata alia, quia distinguuntur solum relationibus, quas oportet esse simul. Alio modo se habet intellectus ad divina, non quidem quasi cognoscens Deum ut est, sed per modum suum, scilicet multipliciter et divisim id quod in Deo est unum. Et per hunc modum potest intellectus noster intelligere bonitatem et sapientiam divinam, et alia huiusmodi, quae dicuntur essentialia attributa, non intellecta paternitate vel filiatione, quae dicuntur personalitates. Et secundum hoc, abstracta personalitate per intellectum, possumus adhuc intelligere naturam assumentem. (IIIa q. 3 a. 3 co.)

Het verstand verhoudt zich tot de goddelijke dingen op een dubbele manier. Vooreerst zo, dat het God kent zoals Hij is. En dan is het onmogelijk, dat het verstand zo iets van God afzondert, dat er iets anders overblijft, want alles wat in God is, is één behalve het onderscheid in personen; en zelfs van deze verdwijnt de Een, als de Ander wordt weggenomen, omdat zij alleen door hun onderlinge verhouding onderscheiden zijn, die steeds tegelijk moeten bestaan. Anders staat het verstand tegenover de goddelijke dingen, als het God niet kent, zoals Hij is, maar op zijn eigen manier, namelijk dat wat in God een is, op verschillende manier en verdeeld. En op die manier kan ons verstand de goddelijke goedheid en wijsheid en dergelijken, die wezenseigenschappen worden genoemd, begrijpen, terwijl het het vaderschap en zoonschap, die persoonlijkheden worden genoemd, niet beschouwt. En op die manier kunnen wij, als het verstand van de persoonlijkheid afziet, nog een natuur begrijpen, die aanneemt.

Ad primum ergo dicendum quod, quia in divinis idem est quo est et quod est, quidquid eorum quae attribuuntur Deo in abstracto secundum se consideretur, aliis circumscriptis, erit aliquid subsistens, et per consequens persona, cum sit in natura intellectuali. Sicut igitur nunc, positis proprietatibus personalibus in Deo, dicimus tres personas, ita, exclusis per intellectum proprietatibus personalibus, remanebit in consideratione nostra natura divina ut subsistens, et ut persona. Et per hunc modum potest intelligi quod assumat naturam humanam ratione suae subsistentiae vel personalitatis. (IIIa q. 3 a. 3 ad 1)

1 — Omdat in God datgene waardoor Hij is, en dat wat Hij is, een en hetzelfde is, is alles wat aan God wordt toegekend, als het abstract en op zichzelf, afgezien van het andere, wordt beschouwd, nog iets wat zelfstandig bestaat, en dus een persoon, omdat het gaat over een verstandelijke natuur. Zo spreken wij nu van drie personen in God, omdat wij persoonlijke eigenschappen in God aannemen, maar als wij die persoonlijke eigenschappen met ons verstand uitsluiten, blijven wij daarom nog de goddelijke natuur beschouwen als iets zelfstandig bestaande en als een persoon. En zo kunnen wij begrijpen, dat zij de menselijke natuur aanneemt om haar zelfstandig bestaan of persoonlijkheid.

Ad secundum dicendum quod, etiam circumscriptis per intellectum personalitatibus trium personarum, remanebit in intellectu una personalitas Dei, ut Iudaei intelligunt, ad quam poterit terminari assumptio, sicut nunc dicimus eam terminari ad personam verbi. (IIIa q. 3 a. 3 ad 2)

2 — Ook als wij met ons verstand de persoonlijkheden der drie personen uitsluiten, blijft in ons verstand de ene persoonlijkheid van God, zoals de Joden haar opvatten, en dat kan de eindterm van de aanneming zijn, zoals wij zeggen, dat de persoon van het Woord haar eindterm is.

Ad tertium dicendum quod, abstracta personalitate per intellectum, dicitur nihil remanere per modum resolutionis, quasi aliud sit quod subiicitur relationi, et aliud ipsa relatio, quia quidquid consideratur in Deo, consideratur ut suppositum subsistens. Potest tamen aliquid eorum quae dicuntur de Deo intelligi sine alio, non per modum resolutionis, sed per modum iam dictum. (IIIa q. 3 a. 3 ad 3)

3 — Men zegt, dat als het verstand van de persoonlijkheid afziet, er niets overblijft, wanneer men dit als een volkomen scheiding zou opvatten, alsof namelijk de drager van de verhouding iets anders zou zijn dan de verhouding zelf, want alles wat wij in God beschouwen, vatten wij op als een zelfstandig bestaande drager. Maar van de dingen, die wij van God zeggen, kan men het een beschouwen zonder het ander, niet als een volkomen onderscheiden, maar op de reeds uiteengezette manier.

Articulus 4.
Kan een persoon een geschapen natuur aannemen, als de andere niet aanneemt?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod una persona non possit assumere naturam creatam, alia non assumente. Indivisa enim sunt opera Trinitatis, ut dicit Augustinus, in Enchirid., sicut enim trium personarum est una essentia, ita una operatio. Sed assumere est operatio quaedam. Ergo non potest convenire uni personae divinae quin conveniat alii. (IIIa q. 3 a. 4 arg. 1)

1 — Want, zoals Augustinus zegt in het *Enchiridion*, « de werken der Drievuldigheid zijn niet verdeeld », omdat de drie personen één werking hebben, als één natuur. Maar aannemen is een soort werking. Daarom kan zij niet aan een persoon toekomen als zij ook niet aan de andere toekomt.

Praeterea, sicut dicimus personam filii incarnatam, ita et naturam, tota enim divina natura in una suarum hypostasum incarnata est, ut dicit Damascenus, in III libro. Sed natura communis est tribus personis. Ergo et assumptio. (IIIa q. 3 a. 4 arg. 2)

2 — Zoals wij de Zoon mensgeworden noemen, noemen wij ook de natuur mensgeworden, want zoals Damascenus zegt (in het 3° boek Over het Ware Geloof): « is de gehele goddelijke natuur in een van haar hypostasen mensgeworden ». Nu hebben de drie personen een gemeenschappelijke natuur. Dus ook de aanneming.

Praeterea, sicut humana natura in Christo assumpta est a Deo, ita etiam et homines per gratiam assumuntur ab ipso, secundum illud Rom. XIV, Deus illum assumpsit. Sed haec assumptio communiter pertinet ad omnes personas. Ergo et prima. (IIIa q. 3 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals de menselijke natuur in Christus door God is aangenomen, zo worden ook de mensen door de genade door Hem aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 3): « God heeft hem aangenomen ». Maar die aanneming komt gemeenschappelijk aan de drie personen toe. Dus ook de eerstgenoemde.

