Tertia Pars. Quaestio 4. Over de Vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd .
Prooemium
Deinde considerandum est de unione ex parte assumpti. Circa quod primo considerandum
occurrit de his quae sunt a verbo Dei assumpta; secundo, de coassumptis, quae sunt
perfectiones et defectus. Assumpsit autem filius Dei humanam naturam, et partes eius.
Unde circa primum triplex consideratio occurrit, prima est, quantum ad ipsam naturam
humanam; secunda est, quantum ad partes ipsius; tertia, quantum ad ordinem assumptionis.
Circa primum quaeruntur sex. Primo, utrum humana natura fuerit magis assumptibilis
a filio Dei quam aliqua alia natura. Secundo, utrum assumpserit personam. Tertio,
utrum assumpserit hominem. Quarto, utrum fuisset conveniens quod assumpsisset humanam
naturam a singularibus separatam. Quinto, utrum fuerit conveniens quod assumpsisset
humanam naturam in omnibus singularibus. Sexto, utrum fuerit conveniens quod assumeret
humanam naturam in aliquo homine ex stirpe Adae progenito. (IIIa q. 4 pr.)
Vervolgens moeten wij spreken over de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen
werd. En hieromtrent moeten wij eerst spreken over de dingen, die door Gods Woord
werden aangenomen, en ten tweede over wat mede aangenomen werd, nl. de volmaaktheden
en gebreken. Nu nam Gods Zoon een menselijke natuur en haar delen aan. Daarom zijn
er drie dingen te behandelen wat het eerste punt betreft: ten eerste de menselijke
natuur zelf, dan haar delen en ten derde de volgorde van het aannemen. Over het eerste
punt stellen wij ons zes vragen: 1. Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon
worden aangenomen dan een andere natuur? 2. Nam Gods Zoon een persoon aan? 3. Nam
Hij een mens aan? 4. Was het gepast, dat Hij een menselijke natuur aannam, die van
de eenlingen onderscheiden was? 5. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam
in alle eenlingen? 6. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in een mens
die van Adams geslacht afstamde?
Articulus 1. Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan iedere andere
natuur?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod humana natura non fuerit magis assumptibilis
a filio Dei quam quaelibet alia natura. Dicit enim Augustinus, in epistola ad Volusianum,
in rebus mirabiliter factis tota ratio facti est potentia facientis. Sed potentia
Dei facientis incarnationem, quae est opus maxime mirabile, non limitatur ad unam
naturam, cum potentia Dei sit infinita. Ergo natura humana non est magis assumptibilis
a Deo quam aliqua alia creatura. (IIIa q. 4 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon kon worden aangenomen
dan iedere natuur. Want Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus: « Bij wonderbaar
gebeurde dingen ligt de hele verklaring van het feit in de macht van hem, die het
doet ». Maar de macht Gods, die de menswording, het meest wonderbare werk, tot stand
brengt, is niet aan een natuur gebonden, omdat Gods macht oneindig is. Dus kan de
menselijke natuur niet beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een ander schepsel.
Praeterea, similitudo est ratio faciens ad congruitatem incarnationis divinae personae,
ut supra dictum est. Sed sicut in natura rationali invenitur similitudo imaginis,
ita in natura irrationali invenitur similitudo vestigii. Ergo creatura irrationalis
assumptibilis fuit, sicut humana natura. (IIIa q. 4 a. 1 arg. 2)
2 — De gelijkheid is datgene, waarmee men rekening moet houden bij de gepastheid van de
menswording van de goddelijke persoon, zoals boven is gezegd (3e Kw., 8e Art.). Maar
zoals wij in de redelijke natuur de gelijkenis van het beeld vinden, vinden wij in
de niet-redelijke natuur de gelijkenis van het spoor. Daarom kon een niet redelijk
schepsel worden aangenomen, zoals de menselijke natuur.
Praeterea, in natura angelica invenitur expressior Dei similitudo quam in natura humana,
sicut Gregorius dicit, in homilia de centum ovibus, introducens illud Ezech. XXVIII,
tu signaculum similitudinis. Invenitur etiam in Angelo peccatum, sicut in homine,
secundum illud Iob IV, in Angelis suis reperit pravitatem. Ergo natura angelica fuit
ita assumptibilis sicut natura hominis. (IIIa q. 4 a. 1 arg. 3)
3 — In de engelennatuur vindt men een sterker uitgedrukte gelijkenis met God dan in de
menselijke natuur, zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen, waar
hij het woord van Ezechiel aanhaalt (28, 12): « Gij zegel van gelijkheid ». Ook in
de Engelen wordt zonde gevonden zoals in de mens, naar het woord van Job (4, 15):
« In zijn engelen vond Hij slechtheid ». Dus kon de engelennatuur even goed aangenomen
worden als de natuur van de mens.
Praeterea, cum Deo competat summa perfectio, tanto magis est Deo aliquid simile, quanto
est magis perfectum. Sed totum universum est magis perfectum quam partes eius, inter
quas est humana natura. Ergo totum universum est magis assumptibile quam humana natura. (IIIa q. 4 a. 1 arg. 4)
4 — Omdat de hoogste volmaaktheid aan God toekomt, is iets God meer gelijk, naarmate het
volmaakter is. Nu is het gehele heelal volmaakter dan zijn delen, waartoe ook de menselijke
natuur behoort. Dus kan het gehele heelal beter door God worden aangenomen dan de
menselijke natuur.
Sed contra est quod dicitur Prov. VIII, ex ore sapientiae genitae, deliciae meae esse
cum filiis hominum. Et ita videtur esse quaedam congruentia unionis filii Dei ad humanam
naturam. (IIIa q. 4 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat in het boek der Spreuken aan de geboren Wijsheid in
de mond wordt gelegd (8, 31): « Het is mijn vermaak met de kinderen der mensen te
zijn ». Dus schijnt er een reden voor de gepastheid te zijn van de vereniging van
Gods Zoon met de menselijke natuur.
Respondeo dicendum quod aliquid assumptibile dicitur quasi aptum assumi a divina persona.
Quae quidem aptitudo non potest intelligi secundum potentiam passivam naturalem, quae
non se extendit ad id quod transcendit ordinem naturalem, quem transcendit unio personalis
creaturae ad Deum. Unde relinquitur quod assumptibile aliquid dicatur secundum congruentiam
ad unionem praedictam. Quae quidem congruentia attenditur secundum duo in humana natura,
scilicet secundum eius dignitatem; et necessitatem. Secundum dignitatem quidem, quia
humana natura, inquantum est rationalis et intellectualis, nata est contingere aliqualiter
ipsum verbum per suam operationem, cognoscendo scilicet et amando ipsum. Secundum
necessitatem autem, quia indigebat reparatione, cum subiaceret originali peccato.
Haec autem duo soli humanae naturae conveniunt, nam creaturae irrationali deest congruitas
dignitatis; naturae autem angelicae deest congruitas praedictae necessitatis. Unde
relinquitur quod sola natura humana sit assumptibilis. (IIIa q. 4 a. 1 co.)
Men zegt, dat iets aangenomen kan worden als van een geschiktheid om door een goddelijke
persoon te worden aangenomen. Maar deze geschiktheid mag men niet opvatten als het
natuurlijke vermogen om iets te ondergaan, omdat dit zich niet uitstrekt tot wat de
natuurlijke orde te boven gaat, en de persoonlijke vereniging van het schepsel met
God gaat die te boven. Dus blijft over, dat wij van iets zeggen, dat het aangenomen
kan worden krachtens een gepastheid, die het voor die vereniging bezit. En deze gepastheid
vindt men in de menselijke natuur in twee punten: vooreerst namelijk in haar waardigheid
en dan in haar behoeften. En wel in haar waardigheid, omdat de menselijke natuur als
redelijk en verstandelijk, er op aangelegd is, door haar werking enigerwijs het Woord
zelf te bereiken, namelijk door Het te kennen en te beminnen. En in haar behoeften,
omdat zij herstelling nodig had, daar zij in zonden neerlag. En deze twee dingen komen
alleen aan de menselijke natuur toe: want het niet-redelijke schepsel mist de gepastheid,
die aan de waardigheid wordt ontleend, en de natuur der engelen mist de genoemde behoefte.
Dus blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kon worden.
Ad primum ergo dicendum quod creaturae denominantur aliquales ex eo quod competit
eis secundum proprias causas, non autem ex eo quod convenit eis secundum primas causas
et universales, sicut dicimus aliquem morbum esse incurabilem, non quia non potest
curari a Deo, sed quia per propria principia subiecti curari non potest. Sic ergo
dicitur aliqua creatura non esse assumptibilis, non ad subtrahendum aliquid divinae
potentiae, sed ad ostendendum conditionem creaturae quae ad hoc aptitudinem non habet. (IIIa q. 4 a. 1 ad 1)
1 — Sommige schepsels worden benoemd naar wat hun uit hun eigen oorzaken toekomt, maar
niet naar wat hun uit de eerste en algemene oorzaken toekomt; zo noemen wij een ziekte
ongeneeslijk, niet omdat zij door God niet genezen kan worden, maar omdat zij niet
genezen kan worden door de eigen krachten van de lijder. En zo zeggen wij niet, dat
een schepsel niet aangenomen kan worden, om iets aan Gods macht te onttrekken, maar
om te wijzen op de toestand van het schepsel, dat daartoe geen geschiktheid heeft.
Ad secundum dicendum quod similitudo imaginis attenditur in natura humana secundum
quod est capax Dei, scilicet ipsum attingendo propria operatione cognitionis et amoris.
Similitudo autem vestigii attenditur solum secundum repraesentationem aliquam ex impressione
divina in creatura existentem, non autem ex eo quod creatura irrationalis, in qua
est sola talis similitudo possit ad Deum attingere per solam suam operationem. Quod
autem deficit a minori, non habet congruitatem ad id quod est maius, sicut corpus
quod non est aptum perfici anima sensitiva, multo minus est aptum perfici anima intellectiva.
Multo autem est maior et perfectior unio ad Deum secundum esse personale quam quae
est secundum operationem. Et ideo creatura irrationalis, quae deficit ab unione ad
Deum per operationem, non habet congruitatem ut uniatur ei secundum esse personale. (IIIa q. 4 a. 1 ad 2)
2 — De gelijkheid van het beeld vinden wij bij de menselijke natuur hierin, dat zij God
kan ontvangen, door Hem namelijk te bereiken door haar eigen daden van kennen en beminnen.
Maar de gelijkheid van het spoor ligt alleen hierin, dat het schepsel iets afbeeldt,
dat door God erin is gedrukt, maar niet hierin, dat het niet-redelijke schepsel, waarin
alleen deze gelijkheid bestaat, God zou kunnen bereiken door zijn daden alleen. Maar
wat in het mindere al te kort schiet, heeft geen geschiktheid voor het hogere, zoals
het lichaam, dat niet geschikt is om door een zintuiglijke ziel vervolmaakt te worden,
veel minder geschikt is om door een redelijke ziel vervolmaakt te worden. Nu is de
vereniging met God in het persoonlijk zijn veel groter en volmaakter dan die door
een daad gebeurt. En als daarom het niet redelijke schepsel te kort schiet voor de
vereniging met God door een daad, is het veel minder geschikt om in het persoonlijk
zijn met Hem verenigd te worden.
Ad tertium dicendum quod quidam dicunt Angelum non esse assumptibilem, quia a principio
suae creationis est in sua personalitate perfectus, cum non subiaceat generationi
et corruptioni. Unde non potuisset in unitatem divinae personae assumi nisi eius personalitas
destrueretur, quod neque convenit incorruptibilitati naturae eius; neque bonitati
assumentis, ad quam non pertinet quod aliquid perfectionis in creatura assumpta corrumpat.
Sed hoc non videtur totaliter excludere congruitatem assumptionis angelicae naturae.
Potest enim Deus producendo novam angelicam naturam, copulare eam sibi in unitate
personae, et sic nihil praeexistens ibi corrumperetur. Sed, sicut dictum est, deest
congruitas ex parte necessitatis, quia, etsi natura angelica in aliquibus peccato
subiaceat, est tamen eius peccatum irremediabile ut in prima parte habitum est. (IIIa q. 4 a. 1 ad 3)
3 — Sommigen zeggen, dat een engel niet aangenomen kon worden, omdat deze van het begin
van zijn schepping af volmaakt persoon is, daar hij aan ontstaan en vergaan niet onderhevig
is. Daarom zou hij niet tot de eenheid met de goddelijke persoon kunnen aangenomen
worden, tenzij zijn persoonlijkheid vernietigd werd, wat noch aan de onvergankelijkheid
van zijn natuur, noch aan de goedheid past van hem, die aanneemt, waaraan het niet
eigen is iets volmaakts in het aangenomen schepsel te vernietigen. — Deze reden echter
sluit de gepastheid van het aannemen van een engelennatuur niet geheel en al uit,
want God kon een nieuwe engelennatuur tevoorschijn roepen en haar aan zich in eenheid
van persoon verbinden, en zo zou dan niets, wat te voren bestond, vernietigd worden.