Sed contra est quod Dionysius, II cap. de Div. Nom., incarnationis mysterium dicit pertinere ad discretam theologiam, secundum quam scilicet aliquid distinctum dicitur de divinis personis. (IIIa q. 3 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Dionysius in het boek Over de Goddelijke namen zegt, dat het geheim der menswording valt onder de « bijzondere godgeleerdheid », waarin namelijk iets bijzonders wordt geleerd over de goddelijke personen.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, assumptio duo importat, scilicet actum assumentis, et terminum assumptionis. Actus autem assumentis procedit ex divina virtute, quae communis est tribus personis, sed terminus assumptionis est persona, sicut dictum est. Et ideo id quod est actionis in assumptione, commune est tribus personis, sed id quod pertinet ad rationem termini, convenit ita uni personae quod non alii. Tres enim personae fecerunt ut humana natura uniretur uni personae filii. (IIIa q. 3 a. 4 co.)

De aanneming sluit, zoals gezegd is (1° Art.), twee dingen in: nl. de daad van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu komt de daad van hem, die aanneemt, voort uit de goddelijke kracht, die aan de drie personen gemeen is, maar de term van de aanneming is, zoals gezegd is (t. a. pl.), de persoon. Daarom is wat er aan daad is in de aanneming aan de drie personen gemeen, maar wat de eindterm betreft, komt zij zo aan een persoon toe, dat zij niet van de andere is. Want drie personen bewerkten, dat de menselijke natuur werd verenigd met de ene persoon van de Zoon.

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit ex parte operationis. Et sequeretur conclusio si solam illam operationem importaret absque termino, qui est persona. (IIIa q. 3 a. 4 ad 1)

1 — Het eerste bezwaar ging uit van de daad. En de gevolgtrekking zou opgaan als de aanneming alleen de daad insloot zonder de eindterm, die een persoon is.

Ad secundum dicendum quod natura dicitur incarnata, sicut et assumens, ratione personae ad quam terminata est unio, sicut dictum est, non autem prout est communis tribus personis. Dicitur autem tota natura divina incarnata, non quia sit incarnata in omnibus personis, sed quia nihil deest de perfectione divinae naturae personae incarnatae. (IIIa q. 3 a. 4 ad 2)

2 — Wij noemen de natuur mensgeworden, zoals wij zeggen, dat zij aangenomen heeft, om wille van de persoon, die de eindterm van de vereniging is, zoals werd gezegd (1° en 2° Art.), maar niet in zover zij aan de drie personen gemeen is. Men zegt niet, dat de hele natuur mensgeworden is, omdat zij in alle personen is mensgeworden, maar omdat er niets ontbreekt aan de volmaaktheid van de goddelijke natuur van de mensgeworden persoon.

Ad tertium dicendum quod assumptio quae fit per gratiam adoptionis, terminatur ad quandam participationem divinae naturae secundum assimilationem ad bonitatem illius, secundum illud II Pet. I, ut divinae consortes naturae, et cetera. Et ideo huiusmodi assumptio communis est tribus personis et ex parte principii et ex parte termini. Sed assumptio quae est per gratiam unionis, est communis ex parte principii, non autem ex parte termini, ut dictum est. (IIIa q. 3 a. 4 ad 3)

3 — De aanneming die door de genade der adoptie geschiedt, vindt haar eindresultaat in een deelhebben aan de goddelijke natuur door een gelijkenis met haar goedheid, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): « deelgenoten aan de goddelijke natuur ». Daarom ook is deze aanneming de drie personen gemeen en beschouwd van haar uitgangspunt en van haar eindresultaat. Maar de aanneming door de genade der vereniging is gemeenschappelijk wat het beginsel betreft, maar niet wat de eindterm betreft, zoals gezegd is (in de Leerstelling, en 2° Art.).

Articulus 5.
Kon een andere goddelijke persoon dan die van den Zoon de menselijke natuur aannemen?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod nulla alia persona divina potuit humanam naturam assumere, praeter personam filii. Per huiusmodi enim assumptionem factum est quod Deus sit filius hominis. Sed inconveniens esset quod esse filium conveniret patri vel spiritui sancto, hoc enim vergeret in confusionem divinarum personarum. Ergo pater et spiritus sanctus carnem assumere non possent. (IIIa q. 3 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat geen andere goddelijke persoon dan die van de Zoon de menselijke natuur kon aannemen. Want door deze aanneming werd God de mensenzoon. Maar het zou niet passen, dat de Vader of de Heilige Geest Zoon werden, want dat zou leiden tot verwarring der personen. Daarom zouden de Vader en de Heilige Geest het vlees niet kunnen aannemen.

Praeterea, per incarnationem divinam homines sunt assecuti adoptionem filiorum, secundum illud Rom. VIII, non accepistis spiritum servitutis iterum in timore, sed spiritum adoptionis filiorum. Sed filiatio adoptiva est participata similitudo filiationis naturalis, quae non convenit nec patri nec spiritui sancto, unde dicitur Rom. VIII, quos praescivit et praedestinavit conformes fieri imaginis filii sui. Ergo videtur quod nulla alia persona potuit incarnari praeter personam filii. (IIIa q. 3 a. 5 arg. 2)

2 — Door de goddelijke menswording zijn de mensen tot kinderen aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 15): « Gij hebt niet wederom een slavengeest in vrees gekregen, maar de geest van aangenomen kinderen ». Maar het kind zijn door aanneming is een delen door gelijkenis in het kind zijn van nature, dat aan de Vader noch aan de Heilige Geest toekomt, zodat in de Romeinenbrief (8, 19) wordt gezegd: « Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon ». Dus schijnt geen ander persoon mensgeworden te kunnen zijn dan de persoon van de Zoon.

Praeterea, filius dicitur missus, et genitus nativitate temporali, secundum quod incarnatus est. Sed patri non convenit mitti, qui est innascibilis, ut in prima parte habitum est. Ergo saltem persona patris non potuit incarnari. (IIIa q. 3 a. 5 arg. 3)

3 — Men zegt dat de Zoon gezonden en geboren is door een geboorte in de tijd, omdat hij mensgeworden is. Maar gezonden worden past de Vader niet, die niet geboren kan worden, zoals in het eerste deel is behandeld (32° Kw., 3° Art. en 43° Kw., 4° Art.). Daarom kon minstens de persoon van de Vader niet mens worden.

Sed contra, quidquid potest filius, potest pater, alioquin, non esset eadem potentia trium. Sed filius potuit incarnari. Ergo similiter pater et spiritus sanctus. (IIIa q. 3 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat al wat de Zoon kan, ook de Vader kan, anders zouden alle drie niet dezelfde macht hebben. Maar de Zoon kon mens worden. Dus de Vader en de Heilige Geest evenzeer.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, assumptio duo importat, scilicet ipsum actum assumentis, et terminum assumptionis. Principium autem actus est virtus divina, terminus autem est persona. Virtus autem divina communiter et indifferenter se habet ad omnes personas. Eadem etiam est communis ratio personalitatis in tribus personis, licet proprietates personales sint differentes. Quandocumque autem virtus aliqua indifferenter se habet ad plura, potest ad quodlibet eorum suam actionem terminare, sicut patet in potentiis rationalibus, quae se habent ad opposita, quorum utrumque agere possunt. Sic ergo divina virtus potuit naturam humanam unire vel personae patris vel spiritus sancti, sicut univit eam personae filii. Et ideo dicendum est quod pater vel spiritus sanctus potuit carnem assumere, sicut et filius. (IIIa q. 3 a. 5 co.)

Aanneming sluit twee dingen in, zoals wij gezegd hebben (voorgaand Art.): nl. de daad zelf van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu is de goddelijke kracht het beginsel van de daad, maar de eindterm is de persoon. De goddelijke kracht verhoudt zich op precies dezelfde manier tot de drie personen. Ook zijn de drie personen op dezelfde wijze persoon, al verschillen de persoonlijke eigenschappen. Als nu een kracht tot meerderen in dezelfde verhouding staat, kan zij ieder van hen tot eindterm van haar daad maken, zoals blijkt bij de verstandelijke vermogens, die zich richten op tegenovergestelde dingen, welke zij beiden kunnen verrichten. Hierom kon de goddelijke kracht de menselijke natuur verenigen met de persoon van de Vader of de Heilige Geest, zoals zij haar met de persoon van de Zoon heeft verenigd. En daarom moet men zeggen, dat de Vader of de Heilige Geest het vlees konden aannemen zoals de Zoon.

Ad primum ergo dicendum quod filiatio temporalis, qua Christus dicitur filius hominis, non constituit personam ipsius, sicut filiatio aeterna, sed est quiddam consequens nativitatem temporalem. Unde, si per hunc modum nomen filiationis ad patrem vel spiritum sanctum transferretur, nulla sequeretur confusio divinarum personarum. (IIIa q. 3 a. 5 ad 1)

1 — Het zoonschap in de tijd, waardoor Christus mensenzoon wordt genoemd, vormt zijn persoon niet, zoals het eeuwig zoonschap dat doet, maar is iets, wat op de geboorte in de tijd volgt. Als dus op die manier de naam zoonschap op de Vader of de Heilige Geest zou worden overgebracht, zou er toch geen verwarring der personen volgen.

Ad secundum dicendum quod filiatio adoptiva est quaedam participata similitudo filiationis naturalis; sed fit in nobis appropriate a patre, qui est principium naturalis filiationis; et per donum spiritus sancti, qui est amor patris et filii; secundum illud Galat. IV, misit Deus spiritum filii sui in corda nostra, clamantem, abba, pater. Et ideo sicut, filio incarnato, adoptivam filiationem accipimus ad similitudinem naturalis filiationis eius; ita, patre incarnato, adoptivam filiationem reciperemus ab eo tanquam a principio naturalis filiationis; et a spiritu sancto, tanquam a nexu communi patris et filii. (IIIa q. 3 a. 5 ad 2)

2 — Door het zoonschap door aanneming heeft men deel in een gelijkenis met het zoonschap van nature, maar als wij dat krijgen, wordt het aan de Vader toegeschreven, die het beginsel van het zoon zijn van nature is, en door de gave van de Heilige Geest, die de liefde van Vader en Zoon is, volgens het woord uit de Galatenbrief (4, 6): « God zond de Geest van zijn Zoon in onze harten, die roept Abba, Vader ». En zoals wij dus door het mens worden van de Zoon het zoonschap door aanneming kregen in gelijkenis met het zoonschap van nature, zo zouden wij, als de Vader mens geworden was, van Hem het zoonschap door aanneming krijgen als van het beginsel van het zoonschap van nature, en van de Heilige Geest, als van de band tussen Vader en Zoon.

Ad tertium dicendum quod patri convenit esse innascibilem secundum nativitatem aeternam, quod non excluderet nativitas temporalis. Mitti autem dicitur filius secundum incarnationem, eo quod est ab illo, sine quo incarnatio non sufficeret ad rationem missionis. (IIIa q. 3 a. 5 ad 3)

3 — Aan de Vader komt het toe niet geboren te kunnen worden naar de eeuwige geboorte, maar dat sluit een geboorte in de tijd niet uit. Men zegt, dat de Zoon door de menswording gezonden is, in zover dit van Hem (de Vader) uitgaat; anders zou de menswording niet het karakter van een zending hebben.

Articulus 6.
Konden twee goddelijke personen een enkele natuur aannemen?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod duae personae divinae non possunt assumere unam et eandem numero naturam. Hoc enim supposito aut essent unus homo, vel plures. Sed non plures, sicut enim una natura divina in pluribus personis non patitur esse plures deos, ita una humana natura in pluribus personis non patitur esse plures homines. Similiter etiam non possent esse unus homo, quia unus homo est iste homo, qui demonstrat unam personam; et sic tolleretur distinctio trium personarum divinarum, quod est inconveniens. Non ergo duae aut tres personae possunt accipere unam naturam humanam. (IIIa q. 3 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat twee goddelijke personen niet één en dezelfde natuur kunnen aannemen. — I. Want veronderstelt men dit, dan zouden zij of één mens zijn of meerdere, maar niet meerdere, want zoals door de ene goddelijke natuur in meerdere personen er niet meerdere goden zijn, zo zou één menselijke natuur, in meerdere personen niet meer mensen geven. Evenmin zouden zij één mens kunnen zijn, want één mens is deze bepaalde mens, wat een persoon aangeeft, en zo zou het verschil tussen de goddelijke personen worden opgeheven, wat niet past. Daarom kunnen twee of drie personen niet één menselijke natuur aannemen.

Praeterea, assumptio terminatur ad unitatem personae, ut dictum est. Sed non est una persona patris et filii et spiritus sancti. Ergo non possunt tres personae assumere unam naturam humanam. (IIIa q. 3 a. 6 arg. 2)

2 — De eindterm van de aanneming is de eenheid in persoon, zo als wij gezegd hebben (3° Art.). Maar Vader, Zoon en Heilige Geest vormen niet één persoon. Dus kunnen de drie personen niet één menselijke natuur aannemen.