Maar de gepastheid uit hoofde van de behoefte ontbreekt, zoals gezegd is (in de Leerstelling),
want al ligt de engelennatuur in sommigen in zonden, hun misdaad is onherstelbaar,
zoals in het eerste deel behandeld is (64° Kw., 2° Art.).
Ad quartum dicendum quod perfectio universi non est perfectio unius personae vel suppositi,
sed eius quod est unum sub positione vel ordine. Cuius plurimae partes non sunt assumptibiles,
ut dictum est. Unde relinquitur quod solum natura humana sit assumptibilis. (IIIa q. 4 a. 1 ad 4)
4 — De volmaaktheid van het heelal is niet de volmaaktheid van een persoon of drager,
maar van iets, dat een is door samenhang en ordening. En de meeste delen daarvan kunnen
niet aangenomen worden, zoals gezegd is (in de Leerstelling en Antw. op de 1° B.).
Daarom blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kan worden.
Articulus 2. Nam Gods Zoon een persoon aan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod filius Dei assumpserit personam. Dicit enim
Damascenus, in III libro, quod filius Dei assumpsit humanam naturam in atomo, idest,
in individuo. Sed individuum rationalis naturae est persona, ut patet per Boetium,
in libro de duabus naturis. Ergo filius Dei personam assumpsit. (IIIa q. 4 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon een persoon aannam. Want Damascenus zegt in het 3e boek,
dat « Gods Zoon de menselijke natuur aannam « in atomo », dwz. in een individu ».
Maar de eenling met een redelijke natuur is een persoon, zoals Boëtius aantoont in
het boek Over de Twee naturen (3, 4). Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
Praeterea, Damascenus dicit quod filius Dei assumpsit ea quae in natura nostra plantavit.
Plantavit autem ibi personalitatem. Ergo filius Dei assumpsit personam. (IIIa q. 4 a. 2 arg. 2)
2 — Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.), dat « Gods Zoon datgene aannam,
wat Hij in onze natuur had gelegd ». Maar Hij legde de persoonlijkheid erin. Dus nam
Gods Zoon een persoon aan.
Praeterea, nihil consumitur nisi quod est. Sed Innocentius III dicit, in quadam decretali,
quod persona Dei consumpsit personam hominis. Ergo videtur quod persona hominis fuit
prius assumpta. (IIIa q. 4 a. 2 arg. 3)
3 — Niets wordt verteerd dan wat bestaat. Nu zegt Innocentius III in een Decretaal, dat
« Gods Persoon de menselijke persoon verteerde ». Dus schijnt het, dat de menselijke
persoon eerst aangenomen was.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, quod Deus naturam
hominis assumpsit, non personam. (IIIa q. 4 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek *Over het Geloof aan Petrus*
(17e H.), “dat God de menselijke natuur heeft aangenomen, niet de menselijke persoon”.
Respondeo dicendum quod aliquid dicitur assumi ex eo quod ad aliquid sumitur. Unde
illud quod assumitur oportet praeintelligi assumptioni, sicut id quod movetur localiter
praeintelligitur ipsi motui. Persona autem non praeintelligitur in humana natura assumptioni,
sed magis se habet ut terminus assumptionis, ut supra dictum est. Si enim praeintelligeretur,
vel oporteret quod corrumperetur, et sic frustra esset assumpta. Vel quod remaneret
post unionem, et sic essent duae personae, una assumens et alia assumpta; quod est
erroneum, ut supra ostensum est. Unde relinquitur quod nullo modo filius Dei assumpsit
humanam personam. (IIIa q. 4 a. 2 co.)
Men zegt, dat iets aangenomen wordt, omdat het tot iets genomen wordt. Dus moet men
datgene wat aangenomen wordt, zo opvatten, dat het van tevoren bestaat, zoals men
veronderstelt, dat wat plaatselijk bewogen wordt, voor de beweging bestaat. Maar nu
veronderstelt men geen persoon in de menselijke natuur voor de aanneming, maar die
doet eerder dienst als eindterm van de aanneming, zoals boven is gezegd (3e Kw., 1e
en 2e Art.). Als die immers tevoren werd verondersteld, zou hij of moeten vergaan,
en zou er dus voor niets zijn geweest; of moeten blijven na de vereniging, en dan
zouden er twee personen zijn, een aangenomen en een, die aanneemt, wat verkeerd is,
zoals boven werd aangetoond (2e Kw., 6e Art.). Dus blijft er over, dat Gods Zoon op
geen enkele manier een menselijke persoon heeft aangenomen.
Ad primum ergo dicendum quod naturam humanam assumpsit filius Dei in atomo, idest,
in individuo quod non est aliud a supposito increato quod est persona filii Dei. Unde
non sequitur quod persona sit assumpta. (IIIa q. 4 a. 2 ad 1)
1 — Gods Zoon nam de menselijke natuur aan « in atomo », dwz. in een eenling, die niet
onderscheiden is van de ongeschapen drager, die de persoon van Gods Zoon is. Dus volgt
niet, dat er een persoon aangenomen is.
Ad secundum dicendum quod naturae assumptae non deest propria personalitas propter
defectum alicuius quod ad perfectionem humanae naturae pertineat, sed propter additionem
alicuius quod est supra humanam naturam, quod est unio ad divinam personam. (IIIa q. 4 a. 2 ad 2)
2 — De aangenomen natuur mist de eigen persoonlijkheid niet uit gebrek aan iets, dat tot
de volmaaktheid der menselijke natuur behoort, maar om de toevoeging van iets, wat
boven de menselijke natuur is, nl. de vereniging met de goddelijke persoon.
Ad tertium dicendum quod consumptio ibi non importat destructionem alicuius quod prius
fuerat, sed impeditionem eius quod aliter esse posset. Si enim humana natura non esset
assumpta a divina persona, natura humana propriam personalitatem haberet. Et pro tanto
dicitur persona consumpsisse personam, licet improprie, quia persona divina sua unione
impedivit ne humana natura propriam personalitatem haberet. (IIIa q. 4 a. 2 ad 3)
3 — Het « verteerd worden » betekent op de aangehaalde plaats niet het vernielen van iets,
dat er eerst was, maar het verhinderen van iets, dat er anders had kunnen zijn. Want
als de menselijke natuur niet door de goddelijke persoon was aangenomen, zou de menselijke
natuur een eigen persoonlijkheid hebben gehad. En in die zin zegt men, ofschoon oneigenlijk,
dat de persoon « de persoon heeft verteerd », omdat de goddelijke persoon door zijn
vereniging heeft belet, dat de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid zou hebben.
Articulus 3. Heeft de goddelijke persoon een mens aangenomen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod persona divina assumpserit hominem. Dicitur
enim in Psalmo, beatus quem elegisti et assumpsisti, quod Glossa exponit de Christo.
Et Augustinus dicit, in libro de agone Christiano, filius Dei hominem assumpsit, et
in illo humana perpessus est. (IIIa q. 4 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de goddelijke persoon een mens heeft aangenomen. Want in een psalm
wordt gezegd (64, 5): « Zalig hij, die Gij uitgekozen en aangenomen hebt », en de
Glossa legt dit uit van Christus. En Augustinus zegt in het boek Over de strijd van
de Christen (11e H.): « Gods Zoon heeft een mens aangenomen en in hem geleden wat
een mens lijdt ».
Praeterea, hoc nomen homo significat naturam humanam. Sed filius Dei assumpsit humanam
naturam. Ergo assumpsit hominem. (IIIa q. 4 a. 3 arg. 2)
2 — Deze naam mens betekent de menselijke natuur. Nu heeft Gods Zoon een menselijke natuur
aangenomen. Dus heeft Hij een mens aangenomen.
Praeterea, filius Dei est homo. Sed non est homo quem non assumpsit quia sic esset
pari ratione Petrus, vel quilibet alius homo. Ergo est homo quem assumpsit. (IIIa q. 4 a. 3 arg. 3)
3 — Gods Zoon is mens. Maar hij is niet de mens, die Hij niet heeft aangenomen, anders
zou Hij evengoed Petrus of iedere ander mens zijn. Dus is het een mens, die Hij aangenomen
heeft.
Sed contra est auctoritas Felicis Papae et martyris, quae introducitur in Ephesina
synodo, credimus in dominum nostrum Iesum Christum, de virgine Maria natum quia ipse
est Dei sempiternus filius et verbum, et non homo a Deo assumptus, ut alter sit praeter
illum. Neque enim hominem assumpsit Dei filius ut alter sit praeter ipsum. (IIIa q. 4 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezag van de Paus en Martelaar Felix, dat op het Concilie
van Ephese wordt aangehaald: « Wij geloven in onze Heer Jesus Christus, geboren uit
de maagd Maria, omdat Hij de eeuwige Zoon en het Woord van de Vader is, en niet een
door God aangenomen mens, zodat Hij een ander dan Hem zou zijn. Want Gods Zoon heeft
ook geen mens aangenomen om een ander dan Hijzelf te zijn ».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, id quod assumitur non est terminus
assumptionis, sed assumptioni praeintelligitur. Dictum est autem quod individuum in
quo assumitur natura humana, non est aliud quam divina persona, quae est terminus
assumptionis. Hoc autem nomen homo significat humanam naturam prout est nata in supposito
esse, quia, ut dicit Damascenus, sicut hoc nomen Deus significat eum qui habet divinam
naturam, ita hoc nomen homo significat eum qui habet humanam naturam. Et ideo non
est proprie dictum quod filius Dei assumpsit hominem, supponendo, sicut rei veritas
se habet, quod in Christo sit unum suppositum et una hypostasis. Sed secundum illos
qui ponunt in Christo duas hypostases vel duo supposita, convenienter et proprie dici
posset quod filius Dei hominem assumpsisset. Unde et prima opinio quae ponitur sexta
distinctione tertii libri sententiarum concedit hominem esse assumptum. Sed illa opinio
erronea est, ut supra ostensum est. (IIIa q. 4 a. 3 co.)
Zoals wij boven zeiden (Voorgaand Art.), is datgene wat aangenomen wordt niet de eindterm
van de aanneming, maar wordt verondersteld van tevoren te bestaan. Nu is er gezegd
(3e Kw., 2e Art. Antw. op de 1e B.), dat de eenling, waarin de menselijke natuur wordt
aangenomen, geen ander is dan de goddelijke persoon, die de eindterm der aanneming
is. Maar deze naam mens geeft de menselijke natuur aan, voor zover zij erop aangelegd
is in een drager te bestaan, omdat, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e
B., 11e H.), gelijk de naam God Hem aangeeft, die de goddelijke natuur heeft, zo ook
de naam mens degene aangeeft, die de menselijke natuur bezit. En daarom spreekt men
niet in eigenlijke zin, als men zegt, dat de Zoon Gods een mens heeft aangenomen,
als men veronderstelt, zoals het in waarheid is, dat er in Christus een drager en
een hypostase is. Maar volgens hen, die in Christus twee dragers of twee hypostases
aannemen, kan men gepast en in eigenlijke zin zeggen, dat Gods Zoon een mens heeft
aangenomen. Daarom geeft ook de eerste mening, die in de 6e distinctie van het 3e
boek der Sententiae vermeld wordt, toe, dat er een mens is aangenomen. Maar die mening
is verkeerd, zoals boven is aangetoond (2e Kw., 6e Art.).
Ad primum ergo dicendum quod huiusmodi locutiones non sunt extendendae, tanquam propriae,
sed pie sunt exponendae, ubicumque a sacris doctoribus ponuntur; ut dicamus hominem
assumptum, quia eius natura est assumpta; et quia assumptio terminata est ad hoc quod
filius Dei sit homo. (IIIa q. 4 a. 3 ad 1)
1 — Dergelijke uitdrukkingen moet men verder niet gebruiken, alsof zij in eigenlijke zin
kunnen worden opgevat, maar waar zij door de Heilige Leeraars worden neergeschreven,
moet men hen vroom verklaren, zodat wij zeggen, dat er een mens is aangenomen, omdat
zijn natuur aangenomen is; en omdat de aanneming hierin haar eindterm gevonden heeft,
dat Gods Zoon mens is.