Praeterea, Damascenus dicit, in III libro, et Augustinus, in I de Trin., quod ex incarnatione filii Dei consequitur quod quidquid dicitur de filio Dei, dicitur de filio hominis, et e converso. Si ergo tres personae assumerent unam naturam humanam, sequitur quod quidquid dicitur de qualibet trium personarum, diceretur de illo homine, et e converso ea quae dicerentur de illo homine, possent dici de qualibet trium personarum. Sic ergo id quod est proprium patris, scilicet generare filium ab aeterno, diceretur de illo homine, et per consequens diceretur de filio Dei, quod est inconveniens. Non ergo est possibile quod tres personae divinae assumant unam naturam humanam. (IIIa q. 3 a. 6 arg. 3)

3 — Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e en 4e H.) en Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e, 12e, 13e H.), dat uit de menswording van Gods Zoon volgt, dat al wat van de Zoon Gods wordt gezegd, ook van de mensenzoon wordt gezegd en omgekeerd. Als dus de drie personen een enkele menselijke natuur zouden aannemen, zou daaruit volgen, dat al wat van ieder van die drie personen wordt gezegd, ook van die mens werd gezegd; en omgekeerd zou wat van die mens werd gezegd, van ieder dier drie personen gezegd kunnen worden. Zo zou wat de Vader eigen is, nl. van eeuwigheid de Zoon voort te brengen, van die mens worden gezegd, en dientengevolge zou het van de Zoon Gods worden gezegd, wat niet past. Het is dus niet mogelijk, dat drie goddelijke personen een menselijke natuur zouden aannemen.

Sed contra, persona incarnata subsistit in duabus naturis, divina scilicet et humana. Sed tres personae possunt subsistere in una natura divina. Ergo etiam possunt subsistere in una natura humana, ita scilicet quod sit una natura humana a tribus personis assumpta. (IIIa q. 3 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de mensgeworden persoon zelfstandig bestaat in twee naturen, namelijk de goddelijke en de menselijke. Maar de drie personen kunnen zelfstandig bestaan in één goddelijke natuur. Dus kunnen zij ook bestaan in één menselijke natuur, zodat één menselijke natuur door drie personen is aangenomen.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, ex unione animae et corporis in Christo non fit neque nova persona neque hypostasis, sed fit una natura assumpta in personam vel hypostasim divinam. Quod quidem non fit per potentiam naturae humanae, sed per potentiam personae divinae. Est autem talis divinarum personarum conditio quod una earum non excludit aliam a communione eiusdem naturae, sed solum a communione eiusdem personae. Quia igitur in mysterio incarnationis tota ratio facti est potentia facientis, ut Augustinus dicit, in epistola ad Volusianum; magis est circa hoc iudicandum secundum conditionem personae assumentis quam secundum conditionem naturae humanae assumptae. Sic igitur non est impossibile divinis personis ut duae vel tres assumant unam naturam humanam. Esset tamen impossibile ut assumerent unam hypostasim vel unam personam humanam, sicut Anselmus dicit, in libro de conceptu virginali, quod plures personae non possunt assumere unum eundemque hominem. (IIIa q. 3 a. 6 co.)

In Christus ontstaat, zoals boven gezegd is (2° Kw., 5° Art., Antw. op de 1° B.), door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe persoon, of hypostase, maar er ontstaat een natuur, die opgenomen is in de goddelijke persoon of hypostase. Dit nu geschiedt niet door de kracht der menselijke natuur, maar door de kracht van de goddelijke persoon. Nu zijn de goddelijke personen van die aard, dat een hunner de ander niet uitsluit van het delen in dezelfde natuur, maar alleen van het delen in dezelfde persoonlijkheid. Omdat nu bij het geheim der menswording « de gehele verklaring van het gebeurde ligt in de macht van wie het bewerkt », zoals Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus, moeten wij hierover meer oordelen naar de aard van de aannemende persoon dan naar de aard van de aangenomen menselijke natuur. En daarom is het voor de goddelijke personen niet onmogelijk, dat twee of drie een menselijke natuur aannemen. Maar het zou mogelijk zijn, dat zij één menselijke persoon of hypostase zouden aannemen, zoals Anselmus zegt in het boek Over het Ontvangen der Maagd (2e B., 9e H.): « dat meerdere personen niet één en dezelfde mens kunnen aannemen ».

Ad primum ergo dicendum quod, hac positione facta, quod scilicet tres personae assumerent unam humanam naturam, verum esset dicere quod tres personae essent unus homo, propter unam humanam naturam, sicut nunc verum est dicere quod sunt unus Deus, propter unam divinam naturam. Nec ly unus importat unitatem personae, sed unitatem in natura humana. Non enim posset argui ex hoc quod tres personae sunt unus homo, quod essent unus simpliciter, nihil enim prohibet dicere quod homines qui sunt plures simpliciter, sint unus quantum ad aliquid, puta unus populus; sicut Augustinus dicit, VI de Trin., diversum est natura spiritus hominis et spiritus Dei, sed inhaerendo fit unus spiritus, secundum illud I Cor. VI, qui adhaeret Deo, unus spiritus est. (IIIa q. 3 a. 6 ad 1)

1 — Veronderstelt men dit, dat nl. drie personen één menselijke natuur zouden aannemen, dan kon men in waarheid zeggen, dat die drie personen één mens waren om de ene menselijke natuur, zoals men nu in waarheid zegt, dat zij één God zijn om de ene goddelijke natuur. En dat één sluit geen eenheid van persoon in, maar eenheid in de menselijke natuur. Uit het feit, dat drie personen een mens zijn, kan men niet bewijzen, dat zij één zijn zonder meer; er is immers niets op tegen te zeggen, dat de mensen, die zonder meer velen zijn, in zeker opzicht één zijn, bv. een volk, zoals Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (3e H.): « Van nature verschillen de geest van de mens en de geest Gods, maar als zij innig verbonden zijn, wordt het één geest, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs: « Wie innig met God is verbonden, is één geest met Hem ».

Ad secundum dicendum quod, illa positione facta, humana natura esset assumpta in unitate non unius personae, sed in unitate singularum personarum, ita scilicet quod, sicut divina natura habet naturalem unitatem cum singulis personis, ita natura humana haberet unitatem cum singulis per assumptionem. (IIIa q. 3 a. 6 ad 2)

2 — In deze veronderstelling zou de menselijke natuur niet opgenomen zijn tot de eenheid met een persoon, maar in eenheid met de afzonderlijke personen, zodat evenals de goddelijke natuur van nature één is met de afzonderlijke personen, ook de menselijke natuur met iedere afzonderlijke een eenheid zou hebben door aanneming.