Ad secundum dicendum quod hoc nomen homo significat naturam humanam in concreto, prout
scilicet est in aliquo supposito. Et ideo, sicut non possumus dicere quod suppositum
sit assumptum, ita non possumus dicere quod homo sit assumptus. (IIIa q. 4 a. 3 ad 2)
2 — Deze naam mens betekent de menselijke natuur in de werkelijkheid, nl. zoals zij in
een drager is. En daarom kunnen wij niet zeggen, evenmin als wij kunnen zeggen dat
een drager aangenomen is, dat een mens aangenomen is.
Ad tertium dicendum quod filius Dei non est homo quem assumpsit; sed cuius naturam
assumpsit. (IIIa q. 4 a. 3 ad 3)
3 — Gods Zoon is niet de mens, die Hij aangenomen heeft, maar waarvan Hij de natuur heeft
aangenomen.
Articulus 4. Moest Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menselijke natuur aannemen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod filius Dei debuit assumere naturam humanam
abstractam ab omnibus individuis. Assumptio enim naturae humanae facta est ad communem
omnium hominum salutem, unde dicitur I Tim. IV, de Christo, quod est salvator omnium
hominum, maxime fidelium. Sed natura prout est in individuis, recedit a sua communitate.
Ergo filius Dei debuit humanam naturam assumere prout est ab omnibus individuis abstracta. (IIIa q. 4 a. 4 arg. 1)
1 — Want de aanneming der menselijke natuur geschiedde om het gezamenlijke heil van alle
mensen, zodat in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) over Christus wordt gezegd,
dat Hij « de Redder is van alle mensen, vooral van de gelovigen ». Maar voorzover
de natuur in de eenlingen is, mist zij haar algemeenheid. Dus moest Gods Zoon de menselijke
natuur aannemen, zoals zij geabstraheerd is van alle eenlingen.
Praeterea, in omnibus quod nobilissimum est Deo est attribuendum. Sed in unoquoque
genere id quod est per se potissimum est. Ergo filius Dei debuit assumere per se hominem.
Quod quidem, secundum Platonicos, est humana natura ab individuis separata. Hanc ergo
debuit filius Dei assumere. (IIIa q. 4 a. 4 arg. 2)
2 — In alles moeten wij aan God toekennen wat het edelst is. Maar bij alle soorten is
datgene het voornaamst, wat door zichzelf is. Dus moest Gods Zoon datgene aannemen,
wat door zichzelf mens is. Maar volgens de volgelingen van Plato is dat de van de
enkelingen gescheiden menselijke natuur. Dus die moest Gods Zoon aannemen.
Praeterea, natura humana non est assumpta a filio Dei prout significatur in concreto
per hoc nomen homo, ut dictum est. Sic autem significatur prout est in singularibus,
ut ex dictis patet. Ergo filius Dei assumpsit humanam naturam prout est ab individuis
separata. (IIIa q. 4 a. 4 arg. 3)
3 — Door Gods Zoon is de menselijke natuur niet aangenomen, voor zover zij in de werkelijkheid
door de naam mens wordt aangeduid, gelijk wij gezegd hebben (voorg. Art.). Maar zoals
uit het gezegde blijkt, wordt zij met die naam aangeduid voor zover zij in de eenlingen
bestaat. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, in zover zij van de eenlingen
gescheiden is.
Sed contra est quod dicit Damascenus, in III libro, Dei verbum incarnatum neque eam
quae nuda contemplatione consideratur naturam assumpsit. Non enim incarnatio hoc,
sed deceptio, et fictio incarnationis. Sed natura humana prout est a singularibus
separata vel abstracta, in nuda contemplatione cogitatur, quia secundum seipsam non
subsistit, ut idem Damascenus dicit. Ergo filius Dei non assumpsit humanam naturam
secundum quod est a singularibus separata. (IIIa q. 4 a. 4 s. c.)
Daartegenover echter staat het woord van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware
Geloof, 11e H.) : « Gods mensgeworden Woord heeft ook niet de natuur, die door de
zuivere verstandskennis wordt beschouwd, aangenomen, want dat is geen menswording,
maar een bedrog en een namaak van menswording ». Maar voor zover de menselijke natuur
gescheiden of geabstraheerd wordt van de eenlingen, « wordt zij in de zuivere verstandskennis
beschouwd, omdat zij naar haarzelf niet bestaat », zoals dezelfde Damascenus zegt
(t. a. pl.). Dus nam Gods Zoon de menselijke natuur niet aan voor zover zij van de
eenlingen gescheiden is.
Respondeo dicendum quod natura hominis, vel cuiuscumque alterius rei sensibilis, praeter
esse quod in singularibus habet, dupliciter potest intelligi, uno modo, quasi per
seipsam esse habeat praeter materiam, sicut Platonici posuerunt; alio modo, sicut
in intellectu existens, vel humano vel divino. Per se quidem subsistere non potest,
ut philosophus probat, in VII Metaphys., quia ad naturam speciei rerum sensibilium
pertinet materia sensibilis, quae ponitur in eius definitione; sicut carnes et ossa
in definitione hominis. Unde non potest esse quod natura humana sit praeter materiam
sensibilem. Si tamen esset hoc modo subsistens natura humana, non fuisset conveniens
ut a verbo Dei assumeretur. Primo quidem, quia assumptio ista terminatur ad personam.
Hoc autem est contra rationem formae communis, ut sic in persona individuetur. Secundo,
quia naturae communi non possunt attribui nisi operationes communes et universales,
secundum quas homo nec meretur nec demeretur, cum tamen illa assumptio ad hoc facta
sit ut filius Dei in natura assumpta nobis mereretur. Tertio quia natura sic existens
non est sensibilis, sed intelligibilis. Filius autem Dei assumpsit humanam naturam
ut hominibus in ea visibilis appareret, secundum illud Baruch III, post haec in terris
visus est, et cum hominibus conversatus est. Similiter etiam non potuit assumi natura
humana a filio Dei secundum quod est in intellectu divino. Quia sic nihil aliud esset
quam natura divina, et per hunc modum, ab aeterno esset in filio Dei humana natura.
Similiter non convenit dicere quod filius Dei assumpserit humanam naturam prout est
in intellectu humano. Quia hoc nihil aliud esset quam si intelligeretur assumere naturam
humanam. Et sic, si non assumeret eam in rerum natura, esset intellectus falsus. Nec
aliud esset quam fictio quaedam incarnationis, ut Damascenus dicit. (IIIa q. 4 a. 4 co.)