Ad tertium dicendum quod circa mysterium incarnationis fuit communicatio proprietatum pertinentium ad naturam, quia quaecumque conveniunt naturae, possunt praedicari de persona subsistente in natura illa, cuiuscumque naturae nomine significetur. Praedicta ergo positione facta, de persona patris poterunt praedicari et ea quae sunt humanae naturae, et ea quae sunt divinae, et similiter de persona filii et spiritus sancti. Non autem illud quod conveniret personae patris ratione propriae personae, posset attribui personae filii aut spiritus sancti, propter distinctionem personarum, quae remaneret. Posset ergo dici quod, sicut pater est ingenitus, ita homo esset ingenitus, secundum quod ly homo supponeret pro persona patris. Si quis autem ulterius procederet, homo est ingenitus, filius est homo, ergo filius est ingenitus, esset fallacia figurae dictionis vel accidentis. Sicut et nunc dicimus Deum esse ingenitum, quia pater est ingenitus, nec tamen possumus concludere quod filius sit ingenitus, quamvis sit Deus. (IIIa q. 3 a. 6 ad 3)

3 — Bij het geheim der menswording is er een uitwisseling van eigenschappen, die tot de natuur behoren, want al wat aan de natuur toekomt, kan gezegd worden van de persoon, die in die natuur zelfstandig bestaat, en hij kan met de naam van welke natuur ook worden aangeduid. Dus zou in de gegeven veronderstelling van de persoon des Vaders gezegd kunnen worden wat toekomt aan de menselijke natuur en wat aan de goddelijke; en evenzo van de persoon van de Zoon en van de Heilige Geest. Maar wat aan de persoon van de Vader om zijn eigen persoonlijkheid toekomt, zou niet aan de persoon van de Zoon of de Heilige Geest kunnen worden toegekend, omdat het onderscheid in personen zou blijven. Men zou dus kunnen zeggen, dat zoals de Vader ongeboren is, zo ook de mens ongeboren was, voor zover dit « mens » de persoon des Vaders betekende. Maar als iemand verder zou gaan: de mens is ongeboren, de Zoon is de mens, dus de Zoon is ongeboren, dan zou men een fout maken in de vorm van redeneren en van eigenschappen toe te kennen. Zo zeggen wij nu ook, dat God ongeboren is, omdat de Vader ongeboren is, maar toch kunnen wij niet besluiten, dat de Zoon ongeboren is, al is Hij God.

Articulus 7.
Kan een goddelijke Persoon twee menselijke naturen aannemen?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod una persona divina non possit assumere duas naturas humanas. Natura enim assumpta in mysterio incarnationis non habet aliud suppositum praeter suppositum personae divinae, ut ex supra dictis patet. Si ergo ponatur esse una persona divina assumens duas humanas naturas, esset unum suppositum duarum naturarum eiusdem speciei. Quod videtur implicare contradictionem, non enim natura unius speciei multiplicatur nisi secundum distinctionem suppositorum. (IIIa q. 3 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een goddelijke persoon niet twee menselijke naturen kan aannemen. Wat de natuur, die in het geheim der menswording is aangenomen, heeft geen andere drager dan de drager van de goddelijke persoon, zoals boven gezegd is (voorgaand Art. en 2° Art.). Als wij dus veronderstellen, dat er één goddelijke persoon was, die twee menselijke naturen aannam, dan zou er één drager zijn van twee naturen van dezelfde soort. Maar dat schijnt een tegenstrijdigheid in te sluiten: want de natuur van dezelfde soort wordt niet vermenigvuldigd dan door het onderscheid in dragers.

Praeterea, hac suppositione facta, non posset dici quod persona divina incarnata esset unus homo, quia non haberet unam naturam humanam. Similiter etiam non posset dici quod essent plures homines, quia plures homines sunt supposito distincti, et ibi esset unum tantum suppositum. Ergo praedicta positio esset omnino impossibilis. (IIIa q. 3 a. 7 arg. 2)

2 — In deze veronderstelling zou men niet kunnen zeggen, dat de mens geworden goddelijke persoon één mens was, omdat hij niet één menselijke natuur zou hebben. Men zou ook niet kunnen zeggen, dat hij meerdere mensen was, omdat meerdere mensen in dragers onderscheiden zijn, en daar zou er maar één drager zijn. Dus is de genoemde veronderstelling geheel en al onmogelijk.

Praeterea, in incarnationis mysterio tota divina natura est unita toti naturae assumptae, idest cuilibet parti eius, est enim Christus perfectus Deus et perfectus homo, totus Deus et totus homo, ut Damascenus dicit, in III libro. Sed duae humanae naturae non possent totaliter sibi invicem uniri, quia oporteret quod anima unius esset unita corpori alterius, et quod etiam duo corpora essent simul, quod etiam confusionem induceret naturarum. Non ergo est possibile quod persona divina duas humanas naturas assumeret. (IIIa q. 3 a. 7 arg. 3)

3 — In het geheim der menswording is de gehele goddelijke natuur verenigd met geheel de aangenomen natuur, dwz. met elk van haar delen; want Christus is « volmaakt God en volmaakt mens, geheel God en geheel mens », zoals Damascenus zegt in het 3e boek. Maar twee menselijke naturen kunnen niet geheel en al met elkaar verenigd worden; want dan zou de ziel van de een met het lichaam van de ander verenigd moeten zijn en ook zouden twee lichamen tegelijk (op dezelfde plaats) moeten zijn, wat tot verwarring der naturen zou leiden. Dus is het onmogelijk, dat de goddelijke persoon twee menselijke naturen zou aannemen.

Sed contra est quod quidquid potest pater, potest filius. Sed pater post incarnationem filii, potest assumere naturam humanam aliam numero ab ea quam filius assumpsit, in nullo enim per incarnationem filii est diminuta potentia patris vel filii. Ergo videtur quod filius, post incarnationem, possit aliam humanam naturam assumere, praeter eam quam assumpsit. (IIIa q. 3 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Zoon kan al wat de Vader kan. Maar de Vader kan na de menswording van de Zoon een andere menselijke natuur aannemen als de Zoon heeft aangenomen; want door de menswording van de Zoon is de macht van de Vader of de Zoon in niets verminderd. Dus schijnt het, dat de Zoon na de menswording een andere menselijke natuur kan aannemen als die Hij reeds aangenomen heeft.