Men kan de menselijke natuur, of die van een ander onder de zintuigen vallend ding,
buiten het bestaan, dat zij in de eenlingen heeft, op twee manieren opvatten: ten
eerste, alsof zij uit zichzelf het bestaan had buiten de stof, zoals de volgelingen
van Plato het hielden, en anders als bestaand in het verstand, hetzij het menselijke,
hetzij het goddelijke. Krachtens zichzelf kan zij niet bestaan, zoals de Filosoof
bewijst in het 7e boek *Over de Metaphysiek*, omdat tot de soortelijke natuur van
de onder zintuigen vallende dingen de onder zintuigen vallende stof behoort, daar
deze in de definitie is opgenomen, als vlees en beenderen in de definitie van de mens.
Daarom kan de menselijke natuur niet bestaan buiten de onder zintuigen vallende stof.
Maar ook als de menselijke natuur zo zelfstandig bestond, zou het niet gepast zijn,
dat zij door het Woord Gods werd aangenomen. Ten eerste, omdat die aanneming de persoon
als einterm heeft. Maar tegen het wezen van een gemeenschappelijke vorm is het, dat
zij zo in een persoon tot een eenling zou worden gemaakt. — Ten tweede kunnen aan
de gemeenschappelijke natuur alleen gemeenschappelijke en algemene handelingen worden
toegerekend, waardoor de mens loon noch straf verdient, terwijl de aanneming toch
dit ten doel heeft, dat Gods Zoon in de aangenomen natuur voor ons zou verdienen.
— Ten derde valt een zo bestaande natuur niet onder de zintuigen, maar onder het verstand.
Gods Zoon heeft evenwel de menselijke natuur aangenomen om zichtbaar in haar onder
de mensen te verschijnen naar het woord van Baruch (3, 38): « Daarna is Hij op aarde
gezien en heeft met de mensen omgegaan ». De menselijke natuur kon evenmin door Gods
Zoon worden aangenomen, in zover zij bestaat in het verstand van God. Want zo is zij
niets anders dan de goddelijke natuur en op deze manier zou de menselijke natuur van
eeuwigheid af in Gods Zoon zijn geweest. Evenmin gaat het aan te zeggen, dat Gods
Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen zoals zij in het mensenverstand bestaat.
Want dat zou niets anders zijn als dat men begreep, dat Hij de menselijke natuur aannam.
En op die manier zou het intellect dwalen, als Hij haar in de werkelijkheid niet aannam.
En dat zou niets anders zijn dan « een soort namaak van de menswording », zoals Damascenus
zegt (t. a. pl.).
Ad primum ergo dicendum quod filius Dei incarnatus est communis omnium salvator, non
communitate generis vel speciei, quae attribuitur naturae ab individuis separatae,
sed communitate causae, prout filius Dei incarnatus est universalis causa salutis
humanae. (IIIa q. 4 a. 4 ad 1)
1 — Gods mensgeworden Zoon is de gemeenschappelijke Redder van allen, niet zoals geslacht
en soort gemeenschappelijk zijn, die aan de van de enkelingen gescheiden natuur worden
toegekend; maar zoals een oorzaak gemeenschappelijk is, in zover de mensgeworden Zoon
Gods de gemeenschappelijke oorzaak is van het heil der mensen.
Ad secundum dicendum quod per se homo non invenitur in rerum natura ita quod sit praeter
singularia, sicut Platonici posuerunt. Quamvis quidam dicant quod Plato non intellexit
hominem separatum esse nisi in intellectu divino. Et sic non oportuit quod assumeretur
a verbo, cum ab aeterno sibi affuerit. (IIIa q. 4 a. 4 ad 2)
2 — Datgene wat door zichzelf mens is, wordt in de werkelijkheid niet zo gevonden, dat
het buiten de eenlingen bestaat, zoals de Platonisten beweerden. — Sommigen zeggen
evenwel, dat Plato niet hield, dat de mens van de eenlingen gescheiden bestaat tenzij
in het goddelijk verstand. En zo moest hij door het Woord niet aangenomen worden,
omdat hij eeuwig bij Hem was.
Ad tertium dicendum quod natura humana, quamvis non sit assumpta in concreto ut suppositum
praeintelligatur assumptioni, sic tamen assumpta est in individuo, quia assumpta est
ut sit in individuo. (IIIa q. 4 a. 4 ad 3)
3 — Al moet men het aannemen der menselijke natuur in concreto niet zo opvatten, dat men
er voor de aanneming een drager in veronderstelt, toch is zij in een eenling aangenomen,
want zij is zo aangenomen, dat zij in een eenling bestaat.
Articulus 5. Moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen in alle eenlingen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod filius Dei humanam naturam assumere debuit
in omnibus individuis. Id enim quod primo et per se assumptum est, est natura humana.
Sed quod convenit per se alicui naturae, convenit omnibus in eadem natura existentibus.
Ergo conveniens fuit ut natura humana assumeretur a Dei verbo in omnibus suppositis. (IIIa q. 4 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur moest aannemen in alle enkelingen.
Want wat allereerst en uiteraard is aangenomen, is de menselijke natuur. Maar wat
uiteraard aan een natuur toekomt, komt aan allen toe, die in die natuur bestaan. Dus
paste het, dat de menselijke natuur door Gods Zoon werd aangenomen in alle enkelingen.
Praeterea, incarnatio divina processit ex divina caritate, ideo dicitur Ioan. III,
sic Deus dilexit mundum ut filium suum unigenitum daret. Sed caritas facit ut aliquis
se communicet amicis quantum possibile est. Possibile autem fuit filio Dei ut plures
naturas hominum assumeret, ut supra dictum est, et, eadem ratione, omnes. Ergo conveniens
fuit ut filius Dei assumeret naturam in omnibus suis suppositis. (IIIa q. 4 a. 5 arg. 2)
2 — De goddelijke menswording komt voort uit de goddelijke liefde, en daarom zegt Johannes
(3, 16): « Zo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven
». Maar de liefde maakt, dat iemand zich aan zijn vrienden geeft voor zover het mogelijk
is. Zoals nu boven is gezegd (3e Kw., 7e Art), kon Gods Zoon meerdere mensen naturen
aannemen en daarom ook alle. Dus paste het, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam
in al haar dragers.
Praeterea, sapiens operator perficit opus suum breviori via qua potest. Sed brevior
via fuisset si omnes homines assumpti fuissent ad naturalem filiationem, quam quod
per unum filium naturalem multi in adoptionem filiorum adducantur, ut dicitur Galat.