Respondeo dicendum quod id quod potest in unum et non in amplius, habet potentiam limitatam ad unum. Potentia autem divinae personae est infinita, nec potest limitari ad aliquid creatum. Unde non est dicendum quod persona divina ita assumpserit unam naturam humanam quod non potuerit assumere aliam. Videretur enim ex hoc sequi quod personalitas divinae naturae esset ita comprehensa per unam humanam naturam quod ad eius personalitatem alia assumi non possit. Quod est impossibile, non enim increatum a creato comprehendi potest. Patet ergo quod, sive consideremus personam divinam secundum virtutem, quae est principium unionis; sive secundum suam personalitatem, quae est terminus unionis, oportet dicere quod persona divina, praeter naturam humanam quam assumpsit possit aliam numero naturam humanam assumere. (IIIa q. 3 a. 7 co.)

Wat macht heeft over één ding en niet meer, heeft een macht, die tot één ding is beperkt. Nu is de macht van de goddelijke persoon oneindig en kan niet tot iets geschapens beperkt worden. Daarom moet men niet zeggen, dat de goddelijke persoon zo een menselijke natuur heeft aangenomen, dat Hij geen andere zou kunnen aannemen. Want daaruit zou schijnen te volgen, dat de persoonlijkheid der goddelijke natuur zo omvat zou zijn door een menselijke natuur, dat een andere tot haar persoonlijkheid niet aangenomen kon worden. En dat is onmogelijk, want het ongeschapene kan niet door iets geschapens omvat worden. Dus blijkt het, dat wij altijd van de goddelijke persoon, hetzij wij hem beschouwen naar zijn macht, die het beginsel der vereniging is, hetzij naar zijn persoonlijkheid, die er de eindterm van is, moeten zeggen, dat hij behalve de menselijke natuur, die hij aangenomen heeft, nog een andere menselijke natuur kan aannemen.

Ad primum ergo dicendum quod natura creata perficitur in sua ratione per formam, quae multiplicatur secundum divisionem materiae. Et ideo, si compositio formae et materiae constituat novum suppositum, consequens est quod natura multiplicetur secundum multiplicationem suppositorum. Sed in mysterio incarnationis unio formae et materiae, idest animae et corporis, non constituit novum suppositum, ut supra dictum est. Et ideo posset esse multitudo secundum numerum ex parte naturae, propter divisionem materiae, absque distinctione suppositorum. (IIIa q. 3 a. 7 ad 1)

1 — De geschapen natuur wordt in haar aard volmaakt door de vorm, die door de verdeling der stof wordt vermenigvuldigd. Daarom zou, als de vereniging van stof en vorm een nieuwe drager zou maken, eruit volgen, dat de natuur vermenigvuldigd werd door de vermenigvuldiging der dragers. Maar bij het geheim der menswording maakt de vereniging van stof en vorm, dwz. van ziel en lichaam geen nieuwe drager, zoals boven is gezegd (Voorgaand artikel). En daarom zou er gezien van de kant van de natuur een veelheid in getal kunnen zijn door de verdeling der stof, zonder onderscheid in dragers.

Ad secundum dicendum quod posset videri quod, praedicta positione facta, consequeretur quod essent duo homines, propter duas naturas, absque hoc quod essent ibi duo supposita, sicut e converso tres personae dicerentur unus homo, propter unam naturam humanam assumptam, ut supra dictum est. Sed hoc non videtur esse verum. Quia nominibus est utendum secundum quod sunt ad significandum imposita. Quod quidem est ex consideratione eorum quae apud nos sunt. Et ideo oportet, circa modum significandi et consignificandi, considerare ea quae apud nos sunt. In quibus nunquam nomen ab aliqua forma impositum pluraliter dicitur nisi propter pluralitatem suppositorum, homo enim qui est duobus vestimentis indutus, non dicitur duo vestiti, sed unus vestitus duobus vestimentis; et qui habet duas qualitates, dicitur singulariter aliqualis secundum duas qualitates. Natura autem assumpta quantum ad aliquid se habet per modum indumenti, licet non sit similitudo quantum ad omnia, ut supra dictum est. Et ideo, si persona divina assumeret duas naturas humanas, propter unitatem suppositi diceretur unus homo habens duas naturas humanas. Contingit autem quod plures homines dicuntur unus populus, propter hoc quod conveniunt in aliquo uno, non autem propter unitatem suppositi. Et similiter, si duae personae divinae assumerent unam numero humanam naturam, dicerentur unus homo, ut supra dictum est, non propter unitatem suppositi, sed inquantum conveniunt in aliquo uno. (IIIa q. 3 a. 7 ad 2)

2 — Uit de gemaakte veronderstelling zou kunnen schijnen te volgen, dat er twee mensen waren om de twee naturen, zonder dat er twee dragers waren, zoals omgekeerd de drie personen één mens genoemd zouden worden om de ene natuur, die zij aannamen, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de I° B.). Maar dat schijnt niet waar te zijn, omdat wij de namen moeten gebruiken naar de betekenis waarom zij gegeven zijn, en dat was uit overweging van de dingen, die om ons heen zijn. En daarom moeten wij wat de manier om iets te betekenen of mee in te sluiten betreft letten op wat om ons heen is. Dan wordt een aan een vorm ontleende naam nooit in het meervoud gebruikt tenzij om de meervoudigheid van de dragers; iemand, die twee kleren draagt, wordt niet twee gekleed genoemd, maar iemand, die in twee kleren is gekleed; en wie twee eigenschappen heeft, wordt in het enkelvoud iemand genoemd, die door twee eigenschappen een bepaalde aard heeft. Nu dient een natuur, die tot iets aangenomen is, als een kleed, al gaat de vergelijking niet in alle opzichten op, zoals wij gezegd hebben (2 Kw., 6° Art., Antw. op de 1° B.). En als dus de goddelijke persoon twee naturen aangenomen had, zou hij daarom om de eenheid van de drager een mens met twee menselijke naturen worden genoemd. — Het gebeurt ook wel, dat meerdere mensen een volk worden genoemd, omdat zij in een punt overeenkomen, maar niet om de eenheid van drager. En evenzo zouden twee goddelijke personen, als zij een menselijke natuur hadden aangenomen, één mens worden genoemd, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1° B.), niet om de eenheid van drager, maar omdat zij in iets overeenkomen.