IV. Ergo natura humana debuit a filio Dei assumi in omnibus suppositis. (IIIa q. 4 a. 5 arg. 3)
3 — Een wijs werkman brengt zijn werk langs de kortst mogelijke weg ten einde. Maar het
was een kortere weg, als alle mensen werden aangenomen tot het zoonschap van nature,
dan dat « velen door een Zoon van nature ertoe worden gebracht aangenomen zonen te
zijn », zoals in de Galatenbrief (4, 5) wordt gezegd. Dus moest de menselijke natuur
door Gods Zoon in al haar dragers worden aangenomen.
Sed contra est quod Damascenus dicit, in III libro, quod filius Dei non assumpsit
humanam naturam quae in specie consideratur, neque enim omnes hypostases eius assumpsit. (IIIa q. 4 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e
hoofdstuk) zegt: « dat Gods Zoon de menselijke natuur niet aannam, zoals zij als soort
wordt beschouwd, en ook niet al haar hypostasen heeft aangenomen ».
Respondeo dicendum quod non fuit conveniens quod humana natura in omnibus suis suppositis
a verbo assumeretur. Primo quidem, quia tolleretur multitudo suppositorum humanae
naturae, quae est ei connaturalis. Cum enim in natura assumpta non sit considerare
aliud suppositum praeter personam assumentem, ut supra dictum est; si non esset natura
humana nisi assumpta, sequeretur quod non esset nisi unum suppositum humanae naturae,
quod est persona assumens. Secundo, quia hoc derogaret dignitati filii Dei incarnati,
prout est primogenitus in multis fratribus secundum humanam naturam, sicut est primogenitus
omnis creaturae secundum divinam. Essent enim tunc omnes homines aequalis dignitatis.
Tertio, quia conveniens fuit quod, sicut unum suppositum divinum est incarnatum, ita
unam solam naturam humanam assumeret, ut ex utraque parte unitas inveniatur. (IIIa q. 4 a. 5 co.)
Het was niet gepast, dat de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers werd
aangenomen. Ten eerste zou wat aan de menselijke natuur eigen is, de veelheid van
dragers, worden weggenomen. Want omdat, zoals wij zeiden (2e Kw., 3e Art.), in een
aangenomen natuur geen andere drager gesteld mag worden dan de aannemende persoon,
zou volgen, dat er maar een drager van de menselijke natuur was, nl. de persoon, die
aannam, als er geen andere menselijke natuur was dan die werd aangenomen. Ten tweede
zou dit aan de waardigheid van Gods mensgeworden Zoon te kort doen, in zover deze
naar de menselijke natuur « de eerstgeboren van vele broeders » (Rom. 8, 29) is, zoals
naar de goddelijke « de eerstgeboren van alle schepsels » (Coloss. 1, 15). Want dan
zouden alle mensen dezelfde waardigheid hebben. Ten derde paste het, dat zoals er
één goddelijke Drager is mensgeworden, Deze ook maar een menselijke natuur aannam,
zodat van beide zijden eenheid werd gevonden.
Ad primum ergo dicendum quod assumi convenit secundum se humanae naturae, quia scilicet
non convenit ei ratione personae, sicut naturae divinae convenit assumere ratione
personae. Non autem quia convenit ei secundum se sicut pertinens ad principia essentialia
eius, vel sicut naturalis eius proprietas, per quem modum conveniret omnibus eius
suppositis. (IIIa q. 4 a. 5 ad 1)
1 — Aangenomen worden komt uiteraard aan de menselijke natuur toe, omdat het haar niet
om een persoon toekomt, zoals aannemen de goddelijke natuur toekomt om de persoon.
Maar het komt haar niet uiteraard toe alsof het tot haar wezensbeginselen zou behoren
of als een natuurlijke eigenschap; was het zo, dan zou het aan al haar dragers toekomen.
Ad secundum dicendum quod dilectio Dei ad homines manifestatur non solum in ipsa assumptione
humanae naturae, sed praecipue per ea quae passus est in natura humana pro aliis hominibus,
secundum illud Rom. V, commendat autem Deus suam caritatem in nobis, quia, cum inimici
essemus, Christus pro nobis mortuus est. Quod locum non haberet si in omnibus hominibus
naturam humanam assumpsisset. (IIIa q. 4 a. 5 ad 2)
2 — Gods liefde wordt aan de mensen niet alleen in het aannemen zelf van de menselijke
natuur getoond, maar vooral in wat Hij in de menselijke natuur voor de andere mensen
leed, naar het woord uit de Romeinenbrief (5, 8): « God bewijst zijn liefde voor ons,
omdat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren ». Dat zou niet
zijn gebeurd, als Hij in alle mensen de menselijke natuur had aangenomen.
Ad tertium dicendum quod ad brevitatem viae quam sapiens operator observat, pertinet
quod non faciat per multa quod sufficienter potest fieri per unum. Et ideo convenientissimum
fuit quod per unum hominem alii omnes salvarentur. (IIIa q. 4 a. 5 ad 3)
3 — Tot de kortheid van de weg, waarop een verstandig werkman let, behoort het ook niet
door velen te doen, wat door één kan geschieden. En zo was het zo gepast mogelijk,
dat door een mens alle anderen werden gered.
Articulus 6. Was het passend, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens ut filius Dei humanam
naturam assumeret ex stirpe Adae. Dicit enim apostolus, ad Heb. VII, decebat ut esset
nobis pontifex segregatus a peccatoribus. Sed magis esset a peccatoribus segregatus
si non assumpsisset humanam naturam ex stirpe Adae peccatoris. Ergo videtur quod non
debuit de stirpe Adae naturam humanam assumere. (IIIa q. 4 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit
Adams geslacht. Want de Apostel zegt in de Hebreënbrief (7, 26): « Wij hadden een
hogepriester nodig, die van de zondaars afgescheiden was ». Maar Hij zou meer van
de zondaars afgescheiden zijn geweest, als Hij de menselijke natuur niet uit Adams
geslacht had aangenomen. Dus schijnt het, dat Hij de menselijke natuur niet uit Adams
geslacht had moeten aannemen.
Praeterea, in quolibet genere nobilius est principium eo quod est ex principio. Si
igitur assumere voluit humanam naturam, magis debuit eam assumere in ipso Adam. (IIIa q. 4 a. 6 arg. 2)
2 — In iedere soort is het beginsel zelf edeler dan wat uit het beginsel voortkomt. Wilde
Hij dus de menselijke natuur aannemen, dan had Hij het in Adam zelf moeten doen.
Praeterea, gentiles fuerunt magis peccatores quam Iudaei, ut dicit Glossa, Galat.
II, super illud, nos natura Iudaei, non ex gentibus peccatores. Si ergo ex peccatoribus
naturam humanam assumere voluit, debuit eam magis assumere ex gentilibus quam ex stirpe
Abrahae, qui fuit iustus. (IIIa q. 4 a. 6 arg. 3)
3 — De heidenen waren grotere zondaars dan de Joden, zoals de Glossa zegt bij het woord
uit de Galatenbrief (2, 15): « Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de
heidenen ». Als Hij dus de menselijke natuur uit zondaars wilde aannemen, dan had
Hij het eerder uit de heidenen moeten doen dan uit het geslacht van Abraham, die rechtvaardig
was.
Sed contra est quod Luc. III generatio domini reducitur usque ad Adam. (IIIa q. 4 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (3, 23) de afkomst van de Heer tot Adam
wordt teruggevoerd.
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in XIII de Trin., poterat Deus hominem
aliunde suscipere, non de genere illius Adae qui suo peccato obligavit genus humanum.
Sed melius iudicavit et de ipso quod victum fuerat genere assumere hominem Deus, per
quem generis humani vinceret inimicum. Et hoc propter tria. Primo quidem, quia hoc
videtur ad iustitiam pertinere, ut ille satisfaciat qui peccavit. Et ideo de natura
per ipsum corrupta debuit assumi id per quod satisfactio erat implenda pro tota natura.
Secundo, hoc etiam pertinet ad maiorem hominis dignitatem, dum ex illo genere victor
Diaboli nascitur quod per Diabolum fuerat victum. Tertio, quia per hoc etiam Dei potentia
magis ostenditur, dum de natura corrupta et infirma assumpsit id quod in tantam virtutem
et dignitatem est promotum. (IIIa q. 4 a. 6 co.)
Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (18e H.): « God kon de menselijke
natuur ergens anders vandaan aannemen, en niet uit het geslacht van die Adam, die
door zijn zonde het menselijk geslacht schuldig had gemaakt. Maar God oordeelde het
beter uit het overwonnen geslacht zelf een mens aan te nemen, waardoor Hij de vijand
van het menselijk geslacht zou verslaan ». En dat om drie redenen. Ten eerste scheen
het rechtvaardig, dat hij, die gezondigd heeft, ook voldoening brengt. En daarom moest
uit de door de zonde bedorven natuur datgene worden aangenomen, waardoor voldoening
voor de hele natuur zou worden gegeven. Ten tweede strekt het ook de mens tot grotere
eer, als de overwinnaar van de duivel uit het door de duivel overwonnen geslacht wordt
geboren. Ten derde wordt hierdoor Gods macht meer getoond, als Hij uit de bedorven
en verzwakte natuur dat weeneemt wat zo'n kracht en waardigheid krijgt.
Ad primum ergo dicendum quod Christus debuit esse a peccatoribus segregatus quantum
ad culpam, quam venerat destruere, non quantum ad naturam, quam venerat salvare; secundum
quam debuit per omnia fratribus assimilari, ut idem apostolus dicit, Heb. II. Et in
hoc etiam mirabilior est eius innocentia, quod de massa peccato subiecta natura assumpta
tantam habuit puritatem. (IIIa q. 4 a. 6 ad 1)
1 — Christus moest wat de schuld, die Hij kwam vernietigen, betreft van de zondaars gescheiden
zijn, maar niet wat de natuur, die Hij kwam redden betreft. Hierin « moest Hij in
alles aan zijn broeders gelijk worden gemaakt », zoals dezelfde Apostel zegt in de
Hebreënbrief (2, 17). En daarom is zijn onschuld nog meer wonderbaar, dat een natuur,
die uit aan zonde onderworpen stof is aangenomen, zo’n grote reinheid bezit.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, oportuit eum qui peccata venerat tollere,
esse a peccatoribus segregatum quantum ad culpam, cui Adam subiacuit, et quem Christus
a suo delicto eduxit, ut dicitur Sap. X. Oportebat autem eum qui mundare omnes venerat,
non esse mundandum, sicut et in quolibet genere motus primum movens est immobile secundum
illum motum, sicut primum alterans est inalterabile. Et ideo non fuit conveniens ut
assumeret humanam naturam in ipso Adam. (IIIa q. 4 a. 6 ad 2)
2 — Zoals gezegd is (Antw. op 1° B.), moest Hij, die de zonden kwam wegnemen, wat de schuld
betreft van de zondaars gescheiden zijn. Adam ging onder schuld gebukt en Christus
« bevrijdde hem van zijn misdaad », zoals in het boek der Wijsheid (10, 2) wordt gezegd.
Maar Hij, die allen kwam reinigen, moest zelf geen reiniging nodig hebben, zoals bij
alle soorten van beweging de eerste die in beweging brengt, zelf in dat opzicht niet
bewogen wordt, gelijk de eerste, die verandering brengt, zelf onveranderlijk is. En
daarom paste het niet, dat Hij de menselijke natuur in Adam zelf aannam.
Ad tertium dicendum quod, quia Christus debebat esse maxime a peccatoribus segregatus
quantum ad culpam, quasi summam innocentiae obtinens, conveniens fuit ut a primo peccatore
usque ad Christum perveniretur mediantibus quibusdam iustis, in quibus perfulgerent
quaedam insignia futurae sanctitatis. Propter hoc etiam in populo ex quo Christus
erat nasciturus instituit Deus quaedam sanctitatis signa, quae incoeperunt in Abraham,
qui primus promissionem accepit de Christo, et circumcisionem in signum foederis consummandi,
ut dicitur Gen. XVII. (IIIa q. 4 a. 6 ad 3)
3 — Omdat Christus vooral wat de schuld betreft van de zondaars moest gescheiden zijn
om het toppunt van onschuld te bereiken, paste het dat men van de eerste zondaar langs
enige rechtvaardigen, waarin reeds enige kenmerken der toekomstige heiligheid zouden
schitteren, tot Christus kwam. Daarom gaf God ook aan het volk, waaruit Christus zou
geboren worden, enige tekenen van heiligheid, die begonnen in Abraham, die het eerst
de belofte over Christus ontving, en ook de besnijdenis als een teken van het verbond,
dat gesloten zou worden, zoals in het boek der Schepping (17, 11) wordt gezegd.