Ad tertium dicendum quod divina et humana natura non eodem ordine se habent ad unam divinam personam, sed per prius comparatur ad ipsam divina natura, utpote quae est unum cum ea ab aeterno; sed natura humana comparatur ad personam divinam per posterius, utpote assumpta ex tempore a divina persona, non quidem ad hoc quod natura sit ipsa persona, sed quod persona in natura subsistat filius enim Dei est sua deitas, sed non est sua humanitas. Et ideo ad hoc quod natura humana assumatur a divina persona, relinquitur quod divina natura unione personali uniatur toti naturae assumptae, idest secundum omnes partes eius. Sed duarum naturarum assumptarum esset uniformis habitudo ad personam divinam, nec una assumeret aliam. Unde non oporteret quod una earum totaliter alteri uniretur, idest, omnes partes unius omnibus partibus alterius. (IIIa q. 3 a. 7 ad 3)

3 — De goddelijke en menselijke natuur staan niet in dezelfde verhouding tot een goddelijke persoon, maar eerst komt de goddelijke natuur die van eeuwigheid een met haar is, en pas daarna treedt de menselijke natuur tot de goddelijke persoon in verhouding, omdat zij in de tijd door de goddelijke persoon is aangenomen, niet hiertoe, dat de natuur de persoon zelf is, maar dat de persoon in de natuur bestaat; de Zoon Gods immers is wel zijn godheid, maar niet zijn mensheid. En daarom blijft er voor het aannemen van de menselijke natuur door de goddelijke persoon over, dat de goddelijke natuur in een vereniging in persoon verenigd wordt met de gehele aangenomen natuur, dwz. naar al haar delen. Maar twee aangenomen naturen zouden dezelfde verhouding tot de goddelijke persoon hebben, en de een zou de ander niet aannemen. Daarom zou het niet nodig zijn, dat de ene van hen geheel en al met de andere zou worden verenigd, dwz. alle delen van de een met alle delen van de ander.

Articulus 8.
Was het meer gepast, dat de Zoon Godsmens werd dan de Vader of de Heilige Geest?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod non fuerit magis conveniens filium Dei incarnari quam patrem vel spiritum sanctum. Per mysterium enim incarnationis homines ad veram Dei cognitionem sunt perducti, secundum illud Ioan. XVIII, in hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhiberem veritati. Sed ex hoc quod persona filii Dei est incarnata, multi impediti fuerunt a vera Dei cognitione, ea quae dicuntur de filio secundum humanam naturam referentes ad ipsam filii personam, sicut Arius, qui posuit inaequalitatem personarum propter hoc quod dicitur Ioan. XIV, pater maior me est, qui quidem error non provenisset si persona patris incarnata fuisset; nullus enim existimasset patrem filio minorem. Magis ergo videtur conveniens fuisse quod persona patris incarnaretur quam persona filii. (IIIa q. 3 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet meer gepast was, dat de Zoon Gods mens werd dan de Vader of de Heilige Geest. Want door het geheim der menswording zijn de mensen tot de ware kennis van God gebracht, volgens het woord van Johannes (18, 37): « Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen voor de waarheid ». Maar doordat de Zoon Gods mens geworden is, zijn velen belet om tot de ware kennis van God te komen, omdat zij wat van de Zoon naar zijn menselijke natuur werd gezegd, toepasten op de persoon zelf van de Zoon, zoals Arius een ongelijkheid tussen de personen hield om wat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: « De Vader is groter dan ik ». En deze dwaling zou niet opgekomen zijn, als de persoon van de Vader was mensgeworden, omdat niemand de Vader minder dan de Zoon had geacht. Daarom schijnt het meer gepast, dat de persoon van de Vader was mensgeworden dan de persoon van de Zoon.

Praeterea, incarnationis effectus videtur esse recreatio quaedam humanae naturae, secundum illud Galat. ult., in Christo Iesu neque circumcisio aliquid valet neque praeputium, sed nova creatura. Sed potentia creandi appropriatur patri. Ergo magis decuisset patrem incarnari quam filium. (IIIa q. 3 a. 8 arg. 2)

2 — Het gevolg van de menswording schijnt een soort herschepping van de menselijke natuur te zijn geweest, naar het woord uit de Galatenbrief (Laatste H., 15): « In Christus Jesus is noch de besnijdenis iets waard, noch de voorhuid, maar alleen een nieuw schepsel ». Het vermogen om te scheppen wordt echter bijzonder aan de Vader toegeschreven. Dus had de Vader eerder mens moeten worden dan de Zoon.

Praeterea, incarnatio ordinatur ad remissionem peccatorum, secundum illud Matth. I, vocabis nomen eius Iesum, ipse enim salvum faciet populum suum a peccatis eorum. Remissio autem peccatorum attribuitur spiritui sancto, secundum illud Ioan. XX, accipite spiritum sanctum, quorum remiseritis peccata, remittentur eis. Ergo magis congruebat personam spiritus sancti incarnari quam personam filii. (IIIa q. 3 a. 8 arg. 3)

3 — De menswording heeft de vergiffenis der zonden tot doel, naar het woord van Matthaeus (1, 21): « Gij zult zijn naam Jesus noemen, want hij zal zijn volk redden uit hun zonden ». Maar de zondenvergeving wordt bijzonder aan de Heilige Geest toegeschreven, naar het woord van Johannes (20, 22-23): « Ontvangt de Heilige Geest; wier zonden gij zult vergeven, die worden zij vergeven ». Daarom was het meer gepast, dat de Heilige Geest mens werd dan de Zoon.

Sed contra est quod Damascenus dicit, in III libro, in mysterio incarnationis manifestata est sapientia et virtus Dei, sapientia quidem, quia invenit difficillimi solutionem pretii valde decentissimam; virtus autem, quia victum fecit rursus victorem. Sed virtus et sapientia appropriantur filio, secundum illud I Cor. I, Christum Dei virtutem et Dei sapientiam. Ergo conveniens fuit personam filii incarnari. (IIIa q. 3 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (1e H.): « In het geheim der mensvordering zijn Gods wijsheid en kracht geopenbaard; en wel de wijsheid omdat Hij een meest gepaste betaling vond van een zeer zware prijs, en de kracht, omdat Hij de overwonnene weer overwinnaar heeft gemaakt ». Maar kracht en wijsheid worden aan de Zoon toegeschreven naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): « Christus, Gods kracht en Gods wijsheid ». Dus was het gepast, dat de persoon van Gods Zoon mens werd.

Respondeo dicendum quod convenientissimum fuit personam filii incarnari. Primo quidem, ex parte unionis. Convenienter enim ea quae sunt similia, uniuntur. Ipsius autem personae filii, qui est verbum Dei, attenditur, uno quidem modo, communis convenientia ad totam creaturam. Quia verbum artificis, idest conceptus eius, est similitudo exemplaris eorum quae ab artifice fiunt. Unde verbum Dei, quod est aeternus conceptus eius, est similitudo exemplaris totius creaturae. Et ideo, sicut per participationem huius similitudinis creaturae sunt in propriis speciebus institutae, sed mobiliter; ita per unionem verbi ad creaturam non participativam sed personalem, conveniens fuit reparari creaturam in ordine ad aeternam et immobilem perfectionem, nam et artifex per formam artis conceptam qua artificiatum condidit, ipsum, si collapsum fuerit, restaurat. Alio modo, habet convenientiam specialiter cum humana natura, ex eo quod verbum est conceptus aeternae sapientiae a qua omnis sapientia hominum derivatur. Et ideo homo per hoc in sapientia proficit, quae est propria eius perfectio prout est rationalis, quod participat verbum Dei, sicut discipulus instruitur per hoc quod recipit verbum magistri. Unde et Eccli. I dicitur, fons sapientiae verbum Dei in excelsis. Et ideo, ad consummatam hominis perfectionem, conveniens fuit ut ipsum verbum Dei humanae naturae personaliter uniretur. Secundo potest accipi ratio huius congruentiae ex fine unionis, qui est impletio praedestinationis, eorum scilicet qui praeordinati sunt ad hereditatem caelestem, quae non debetur nisi filiis, secundum illud Rom. VIII, filii et heredes. Et ideo congruum fuit ut per eum qui est filius naturalis, homines participarent similitudinem huius filiationis secundum adoptionem, sicut apostolus ibidem dicit, quos praescivit et praedestinavit conformes fieri imagini filii eius. Tertio potest accipi ratio huius congruentiae ex peccato primi parentis, cui per incarnationem remedium adhibetur. Peccavit enim primus homo appetendo scientiam, ut patet ex verbis serpentis promittentis homini scientiam boni et mali. Unde conveniens fuit ut per verbum verae sapientiae homo reduceretur in Deum, qui per inordinatum appetitum scientiae recesserat a Deo. (IIIa q. 3 a. 8 co.)

Het was zo gepast mogelijk, dat de persoon van de Zoon mens werd. Ten eerste, als wij het bezien van de kant der vereniging, omdat de vereniging tussen dingen, die op elkaar gelijken, gepast is. Nu kan men ten minste onder zeker opzicht een gemeenschappelijke overeenkomst vinden tussen de persoon zelf van de Zoon, die het Woord Gods is, en het geheel van de schepping. want het « woord » van de kunstenaar, dwz. (de uitdrukking van) zijn ontwerp heeft als voorbeeld een gelijkenis met de dingen, die door hem gemaakt worden. En zo heeft het Woord Gods, dat Zijn eeuwige begripsuitdrukking is, als voorbeeld een gelijkheid met de hele schepping. En zoals door in deze gelijkenis te delen de schepselen in hun soorten zijn gemaakt, maar nog veranderlijk, paste het, dat zij door een niet meegedeelde, maar persoonlijke vereniging van het Woord met een schepsel werden hersteld tot een eeuwige en onveranderlijke volmaaktheid. Want ook de kunstenaar herstelt het kunstwerk, als het gebroken is, door hetzelfde ontwerp van zijn kunst, waarmee hij het gemaakt had. — Op een andere manier is er een bijzondere overeenkomst met de menselijke natuur, omdat het Woord het begrip is van de eeuwige wijsheid, waaraan iedere menselijke wijsheid is ontleend. En daarom komt de mens door deel te hebben in Gods Woord vooruit in de wijsheid, wat zijn eigenlijke volmaaktheid is, omdat hij verstand heeft; zoals een leerling onderricht wordt, doordat hij het woord van zijn leermeester opneemt. Daarom staat in het boek Ecclesiasticus (1, 5): « De bron der wijsheid is Gods Woord in de hemel ». En daarom was het gepast om de menselijke volmaaktheid zo hoog mogelijk op te voeren, dat Gods Woord zelf in persoon met de menselijke natuur werd verenigd. Ten tweede kan men de reden van deze gepastheid zien uit het doel van de vereniging, nl. het vervullen van de voorbestemming, en wel van hen, die voorbestemd zijn voor het hemels erfdeel, dat alleen aan zonen toekomt volgens het woord uit de Romeinenbrief (8,17): « Zonen en erfgenamen ». En daarom was het gepast, dat de mensen door hem, die van nature Zoon is, door aanneming deel zouden hebben in een gelijkenis met dit zoonschap, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt (8, 29): « Die Hij vooraf heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon ». Ten derde kan men de reden, waarom dit gepast was begrijpen uit de zonde van de eerste vader, waartegen wij door de menswording een redmiddel krijgen. De eerste mens zondigde door zijn verlangen naar kennis, zoals blijkt uit de woorden van de slang, die de mens « kennis van goed en kwaad » beloofde. Daarom paste het, dat de mens door het Woord van de ware kennis werd teruggebracht tot God, nadat hij door een ongeordend verlangen naar kennis van God was afgeweken.

Ad primum ergo dicendum quod nihil est quo humana malitia non posset abuti, quando etiam ipsa Dei bonitate abutitur, secundum illud Rom. II, an divitias bonitatis eius contemnis? Unde et, si persona patris fuisset incarnata, potuisset ex hoc homo alicuius erroris occasionem assumere, quasi filius sufficere non potuisset ad humanam naturam reparandam. (IIIa q. 3 a. 8 ad 1)

1 — Er is niets, waarvan de boosheid der mensen geen misbruik kan maken, als zij immers Gods goedheid zelf misbruikt naar het woord uit de Romeinenbrief (2, 4): « Veracht gij de rijkdommen van zijn goedheid? » Daarom zou de mens, als de Vader was mensgeworden, hierin nog een aanleiding voor dwaling kunnen vinden, alsof de Zoon niet voldoende was geweest om de menselijke natuur te herstellen.

Ad secundum dicendum quod prima rerum creatio facta est a potentia Dei patris per verbum. Unde et recreatio per verbum fieri debuit a potentia Dei patris, ut recreatio creationi responderet, secundum illud II Cor. V, Deus erat in Christo mundum reconcilians sibi. (IIIa q. 3 a. 8 ad 2)

2 — De eerste schepping der dingen is geschied door de kracht van God de Vader door het Woord. Daarom moest ook de herschepping door het Woord gebeuren door de kracht van God de Vader, opdat de herschepping aan de schepping zou beantwoorden naar het woord uit de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): « God verzoende in Christus de wereld met zichzelf ».

Ad tertium dicendum quod spiritus sancti proprium est quod sit donum patris et filii. Remissio autem peccatorum fit per spiritum sanctum tanquam per donum Dei. Et ideo convenientius fuit ad iustificationem hominum quod incarnaretur filius, cuius spiritus sanctus est donum. (IIIa q. 3 a. 8 ad 3)

3 — Het is aan de Heilige Geest eigen de gave van de Vader en de Zoon te zijn. Nu geschiedt de vergiffenis der zonden door de Heilige Geest als een gave van God. En daarom was het voor de rechtvaardiging der mensen meer gepast, dat de Zoon, wiens gave de Heilige Geest is, mens werd.